Strips & comics

Gelezen: Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet

Iedereen kent Paulus. De avonturen van de kleine boskabouter horen bij Nederland als hagelslag, schaatsen en het bloemencorso. Hij is onvergetelijk, maar nog mooier is dat zijn avonturen nog steeds in boekvorm verschijnen. Uitgeverij De Meulder houdt zich intussen al veertig jaar bezig met het bezorgen van schitterende boeken rond ’s Neerlands beroemdste kabouter. Onlangs verscheen deel 14 uit de reeks ‘Gouden klassiekers’, Paulus en Poetepoet.

De Gouden klassiekers zijn losse verhalen, die Jean Dulieu zelf schreef en van illustraties voorzag. De reeks is pico bello bezorgd door Uitgeverij de Meulder, die als Paulus-autoriteit kan beschikken over het Archief Jean Dulieu, dat voorheen bekend was onder de aandoenlijke naam Paulus Archief. Het is de grootste collectie met werken van Jean Dulieu (Jan van Oort, 1921-2006).

Poetepoet is een typisch Dulieu-beertje dat op een dag het bos van Paulus binnenwandelt. Poetepoet is één en al goedheid en heerlijk naief en zo maakt het snel vriendjes met ongeveer iedereen in het bos, behalve natuurlijk met de heks Eucalypta. Zij is juist voornemens om de schattige beer te betoveren in een monster. Dat het Eucalypta niet lukt, is evident: iedereen keert zich tegen haar snode inborst en met de hulp van Poetema en Moetema, de ouders van Poetepoet, maar vooral door muisje Piep, komt alles op zijn berenpootjes terecht.

Het verhaal is voor kinderen, dat moge duidelijk zijn. Maar zoals iedereen al op zijn klompen aanvoelt, is ieder Paulusverhaal eigenlijk ook voor grote kinderen. In het geval van de Gouden klassiekers is extra aan de oudere lezer gedacht: achter in ieder deel is een dossier te vinden, met niet eerder gepubliceerde tekeningen, aquarellen, achtergrondinformatie en schetsen.

Naast de gewone handelseditie is er van iedere Gouden klassieker ook een beurseditie beschikbaar: vrijwel identiek, maar met een aflopende illustratie op het omslag en een veel uitgebreider dossier achterin. In het geval van de Poetepoet-editie zijn er nog twee korte verhalen met het beertje opgenomen. Voor de liefhebber, zoals dat heet, maar eigenlijk voor iedereen die zich weer eens wil verkneukelen bij een oud Paulusverhaal, zoals die met schipper Makreel, Joris het vispaard of Salomo.

De meeste Paulusverhalen uit de Gouden klassieker-reeks zijn nog altijd even leuk. Zeker, Paulus is gedateerd, maar op een voordelige manier: niemand zou willen dat Paulus verandert. De rustige vertelstem, met veel omhaal van woorden, draagt onmiskenbaar bij aan de waardering van Dulieu’s werk. Voor mensen die opgroeiden met Paulus is dat een belangrijk onderdeel van de magie. Het ademt vroeger.

Maar toch: ook kinderen van nu die de verhalen voorgelezen krijgen, voelen zich meteen vertrouwd met Paulus, Eucalypta, Oehoeroeboeroe en Gregorius. Dat heeft te maken met de sfeer; die van het bos waar kabouters en beesten wonen. Daar praten ze zo, het heeft niets met ouderdom van de verhalen te maken.

Alleen, met z’n tweeën of desnoods voor een hele kinderschare: Paulusverhalen zijn om van te genieten. Nog steeds. Het lieflijke verhaal van Poetepoet is een mooi vertrekpunt.

Strips & comics

Gelezen: Aimee de Jongh – Snippers 9: De eindstreep

Tussen januari 2012 en juli 2017 verscheen de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh in treinkrant Metro. Vorig jaar maakte De Jongh bekend te stoppen met de dagboekserie over Aimée en haar huisgenoot Stef. Een moedige beslissing; weinig striptekenaars zullen de financiële zekerheid inleveren voor iets onbestemds, vooral als het ook nog eens een erg leuke en populaire strip is. Op donderdag 20 juli verscheen de laatste strook, waarin Aimée de metro uitstapt en met een koffertje in de hand de roltrap neemt: “Er is nog zoveel meer te ontdekken en daar heb ik zin in. Daarom gaan we, op zoek naar een nieuw avontuur.”

In het geval van Aimée de Jongh (1988) is het nieuwe avontuur haar tweede graphic novel die in mei van dit jaar, tijdens de Stripdagen van Haarlem, verschijnt; Bloesems in de herfst. Dit album maakte ze samen met scenarist Zidrou (Wie laatst lacht, De adoptie en het prachtige Lydie). Haar eerste graphic novel, De terugkeer van de wespendief, verscheen in veel vertalingen en werd verfilmd. Beide boeken zijn van een heel ander kaliber dan Snippers.

De eindstreep, deel 9 van de serie, is een dikkerd. Niet 48 pagina’s, zoals gebruikelijk, maar 64 pagina’s met stroken van de laatste anderhalf jaar, aangevuld met een geestige ‘Life after Snippers’ waarin De Jongh vertelt over de afkickverschijnselen van een dagelijkse strookstrip.

Een dagstrip trakteert de lezer elke dag op een glimlach, iets herkenbaars of op een knappe actuele inhaker. Snippers had het allemaal, en was bovendien slim geconstrueerd: Aimée en haar huisgenoot Stef waren een handig koppel om veel verhalen aan op te hangen. De ene licht-chaotisch en driftig, de ander voortdurend zogenaamd rotsvast en logisch. De grappen zijn soms plagerig, maar altijd herkenbaar en kleinmenselijk. Wie heeft er niet gevloekt op de trein? Wie heeft er geen mening over hipsterkoffie?

Niet altijd zijn dagbladstrips leuk om in een album te lezen: teveel achter elkaar legt vaak structuurtjes bloot en laat zien dat er uit dezelfde vaatjes wordt getapt. Dat is bij Snippers niet anders, maar toch stoort het niet. Leuk wordt het vooral als je de running gags, die je voorheen misschien gemist had, ineens ziet. Bij Snippers heten veel bijfiguren Willem, dat idee. Zo zit De eindstreep vol met kleine bijgein.

Er is niets mis met terugkijken, maar liever was deze recensie niet in de verleden tijd geschreven. Snippers is vertrokken, wat gelukkig is gebleven zijn negen albums, waarvan de laatste zelfs instaplezers kan overhalen de eerdere delen ook aan te schaffen, of in ieder geval te lezen.

Strips & comics

Gelezen: Annie Goetzinger – Meisje in Dior

Biografische strips zijn van een apart slag. Meer accuraat dan spannend, eerder vertellend dan meeslepend. Als de auteur zich puur richt op geschiedschrijving verschilt een biografie nauwelijks van een biografische strip. Annie Goetzinger, de Franse strip- en modetekenaar die afgelopen december op 66-jarige leeftijd overleed, heeft wat dat betreft een slimme keuze gemaakt met ene biografie over mode-icoon Christian Dior: het geeft haar de gelegenheid ’s mans werk te laten zien, in mooie, kleurrijke pagina’s.

Meisje in Dior is het flinterdunne verhaal over de jonge modejournalist Clara, die uiteindelijk als mannequin op de catwalk van het befaamde modehuis belandt. Het geeft Goetzinger alle gelegenheid om te schijnen: de lange avondjurken waarmee Dior (1905 – 1957) grote faam verwierf in de jaren veertig, en waarmee hij de Amerikaanse modewereld na veel tegenwerking overtuigde, worden in al hun glorie getoond. Deze stripbiografie bewijst daarmee haar nut. Praten over haute couture is een stuk oninteressanter, zeker voor de betrekkelijke leek.

Goetzinger heeft zich terdege gedocumenteerd. De ensembles en jurken zijn exact. Achter in het album is een dossier opgenomen met een biografische tijdlijn en een groot aantal mooi uitgewerkte mode-illustraties.

Meisje in Dior is geen uitmuntend verhaal. Daarvoor is alles te clichématig opgezet en uitgewerkt. Clara is het klassieke personage: de jonge vrouw van eenvoudiger komaf die bij toeval in de jet set belandt. Toch is dit geen groot bezwaar, al meteen is duidelijk dat het verhaal niet leunt op intriges of spanningsbogen.

Wel jammer is dat Christian Dior vrij vlak en zouteloos overkomt. Hij schuifelt en smiespelt maar wat rond, maakt intussen wat krabbeltjes en beziet alles met een flauwe oogopslag. Meisje in Dior is duidelijk niet op de persoon geschreven: het gaat hier om zijn werk, zijn creaties. Eigenlijk wil Goetzinger vooral laten zien hoe bedreven ze is in het uitwerken van haute couture, en daar is niets mis mee. Meisje in Dior is feitelijk een bloemlezing, nauwelijks een biografie.

Wat stripbiografieën vaak de moeite waard maakt zijn de inkijkjes in de psyche van de hoofdpersoon. Goede voorbeelden zijn Alain Passard, de wereld van een meesterchef door Christophe Blain en Audubon, On the wings of the world van Fabien Grolleau en Jérémie Royer.

Die laatste is in het bijzonder zeer de moeite waard: kunstschilder en onderzoeker John James Audubon (1785-1851) is onder vogelaars en natuurvorsers beroemd vanwege zijn grillige en buitensporige vogelplaten die hij maakte en die verschenen in het prachtige overzichtswerk The Birds of America.
Audubon, On the wings of the world is een schitterend verhaal over een bevlogen genie die zijn leven in dienst stelde van een meesterproef: alle vogels van het continent vastleggen. In 2010 werd een compleet exemplaar van The Birds of America geveild voor 11,5 miljoen dollar. Over iemand met zo’n nalatenschap en impact wíl je alles weten.

Goetzinger koos voor een andere route: wie meer over Dior wil weten, kan terecht bij een overvloed aan biografieën. Wie de tijdgeest, de sfeer en de reuring wil proeven, heeft met Meisje in Dior een vriendelijk en interessant album in handen.

Strips & comics

Gelezen: Ichigo Takano – Orange & Orange Future

Manga is er in vele vormen en stijlen. De serie Orange, die in 2016 in twee flinke Engelstalige collections op de markt verscheen, hoort bij de vaandeldragers van de zogenaamde slice of life-manga. De serie van Ichigo Takano over een groep middelbareschoolvrienden is bedoeld voor shojo en seinen, de Japanse genrebenaming van manga voor respectievelijk meisjes en jongens in de young adult leeftijd.

Dat Orange een geweldig succes werd, ook in het Westen, komt omdat het verhaal niet per se voor jongeren is. Het is knap geconstrueerd in verschillende tijdlagen maar leest toch lekker weg. Vooral behoort Orange bij de moderne mangaklassiekers vanwege de typische manga-kenmerken die het in zich verenigt, zonder dat het grotesk of overdadig wordt: het verhaal is om te beginnen erg sterk, met veel ontwikkeling en diepgang; het tempo van de vertelling is rustig en uitgebreid.

De personages zijn zoet getekend en in wezen klassiek: het zijn keurige scholieren die zich tot elkaar verhouden met eerbied en afstand. Groepsdynamiek is belangrijker dan het individu, helpen en wegcijferen zijn deugden, verkeerd over iemand denken een doodzonde. En waar andere manga soms plat en eendimensionaal is, blinkt Orange juist uit in diepgang en een gelaagde verhaalstructuur.

Orange is een epische liefdesgeschiedenis die zich niet richt op wat is geweest, maar wat nog gaat komen. Op een dag krijgt Takamiya Naho een brief. De afzender is zij zelf, maar dan tien jaar ouder. In de brief leest ze dat er een jongen bij haar in de klas komt die later overlijdt, mogelijk zelfs door zelfmoord. Naho is ervan overtuigd dat ze deze jongen, Naruse Kakeru, kan helpen om te voorkomen dat het ergste gebeurt. Waarom zou ze anders deze brief krijgen? Het blijkt een voorbode voor spijt, angst en de wil om de loop van de geschiedenis te veranderen. Hoe voorkom je een tragedie? Deze vraag is geen kleinigheid voor jongvolwassenen.

Er ontwikkelt zich een verhaal waarbij het gedrag van Naho wordt bepaald door de brief die per dag vertelt wat er gebeurt. Als zij de gebeurtenissen zo kan plooien dat het verloop van de toekomst verandert, zal Kakeru vast blijven leven. Het blijkt moeilijker dan gedacht. Gaandeweg krijgt de toekomst steeds meer greep op Naho en haar vriendenclub, en komt het moment van afscheid steeds dichterbij. Natuurlijk wordt Naho verliefd op Kakeru en dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op. Wel veel mooier.

Ichigo Takano tekent het de personages met veel expressie. Op het eerste oog ziet het er overdreven uit. Tegelijkertijd leert de westerse lezer de in onze ogen overdreven Japanse omgangsvormen en etiquette kennen. Wie zich hieraan overgeeft heeft met Orange echt een mooi Japans verhaal te pakken.

Toch is het lezen van manga geen topzware gebeurtenis. Je bladert vrij snel door, en geen mangalezer zal daarom schrikken van dikke bundelingen: Orange telt twee delen van bijna 400 pagina’s en vorige maand verscheen een dunnetje van bijna 200 pagina’s, dat een deel van het verhaal nog eens vertelt vanuit een ander perspectief.

Dat dunnetje heet Orange Future en is een soort navertelling, door de ogen van Hiroto Suwa, een van de vrienden van Naho en Kakeru. Zijn kijk op de zaak is niet bijster anders, behalve dat hij erg kritisch is op zijn eigen rol in het geheel. Hoewel zijn vrienden een andere mening zijn toegedaan, vindt Suwa dat hij er niet genoeg voor Kakeru en de anderen is geweest.

Het knappe van de oorspronkelijke Orange is dat het uiteindelijk precies lang genoeg duurt en dat het de lezer in een fijn tempo naar de ontknoping leidt. Alles komt exact op tijd. Door Orange Future wordt het te lang, te uitgemolken: nog een keer spijt, nog een keer angst, nog een keer de wat-alsvraag.

Orange Future verscheen omdat van de manga onlangs een anime is gemaakt, met daarin een grotere rol voor Suwa. Voor de tv-serie was dat een slimme keuze, de manga kan prima zonder.

Orange blijft een slice of life-manga uit het topsegment, Orange Future is er voor de completisten of voor hen die heel nieuwsgierig blijven naar Naho, Suwa en de rest.

Strips & comics

Gelezen: Mikaël – Giant

Het is in Vlaanderen luid en duidelijk doorgedrongen dat de Hollanders niet altijd gelukkig zijn met hun Nederlandse vertalingen van Franstalig werk: de kritiek spitst zich toe op archaïsche vlamismen en onbekende staande uitdrukkingen, waardoor niet alles doorheen een verhaal steek houdt. Sinds een tijdje horen we soortgelijke geluiden nu ook van hun kant: de Nederlander zou zich ook schuldig aan maken aan vreemde vertalingen waar Vlamingen geen chocola van kunnen maken. Van weerszijden vreemd omdat we toch een gezamenlijke algemeen beschaafde taal gebruiken.

Een krasser staaltje was onlangs te lezen op een stripsite: de Nederlander moest maar een toontje lager zingen, omdat er meer Vlaamse albums naar Nederland gaan dan omgekeerd, in grotere aantallen bovendien. Wil je toch de albums lezen, dan oefen je maar in dat zogenaamde Vlaams. De Vlaming heeft namelijk nergens last van en vindt het onzin dat ‘zijn’ verhalen moeten worden aangepast aan een klagende minderheid, die met een beetje moeite best in staat is een album te lezen. Komaan hé.

En toch: de ene vertaling uit Vlaanderen is de andere niet. Het is dus maar net wie er op de klus is gezet. Het tweeluik Giant van de Franstalige Canadees Mikaël, dat onlangs als integraal album verscheen, heeft de pech dat de vertaling hier en daar rammelt. De zinnen, veel in spreektaal, zijn stroef en de dialogen komen onnatuurlijk over. Het maakt dat de leeservaring soms hapert en dat is zó spijtig: Het verhaal dat Mikaël vertelt is van een grote schoonheid.

Giant is een zacht liefdesverhaal in een harde en niemand ontziende omgeving, namelijk het New York van de jaren dertig. Het zijn de jaren van de verticale expansie van de stad: overal verrijzen hoge gebouwen, zoals Rockenfeller Plaza en de Empire State Building. Tegelijkertijd vertelt Giant het verhaal van de gastarbeiders uit met name Ierland die onder erbarmelijke omstandigheden te werk worden gesteld.

Giant is een van de Ierse gastarbeiders die de stalen geraamtes voor de wolkenkrabbers maakt. Hij zou te zien kunnen zijn op de overbekende iconische foto van de schaftende werklui op duizelingwekkende hoogte.

Giant, die zo wordt genoemd vanwege zijn imposante gestalte, is van de zwijgzame soort. Zijn collega’s krijgen geen vat op hem, al wordt zachtjes gefluisterd dat hij zijn levensgeluk is verloren in de strijd tussen de protestanten en katholieken, thuis in Ierland.

Als op een dag een landgenoot om het leven komt bij de werkzaamheden is het de beurt aan Giant om diens weduwe in te lichten. Hij stuurt haar een brief met geld, maar verzwijgt het overlijden van haar man. Wat volgt is een briefwisseling tussen Giant en de weduwe, die uiteindelijk besluit met het gespaarde geld de oversteek te maken: met haar kinderen staat ze op een dag bij Giant op de stoep.

Het verhaal van meer dan 100 pagina’s heeft een rustig verloop. De mooiste pagina’s zijn die waar weinig in wordt verteld: in illustratieve sequenties wordt de dagelijkse beslommering uitgebeeld en die horen tot de mooiste uit het album. Het zijn schitterende kijkplaten die aanvoelen als een nauwkeurige verslaglegging van de tijd: het straatbeeld, de kleding en de begindagen van het moderne New York. Mikaël heeft hetzelfde perfecte oog voor detail als Will Eisner, de stadschroniqueur van New York.

Wat het stadse karakter nog extra benadrukt is de constante aanwezigheid van de radiostem van Walter Winchell, die overal uit transistors schalt. Hij vertelt over politieke ontwikkelingen, de strijd tegen de Italiaanse maffia en de naderende verkiezingen. De sepiabruine kleurstelling die de pagina’s domineert zorgt voor een verhaal dat op verschillende niveaus klopt: de sfeer is uitmuntend in beeld gebracht.

Al deze pluspunten laten onverlet dat de vertaling het enige smetje is. Maar eerlijk is eerlijk: daar is mee te leven. Giant is een te sterk verhaal om te negeren. Deze Hollander leert best bij, het mag stilaan keren, hé.

Strips & comics

Comics Krenten aflevering 7

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het winternummer dat nu in de winkels ligt.

Dat manga zich tegenwoordig niet meer beperkt tot series van Aziatische origine, zie je aan de comics van Sherlock, naar de gelijknamige BBC-detectiveserie met Benedict Cumberbatch als Sherlock en Martin Freeman als Watson in de hoofdrollen. De tv-afleveringen worden per zes delen in comic uitgebracht. Inmiddels verschenen de series Study in Pink en The Blind Banker (beide in TPB, $12.99, Titan) en zijn we al een eind op weg in The Great Game.
De comics zijn duidelijk geen vrije bewerkingen of op zich zelf staande verhalen, maar volgen de afleveringen van de serie strikt, naar de scripts van de oorspronkelijke schrijvers. Beide comic runs zijn getekend door Jay. (met een punt achter zijn naam), in een vrij plastische maar daarmee ook overzichtelijke stijl.

De verhalen gaan volgens het beproefde tv-recept en van de twee verschenen TPB’s is de tweede het beste. The Blind Banker heeft alles wat een Sherlock-verhaal tof maakt: inbraken, duistere symbolen, een vleugje mystiek en vooral erg veel vragen. Over het tekenwerk is gemakkelijker zonder spoilers te praten: dat is strak en leunt heel sterk op de beide tv-personages die duidelijk herkenbaar zijn.
Voor lezers die de tv-serie niet kennen is de manga-Sherlock te gek, vanwege de lekkere vaart en de serieus-komische dialogen. Als je je nog niet eerder aan manga hebt gewaagd bovendien een perfecte instapmogelijkheid.

Monstress, de fantasy saga van Sana Takeda, op scenario van Marjorie Liu, is van een heel andere orde. Het is een geweldig verhaal over de magische Maika Halfwolf, een zogenaamde Arcanic van een jaar of veertien, die net als haar soortgenoten wordt opgejaagd door de Cumaea, een club slechteriken die hun krachten ontlenen aan de Arcaniërs. Het snoezige vosmeisje Kippa vergezeld Maika op haar tochten naar bevrijding en rechtsherstel.

Het verhaal gaat veel verder dan een beetje oorlog voeren en elkaar opjuinen; er zijn genoeg verwijzingen naar onversneden racisme en slavernij. Het tekenwerk is magnifiek, gedetailleeerd met schitterende arceringen, als een perfecte symbiose tussen Westerse fantasy en Aziatische tekenkunst. Het inkleurwerk is een regelrechte referentie voor het fantasygenre, vooral de zeescenes in de tweede verhaallijn zijn adembenemend.
De eerste TPB, Awakening ($16,99, Image), was al geweldig; het vervolg The Blood is vanwege de strijd op zee een nog impossantere leeservaring. Superlatieven, ik weet het. Voor deze keer mag het.

Strips & comics

Gelezen: Pénélope Bagieu – Wereldwijven 1

Het is gemakkelijk te denken dat de verhalenbundel Wereldwijven van de Franse tekenares Pénélope Bagieu voortkomt uit het huidige activistische tijdsgewricht; dat van #MeToo, vrouwenquota en girlpower. Maar eigenlijk is het album met de ondertitel ‘vrouwen die de wereld naar hun hand zetten’ vooral een vrolijke optocht van stoere wijven die zich van niets of niemand iets aantrekken.

Het stripalbum is geen pamflet dat bewijzen wil leveren. Natuurlijk nemen de geportretteerde vrouwen de nodige obstakels en zijn er genoeg vooroordelen te overwinnen, maar nergens wordt het politiek. De lezer wordt geen spiegel voorgehouden. De vertellingen hebben iets lichts, de vrouwen zijn cool en geëmancipeerd. Ze hebben lef en lak aan conventies, dat vooral, en die vanzelfsprekende toon pakt goed uit.

In vijftien episodes vertelt Bagieu de markante geschiedenissen van vrouwen als Joséphine Baker, Annette Kellerman, Tove Jansson, Josephina van Gorkum, Wu Zetian en Nzinga. Anders gezegd: biografieën over een zeemeermin, een gynaecologe, koningin, keizerin tot en met sociaal werkster, de vrouw met de baard en de bedenkster van Moomin.

Het mooie van de verhalen is de vertelstem van Bagieu: die is jolig, vrolijk en speels, met een vloeiende afwisseling van verhaal en dialoog. De pagina’s hebben daarmee iets weg van Pieter Geelens Anton Dingeman uit Trouw.

Het tekenwerk is rustig, met weinig achtergronden en details. We zien vooral koppen en figuren. De tekst dwarrelt over de pagina’s wat het geheel een frivole en open uitstraling geeft. Dit wordt extra krachtig door de zwierige handlettering van Frits Jonker, die in meerdere lettertypes de lagen van het verhaal perfect aanvoelt. Als er nog iets bewezen moet worden in de strijd tussen handlettering en computerfontjes, dan is Wereldwijven een mooi voorbeeld van de overwinning van het echte handwerk.

Wereldwijven is een groot succes in Frankrijk. Van de twee verschenen delen zijn inmiddels 250 duizend exemplaren verkocht. Op het tweede deel, toepasselijk Wereldwijven 2 geheten, is het nog even wachten: dat verschijnt pas volgend jaar in het Nederlands.

Strips & comics

Gelezen: Nagabe – The Girl From The Other Side, Siúil A Rún

Hier kijk je gemakkelijk overheen: The Girl From The Other Side is een mangareeks in het dark fantasy genre, dat het afgelopen jaar op klein formaat en in stemmig zwart omslagen verscheen. De eerste vier delen van wat vermoedelijk een vijf- of zesluik wordt, zijn inmiddels uit. Het verhaal is intrigerend en broeit al bij de eerste pagina’s. De lezer leert meteen: hier klopt iets niet. Zelden zo’n knappe opmaat gezien naar een verhaal dat erna alle tijd en ruimte krijgt zich te ontwikkelen tot een fascinerend modern sprookje.

De wereld van het verhaal is verdeeld in de Inside en de Outside; in de ene wereld wonen de mensen en in de andere de gedoemden, uitgebeeld als ranke, zwarte figuren met beestenkoppen. Wie verzeild raakt in de Outside en daar wordt aangeraakt door een gedoemde, wordt een van hen. En toch leeft er een klein meisje, Shiva, samen met een gedoemde die ze Teacher noemt. Hoe dat kan is een raadsel, in ieder geval ziet het huiselijke tafereeltje er lief en onbeholpen uit. Shiva helpt in het huishouden en doet niets liever dan theepartijtjes organiseren.

Uiteraard wordt Shiva ondanks alle voorzorgsmaatregelen van Teacher in de bossen ontdekt en wordt er jacht op haar gemaakt. Wellicht draagt zij het allesbepalende geheim met zich mee: hoe kan ze anders in de Outside leven zonder te veranderen? Die kennis zou voor de mensen uit de Inside een einde betekenen aan de levensbedreigende situatie.

Het verhaal lijkt een kruising tussen het apocalyptische sprookje Sweet Tooth van Jeff Lemire en de fantasywereld van The Ancient Magus’ Bride vanwege de overeenkomstige beestfiguren. Toch is The Girl From The Other Side veel innemender door de ontwapenende aanwezigheid van Shiva, en daarmee sterker als verhaal. Redt haar kinderlijke onschuld de wereld? Of is zij toch de intrigante die de lezer een rad voor ogen draait?

Zelden ging een verhaal zo ingenieus met het verteltempo om: de lezer wil het weten, maar nog niet meteen. Shiva wordt de tijd gegund om de hele geschiedenis te ontrafelen. Intussen geniet de lezer van het tekenwerk van Nagabe dat soms wat iel oogt, maar heel krachtig en filmisch is. The Girl From The Other Side mag bij de stripboer gerust op de plank met aanraders. Zoveel ruimte neemt het niet in.

 

Strips & comics

Gelezen: Steve Cuzor & Yves Sente – Een ster van zwart katoen

Op geen enkele manier is Een ster van zwart katoen een doorsnee verhaal over oorlog. Niet alleen bestrijkt het drie generaties, waarmee het van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog tot de Tweede Wereldoorlog reikt, ook de twee invalshoeken zijn bijzonder: enerzijds de zwarte strijd voor gelijke burgerrechten en anderszijds het werk van de geallieerde Monuments, Fine Arts, and Archives-divisie, die ten tijde van WO II belast was met het opsporen en terugbrengen van gestolen erfgoed. In Een ster van zwart katoen draait het om het prototype van de Amerikaanse vlag, zoals wij die nu kennen, destijds nog voorzien van dertien sterren en dertien witte en rode banen.

Johanna Bolton is een zwarte studente geschiedenis, in 1944 nog een zeldzaamheid, die een dagboek erft van een verre voorouder. Deze Angela Brown leefde tijdens de Onanfhankelijkheidsoorlog en in het dagboek beschrijft ze nauwgezet de laatste dagen van die strijd en de oprichting van de Verenigde Staten aan het einde van de achttiende eeuw. Betsy Ross, Angela’s werkgeefster, wordt verzocht de eerste versie van de stars & stripes te ontwerpen. Angela ziet de witte sterren als een ontkenning van de zwarte aanwezigheid in het land en pleegt een daad van verzet door ook de gekleurde Amerikaan een plek te geven op de vlag: zij naait een zwarte ster onder een van de witte sterren. Wie de vlag en daarmee de geschiedenis letterlijk tegen het licht houdt, zal zien dat de zwarte gemeenschap vanaf het begin bij Amerika heeft gehoord.

De vlag wordt in de vrijheidsstrijd die volgt buit gemaakt en verdwijnt uit het zicht, om eeuwen later in nazi-Duitsland op te duiken in de inboedel van een rijke Joodse zakenman, van wie het doek tijdens de Kristallnacht wordt ontvreemd. Het is aan de MFAA-divisie om het terug te vinden.

Colin Bolton is de broer van Johanna en is in Engeland gelegerd als militair in een zwarte divisie. Hun werk speelt zich niet af aan het front, omdat de legerleiding geen vertrouwen heeft in hun zwarte militairen. Johanna’s geestdrift om de vlag terug te vinden, slaat over op Colin die met twee collega’s de missie aanvaardt om de vlag terug te halen.

Het wonderlijke van Een ster van zwart katoen is dat het verhaal ondanks de thematiek en vele lijnen en invalshoeken geen zware kost oplevert. De strijd voor zwarte burgerrechten en het racisme in het Amerikaanse leger is nog steeds actueel, waarmee het verhaal dichtbij de lezer blijft: het is bepaald geen achterhaald historisch gegeven. De zoektocht naar de eerste vlag, beladen met symboliek, spreekt enorm tot de verbeelding en geeft de zoektocht van Colin en zijn kameraden een spannende extra dosis heldenmoed.

Het verhaal is mooi uitgebeeld, met veel filmische vaart en karakter in de koppen. De beide tijden, eind achttiende eeuw en de jaren veertig, zijn mooi uitgebeeld en in stemmige kleuren gevat. Klein smetje zijn enkele gesprekken van de zwarte militairen waaruit het virulente racisme blijkt: het wordt erg expliciet, terwijl het racisme overal voelbaar is. Wat je overtuigend genoeg laat zien hoef je niet ook nog eens letterlijk te zeggen.

Een ster van zwart katoen verscheen in de Vrije Vlucht-reeks, een serie losstaande albums van steeds verschillende auteurs, die steeds beter wordt. Met de jaren is het een kwaliteitsstempel geworden: de Vrije Vlucht staat voor knappe verhalen, met diepgang en finesse die bovendien niet kijken op een pagina meer of minder. Een ster van zwart katoen is 176 pagina’s lang; gelukkig, wat goed is mag duren.

Strips & comics

Gelezen: Frenk Meeuwsen – Zen zonder meester

Het stripdebuut van Frenk Meeuwsen is bepaald geen niemendalletje. In bijna 300 pagina’s vertelt hij het verhaal van Frenk die opgroeit in Nederland en een tijd in Japan woont. Frenk heeft een bovenmatige interesse in het spirituele en bezit de gave van de verwondering: hij staat open voor veel fenomenen, maar behoudt toch zijn nuchterheid. De titel verwijst hiernaar: ook zonder leidraad of goeroe kun je een goed leven leiden; een dat prima in balans is. Frenk vraagt zich terloops af of een perfect leven wel nastrevenswaardig is. Misschien dat het nog beter is om alles gewoon te laten gebeuren.

Zen zonder meester heeft een hoge herleesfactor. Wie het album in de buurt houdt, zal zien dat het steeds uitnodigt om er even bij te pakken. Er zijn veel verhaallijnen die niet af of opgelost zijn na eerste lezing. Zo’n scene doet zich voor aan tafel als Frenk vraagt hoe klappen met één hand klinkt. Terwijl het hem niet lukt de idee achter de vraag op te lossen, vergeet hij het belangrijkste: het te doen, om te horen. En ja, zo klinkt het. Dat een vraag niet voor de hand ligt (no pun intended), wil niet zeggen dat er geen antwoord mogelijk is. Dit klinkt anekdotisch, maar de vraag blijft toch rondzingen: misschien zit hetzelfde gegeven ook in andere zaken verstopt. Het zet de lezer op scherp.

Een ander slim gegeven is dat het personage Frenk niet wordt geportretteerd als een zweverige jongeman, waarmee de clichés geen vat om hem krijgen. Hij is eerder filosofisch angehaucht dan mystiek geïnteresseerd.

Zen zonder meester is een interessante en vooral leuke leeservaring. Juist doordat Frenk met een open en scherpe blik naar alles kijkt, weet hij steeds een dimensie aan zijn observaties toe te voegen. Feitelijk demystificeert hij de grote gebaren om tot de kern door te dringen: geloof geen man die zich Ayoshi noemt maar gewoon Jan heet; het boeddhisme is een opeenvolging van rituelen en mediteren is zitten en niet veel meer. Het grappige is dat Meeuwsen het met dezelfde stelligheid beweert als de Ayoshi’s van onze samenleving: ook Zen zonder meester heeft onmiskenbaar zelfhulpboekachtige trekjes, zij het op lichtvoetige wijze.

Zen zonder meester is een verhaal dat de juiste toon aanslaat en de lezer veel inzichten geeft. Lees het met dat idee en je zult aangenaam verrast worden. Het is bovendien een album dat ook voor minder doorgewinterde striplezers een prettige kennismaking met het medium is.

Strips & comics

Gelezen: Laurent Verron & Yves Sente – Ze noemden hem Rooie

Hoewel Ze noemden hem Rooie gaat over een robbedoes en we uiteindelijk te maken blijken te hebben met het personage dat model stond voor Robbedoes, is dit feitelijk geen Robbedoes-verhaal. Rooie wordt in het album gepresenteerd als het personage op wie de heldhaftige piccolo uiteindelijk is gemodelleerd. Toch past het qua formaat en opzet in de Robbedoes door…-reeks, de serie rond de piccolo die steeds door andere auteurs wordt getekend.

Deze keer is het de beurt aan Verron, die ons een heel andere blik gunt op het robbedoesuniversum dat met name Franquin heeft vormgegeven en dat wij doorgaans als referentie beschouwen. Verron tekent krasseriger, realistischer en met lekker veel soul. De pagina’s swingen en zien er -ondanks de soms bedompte kleuren- goed uit.

Het verhaal gaat min of meer over Rooie, een acrobaatje van een jaar of twaalf dat besluit naar Amerika te vertrekken nadat zijn moeder komt te overlijden in het circus. Het is eigenlijk een van de verhaallijnen die tezamen komen op een cruisschip met bestemming Amerika: Rooie heeft aangemonsterd op het luxe schip, waarop ook een rijke industrieel en zijn zieke dochter meereizen. De industrieel heeft even daarvoor honderden mensen ontslagen en op de boot wordt hij gechanteerd door gedupeerde werklui, die de ontslagronde ongedaan willen maken. Dat is feitelijk de hoofdvertelling van het verhaal. Intussen ziet het dochtertje onze Rooie wel zitten.

Er ontwikkelt zich een avontuur waarin Rooie, de bemanning en de industrieel steeds achter de feiten aanlopen: ze hebben de eerste aanslagdreiging amper verijdeld of er dient zich een tweede aan, en daarna ook nog een diefstal. Het enige wat ze doen is anticiperen. Steeds opnieuw moet er iets worden opgelost, totdat alles en iedereen ontmaskerd is. En dan blijkt de geschiedenis van Rooie en de dochter ineens belangrijker dan die van de gedupeerde werknemers. Dat probleem is zijdelings afgewikkeld.

Scenarist Yves Sente heeft er een interessant gegeven aan toegevoegd: een van de kapiteins op het schip is Robert Velter, die in zijn vrije tijd niet onverdienstelijk (strip)tekeningen maakt. Deze Velter heeft echt bestaan en is de geestelijk vader van het figuurtje Robbedoes, dat hij in 1934 bedacht. Op de boot ontmoet hij Martin Branner, de striptekenaar van Winny Winkle, die hem een baan aanbiedt als assistent. Ook dat is historisch juist. Of Velter echt een jongetje heeft gekend dat Rooie heette en model stond voor Robbedoes vertellen de geschiedenisboeken niet.

Ze noemden hem Rooie is ondanks de buitelende opeenvolging van gebeurtenissen toch een leuk verhaal geworden. De tekeningen van Verron zijn mooi, actief en het verhaal heeft veel vaart. Misschien beter om afgeleide Robbedoesverhalen niet steeds langs de meetlat van Franquin te leggen: dit album biedt genoeg leesplezier. En 78 pagina’s op groot formaat is ook nog eens waar voor je geld.

Strips & comics

Gelezen: M.L. James – Ghost Stories of an Antiquary, a graphic collection I & II

Het literaire oeuvre van H.P. Lovecraft (1890-1937) is al decennia een inspiratiebron voor striptekenaars, de laatste jaren nog meer dan voorheen. Vijf jaar geleden verscheen van Erik Kriek Het onzienbare en andere verhalen, waarin opgenomen zes kortverhalen van de Amerikaanse horrorschrijver. De Britse tekenaar Ian Culbard heeft inmiddels een omvangrijke serie Lovecraft-albums, waarvan The case of Charles Dexter Ward echt geweldig is. In het populaire steampunk-genre wordt geregeld een Lovecraft-klassieker bewerkt, om nog maar te zwijgen van de tientallen horror-comicseries die geïnspireerd zijn op diens werk: Mike Mignola’s Hellboy, Alan Moore’s Necronomicon en Scott Snyder’s The Wake.

Over inspiratie gesproken: Lovecraft zelf was een groot bewonderaar van het werk van Montague Rhodes James (1862-1936), een Engelse horror & fantasy-auteur die schreef onder de naam M.R. James. ‘A literary weird fictionalist of the very first rank’, vond Lovecraft. Van deze James verschenen niet eerder stripbewerkingen. Tot voor kort.

Ghost Stories of an Antiquary heet de verzameling korte verhalen waarvan afgelopen jaar het tweede deel verscheen, met een identieke omslag als het eerste, behalve de kleurstelling. De titel verwijst naar een roman van James uit 1904. Beide grafische bloemlezingen zijn een fraaie ontdekkingstocht: niet alleen zal het voor veel lezers de eerste kennismaking zijn met het werk van James, ook lezen we hoe een soortgenoot van Lovecraft het genre vorm gaf. En misschien waar H.P. de mosterd haalde.

Om te beginnen gaat het bij James vooral om geesten en dus vaak om de bovennatuurlijke suggestie. De verhalen draaien voornamelijk om de angst van de personages in combinatie met een nieuwsgierige fascinatie voor het occulte en middeleeuwse. Een mooi voorbeeld is het verhaal Canon Alberic’s Scrap-book, van de hand van de Spaanse tekenaar Aneke.

De flamboyante Dennistoun is een vorser van oude geschriften en raakt verzeilt in de Pyreneeën waar hij zich verdiept in kerkelijke geschriften. Aanvankelijk slaat hij alle mystieke waarschuwingen in de wind, maar gaandeweg moet hij zelf ook erkennen dat er onverklaarbare zaken plaatsvinden: hoe meer hij te weten komt, des te prominenter de dreiging. Tot dat hij denkt te begrijpen wat er gaande is.

De horror en suspense in de verhalen is niet van de smerige soort. Er zijn geen zombies en afgehakte ledematen; de onderwerpen zijn verhevener, met thema’s uit de architectuur en kunst, in een academische context. Er wordt veel gelezen en gediscussieerd, de personages zijn bepaald niet onbemiddeld. Het vuige zit in de middeleeuwse thematiek, vaak de bron van onderzoek.

De vorm van een bloemlezing pakt in dit geval goed uit, vanwege de verscheidenheid aan stijlen: van de klare lijn van George Kambadais en Fouad Mezher tot de poëtische en kleurrijke pagina’s van Meghan Hetrick. Alisdair Wood weet met zijn bewerking van The Ash-tree het wezen van James’ werk het beste uit te beelden, met grimmige, fragmentarische illustraties die lezen als een fotoverslag van een ongeval.

Het oorspronkelijke taalgebruik en de dialogen zijn grotendeels overeind gehouden en dat geeft de verhalen raffinement en schwung. Zo geniet de lezer optimaal van het oorspronkelijke literaire werk, dat met de stripbewerkingen een ongezonde extra dosis horror meekrijgt.

Strips & comics

Gelezen: Jack Manini & Michel Chevereau – Onder een loden hemel

Soms heb je gewoon het geluk dat alles op zijn plaats valt. Dat je op pagina 10 al weet dat je goed zit voor de komende twee uur. Die kans is groot met Onder een loden hemel, een tweedelige strip van de hand van Michel Chevereau en scenarist Jack Manini, over een vliegtuigbouwer die na WO II naar Argentinië vertrekt om daar de regering te overtuigen van zijn superieure jachtvliegtuig. Maar pas op, het is niet de zoveelste vliegtuigstrip; dit is veel meer.

Het verhaal is wat betreft stijl, uitstraling en historische verantwoording perfect uitgewerkt. Alles is op één lijn: de tekeningen, inkleuring, vaart en opbouw, en dat in een historische setting die het verhaal perfect draagt.

Onder een loden hemel begint in Buenos Aires, in september 1945, als er onrust is tussen voor- en tegenstanders van Juan Perón en zijn maitresse Eva Duarte. Als Perón gevangen wordt genomen, breekt de pleuris uit. Hij wordt vrijgelaten en kort daarna verkozen tot president van Argentinië. Hij is dan inmiddels getrouwd en zijn vrouw, Eva Perón, ontpopt zich als weldoener voor de gewone, armlastige Argentijn.

In die historisch turbulente tijd werkt een Franse vliegtuigbouwer aan het prototype van zijn jachtvliegtuig, in de hoop de regering van Argentinië te interesseren. Vanwege de stroperige, wantrouwende ambtenarij krijgt deze Jean Vatine geen voet aan de grond. Pas als hij in contact komt met Consuela Martinez verandert de zaak: zij is een goede vriendin van Eva Perón en kan zo haar invloed aanwenden. Het gaat Jean ineens voor de wind, met een schone wederhelft die hem bovendien zakelijk tot grote hoogten stuwt.

Het prototype komt er, maar dan blijkt dat Vatine niet de enige gegadigde is. Ook een Duits gezelschap, onder leiding van de perfect getypecaste Gunther Rauff, dingt mee naar de gunsten. Voor het ministerie van defensie een uitgemaakte zaak: degene met het beste vliegtuig krijgt de opdracht.

Wat volgt is een venijnige wedijver met sabotage-acties, infiltranten en achterdocht. Het verhaal ontwikkelt zich niet alleen op aviatisch gebied; ook op het romantische vlak breken stormachtige tijden aan, aangezwengeld door nota bene de dochter van Consuela en de zoon van Jean.

Het verhaal werkt slim naar het sluitstuk toe. Op allerlei vlakken wordt de onderlinge rivaliteit uitgevochten, met spannende ontknopingen en verrassende wendingen als resultaat. Het verhaalgegeven van het beste vliegtuig blijft als enige een beetje hangen. De daadwerkelijke strijd blijkt een wedstrijdje snelvliegen. Buck Danny-lezers weten waar dat op uitdraait: toffe straaljagers met witte strepen uit de staart die de vliegrichting aangeven. In de Frans-Duitse tweestrijd suizen de vliegtuigen rakelings langs elkaar, als een spontaan maar grimmig luchtballet. Kies daar maar eens een winnaar uit.

Onder een loden hemel bestaat uit twee losse albums, die tegelijkertijd verschijnen. Aan het eerste album is een interessant dossier bijgevoegd over Duitse ingenieurs die meteen na WO II naar Argentinië vertrokken om daar zonder omzien verder te werken aan het perfecte gevechtsvliegtuig. Het dossier had even goed aan het tweede album toegevoegd kunnen worden, want dit verhaal is er niet naar om onderbroken te worden.

Strips & comics

Gelezen: Sammy Harkham – Crickets #6

Naast een wekelijkse stortvloed aan (superhelden)comics en een flinke hoeveelheid graphic novels, verschijnt er in de Verenigde Staten nog een soort stripverhalen. Deze hybridevorm heeft het uiterlijk van een comic, met nietjes, maar heeft qua inhoud meer weg van een tijdschrift. Meestal staan er naast een doorlopend verhaal, waarvan steeds een hoofdstuk wordt gepubliceerd, ook korte verhalen in, die soms zijdelings te maken hebben met de hoofdmoot.
Deze serials worden vooral in het alternatieve cicruit gemaakt: in eigen beheer, zonder strikt commerciële bedoelingen en daardoor meestal met een compromisloze, interessante onderwerpskeuze. Vaak zijn de verhalen autobiografisch, linksgeoriënteerd, experimenteel of zo specifiek van toon en vorm dat ze niet tot de mainstream worden gerekend.

In de jaren negentig nam de serial een enorme vlucht. Een selecte groep excellente striptekenaars wist met hun periodieken de aandacht te trekken van de grotere alternatieve uitgeverijen – Fantagraphics, Drawn&Quarterly en Alternative Press. Vaandeldragers waren Palookaville van Seth, Optic Nerve van Adrian Tomine en Eightball van Daniel Clowes; deze tekenaars begonnen allemaal met serials en behoren inmiddels tot de progressieve gevestigde orde. Hun werk heeft een enorme invloed gehad op veel hedendaagse striptekenaars, ook in Nederland.

In latere jaren verplaatste een deel van de jonge garde zich naar online publishing, maar nog altijd verschijnen er mooie serials op papier. Dat zijn met name Kevin Huizenga’s Ganges, een geniale strip waarin de trage alledaagsheid van protagonist Glenn Ganges onder een filosofisch en wetenschappelijk vergrootglas wordt gelegd, en Crickets van Sammy Harkham, dat stemmig wordt omschreven als een verhaal over lafheid, verbijstering, list en stompzinnigheid.

Van Harkhams Crickets verscheen onlangs het zesde nummer, waarin opgenomen het vierde deel van Blood of the virgin. Vanwege de flinke tijdspanne die tussen de nummers zit – meestal eens per jaar, Crickets #5 verscheen in 2016 – is het verhaal scenematig ingedeeld, zodat de lezer niet allerlei cliff hangers hoeft te onthouden. Seymour werkt als editor bij een filmbedrijf in Los Angeles, in 1971. Zijn wens is om ooit een film te regisseren; het script heeft hij al. Zijn ambitie en focus is aandoenlijk, de mensen om hem heen egocentrisch en vluchtig. Seymour zet alles op het spel en glijdt langzaam weg.

Het fraaie van het werk van Harkham, vooral in Blood of the virgin, is dat het verhaal zich op meerdere niveaus afspeelt: we zien het verval van Seymour prachtig in beeld en tegelijk lezen we dialogen waarin we een zelfverklaard filmmaker zien vasthouden aan zijn steeds kleiner wordende wensdroom en zo probeert overeind te blijven. Het is gaandeweg niet langer in overeenstemming met elkaar, al is er geen verteller die de lezer daarop wijst. Deze gang omlaag vindt bovendien plaats in een plastic entourage zoals we die van televisie kennen: de oppervlakkige kunstzinnige filmwereld, met haar lege feesten, luchtkusjes en de katers van hoop en verlies. Wat je ziet en wat je weet is niet in balans.

In Crickets #6 is naast het vierde deel van Blood of the virgin een kortverhaal opgenomen. Het is een bedaarde, trage bewerking van het gedicht War van de Ierse dichter Francis Ledwidge, die volgens hetzelfde procedé is opgezet: we lezen het ene en zien iets anders, waardoor de lezer werktuiglijk op zoek gaat naar datgene in het midden. Soms sluit de getekende voorstelling iets uit, een andere keer zet het ons op het spoor. Uiteindelijk moeten we ons tevreden stellen met de ontdekkingen die we zelf doen. Het is de methode die Harkham al sinds zijn indrukwekkende korte verhaal Poor Sailor hanteert: de indruk dient zich aan, de witte ruimte eromheen is voor de lezer. Of de titel indachtig: je hoort de krekel, maar je ziet ‘m nooit.

Strips & comics

Gelezen: Thomas Du Caju & Jean-Claude van Rijckeghem – Little England

Het tweeluik Little England kan maar zo een voltreffer zijn, want tekenaar Thomas Du Caju en scenarist Jean-Claude van Rijckeghem zijn niet van gisteren: zij hebben al acht albums van Betty en Dodge op hun naam staan. Dat is een heel behoorlijke serie, die zich afspeelt in de jaren dertig en qua sfeer en uitstraling in de buurt zit van Little England. Daarbij zien de strips er exact hetzelfde uit, vooral vanwege de plastische inkleuringen.

Little England is een tweedelige avonturenstrip die speelt in het door Engelsen overheerste Birma in 1941. De overdadige flapteksten laten er geen misverstand over bestaan: de cyclus is adembenemend, soms gevoelig en soms gewelddadig. Logisch ook, de pas zestienjarige hoofdpersoon Jonathan is terechtgekomen in de maalstroom van de geschiedenis, terwijl hij ook nog eens geconfronteerd wordt met zijn eigen gevoelens.
Hij is bovendien een halfbloed, met een Engelse vader en een Birmese moeder, en dat zorgt voor loyaliteitsproblemen en een gespleten kijk op de wereld om hem heen. In de verte rinkelen zachtjes de alarmbellen.

In Little England maakt de lezer kennis met de opstandige puber Jonathan, met zijn strenge vader die altijd in militaire kleding rondloopt en met de schoolmeester, die zwaaiend met zijn tuchtroede voorkomt dat de jongens op het verkeerde pad raken: geen onzedige gedachten en geen gegluur naar sportende meisjes.

Dat Jonathan een paar pagina’s verderop door toedoen van zijn wilde oom verzeild raakt in de slaapkamer van een nachtclubdanseres en zijn hart aan haar verliest: het kan nog net. Sommige jongens worden in een paar pagina’s volwassen. Maar dat deze dansende Ruby eigenlijk een spion is voor de Japanners en dat de vasthoudende Jonathan haar werkzaamheden met zijn gevlei erg ingewikkeld maakt, is al moeilijker voor te stellen. Het verhaal is dan pas net begonnen.

De geschiedenis wordt gaandeweg zo onwaarschijnlijk, met zoveel toevalligheden en plotwendingen, dat het zelfs met ducttape lastig bij elkaar te houden is. Complete scenes worden opgevoerd om het verhaal kloppend te houden en geen gedraging blijft onbenoemd: alles en iedereen wordt verklaard, wat de gesprekken topzwaar en onwaarschijnlijk maakt.

Als na verloop van tijd een Japanner dodelijk wordt getroffen door een haarspeld, die Jonathan nota bene als aandenken had gepikt en later aan Ruby teruggeeft, is het verhaal over de rand van geloofwaardigheid gekukeld. Daarna krijgt hij nog een amulet van een grotbewoner, die Jonathan ontmoet als hij over een muurtje struikelt en naar beneden valt. Waarom? Geen idee. Wie zich dat soort zaken afvraagt, komt al snel hopeloos in de knel.

Het einde van het tweeluik is exemplarisch voor het verhaal. De onfortuinlijke jongeman die even daarvoor nog met zijn hoofd in een strop stak, zijn vader voor zijn ogen ziet sterven, een aanslag overleeft én een slagregen aan vliegtuigbommen trotseert, besluit zich te verenigen met zijn klasgenootje Becky. Hij vindt haar vlakbij in een huis dat als enige niet door de bommen is getroffen. Becky, niet werkelijk onder de indruk van de verschrikkingen om haar heen, weet waarom ze gespaard is: zij kreeg het amulet van Jonathan en dat heeft haar beschermd. Alsof er niets aan de hand is moet er ontbeten worden en zit het verhaal erop.