Strips & comics

Gelezen: David Etien, Olivier Legrand & J.B. Djian – De Vier van Baker Street

Sommige stripreeksen hebben even tijd nog om echt op stoom te komen. Vooral als de opeenvolgende albums losjes in elkaar haken. De Vier van Baker Street is zo’n serie die aanvankelijk positief maar niet in grote woorden werd besproken. De eerste twee delen van de reeks waren onderhoudend en vooral stemmig getekend, maar zinderend was het allemaal nog niet. Nóg, met nadruk, want intussen is deel 4 verschenen en staat deel 5 al op stapel. En om maar eens met die laatste te beginnen: het vijfde album, De Moriarty-erfenis, is een geweldig verhaal dat in één klap van de hele reeks een topper maakt.

Terug naar het begin. De Vier van Baker Street zijn Billy, Black Tom, Charlie en Watson. Ter verduidelijking heet Charlie eigenlijk Charlotte en is Watson haar rode kater. Geestig, Enid Blyton deed met De Vijf iets soortgelijks, met George die Georgina heette en als enige van de groep ook een huisdier had, de hond Timmy.

De Vier van tekenaar David Etien en het scenaristenduo J.B. Djian en Olivier Legrand zijn echte straatschoffies uit het Londen van de laatste jaren van de 19de eeuw. Alleen: ze zijn niet wie ze lijken. Hun baas is niemand minder dan Sherlock Holmes, de meesterspeurder uit de verhalen van Arthur Conan Doyle. Voor hem knappen ze klusjes op en wagen ze zich met gevaar voor eigen leven tussen de penoze maar evengoed tussen de malafide witte boorden van Londen.

Ieder album vertelt een verhaal dat op zich staat, al gaat de tijd wel min of meer door. Zo begint deel 4 met een terloopse verwijzing naar de avonturen uit deel 3 en eindigt het verhaal met een tronie die we zeker nog terug zullen zien; meteen in deel 5 namelijk. Langzaamaan wordt er een onderliggende verhaallijn zichtbaar, die de serie nog sterker maakt. De Vier van Baker Street is een geheide binge-lezer, en gezien het tempo waarmee de vertalingen verschijnen zal de hele serie in 2019 compleet zijn.

In deel 4, De wezen van Londen, gaan de vier vanwege een voorval uit elkaar en pakken ze hun eigen leventjes op. Dat gaat uiteraard mis en via een reeks toevalligheden komen ze elkaar op het goede moment weer tegen: als ze een gezamenlijke tegenstander uitschakelen. De wezen van Londen is niet zo sterk als het deel dat erop volgt, maar lijkt vooral een verbindingsdeel van het geheel te zijn. In ieder geval biedt het einde een cliffhanger van jewelste.

In Frankrijk is de zevendelige reeks inmiddels afgerond, en met lof overladen. Terecht, de verhalen zitten ijzersterk in elkaar en de personages verhouden zich slim tot elkaar. Het zijn gasten van de straat, dus opgewonden standjes die het altijd beter weten. Dat zien we met name bij het Ierse joch Black Tom, die zo wordt genoemd vanwege zijn zwarte haar tussen de rossige Ieren. Hij is een ongeleid projectiel dat nog wel eens voor eigen rechter wil spelen en daarmee de groep in gevaar brengt.
Zo is hij in deel 5 degene die het plan van zijn baas bijna om zeep helpt. Billy is de slimmerik, omdat hij wel eens een krant leest, en Charlie probeert de boel bij elkaar te houden.

De persoon van Sherlock Holmes is een wat vreemde: hij betrekt de kinderen niet alleen in zijn speurwerk met hand- en spandiensten, maar maakt ze ook deelgenoot van al zijn ideeën. Dat is wat curieus, maar begrijpelijk om het verhaal op gang te houden.

Het is iets van de laatste tijd dat op de colofonpagina’s van veel stripalbums de makers alle gelegenheid krijgen (en vooral nemen) om familie, kennissen en collega’s te bedanken, tot en met een shout out voor het oplossen van computerproblemen aan toe. Meestal is het obligaat (Ik dank de uitgever die in me gelooft) en stompzinnig (Ik dank mijn vrouw en kinderen voor de tijd die ze me gunden om aan dit verhaal te werken). In het geval van De Vier van Baker Street ontdekken we wie een belangrijke invloed had op tekenaar Etien: het is ‘vriend en peetvader van de schoffies’ Régis Loisel, auteur van moderne klassiekers als Op zoek naar de tijdvogel, Peter Pan en Magasin General. Het gekke is: dat zie je terug. Geen idee wat de geciteerde ‘hulp, aandacht en het oordeelkundige advies’ exact inhield, maar het heeft De Vier van Baker Street in elk geval een zetje gegeven in de richting van de top in zijn genre. En daar is het intussen aanbeland. Wie nu alsnog aanhaakt neemt een goede beslissing.

De Vier van Baker Street – David Etien, Olivier Legrand & J.B. Djian. Daedalus. 56 pagina’s per deel. € 17,95 voor de hardcover, € 7,95 voor de softcover.
Deel 4: De wezen van Londen, deel 5: De Moriarty-erfenis.

Strips & comics

Gelezen: Tom Ward & Luke Parker – Merrick: The Sensational Elephantman

Het verhaal van de echte Elephantman is genoegzaam bekend. De Engelsman Joseph Carey Merrick (1862–1890) was en is nog altijd een fenomeen vanwege zijn afwijkende lichamelijke voorkomen, waardoor hij -voor het gemak- werd vergeleken met een olifant. Hij leed aan het proteus-syndroom en had vermoedelijk nog een aantal aandoeningen onder de leden. Iedereen kent de foto’s van zijn mismaakte lijf en vooral hoofd.

In Merrick: The Sensational Elephantman van schrijver Tom Ward en tekenaar Luke Parker herkauwen beide heren nu eens niet het levensverhaal van Merrick, maar combineren ze dat met het Frankenstein-thema. Getekend in Victoriaanse stijl en in een kleurstelling die niet ver afstaat van die van Mike Mignola’s Hellboy vertelt het duo de geschiedenis van de arme Joseph Merrick die na een avontuur als freakshow-artiest berooid terugkeert naar zijn schepper, Dr. Frederick Treves.

Die blijkt een klassieke wetenschapper met dubbele moraal: hij wil Joseph helpen, maar ziet tegelijkertijd ook kansen om van hem een soort superheld te maken die met zijn bovenmenselijke krachten de strijd aan kan gaan tegen het onrecht in de wereld. In een surrealistische wereld vol chaos en gajes zien we precies dát gebeuren.

Ward heeft een mysterieus verhaal geschreven dat veel scherper is dan het lijkt. Hardvochtige ellende wordt afgewisseld met poëtische vergezichten, gerust binnen de pagina. En het mooie: de gevoelens zijn echt, de vragen eerlijk en de gedachten menselijk. Kom daar maar eens om bij al die platgetreden superheldencomics. Vooral Merrick wordt neergezet als een meelijwekkende figuur, juist niet vanwege zijn uiterlijk maar omdat hij zo hunkert naar kleinmenselijke zaken als liefde en genegenheid. Al deze verhaallijnen maken van Merrick: The Sensational Elephantman een prachtige Lovecraftiaanse vertelling met diepgang en sentiment.

Nog een mooi gegeven: de comics en de trade paperbacks (TPB, vaak een verzameling van losse comics met een afgeronde verhaallijn) zijn tot nu toe allemaal tot stand gekomen via crowdfunding. Feitelijk nemen de fans van Ward en Parker een abonnement op de losse boekdelen. Steeds als er een nieuw deel wordt aangekondigd, haken zij aan.

Intussen zijn er zeven nummers verschenen, waarvan de eerste vier werden verzameld in een TPB. Het achtste deel is op komst, evenals de tweede bundeling.

Tom Ward & Luke Parker – Merrick: The Sensational Elephantman, Vol 1. Merrickcomic. 128 pagina’s. GBP 9,99.

Strips & comics

Gelezen: Jérôme Hamon & Antoine Carrion – Nils 1: De Elementalen

Wie het eerste deel van het drieluik Nils inziet, beseft meteen dat het verhaal niet op een enkel genre is vast te pinnen: het heeft onmiskenbare trekken van mythologische fantasy, de gestileerde figuren – met name de gezichten – zijn geïnspireerd op die van Japanse seinen anime, zoals de films van Miyazaki, en er zitten groteske elementen van sciencefiction in: midden in het oerbos treffen Nils en zijn vader gigantische stalen bollen aan. Het kan dan nog alle kanten op.
Het verhaal begint als een ecologisch sprookje: er groeit niets eetbaars meer op de uitgeputte grond en de vader van Nils wil op onderzoek uit. Zullen de zaden ooit nog op vruchtbare grond kiemen? Samen gaan ze op pad, op zoek naar antwoorden.

In De Elementalen, zoals het eerste deel heet, maken we niet alleen kennis met Nils en de stam waar hij deel van uitmaakt. Als de jongen en zijn vader per gnoe – laat het een oerbuffel zijn – naar de wouden gaan om daar naar groene plantjes te zoeken, ontmoeten ze een aantal bijzondere figuren. Eenmaal diep genoeg in het bos treffen ze er natuurgeesten aan die aan de basis staan van alles wat groeit en bloeit. Deze geesten hebben de vorm van blauwe lichtjes die zich voordoen als mooie figuraties; het zijn de Elementalen, die worden beschermd door mysterieuze vrouwen die zich ook in de buurt ophouden.

Door hen komen de twee achter de reden dat er steeds minder geoogst wordt en er minder groeit dan voorheen: een of ander potentaat heeft het op de Elementalen voorzien en weet de lichtjes met geavanceerde apparatuur te vangen, om ze daarna voor eigen gewin te kunnen inzetten. Dat is dus feitelijk het antwoord waarnaar de vader van Nils op zoek is. Maar dan? Want hoe pak je, met je gnoe en je speren, een futuristische grootmacht aan? Sterker nog, met wie hebben we eigenlijk te maken?

Er wordt een aantal interessante voorwaarden neergezet voor een spannend verhaal. Alleen: in tijden van Netflix en instant bevrediging is het nogal wat. Zo’n heerlijk verhaal dat voor een-derde is afgeleverd en waarop het nu wachten is, dat is bijna niet meer van nu. En hoe lang gaat het allemaal duren? Wie zich dat afvraagt, maakt de beproeving alleen maar groter.

Eind november verscheen het derde en afsluitende deel in het Frans, waarmee de trilogie daar voltooid is. Je zou zeggen dat we niet per se tot de zomer van 2019 hoeven te wachten. We kruisen de vingers. Want dat moet beslist gezegd worden: het tekenwerk is hoogstaand en ook de inkleuringen zijn prachtig. De sfeer van het verhaal is veelbelovend. Maar het blijft altijd ingewikkeld met deze gevallen: wie het eerste deel van harte aanbeveelt, weet eigenlijk niet waarmee hij de lezer opzadelt. Want wat als het volgende album een traag gedrocht blijkt en er in het slotdeel ineens allerlei onwaarschijnlijke uitwegen bij worden gehaald om het alsnog kloppend te krijgen?

Voorlopig en op basis van dit eerste deel zal het zo’n vaart niet lopen, maar toch een slag om de arm. Avonturiers pakken het nu op, voor de voorzichtigen komt er zeker nog een verslag van wat er nog komen gaat. En zo is De Elementalen zelfs bijzonder modern en van nu: er is een ecologisch drama op komst, maar we moeten vooral nog even geduld hebben voordat we weten wat er aan gedaan kan worden.

Jérôme Hamon & Antoine Carrion – Nils 1: De Elementalen. Silvester Strips. 56 pagina’s, hardcover. € 16,95.

Strips & comics

Gelezen: Mawil – Kinderland, Een jeugd in de schaduw van de muur

De omslagillustratie en de ondertitel van Kinderland laten er geen misverstand over bestaan: deze grafische novelle gaat over opgroeien in de voormalige DDR, en speelt dus in ieder geval voor de val van de muur in 1989. Sterker, het verhaal speelt exact in dat jaar en zodra de lezer dat weet, zet het alle verhaallijnen, uitspraken en scenes in een ander daglicht. Wij weten het al: weldra zullen de Ossies, onder wie de elfjarige Mirco Watzke en hoofdpersoon van deze geschiedenis, de muur afbreken en de grenzen slechten. Kinderland geeft dus feitelijk een verslag van de laatste dagen van de Duitse Democratische Republiek.

Maar wie denkt dat het over het verval en de oproer gaat, heeft het mis. Kinderland is de geschiedenis van een voorbeeldig brildragend mannetje, dat gewoon naar school gaat en niets liever wil dan erbij te horen. Hij wil stoer zijn, eigenlijk gewoon zijn als alle andere jongens. Maar vooral wil hij de beste worden in tafeltennis, het spel dat iedere dag op het schoolplein wordt gespeeld. Niet als een spelletje tussen twee pingpongers, maar met een groep cirkelend rond de tafel. Dat is de dagelijke realiteit van Kinderland, tenminste van het kinderland van Mirco.

Toch ziet de lezer meer gebeuren; zaken die niet voor Mirco bedoeld zijn, zoals de gesprekken van zijn ouders met hun vrienden. Er ‘verdwijnen’ wel eens mensen, onder wie een meisje in de klas van Mirco. Zij is met haar ouders gevlucht naar de Bondsrepubliek, of zoals de juf het in de klas duidelijk maakt: zij en haar ouders zijn bezweken onder de goedkope verlokkingen van het Westen. “Het ontbrak hen hier aan niets en toch gingen ze weg. We hoeven geen traan om ze te laten.”

Het zijn dat soort scenes die de situatie eventjes op scherp zetten. Later zien we Mirco nog bij de Freie Deutsche Jugend marcheren, maar dat is eerder aandoenlijk dan opgelegd geëngageerd. Mirco heeft het er ook niet bepaald moeilijk mee: voor hem is de realiteit die van het tafeltennistoernooi dat eraan zit te komen en waar hij zich voor inzet.

In zijn lievige, aandoenlijke stijl tekent Mawil een jongetjesleven dat eigenlijk nog te jong is om de impact van de nakende gebeurtenissen op waarde te schatten. Hij heeft zelfs werkelijk geen idee. Dat gegeven maakt het verhaal toch iets minder gelaagd dan je zou vermoeden: oké, we staan aan de vooravond van de Wende, maar Mirco en zijn vriendjes hebben heel andere sores aan hun hoofd. Had het verhaal vijf jaar eerder kunnen spelen? Ja, al hadden we dan wel de laatste dertig leuke pagina’s gemist: vanaf het moment dat er op de radio wordt gemeld dat er toestanden aan de grens zijn, gaat de boel op hol.

Is het een gemiste kans dat de aanloop naar val van de muur niet meer in het verhaal is verwerkt? Een beetje wel, het zou mooi zijn geweest als de ouders al wat meer hadden geweten, dat er al iets had gegonsd. Het hele idee van het leven aan de andere kant is al wel vaker beschreven en vertoond, bijvoorbeeld in de hilarische film Goodbye Lenin. Mawil had als ervaringsdeskundige kunnen vertellen hoe het toen en daar was. Aan de andere kant: misschien heeft hij dat ook wel exact gedaan en was het voor een jongetje van elf precies dat wat we in Kinderland kunnen lezen. In dat opzicht is het een frappante ontdekking dat Mawil alle figuren wat gedrongen en klein tekent, vergelijkbaar met het perspectief van een vroegtiener.

Wellicht is Mawil (pseudoniem van Markus Witzel) heel dicht bij de gebeurtenissen en herinneringen uit zijn eigen leven gebleven: niet toevallig hebben zowel auteur als Mirco dezelfde initialen. Kinderland is daarmee geen kroniek van de laatste dagen van de DDR, maar een prille Bildungsroman. Hoewel Mirco en zijn beste vriend best nog even jong mogen zijn, sluit het verhaal af met de verzuchting dat de flauwekul nu eens voorbij moet zijn: jullie zijn toch geen kinderen meer?

Kinderland is het eerste album van Mawil dat in het Nederlands verschijnt. Hoog tijd om snel zijn Wir können ja Freunde bleiben en vooral Die Band te vertalen. Die laatste titel is een geweldig verhaal over een groep jongens die tegen beter weten in hun heil zoeken in de popmuziek, zoals zoveel. Net zo overtuigend en leuk als Kinderland.

Mawil – Kinderland, Een jeugd in de schaduw van de muur. Soul Food Comics. 296 pagina’s hardcover. € 27,50.

Strips & comics

De beste strips van 2018

Overdadig, zo kunnen we het stripjaar 2018 het beste omschrijven. Met alleen al meer dan 1400 nieuwe Nederlandstalige titels was het voor de liefhebber een ondoenlijke zaak om alles bij te houden. Voor de internationaal georiënteerde striplezer kwam er nog eens een stortvloed aan sterke graphic novels, comics en manga bij. Kiezen is het toverwoord, net als voor de beide lijstjes: die van de Nederlandstalige en Engelstalige top 10 van 2018.

Over het algemeen mogen we met enige blijdschap constateren dat de shitload aan zwakke hommage- en jubileumalbums lijkt opgedroogd en dat uitgevers veel werk maken van integrale uitgaven van klassieke reeksen. Maar vooral: het was een jaar vol verrassingen, al kwamen die voornamelijk uit het buitenland. In het Nederlandse taalgebied verscheen meer van hetzelfde. Dat is geen diskwalificatie, maar wel een reden voor uitgevers om voor de toekomst eens op zoek te gaan naar strips en graphic novels die iets nieuws, iets bijzonders vertellen. Het is allemaal nogal traditioneel wat we voorgeschoteld krijgen. En daarbij: waar zijn de nieuwe sterren aan het firmament? Is er geen jonge garde die aan de poorten klopt? Hebben de twintigers geen verhalen te vertellen?

Het blijft moeilijk om stripseries te vergelijken met graphic novels en losse albums. Als ik met een stapel strips thuiskom, lees ik de series als eerste en met genoegen, maar de graphic novels blijven je uiteindelijk het langst bij. Dat zie je terug in de top 10, al wil dat niet zeggen dat er geen sterke stripreeksen zijn:

Van de nieuwe series viel een aantal titels op. Tango (Lombard) van tekenaar Philippe Xavier en scenarist Matz is heel sterk begonnen met twee albums; dat zou maar zo een geheide jaarlijkse lijstjesstrip kunnen worden, net als Lonesome van Swolfs (Lombard) waarvan dit jaar het overtuigende openingsdeel verscheen.
Een andere verrassing was de fantasystrip Broceliande (Daedalus) waarvan met name het eerste deel een schot in de roos was: leuk voor jong en oud, en vooral de moeite waard voor lezers die niet direct in de rij staan om elfjes en gnoompjes door een woud te zien dwarrelen.
Over fijne avonturenstrips gesproken: 2018 bracht er genoeg, zoals de afsluitende delen van Mermaid Project (Dargaud) en Cognac (Silvester), samen met sterke vervolgdelen van De Vier van Baker Street (Daedalus), Kinderen in het verzet (Lombard) en de hilarische Disney-verstrippingen van Keramidas en Petrossi (Glénat).
Ook de oudjes doen het nog best, met behulp van wat botox en glansmiddel: de nieuwe Rode Ridder van tekenaar Fabio Bono en scenarist Marc Legendre (Standaard) en de Classic-reeks van Buck Danny (Dupuis) zijn dik prima.

Het jaar 2018 zou toch dunnetjes zijn geweest zonder integrales: de mooiste dossiers waren voor Brammetje Bram (Arboris), Jan Kordaat (Scratch Books) en bij Blueberry’s Gebroken neus/De wereld van Gir (Sherpa). Vooral die laatste titel is een geschenk, een sieraad en een verplichte aanschaf voor iedere serieuze liefhebber. Ook de integrales van De oorlog van de Lulu’s (Casterman) en sf-klasbak Luc Oriënt (Sherpa) zijn de aanschaf waard. De integrale klassieke Robbedoes van Rob-Vel (Duipuis) is voor de gelukkige fijnproever die een prachtige pil van 300 heerlijke pagina’s mag verstouwen.

Dan de Nederlandstalige top 10 van 2018, die weer heel anders is dan die van 2014, 2015 en 2016 en 2017 (logisch natuurlijk, maar ergens moeten de linkjes naar eerdere jaarlijstjes vermeld worden). Keuzes, keuzes, en daarom helaas zonder de puike westernalbums Texas Jack (Lombard) en de schitterende heruitgave van Comanche’s Red Dust (Sherpa) op groot formaat. Dat gezegd hebbende:

De Nederlandstalige top 10 van 2018

1 Gung Ho – Von Kummant & Von Eckartsberg (Silvester)
2 Eldorado – Tobias Schalken (Oogachtend)
3 Totem – Nicolas Wouters & Mikael Ross (Soul Food Comics)
4 Een vreemd maar teder geraas – Zep (Daedalus)
5 Satania – Kerascoët & Vehlmann (HUM!)
6 Een leven met Alexandra David-Néel – Fred Campoy & Mathieu Blanchot (Daedalus)
7 Gouden Eeuw – Cyril Pedrosa (Dupuis)
8 Iris – Thé Tjong-Khing & Lo Hartog van Banda (Sherpa)
9 Giant – Mikael (Dargaud)
10 Yurei, Dwaallichten – Johan Neefjes (Hanabi)

De nummer 1 is klip en klaar. Gung Ho is een blauwdruk van de perfecte actiestrip in het Netflix-tijdperk. Het verhaal zit vet goed in elkaar, de sfeer en het tempo zijn spot on. Met het derde deel dat dit jaar verscheen zijn we officieel over de helft.

Van een heel andere orde is Totem, een vervreemdend en lucide verhaal dat zijn kracht bewijst in de weken nadat je het gelezen hebt: het blijft je nog lang bij. Hetzelfde geldt voor Giant en Een leven met Alexandra David-Néel.

Van alle oorspronkelijke Nederlandse albums is Eldorado van Tobias Schalken het indrukwekkendst: het is een reeks korte verhalen met een verbindende onderlaag die de lezer richting geeft in zijn eigen ontdekkingstocht. Een uitgebreid interview dat ik met Schalken had over Eldorado, verscheen onlangs in het vierde nummer van Stripgids.

Buiten Nederland viel er veel te genieten. De eerste zes titels van dit jaar horen zelfs in de top 10 van de afgelopen drie jaar. Tel daar de intussen complete verhalen van de nummers 7 en 8 op en je hebt zomaar een stapel graphic novels en comics die je met een gerust hart kunt aanschaffen. De variatie is enorm, en dat zie je terug in de lijst: een grafische lbht-roman, een vader-zoon-biografie, een pictografisch vakantieverslag, een beklemmend relaas over de (online) nasleep van een moord, een boeoend inkijkje in het leven van een Amerikaanse separatistenfamilie en de slijtageslag van een millennial op de arbeidsmarkt.

Was er niets te interessants te melden op manga-gebied? Zeker wel, een serie als To your eternity van Yoshitoki Oima is beslist veelbelovend maar nog onderweg en Voices of a distant star van Makoto Shinkai en Mizu Sahara viel net buiten de favorietenparade.

De Engelstalige top 10 van 2018

1 Luisa Now and Then – Carole Maurel & Mariko Tamaki (Humanoids)
2 All the answers – Michael Kupperman (Gallery 13)
3 Kingdom – Jon McNaught (Nobrow)
4 Sabrina – Nick Drnaso (Granta)
5 Young Frances – Hartley Lin (Adhouse Books)
6 All my heroes are junkies – Sean Phillips & Ed Brubaker (Image)
7 Wilds End 3 – Abnett & Culbard (Boom)
8 (Het slot van) Harrow County – Cullen Bunn & Tyler Crook (Dark Horse)
9 Briggs Land Volume 2: Lone Wolves – Brian Wood & Mack Chater
10 One dirty tree – Noah van Sciver (Uncivilized Books)

Ook mooi in 2018

1. De nieuwe, volledig herzien uitgave van John Canemakers meesterwerk Winsor McCay, His Life and Art (CRC Press). Een schitterende biografie van bijna 300 loeigrote pagina’s over de oervader van de strip en de maker van Little Nemo in Slumberland.

2. De ontdekking van de prachtige, tekstloze cartoons van de Uruguayaan Gervasio Troche, van wie twee bundelingen verschenen bij de Franse uitgeverij Insula, te weten Dessins Invisible en Equipage.

3. De maandelijkse uitgave over De Geschiedenis van de Toonder Studio’s van Toonder-chroniqueur Jan-Willem de Vries is ronduit geweldig. De verschijningsfrequentie maakt het iets om naar uit te kijken; de informatie en het beeldmateriaal is boeiend.

Strips & comics

Gelezen: Steven Dupré & Conz (naar Vandersteen) – Suske en Wiske hommage 2: Boemerang

Voor iemand die zoals zovelen is opgegroeid met de klassieke stripverhalen van Suske en Wiske voelt het lezen van ‘de laatste’ Suske en Wiske tientallen jaren later als iets dat je misschien niet moet doen. Is het nog zoals toen, tegen beter weten in? Zit er eenzelfde beleving bij? Natuurlijk niet, er is meer dan dertig jaar overheen gegaan. De nieuwerwetsigheden waar je dan vooral niet op zit te wachten, waren intussen niet geruisloos voorbij gegaan: toen de personages een paar jaar geleden flink werden gerestyled, werd dat groots aangekondigd. Wiske kreeg borsten, hun kleren kwamen van de Zara en ze liepen de hele dag met een mobieltje rond. Alles voor de jonge, nieuwe lezersschare. De oude garde zag de modernisering uiteraard met lede ogen aan: hier ging men aan de haal met hun jeugd, met hun kleine helden.

Ook de verhalen veranderden: neem het reguliere album nummer 344, Brbs 2.0. In dat verhaal werkt professor Barabas aan een supercomputer die alle andere computers overbodig maakt. Dat superapparaat ziet eruit als een glazen oog ter grootte van een tennisbal, dat door de lucht dwarrelt. Het idee erachter is dat de balletjes de mens gelukkig maken, door middel van illusie, hypnose en technologische noviteiten als een beeldenbank. Het gemak dient de mens.

Dat klinkt om te beginnen al niet werkelijk als een antieke Sus en Wis. Als het misgaat en de balletjes de macht dreigen te nemen, komt de meute in beweging. Met Lambik, Jerom en Sidonia herstellen de tieners de boel. Natuurlijk leunt het slot weer voor een groot deel op de krachtpatserij van deus ex machina Jerom, wat al nooit een sterk punt van de reeks was.

Naast de klassieke reeks, die allang niet meer in het vertrouwde oranje verschijnt, zijn er sinds vijf jaar afgeleide reeksen opgezet, waarvan Amoras en De kronieken van Amoras de meest aansprekende zijn. In die series hebben de figuren een realistischer uiterlijk en zijn de onderwerpen buitensporiger: ze zijn nadrukkelijk voor 18+, al wil dat niet zeggen dat werkelijk alle deugden te grabbel worden gegooid. Nog steeds trekken de helden eendrachtig ten strijde tegen het slechte.

Tussen Amoras en de reguliere Suske en Wiske zit sinds vorig jaar nóg een reeks: de hommage-serie, waarin een duo van tekenaar en scenarist de vrije hand krijgt. Eind vorig jaar verscheen de eerste hommage, het ongeleide Cromimi van Elsje-tekenaar Gerben Valkema en scenarist Yann. Hoewel het album de Stripschappenning voor de Jeugdstrip van het Jaar kreeg, las het als een wezenloos en onmatig verhaal. Bang dat de jonge lezer zou afhaken, gebeurde er veel te veel tegelijk en deden de overvolle pagina’s zeer aan de ogen: alsof constant inzoomen de enige optie was.

Onlangs verscheen het tweede hommage-album: Boemerang van tekenaar Steven Dupré, op scenario van Conz. Deze twee Vlamingen hebben het beduidend beter begrepen. Boemerang neigt veel meer naar een klassiek verhaal, met genoeg lucht, humor en een prettige opbouw van de spanning. De entourage waarin Dupré ‘onze helden’ plaatst, heeft veel weg van een post-apocalyptische wereld, met ruimtevoertuigen, grijze stadlanden en amorfe gangenstelsels. En gek genoeg passen Suske en Wiske prima in die omgeving: ze zijn precies voldoende zichzelf als nieuw. Conz heeft met het verhaal ook een exact midden getroffen. Het is zeker eigen en anders, maar binnen het idee van de oerverhalen. Dat is knap.

In Boemerang is de wereld overgenomen door de slechterik Theofiel Boemerang, die we kunnen kennen uit bijvoorbeeld De Texasrakkers, een klassieker van Vandersteen uit 1959. Theofiel was daar de buurman van Lambik en deur-aan-deurverkoper van allerhande snuisterijen, waaronder stofzuigers. Die spelen ook in Boemerang een rol, al lijkt een schone woonkamer het minste probleem van de mens. Dictator Theofiel heeft namelijk het waanzinvirus ontwikkeld dat de mensen van hem afhankelijk maakt. Ook heeft hij een flink leger dat jacht maakt op alles wat zijn macht bedreigt. In die oneerlijke wereld nemen de helden het op voor de mensheid.

Het verhaal heeft leuke haakjes waar de spanning aan blijft hangen. De eigenwijze Lambik en de sluwe professor Barabas nemen de lezer op sleeptouw, tot het einde. Of beter: bijna tot het einde, want het verhaal neemt op de laatste pagina een rare, onduidelijke wending, in meerdere opzichten, en sluit dan af met een klassieke knipoog van Lambik.

De lezer van vroeger, die zichzelf verplichtte een conclusie te formuleren, hoeft niet lang na te denken: daar waar de reguliere reeks te ver is gaan afstaan van de herinnering en beleving, heeft Boemerang een snaar geraakt. Het is een leuk verhaal, met knappe vertaalslagen en een goed getroffen balans tussen het eigene en dat van Vandersteen. Hommage geslaagd, waarvan akte.

Steven Dupré & Conz (naar Vandersteen) – Suske en Wiske hommage 2: Boemerang. Standaard. 56 pagina’s. € 7,99.

Strips & comics

Gelezen: Dimitri Armand & Pierre Dubois – Texas Jack

In de autobiografische graphic novel Het kruispunt van Paco Roca spreekt hij uitvoerig met punkrocker José Manuel Casan van de band Securidad Social. In een van de vele gesprekken gaat het over de positie die rockmuziek overal ter wereld inneemt: het is er één die de onderlinge culturele verschillen overstijgt. Rockmuziek in Afrika, Latijns Amerika en Europa is in grote lijnen identiek, ze bezit dezelfde drive en basis. Roca vergelijkt het met het western-genre: het is een cliché dat intussen bij iedere cultuur behoort.

De bewijzen van die stellingname spreken voor zich: Karl (Friedrich) May, schrijver van een immens western oeuvre, was een Duitser en de in Italië opgenomen spaghettiwesterns zijn een fenomeen op zich. De veruit populairste westernheld is Lucky Luke van de Belg Morris en de beste western-filmmuziek werd in de jaren zeventig en tachtig in de Oost-Duitse Defa-studio’s opgenomen. In ons land hield Hans G. Kresse zich bezig met indianenstrips, die nu opnieuw en compleet worden bezorgd in een aantal prachtige heruitgaven. En niet te vergeten de Tex Willer cowboystrip uit Italië, die nog steeds razendpopulair is, ook in Nederland.

Het is een onderzoek waard, maar het zou niet verbazen als er in Europa meer westernstrips zijn verschenen dan in de Verenigde Staten, in ieder geval in de laatste dertig jaar. Ze zijn niet altijd even sterk en origineel, maar toch: soms dient zich een verhaal aan dat het genre weer voor even vleugels geeft. In aanloop naar de kerstdagen verscheen de heerlijke instant-klassieker Texas Jack, een one-shot van 124 pagina’s van tekenaar Dimitri Armand, op scenario van Pierre Dubois. Samen maakten zij drie jaar geleden al het album Sykes, dat in de tijd na de geschiedenis van Texas Jack komt. Beide albums zijn overigens gewoon los te lezen.

Texas Jack is een circusartiest die bijzonder behendig is met de revolver. In het circus speelt hij het legendarische karakter dat de mensen beschermt tegen allerlei outlaws. Het heeft van Texas Jack zelfs een romanfiguur gemaakt: hij acteert in dime novels, goedkope pulpboekjes voor kinderen, vol heroïsche actie.

Deze Texas Jack wordt verzocht zijn kunsten in het echt aan te wenden: samen met zijn entourage moet hij de bloeddorstige bende van de wreedaard Gunsmoke onschadelijk maken. Hij wordt voor het blok gezet: de mensen rekenen op hem. Ineens zijn het geen verhaaltjes meer en deinzen de tegenstanders niet terug voor bordkarton en vuurwerk. Texas Jack twijfelt, maar gaat toch overstag.

Samen met zijn groep, onder wie de bevallige lasso-artieste Amy, is hij vastbesloten Gunsmoke op te sporen. Onderweg komt hij de rauwdouwer Sykes tegen, die -heel vreemd- met min of meer dezelfde opdracht op pad is. Eendrachtig gaat de horde verder en daar schuilt het mooie van dit verhaal: de reis duurt erg lang. Pas op pagina 90 vindt de groep de vermoedelijke verstopplaats van Gunsmoke en trawanten. Natuurlijk is er in de tussentijd van alles gebeurd, van onderlinge schermutselingen tot confrontaties met vooruitgeschoven pionnen. Want dat Gunsmoke weet van de komst van de heren Sykes en Jack is al snel bekend. Daarvoor zijn te veel aanwijzingen die in die richting wijzen. Maar hoe weet hij dat? En vooral: waarom kiest hij voor deze verdediging?

In smakelijke filmische sequenties werkt Dimitri Armand zijn pagina’s uit. Hij speelt prachtig met de verhaaltechniek van vertragen en versnellen. Als de spanning toeneemt, neemt de vaart af en krijgt de lezer alle gelegenheid om zich in de omstandigheid te wentelen. We kijken voorzichtig mee, beducht voor een hinderlaag of een plotselinge manoeuvre vanaf een zijkant. Het verhaal van Dubois is zo opgebouwd dat we op de hoogte zijn van wat er eens komen gaat, maar wanneer en hoe? Dat blijft heerlijk lang ongewis. Het zijn de momenten waarin de langzame tred van de paarden de toon aangeven.

Het sluitstuk is groots en meeslepend, zoals gebruikelijk, maar ook weer bijzonder doortastend uitgewerkt. Een element dat hier beslist aan bijdraagt is het formaat van het hardcover album: net als de voorganger Sykes verscheen het in de Getekend-reeks die lekker fors is, met een perfecte bladspiegel. Je hebt echt iets in de hand en er is serieus werk gemaakt om van dit lekkere verhaal een mooie uitgave te maken.

En ja, de clichés van de saloons waar gesteggeld wordt en waar de temeiers om klandizie jengelen, de schietpartijen die steevast eindigen in een rustige discussie over wie de rommel moet opruimen en de loyale indiaan die altijd de weg kan vinden, ook al regent het al dagen: die zijn onvermijdelijk. En onmisbaar. Ze horen bij de westerncultuur en bij de verhalen, zoals ruimteschepen en groene mannetjes bij sciencefiction.

Dimitri Armand & Pierre Dubois – Texas Jack. Lombard. 128 pagina’s hardcover. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Fabcaro & Serge Carrère – Olivier Blunder gaat met zijn tijd mee

De nieuwe Olivier Blunder is uit. Dat klinkt gek omdat zijn laatste album, Olivier Blunder heeft groene vingers, twintig jaar geleden verscheen. En dat was al niet meer van de hand van Greg, die de drieste avonturen van de bolle kletsmajoor vanaf 1963 tekende. Op het hoogtepunt van zijn roem togen stipliefhebbers op een drafje naar de stripspeciaalzaak voor het nieuwe album, maar dat is al even geleden. Want hoewel de oudere delen nog altijd te pruimen zijn, hebben de verhalen -die ogen als een eindeloze optocht van grote tekstballonnen- toch aan impact verloren. Tegenwoordig moet het duidelijk korter, lekker snappy,indachtig het concept van de afgenomen attentiespanne van de gemiddelde mens, en striplezer.

De verhalen uit dit eerste deel van de reeks Olivier Blunder’s nieuwe avonturen, zoals het nu -met loos aanhalingsteken- heet, zijn uit de Franse koker van scenarist Fabcaro en tekenaar Serge Carrère. De titel van het album verraadt dat Blunder met zijn tijd is meegegaan en dus zien wij hem worstelen met een mobieltje, een sms’je en een computer – of beter gezegd: de doos van een computer. Voor iemand als Blunder is dat vast heel wat, voor de lezer van nu zijn grapjes over nieuwerwetse apparaten toch meer iets van vijftien jaar geleden.

De toevoeging in titel dat het om nieuwe avonturen gaat, is evident. De korte verhaaltjes, meestal van een enkele pagina per stuk, raken nergens aan die van weleer en het is maar beter de liefhebber daarvan op voorhand te doordringen. De personages van Blunder en van zijn entourage zijn overgezet naar nu, in een typisch Franse humoristische setting die je ook terugziet bij reeksen als Vrouwen in ’t Wit, Bollie en Billie, G.Raf Zerk en Kleine Robbe. Die setting bestaat uit een reeks figuren, situaties en combinaties van motieven, karaktertrekken en relaties. Het levert vaste grapsequenties op, waarvan er eindeloos veel van zijn te bedenken. Het is oppervlakkig, maar in ieder geval steeds met een pointe of punchline.

Blunder is op z’n koddigst als hij zijn eigen weg kiest in de moderne wereld, vooral als hij zijn onkunde en onwetendheid zo goed mogelijk probeert te verhullen. Dat gaat steevast gepaard met een omhaal van woorden waar je u tegen zegt, en daarin voorzien de korte stripjes prima: er wordt wat afgekletst, gezwateld en gedebatteerd. Het leuke van het album zit ‘m precies daar: vooral de talige kluwen van Blunder en zijn buurman Zuiger maken de kwinkslagen genietbaar. Je ziét dat de vertalers een hoop plezier hebben gehad.

Maar om nu te zeggen dat Blunder weer helemaal terug is, gaat wat ver. Op de eerste pagina stelt hij zelf al moedeloos vast: “Blunder is geschiedenis, van zijn voetstuk gevallen, hij heeft zich niet kunnen aanpassen aan de veranderende tijd. Zelfs een Pterosaurus is hipper dan Blunder.” Zo’n vaart zal het niet lopen, maar als de mopjes in deel 2 net zo belegen zijn, dan gaat hij de Pterosaurus wel achterna.

Fabcaro & Serge Carrère – Olivier Blunder gaat met zijn tijd mee. Arboris. 48 pagina’s. € 7,95.

Strips & comics

Gelezen: Julian Voloj & Thomas Campi – The Joe Shuster Story

In een aantal necrologieën van de onlangs overleden Stan Lee, godfather van het Marvel universum, werd melding gemaakt van zijn strijd om erkenning van het feit dat hij en niet het bedrijf de bedenker was van ongeveer alle helden die Marvel sinds jaren met succes uitvent. Lee stond hierin niet alleen. Ook bij het andere grote kamp, het latere DC Comics, had iets soortgelijks plaatsgevonden.

De twee jongemannen die in de jaren dertig de eerste echte superheld bedachten, de iconische Superman, hadden destijds voor en habbekrats afstand gedaan van hun schepping: om in aanmerking te komen voor een plekje bij een nietszeggend uitgeverijtje tekenden ze -zonder daarvan de verstrekkende gevolgen in te zien- een gemeen contract. Met een enkele handtekening raakten ze alles kwijt. Niet alleen Superman zelf, maar ook van het concept van een superheld dat er in die tijd nog niet in die vorm was: de forse krachtpatser met uiterlijke kenmerken als de cape en het strakke pak, samen met de superkrachten en bovennatuurlijke gaven.

Superman was een bedenksel van tekenaar Joe Shuster en vooral van comic-schrijver Jerry Siegel, twee Joodse knapen die droomden van een eigen stripserie. Als groentjes trapten ze met open ogen in een valstrik, die in The Joe Shuster Story uitvoerig en met enig pathos wordt beschreven. Op een innemende manier zien we hoe twee enthousiaste jonkies, met hun dromen en nerdy voorkomens, in de luren worden gelegd door de kille Joodse zakenmannen Liebowitz en Donenfeld.

Vanaf dan leest het verhaal als een les in onrechtvaardigheid. Superman wordt steeds populairder, de oplage stijgen tot astronomische hoogten, het geld komt met bakken binnen maar Shuster en Siegel profiteren nauwelijks van het succes. Sterker, ze worden meer en meer op een zijspoor gezet. Liebowitz en Donenfeld gaan zich steeds nadrukkelijker profileren als de mannen van het succes, tot woede van Siegel.

Waar Siegel de situatie niet met rust kan laten en verzuurd raakt, lijkt Shuster te berusten in het lot. Hij tekent niet langer strips en is stilletjes uit het wereldje vertrokken. Om het hoofd boven water te houden neemt hij zelfs een baantje aan als koerier. Zijn gezondheid gaat dan al in rap tempo achteruit.

Siegel daarentegen blijft zich verzetten. In 1975 schrijft hij ‘zijn belangrijkste werk tot dan toe’: een brief die hij rondstuurt aan tientallen betrokkenen en journalisten, waarin hij uiteenzet hoe hij en Shuster al die jaren zijn geringeloord en gekleineerd.

Dan doet zich een wonder voor, zoals je ze alleen ziet in feel good films: een aantal van de ontvangers van de brief maakt er werk van en komt achter de schrijnende situatie waar Shuster zich bevindt. Onbestaanbaar voor iemand die het superheldenrijk heeft opgetuigd en vormgegeven, vinden ze. Het is in de jaren dat er voor het deeltje van Action Comics, waarin de eerste strip van Superman is opgenomen, al astronomische bedragen wordt betaald. Nog niet de 3,2 miljoen dollar van nu, maar toch: het geeft aan dat de creatie van Shuster en Siegel bepaald geen niemendalletje was.

Met veel tamtam wordt er ruchtbaarheid gegeven aan het onrecht, precies op het moment dat er een grote Superman-film op komst is. De filmmaatschappij, die ook de rechten op Superman bezit, kan geen bad press gebruiken, en komt de stripfans tegemoet: Shuster en Siegel krijgen hun credits en worden later ook nog financieel gecompenseerd. Eind goed al goed, al was dat geen verrassing vooraf. Het verhaal is genoegzaam bekend, zeker onder comic- en stripliefhebbers.

Dat het toch een goede graphic novel is geworden, ligt aan de manier waarop tekenaar Thomas Campi en scenarist Julian Voloj te werk zijn gegaan. Zij documenteerden zich grondig en tekenden het verhaal volledig accuraat op, met mooie inkijkjes. Zo komen ook grootheden als Will Eisner, Stan Lee en Bob Kane langs, die laatste bepaald niet op een positieve manier. Campi werkte het album uit en schildertechniek zonder outlines, die naadloos past in de beschreven tijdsbeeld: de naoorlogse jaren zijn perfect van kleur en uitstraling. Het album had gerust groter van formaat gemogen: de tekeningen zijn gedrongen en komen zeker beter tot hun recht met iets meer witruimte.

The Joe Shuster Story, die zo heet omdat we het verhaal in zijn woorden meemaken, leest als een tragiek met een happy end. Het is vanwege het complete van de geschiedenis een prima album, met een duidelijk boodschap bovendien: het goede overwint altijd en hoewel de bad guys er in dit geval geen cent slechter van zijn geworden, hebben ze de geschiedenis tegen gekregen. Klinkt niet als een Superman-verhaal, maar zo karikaturaal is de echte wereld nu eenmaal niet.

Julian Voloj & Thomas Campi – The Joe Shuster Story. Super Genius Comics. 180 pagina’s. 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jon McNaught – Kingdom

De graphic novels van Jon McNaught verhouden zich tot andere beeldverhalen als een poëziebundel tot een roman. In de verstilde verhalen van de jonge Britse graficus McNaught wordt niet veel gezegd, des te meer getoond. Zijn bijzondere grafische vertelkunst is moeilijk te vergelijken met dat van andere stripmakers. Zijn pagina’s lijken illustratieve sequenties in kleine stappen. Dat levert fraaie spreads op, maar wie denkt dat het vooral mooie plaatjes zijn, doet het werk tekort: het is juist zijn vertellende kwaliteit die de albums zo geliefd maakt. In Kingdom, zijn nieuwste album, slaagt McNaught er zo precies in momenten, gevoelens en situaties in rustige sequenties te vangen, dat de lezer vanzelf vertraagt en daarmee bijna onderdeel wordt van het verhaal. Wie Kingdom leest, vergeet de tijd.

In Kingdom volgen we een familie van drie op vakantie. Moeder, dochter van zeven en puberende zoon van dertien gaan een lang weekend naar de Britse kust, er is geen vader in beeld. Ze reizen niet in het hoogseizoen, want het is erg stil – zeg maar gerust verlaten, en het weer zit ook niet mee. Pagina’s lang boeit McNaught de lezer met panorama’s van landschappen waarin weinig gebeurt: we zien winderige tankstations langs de snelweg, toeristische pleisterplaatsen, sleetse cadeauwinkels en verlaten pleinen. Eenmaal op de bestemming wordt het niet veel florissanter: saaie kliffen, uitgestorven stranden en baaien waar het ooit gezelliger was.

Wat McNaught met deze omgeving doet is magisch: hij brengt er ritme in aan. In mooie grijze, blauwe en donkerrode tinten toont hij het verstrijken van de tijd, de zachtheid van de locaties en de vriendelijke verveling die bij een vakantie past. Alles in een tempo dat voor de lezer bijna contemplatief aanvoelt: je neemt de tijd om alles te zien. Je ziet de kleine veranderingen, je hoort die ene vogel, je voelt de zachte wind in je gezicht. Wie zich ervoor openstelt, kan het zelfs als hypnotiserend ervaren.

We volgen met name de zoon die zich afzijdig houdt met zijn telefoon. Als zijn moeder hem beveelt iets te doen, zien we hem bladzijden lang zonder doel sjokken langs de kustlijn. Moeder en dochter wandelen ook en gaan nog eens bij een tante op bezoek, maar ook van die ervaringen wordt de lezer weinig wijzer. Het lijkt allemaal niet ingegeven door plezier of zelfs maar zin. Tegelijkertijd neemt McNaught alle tijd om ons te laten zien hoe krijsende vogels op een parkeerplaats om een volle vuilnisbak strijden.

Is het sneu? Sentimenteel? Leeg? Nee, die gevoelens passen niet. Het is eerder melancholisch, en werkelijk – als je dat in een gevoel kunt vatten. McNaught probeert de tijd te vangen; de beelden die er zijn als we ons op zouden richten van onze schermpjes, de stille momenten te laten gebeuren als we niet chatten, appen of elkaar via een selfiestick op de hoogte houden van het leven. Onze omgeving laten ervaren zoals we die zelf nauwelijks nog zien. Dat is het dwingende idee van Kingdom.

De kracht van Kingdom -en feitelijk van al het werk van McNaught is de langzame gang, het bijzondere tempo. De pagina’s die zijn opgebouwd uit drukgangen zoals van een zeefdruk zijn heel sterk en beeldend; terwijl je denkt dat die methode geen ruimte laat voor observaties op detailniveau, is dat juist wat McNaught bereikt. Je oog wordt geleid over de pagina’s, het is alsof je rondkijkt op een plek waar je nooit eerder was.

Kingdom is grafisch boeiend en verhalend ronduit briljant. Een graphic novel die het hele medium optilt.

Jon McNaught – Kingdom. Nobrow. 128 pagina’s. 18,99.

Strips & comics

Gelezen: Raymond Macherot – Chlorophyl integrales 1, 2 en 3

Met de derde integrale die onlangs verscheen, is de avonturenreeks van de moedige eikelmuis Chlorophyl compleet heruitgegeven. Een integrale, voor wie niet heeft opgelet, is een bundeling in harde kaft van albums uit een stripserie, vaak voorzien van een achtergronddossier. De integrale is een succes én een aanslag op de portemonnee van de nostalgische stripliefhebber, die de keuze heeft uit werkelijk tientallen series die keurig opnieuw en in alle glorie worden bezorgd: met een frisse letter, vaak opnieuw ingekleurd en op beter papier. En compleet, waarmee het voer is voor completisten – van wie er bijzonder veel zijn in stripkringen.

Wie niet voor het complete aanbod gaat, moet kiezen: anders is er geen houden aan. Tips dus. Eén van de series die hoog scoort in het integrale aanbod is Chlorophyl, de mild-satirische dierenstrip van Fransman Raymond Macherot (1924-2008) die tussen 1954 en 1964 verscheen in het weekblad Kuifje. Op het eerste oog is het een kinderstrip, maar wie eenmaal aan de verhalen begint ontdekt snel dat er meer aan de hand is. In een stormachtige vaart worden allerlei maatschappelijke thema’s aangestipt.

De muisjes blijken ook nog behoorlijk actueel: er wordt strijd geleverd tegen dierlijke despoten met hun volgzame legers en als er een wordt gedreigd met een zytroonbituurbom, dan weet de lezer genoeg. Chlorophyls antagonist, de smerige rat Anthraciet, laat geen mogelijkheid onbenut om de macht te grijpen; alle lelijkheid van machthebbers is in hem verenigd. Je leest snel genoeg dat de strip verscheen midden in de Koude Oorlog. In het album Chlorophyl waagt een gokje hoeven we niet ver te zoeken: de overeenkomsten met het nazisme en de Tweede Wereldoorlog zijn evident.

Het wonderlijke van de serie is dat de verhalen nooit lezen als een klassieke kinderstrip. Daarvoor voegde Macherot er eenvoudig teveel wrange verhaalelementen aan toe: er gaan genoeg beestjes dood, zonder dat er werkelijk naar ze om wordt gekeken bijvoorbeeld. Collateral damage is heel gewoon bij de verhalen, al lijkt Macherot wel steeds naar een happy end te streven. Het maakt de verhalen tweezijdig: je kunt ze met een beetje goede wil zien als aanklacht tegen de mensheid, maar dan zonder prententies.

De achtergronddossiers zijn dik in orde. Uitgeverij Scratch hanteert wat die betreft een hoge standaard: uitvoerig, informatief en met veel illustratiemateriaal. Het fraaie van de dossiers is dat ze de verhalen van een tijdsgeest voorzien. De oude foto’s van redacties, met tekentafels en statige bureaus geven een mooi beeld van hoe het was.

Zo lezen we in het dossier dat men op de redactie van Kuifje niet bijster gelukkig was met Macherot en zijn zwaarmoedige verhalen. Het laatste grote verhaal, Chloro leidt de aanval, laat er geen twijfel over bestaan dat Chlorophyl weer midden in de Tweede Wereldoorlog terecht is gekomen. Het is de druppel. Voor die tijd liet de uitgever al blijken niet gecharmeerd te zijn van de verhalen door ze in slappe kaft uit te geven, of helemaal niet. Macherot verkast naar de concurrent, stripblad Robbedoes, en is nog jaren betrekkelijk succesvol met series als Snoesje en Poezekat. Het zijn strips zonder venijnig randje wat Chlorophyl juist zo goed maakt. Deze drie integrale uitgaven geven de lezer de kans deze unieke strip, met heel veel bonusverhalen en goede dossiers, te lezen. In Scrabble-termen: drie keer meerwaarde.

Raymond Macherot – Chlorophyl – Integrales 1, 2 en 3. Scratch. 208 pagina’s per deel, hardcover. € 27,50 per deel.

In deel 1: Chlorophyl tegen de zwarte ratten, Chlorophyl en de samenzweerders, Geen salami voor Philomeen;

In deel 2: De spoorpiraten, Zizanion de verschrikkelijke, De terugkeer van Chlorophyl, Pas op voor de verf!;

In deel 3: De Wraak van Anthraciet, Chlorophyl waagt een gokje, De drie nozems, Chloro leidt de aanval, De leugentoeter.

Strips & comics

Gelezen: Carole Maurel & Mariko Tamaki – Luisa: Now and Then

Op een dag neemt de vijftienjarige Luisa Arambol de bus en dommelt onderweg in slaap. Als ze uitstapt, weet ze niet waar ze is. Logisch, Luisa is zonder het te weten bijna twintig jaar later terechtgekomen in Parijs, waar ze dan zelf woont. Met dit opmerkelijke tijdreisgegeven begint voor de lezer tegelijkertijd het verhaal van een vroege dertiger die zich tegenover een goede vriend op een terrasje beklaagt over haar leven: dat van haar weinig inspirerende werk, haar kleine appartement en de reeks stukgelopen relaties. Deze dertiger heet ook Luisa.
Haar jonge versie ondervindt intussen problemen met haar Franse franken en wordt bovendien raar aangekeken omdat ze geen mobiele telefoon heeft. Ze wordt opgevangen door Sasha, die de overbuurvrouw van Luisa blijkt te zijn.

Via Sasha ontmoeten beide Luisa’s elkaar en wordt ze duidelijk dat er iets vreemds aan de hand is. Tot zover is het jezelf-ontmoeten-in-de-toekomst-idee vrij klassiek uitgewerkt, maar waar het in veel gevallen een feel good verhaal oplevert, gebeurt dat hier niet: als de Luisa’s eenmaal hebben geaccepteerd in welke situatie ze zich bevinden, worden ze minder toegeeflijk naar elkaar. De oude vindt de jonge naïef, omgekeerd wil de jonge niet zo worden als de oude.
En dan komen de lesbische gevoelens van de jonge Luisa ter sprake; gevoelens die de dertiger heeft geparkeerd, verdrongen en genegeerd. Gaandeweg ontdekken we de oorzaken: voor homoseksualiteit is niet werkelijk plaats geweest in de traditionele opvoeding van Luisa. Het gemis om te kunnen zijn wie ze wil zijn, staat ineens tussen beiden. Zal deze ontmoeting een oplossing brengen?

Het verhaal ontwikkelt zich daarna razendknap, met flashbacks en invoelende gesprekken. Daarbij bedient Maurel zich van prachtige symboliek: als Luisa op een dag naar haar werk gaat, doet ze werktuigelijk haar voordeur op slot, waarmee ze haar jongere zelf binnensluit. De scene die daarop volgt is heerlijk in beeld gebracht. De tiener weet de aandacht van buurvrouw Sasha te trekken en samen praten ze over het leven en uiteindelijk ook over hun gevoelens. Dat gaat noodgedwongen met een gesloten deur ertussen: ze leunen er aan weerskanten tegen en praten vrijuit. Omdat Sasha ook op vrouwen valt, hoopt Luisa vooral dat ze elkaar ‘in de toekomst’ nog zullen kennen.

Naarmate het verhaal vordert, groeien de twee Luisa’s dichter naar elkaar toe. Ze gaan zelfs op elkaar lijken, wat komisch in beeld wordt gebracht: de oudere versie krijgt weer puistjes en de jongere merkt dat haar borsten overnacht zijn gegroeid. Het is de geestige opmaat naar een intens conflict over een lunchafspraak met ‘hun’ moeder. Dat slotakkoord balt alle frustraties samen, al maakt de woede die beide Luisa’s voelen plaats voor mededogen. De omhelzing die volgt verenigt de twee voorgoed: gedane zaken nemen geen keer, maar de toekomst van Luisa lijkt ineens een stuk voorspoediger.

Het gesprek met de moeder is er één van bevrijding en afscheid tegelijk. Eindelijk kiest Luisa voor zichzelf. De lezer, die alles van heel dichtbij heeft beleefd, kan niet anders dan haar geluk en ongemak even intens meevoelen. Dat is de kracht van het verhaal, dat ver van clichés blijft en vooral niet voor antwoorden kiest. De Franse stripauteur Carole Maurel schreef Luisa: Now and Then duidelijk niet om een oplossing te bieden: het is niet het anekdotische dat telt, maar het gevoel.

De twee namen op het omslag wekken het idee dat Maurel en Tamaki de auteurs zijn, maar het zit anders: de graphic novel werd in het Frans geschreven en getekend door Maurel en in een later stadium aangepast door scenariste Mariko Tamaki, die haar sporen verdiende als auteur van Skim en het fraaie This Old Summer. De aanpassingen die zij deed bestonden uit het herschrijven van dialogen voor de Amerikaanse markt. Het is een niet eerder vertoond kunststukje, dat ook nog eens prominent op het omslag wordt vermeld. Of het nodig was, is aan anderen: het verhaal zoals het nu in het Engels verscheen, is in ieder geval perfect van tempo, souplesse en intensiteit. Ere wie ere toekomt.

Luisa: Now and Then is de mooiste graphic novel van het jaar. Los van het verhaal, dat aangrijpend wordt verteld met levensechte personages, is de mise-en-scène zo precies op maat en worden twijfels, frustraties en boosheid zo ingenieus in beeld gebracht, dat je mag hopen dat veel -heel veel- jonge mensen deze graphic novel zullen lezen. Deze titel hoort in canon van lhbt-strips thuis, en eigenlijk in de kast van iedere stripliefhebber.

Carole Maurel & Mariko Tamaki – Luisa: Now and Then. Humanoids. 272 pagina’s. 29.95.

Strips & comics

Gelezen: Ed Brubaker & Sean Phillips – My heroes have always been junkies

Als de herfst zich aandient, wrijft de stripliefheber zich in de handen. Het is bij uitstek de tijd dat er veel nieuwe albums verschijnen, en dit jaar is het niet anders. Wat opvalt is dat de graphic novels en strips dit jaar vooral erg fors van omvang zijn: een stapeltje nieuwe titels is zo een paar duizend pagina’s. Tillie Waldens nieuwe titel, On A Sunbeam, telt bijvoorbeeld 544 pagina’s, Typex’ biografie van Andy Warhol is 568 bladzijden en Berlin van Jason Lutes zelfs 580. Tussen die pillen valt de bescheiden, 72 pagina’s dikke strip noir van het gelauwerde duo Ed Brubaker (tekst) en Sean Phillips (tekeningen) bijna niet op. Wees op je hoede, want wie deze geweldige graphic novel over het hoofd ziet, mist een van de beste titels van 2018. My heroes have always been junkies is een compact verhaal dat je het best kan omschrijven als junkiepulp in een postmodern jasje.

In My heroes have always been junkies volgen we Ellie, een jonge vrouw die niet werkelijk verwend is door het leven: haar beide ouders waren junks, en in flash backs zien we in het verhaal hoe dat voor Ellie moet zijn geweest. Maar anders dan je verwacht, vertelt Ellie er bijzonder positief over: ze vond het zelfs betoverend, magisch. Als haar moeder gebruikte, bewoog ze prachtig, gracieus. Dan was ze niet alleen mooi maar ook eerlijk: na haar shot vertelde ze Ellie onophoudelijk hoe lief ze was. Was moeder nuchter, dan telde dat niet. Op weg naar het volgende roesmoment stond alles in het teken van het scoren.

Ellie luistert veel naar de lp’s van haar ouders, en de mooiste herinneringen heeft ze aan de muziek die werd gemaakt door onverbeterlijke gebruikers als David Bowie, Lou Reed en Brian Wilson. Maar vooral Billie Holiday betovert haar als jong meisje. Jaren later zit ze in een afkickkliniek tussen vermogende verslaafden, die op die manier de gevangenis ontlopen.

Als Ellie in een groepssessie over de aantrekkingskracht van heroïne spreekt, haalt ze de woorden van Keith Richards aan: The worst thing you can say about heroin will still make somebody want to try it. Het wordt haar niet in dank afgenomen.

Door haar rebellie valt ze op bij de achttienjarige Skip, die zich door haar laat verleiden tot druggebruik in de kliniek, en meer. Ellie wil groots en meeslepend leven, van roes naar roes, en haalt Skip over om mee te doen. En dan gaat het mis. Niet per se alleen met Skip overigens, want hoewel Brubaker en Phillips vaker een klassieke femme fatale opvoeren, is Ellie niet alleen maar een archetype. Daarvoor wordt ze te gevoelig neergezet, en verknipt: dat zeker ook. Samen gaan ze hun idee van het ware leven aan.

Schrijver Ed Brubaker en tekenaar Sean Phillips trekken al bijna twintig jaar samen op en hebben een waslijst met geweldige, wereldwijde bestsellers op hun naam staan, waaronder Criminal, The Fade Out, Fatale en onlangs nog het superspannende criminele hoogstandje Kill or be killed.
My heroes have always been junkies is hun laatste wapenfeit en hoewel beperkt van omvang is het zeker geen niemendalletje. Sterker, het is misschien hun beste kortverhaal van de laatste jaren: met name Ellie is vanwege haar romantische voorstelling van het junkieleven en haar manipulatieve karakter een prachtig, onvoorspelbaar personage, dat vanaf het begint intrigeert. Ze heeft niet het wanhopige dat junks hebben om hun verslaving te rechtvaardigen: ze vindt het simpelweg te mooi, bijna echter dan het leven zelf. Dat wij weten van haar jeugd, geeft Ellie iets treurigs.

De tristesse van het verhaal wordt niet alleen mooi verteld en uitgebeeld, maar extra krachtig neergezet door de schitterende inkleuringen van Jacob Phillips – broer van. Zijn beperkte maar excentrieke kleurpalet heeft op sommige pagina’s iets van risoprint en daarbij is het heel onstuimig vanwege de manier waarop hij heeft ingekleurd: niet per se binnen de lijntjes, maar heel vrij en met veel schmutz en drift.

My heroes have always been junkies is een verhaal dat op zoveel vlakken de perfectie benadert, dat het lastig is niet constant in superlatieven te spreken. Het is Brubaker en Phillips gelukt om een gelaagde strip af te leveren, in een pulpy setting nota bene, die perfect in 72 pagina’s past. Dat is de hele kunst.

Ed Brubaker & Sean Phillips – My heroes have always been junkies. Image. 72 pagina’s hardcover. 15,99.

Strips & comics

Gelezen: Marvano – Bonneville

In meerdere opzichten is het tweeluik Bonneville van de Belgische tekenaar Marvano (Marc van Oppen) een bijzondere leeservaring. Om te beginnen heeft het verhaal over de zogenaamde Land Speed Records een afwijkende narratief: voor de basis van Bonneville gebruikte Marvano het (fictieve?) manuscript Salt of the Earth van de Belgische Zeldine Johnson, die in 1959 als jong meisje naar de Verenigde Staten emigreerde. Marvano bleef in zijn uitwerking dicht op het manuscript; Bonneville leest als een goed gedocumenteerd dagboek, waarin de feitjes en cijfers van Johnson een prominente rol innemen.

De naam Bonneville verwijst naar de recordpiste op de immense zoutvlakten van Utah, de Bonneville Salt Flats, waar de omstandigheden ideaal zijn om records te vestigen met zelfgebouwde racewagens. In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw werd serieus werk gemaakt van snelheidsrecords. De twee albums van Bonneville, Vier nul zeven en 1968, documenteren minutieus alle pogingen, inclusief voorbereidingen en technische specificaties.

Al die omtrekkende bewegingen halen de vaart behoorlijk uit het verhaal: al gauw is helder dat hier meer werk wordt gemaakt van accurate geschiedschrijving dan van een avonturenverhaal. Dat pakt overigens goed uit, het is geenszins een diskwalificatie. Marvano’s benadering lijkt op die van Jiro Taniguchi in zijn vijfluik The summit of the gods, een uitvoerige vertelling over alpinisme van bijna tweeduizend pagina’s, al heeft Marvano al eerder blijk gegeven van een grondige, historisch verantwoorde aanpak met Grand Prix en in mindere mate De Joodse Brigade.

Vanwege deze methodiek is de vooruitgang die wordt beschreven niet bijster spannend: dat de auto’s mettertijd sneller gaan, is achteraf een gegeven. Het aanscherpen van weer een record leest niet als een ware zegetocht, daarvoor is de vertelling te feitelijk en te afstandelijk.

Toch grijpt Marvano de lezer met zijn prachtige tekeningen. De racemonsters zijn sensationeel van ontwerp; het wereldje van de Land Speed Records was er een van achterafschuurtjes en bevlogen mechaniciëns, ze waren beslist niet amateuristisch en kleurloos.

Wat verder opvalt aan met name de pagina-indeling is de rust en ruimte die Marvano neemt. Het weidse van de zoutvlakten lijkt als uitgangspunt genomen. Met name in het tweede deel zijn de pagina’s ruim opgezet, met grote kleurvlakken en stilistische perspectieven. De inkleuring van Bérengère Marquebreucq sluit perfect aan en geeft het verhaal bijna iets futuristisch.

Af en toe lijkt de vertelstem van Zeldine Jonhson op die van een ander. Het zijn de momenten dat ze zich eventjes naar ons heden verplaatst en op een vileine manier de huidige mens wegzet als ongeïnspireerd en laf. Dan lezen we ‘In de 21ste eeuw blinkt men uit in het dumpen van dingen: gezond verstand, respect, fatsoen, normen en waarden. Jongens van stavast, voor de duvel niet bang, zijn “quasi uitgestorven”, gedumpt.’ Is dit een sneer van de auteur, die immers te kennen heeft gegeven zijn tekenpen op te bergen omdat het hem niet meer bevalt in de wereld van het beeldverhaal? Is dit zijn manier om af te rekenen met de geesteloze figuren die artisticiteit niet waarderen en alleen bezig zijn met het draaien van omzet?

Onder welke omstandigheid ook, is het spijtig dat een zo getalenteerd en bijzonder verteller als Marvano ermee stopt. In het tweede deel, 1968, gaat het over perspectief, waarbij de lezer wordt aangespoord alle gegevens naar waarde te beoordelen. Wellicht dat de auteur zijn aangekondigde afscheid vanuit dat vertrekpunt wil heroverwegen. Een verhaal als Bonneville hoort niet het laatste te zijn in zo’n bijzonder oeuvre.

Bonneville 1: Vier nul zeven – Marvano. Dargaud. 48 pagina’s, hardcover. € 15,95.
Bonneville 2: 1968 – Marvano. Dargaud. Dargaud. 64 pagina’s, hardcover. € 15,95.
Afgerond verhaal in twee delen

Strips & comics

Gelezen: Christophe Simon & Jean van Hamme – Kivu

Een auteur die de Nobelprijs ontvangt, het is de droom van iedere uitgever: het zorgt voor aandacht en belangrijker nog, voor veel extra omzet. Dit jaar werd er geen Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt, maar viel wel een strip met de neus in de boter. In het album Kivu van tekenaar Christophe Simon en scenarist Jean van Hamme, dat afgelopen week verscheen, speelt kersvers Nobelprijswinnaar Denis Mukwege een belangrijke rol. Hij kreeg de meest vooraanstaande vredesprijs voor zijn werk als vrouwenarts in de door stammenoorlogen verscheurde Democratische Republiek Congo.

De hoofdrol in het album is voor de jonge ingenieur Francois Daans, werkzaam bij een multinational die actief is in Centraal-Afrika. Daans wordt verzocht een opvolger te vinden voor een vermoorde contactpersoon en beland zonder omhaal in een smerige zaak. Hij verblijft in de provincie Kivu, waar hij met behulp van een netwerkmannetje zijn taak moet volbrengen: een wrede warlord overtuigen om mineralen aan het fictieve handelshuis Metalurco te gaan leveren.

Daans maakt van dichtbij mee hoe mensen worden uitgebuit. Hij ziet verminkte slachtoffers en hoort over moordpartijen en rooftochten. Daans raakt er persoonlijk bij betrokken als hij de twaalfjarige Violette onder zijn hoede neemt, die even daarvoor is aangereden. Van haar hoort hij over de gruweldaden en ontdekt hij dat zijn aanwezigheid een belangrijke reden is voor het in stand houden van de gewelddadigheden: blanke westerlingen zijn er voor de grondstoffen en zolang zij goed betalen, zullen groepen elkaar naar het leven staan en om de macht strijden.

Volgens de auteurs, die aan het woord komen achterin het album, is dit een verhaal dat verteld móet worden, vanwege de urgentie van het probleem en de ernst van de situatie. Dat krijgt nu een flinke zet. Door de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan Denis Mukwege wordt er ineens voluit over gesproken en krijgen we te horen en te zien wat er al die jaren al mis is in Centraal-Afrika.

De reflex is herkenbaar. Politici en betrokkenen uit het veld verdringen zich aan de praattafels om te vertellen hoe bijzonder deze man is en met hoeveel toewijding hij honderden -nee, duizenden- vrouwen helpt. De argeloze televisiekijker zou zich kunnen afvragen waarom deze mensen zo lang hebben gewacht om ons over Mukwege en de situatie aldaar te vertellen, en waarom er niets aan wordt gedaan.

In het album Kivu wordt in de eerste pagina’s en belangrijke reden uit de doeken gedaan: het westen profiteert al jaren van de chaos door via allerlei tussenpersonen en warlords de handel in het mineraal coltan te regelen. Het mineraal, dat in de provincie Kivu en het aangrenzende Rwanda wordt gedolven, is van essentieel belang voor de productie van onder meer consumentenelectronica.

Dit westerse dubbelspel is het uitgangspunt van het album en werpt daarmee een ander licht op de situatie. Mukwege krijgt een prijs en wordt bewierookt door door instanties en politici die niet bij machte zijn de handel in mineralen – de oorzaak van alle ellende – buiten stuitende oorlogshandelingen te houden. In Kivu zijn met name de top van Metalurco en de louche tussenpersoon Peter de Bruyne vreselijk cynisch en achterbaks. Het maakt van Francois Daans een naïeve jongeling, die even in de mores van Afrika moet worden ingewijd. Vaak krijgt hij te horen ‘dat het hier nu eenmaal zo werkt’. Je verzetten tegen onrecht wordt afgedaan als dom, contraproductief en niet in het belang van het bedrijf. Maar vooral: een mensenleven is werkelijk niets waard. Wie macht heeft, beschikt.

Als verhaal hinkt Kivu op twee gedachten: enerzijds is het de strijd van een eenling tegen de verscheurende machten die gelden in grote delen van Afrika, tegelijkertijd willen de auteurs laten zien wat er gaande is: de politieke situatie en de brute werkelijkheid wordt uitvoerig en minutieus beschreven en uitgebeeld. Die twee kanten wrijven. De persoonlijke strijd van Daans en Violette leest als een avontuur, de entourage waarbinnen dit zich afspeelt is een wrede verslaglegging van de huidige situatie. Achtervolgingen per jeep worden afgewisseld met grondig gedocumenteerd journalistiek werk. Het kan, maar de spannende passages verhouden zich tot de werkelijkheid als The A-team tot het NOS-journaal.

Er is nauwelijks een spoortje menselijkheid te vinden, behalve in Bukavu: in zijn Panzi-ziekenhuis opereert Denis Mukwege verkrachte en verminkte vrouwen, en helpt hij ze op weg. In het verhaal, dat leest als een stortvloed aan ellende, onrecht en wreedheden, is Mukwege een baken van onverzettelijkheid en is zijn ommuurde ziekenhuis letterlijk het laatste toevluchtsoord voor Congolezen die het geweld willen ontvluchten. Dat deze bijzondere arts nu de Nobelprijs voor de Vrede heeft gewonnen, maakt het verhaal nog dwingender en krachtiger. Kivu van Simon en Van Hamme is een hard relaas, je zou wensen dat de Nobelprijs alles kan veranderen.

Kivu – Christophe Simon & Jean van Hamme. Lombard. 72 pagina’s, hardcover. € 17,95.