Strips & comics

Gelezen: Frantz Duchazeau – Lomax, Collectors of Folk Songs

De weinig specifiek geformuleerde titel van deze graphic novel is bedrieglijk. Die zou gemakkelijk het idee kunnen geven dat Lomax, Collectors of Folk Songs een grafische biografie is van vader John en zoon Alan Lomax, de twee belangrijkste Amerikaanse etno-musicologen van de vorige eeuw. Dat is niet het geval: in Lomax, Collectors of Folk Songs lezen we over een korte periode in de jaren dertig, waarin vader en zoon hun baanbrekende werk feitelijk aanvangen. Het verhaal leest als een opeenvolging van markante scènes en gebeurtenissen.

Een blurb van Martin Scorsese op het achterflap maakt duidelijk hoe belangrijk John en met name Alan Lomax zijn geweest voor de (muziek)geschiedenis van de Verenigde Staten: “John and Alan Lomax were doing one of the most important things anyone could do. They were preserving the past before it dissapeared forever.” Samen namen ze duizenden uren aan traditionele muziek op; liederen die vaak al niet meer werden doorgegeven, maar die dankzij hen bewaard zijn gebleven.

Gewapend met voor die tijd behoorlijk geavanceerde opname-apparatuur en wax cilinders gingen vader en zoon op pad in de zuidelijke staten, op zoek naar met name zwarte Amerikanen die nog kennis hadden van de oude blues, de liederen die werden gezongen en gespeeld op plantages. Onderweg ontmoetten ze genoeg scepsis en weerstand: de segregatie was bij lange niet verdwenen en de oude generatie zwarte Amerikanen had niet veel op met die twee blanken die ineens voor de deur stonden. Met een raar verzoek nota bene.

Met doorzettingsvermogen en overtuigingskracht wist zoon Lomax hun goede bedoelingen duidelijk te maken. Maar zodra de zwarte gemeenschap eindelijk sympathiek tegenover de beide heren stond, dienden zich andere problemen aan: de lokale blanke bevolking, met de klassieke, horkerige plantagehouder en de sheriff vooraan, vond het beter voor de sfeer dat beide heren hun boeltje pakten en opkrasten. Aandacht voor ‘die marginale, primitieve muziek’ was verdacht. In die entourage deden vader en zoon hun werk.

De zwartwitte inkttekeningen van Fransman Frantz Duchazeau passen perfect in het tijdsbeeld van de jaren dertig. De zwierige lijnen volgen de slobberige hemdsmouwen en klassieke hoeden. Duchazeau is op zijn plaats in dit tijdperk: na Lomax, dat hij al in 2011 tekende, werkte hij aan Blackface Banjo, een strip over racistische minstrelen-revues. In het Nederlands verscheen van zijn hand tot op heden alleen Gilgamesh (2007).

Lomax, Collectors of folks songs is een interessante graphic novel, maar beslist geen allesomvattende biografie of zelfs maar een strip die pretendeert een bepaald thema volledig uit te werken. Hoewel het een behoorlijke periode beslaat en enkele belangrijke ontmoetingen worden aangehaald, blijft het verhaal het idee van een momentopname hebben: dat wordt vooral duidelijk als vader Lomax wordt opgenomen in het ziekenhuis en zijn zoon er voor een poos alleen voor staat. Die onderbreking dient het verhaal nergens. Het is een raadsel waarom die keuze is gemaakt, zeker gezien de geweldige anekdotes en verhalen die er bekend zijn over het baanbrekende werk van Lomax. Wie The man who recorded the world heeft gelezen, de uitmuntende Lomax-biografie van John Szwed, weet zo een aantal veel boeiender situaties aan te halen die deze graphic novel op een hoger plan hadden getild.

Is deze strip daarmee door het ijs gezakt? Nee, want het geeft een mooi tijdsbeeld en laat prachtig zien onder welke omstandigheden vader en zoon hun werk deden. De scene waarin O’Patterin zijn liedjes terughoort die net zijn opgenomen is alles waard. Of het bezoekje dat ze brengen aan de gevangenis van Louisiana waar op dat moment Lead Belly opgesloten zit: ze krijgen het voor elkaar dat hij een aantal worksongs op zijn gitaar speelt, liederen die plantagearbeiders zongen tijdens hun zware arbeid.

Zo zitten er genoeg mooie momenten in Lomax, Collectors of Folk Songs. De echte folkfanaat en bluesfan vindt de 120 pagina’s vast te beperkt, maar ook zij zullen zich vermaken met deze fijne graphic novel die toch meer is dan een levenswandel in sneltreinvaart.

Frantz Duchazeau – Lomax, Collectors of Folk Songs. Self Made Hero. 120 pagina’s. € 20,95.

Strips & comics

Gelezen: Hayden Sherman, Adam Glass & Olivia Cuartero-Briggs – Mary Shelley Monster Hunter

Het verhaal van Frankenstein is al zo vaak afgestoft en weer tot leven gebracht dat de figuur bijna permanent onder de mensen is. Meestal is het Frankenstein die in het middelpunt staat, of een van zijn creaties, in de vijfdelige comicserie Mary Shelley Monster Hunter is het de schrijfster zelf: Mary Wollstonecraft Godwin, die dan nog niet is getrouwd met de pompeuze windbuil Percy Bysshe Shelley.

Mary, die aanvankelijk een tikje dociel achter haar beroemde wederhelft aanhobbelt, ontwikkelt zich in het verhaal razendsnel als een pittige tante die het heft in handen neemt. In historisch perspectief logisch: ze was de dochter van feministe Mary Wollstonecraft en pas negentien ten tijde van dit verhaal.

Percy, Mary en een groepje vrienden onder wie de dichter Lord Byron reizen in de herfst van 1816 naar Genève, waar zij na enige omzwervingen terecht komen in het kasteel van Frankenstein. Het is er griezelig en macaber, zoals het hoort. Daar doet Mary een ontdekking die alles overhoop haalt: de mysterieuze gastheer is helemaal niet wie ze verwachten. Sterker nog, het blijkt dokter Victoria Frankenstein, een chirurg die doden tot leven wil wekken.

Deze Victoria is een vreemde. Ze is bijvoorbeeld eerder van een hoog aangeschreven artsenopleiding gestuurd omdat ze daar als vrouw helemaal niet mocht komen. Twee jaar lang bleef ze, verkleed als man, onopgemerkt. Uiteraard is ze gekwetst en daarom wil ze wraak nemen op de misogyne horde die haar het studeren heeft belet. Voor Mary, die een feministische opvoeding genoot, koren op de molen. Victoria wil een man die ze aan haar wil kan onderwerpen om op die manier deuren voor haar kan openen die nu gesloten blijven. Samen gaan ze aan de slag, waarna ze met enig succes een man ontwikkelen: Adam.

Mary Shelley Monster Hunter is een heel aantrekkelijke comic. Het verhaal en de dialogen zijn sterk, de spanning is goed gedoseerd maar vooral het tekenwerk is buitengewoon: Hayden Sherman, die eerder de hoekige, dystopische strooptocht The Few maakte, heeft een kunststukje geleverd. Zijn werk lijkt op dat van Tyler Jenkins (Peter Panzerfaust, Snow Blind) en Gary Brown (The Massive Ninth Wave): zij delen een krachtige, directe lijnvoering en een schetsmatige aanpak. Sherman tekent op een kubistische manier die prachtige pagina-layouts oplevert. De huizen en interieurs zijn ronduit schitterend en geven een mooi beeld van de beginjaren van de negentiende eeuwse glorie, zowel de volle als vergane.

Het complete verhaal is nauwelijks honderd pagina’s en toch uitgesmeerd over vijf comicdeeltjes van ieder 32 pagina’s. Dat betekent dat er steeds een behoorlijk aantal pagina’s ‘verloren’ gaan aan reclame van andere lopende comicseries. Geen groot bezwaar, het gebeurt in alle losse comics, maar Aftershock heeft er een handje van om het behoorlijk op te rekken. Dit verhaal had prima in vier delen gekund en dan was er alsnog genoeg plek geweest voor teasers en tipjes.

Vanwege de sfeervolle, expressieve pagina’s en de krachtige inkleuringen verdient dit verhaal een mooie bundeling. De bijzondere, feministische invalshoek en de zuigende spanning maakt van Mary Shelley Monster Hunter een verhaal dat thuishoort in de kast van elke rechtgeaarde Frankenstein-liefhebber.

Hayden Sherman, Adam Glass & Olivia Cuartero-Briggs – Mary Shelley Monster Hunter. Aftershock. Vijf delen van 32 pagina’s. € 4,39 per deel. Trade paperback volgt.

Strips & comics

Gelezen: Ingrid Chabbert & Carole Maurel – Waves

Het valt niet mee om het prachtige Waves in woorden te vangen. Het autobiografische verhaal van de hand van de Franse kinderboeken- en stripschrijver Ingrid Chabbert is broos en kwetsbaar tot in de vezels aan toe. Daarmee is meteen de kracht van het boek verteld: Waves is zo mooi en exact verwoord dat iedere poging het te omschrijven feitelijk een stap terug is.

Maar toch: in Waves ontmoeten we een jong lesbisch stel dat na jaren proberen eindelijk zwanger is. De vreugde en het blije ongeloof strijden om voorrang en onmiddellijk leeft de lezer mee met de twee. Tenminste, met enig voorbehoud, vanwege de raadselachtige openingsscène van het boek die een nachtmerrie blijkt te zijn.

Snel daarna heeft tekenaar Carole Maurel, van het wonderschone Luisa: Now and Then, in haar snelle, trefzekere stijl de lezer alweer ontvoerd naar de wereld van rompertjes, echo’s en pril geluk. En dan gebeurt er iets dat alle voorspoed in één veeg voorgoed laat verdwijnen.

Het heeft Chabbert jaren gekost om het verlies van haar ongeboren kindje te verwerken. Steeds opnieuw probeerde ze de gedachten en herinneringen te ordenen, maar evenzoveel keer strandden die pogingen. Een zo belangrijk en ingrijpend verhaal vertellen, dat ook nog eens het eigen verdriet overstijgt, is een hele opgave, zo gaf ze in interviews toe. Totdat ze het beeldende en visueel krachtige stripwerk van Maurel onder ogen kreeg. In de samenwerking viel alles op zijn plaats.

Het resultaat is een bijzonder ontroerend en aangrijpend verhaal dat na het overdonderende verlies vooral gaat over het terugvinden van hoop, van intimiteit en iets van berusting. Deze herontdekkingstocht wordt deels verteld als verslag van de dagelijksheid en voor een belangrijk deel ook in de vorm van inlevende beeldspraak. Dat maakt van Waves een universeel verslag van rouwverwerking. Niet dat alles in orde is aan het einde van het verhaal, maar er is een begin gemaakt. Kleine sprankjes hoop steken daar de kop weer op.

Het is overigens bijzonder dat een zo belangrijk en persoonlijk verhaal kon worden teruggebracht tot slechts 86 pagina’s. Het knappe is dat het niets tekort komt, de geschiedenis wordt bepaald niet afgeraffeld. Chabbert en Maurel hebben juist gekozen om veel bij de lezer te laten: veel blijft onuitgesproken en is tegelijk zo intens voelbaar dat de lezer de verbindingen zelf maakt. Zo wordt het een intuïtief verhaal met handvatten en dat is precies wat nodig is om het particuliere van de vertelling te overstijgen.

In die opzet slagen Chabbert en Maurel met glans. Wie het droog houdt bij Waves is geen mens. Steeds opnieuw en gevat in de kleine alledaagsheid wordt het verlies, de pijn en de woede voorzichtig neergelegd bij de lezer. Nooit in your face: in de zwartste momenten kiest het duo voor mooie, krachtige beelden die meer tonen dan er verteld kan worden. Zo komt er dichter naar het einde steeds een beetje meer kleur terug in de tekeningen van Maurel; een voorbeeld van hoe subtiel de lezer wordt bejegend.

Waves is een strip waarin verlies en liefde meer hebben dan alleen een overeenkomstige klank. Het is een verhaal waarbij het ene niet zonder het andere kan bestaan, hoe pijnlijk dit ook is. Ronduit schitterend.

Ingrid Chabbert & Carole Maurel – Waves. Archaia Press. 96 pagina’s hardcover. € 13,99.

Strips & comics

Gelezen: Johan Neefjes – De puinhopen van Sari, vol. 1

Dit gaat leuk worden: het eerste deel van de trilogie De puinhopen van Sari van de Nederlandse Japan-adept Johan Neefjes verscheen deze zomer en het wachten op de volgende delen duurt nu al te lang. Neefjes is erin geslaagd om zoveel lekkere verhaallijnen op te zetten dat dit drieluik alleen maar kan slagen.

Aan alles is af te zien dat Neefjes in zijn element is. In de binnenflap wordt dat nog eens slim opgesomd. De Puinhopen van Sari bevat alles wat Neefjes fascineert: de Japanse jongerencultuur, kaiju (reuzenmonsters zoals Godzilla) en super sentai, de Japanse live-action series vol superhelden en special effects. Het geeft meteen een goed beeld van wat de lezer te wachten staat.

Sari is een jong meisje dat samenwoont met haar vader die brandweerman is. Hun huishouden is een chaos, Sari is op zichzelf aangewezen en rent zich een slag in de rondte om alles voor elkaar te krijgen. Veel rust is haar niet gegund: op school wordt ze achterna gezeten door twee vreemde meisjes die liedjes over haar zingen en alsof het nog niet genoeg is wordt het stadje waarin ze woont om de haverklap opgeschrikt door aanvallen van groteske monsters, die met elkaar vechten en een bende achterlaten.

Waarom dit allemaal gebeurt en waarom het zich lijkt te concentreren rond Sari, is nog niet duidelijk, maar dat alles met elkaar verband houdt, des te meer. De vertelling zit eenvoudig te slim in elkaar om al die losse eindjes toevallig te laten zijn.

Omdat het pas het eerste van drie delen is, zit het verhaal nog in de opstartfase. Neefjes is er alvast in geslaagd om een zalige exposé op te zetten: hoewel het heel snel leest en de 104 pagina’s in een rap tempo door de vingers glijden, leg je het openingsdeel niet onvoldaan opzij. Dat komt vooral door de humoristische ondertoon en de innemendheid van de goedgebekte en tikje driftige Sari.

Neefjes heeft geen moeite de sfeer van Japan in zijn strips te vangen. Dat bewees hij al met zijn mooie one-shot Yurei, dat vorig jaar verscheen. Hoewel dat duidelijk in een ander stijlregister is getekend, namelijk expressiever, zwieriger en met de schwung van sumi-e, heeft hij ook in Sari snel de toon te pakken. Sari is een dartele spring-in-‘t-veld, gestoken in een traditioneel Japans schooluniformpje. Haar gezichtsuitdrukkingen staan steevast in de overtreffende trap en ook haar houdingen passen naadloos in de Japanse manga-traditie, ondanks het feit dat Neefjes met een veel dikkere lijn werkt dan vrijwel alles wat uit Japan de oversteek maakt.

En juist om dat Neefjes er zo gemakkelijk in slaagt om van Sari een echt Japans verhaal te maken, wringen de teksten af en toe. ’s Morgens vermoedt Sari dat het weer een latertje is geworden, in de middagpauze vraagt ze zich letterlijk af wat de pot schaft en als twee monsters de brug vernielen, is alles helemaal naar z’n mallemoer. Het ís Nederlands, maar misschien té Nederlands voor Sari.

De puinhopen van Sari kan maar zo een strip worden die veel meer lezers aanspreekt dan alleen het Japan-georiënteerde smaldeel van de stripliefhebbers. Het heeft te veel positieve punten om niet voor veel meer soorten lezers aansprekend te zijn. Te vroeg om op basis van één enkel deel conclusies te trekken, maar als dit zo blijft dan hebben we een winnaar in ons midden. Dus kom op met dat tweede en derde deel, Neefjes! Neem je verantwoordelijkheid voor de lezers die willen weten hoe het verder gaat. Hataraki tsuzukeru.

Johan Neefjes – De puinhopen van Sari, vol. 1. Hanabi Publishers. 104 pagina’s. € 14,95

Strips & comics

Gelezen: Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree

In alle opzichten is Ghost Tree, de vierdelige comic van het Amerikaanse duo Bobby Curnow (scenario) en Simon Gane (tekeningen) een succes. Aanvankelijk in alle bescheidenheid uitgebracht, werd het onmiddellijk opgepikt en de hemel in geprezen. Intussen is van het eerste comicdeeltje al een vierde druk verschenen: dat gebeurt zelden.

Het afsluitende deel verscheen eind juli en daarmee is het verhaal afgerond. Alle loftuitingen blijken 100 procent terecht: Ghost Tree is een magnifiek verteld relaas over liefde, verlies en een bijzondere kijk op het leven, tot voorbij de dood. Centraal in het verhaal staat een boom die als poort fungeert voor overleden zielen die zo contact houden met het aardse.

Deze beschrijving past gemakkelijk op een horror- of suspense-verhaal, maar niets is minder waar. Ghost Tree leunt voor een deel op de Japanse cultuur van yokai (bovenaardse wezens) en yurei (geesten), het verhaal zelf blijft tamelijk nuchter. Uiteindelijk gaat het niet om de geesten zelf, maar wat zij hoofdpersoon Brandt leren over het leven.

Het verhaal begint in het nabije verleden als de tienjarige Brandt door zijn opa wordt meegenomen in het bos naast het huis van zijn familie. Als ze bij een oude boom zijn aangekomen vraagt zijn grootvader hem om twee gunsten. De eerste is om voluit te genieten van zijn jeugd. De tweede is bijzonder: kom nog eens naar deze plaats terug, bij deze boom, precies tien jaar nadat ik ben overleden.

Het verhaal maakt een sprong en de lezer ziet een geraakte, volwassen Brandt: zijn relatie loopt stroef en hij grijpt de belofte aan zijn opa aan om de situatie te ontvluchten. Eenmaal bij de boom ontmoet hij zijn opa weer, of althans: diens geest. Die legt hem uit wat al eeuwen een geheim is in de familie: zij kunnen geesten zien en met hen communiceren. Dan ontmoet hij de geest van Arami, zijn grote jeugdliefde. Zij brengt Brandt aan het twijfelen. Waarom blijft hij niet in het bos, bij de geesten en bij haar? De wereld van nu brengt hem immers zo weinig en hier kan hij zich nuttig maken.

Ghost Tree ontwikkelt zich als een melancholisch en traag schouwspel, waarin de hoofdpersoon zich verliest in keuzes die niet werkelijk keuzes zijn. Hij heeft spijt, maar waarvan? Hoe kunnen de gesprekken die hij met geesten heeft teruggrijpen op zijn eigen leven? Wat kunnen zij voor hem betekenen? Zijn opa weet dat Brandt niets te winnen heeft, maar zijn boodschap lijkt geen vat op hem te hebben. Uiteindelijk moet Brandt toch echt zelf tot de conclusie komen.

Ghost Tree is een prachtige vertelling, die pijnlijk en eerlijk is. Niemand kan zomaar weglopen voor de problemen in het leven, ook Brandt niet. Een bijzondere rol in het verhaal is weggelegd voor zijn oma, die spaarzaam spreekt en dan nog vooral in waarheden. Zij doorziet veel, maar laat tegelijk veel in het ongewisse. Met haar typische rust en waardigheid  geeft zij Ghost Tree een nog nadrukkelijker Japans tintje.

De gedetailleerde, fijngevoelige tekeningen van Simon Gane (They’re not like us) zijn ronduit fraai. Hoewel ze overduidelijk een Japanse inslag hebben, is het beslist geen manga. De pagina-indeling is klassiek westers en ook de verhaalopbouw is op onze leest geschoeid. Stripscenarist Bobby Cornuw, nota bene tot voor kort verantwoordelijk voor de verhalen van Teenage Mutant Hero Turles en My Little Pony, heeft zichzelf op de kaart gezet als begenadigd verteller. Vooral zijn rustige tempo is uit de kunst: ook hier treffen we de invloeden van Japanse tekenaars aan, zoals Taniguchi, die geldt als de meester van het temporiseren.

Ghost Tree is een verhaal dat langzaam komt en lang blijft. Een verhaal van deze geringe omvang die tegelijk zo krachtig is, verdient alle lof, aandacht en drukken. In oktober komt het in één album op de markt, tot die tijd zullen avonturiers het via de importkanalen moeten aanschaffen. Het is al die moeite meer dan waard.

Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree. IDW Publishing. 4 delen à 32 pagina’s. $3.99 per deel. TPB verschijnt in oktober 2019.

Strips & comics

Gelezen: Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York

De eerste pagina van Gabrielle Bells verhalenbundel Cecil & Jordan in New York speelt in het nu. Gabrielle neemt met haar oom en proeflezer Larry de verhalen uit de bundel door. Zelf is ze niet gelukkig met de zachte dwang die haar uitgever uitoefende om het album opnieuw uit te geven: oorpronkelijk verscheen het al in 2009. Bell vindt het gedateerd en pretentieus. Toch stemt ze in en voegt er 48 pagina’s met her en der gepubliceerd werk aan toe. De uitgever gelukkig: pas in februari 2020 verschijnt Bells nieuwe graphic memoir, Inappropriate. Deze uitgebreide verzameling korte verhalen moet het leespubliek alvast hongerig maken.

Een geslaagd idee, want hoewel er in het oeuvre van Bell geen zwakke titels te vinden zijn, geldt Cecil & Jordan in New York als de beste manier om in te stappen in de boeiende wereld van de Amerikaanse stripmaker: wie deze verhalen waardeert, heeft een mooie inhaalslag in het verschiet, met titels als Everything is flammable, The voyeurs en Truth is fragmentary.

Hoewel Bell haar verhalen deels fictief noemt, is het genoeg autobiografisch en uit haar eigen leven gegrepen. En dat is, zacht gezegd, geen geplaveide weg van uitsluitend hoogtepunten. Bell heeft er geen moeite mee zichzelf als outcast neer te zetten: ze komt uit een gebroken gezin, met een labiele moeder die zich heeft teruggetrokken en als een soort nomade in het noorden van Californië leeft, zoals Bell uitgebreid vertelt in Everything is flammable uit 2017.

Wat uit een aantal van de korte verhalen uit Cecil & Jordan in New York blijkt, is dat Bell zichzelf vooral ziet als een tiener en een jonge vrouw die weinig initiatief toont en de omstandigheden gelaten accepteert, zoals ze laat zien in I feel nothing. Vooral die berusting is bovenliggend; een betrokken lezer zou wensen dat ze wat meer lef toont en zich minder laat meeslepen in de situatie. In Hit me, een kort verhaal over haar schooljaren, slaat ze voor het eerst van zich af: het leest zowat als een totale triomf.

De beste verhalen uit Cecil & Jordan in New York zijn de meer experimentele: in Helpless en vooral My affliction zijn de verhaalgegevens zo vreemd en is Bells vertelstem zo bijzonder dat het knap is dat ze de lezer erbij kan houden. In My affliction is de hoofdpersoon gevangen door een reus, vindt ze een hond en gaat ze op zoek naar geborgenheid bij een psychiater. Alles haakt in elkaar, maar is tegelijkertijd zo willekeurig, dat er zelfs een klassieke slottune aan te pas komt, een tragisch riedeltje op een mondharmonica. Daardoor eindigt het verhaal in betrekkelijke harmonie.

Ook het titelverhaal heeft iets magisch in de vertelling: Cecil weet niet wat het leven in de grote stad haar zal brengen en verandert op straat in een rode stoel. Zo komt ze bij iemand in huis te staan. In zijn afwezigheid leest ze zijn boeken, zet ze koffie en gaat ze in bad. Het anekdotische is bijzonder, maar wie goed leest, ziet wat Bell wil vertellen: uiteindelijk gaan haar verhalen over hechten en loslaten, over verzoeken en weglopen. Bell is altijd op zoek naar het plekje in jezelf, daar waar je je op je gemak voelt.

De verhalen van Bell zijn uniek en onweerstaanbaar. In Cecil & Jordan in New York geven ze de nieuwe lezer alle kans om Bell te leren kennen. Eenmaal geraakt en veroverd, is Everything is flammable een leeservaring van de buitencategorie.

Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York. Drawn and Quarterly. 160 pagina’s. $19,95.

Strips & comics

Gelezen: Lewis Trondheim & Alexis Nesme – Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse

Behalve het weekblad, de pockets, dubbelpockets, themapockets en vakantieboeken verschijnen er nog meer Disney-strips in Nederland. De Franse uitgeverij Glénat geeft met een vriendelijke vaart mooie, eenmalige strips uit, die zijn gebaseerd op het Disney-universum. Dat betekent: verhalen van Mickey, Donald en de hele santenkraam, maar niet getekend in de traditionele Disney-stijl. Onlangs verscheen Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse (met vrolijke bijrollen voor Donald Duck, Goofy en een horde spoken). De veelzijdige Lewis Trondheim, die al eerder een Donald-verhaal schreef in deze reeks, werkt voor deze keer samen met Alexis Nesme, een Franse stripmaker die in Nederland mondjesmaat bekend is van De kinderen van kapitein Grant, een avonturenstrip naar het werk van Jules Verne.

In het album Horrifikland zijn Mickey en Donald privédetectives. Hun nering loopt voor geen meter en ze zijn dan ook verheugd dat op een dag mevrouw Grind langskomt, met een klassiek verzoekje waarvoor een beetje privéspeurder zijn neus ophaalt: ze is haar kat Blacky kwijt. Volgens Grind hangt Blacky rond in het verlaten pretpark Horrifikland, waar het getuige de naam wel eens kan spoken. Mickey, Donald en Goofy gaan op zoek en ontdekken al snel dat het er niet pluis is.

Zij treffen er niet alleen spoken aan, maar ook Boris Boef, de eeuwige antagonist die er is om te onderhandelen met de eigenaresse van het park. Deze Lady Switen wordt door de schurk onder druk gezet om het park voor een habbekrats te verkopen. Mickey doorziet dit plannetje er probeert er een stokje voor te steken. Met hulp van allerlei spoken proberen ze Boris Boef te verjagen.

Tot zover is het een klassiek Mickey-verhaal. De fraaie tekeningen van Nesme zorgen ervoor dat het geheel toch anders is dan we gewend zijn, hoewel de poppetjes toch redelijk des Disney’s zijn. Het is de inkleuring die het anders maakt: de figuren zijn niet zo plat als gebruikelijk en dankzij mooie kleurverloopjes en schaduwpartijen zit er veel meer diepte, als in ziel, in de personages. De sfeer en de entourage zijn prachtig uitgewerkt, maar dat zit sowieso wel snor in deze buitenreeks: geen van de zes albums die tot nu toe verschenen in het Nederlands zijn wat dat betreft zwak. Het zijn stuk voor stuk vooral mooi getekende en bijzondere albums, die ook nog eens met een harde kaft en een linnen rug op groot formaat worden uitgegeven.

De verhalen in de buitenreeks zijn wat je van Disney gewend bent. Toch zit er een addertje onder het gras: in een pocket ‘werkt’ een verhaal anders dan in een luxe album. Het lekker weglezen van een verhaaltje – en dan nog paar, tot de pocket van kaft tot kaft is uitgelezen – verschilt nogal met de leeservaring van een flink boek van meer dan 25 euro, met een enkel verhaal. In zo’n solistische setting móet zo’n verhaal goed zijn, terwijl één minder verhaaltje een pocket nog niet zwak maakt. In het geval van Horrifikland krijgt het verhaal een zeventje. Het is in pockettermen een filler en geen killer.

Waarom Horrifikland en de andere titels dan toch in hun opzet slagen, is vanwege het plezier dat van de pagina’s spat. De auteurs pakken uit en permitteren zich andersoortige grappen: meer gericht op volwassenen, tongue-in-cheek en soms geënt op de actualiteit. In de hele reeks is Horrifikland zeker niet beste album: dat zijn De verloren oceaan van Filippi en Camboni (dat ook nog eens prachtig is getekend) en De jeugd van Mickey door Tebo.

Voor de echte Disney-afficionado zijn deze albums must-reads, of eerlijker: must-haves. Voor kinderen is het misschien even wennen, maar toch zeker zeer geschikt: de verhalen zijn net zo goed voor hun. Logisch, uiteraard ziet het Amerikaanse moederbedrijf erop toe dat Donald de spoken niet met een bijl te lijf gaat of Mickey Boris niet omlegt met een AK47. Om maar eens wat te noemen.

Lewis Trondheim & Alexis Nesme – Horrifikland, een huiveringwekkend avontuur van Mickey Mouse. Glénat. 48 pagina’s, hardcover. € 25,65.

Strips & comics

Gelezen: Laura Zuccheri & Philippe Thirault – Terug naar Belzagor 1 & 2

De beide omslagillustraties laten er geen misverstand over bestaan en ook de titel duwt de lezer in de richting van een onvervalst sf-fantasy verhaal. Terug naar Belzagor is een tweedelig epos over de (de)kolonisatie van een verre planeet gekoppeld aan het streven naar transcendentie en hergeboorte. Voorwaar geen saaie kost, maar ook niet direct een abc’tje voor wie niet goed is ingevoerd in de magische wereld van de klassieke science fiction. Want klassiek is het zeker, de strip is een bewerking van Robert Silverbergs bekroonde sf-roman Downward to earth uit 1970.

Onwillekeurig legt de oplettende lezer een koppeling naar het werk van de Braziliaan Léo (Antares, Betelgeuze, Aldebaran). Dat heeft deels te maken met de tekeningen van Laura Zuccheri, maar vooral met de kopletter op het omslag die identiek is aan die van de populaire reeksen van Léo.

Maar waar de verhalen van Léo meer van explorerende aard zijn en de lezer actief met de expeditieleden optrekt, krijgen we in Terug naar Belzagor een wereld voor de kiezen die al grotendeels is uitgedokterd en in kaart gebracht. Op gezette tijden volgt een flinke hap pseudo-wetenschappelijke informatie, bijvoorbeeld over de intelligente Nildoror en Sulidoror en hun wedergeboorte-rituelen of de verkleuring van monolieten. De lezer volgt, er wordt geen actieve rol verwacht.

Waarmee Belzagor wel in de pas loopt met de verhalen van Léo zijn de bij tijd en wijle tenenkrommende liefdesperikelen die het verhaal vreselijk afremmen. Altijd weer die kwetsbare dames, die er toch stoer en erotiserend uitzien in hun nauwelijks verhullende setjes. “Wat bazel je, Dorothy. Ik herken je niet meer.” En dan balt Dorothy haar vuist. “Ik wil je vrouw zijn!” om daarna meteen met een ander de tent in te duiken. Later weet Sam het ook niet meer. Dan zucht hij gekweld. Vermoedelijk hunkert de sf-fantasy-lezer op gezette tijden naar een paar borsten, inhoudelijk heeft het niets met het verhaal van doen.

Deze Dorothy en Sam zijn twee wetenschappers die naar Belzagor zijn getogen in het gezelschap van Eddie Gundersun. Deze kwast is een voormalig kolonisator die zich misdragen heeft en daarom een tijd naar de aarde is verbannen. Hij is terug om zijn geliefde terug te vinden en komt er op Belzagor achter dat zij intussen getrouwd is met de verslaafde kapitein Kurtz. Dorothy en Sam willen de Nildoror en Sulidoror onderzoeken, twee kolossale dierachtigen. Met name hun hergeboorte-rituelen fascineert het tweetal. Toevallig is Kurtz ook in de ban van de wedergeboorte: het zou hem maar zo af kunnen helpen van zijn verslaving, die anders onherroepelijk tot de dood leidt. In het tweede deel gaan beide kampen op weg naar de initiatie-plek waar zij getuige zijn van een gruwelijk schouwspel.

Zoals het hoort bij sciencefiction leren we uiteindelijk van de andere beschavingen, al is het hier wat magertjes: de mens moet zijn plaats kennen, er zijn geen magische trucjes en er bestaat zoiets als boetedoening voor een slecht leven. Niet echt waar Sam en Dorothy op gehoopt hadden, liever waren zij thuisgekomen met een elixer voor het eeuwige leven.

Als je van tevoren weet dat het verhaal uit 1970 komt, doen de tekeningen precies zo ouderwets aan. De expeditieleden zijn alleen bewapend met een fusietoorts, een soort light sabre die rode strepen trekt, dwars door lijven heen. Ze hebben geen ingenieuze pakken, maar mondkapjes en een gewone rugzak. De intelligente oerbewoners lopen rond met houten speren. Een allegaartje.

Terug naar Belzagor is een gedateerd melodrama dat in die hoedanigheid mooi is uitgebeeld: de Italiaanse Laura Zuccheri tekent met dunne outlines en gebruikt een curieus kleurpalet. Haar mensfiguren zijn plastisch, terwijl met name de Nildoror prachtig gedetailleerd zijn uitgewerkt en ingekleurd. Waar de verhalen van Léo gemakkelijk nieuwe en ongeoefende sf-lezers zal aanspreken, is Terug naar Belzagor toch meer voor de ingewijde garde. Bijzonder, dat zeker.

Laura Zuccheri & Philippe Thirault – Terug naar Belzagor 1 & 2, naar de roman van Robert Silverberg. Daedalus. 56 pagina’s, hardcover. € 18,50 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Pope Hats 6

Een flink jaar na zijn uitmuntende graphic novel Young Frances publiceert de Canadese stripmaker Hartley Lin een nieuw deel van zijn Pope Hats, een serie boekjes met de uitstraling van een comic waarin Lin korte verhalen afwisselt met langere. Young Frances bevatte het vervolgverhaal dat hij voorpubliceerde in Pope Hats 2 tot en met 5, vanaf nu gaat hij verder met een schone lei.

In dit zesde deel, dat de ondertitel Shapeshifter meekreeg, tapt Lin uit een ander vaatje. Het is nooit een geheim geweest dat hij zijn eigen leven in zijn verhalen opvoert: zo is de persoon op het omslag de auteur zelf. Kijken we beter dan vervreemdt de coverillustratie: een jongeman met een rol plakband, op de achtergrond een uitvergrote baby en een lieveheersbeestje. Erboven die intrigerende titel (Pauselijke hoeden? Twee solideos? Zucchetti?) en verder niets.

De korte verhalen, meestal van een enkele pagina, zijn allemaal kleinmenselijke schetsjes uit het leven van een jonge vader, van een man die grote veranderingen meemaakt. Hij verhuist, zet grote stappen en kijkt met een zekere melancholie terug op zijn jonge leven. Melancholie ligt voor de hand, maar dat is juist de afwezige in de miniatuurtjes die veel open laten: Lin duidt met zo min mogelijk woorden de zaken die hem bezig houden. Hij bevraagt niet, zoekt niet naar antwoorden; hij maakt ons hooguit deelgenoot. Zijn tekeningen helpen de lezer nauwelijks verder. Hij mijmert in de auto op weg naar huis of overpeinst het leven tijdens het uitlaten van de hond. De handelingen zijn arbitrair, de gedachten komen en gaan: de verstilde pagina’s, met de spaarzame woorden, doen bijzonder poëtisch aan. Ze geven Pope Hats 6 een compleet nieuwe lading mee: een dichterlijke, vertraagde en verstilde weergave van het leven.

Wat Lin doet is ongezien in de stripwereld: hij laat de helft zien, vertelt de helft en laat veel bij de lezer. De ervaring van Pope Hats is dezelfde als het lezen van een poëziebundel: ook hier vinden we een onderliggende lijn, terwijl de losse delen – de scènes, de hoofdstukken – genoeg eigen zeggingskracht bezitten. Pas als het boekje uit is, overvalt je de bedoeling: Lin wil de lezer afstand laten nemen van de alledaagsheid, van de grote gebaren, van de zaken die ons voortstuwen. Hij koppelt gebeurtenissen die ogenschijnlijk los van elkaar staan en duidt dromen aan de hand van gesprekken die hij voerde.

Hoewel het een boekje is van slechts 32 pagina’s zegt Lin met deze aflevering van Pope Hats meer dan vooraf voor mogelijk wordt gehouden: de scènes zijn zó krachtig en ingetogen tegelijk. Wie de moeite doet een exemplaar te vinden zal zeker niet teleurgesteld zijn: poëtischer wordt het niet. Het is te hopen dat deze vorm van stripmaken wortel schiet en dat het veel jonge stripmakers inspireert kleine geschiedenissen te vertellen, met zeggingskracht en emotie. Niet dat de eindeloze stoet heldenverhalen en avonturen nergens toe leiden, maar het leven is meer dan alleen junkfood.

Later zal dit zesde nummer van Pope Hats hopelijk worden gezien als de aanzet van iets compleet nieuws. Iets waar we eigenlijk al veel te lang op hebben gewacht.

Hartley Lin – Pope Hats 6. Adhouse Books. 32 pagina’s. $6.95.

Strips & comics

Gelezen: A.C. Zamudio, Cullen Bunn & Brian Hurtt – Shadow Roads, Volume 1

Dit is nog eens een combinatie: een western met bovennatuurlijke elementen en genoeg fantasy om het nog buitenissiger te maken. Schrijver Colin Bunn (Harrow County, The Sixth Gun en The tooth) houdt wel van een beetje genre-blenderen. In zijn nieuwe reeks Shadow Roads slaagt hij erin om met alle kruidige ingrediënten van genoemde genres een spannend verhaal te maken. De lekkere, bijna Europese tekenstijl van A.C. Zamudio maken het compleet: deze comicreeks is uit de kunst.

De eerste story arc verscheen afgelopen maand in trade paper back: het titelloze Shadow Roads Volume 1, dat de losse comicdelen 1 tot en met 5 verzamelt. Het wordt gezien als een naloper van zijn succesvolle comicreeks The Sixth Gun, vanwege enkele teruggekeerde personages, maar Shadow Roads is los te lezen en heeft de voorkennis niet nodig.

Het verhaal is opgehangen aan twee werelden: die van de aardse, westerse wereld en van de bovennatuurlijke indianenwereld. Een groep outsiders maakt jacht op een oude indiaanse sjamaan die ooit het vlees van een demonische figuur at en daarmee zelf een boze geest werd. Deze Hunter wordt allerlei fatale krachten toegedicht en daarom moet hij verslagen worden. Dat is feitelijk de hele geschiedenis, maar zoals het de bovennatuurlijke wereld betaamt is de weg ernaartoe vol gevaar en suspense.

Wat de vaart er vooral inhoudt is de grootte van de groep, die de scenarist in staat stelt om via allerlei omwegen en zijpaden een verrassend plot uit te werken. Ieder karakter heeft namelijk een eigen manier, een gave of kunde. Sommigen zijn er zelfs onbetrouwbaar door: er is bijvoorbeeld een shapeshifter, waarvan nog maar moet blijken of hij zijn morele kompas juist heeft afgesteld. Het verhaal leunt op het game-idee van een quest met meerdere expeditieleden. Toch is de geschiedenis aan het einde van de eerste trade paper back nog lang niet af: we krijgen vooral een massa cliffhangers, vragen en mysteries voor de kiezen, die de reeks op stoom houden. Halen zij gezamenlijk het einddoel of breekt de pleuris uit?

De tekeningen zijn lekker clean en ogen in eerste instantie karikaturaal en geestig; een beetje zoals Lumberjanes en Paper Girls. Het heeft bij tijd en wijle ook genoeg komische noten om het geheel luchtig te houden. Toch vloeit er genoeg bloed, al is het minder klinisch en in your face als The Sixth Gun. De indiaanse mystiek wordt mooi uitgebeeld en de inkleuringen voelen de sfeer heel goed aan.

Shadow Roads is een serie die vast nog een tijdje door blijft gaan, getuige de vele openingen die dit eerste verzamelde deel oplevert. De personages, de sfeer en de prima dialogen smaken naar meer en maken van deze serie er eentje om in de gaten te houden. Of gewoon, om mee te beginnen: dit wordt alleen maar sterker.

A.C. Zamudio, Cullen Bunn & Brian Hurtt – Shadow Roads, Volume 1. Oni Press. 128 pagina’s. Volume 1 bevat de losse delen 1-5. € 18,29.

Strips & comics

Gelezen: Sangre 2 – Fesolggio, de onverbiddelijke

Sangre is de zoveelste stripserie uit het steeds verder uitdijende universum van scenarist Christophe Arleston. Van de fantasyreeks, die qua verhaallijn even slim als bedrieglijk eenvoudig in elkaar steekt, zijn nu twee albums verschenen; het tweede deel heet Fesolggio, de onverbiddelijke en ligt sinds begin deze maand in de winkel. Een aanrader, zonder meer.

Ook al gaat het nog een paar jaar duren voordat we weten hoe het afloopt, Sangre is nu al een topper in zijn genre. Voordat we bij deel 2 aankomen, eerst even kort de voorgeschiedenis uitgelegd: naamgever Sangre is een pittig meisje dat in haar jonge leven iets vreselijks meemaakt. Haar ouders, oma en broertje worden gruwelijk vermoord door de zogenaamde Orde van Duistere Schuimers, een groep wrede en angstaanjagende creaturen die zich voortbewegen op grote draakvogels.

Hier is het knappe verklaard: hoewel de zinloze moordscene vrijwel meteen en bepaald gruwelijk in een paar bladzijden wordt uitgebeeld, weet de lezer al op pagina 11 met wie we te maken hebben. Het zijn Yroise de Striga, Tinduff Eenoog, Hentsh de Wrede, Ruglys Veelvraat, Donnadion de Onnozele, Havanna de Rusteloze, Fesolggio en een zogenoemde ligaat; een personage dat in staat is mensen naar een andere wereld te transporteren. De lezer hapt even naar adem, maar weet meteen: het is Sangre, die de slachting als enige overleeft, tegen de rest. Het verhaal begint nu echt.

Wraak is het grondmotief. Het eerste deel, De overlevende, eindigt met een strijdbare Sangre, die aankondigt op zoek te gaan naar haar eerste slachtoffer: Fesolggio, de man die haar vader doodstak. Kalm beweert ze dat wraak nemen geen echte rust biedt, maar dat een wraak die niet voltrokken wordt aan je vreet.

Het tweede deel is gesitueerd in Nivesque, een stad met twee zonnen. Het is een plaats waar de schone kunsten en angst om voorrang strijden: alleen de pracht van een mooi schilderij, een klinkend muziekstuk of episch bouwwerk kalmeert de Strymen, die genadeloos toeslaan zodra iemand zich niet aan de opgelegde estetica houdt. Een malle premisse misschien, maar voor het verhaal werkt het perfect, want op het moment dat Sangre in Nivesque aankomt, is er een schilder die de goden zeer welgezind is. Het is Fesolggio. Met zijn schilderkunst paait hij de Strymen, de stad vaart er wel bij.

Fesolggio heeft een duistere kant en die komt vooral naar voren als hij in het gezelschap is van vrouwen. Als hij zich vergrijpt aan de dochter van een edelman, overspeelt hij zijn hand en wordt hem alles afgenomen. En dan komt Sangre in zijn leven.

Het mooie van dit tweede deel is dat Sangres zoektocht naar de moordenaars niet volgens het klassieke stramien wordt afgewerkt: zoeken, vinden, bijl in het hoofd en weer verder. Scenarist Arleston (van o.a. Lanfeust van Troy, Ehkö en het geweldige Sinbad) weet er echt iets bijzonders van te maken: er zit een mooie vertraging in het verhaal die de spanning alleen maar verder opvoert.

Het scenario zit ook voor de langere termijn goed in elkaar, er zijn veel verhaallijntjes en karaktereigenschappen waarmee de serie nog lang vooruit kan. De gave van Sangre om de tijd heel even te bevriezen is een mooi gegeven: handig, maar het zorgt ook voor een korte blindheid. Die afweging zit heel knap in het verhaal verweven.

Arleston en tekenaar Adrien Floch gaan al heel wat jaren samen en zijn vooral bekend van het fantasy-epos Ythaq, waarvan intussen vijftien delen verschenen. Der pagina’s van Sangre zien er vrijwel identiek uit, zeker in vergelijking met de latere Ythaq-albums. Geen punt, fans uit het fantasy-genre weten zo in elk geval dat het wel goed zit. Sangre gaat een strip worden waar naar uit wordt gekeken: ieder jaar zal er een album verschijnen, dat eerst wordt voorgepubliceerd in stripblad Eppo.

De twee delen van Sangre lezen perfect. Er is geen enkele reden om niet meteen aan deze prachtreeks te beginnen. Instappen kan altijd, maar langer wachten heeft geen enkele zin. Beter in gezwinde spoed naar de stripspeciaalzaak of beter gesorteerde boekhandel.

Christophe Arleston & Adrien Floch – Sangre 2 – Fesolggio, de onverbiddelijke. Uitgeverij L, 56 pagina’s, € 8,95.

Strips & comics

Gelezen: Strapazin 135

Dat Duitsland de laatste vijftien jaar een enorme inhaalslag heeft gemaakt op het gebied van strips, is evident. Met een vaart alsof ze pas sinds de eeuwwisselling weten dat er überhaupt strips bestaan, geven ze niet alleen in hoog tempo alle klassieke Franco-Belgische series uit, maar ook oude en nieuwe comics uit de Verenigde Staten en een flinke berg manga, allemaal keurig in het Duits. Het is zo overdadig dat er op online fora zelfs flink geklaagd wordt: het is niet meer bij te houden.

Uit de tijd dat het nog krap en mager was, stamt het Duits-Zwitserse tijdschrift Strapazin. Het kwartaalblad komt sinds 1984 uit, deze maand verscheen nummer 135. Ieder nummer is opgehangen aan een thema. Gelukkig wordt er niet al te strikt mee omgesprongen en zijn de onderwerpen bovendien tamelijk breed. Het thema van nummer 135 is Wahre Geschichten (echtgebeurde verhalen). Zeven internationale tekenaars, in dit geval uit Argentinië, Italië, de VS, Duitsland, Zwitserland en Engeland, zetten de lezer autobiografische strips en geïllustreerde verhalen voor. Het zijn deze keer auteurs die wat te vertellen hebben, dit in tegenstelling tot het vorige nummer (thema Flanieren, wandelen) waarin vooral werd vertoond.

De diversiteit van de makers én het werk is de kracht van Strapazin. Het blad, dat ten onrechte een naam heeft al te kunstzinnig en avant-gardistisch te zijn, vist duidelijk niet in de klassieke stripvijver. Dat maakt het blad avontuurlijk en zorgt voor een open blik bij de lezer. Niet alles is goed, maar in ieder geval bijzonder: de bijdragen van nummer 133, rond het thema Katastrophen in den Bergen (bergrampen), waren ronduit absurd. Strapazin beschikt over een immens netwerk: de bijdragen komen van over de hele wereld, tot uit China aan toe.

Er is een reden dat de nummers van Strapazin onderling zo verschillend zijn: er is geen vaste redactie. Er worden steeds nieuwe teams samengesteld uit een groep van zo’n vijftien vaste krachten, die voor zich bepalen hoe het blad eruit gaat zien. De tekenaars krijgen bovendien de vrije hand; zij worden benaderd met een verzoek en leveren later. Dat lef straalt van de pagina’s. Het verrassingsaspect is een beloning voor de lezer. Daarmee is het een voorbeeld voor Nederlandse striptijdschriften, die eigenlijk vooral voorpubliceren en nog zelden laten zien dat ze de vinger aan de pols hebben.

Naast de strips, die vaak flink van omvang zijn, is er ook plaats ingeruimd voor recensies. Ook weer bijzonder: de omslagen van de besproken boeken worden door een striptekenaar nagetekend. Het geeft het geheel een DIY punk-uitstraling die past bij het blad, dat oorspronkelijk uit die scene afkomstig is. Af en toe is er een essay over het thema-onderwerp, ook weer geïllustreerd.

In Strapazin 135 is het verhaal van de Argentijnse Maria Luque een treffer: zij verhaalt over haar tijd in Zwitserland en de kennismaking met de daar geldende regels voor rust en stilte. Het toilet doortrekken na elf uur ’s avonds? Nee, dat doe je niet. Even de buren inlichten als je je fruitshake in de blender doet, wordt op prijs gesteld. En als een vriend op een verjaardag het lang zal ze leven aanheft, bellen de buren de politie. Moet je maar niet zo gek doen.

Van een geheel andere orde zijn de uit spaarzame lijnen opgetrokken strip van Anja Wicki over nota bene Mutterschafsversicherung, de verstilde panorama’s van Doreen Fletcher (waarvan er eentje het omslag siert) en een verhalende strip van Ivano Talamo over gentrificatie: het hipsterproof maken van oude bunkers in de buurt van Zürich. Hoogtepunt is het relaas van Jvana Manser over een Eritrese vluchteling die wordt ondergebracht in een Zwisters azc: in een stripreportage van 22 pagina’s wordt een indringend beeld geschetst van de omslachtige manier waarmee alles in Zwitserland omgeven is. Het leven is precies en loopt als een uurwerkje.

Dat zie je ook in Strapazin zelf: achterin het blad wordt steeds de verschijningsdatum van het volgende nummer aangekondigd en je kunt je klok erop gelijk zetten. Pünktlich, op de dag nauwkeurig wordt het blad bij de abonnees bezorgd. Dat abonnement is nodig: in Nederland zijn er voor buitenlandse stripbladen geen verkooppunten, hooguit voor Engelstalige popcultuur-magazines met een focus op comics en manga. Een abonnement van tien nummers kost 85 euro, de avontuurlijke striplezer moet het zichzelf eigenlijk cadeau doen. Een soortgelijk, breed en kunstzinnig striptijdschrift is er niet.

Strapazin, www.strapazin.de

Strips & comics

Gelezen: Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje

Wie de forse integrale uitgave van Sprietje in zijn handen heeft, weet meteen dat die naam bepaald niet verwijst naar het boek zelf: dat is een grootformaat fantasy sprookje van meer dan een kilo. De fraaie omslagillustratie is van een meisje met lang blond haar en een bladerjurk in een prachtig strijklicht. Dát is Sprietje, of althans het is de naam die het verdwaalde meisje aan het begin van het verhaal krijgt van een wezentjesvolk dat haar vindt in hun onderaardse wereld.

Al na een paar bladzijden is de toon gezet: tekenaar Frederico Bertolucci heeft de lezer met enkele fraaie kijkplaten meegenomen naar een miniatuurwereld vol schattige figuurtjes à la Bone. De Italiaan zet de pagina’s op in een zwarte achtergrond en met een heel vrije kadrering: in de meeste gevallen is de achterliggende illustratie een locatie-duider, waarin de verhaalsequentie kundig is verwerkt. Die opzet is iedere keer geslaagd, er is geen zwakke spread te vinden in het boek, en perfect in dienst van leesrichting en tempo.

Het tekenwerk is buitengewoon: de prachtige bossen, zwierige lijnvoering en magnifieke inkleuring zijn uit de kunst. Voorin het boek staat vermeld dat het verhaal in zijn geheel digitaal is getekend en ingekleurd, dus er zal best een lichtval of waterschittering uit een dropdownmenuutje zijn getoverd, maar toch: het moet wel goed gebeuren. Bertolucci verstaat de kunst en schotelt ons een juweel van een album voor.

Sprietje komt er in het begin van de geschiedenis achter dat haar aanwezigheid in het dorpje niet gewenst is. Het trekt de schaduwjagers aan. Wie dat zijn weten we niet, zoals er wel meer vragen zijn. Sprietje, die haar geheugen kwijt is, heeft bijna het hele verhaal nodig om erachter te komen wie ze is, waar ze is en wat er van haar verlangd wordt. Het heeft ergens iets onbestemds: de lezer wordt meegenomen in een verhaal waarvan de ontwikkeling vaak achter de feiten aan beweegt. Sprietje moet weg uit het dorpje, en dus gaat ze. Waarheen? Ze heeft geen idee, een wolf die ze onderweg tegenkomt wijst haar de weg. Waarom? Het blijft lang ongewis.

Het wordt Sprietje gaandeweg duidelijk gemaakt dat ze een belangrijke taak te vervullen heeft. Zoals het een magisch sprookje betaamt, is er een duistere tegenstander in het spel, in dit geval een drietal met een fors leger. Het is de fantasievariant van Eén tegen honderd, met jokers en hulplijnen.

Het scenario van Frédéric Brrémaud (met tweemaal een r) is vanwege alle twijfel en vragen niet altijd even sterk. De lezer laat zich vooral meevoeren, werkelijk spannend wordt het niet. Er is geen einddoel, geen finish in de verte. De laatste twee hoofdstukken zijn spektakels die zich aandienen. En toch: ondanks het ontbreken van een dwingende verhaallijn is Sprietje een mooie leeservaring. Het is een geweldig kijkboek met een gedienstig verhaalflintertje.

Deze integrale Nederlandse editie heeft achterin nog een extra dossier van 28 pagina’s, met schetsen en pagina-opzetjes. Normaal gesproken is dat de eye candy, nu is het wat overbodig: in Sprietje, dat afgelopen jaar op het vermaarde stripfestival van Angoulême de prijs voor het beste jeugdalbum won, zijn we al 164 pagina’s lang visueel en grafisch verwend.

Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje. Dark Dragon Books, 192 pagina’s hardcover. € 34,95

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont – Losse eindjes

Losse eindjes is een vreemd album. De titel van dit curieuze stripverhaal slaat niet op de inhoud maar op de manier waarop auteur Olivier Pont het gemaakt heeft. Het verhaal, zo schrijft hij in een uitgeleide achterin het boek, is het resultaat van een grondige improvisatie waarbij hij geen vooropgezet plan had. Hij zegt dat hij “deze keer geen zin had om alles op voorhand vast te leggen en mezelf te onderwerpen aan de plicht om alles te tekenen zoals het is beschreven”. Pont wilde het verhaal zichzelf laten vertellen. Eerst de kadertjes trekken en dan aan de slag, van scène naar scène. Bijzonder, moedig ook.

En is het geslaagd? In eerste instantie pakt het verrassend goed uit. Wie zonder deze kennis aan het verhaal begint, zal af en toe gniffelen van de flinke verhaalsprongen, de onwaarschijnlijke bochten en de ronduit maffe situaties waarin hoofdpersoon tegen wil en dank Thibault terecht komt. Als Pont dit bij wijze van wild experiment is aangegaan, dan is het gelukt. Het is in feite een geestig, onderhoudend en bij vlagen spannend verhaal.

Als hij ondanks zijn voorgenomen opzet het verhaal naderhand nog had bijgeschaafd en op kleine punten had aangepast, dan was het beslist sterker geworden. Een van de verhaalelementen die sneuvelt als je bij het scheppen van plaatje naar plaatje gaat is een spanningsboog. Die staat in Losse eindjes vrijwel het hele boek gespannen en dat komt de dynamiek niet ten goede. Het verhaal krijgt er een rabiate vaart van, de lezer heeft amper tijd om te beseffen wat er allemaal gaande is. En dat is nogal wat.

Thibault is een stevige dertiger van het sullige soort. Als hij op een metrostation in Parijs tegen een jongedame botst en daarbij haar boodschappentas scheurt, helpt hij haar met het sjouwen van de spullen. Deze Judith brengt hem naar een oud dametje dat vijf hoog woont met haar drie katten. Als Judith er dan ineens tussenuit piept, zit Thibault alleen met de bejaarde, die vervolgens komt te overlijden.

Thibault wordt opgepakt voor vermeende betrokkenheid, waarna de politieauto mét de onfortuinlijke arrestant wordt gestolen door een crimineel, die het hele korps achter zich aan heeft zitten. Zo raakt Thibault van de regen in de drup, en daar blijft het niet bij. In één dag tijd ziet de jammerende antiheld ongeveer de hele stad: vanuit de krochten, vanaf de daken.

Hij komt vreemde figuren tegen, verijdelt een moordpartij en krijgt aan het einde van het verhaal waar hij al zo lang naar snakt: rust. Onder meer.

Olivier Pont heeft zich voor dit album een heerlijke, losse tekenstijl aangemeten. Pont is vooral bekend van zijn bewierookte, meeslepende strip-epos Over de grenzen van de tijd… waarvan de integrale al in 2005 verscheen. In dat verhaal is zijn lijnvoering strakker, meer richting het werk van Cyril Pedrosa, en neigt het naar Disney. Losse Eindjes is wat ruiger: het is niet geïnkt maar opgezet in potlood. De inkleuring van Laurence Croix, die veel met digitale pastel werkt, past daar goed bij. Het ziet er gewoon lekker uit.

Was het nodig om te weten dat Pont dit album uit de losse pols heeft gemaakt? Niet per se. Door het zo prominent in het album op te nemen, lijkt hij zijn critici een stap voor te willen zijn. Eigenlijk overbodig, het verhaal is geestig genoeg zoals het is. Geen hogere wiskunde of van noveleske hoogmoed, maar toch zeker een heel behoorlijk feelgood verhaal met vaart en een fijne dosis actie. Experiment geslaagd.

Olivier Pont – Losse eindjes. Dargaud. 128 pagina’s hardcover. € 25,65.

Strips & comics

Gelezen: Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia delen 1-3

Deze maand verscheen het derde en afsluitende deel van het daverende piraten-epos Libertalia. De titel slaat op de naam van een vrijstaat die in de slotjaren van de zeventiende eeuw zou zijn gesticht op Madagaskar door een adellijk heerschap en een priester. Dat klinkt op zich redelijk onwaarschijnlijk. Het wordt er niet serieuzer van als we weten dat het verhaal van Libertalia is gebaseerd op een boek uit 1724 dat A General History of the Robberies and Murders of the Most Notorious Pyrates heet. De auteur van dat curieuze boek is een zekere Charles Johnson, waar volgens de overlevering Daniel Defoe achter schuilgaat. Inderdaad, de auteur van Robinson Crusoë.

Kort gezegd zou Libertalia een vrijstaat zijn die gesticht werd door de Franse edelman Olivier Misson en de Italiaanse geestelijke Caracioli. Misson is een rechtlijnige figuur die zich faliekant keert tegen de slavenhandel en zich daarmee niet geliefd maakt in de kringen waarin hij vertoeft. Volgens hem is ieder mens vrij en mag een ander niet over een mensenleven beschikken. Dus trekt hij ten strijde: hij bevaart de wereldzeeën om slavenschepen te onderscheppen, de drijvers over de kling te jagen en de slaven hun vrijheid terug te geven. En dan ontstaat er het idee van een utopische kolonie, een plek waar iedereen gelijk is en in vrijheid leeft. Dat klinkt prachtig, a Deo libertade, maar die vrijheid heeft een prijs: Misson en zijn mannen deinzen er niet voor terug om zich als niets en niemand ontziende piraten te gedragen. Er moet tenslotte geld in het laatje om de boel draaiende te houden.

Thuis zijn ze voorbeeldig: hun idee van vrijheid en gelijkheid werkt. Democratische processen doen hun intrede, inlanders en blanken hebben gelijke rechten en het geloof vindt een plaats tussen de facties. Toch werkt niet alles naar behoren. Misson blijkt tuchtiger en fanatieker dan de rest. Vanwege excessen verbiedt hij alcohol en legt hij de ruilhandel om goud aan banden, wat hem niet in dank wordt afgenomen. Het zijn de eerste barstjes in het opgelegde ideaal. En dan is er de dreiging van buiten: hun piratenstreken blijven niet onopgemerkt.

Libertalia begint met een flinke aanloop. Het lijkt alsof scenarist Rudi Miel, die is bijgestaan door historica Fabienne Pigière, het eerste deel vooral gebruikt om het verhaal en de personages een authentiek laagje mee te geven. Of dat per se nodig is, is de vraag. Vanaf deel 2, De muren van Eden, verandert de toon van het verhaal en wordt het een stuk rechtlijniger en daarmee avontuurlijker. Het enteren van boten met bloederige zeeslagen, het stichten van een houten dorp in een idyllische baai en de groeipijnen van een nieuwerwetse, egalitaire samenleving spreken voldoende tot de verbeelding.

De prachtig geschilderde panorama’s en de doorleefde karakterkoppen van de Italiaanse tekenaar Paolo Grella gedijen beter vanaf het tweede deel, als het verhaal zich in het exotische buiten afspeelt. Alleen lijkt hij soms iets te gehaast te inkten, wat ten koste gaat van de gezichtsuitdrukkingen. Zijn inkleuringen zijn van een bijzonder hoog niveau en dragen het verhaal: ze zijn fraai in voorspoed en duister als er onheil dreigt. Fans van Roodbaard en De Havik kunnen zich gerust aan Libertalia wagen, al zullen ze ontdekken dat het wat gruwelijker en bloederig is dan de klassieke piratenstrip. Want hoewel het ergens voor de goede zaak is, halen veel figuranten het einde niet.

Met De wegen naar de hel, het derde deel dat deze maand verscheen, is Libertalia voltooid. Het is een trilogie met een niet alledaags, meeslepend plot, geweldige tekeningen en een slotstuk dat er wezen mag. Wie de eerste twee albums ooit al eens zag staan en nog even twijfelde: geen reden toe, Libertalia is een avontuurlijke trilogie die de lezer van een spannende, historische strip zeker kan bekoren.

Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia 1-3. Casterman. 48 pagina’s hardcover. € 16,40 per deel.
Deel 1: Triomferen of sterven, deel 2: De muren van Eden, deel 3: De wegen naar de hel.