Strips & comics

Gelezen: Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree

In alle opzichten is Ghost Tree, de vierdelige comic van het Amerikaanse duo Bobby Curnow (scenario) en Simon Gane (tekeningen) een succes. Aanvankelijk in alle bescheidenheid uitgebracht, werd het onmiddellijk opgepikt en de hemel in geprezen. Intussen is van het eerste comicdeeltje al een vierde druk verschenen: dat gebeurt zelden.

Het afsluitende deel verscheen eind juli en daarmee is het verhaal afgerond. Alle loftuitingen blijken 100 procent terecht: Ghost Tree is een magnifiek verteld relaas over liefde, verlies en een bijzondere kijk op het leven, tot voorbij de dood. Centraal in het verhaal staat een boom die als poort fungeert voor overleden zielen die zo contact houden met het aardse.

Deze beschrijving past gemakkelijk op een horror- of suspense-verhaal, maar niets is minder waar. Ghost Tree leunt voor een deel op de Japanse cultuur van yokai (bovenaardse wezens) en yurei (geesten), het verhaal zelf blijft tamelijk nuchter. Uiteindelijk gaat het niet om de geesten zelf, maar wat zij hoofdpersoon Brandt leren over het leven.

Het verhaal begint in het nabije verleden als de tienjarige Brandt door zijn opa wordt meegenomen in het bos naast het huis van zijn familie. Als ze bij een oude boom zijn aangekomen vraagt zijn grootvader hem om twee gunsten. De eerste is om voluit te genieten van zijn jeugd. De tweede is bijzonder: kom nog eens naar deze plaats terug, bij deze boom, precies tien jaar nadat ik ben overleden.

Het verhaal maakt een sprong en de lezer ziet een geraakte, volwassen Brandt: zijn relatie loopt stroef en hij grijpt de belofte aan zijn opa aan om de situatie te ontvluchten. Eenmaal bij de boom ontmoet hij zijn opa weer, of althans: diens geest. Die legt hem uit wat al eeuwen een geheim is in de familie: zij kunnen geesten zien en met hen communiceren. Dan ontmoet hij de geest van Arami, zijn grote jeugdliefde. Zij brengt Brandt aan het twijfelen. Waarom blijft hij niet in het bos, bij de geesten en bij haar? De wereld van nu brengt hem immers zo weinig en hier kan hij zich nuttig maken.

Ghost Tree ontwikkelt zich als een melancholisch en traag schouwspel, waarin de hoofdpersoon zich verliest in keuzes die niet werkelijk keuzes zijn. Hij heeft spijt, maar waarvan? Hoe kunnen de gesprekken die hij met geesten heeft teruggrijpen op zijn eigen leven? Wat kunnen zij voor hem betekenen? Zijn opa weet dat Brandt niets te winnen heeft, maar zijn boodschap lijkt geen vat op hem te hebben. Uiteindelijk moet Brandt toch echt zelf tot de conclusie komen.

Ghost Tree is een prachtige vertelling, die pijnlijk en eerlijk is. Niemand kan zomaar weglopen voor de problemen in het leven, ook Brandt niet. Een bijzondere rol in het verhaal is weggelegd voor zijn oma, die spaarzaam spreekt en dan nog vooral in waarheden. Zij doorziet veel, maar laat tegelijk veel in het ongewisse. Met haar typische rust en waardigheid  geeft zij Ghost Tree een nog nadrukkelijker Japans tintje.

De gedetailleerde, fijngevoelige tekeningen van Simon Gane (They’re not like us) zijn ronduit fraai. Hoewel ze overduidelijk een Japanse inslag hebben, is het beslist geen manga. De pagina-indeling is klassiek westers en ook de verhaalopbouw is op onze leest geschoeid. Stripscenarist Bobby Cornuw, nota bene tot voor kort verantwoordelijk voor de verhalen van Teenage Mutant Hero Turles en My Little Pony, heeft zichzelf op de kaart gezet als begenadigd verteller. Vooral zijn rustige tempo is uit de kunst: ook hier treffen we de invloeden van Japanse tekenaars aan, zoals Taniguchi, die geldt als de meester van het temporiseren.

Ghost Tree is een verhaal dat langzaam komt en lang blijft. Een verhaal van deze geringe omvang die tegelijk zo krachtig is, verdient alle lof, aandacht en drukken. In oktober komt het in één album op de markt, tot die tijd zullen avonturiers het via de importkanalen moeten aanschaffen. Het is al die moeite meer dan waard.

Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree. IDW Publishing. 4 delen à 32 pagina’s. $3.99 per deel. TPB verschijnt in oktober 2019.

Strips & comics

Gelezen: Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York

De eerste pagina van Gabrielle Bells verhalenbundel Cecil & Jordan in New York speelt in het nu. Gabrielle neemt met haar oom en proeflezer Larry de verhalen uit de bundel door. Zelf is ze niet gelukkig met de zachte dwang die haar uitgever uitoefende om het album opnieuw uit te geven: oorpronkelijk verscheen het al in 2009. Bell vindt het gedateerd en pretentieus. Toch stemt ze in en voegt er 48 pagina’s met her en der gepubliceerd werk aan toe. De uitgever gelukkig: pas in februari 2020 verschijnt Bells nieuwe graphic memoir, Inappropriate. Deze uitgebreide verzameling korte verhalen moet het leespubliek alvast hongerig maken.

Een geslaagd idee, want hoewel er in het oeuvre van Bell geen zwakke titels te vinden zijn, geldt Cecil & Jordan in New York als de beste manier om in te stappen in de boeiende wereld van de Amerikaanse stripmaker: wie deze verhalen waardeert, heeft een mooie inhaalslag in het verschiet, met titels als Everything is flammable, The voyeurs en Truth is fragmentary.

Hoewel Bell haar verhalen deels fictief noemt, is het genoeg autobiografisch en uit haar eigen leven gegrepen. En dat is, zacht gezegd, geen geplaveide weg van uitsluitend hoogtepunten. Bell heeft er geen moeite mee zichzelf als outcast neer te zetten: ze komt uit een gebroken gezin, met een labiele moeder die zich heeft teruggetrokken en als een soort nomade in het noorden van Californië leeft, zoals Bell uitgebreid vertelt in Everything is flammable uit 2017.

Wat uit een aantal van de korte verhalen uit Cecil & Jordan in New York blijkt, is dat Bell zichzelf vooral ziet als een tiener en een jonge vrouw die weinig initiatief toont en de omstandigheden gelaten accepteert, zoals ze laat zien in I feel nothing. Vooral die berusting is bovenliggend; een betrokken lezer zou wensen dat ze wat meer lef toont en zich minder laat meeslepen in de situatie. In Hit me, een kort verhaal over haar schooljaren, slaat ze voor het eerst van zich af: het leest zowat als een totale triomf.

De beste verhalen uit Cecil & Jordan in New York zijn de meer experimentele: in Helpless en vooral My affliction zijn de verhaalgegevens zo vreemd en is Bells vertelstem zo bijzonder dat het knap is dat ze de lezer erbij kan houden. In My affliction is de hoofdpersoon gevangen door een reus, vindt ze een hond en gaat ze op zoek naar geborgenheid bij een psychiater. Alles haakt in elkaar, maar is tegelijkertijd zo willekeurig, dat er zelfs een klassieke slottune aan te pas komt, een tragisch riedeltje op een mondharmonica. Daardoor eindigt het verhaal in betrekkelijke harmonie.

Ook het titelverhaal heeft iets magisch in de vertelling: Cecil weet niet wat het leven in de grote stad haar zal brengen en verandert op straat in een rode stoel. Zo komt ze bij iemand in huis te staan. In zijn afwezigheid leest ze zijn boeken, zet ze koffie en gaat ze in bad. Het anekdotische is bijzonder, maar wie goed leest, ziet wat Bell wil vertellen: uiteindelijk gaan haar verhalen over hechten en loslaten, over verzoeken en weglopen. Bell is altijd op zoek naar het plekje in jezelf, daar waar je je op je gemak voelt.

De verhalen van Bell zijn uniek en onweerstaanbaar. In Cecil & Jordan in New York geven ze de nieuwe lezer alle kans om Bell te leren kennen. Eenmaal geraakt en veroverd, is Everything is flammable een leeservaring van de buitencategorie.

Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York. Drawn and Quarterly. 160 pagina’s. $19,95.

Strips & comics

Lewis Trondheim & Alexis Nesme – Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse

Behalve het weekblad, de pockets, dubbelpockets, themapockets en vakantieboeken verschijnen er nog meer Disney-strips in Nederland. De Franse uitgeverij Glénat geeft met een vriendelijke vaart mooie, eenmalige strips uit, die zijn gebaseerd op het Disney-universum. Dat betekent: verhalen van Mickey, Donald en de hele santenkraam, maar niet getekend in de traditionele Disney-stijl. Onlangs verscheen Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse (met vrolijke bijrollen voor Donald Duck, Goofy en een horde spoken). De veelzijdige Lewis Trondheim, die al eerder een Donald-verhaal schreef in deze reeks, werkt voor deze keer samen met Alexis Nesme, een Franse stripmaker die in Nederland mondjesmaat bekend is van De kinderen van kapitein Grant, een avonturenstrip naar het werk van Jules Verne.

In het album Horrifikland zijn Mickey en Donald privédetectives. Hun nering loopt voor geen meter en ze zijn dan ook verheugd dat op een dag mevrouw Grind langskomt, met een klassiek verzoekje waarvoor een beetje privéspeurder zijn neus ophaalt: ze is haar kat Blacky kwijt. Volgens Grind hangt Blacky rond in het verlaten pretpark Horrifikland, waar het getuige de naam wel eens kan spoken. Mickey, Donald en Goofy gaan op zoek en ontdekken al snel dat het er niet pluis is.

Zij treffen er niet alleen spoken aan, maar ook Boris Boef, de eeuwige antagonist die er is om te onderhandelen met de eigenaresse van het park. Deze Lady Switen wordt door de schurk onder druk gezet om het park voor een habbekrats te verkopen. Mickey doorziet dit plannetje er probeert er een stokje voor te steken. Met hulp van allerlei spoken proberen ze Boris Boef te verjagen.

Tot zover is het een klassiek Mickey-verhaal. De fraaie tekeningen van Nesme zorgen ervoor dat het geheel toch anders is dan we gewend zijn, hoewel de poppetjes toch redelijk des Disney’s zijn. Het is de inkleuring die het anders maakt: de figuren zijn niet zo plat als gebruikelijk en dankzij mooie kleurverloopjes en schaduwpartijen zit er veel meer diepte, als in ziel, in de personages. De sfeer en de entourage zijn prachtig uitgewerkt, maar dat zit sowieso wel snor in deze buitenreeks: geen van de zes albums die tot nu toe verschenen in het Nederlands zijn wat dat betreft zwak. Het zijn stuk voor stuk vooral mooi getekende en bijzondere albums, die ook nog eens met een harde kaft en een linnen rug op groot formaat worden uitgegeven.

De verhalen in de buitenreeks zijn wat je van Disney gewend bent. Toch zit er een addertje onder het gras: in een pocket ‘werkt’ een verhaal anders dan in een luxe album. Het lekker weglezen van een verhaaltje – en dan nog paar, tot de pocket van kaft tot kaft is uitgelezen – verschilt nogal met de leeservaring van een flink boek van meer dan 25 euro, met een enkel verhaal. In zo’n solistische setting móet zo’n verhaal goed zijn, terwijl één minder verhaaltje een pocket nog niet zwak maakt. In het geval van Horrifikland krijgt het verhaal een zeventje. Het is in pockettermen een filler en geen killer.

Waarom Horrifikland en de andere titels dan toch in hun opzet slagen, is vanwege het plezier dat van de pagina’s spat. De auteurs pakken uit en permitteren zich andersoortige grappen: meer gericht op volwassenen, tongue-in-cheek en soms geënt op de actualiteit. In de hele reeks is Horrifikland zeker niet beste album: dat zijn De verloren oceaan van Filippi en Camboni (dat ook nog eens prachtig is getekend) en De jeugd van Mickey door Tebo.

Voor de echte Disney-afficionado zijn deze albums must-reads, of eerlijker: must-haves. Voor kinderen is het misschien even wennen, maar toch zeker zeer geschikt: de verhalen zijn net zo goed voor hun. Logisch, uiteraard ziet het Amerikaanse moederbedrijf erop toe dat Donald de spoken niet met een bijl te lijf gaat of Mickey Boris niet omlegt met een AK47. Om maar eens wat te noemen.

Lewis Trondheim & Alexis Nesme – Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse. Glénat. 48 pagina’s, hardcover. € 25,65.

Strips & comics

Gelezen: Laura Zuccheri & Philippe Thirault – Terug naar Belzagor 1 & 2

De beide omslagillustraties laten er geen misverstand over bestaan en ook de titel duwt de lezer in de richting van een onvervalst sf-fantasy verhaal. Terug naar Belzagor is een tweedelig epos over de (de)kolonisatie van een verre planeet gekoppeld aan het streven naar transcendentie en hergeboorte. Voorwaar geen saaie kost, maar ook niet direct een abc’tje voor wie niet goed is ingevoerd in de magische wereld van de klassieke science fiction. Want klassiek is het zeker, de strip is een bewerking van Robert Silverbergs bekroonde sf-roman Downward to earth uit 1970.

Onwillekeurig legt de oplettende lezer een koppeling naar het werk van de Braziliaan Léo (Antares, Betelgeuze, Aldebaran). Dat heeft deels te maken met de tekeningen van Laura Zuccheri, maar vooral met de kopletter op het omslag die identiek is aan die van de populaire reeksen van Léo.

Maar waar de verhalen van Léo meer van explorerende aard zijn en de lezer actief met de expeditieleden optrekt, krijgen we in Terug naar Belzagor een wereld voor de kiezen die al grotendeels is uitgedokterd en in kaart gebracht. Op gezette tijden volgt een flinke hap pseudo-wetenschappelijke informatie, bijvoorbeeld over de intelligente Nildoror en Sulidoror en hun wedergeboorte-rituelen of de verkleuring van monolieten. De lezer volgt, er wordt geen actieve rol verwacht.

Waarmee Belzagor wel in de pas loopt met de verhalen van Léo zijn de bij tijd en wijle tenenkrommende liefdesperikelen die het verhaal vreselijk afremmen. Altijd weer die kwetsbare dames, die er toch stoer en erotiserend uitzien in hun nauwelijks verhullende setjes. “Wat bazel je, Dorothy. Ik herken je niet meer.” En dan balt Dorothy haar vuist. “Ik wil je vrouw zijn!” om daarna meteen met een ander de tent in te duiken. Later weet Sam het ook niet meer. Dan zucht hij gekweld. Vermoedelijk hunkert de sf-fantasy-lezer op gezette tijden naar een paar borsten, inhoudelijk heeft het niets met het verhaal van doen.

Deze Dorothy en Sam zijn twee wetenschappers die naar Belzagor zijn getogen in het gezelschap van Eddie Gundersun. Deze kwast is een voormalig kolonisator die zich misdragen heeft en daarom een tijd naar de aarde is verbannen. Hij is terug om zijn geliefde terug te vinden en komt er op Belzagor achter dat zij intussen getrouwd is met de verslaafde kapitein Kurtz. Dorothy en Sam willen de Nildoror en Sulidoror onderzoeken, twee kolossale dierachtigen. Met name hun hergeboorte-rituelen fascineert het tweetal. Toevallig is Kurtz ook in de ban van de wedergeboorte: het zou hem maar zo af kunnen helpen van zijn verslaving, die anders onherroepelijk tot de dood leidt. In het tweede deel gaan beide kampen op weg naar de initiatie-plek waar zij getuige zijn van een gruwelijk schouwspel.

Zoals het hoort bij sciencefiction leren we uiteindelijk van de andere beschavingen, al is het hier wat magertjes: de mens moet zijn plaats kennen, er zijn geen magische trucjes en er bestaat zoiets als boetedoening voor een slecht leven. Niet echt waar Sam en Dorothy op gehoopt hadden, liever waren zij thuisgekomen met een elixer voor het eeuwige leven.

Als je van tevoren weet dat het verhaal uit 1970 komt, doen de tekeningen precies zo ouderwets aan. De expeditieleden zijn alleen bewapend met een fusietoorts, een soort light sabre die rode strepen trekt, dwars door lijven heen. Ze hebben geen ingenieuze pakken, maar mondkapjes en een gewone rugzak. De intelligente oerbewoners lopen rond met houten speren. Een allegaartje.

Terug naar Belzagor is een gedateerd melodrama dat in die hoedanigheid mooi is uitgebeeld: de Italiaanse Laura Zuccheri tekent met dunne outlines en gebruikt een curieus kleurpalet. Haar mensfiguren zijn plastisch, terwijl met name de Nildoror prachtig gedetailleerd zijn uitgewerkt en ingekleurd. Waar de verhalen van Léo gemakkelijk nieuwe en ongeoefende sf-lezers zal aanspreken, is Terug naar Belzagor toch meer voor de ingewijde garde. Bijzonder, dat zeker.

Laura Zuccheri & Philippe Thirault – Terug naar Belzagor 1 & 2, naar de roman van Robert Silverberg. Daedalus. 56 pagina’s, hardcover. € 18,50 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Pope Hats 6

Een flink jaar na zijn uitmuntende graphic novel Young Frances publiceert de Canadese stripmaker Hartley Lin een nieuw deel van zijn Pope Hats, een serie boekjes met de uitstraling van een comic waarin Lin korte verhalen afwisselt met langere. Young Frances bevatte het vervolgverhaal dat hij voorpubliceerde in Pope Hats 2 tot en met 5, vanaf nu gaat hij verder met een schone lei.

In dit zesde deel, dat de ondertitel Shapeshifter meekreeg, tapt Lin uit een ander vaatje. Het is nooit een geheim geweest dat hij zijn eigen leven in zijn verhalen opvoert: zo is de persoon op het omslag de auteur zelf. Kijken we beter dan vervreemdt de coverillustratie: een jongeman met een rol plakband, op de achtergrond een uitvergrote baby en een lieveheersbeestje. Erboven die intrigerende titel (Pauselijke hoeden? Twee solideos? Zucchetti?) en verder niets.

De korte verhalen, meestal van een enkele pagina, zijn allemaal kleinmenselijke schetsjes uit het leven van een jonge vader, van een man die grote veranderingen meemaakt. Hij verhuist, zet grote stappen en kijkt met een zekere melancholie terug op zijn jonge leven. Melancholie ligt voor de hand, maar dat is juist de afwezige in de miniatuurtjes die veel open laten: Lin duidt met zo min mogelijk woorden de zaken die hem bezig houden. Hij bevraagt niet, zoekt niet naar antwoorden; hij maakt ons hooguit deelgenoot. Zijn tekeningen helpen de lezer nauwelijks verder. Hij mijmert in de auto op weg naar huis of overpeinst het leven tijdens het uitlaten van de hond. De handelingen zijn arbitrair, de gedachten komen en gaan: de verstilde pagina’s, met de spaarzame woorden, doen bijzonder poëtisch aan. Ze geven Pope Hats 6 een compleet nieuwe lading mee: een dichterlijke, vertraagde en verstilde weergave van het leven.

Wat Lin doet is ongezien in de stripwereld: hij laat de helft zien, vertelt de helft en laat veel bij de lezer. De ervaring van Pope Hats is dezelfde als het lezen van een poëziebundel: ook hier vinden we een onderliggende lijn, terwijl de losse delen – de scènes, de hoofdstukken – genoeg eigen zeggingskracht bezitten. Pas als het boekje uit is, overvalt je de bedoeling: Lin wil de lezer afstand laten nemen van de alledaagsheid, van de grote gebaren, van de zaken die ons voortstuwen. Hij koppelt gebeurtenissen die ogenschijnlijk los van elkaar staan en duidt dromen aan de hand van gesprekken die hij voerde.

Hoewel het een boekje is van slechts 32 pagina’s zegt Lin met deze aflevering van Pope Hats meer dan vooraf voor mogelijk wordt gehouden: de scènes zijn zó krachtig en ingetogen tegelijk. Wie de moeite doet een exemplaar te vinden zal zeker niet teleurgesteld zijn: poëtischer wordt het niet. Het is te hopen dat deze vorm van stripmaken wortel schiet en dat het veel jonge stripmakers inspireert kleine geschiedenissen te vertellen, met zeggingskracht en emotie. Niet dat de eindeloze stoet heldenverhalen en avonturen nergens toe leiden, maar het leven is meer dan alleen junkfood.

Later zal dit zesde nummer van Pope Hats hopelijk worden gezien als de aanzet van iets compleet nieuws. Iets waar we eigenlijk al veel te lang op hebben gewacht.

Hartley Lin – Pope Hats 6. Adhouse Books. 32 pagina’s. $6.95.

Strips & comics

Gelezen: A.C. Zamudio, Cullen Bunn & Brian Hurtt – Shadow Roads, Volume 1

Dit is nog eens een combinatie: een western met bovennatuurlijke elementen en genoeg fantasy om het nog buitenissiger te maken. Schrijver Colin Bunn (Harrow County, The Sixth Gun en The tooth) houdt wel van een beetje genre-blenderen. In zijn nieuwe reeks Shadow Roads slaagt hij erin om met alle kruidige ingrediënten van genoemde genres een spannend verhaal te maken. De lekkere, bijna Europese tekenstijl van A.C. Zamudio maken het compleet: deze comicreeks is uit de kunst.

De eerste story arc verscheen afgelopen maand in trade paper back: het titelloze Shadow Roads Volume 1, dat de losse comicdelen 1 tot en met 5 verzamelt. Het wordt gezien als een naloper van zijn succesvolle comicreeks The Sixth Gun, vanwege enkele teruggekeerde personages, maar Shadow Roads is los te lezen en heeft de voorkennis niet nodig.

Het verhaal is opgehangen aan twee werelden: die van de aardse, westerse wereld en van de bovennatuurlijke indianenwereld. Een groep outsiders maakt jacht op een oude indiaanse sjamaan die ooit het vlees van een demonische figuur at en daarmee zelf een boze geest werd. Deze Hunter wordt allerlei fatale krachten toegedicht en daarom moet hij verslagen worden. Dat is feitelijk de hele geschiedenis, maar zoals het de bovennatuurlijke wereld betaamt is de weg ernaartoe vol gevaar en suspense.

Wat de vaart er vooral inhoudt is de grootte van de groep, die de scenarist in staat stelt om via allerlei omwegen en zijpaden een verrassend plot uit te werken. Ieder karakter heeft namelijk een eigen manier, een gave of kunde. Sommigen zijn er zelfs onbetrouwbaar door: er is bijvoorbeeld een shapeshifter, waarvan nog maar moet blijken of hij zijn morele kompas juist heeft afgesteld. Het verhaal leunt op het game-idee van een quest met meerdere expeditieleden. Toch is de geschiedenis aan het einde van de eerste trade paper back nog lang niet af: we krijgen vooral een massa cliffhangers, vragen en mysteries voor de kiezen, die de reeks op stoom houden. Halen zij gezamenlijk het einddoel of breekt de pleuris uit?

De tekeningen zijn lekker clean en ogen in eerste instantie karikaturaal en geestig; een beetje zoals Lumberjanes en Paper Girls. Het heeft bij tijd en wijle ook genoeg komische noten om het geheel luchtig te houden. Toch vloeit er genoeg bloed, al is het minder klinisch en in your face als The Sixth Gun. De indiaanse mystiek wordt mooi uitgebeeld en de inkleuringen voelen de sfeer heel goed aan.

Shadow Roads is een serie die vast nog een tijdje door blijft gaan, getuige de vele openingen die dit eerste verzamelde deel oplevert. De personages, de sfeer en de prima dialogen smaken naar meer en maken van deze serie er eentje om in de gaten te houden. Of gewoon, om mee te beginnen: dit wordt alleen maar sterker.

A.C. Zamudio, Cullen Bunn & Brian Hurtt – Shadow Roads, Volume 1. Oni Press. 128 pagina’s. Volume 1 bevat de losse delen 1-5. € 18,29.

Strips & comics

Gelezen: Sangre 2 – Fesolggio, de onverbiddelijke

Sangre is de zoveelste stripserie uit het steeds verder uitdijende universum van scenarist Christophe Arleston. Van de fantasyreeks, die qua verhaallijn even slim als bedrieglijk eenvoudig in elkaar steekt, zijn nu twee albums verschenen; het tweede deel heet Fesolggio, de onverbiddelijke en ligt sinds begin deze maand in de winkel. Een aanrader, zonder meer.

Ook al gaat het nog een paar jaar duren voordat we weten hoe het afloopt, Sangre is nu al een topper in zijn genre. Voordat we bij deel 2 aankomen, eerst even kort de voorgeschiedenis uitgelegd: naamgever Sangre is een pittig meisje dat in haar jonge leven iets vreselijks meemaakt. Haar ouders, oma en broertje worden gruwelijk vermoord door de zogenaamde Orde van Duistere Schuimers, een groep wrede en angstaanjagende creaturen die zich voortbewegen op grote draakvogels.

Hier is het knappe verklaard: hoewel de zinloze moordscene vrijwel meteen en bepaald gruwelijk in een paar bladzijden wordt uitgebeeld, weet de lezer al op pagina 11 met wie we te maken hebben. Het zijn Yroise de Striga, Tinduff Eenoog, Hentsh de Wrede, Ruglys Veelvraat, Donnadion de Onnozele, Havanna de Rusteloze, Fesolggio en een zogenoemde ligaat; een personage dat in staat is mensen naar een andere wereld te transporteren. De lezer hapt even naar adem, maar weet meteen: het is Sangre, die de slachting als enige overleeft, tegen de rest. Het verhaal begint nu echt.

Wraak is het grondmotief. Het eerste deel, De overlevende, eindigt met een strijdbare Sangre, die aankondigt op zoek te gaan naar haar eerste slachtoffer: Fesolggio, de man die haar vader doodstak. Kalm beweert ze dat wraak nemen geen echte rust biedt, maar dat een wraak die niet voltrokken wordt aan je vreet.

Het tweede deel is gesitueerd in Nivesque, een stad met twee zonnen. Het is een plaats waar de schone kunsten en angst om voorrang strijden: alleen de pracht van een mooi schilderij, een klinkend muziekstuk of episch bouwwerk kalmeert de Strymen, die genadeloos toeslaan zodra iemand zich niet aan de opgelegde estetica houdt. Een malle premisse misschien, maar voor het verhaal werkt het perfect, want op het moment dat Sangre in Nivesque aankomt, is er een schilder die de goden zeer welgezind is. Het is Fesolggio. Met zijn schilderkunst paait hij de Strymen, de stad vaart er wel bij.

Fesolggio heeft een duistere kant en die komt vooral naar voren als hij in het gezelschap is van vrouwen. Als hij zich vergrijpt aan de dochter van een edelman, overspeelt hij zijn hand en wordt hem alles afgenomen. En dan komt Sangre in zijn leven.

Het mooie van dit tweede deel is dat Sangres zoektocht naar de moordenaars niet volgens het klassieke stramien wordt afgewerkt: zoeken, vinden, bijl in het hoofd en weer verder. Scenarist Arleston (van o.a. Lanfeust van Troy, Ehkö en het geweldige Sinbad) weet er echt iets bijzonders van te maken: er zit een mooie vertraging in het verhaal die de spanning alleen maar verder opvoert.

Het scenario zit ook voor de langere termijn goed in elkaar, er zijn veel verhaallijntjes en karaktereigenschappen waarmee de serie nog lang vooruit kan. De gave van Sangre om de tijd heel even te bevriezen is een mooi gegeven: handig, maar het zorgt ook voor een korte blindheid. Die afweging zit heel knap in het verhaal verweven.

Arleston en tekenaar Adrien Floch gaan al heel wat jaren samen en zijn vooral bekend van het fantasy-epos Ythaq, waarvan intussen vijftien delen verschenen. Der pagina’s van Sangre zien er vrijwel identiek uit, zeker in vergelijking met de latere Ythaq-albums. Geen punt, fans uit het fantasy-genre weten zo in elk geval dat het wel goed zit. Sangre gaat een strip worden waar naar uit wordt gekeken: ieder jaar zal er een album verschijnen, dat eerst wordt voorgepubliceerd in stripblad Eppo.

De twee delen van Sangre lezen perfect. Er is geen enkele reden om niet meteen aan deze prachtreeks te beginnen. Instappen kan altijd, maar langer wachten heeft geen enkele zin. Beter in gezwinde spoed naar de stripspeciaalzaak of beter gesorteerde boekhandel.

Christophe Arleston & Adrien Floch – Sangre 2 – Fesolggio, de onverbiddelijke. Uitgeverij L, 56 pagina’s, € 8,95.

Strips & comics

Gelezen: Strapazin 135

Dat Duitsland de laatste vijftien jaar een enorme inhaalslag heeft gemaakt op het gebied van strips, is evident. Met een vaart alsof ze pas sinds de eeuwwisselling weten dat er überhaupt strips bestaan, geven ze niet alleen in hoog tempo alle klassieke Franco-Belgische series uit, maar ook oude en nieuwe comics uit de Verenigde Staten en een flinke berg manga, allemaal keurig in het Duits. Het is zo overdadig dat er op online fora zelfs flink geklaagd wordt: het is niet meer bij te houden.

Uit de tijd dat het nog krap en mager was, stamt het Duits-Zwitserse tijdschrift Strapazin. Het kwartaalblad komt sinds 1984 uit, deze maand verscheen nummer 135. Ieder nummer is opgehangen aan een thema. Gelukkig wordt er niet al te strikt mee omgesprongen en zijn de onderwerpen bovendien tamelijk breed. Het thema van nummer 135 is Wahre Geschichten (echtgebeurde verhalen). Zeven internationale tekenaars, in dit geval uit Argentinië, Italië, de VS, Duitsland, Zwitserland en Engeland, zetten de lezer autobiografische strips en geïllustreerde verhalen voor. Het zijn deze keer auteurs die wat te vertellen hebben, dit in tegenstelling tot het vorige nummer (thema Flanieren, wandelen) waarin vooral werd vertoond.

De diversiteit van de makers én het werk is de kracht van Strapazin. Het blad, dat ten onrechte een naam heeft al te kunstzinnig en avant-gardistisch te zijn, vist duidelijk niet in de klassieke stripvijver. Dat maakt het blad avontuurlijk en zorgt voor een open blik bij de lezer. Niet alles is goed, maar in ieder geval bijzonder: de bijdragen van nummer 133, rond het thema Katastrophen in den Bergen (bergrampen), waren ronduit absurd. Strapazin beschikt over een immens netwerk: de bijdragen komen van over de hele wereld, tot uit China aan toe.

Er is een reden dat de nummers van Strapazin onderling zo verschillend zijn: er is geen vaste redactie. Er worden steeds nieuwe teams samengesteld uit een groep van zo’n vijftien vaste krachten, die voor zich bepalen hoe het blad eruit gaat zien. De tekenaars krijgen bovendien de vrije hand; zij worden benaderd met een verzoek en leveren later. Dat lef straalt van de pagina’s. Het verrassingsaspect is een beloning voor de lezer. Daarmee is het een voorbeeld voor Nederlandse striptijdschriften, die eigenlijk vooral voorpubliceren en nog zelden laten zien dat ze de vinger aan de pols hebben.

Naast de strips, die vaak flink van omvang zijn, is er ook plaats ingeruimd voor recensies. Ook weer bijzonder: de omslagen van de besproken boeken worden door een striptekenaar nagetekend. Het geeft het geheel een DIY punk-uitstraling die past bij het blad, dat oorspronkelijk uit die scene afkomstig is. Af en toe is er een essay over het thema-onderwerp, ook weer geïllustreerd.

In Strapazin 135 is het verhaal van de Argentijnse Maria Luque een treffer: zij verhaalt over haar tijd in Zwitserland en de kennismaking met de daar geldende regels voor rust en stilte. Het toilet doortrekken na elf uur ’s avonds? Nee, dat doe je niet. Even de buren inlichten als je je fruitshake in de blender doet, wordt op prijs gesteld. En als een vriend op een verjaardag het lang zal ze leven aanheft, bellen de buren de politie. Moet je maar niet zo gek doen.

Van een geheel andere orde zijn de uit spaarzame lijnen opgetrokken strip van Anja Wicki over nota bene Mutterschafsversicherung, de verstilde panorama’s van Doreen Fletcher (waarvan er eentje het omslag siert) en een verhalende strip van Ivano Talamo over gentrificatie: het hipsterproof maken van oude bunkers in de buurt van Zürich. Hoogtepunt is het relaas van Jvana Manser over een Eritrese vluchteling die wordt ondergebracht in een Zwisters azc: in een stripreportage van 22 pagina’s wordt een indringend beeld geschetst van de omslachtige manier waarmee alles in Zwitserland omgeven is. Het leven is precies en loopt als een uurwerkje.

Dat zie je ook in Strapazin zelf: achterin het blad wordt steeds de verschijningsdatum van het volgende nummer aangekondigd en je kunt je klok erop gelijk zetten. Pünktlich, op de dag nauwkeurig wordt het blad bij de abonnees bezorgd. Dat abonnement is nodig: in Nederland zijn er voor buitenlandse stripbladen geen verkooppunten, hooguit voor Engelstalige popcultuur-magazines met een focus op comics en manga. Een abonnement van tien nummers kost 85 euro, de avontuurlijke striplezer moet het zichzelf eigenlijk cadeau doen. Een soortgelijk, breed en kunstzinnig striptijdschrift is er niet.

Strapazin, www.strapazin.de

Strips & comics

Gelezen: Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje

Wie de forse integrale uitgave van Sprietje in zijn handen heeft, weet meteen dat die naam bepaald niet verwijst naar het boek zelf: dat is een grootformaat fantasy sprookje van meer dan een kilo. De fraaie omslagillustratie is van een meisje met lang blond haar en een bladerjurk in een prachtig strijklicht. Dát is Sprietje, of althans het is de naam die het verdwaalde meisje aan het begin van het verhaal krijgt van een wezentjesvolk dat haar vindt in hun onderaardse wereld.

Al na een paar bladzijden is de toon gezet: tekenaar Frederico Bertolucci heeft de lezer met enkele fraaie kijkplaten meegenomen naar een miniatuurwereld vol schattige figuurtjes à la Bone. De Italiaan zet de pagina’s op in een zwarte achtergrond en met een heel vrije kadrering: in de meeste gevallen is de achterliggende illustratie een locatie-duider, waarin de verhaalsequentie kundig is verwerkt. Die opzet is iedere keer geslaagd, er is geen zwakke spread te vinden in het boek, en perfect in dienst van leesrichting en tempo.

Het tekenwerk is buitengewoon: de prachtige bossen, zwierige lijnvoering en magnifieke inkleuring zijn uit de kunst. Voorin het boek staat vermeld dat het verhaal in zijn geheel digitaal is getekend en ingekleurd, dus er zal best een lichtval of waterschittering uit een dropdownmenuutje zijn getoverd, maar toch: het moet wel goed gebeuren. Bertolucci verstaat de kunst en schotelt ons een juweel van een album voor.

Sprietje komt er in het begin van de geschiedenis achter dat haar aanwezigheid in het dorpje niet gewenst is. Het trekt de schaduwjagers aan. Wie dat zijn weten we niet, zoals er wel meer vragen zijn. Sprietje, die haar geheugen kwijt is, heeft bijna het hele verhaal nodig om erachter te komen wie ze is, waar ze is en wat er van haar verlangd wordt. Het heeft ergens iets onbestemds: de lezer wordt meegenomen in een verhaal waarvan de ontwikkeling vaak achter de feiten aan beweegt. Sprietje moet weg uit het dorpje, en dus gaat ze. Waarheen? Ze heeft geen idee, een wolf die ze onderweg tegenkomt wijst haar de weg. Waarom? Het blijft lang ongewis.

Het wordt Sprietje gaandeweg duidelijk gemaakt dat ze een belangrijke taak te vervullen heeft. Zoals het een magisch sprookje betaamt, is er een duistere tegenstander in het spel, in dit geval een drietal met een fors leger. Het is de fantasievariant van Eén tegen honderd, met jokers en hulplijnen.

Het scenario van Frédéric Brrémaud (met tweemaal een r) is vanwege alle twijfel en vragen niet altijd even sterk. De lezer laat zich vooral meevoeren, werkelijk spannend wordt het niet. Er is geen einddoel, geen finish in de verte. De laatste twee hoofdstukken zijn spektakels die zich aandienen. En toch: ondanks het ontbreken van een dwingende verhaallijn is Sprietje een mooie leeservaring. Het is een geweldig kijkboek met een gedienstig verhaalflintertje.

Deze integrale Nederlandse editie heeft achterin nog een extra dossier van 28 pagina’s, met schetsen en pagina-opzetjes. Normaal gesproken is dat de eye candy, nu is het wat overbodig: in Sprietje, dat afgelopen jaar op het vermaarde stripfestival van Angoulême de prijs voor het beste jeugdalbum won, zijn we al 164 pagina’s lang visueel en grafisch verwend.

Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje. Dark Dragon Books, 192 pagina’s hardcover. € 34,95

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont – Losse eindjes

Losse eindjes is een vreemd album. De titel van dit curieuze stripverhaal slaat niet op de inhoud maar op de manier waarop auteur Olivier Pont het gemaakt heeft. Het verhaal, zo schrijft hij in een uitgeleide achterin het boek, is het resultaat van een grondige improvisatie waarbij hij geen vooropgezet plan had. Hij zegt dat hij “deze keer geen zin had om alles op voorhand vast te leggen en mezelf te onderwerpen aan de plicht om alles te tekenen zoals het is beschreven”. Pont wilde het verhaal zichzelf laten vertellen. Eerst de kadertjes trekken en dan aan de slag, van scène naar scène. Bijzonder, moedig ook.

En is het geslaagd? In eerste instantie pakt het verrassend goed uit. Wie zonder deze kennis aan het verhaal begint, zal af en toe gniffelen van de flinke verhaalsprongen, de onwaarschijnlijke bochten en de ronduit maffe situaties waarin hoofdpersoon tegen wil en dank Thibault terecht komt. Als Pont dit bij wijze van wild experiment is aangegaan, dan is het gelukt. Het is in feite een geestig, onderhoudend en bij vlagen spannend verhaal.

Als hij ondanks zijn voorgenomen opzet het verhaal naderhand nog had bijgeschaafd en op kleine punten had aangepast, dan was het beslist sterker geworden. Een van de verhaalelementen die sneuvelt als je bij het scheppen van plaatje naar plaatje gaat is een spanningsboog. Die staat in Losse eindjes vrijwel het hele boek gespannen en dat komt de dynamiek niet ten goede. Het verhaal krijgt er een rabiate vaart van, de lezer heeft amper tijd om te beseffen wat er allemaal gaande is. En dat is nogal wat.

Thibault is een stevige dertiger van het sullige soort. Als hij op een metrostation in Parijs tegen een jongedame botst en daarbij haar boodschappentas scheurt, helpt hij haar met het sjouwen van de spullen. Deze Judith brengt hem naar een oud dametje dat vijf hoog woont met haar drie katten. Als Judith er dan ineens tussenuit piept, zit Thibault alleen met de bejaarde, die vervolgens komt te overlijden.

Thibault wordt opgepakt voor vermeende betrokkenheid, waarna de politieauto mét de onfortuinlijke arrestant wordt gestolen door een crimineel, die het hele korps achter zich aan heeft zitten. Zo raakt Thibault van de regen in de drup, en daar blijft het niet bij. In één dag tijd ziet de jammerende antiheld ongeveer de hele stad: vanuit de krochten, vanaf de daken.

Hij komt vreemde figuren tegen, verijdelt een moordpartij en krijgt aan het einde van het verhaal waar hij al zo lang naar snakt: rust. Onder meer.

Olivier Pont heeft zich voor dit album een heerlijke, losse tekenstijl aangemeten. Pont is vooral bekend van zijn bewierookte, meeslepende strip-epos Over de grenzen van de tijd… waarvan de integrale al in 2005 verscheen. In dat verhaal is zijn lijnvoering strakker, meer richting het werk van Cyril Pedrosa, en neigt het naar Disney. Losse Eindjes is wat ruiger: het is niet geïnkt maar opgezet in potlood. De inkleuring van Laurence Croix, die veel met digitale pastel werkt, past daar goed bij. Het ziet er gewoon lekker uit.

Was het nodig om te weten dat Pont dit album uit de losse pols heeft gemaakt? Niet per se. Door het zo prominent in het album op te nemen, lijkt hij zijn critici een stap voor te willen zijn. Eigenlijk overbodig, het verhaal is geestig genoeg zoals het is. Geen hogere wiskunde of van noveleske hoogmoed, maar toch zeker een heel behoorlijk feelgood verhaal met vaart en een fijne dosis actie. Experiment geslaagd.

Olivier Pont – Losse eindjes. Dargaud. 128 pagina’s hardcover. € 25,65.

Strips & comics

Gelezen: Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia delen 1-3

Deze maand verscheen het derde en afsluitende deel van het daverende piraten-epos Libertalia. De titel slaat op de naam van een vrijstaat die in de slotjaren van de zeventiende eeuw zou zijn gesticht op Madagaskar door een adellijk heerschap en een priester. Dat klinkt op zich redelijk onwaarschijnlijk. Het wordt er niet serieuzer van als we weten dat het verhaal van Libertalia is gebaseerd op een boek uit 1724 dat A General History of the Robberies and Murders of the Most Notorious Pyrates heet. De auteur van dat curieuze boek is een zekere Charles Johnson, waar volgens de overlevering Daniel Defoe achter schuilgaat. Inderdaad, de auteur van Robinson Crusoë.

Kort gezegd zou Libertalia een vrijstaat zijn die gesticht werd door de Franse edelman Olivier Misson en de Italiaanse geestelijke Caracioli. Misson is een rechtlijnige figuur die zich faliekant keert tegen de slavenhandel en zich daarmee niet geliefd maakt in de kringen waarin hij vertoeft. Volgens hem is ieder mens vrij en mag een ander niet over een mensenleven beschikken. Dus trekt hij ten strijde: hij bevaart de wereldzeeën om slavenschepen te onderscheppen, de drijvers over de kling te jagen en de slaven hun vrijheid terug te geven. En dan ontstaat er het idee van een utopische kolonie, een plek waar iedereen gelijk is en in vrijheid leeft. Dat klinkt prachtig, a Deo libertade, maar die vrijheid heeft een prijs: Misson en zijn mannen deinzen er niet voor terug om zich als niets en niemand ontziende piraten te gedragen. Er moet tenslotte geld in het laatje om de boel draaiende te houden.

Thuis zijn ze voorbeeldig: hun idee van vrijheid en gelijkheid werkt. Democratische processen doen hun intrede, inlanders en blanken hebben gelijke rechten en het geloof vindt een plaats tussen de facties. Toch werkt niet alles naar behoren. Misson blijkt tuchtiger en fanatieker dan de rest. Vanwege excessen verbiedt hij alcohol en legt hij de ruilhandel om goud aan banden, wat hem niet in dank wordt afgenomen. Het zijn de eerste barstjes in het opgelegde ideaal. En dan is er de dreiging van buiten: hun piratenstreken blijven niet onopgemerkt.

Libertalia begint met een flinke aanloop. Het lijkt alsof scenarist Rudi Miel, die is bijgestaan door historica Fabienne Pigière, het eerste deel vooral gebruikt om het verhaal en de personages een authentiek laagje mee te geven. Of dat per se nodig is, is de vraag. Vanaf deel 2, De muren van Eden, verandert de toon van het verhaal en wordt het een stuk rechtlijniger en daarmee avontuurlijker. Het enteren van boten met bloederige zeeslagen, het stichten van een houten dorp in een idyllische baai en de groeipijnen van een nieuwerwetse, egalitaire samenleving spreken voldoende tot de verbeelding.

De prachtig geschilderde panorama’s en de doorleefde karakterkoppen van de Italiaanse tekenaar Paolo Grella gedijen beter vanaf het tweede deel, als het verhaal zich in het exotische buiten afspeelt. Alleen lijkt hij soms iets te gehaast te inkten, wat ten koste gaat van de gezichtsuitdrukkingen. Zijn inkleuringen zijn van een bijzonder hoog niveau en dragen het verhaal: ze zijn fraai in voorspoed en duister als er onheil dreigt. Fans van Roodbaard en De Havik kunnen zich gerust aan Libertalia wagen, al zullen ze ontdekken dat het wat gruwelijker en bloederig is dan de klassieke piratenstrip. Want hoewel het ergens voor de goede zaak is, halen veel figuranten het einde niet.

Met De wegen naar de hel, het derde deel dat deze maand verscheen, is Libertalia voltooid. Het is een trilogie met een niet alledaags, meeslepend plot, geweldige tekeningen en een slotstuk dat er wezen mag. Wie de eerste twee albums ooit al eens zag staan en nog even twijfelde: geen reden toe, Libertalia is een avontuurlijke trilogie die de lezer van een spannende, historische strip zeker kan bekoren.

Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia 1-3. Casterman. 48 pagina’s hardcover. € 16,40 per deel.
Deel 1: Triomferen of sterven, deel 2: De muren van Eden, deel 3: De wegen naar de hel.

Strips & comics

Gelezen: Cécil & Luc Brunschwig – Holmes (1854/†1891?) delen 1-4

Wie alle strips rond de avonturen van Sherlock Holmes op een stapel legt, komt gemakkelijk aan een manshoge toren. Het personage van Arthur Conan Doyle spreekt tot de verbeelding en de laatste jaren beleven we met name door televisie-series als Sherlock en Elementary zelfs een flinke opleving. Binnenkort komt daar The Irregulars bij, een tv-adaptatie rond de avonturen van de Baker Street Boys, het groepje straatschoffies dat Holmes helpt bij het oplossen van zijn zaken. Van de Baker Street Boys is overigens een heel goede stripserie voorhanden, De vier van Baker Street.

Holmes (1854/†1891?) is een vierdelig verhaal dat begint als Holmes net is overleden. Of vermoedelijk, want over de doodsoorzaak van het romanpersonage van Doyle bestaan meerdere versies. Hier is hij aan zijn eind gekomen na een gevecht bij de Zwitserse waterval van Reichenbach met zijn eeuwige antagonist professor Moriarty, die daarbij zelf ook het leven liet. Geen getuigen en dus is Holmes’ trouwe gezel, dokter John Watson, bepaald niet zeker van deze curieuze gang van zaken en besluit op onderzoek uit te gaan.

In de vier delen van Holmes (1854/†1891?) keert Watson alles ondersteboven. Hij ontrafelt de familiegeschiedenis van het gezin Holmes, waarbij hij stuit op enkele opmerkelijke zaken. Eén ervan betreft Sherlocks oudere broer Mycroft. Zijn schimmige handel en wandel roepen veel vragen op, evenals het web van intriges dat rond de familie hangt. Wat begon als een gericht onderzoek naar de dood van zijn goede vriend, draait voor Watson uit op een gigantisch speurwerk dat nauwelijks is te overzien.

Het mooie van de reeks zit in de opeenstapeling van verhaalelementen die mogelijk kunnen bijdragen aan de oplossing: steeds als Watson iets op het spoor is, blijken er complotten, motieven en vage betrokkenen in het spel. Niets is wat het in eerste instantie lijkt, al raakt Watson gedurende zijn beproeving zelden uit het veld geslagen. Zijn leermeester zou zeker trots op hem zijn geweest.

Het sfeerbeeld van de meeste strips rond Sherlock Holmes is die van de rauwe romantiek uit de tweede helft van de negentiende eeuw: de gegoede burgerij die zich voortbeweegt in koets en zich boven alles verheven waant, het gepeupel dat in lompen gehuld en terneergeslagen voortgaat. De mooie kostuums, deftige huizen tegenover de achterbuurten en het gajes. Vaak wordt het in zachte kleuren gevat, alsof dat typisch was voor die tijd. In deze reeks kiest tekenaar en inkleurder Cécil (een pseudoniem van de Fransman Christophe Coronas) er juist voor om vrijwel alles in een enkele gewassen kleurstelling op te zetten. Het heden is mistroostig blauwgrijs, de sfeer kleurt getemperd goudbruin als we teruggaan naar de jongere jaren van Holmes. Dat onderscheid pakt goed uit; het ontdoet het verhaal van allerlei vals sentiment.

Het verhaal leest vlot, maar neemt in zijn geheel wel de nodige tijd in beslag. Er wordt erg veel gesproken en gediscussieerd. Bepaald geen diskwalificatie, het geeft de lezer de gelegenheid de puzzelstukjes zelf te leggen: Holmes (1854/†1891?) is geen standaard-tempo detective, maar eerder een minutieuze verslaglegging van een grondig onderzoek.

De lezer wordt vooral op de proef gesteld bij briefwisselingen: voor het dramatische effect ervan is er gekozen voor een zo buitenissig lettertype dat het even kost om te lezen wat er staat.

Holmes (1854/†1891?) werpt een ander licht op het werk van Arthur Conan Doyle. Scenarist Luc Brunschwig heeft een solide verhaal afgeleverd met bezieling en vaart. Samen met de perfect uitgebeelde sfeer en de soepele mise-en-scène van Cécil is het een vierluik dat verplicht is voor Holmes-adepten. En kom, ook voor striplezers die niet terugdeinzen voor een flinke kluif.

Cécil & Luc Brunschwig – Holmes (1854/†1891?) delen 1-4. Daedalus. 48 pagina’s (deel 2: 40 pagina’s) hardcover. € 17,95.
deel 1 Afscheid van Baker Street, deel 2 De bloedbanden, deel 3 De schaduw van de twijfel, deel 4 De dame van Scutari.

Strips & comics

Gelezen: Jesús Alonso & Olivier Visonneau – De Daltons 1 en 2

Eerst van tevoren wat zaken rechtzetten: ja, dit zijn dezelfde broers als uit de Lucky Luke verhalen, maar nee, ze zijn niet oplopend in lengte en de grootste is niet de dommerik. De Daltons in het gelijknamige tweeluik van tekenaar Jesús Alonso en scnearist Olivier Visonneau zijn gemodelleerd naar de echte broers – hun namen zijn Emmett, Bob, Grattan en Frank.

De eerste dode , het eerste deel van De Daltons, verscheen al eerder bij de Gorilla-imprint van de helaas ter ziele gegane uitgeverij Strip 2000. Het tweede deel, De laatste dag, dat nu samen met deel 1 bij uitgeverij Silvester verschijnt completeert het verhaal.

Het eerste deel van de serie is vooral nodig om wat geschiedkundige feiten op een rij te krijgen. We komen te weten dat de oudste van het stel, Frank, een deputy marshall is die om het leven komt in de strijd tegen de illegale stokerij. Zijn broers Bob en Emmett nemen zijn honneurs waar, tot zij meer heil zien in de criminaliteit. Daar is het verhaal toch banaal: de heren lijken vooral gedreven door het idee van genoeg poen, een gezinnetje en daarna een rustige oude dag. Hun beloftes aan hun geliefden klinken naïef en simpel; met name Emmett blijkt geen licht.

In deel 2 komt het verhaal pas goed op stoom. Dan meldt de ex-gevangene Grattan zich bij zijn twee broers en sluiten de drie zich aan bij een stelletje outlaws. Ze overvallen her en der treinen, tot in de eigen streek aan toe, waar ze prompt worden herkend. In een overmoedige bui besluiten ze de bank in Coffeyville, Kansas te overvallen: hun thuisbasis. Zie in dat kader de omslagen van de beide delen: waar de heren eerst als hoeders van de wet voor het bankgebouw staan, poseren ze in het tweede deel met duidelijk minder nobele bedoelingen.

Alonso beschikt over een zwierige, losse hand. Zijn figuren zijn expressief en krachtig neergezet, de decors zijn fraai en ongepolijst. Het werk zou het prima doen op groot formaat in zwart-wit. Niet dat er iets mis is met de inkleuring overigens. Die is namelijk heel ingetogen en geeft alle ruimte aan het verhaal: acties worden er niet vet van, de sfeer niet overtrokken.

De Daltons is vanwege de historische achtergrond een geode western, hoewel de werkelijkheid hier en daar is opgerekt en aangepast. Geen punt, dergelijke details maken het verhaal sappiger en dat is ook wat waard. Wat het sfeervolle tekenwerk betreft is het een fijne strip die zeker een plaatsje verdient in de canon der westernstrips. Lezers die destijds bij deel 1 twijfelden over de voortgang kunnen gerust zijn: deel 2 maakt het eerste deel verdedigbaar en zorgt ervoor dat het complete verhaal ruimschoots in orde is.

Jesús Alonso & Olivier Visonneau – De Daltons 1 en 2. Silvester. 56 pagina’s. € 8,95 per deel.
Deel 1: De eerste dode, deel 2: De laatste dag.

Strips & comics

Gelezen: Frederik Van den Stock – Buck, de eerste man op aarde

Van een album als Buck, de eerste man op aarde van de Vlaming Frederik van den Stock is er geen tweede. Het verhaal dat letterlijk begint met het pretentieuze ‘in den beginne…’ handelt over de eerste dagen van de vroegste man op aarde, die uit de lucht komt vallen in het jaar 4000 voor Christus. Zijn komst wordt letterlijk samengevat als het ontstaan der mensheid. Daarna is de lezer voortdurend getuige van allerlei magische momenten; van het produceren van geluiden met de mond, de ontdekken en benoemen van de wereld om hem heen en de ontdekking van zichzelf – in de spiegeling van het water. Om het begin te completeren noemt deze oermens zich Buck.

Vanaf dan kijkt de lezer eens voorzichtig naar het dikke, grote boek en vermoedt dat deze rare toestand zo gerust nog door kan gaan. We hebben immers wel een idee, maar daar steekt de auteur een stokje voor: dit is niet zomaar het scheppingsverhaal en een verslag van de ontwikkeling der dingen.

Zo krijgt Buck tijdens een van zijn overpeinzingen in het open veld ineens een spontaan godsbesef. Zomaar, zonder reden. Hij spreekt de heilige vader aan, maar die antwoordt niet, evenmin de beesten die hij naar de almachtige vraagt. Buck, niet vies van enige dramatiek, vervloekt daarop theatraal zijn eenzaamheid en geeft God de schuld van zijn ondraaglijke leven.

Het wordt meteen nog hilarischer als Buck ijzererts smelt en met een receptje van salpeter, zwavel en houtskool aan het experimenteren gaat. Met gepaste trots toont hij de lezer zijn 8.8 cm Flugabwehrkanone 37, een hoogtepunt van menselijke beschaving in het algemeen. Zo springt Van den Stock door de evolutie van de mens, al is de volgorde daarvan steeds in het geding. De atoombom was er eerder dan de vrouw, dat idee.

In een experimentele maar heerlijke, opvallend toegankelijke stijl vertelt de jonge Vlaamse auteur in zijn officiële debuut hoe Buck zich verder ontwikkelt. Hij gebruikt het personage praktisch, als een vehikel om veel maatschappijkritiek aan op te hangen. In een milde vorm, maar evengoed raak: met name de passage waarin Buck ‘eventjes’ de moderne kunst in de grondverf zet en de appreciatie ervan maar niet uitgelegd krijgt aan ‘die primitieve imbecielen’, is ronduit geweldig, in woord en beeld. Hij vernielt zijn eigen grottekeningen die volgens hem een uiting zijn van figuratieve bourgeoiskunst. Wat hij daarna schept is al even onbegrepen. Ooit zullen ze het snappen, verzucht hij, dan schrijven ze boeken vol over Buck de visionaire kunstenaar. Om eraan toe te voegen dat hij daarvoor wel eerst even het schrift moet uitvinden. En zo voorts.

Buck, de eerste man op aarde verlangt een bepaalde mindset van de lezer. De grote thema’s, de kwinkslagen en de strijd van Buck tegen God zijn bepaald geen doorsnee. Ook grafisch gaat dit album beduidend verder dan het gemiddelde stripalbum en dat kunnen we welbeschouwd als grote verdienste beschouwen. Buck is een heerlijk album dat ook na twee, drie keer lezen nog even geestig, overdreven, lyrisch en sympathiek is. Alleen al het verhaalgegeven maakt het een uniek werk, verteld door een tekenaar van wie nog veel te verwachten is. En Buck? Die blijkt de punch line van zijn eigen leven. Gelukkig maar, want het had er voor ons heel anders uitgezien als hij zijn zin had doorgedrukt.

Frederik Van den Stock – Buck, de eerste man op aarde. Oogachtend. 96 pagina’s hardcover. € 28,00.

Strips & comics

Gelezen: Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal deel 1 en 2

De publicatie van de stripserie rond Jonas Fink, van de hand van de Italiaanse tekenaar Vittorio Giardino, begint in de vroege jaren negentig. In het toen al zieltogende striptijdschrift Wordt Vervolgd, het Nederlandstalige zusterblad van het vermaarde Franse A Suivre, verschijnen de eerste twee delen van de reeks rond de Tsjecho-Slowaakse jongeling en zijn familie, getiteld De jeugdjaren en De leerjaren. Het zijn de delen die vertellen over de jonge jaren van Jonas Fink.

Het is net na de Tweede Wereldoorlog als Europa zijn wonden likt en de communistische en westerse mogendheden hun invloedssferen verdelen. In het voormalige Tsjecho-Slowakije vestigt zich een door Rusland gedomineerd totalitair regime dat leunt op achterdocht en onderdrukking. Voor de Joodse familie Fink betekent het dat vader, een gerespecteerd arts, in de gaten wordt gehouden. Hem worden subversieve sympathieën verweten en hij belandt erdoor in de cel. Onschuldig of niet, voor Jonas betekent het dat hij zijn jonge jaren met alleen zijn moeder doorbrengt. Daar blijft het niet bij: het gedecimeerde gezin wordt op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Zo mag Jonas niet gaan studeren en verliest zijn moeder haar werk omdat ze niet over de juiste papieren beschikt.

Jonas gaat als loodgieter werken en ontmoet in zijn vrije tijd een groep leeftijdsgenoten, die zich in het geniep onder meer bezig houdt met het lezen van verboden literaire werken, de samizdat. Hier is het eerste deel van het verhaal op z’n sterkst: Giardino portretteert niet alleen de groep jongeren maar geeft ook een mooi beeld van hoe de Russische invloeden zich laten gelden in het naoorlogse Praag.

De avonturen van Jonas Fink zijn verdeeld over twee kloeke integrales. Het eerste deel beschrijft de bovengenoemde periode, die intussen meer dan twintig jaar oud zijn. De tweede integrale is in zijn geheel het derde deel, De boekhandelaar uit Praag, en is pas vorig jaar afgerond. In dat deel is Jonas een volwassen man, de vertelling gaat verder in 1968. De goede verstaander weet dat Tsjecho-Slowaakse hoofdstad aan de vooravond staat van de Praagse Lente.

Intussen is Jonas boekhandelaar geworden – hij heeft de zaak overgenomen van de oude Pinkel, die we al in de eerste integrale hebben leren kennen. De vriendenkring heeft zich opgewerkt tot gerespecteerde leden van de samenleving, zij het nog steeds met een gezonde dosis anti-establishment. Als de Russische tanks de grens oversteken, weten ze dat er op ze wordt gelet. Het vriendinnetje van de jonge Jonas, de Russische Tatiana, heeft het gebracht tot een vooraanstaand journaliste die terugkeert naar Praag om daar de gebeurtenissen te verslaan. Dit zorgt uiteraard voor spanningen, op zowel politiek als amoureus vlak.

Hier neemt het verhaal een onverwachte wending. Nu was Jonas al nooit een bijzonder positieve gast – logisch gezien de onderdrukkingen die hij moet ondergaan – maar in zijn latere leven wordt hij er ook naar anderen niet gezelliger op. Hij bedriegt zijn vriendin en kiest steeds vaker voor zichzelf. Het werkelijke verhaal heeft deze zijsprongen niet per se nodig, maar toch weet Giardino dit gegeven heel slim uit te werken. In de epiloog komt het geheel mooi tezamen; een knap narratief staaltje. Giardino kiest ervoor de bijzondere tijd en omstandigheden het middelpunt van de vertelling te maken en niet een personage. Het verhaal heeft eenvoudig geen held nodig; dat gegeven maakt van Jonas Fink een intrigerende, historische vertelling.

Los van deze bijzondere focus is Jonas Fink een geweldig verhaal, met een werkelijk sterke climax, tegen de achtergrond van spionage, contra-revolutionaire bezigheden en het historische gegeven van de situatie in het naoorlogse Praag. Samen met de heldere, zachtgekleurde tekeningen en vooral de heerlijke vertelvaart, is deze tweedelige integrale reeks een klassestrip van jewelste, een perfect voorbeeld van een coming of age-verhaal in een zinderende historische context.

Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal: 1 Volksvijand en 2 De Boekhandelaar uit Praag. Saga Uitgaven. 184 pagina’s per deel hardcover. € 29,95 per deel.