Strips & comics

Gelezen: Genzianella & Mariolle – William Adams, Samoerai

It’s the inside that counts en dat geldt in zekere zin ook voor strips. Wie geen moeite doet langs de spuuglelijke cover van deel 1 van William Adams, Samoerai te kijken, zal nooit weten dat er achter die draak van een illustratie een goed verhaal verscholen gaat.
Het tweede en laatste deel van William Adams, Samoerai verscheen onlangs – weer met een magere omslagillustratie – waarmee we de balans kunnen opmaken: een goed verhaal met genoeg spanning en intriges voor een intense leeservaring. Maar toch: het tekenwerk zit tegen een grens aan. Het is net niet mooi, net niet sprekend genoeg en stilistisch gezien net niet interessant. En toch, na de twee albums die samen een afgerond verhaal vormen, is het vooral het verhaal dat blijft hangen. Gelukkig maar.

William Adams is geen onbekende, al rinkelt het belletje vast niet meteen. In 1980 was Nederland in de ban van de televisieserie Shogun, met Richard Chamberlain in de hoofdrol. Dat verhaal is gebaseerd op de waargebeurde geschiedenis van William Adams, die in de serie John Blackthorne heet; de rol van Chamberlain.

De hoofdrolspeler in het verhaal van tekenaar Nicola Genzianella en scenarist Mathieu Mariolle heeft misschien niet de looks van Chamberlain, maar is minstens zo onverschrokken. De stoïcijnse blikken waarmee de Engelse zeeman zijn bloeddorstige vijanden tegemoet treedt, is haast onvoorstelbaar, vast en zeker omdat hij het recht en het gelijk aan zijn zijde heeft. Maar toch, dit heerschap is niet voor een kleintje vervaard.

Omdat Adams beschikt over vuurwapens en weet heeft van westerse krijgstechnieken, is hij de speelbal van twee kampen: aan de ene kant generaal Tokugawa die uit is op alleenheerschappij en anderzijds de vier regenten die samen met de jezuïeten de macht proberen te houden. Het is een keuze tussen twee kwaden, zo lijkt het. Of zoals Tokugawa het verwoordt: “Wat is beter? Een tiran die streeft naar welzijn voor allen of een rechtvaardige maar egoïstische soldaat?”

Adams belandt in de gevangenis, wordt opgejaagd en kiest uiteindelijk een kant. Dan kan de strijd echt beginnen.

Via allerlei slinkse acties en opzetjes ontrolt er zich een verhaal vol heroïsche actie en martiale kunsten dat plaatsvindt in de kenmerkende Japanse landstreken. Jammer is wel dat het harde en donkere kleurgebruik niet aansluit bij de sfeer. Het zachte Japan van de bloesemtuinen en rijstvelden is ingeruild voor een kille setting in gedoemde oorlogskleuren.

Er is natuurlijk ook plaats voor een tedere verhaallijn, de haast onvermijdelijke genegenheid tussen Adams en Matsu Hime. Haar rol is niet die van dame in de deuropening die zachtjes weent als de mannen ten strijde trekken; zij zorgt ervoor dat Adams gedwongen wordt een keuze te maken. Die verstrekkende keus laat hem tot besluit verzuchten: Dit is mijn land nu. En dat is nogal wat.

Strips & comics

Gelezen: De Vries – De geschiedenis van de Toonder Studio’s

Over Marten Toonder is veel geschreven. Zelf was hij uitvoerig in zijn driedelige autobiografie, waarop het een en ander aan te merken was. In 2012 verscheen de excellente biografie van Wim Hazeu: objectief, informatief, prettig geschreven en niet altijd even vleiend voor de tamelijk op zichzelf gerichte Toonder. Daarnaast werden er met de jaren tientallen uitvoerige artikelen, verslagen en essays geschreven over ’s mans werk en leven. Boeken blijven boeken en hoewel er in de biografie van Hazeu een kleine fotokatern was ingevoegd, is het gissen hoe de entourage eruit heeft gezien: de werkkamer, de studio en haar medewerkers, het schetswerk en de storyboards. Met name de Toonder Studio’s – die meer waren dan alleen Marten – kwamen er meestal toch bekaaid vanaf.

Sinds twee maanden is er een serie in tijdschriftvorm, die dit gemis wegneemt: De geschiedenis van de Toonder Studio’s is een bloemrijk overzicht van de beroemde studio, haar medewerkers en het werk dat daar werd verricht. Samensteller en Toonderkenner Jan-Willem de Vries putte uit de enorme hoeveelheid foto’s, werk en getuigenissen. De Vries omschrijft de seriepublicatie als de grootste verkenning van de Toonder Studio’s tot nu toe: het bevat een beschrijving van de oorlogsperiode en verkent de periode van na 1945, waarin het bedrijf opbloeit en wereldwijd strips verkoopt. We lezen hoe het zich ontwikkelt als grote speler en hoe het die positie langzaam weer inlevert. Interessant, maar het zijn vooral de persoonlijke verhalen van Toonders medewerkers die voor kleur zorgen, zoals onder anderen Piet Wijn, Patty Klein, Hans G. Kresse, Lo Hartog van Banda en Thé Tjong-Khing. Bij hen wordt uitvoerig stilgestaan.

De eerste twee delen zijn inmiddels verschenen en als die de maatstaf zijn voor wat komen gaat, dan zal vooral het visuele spektakel tot de verbeelding spreken.

De tijdschriften zijn chronologisch opgehangen aan thema’s, series als Panda, Kappie en Tom Poes en aan medewerkers en zakenpartners.
De delen 1 en 2 beslaan in grote lijnen de jaren 1933-1940 en 1940-1942. In het eerste deel, dat vooral geldt als introductie van de reeks, wordt stilgestaan bij de eenmanszaak van Toonder en hoe hij door samenwerking met Fritz Gottesmanns Diana Edition de eerste stappen zet op weg naar een studio. Pril tekenwerk en zogenaamde presentatieboekjes geven een mooi beeld van Toonders begintijd.

Het echte werk begint in deel 2 als de Toonder Studio’s vorm beginnen te krijgen. Wie een vage notie heeft van hoe het er op de studio in de beginjaren veertig uitziet, zal verrast zijn door de grote hoeveelheid foto’s en wat die laten zien: karige, volgepakte kamers met hardwerkende mannen en vrouwen in onberispelijke kleding. Een enkeling permitteert zich hemdsmouwen, maar de rest zit keurig met stropdas en jasje aan de tekentafels. De vrouwen dragen nette blouses, terwijl er zoveel frivool werk werd gemaakt. Het zijn dit soort foto’s die de tijdschriftenserie meerwaarde geeft.

Het doorlopende verhaal over Toonders samenwerking met Joop Geesink, die later Loeki de Leeuw bedacht, en zakenpartner Jan Bouman is informatief en helder. Omdat het een verhandeling is over de studio en niet over Toonder als persoon, is de toon zakelijker: allerlei particuliere dingetjes en familie-aangelegenheden, waarmee de (auto)biografieën vol staan, komen – gelukkig – niet aan bod. Het gaat vooral over entrepreneurschap, zakelijk instinct en meebewegen in moeilijke tijden.

In totaal zal de serie uit 18 delen bestaan. Iedere maand verschijnt er een nummer en na anderhalf jaar is de reeks compleet. Liefhebbers kunnen zich inschrijven, waarmee ze verzekerd zijn van toezending per post. Losse nummers zijn ook verkrijgbaar in de betere stripspeciaalzaak. Meer informatie en een overzicht van de onderwerpen per deel vind je hier.

Strips & comics

Gelezen: Hyman & Fromental – De Praagse coup

Waar is een historische spionage-thriller beter op zijn plaats als in het Wenen van 1948, waar de vier bezettingsmachten de stad na afloop van de Tweede Wereldoorlog opdeelden: de Sovjetzone en de Franse, Britse en Amerikaanse. Wenen werd een gedrocht met sectorgrenzen, districtenstelsels en heel veel wantrouwen en verraad; het is de ideale omstandigheid voor de Britse (scenario)schrijver Graham Greene om aan zijn nieuwe novelle en daarop geïnspireerde speelfilm te werken, The Third Man.

Greene komt niet alleen. Hij krijgt gezelschap van mevrouw Montagu, die naast actrice, voor de buitenwacht, natuurlijk ook het nodige spionagewerk voor haar rekening neemt. Klassiek is de scene waarin Montagu in de hotelkamer van Greene rondneust en zich moet verstoppen voor nog een nieuwsgierige indringer. Vanachter een gordijn denkt ze er het hare van. Zo zit het album vol degelijke, beetje gedateerde spionage-scènes.

De grote lijn van het verhaal gaat over wie met wie samenspant, en waarom. Het duurt even voordat de lezer doorheeft wie de echte bad guys zijn, om uiteindelijk te ontdekken dat de complexe situatie ter plaatse lang niet zwart wit is. Alles haakt ingenieus in elkaar. Gelukkig maar: het verhaal is sterk en beloont de oplettende lezer.

Het gestileerde potloodwerk van Miles Hyman past goed bij het verhaal dat speelt in de late jaren veertig. De pakken, mantels, interieurs en het straatbeeld ademen de sfeer van de naoorlogse tijd. Het is rood-bruin, grauw en gedempt van kleur, alsof het licht nog op de bon was. Daarbij speelt een groot deel van het verhaal zich af in de vergane chique van hotellobby’s, bordelen, tussen de coulissen van de opera en zelfs het in uitgebreide riolenstelsel van de Oostenrijkse hoofdstad; niet de meest kleurrijke en uitbundige entourage.

De mannen dragen hun haar in een strak naar achteren gekamde snit, in vergelijkbare pakken met dito overjassen. Dat zorgt ervoor dat je even alert moet zijn op details: soms herken je de heren alleen aan hun stropdas of sjaal.

Bijzonder is de vertelstem van het verhaal. Scenarist Jean-Luc Fromental gebruikt zeker aan het begin van het verhaal veel vierkante tekstkaders, waarin de situatie verklarend wordt verteld door Montagu. Dat is doorgaans stijf en afstandelijk, maar in De Praagse coup draagt het juist bij aan de sfeer en toonzetting van de vertelling. Het wordt er spannender van: ze kan vrijuit over geruchten spreken, mogelijke geheimen benoemen en de lezer alvast op het spoor van deze of gene brengen.

Er wordt geschoten, het een en ander opgehelderd, zwijggeld betaald en aan het slot van het verhaal zien we het filmaffiche van The Third Man. Met een ronkend citaat van Joseph Conrad over corruptie sluit het boek. Greene heeft zijn verhaal en daar is wat voor nodig geweest.

Strips & comics

Gelezen: Tom Gauld – Baking with Kafka

Het werk van de Engelsman Tom Gauld is van grote schoonheid. Zijn getekende universum bestaat vooral uit kale stokpoppetjes en gearceerde vormfiguurtjes die er desondanks gestileerd en strak uit zien. Het mooie zit in zijn unieke manier van vertellen: zo precies, zo doeltreffend en zo exact. Gauld is een meester in het ontrafelen van complexe materie en het moeiteloos nemen van drievoudige u-bochten. Zijn halve-paginastrookjes gaan over de actiebereidheid van de moderne mens, de ideale zithouding tijdens het lezen van boeken, ondramatische plotstructuren en voorbeelden van klassieke literatuur met een beetje extra wetenschap.

In Baking with Kafka gaan veel van de 160 grappen over literatuur, en dan met name de klassiekers. Ze verschenen eerder in het cultuurkatern van de Britse kwaliteitskrant The Guardian, en zijn daarom niet voor iedereen gesneden koek. Wie niet weet dat Gregor Samsa veranderde in een kever, mist de grap over de gemakkelijk beïnvloedbare schrijver die Kafka las.

Toch is het geen punt om af en toe iets te missen, vooral omdat Gauld zelden moeite doet om belezen of zwaarwichtig over te komen. Vaker trekt hij de literatuur van haar sokkel en degradeert hij de serieuze kunsten tot banale flauwekul en nieuwlichterij. Clickbait in flapteksten, het zuinig omgaan met het opvoeren van personages met baarden en dergelijke: het geeft geen blijk van een plechtige kijk op literatuur.

Ondanks dat Baking with Kafka alleen uit korte paginastroken bestaat, past het naadloos in het oeuvre van Gauld dat verder vooral bestaat uit verstilde korte verhalen, zoals Moon Cop en Goliath. Ook in zijn verhalende strips presenteert Gauld de personages en anekdotes vanuit een onverwachte hoek. In het bijbelse Goliath wordt vrijwel het hele album ingeruimd voor de tijd voorafgaand aan de confrontatie, en dan ook nog eens vanuit de reus bezien en beleeft. Het einde is zoals we het kennen, al heeft het verhaal op geen enkele manier meegewerkt. Als iedereen onverrichter zake naar huis was gegaan, was het ook prima geweest.

Het werk van Gauld is niet te vertalen zonder de onderkoelde Britse humor en specifieke verwijzingen kwijt te raken. Een vertaling lijkt hoe dan ook ver weg, want ook de eerste bundeling Guardian-strips, You’re all just jealous of my jetpack uit 2013, is niet in het Nederlands verschenen. Dit mag gerust worden opgevat als een aansporing om terstond de werken van Gauld aan te schaffen. Er is geen reden om langer te wachten.

Strips & comics

Gelezen: Marcel Pagnol (Dan, Scotto & Stoffel) – Jazz

Het jaar 2017 is van Marcel Pagnol, de Franse schrijver en cineast (1895-1974) van wie er dit jaar al zes prachtige albums verschenen met stripbewerkingen van nooit eerder in het Nederlands vertaald werk. Tot voor kort, want toeval of niet: terwijl uitgeverij Saga in februari van dit jaar begon met de uitgave van Pagnol-strips, kwam De Geus deze zomer met het eerste deel van zijn autobiografische roman De gloriedagen van mijn vader op de proppen, en zal in 2018 de vervolgroman Een kasteel voor mijn moeder uitkomen. Beide verhalen bestaan inmiddels in stripvorm, die net als de andere delen naar strip zijn vertaald door Serge Scotto en Éric Stoffel.

Afgelopen maand verscheen het album Jazz, dat in 1926 als toneelstuk werd gepubliceerd en niets met jazz te maken heeft. Het oorspronkelijke verhaal heette Phaëton, een klassieke titel die verwijst naar een tekst van Plato. Het was dichter Rodolphe Darzens die Pagnol er van wist te overtuigen de naam te veranderen. Hij had alle recht, omdat Pagnol het werk aan hem had opgedragen. Darzens vond de thematische uitwerking veel te modern voor zo’n klassieke naam, en zo werd het Jazz, destijds de muziekstijl die stond voor het nieuwe, jeugdige en chaotische, en daarmee perfect passend bij het verhaal.

Toch heeft de tekst van Plato een prominente rol in het verhaal. Classicus Blaise, een bevlogen schriftgeleerde, heeft zijn leven gewijd aan de ontcijfering van de Phaëton. Hij heeft er academisch aanzien en een hoogleraarschap aan overgehouden, maar heeft onderweg vergeten te leven. Geen vrouw, niets dan alleen die ene tekst. Althans, dat vindt zijn oude vriend Barricant die hem op een dag komt opzoeken. De boodschap van Barricant heeft aanvankelijk weinig uitwerking op de eigenzinnige Blaise, maar als er iets onvoorziens gebeurt zet dat het leven van de hoogleraar volledig op zijn kop. Hij gooit het vanaf dan over een andere boeg.

Net als in de vorige delen van de reeks is er ook in dit verhaal voor gekozen om dicht op de tekst van Pagnol te zitten, waardoor je soms iets leest wat je ook ziet, maar altijd in die volgorde. Het kleurt de leeservaring en geeft het verhaal iets van een natuurlijke ouderdom. Dat wordt nog versterkt door de entourage van het verhaal en het bedeesde kleurgebruik. De lezer stapt werkelijk terug in de jaren twintig van de vorige eeuw. Er wordt bewust geen poging gedaan de verhalen van Pagnol in een modern jasje te steken en dat is een goede keuze.

Het tekenwerk is van A. Dan, eigenlijk Daniël Alexandre, die eerder ook het one-shot Kabeljauwtje tekende, naar de film Merlusse uit 1935. Zijn tekenstijl is net iets ruwer dan dat van de andere Pagnol-verstripper Morgann Tanco, die liever, ronder en innemender tekent. In het geval van Jazz pakt dat goed uit, omdat het een veel somberder verhaal is. Het is bovendien een verhaal dat qua toonzetting duidelijk afwijkt: het is harder en onaardiger, waar de andere verhalen loom kunnen voortkabbelen, zeker de autobiografische delen.

Jazz is een goed beeldverhaal met een slotakkoord dat iets van jazz heeft; dissonant, maar net niet ontsporend.
Voor het echte Pagnol-gevoel blijft het tweeluik Topaze, naar het toneelstuk uit 1928, het hoogtepunt en daarmee een ideaal instapverhaal. Daarin zitten de knapste dialogen, mooie karakterkoppen en is de ontwikkeling van de hoofdpersoon perfect uitgebeeld. Vooral dat laatste is in Jazz minder levensecht.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 6

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het herfstnummer dat nu in de winkels ligt.

Het geluid van de loftrompet is scenarist Jeff Lemire niet vreemd en ook met zijn nieuwe successerie Black Hammer tettert de comicwereld weer flink in zijn oren. En terecht, want Black Hammer van tekenaar Dean Ormston is een heerlijke serie waarvan intussen 11 comics verschenen, met de eerste zes delen in een trade paper back (Dark Horse, TPB, € 14,95) en een tweede in aantocht.

Black Hammer is een kruising tussen Fables en Starlight, en gaat over een groepje gewezen superhelden uit Spiral City, die op een dag verdwijnen en terecht komen in een kleine boerengemeenschap, in de toekomst, ver van alles en iedereen. Ontsnappen is er niet bij en nog belangrijker: de dorpsbewoners moeten vooral geen lucht krijgen van de geheimen die de zes helden met zich meedragen. En dat valt niet mee. De ene wordt verliefd op de ex van de dorpsagent, de ander is haar constante jonge leeftijd beu en zo heeft ieder van hen iets. Eén en al complexe toestanden, terwijl ze tegelijkertijd proberen zo gewoon mogelijk te zijn.
De helden hebben prachtige gesprekken met elkaar, alleen al daarom werkelijk het lezen waard. Aan het einde van de eerste arch wordt wat meer duidelijk over de naamgever van de serie. Nu al geweldig. Echte krenten.

Onlangs verscheen de vijfde en laatste comic van Rebels – These free and Independent States, het tweede afgeronde verhaal uit de Rebels-reeks. Die reeks bestaat uit verhalen over het ontstaan van Amerika, uit de tijd van de founding fathers, quakers en slavenhouders, en hoewel de verhalen zo echt mogelijk zijn is er hier en daar wel eens wat gesmokkeld met de feiten. Alles voor het verhaal, en dat is weer dik in orde.
In Rebels – These free and Independent States (Dark Horse, 5 comics à € 3,95) volgen we John Abbott, de zoon van vrijheidsstrijder Seth uit een eerdere Rebels-cyclus. John is wat we nu autistisch noemen en leeft voor de scheepvaart. Hij heeft alleen oog voor zaken die drijven, zogezegd, en is niet zo handig in de omgang.

Als hij veertien is monstert hij aan bij een botenbouwer en groeit hij uit tot een vooraanstaand bouwer van handelsschepen. Het probleem met die schepen is dat ze steeds worden aangevallen door Franse en Engelse koopvaardijschepen die de gebieden rond de Bahama’s bevaren. Aan John de taak de Amerikaanse schepen uit te rusten met wapentuig.
Zijn magnum botus, de U.S.S. Constitution, die hij helemaal zelf ontwierp en hielp bouwen, komt in een hevig vuurgevecht terecht en daarbij gebeuren zaken die in de marine-krijgskunst niet toegestaan zijn. John, die aan boord was tijdens de aanval, wordt opgesloten voor muiterij en het niet opvolgen van orders, al wordt dat uiteindelijk in der minne geschikt.

Rebels van Andrea Mutti op scenario van Brian Wood is een erg goede historische comic, die vooral opvalt door het rustige tempo van vertellen. Het geeft het verhaal de gelegenheid accuraat en compleet te zijn, zonder dat het saai en geschiedenisboekerig wordt. Binnenkort in trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fabien Nury & Éric Henninot – Zoon van de zon

Avonturenstrips zijn er in alle soorten en maten. Van Robbedoes, Corto Maltese en Thorgal tot Largo Winch, Roodbaard en Douwe Dabbert, het genre is zo breed dat de kwalificatie van een goede avonturenstrip nauwelijks iets zegt. Het ene avontuur is het andere niet.
Toch is Zoon van de zon een echt goed avonturenverhaal, meer bepaald voor liefhebbers van historische strips over de koopvaardij, piraten en zeeslagen.

David Grief is een trotse koopman die zijn zaakjes prima op orde heeft. Hij heeft overal handelsposten en behoort tot de rijkste lieden van de Stille Zuidzee. Dit zorgt natuurlijk voor kift bij zijn collega’s die er een beduidend minder frisse moraal op nahouden. Eén van hen probeert zelfs onder een betaling van 1200 pond uit te komen, peanuts in die kringen, maar voor Grief een erezaak: hij gaat het geld halen. Het loopt bijna fout af en zo leert de lezer de schimmige wereld van de koopvaarders en nautische outlaws kennen.
Dan is er de figuur van Parlay, de zonderlinge en zelfverklaarde koning van de Indianen, die zich heeft teruggetrokken op een atol. Hij roept alle scheepvaarders bijeen voor een veiling van zijn kostbare collectie parels maar nodigt Grief nadrukkelijk niet uit. Niets voor Grief natuurlijk, die zich met gevaar voor eigen leven toch naar het kasteel van Parlay begeeft.

Scenarist Fabien Nury, van wie eerder de albums van Tyler Cross in het Nederlands verschenen en onlangs de gloednieuwe serie Katanga, heeft Zoon van de zon losjes gebaseerd op de verhalen van Jack London, een romanschrijver met een voorliefde voor heldhaftige avonturenverhalen die leefde in het begin van de vorige eeuw.
Alles is goed in orde in het verhaal. De motieven en beweegredenen van de personages zijn sterk uitgewerkt zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Uiteindelijk is het hebzucht en macht waar het om draait, en dat maakt van Grief bijzonder figuur. Voor hem is er ook nog zoiets als eerlijkheid in het geding.

Het sluitstuk van het verhaal is een bloedstollende en stormachtige scene op het atol dat prachtig in beeld is gebracht. Het tekenwerk van Éric Henninot is gestileerd en stemmig. Zijn schepen, interieurs en landschappen verraden een grondige aanpak: alles ziet er perfect en natuurgetrouw uit, met een fijn oog voor detail. De personages overacteren niet, hun koppen en houdingen zijn nergens karikaturaal en dat maakt het nog echter: de klassieke piraat met een ooglapje, de laaielichter met een groot litteken op zijn voorhoofd, de dommerik met de forse vuisten; we hebben het allemaal al zo vaak gezien. In Zoon van de zon zijn ze wel als personages aanwezig, maar subtieler uitgewerkt, en daardoor gemener, laffer en realistischer.
Zoon van de zon is een spannend verhaal met een ontknoping van jewelste. Het is een strip die geen moeite heeft om de lezer erbij te houden, en dat is een voorwaarde voor een echt goed avontuur. Dit one-shot bewijst dat.

Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – Spinning

Er is de afgelopen maanden verwachtingsvol uitgekeken naar het vierde album van Tillie Walden, een graphic memoir over haar jeugdjaren als kunstschaatser. Walden geldt als talent in de stripwereld, een belofte voor de toekomst. Ze bewees dat met prachtige, poëtische verhalen als The End of Summer en A City Inside. Als zij een 400 pagina’s dik coming of age-verhaal aankondigt, dan zijn de vooruitzichten hooggespannen. Niet in de laatste plaats omdat Walden pas 21 jaar is.

In Spinning beschrijft Walden haar jeugdjaren en dan met name haar laatste drie jaren als kunstschaatser, van haar 16de tot 19de. Ze is net verhuisd naar Texas en heeft problemen met haar leeftijdsgenootjes die niet openstaan voor een nieuwe in de groep. Ook bij de kunstschaatsclub kan ze niet op veel hartelijkheid rekenen. Haar geluk is dat ze erg goed is in kunstrijden. Zo bevecht en verovert ze haar plek, al levert dat Tillie niet de waardering op waarop ze hoopt.

Dat wordt er niet gemakkelijker op als ze besluit uit de kast te komen. Het loopt slecht af als de moeder van Tillies vriendin er lucht van krijgt: zij mogen elkaar niet meer zien of spreken.

Als iemand van 21 vertelt over ervaringen die hooguit vijf jaar oud zijn, dan is er nog weinig afstand. Dat merkt de lezer in de manier waarop Walden de gebeurtenissen beschrijft. Het hartverscheurende bericht van de verbroken relatie wordt meegedeeld en uitgebeeld, maar verder niets. Geen groter geheel, geen duiding, alleen het verdriet zelf. De Tillie in het verhaal ondergaat veel en lijkt dat in eerste instantie niet te raken. Ze praat er met niemand over. De lezer dringt niet door tot in haar hoofd.

In het nawoord vertelt Walden dat ze bij het tekenen geen moeite heeft gedaan alles in een groter geheel te zien of naar antwoorden te zoeken; zo’n tekenaar vindt ze zichzelf niet. Zo’n nawoord van de auteur over bedoelingen en thematiek is een noviteit in graphic novels: in dit geval een handig vehikel voor Walden om haar verhaal en werkwijze te verklaren. En ook om zichzelf in te dekken.

Het knappe van Spinning is dat het in eerste instantie een verhaal over kunstschaatsen lijkt, maar dat het schaatsen gaandeweg steeds meer het decor van de vertelling wordt. De sportbeleving van Tillie laat vooral zien hoe ze zich voelt. Gaat het goed, dan lukken de sprongen; bij tegenslagen in haar privéleven gaat ze onderuit. Het is deze vertaalslag die Spinning interessant houdt. Op de pagina’s die ze als hoofdstukaanduiders gebruikt, legt ze steeds een sprong of oefening uit: dat is voor de leek voldoende informatie over kunstschaatsen.

Het album is uitgegeven in paarsblauw met gele accenten en dat werkt goed. Jammer is dat het tekenwerk soms gehaast oogt: Walden tekent nauwelijks achtergronden of uitgewerkte totalen. Aan de andere kant zijn haar gezichtsuitdrukkingen en houdingen heel trefzeker en levendig. In de vaart van het verhaal zorgt het expressieve karakter van haar tekeningen voor rustmomenten: de enkele lijn die een trotse of gekrenkte houding markeert, de rake frons uit één pennenstreek. Het terloopse en gemakkelijke van Waldens tekenwerk komt mooi naar voren in Spinning, voor een bijzonder verhaal is haar eerdere werk beter.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – De terugkeer

Begin dit jaar was er in het Belgisch Stripcentrum in Brussel een expositie met iconische coverillustraties. De leidende vraag was hoe een goed omslag hoort te zijn. Dat bleek vooral in het aansprekende te zitten, met iets van genre-duiding en het oergevoel dat we het best omschrijven als ‘gewoon mooi’.

De omslagillustratie van De terugkeer heeft alle drie de vinkjes, maar knapper dan dat: in de ene illustratie wordt het hele verhaal verteld, met de titel die als wensdroom in de lucht zweeft.

De terugkeer gaat over de internationaal gevierde kunstenaar Cristóbal die na twintig jaar teruggaat naar zijn geboortegrond Lanzarote, een van de Canarische eilanden. In zijn afwezigheid hebben de projectontwikkelaars de kustlijn overgenomen en worden torenhoge hotels uit de grond gestampt. Voor Cristóbal, die leunt op de landschappelijke herinneringen uit zijn jeugd, is deze confrontatie met de moderne tijd te veel. Hij is vastberaden het eiland te verlossen en bindt de strijd aan tegen het massatoerisme en de bouwmaffia. Zijn wapens? De kunst. Met hulp van een aantal gefortuneerde collega’s wil Cristóbal van het eiland een kunstwerk maken, waarin de natuur en het landschap een belangrijke rol blijft spelen.

Het verhaal begint direct explosief. Er heeft een aanrijding plaatsgevonden en er is een dodelijk slachtoffer te betreuren: Cristóbal, de man van wie sommigen zeggen dat hij groter is dan het eiland. In ieder geval een uitgesproken en vastberaden figuur met vijanden. Het is geen eenzijdig ongeval maar van de andere auto is geen spoor te bekennen. Inspecteur Ramirez wordt op de zaak gezet en aan de hand van zijn speurwerk wordt het verhaal gereconstrueerd.

Uiteraard gaat Ramirez peuren in het verleden van de kunstenaar en stuit daarbij op een norse en afstandelijke vaderfiguur van wie Cristóbal zijn temperament lijkt te hebben geërfd. Het geeft een mogelijke verklaring voor de vastberadenheid waarmee hij zich aan zijn levenswerk wijdt. De vraag voor Ramirez is of de getormenteerde Cristóbal alles nog in het juiste perspectief kon plaatsen. Deed hij zijn onbaatzuchtige werk echt voor de eilandbewoners, of werd hij gedreven door minder nobele motieven?

Het tekenwerk van Bruno Duhamel is stemmig. Hij bezit de vaardigheid om emoties, stilte en conflicten perfect neer te zetten. De enscenering zorgt voor een goed leestempo: Duhamel werkt zijn eigen scenario filmisch uit met sterke beelden en met een heldere afwisseling van vertelkaders en dialoog, die de vaart in het verhaal houden.

Waar De terugkeer in uitblinkt is het inkleurwerk. Het grillige landschap van het vulkanische eiland leent zich voor mooie vergezichten met een laaghangende zon, maar Duhamel gaat verder: ieder tijdvlak heeft een eigen kleurstelling en dat zorgt voor een vloeiende leeservaring.

Dit is niet het eerste album van uitgeverij Saga dat uitstijgt boven de rest. Ze beschikken over een gelukkige hand van kiezen uit het overweldigende Franse aanbod en deze keer is de vertaling ook nog eens perfect en zonder curieuze vlamismen.

Strips & comics

Gelezen: Louis & Marty – Liefde en haat

Met de actuele gebeurtenissen in Charlottesville vers in het geheugen, is Liefde en haat een album met een zekere urgentie: het handelt over een verboden vriendschap van een blanke en een zwarte jongen in het racistische Louisiana in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Het omslag laat een lieflijk tafereel zien van twee spelende jongetjes aan de waterkant, zich niet bewust van de volwassen gevaren van de wereld om hen heen, maar zo onschuldig is het verhaal nergens. Het begint zelfs met de brute afranseling van een zwarte man door een groepje onbehouwen blanken, dat er geen misverstand over laat bestaan wat hun motieven zijn.

Het verhaal van scenarist Stéphane Louis is ingedeeld in hoofdstukken die steeds zijn opgehangen aan locaties en jaartallen. Dat werkt verbazend goed en leest intuïtief. Zo springen we vooruit en terug door de geschiedenis van de blanke Will, zoon van een rijke industrieel en grootmeester van de Ku Klux Klan, en de zwarte Abe, die door zijn moeder wordt ingepeperd dat blanken niet deugen. Daar heeft ze alle redenen toe, want veel van haar familie en vrienden zijn in de loop der jaren vermoord of opgehangen.
Het verhaal gaat daar vreemd mee om: haar haat tegen de blanken wordt even zwaar beoordeeld als andersom, terwijl er geen daden tegenover staan die die gelijkwaardigheid rechtvaardigen.

Binnen deze setting van wederzijdse wrok zijn Will en Abe hartsvrienden van jongs af. Abe helpt de onnozele Will met lezen en later met het leiden van zijn fabriek, en omgekeerd houdt Will Abe uit de wind en geeft hem een huis. Natuurlijk komt aan het licht dat de twee vriendschappelijk met elkaar omgaan en dat heeft de nodige consequenties, die vrij plastisch en onomwonden worden getoond en meegedeeld.
Hetzelfde geldt voor de uitleggerige dialogen die het verhaal voor de lezer uitentreuren verklaren. Alles wordt benoemd, en dat maakt de gesprekken stroperig en onnatuurlijk, met het hoogtepunt op de voorlaatste pagina waar het complete verhaal in drie plaatjes wordt geduid.

Het raciale probleem, de maatschappelijk implicaties ervan en de rol van de latere vrouw van Will, een schaamteloze golddigger met een bedenkelijk gedachtegoed, maken het verhaal rond en geven een helder beeld van de situatie die eigenlijk nog altijd voortwoekert. Liefde en haat biedt geen oplossingen, maar inzichten.

Wat doorheen het verhaal niet went, zijn de curieuze vertalingen van sommige teksten. Zo moet Will zijn geheimpje er toch vooral uitspuwen en vraagt de moeder van Abe haar niet te ontgoochelen. En natuurlijk loopt Will verloren in het bos, om er nog een vlamisme uit te pikken.

Het tekenwerk van Lionel Marty is een vreemde mengeling van karikaturaal en realistisch. Waar handen heel precies en treffend zijn, vertonen de gezichten rare grimassen en perspectivische onvolkomenheden, die worden geaccentueerd door het plastische inkleurwerk. De filmische standpunten en kijkrichtingen zijn weer wel scherp gekozen, en zo slaat de balans door naar de goede kant.
Liefde en haat heeft zijn dingetje, maar als verhaal werkt het.

Strips & comics

Gelezen: Knetterijs 3 – Timothy wants to be on TV

Voor fijnproevers verschijnen er in de marge veel interessante publicaties, die het zonder uitgevers en distributienetwerken rooien. In het Noorden is Knetterijs een rijzende ster.
Het derde deel van het compleet gezeefdrukte magazine uit Groningen is het mooiste en indrukwekkendste nummer tot nu toe. Het is groter dan zijn twee voorgangers en ook op verhalend niveau steekt het derde deel uit boven de eerdere nummers, die in de vergelijking eerder showcases zijn: een kwalificatie die nummer 1 en 2 overigens niet minder interessant maken, al zal de avontuurlijke stripliefhebber die op zoek gaat naar een verbindend verhaal meer van zijn gading vinden in het nieuwste deel dat voor het eerst een titel heeft, Timothy wants to be on TV.

Knetterijs wordt gemaakt door een aantal oud-Minervanen en leden van de Vera Artdivision van het gelijknamige Groningse poppodium, onder wie een aantal dat zijn sporen al heeft verdiend op andere gebieden: LP-hoezen, boekomslagen, vrij werk en natuurlijk concertposters.

Wie door Knetterijs bladert wordt verrast door de veelzijdigheid op artistiek vlak, en met het nieuwe nummer ook op verhaalniveau. De figuur Timothy loopt als een rode draad door het oversized album. Hij is een exponent van de hedendaagse cultuur en stelt alles in het werk om op televisie te komen. De twee minuten roem is hem heilig en Knetterijs is zo ingericht dat je als lezer langs de kanalen zapt om Timothy tegen te komen. Inventief en zeker in het los-vaste verband waarin de Knetterijs-mensen bewegen een gouden greep. Zo kan iedere auteur een spread – als zenderkanaal – voor zijn of haar rekening nemen.

Het omslaan van de pagina’s voelt letterlijk als zappen: de verrassing van steeds een compleet andere aanpak maakt deze Knetterijs tot een veel slimmere leeservaring dan die van de eerste twee delen, die toevalliger en minder pakkend waren.

De bijdragen zijn divers: de triviale kwinkslag van Jaime Jacob en de poëtische advertorial van Tsjisse Talsma zijn fascinerende uitersten. Andere hoogtepunten zijn de magnifieke kijkplaat van Megan de Vos en de streaker interruptie van Jan Hamstra. Maar mooier dan de individuele bijdragen is de som der delen: Knetterijs heeft zijn vorm en schwung gevonden als geheel.

Het gaat er daarbij niet om van voor naar achter een verhaal te vertellen, maar om de lezer door de pagina’s mee te nemen met een kleine houvast: Het ene kleine stukje tekst op de eerste pagina, dat vertelt van Timothy en zijn beweegredenen, tilt de leeservaring in één keer op een hoger plan. Geen groot gebaar, maar precies gedoseerd.

Over een dosis gesproken: Knetterijs verschijnt in een genummerde oplage van 110 en is bedoeld voor iedereen die een beetje moeite doet om aan een exemplaar te komen. De beloning zal enorm zijn.

Strips & comics

Gelezen: Shigeru Mizuki – Kitaro

Een jaar geleden begon de Canadese kwaliteitsuitgeverij Drawn & Quarterly met het uitgeven van de complete reeks stripverhalen rond de Japanse eenogige yokai-jongen Kitaro, getekend en geschreven door Shigeru Mizuki.
Sindsdien zijn er drie van zeven delen in pocketformaat verschenen en staat de vierde gepland voor oktober. Goed nieuws want hoewel Mizuki tot de grote mangaka worden gerekend vanwege zijn omvangrijke en historisch accurate series als Showa, Hitler en albums als Onwards to our noble deaths, zijn het in Japan vooral zijn Kitaro-strips die hem faam hebben gebracht. Het Japanse stadje Sakaiminato is een toeristische attractie van formaat vanwege de tientallen yokai uit de verhalen van Kitaro die er te zien zijn.

De verhalen van Kitaro gaan over yokai, de bovennatuurlijke wezens uit de Japanse mythologie en folklore, en hebben vaak een sterk moraliserend karakter. Kitaro is een jongetje met één oog dat is geboren uit twee geesten en door zijn vader, een losse oogbal, is grootgebracht onder de gewone mensen. Daardoor fungeert Kitaro vaak als een soort intermediair tussen deze en gene zijde.

Het eerste deel van de uitgave van D&Q heet The birth of Kitaro en daarin lezen we hoe de geschiedenis van Kitaro begon. Het prilste verhaal van Kitaro verschenen in 1960 en heette toen nog Hakaba no Kitaro (Kitaro from the Graveyard). Logisch, want daar wonen de geesten, maar Mizuki werd toch nadrukkelijk verzocht om die verwijzing aan te passen, omdat het te eng zou zijn. Sindsdien heet de serie GeGeGe no Kitaro, waarbij het eerste deel van de titel slaat op het spookachtige geluid dat een lachende geest maakt.

Sinds het eerste verhaal heeft Japan Kitaro in de armen gesloten. Er verschenen meer dan honderd strips, (teken)films, verschillende televisieseries en zelfs een musical. Kitaro is met zijn voortdurende strijd tussen gewone mensen en bovennatuurlijke wezens zo invloedrijk in de Japanse populaire cultuur, dat algemeen wordt aangenomen dat het als blauwdruk diende voor series als Pokémon en Naruto.

In latere verhalen, met name in deel 2 en 3 van de serie, gaat Kitaro de strijd aan met kwalijke yokai, die het de mensen moeilijk maken, zoals opperyokai Nurarihyon. In latere delen zal zijn grote tegenstrever Rat Man opduiken, een figuur die net als Kitaro ook een menselijke kant heeft.

Het mooie van de verhalen van Kitaro is de rol van de gewone stervelingen: zij willen graag goed zijn voor de yokai, omdat zij geloven dat die in verbinding staan met hun voorvaderen. Ze worden voortdurend op de proef gesteld en gaan bij Kitaro te rade.
Hoewel het lief en fantasierijk klinkt, heeft Mizuki heel nauwgezet werk verricht. Hij baseerde alle yokai op de Hyakki Yagyo, een eeuwenoude vertelling waarin honderd verschillende yokai hun opwachting maken, vertaald als de Night Parade of One Hundred Demons.

De wereld van de Japanse folklore is boeiend en toegankelijk voor wie het interesseert. De verhalen van Kitaro zijn een mooie opmaat naar de ontdekking van een heel nieuw universum. Wie Japan wil leren kennen kan niet om de yokai heen. Voor hen is Kitaro verplichte kost, net als voor liefhebbers van films als Spirited Away en Totoro.

Strips & comics

Gelezen: Plessix & Le Gall – Waar de mieren heen gaan

De Noord-Afrikaanse clichés zijn niet van de lucht in het sfeerrijke oneshot Waar de mieren heen gaan van Michel Plessix, op scenario van Frank Le Gall die we kennen als tekenaar van Theodoor Cleijsters.

Het verhaal over Saïd, een jongetje gehuld in traditionele dashiki en op sandalen, is warm van de woestijnlucht en zoet als dadels. De maghrebijnse thematiek is duimendik op het rustige verhaaltje gelegd. Daar is niets mis mee, al maskeert het vooral dat de vertelling niet groots en meeslepend is. Het is bewust klein gehouden.

Dat het een fijne en zomerse leeservaring is, komt door het sprookjesachtige en poëtische karakter van Waar de mieren heen gaan: al op de eerste pagina wordt melding gemaakt van een vergeten dorpje in de woestijn waar Saïd woonde, een jongetje dat liever achter de mieren aanliep dan naar school ging.
Een mooi vertrekpunt.

Op een dag wordt Saïd door een oude man meegenomen naar de woestijnvlakte waar hij de hoede krijgt over een kudde schapen. Degene die hem dat vraagt, blijkt zijn opa te zijn. Van de ene op de andere dag zit Saïd onder de blote sterrenhemel met een schapenkudde en heeft hij gesprekken met Zakia, de oudste geit uit de horde die kan spreken.

De gesprekken zijn doorspekt met levenswijsheden en zo wordt Saïd steeds pienterder. Er vinden allerlei gebeurtenissen plaats met types van bedenkelijk allooi en gaandeweg het verhaal, door schade en schande wijzer geworden, besluit hij werkelijk de mieren achterna te gaan.
Uiteraard volgt een ontluistering, maar tegelijk is de onderneming er een die Saïd zoveel nieuwe inzichten verschaft dat hij vanaf dan alles aankan. Behalve zijn zoektocht naar geluk die nog een beetje in de lucht blijft hangen.

Het verhaal is zoet en hier en daar kort door de bocht, maar de sfeer houdt het verhaal moeiteloos overeind. Het tekenwerk en de inkleuring zijn dienstbaar aan de vertelling, de figuurtjes lief en de tranen zijn in het slotstuk nooit ver weg, al valt er genoeg te lachen. Vooral de scene met de magische lamp in de woestijn is hilarisch: eenmaal opgepoetst gebeurt er niets, behalve dat de lamp zijn dank uitspreekt voor de poetsbeurt.
Alleen het vertaalwerk kent zijn zwaktes, met onnodige vlamismen en stroeve dialogen. Daar heeft Casterman vaker geen gelukkige hand in.

Waar de mieren heen gaan is een aanrader voor met name kinderen van 12 tot 15 jaar. Het verhaal is goed te volgen en vanwege de optiek van Saïd goed invoelbaar voor de jongere stripliefhebber. Volwassenen beleven er vervolgens een genoeglijk uurtje aan. We hoeven immers niet dagelijks de hemel te bestormen.

 

Strips & comics

Gelezen: Christophe Chabouté – The park bench

Deze zomer verscheen The park bench van de Franse striptekeneaar Christophe Chabouté, van wie er dit jaar ook al de grootse stripbewerking van Moby Dick in het Engels verscheen.
Het rare van de vertaling van The park bench is dat het geen letter verschilt van de oorspronkelijke Franse versie uit 2012, Un peu de bous et d’acier: het album is namelijk tekstloos.

Het gegeven is snel verteld, maar biedt ontzettend veel verhaallijnen. Er staat een bankje in een park en wij kijken ernaar. Mensen lopen langs, rusten even uit, praten met elkaar en ’s avonds is het de slaapplaats van een zwerver, die in de ochtend steeds wordt weggestuurd door een ijverige diender.

Sommige voorbijgangers zien we maar één keer, anderen zoals een lieflijk ouder echtpaar komen vaker. De mensen, de seizoenen, de verhalen, alles verandert steeds om het bankje heen, waardoor het gaandeweg een baken voor de lezer wordt. Door het bankje herkennen we wandelaars, mijmeraars en verliefde stelletjes.

Het zwart-witte tekenwerk van Chabouté is bijzonder stemmig en treffend. Hij weet mensen – zonder geluid en dialoog – heel karakteristiek weer te geven.
De excentrieke jongen die de oudere man verbaast met zijn bijzondere gitaarspel is hilarisch, net als de man die een halve joint bij de bank vindt en er nieuwsgierig een paar trekjes van neemt, niets voelt en een paar pagina’s later langsloopt met zijn krant balancerend op zijn hoofd.

Het mooie van het ‘leeswerk’ is dat het je overvalt met een zekere rust. Je neemt als lezer het tempo van het park over, van de mensen die er even uitpuffen van de dag. Dat is de uitdaging van tekstloze strips: het is funest als je wel ongeveer weet wat er aan de hand is, waardoor je er in fast forward doorheen gaat. The park bench slaagt erin om dat te voorkomen: het vertraagt je.

Franse albums, ook als er geen letter in wordt gesproken, zijn vrijwel niet te krijgen in Nederlandse (strip)boekhandels. Omdat het album nu een Engelstalige titel heeft, is het ook voor ons beschikbaar en is het al op een aantal plaatsen gesignaleerd. Dat is mooi, al staat het natuurlijk altijd erg chique, zo’n Franse titel in je kast. Alors!

Strips & comics

Gelezen: Lafebre & Zidrou – Mooie zomers 3: Mam’zelle Esterel

Zon of niet, van de stripserie Mooie zomers fleur je onmiddellijk op. De serie, waarvan onlangs het derde deel verscheen, gaat over de vakantieperikelen van de familie Fauldérault. Vader Pierre is striptekenaar van beroep en dat betekent dat zijn gezin pas op vakantie kan als de deadlines zijn gehaald. Zo ook in deel 3 dat ons naar Saint Etienne brengt, een stad van niks, maar volgens de Michelin-gids van oma Yvette een plaats met allure.

Deze keer gaan naast de vierkoppige familie van vader Pierre ook zijn schoonvader en -moeder mee. Wrijving? Welnee, het is maar net hoe je er tegenaan kijkt. Pierre, de eeuwige positieveling, is niet te breken. Ook niet als hij echt sentimenteel wordt door de verkoop van zijn Renault 4 Esterel, waaraan hij bijzonder gehecht is vanwege alle mooie herinneringen. Zoals alle vakanties die ze ‘samen’ hebben meegemaakt.

De verhalen tot nu toe bouwen zich steeds rond een vast stramien op: de horde gaat in de auto en Pierre ziet wel waar het schip strandt. Natuurlijk zijn er altijd onvoorzienigheden, zoals de dwingelanderige oma of een file, maar verder zijn het vakanties zoals we die zelf ook hebben gehad of nog steeds beleven. Toestanden worden gladgestreken en ruzietjes op een vrolijke manier bijgelegd, maar toch zit er in ieder album van Mooie zomers iets onder de oppervlakte. Deze keer is het oma die het te zwaar krijgt en nota bene de kleine Julie in vertrouwen neemt.

Jordi Lafebre tekent (en laat ik het maar op z’n allereerlijkst zeggen) echt poepieschattig. Kleine Julie en de baby zijn zo aaibaar en knuffelig getekend en de hele sfeer van de albums is zo vriendelijk en hartveroverend, dat je zou willen dat de Fauldéraults je buren waren.
Dat zegt overigens niets over het verhaal zelf, want dat is eerlijker en menselijker dan zomaar een licht vakantielectuurtje. Het knappe aan Mam’zelle Esterel is dat de sympathie van de lezer uiteindelijk bij alle leden van de familie terecht komt, dus ook bij de personages die niet direct vooraan staan als het om affectie gaat.

Lafebre en Zidrou zijn een gouden koppel en als zodanig verantwoordelijk voor de moderne klassieker Lydie, het schitterende verhaal over een mongloïde meisje dat in haar fantasie een baby’tje krijgt en de dorpsbewoners meekrijgt in het lieve bedenksel.
Uitgeverij Dargaud heeft voor de zomer een mooie aanbieding: tegelijk met het derde deel verscheen er een voordeelpakket met de eerste twee delen van Mooie zomers. Zo kun je voor een klein bedrag kennismaken met de familie Fauldérault, en kun je de winst meteen investeren in een exemplaar van Lydie. Daarmee red je de zomer op de valreep, zon of niet.