Strips & comics

Gelezen: Raymond Macherot – Chlorophyl integrales 1, 2 en 3

Met de derde integrale die onlangs verscheen, is de avonturenreeks van de moedige eikelmuis Chlorophyl compleet heruitgegeven. Een integrale, voor wie niet heeft opgelet, is een bundeling in harde kaft van albums uit een stripserie, vaak voorzien van een achtergronddossier. De integrale is een succes én een aanslag op de portemonnee van de nostalgische stripliefhebber, die de keuze heeft uit werkelijk tientallen series die keurig opnieuw en in alle glorie worden bezorgd: met een frisse letter, vaak opnieuw ingekleurd en op beter papier. En compleet, waarmee het voer is voor completisten – van wie er bijzonder veel zijn in stripkringen.

Wie niet voor het complete aanbod gaat, moet kiezen: anders is er geen houden aan. Tips dus. Eén van de series die hoog scoort in het integrale aanbod is Chlorophyl, de mild-satirische dierenstrip van Fransman Raymond Macherot (1924-2008) die tussen 1954 en 1964 verscheen in het weekblad Kuifje. Op het eerste oog is het een kinderstrip, maar wie eenmaal aan de verhalen begint ontdekt snel dat er meer aan de hand is. In een stormachtige vaart worden allerlei maatschappelijke thema’s aangestipt.

De muisjes blijken ook nog behoorlijk actueel: er wordt strijd geleverd tegen dierlijke despoten met hun volgzame legers en als er een wordt gedreigd met een zytroonbituurbom, dan weet de lezer genoeg. Chlorophyls antagonist, de smerige rat Anthraciet, laat geen mogelijkheid onbenut om de macht te grijpen; alle lelijkheid van machthebbers is in hem verenigd. Je leest snel genoeg dat de strip verscheen midden in de Koude Oorlog. In het album Chlorophyl waagt een gokje hoeven we niet ver te zoeken: de overeenkomsten met het nazisme en de Tweede Wereldoorlog zijn evident.

Het wonderlijke van de serie is dat de verhalen nooit lezen als een klassieke kinderstrip. Daarvoor voegde Macherot er eenvoudig teveel wrange verhaalelementen aan toe: er gaan genoeg beestjes dood, zonder dat er werkelijk naar ze om wordt gekeken bijvoorbeeld. Collateral damage is heel gewoon bij de verhalen, al lijkt Macherot wel steeds naar een happy end te streven. Het maakt de verhalen tweezijdig: je kunt ze met een beetje goede wil zien als aanklacht tegen de mensheid, maar dan zonder prententies.

De achtergronddossiers zijn dik in orde. Uitgeverij Scratch hanteert wat die betreft een hoge standaard: uitvoerig, informatief en met veel illustratiemateriaal. Het fraaie van de dossiers is dat ze de verhalen van een tijdsgeest voorzien. De oude foto’s van redacties, met tekentafels en statige bureaus geven een mooi beeld van hoe het was.

Zo lezen we in het dossier dat men op de redactie van Kuifje niet bijster gelukkig was met Macherot en zijn zwaarmoedige verhalen. Het laatste grote verhaal, Chloro leidt de aanval, laat er geen twijfel over bestaan dat Chlorophyl weer midden in de Tweede Wereldoorlog terecht is gekomen. Het is de druppel. Voor die tijd liet de uitgever al blijken niet gecharmeerd te zijn van de verhalen door ze in slappe kaft uit te geven, of helemaal niet. Macherot verkast naar de concurrent, stripblad Robbedoes, en is nog jaren betrekkelijk succesvol met series als Snoesje en Poezekat. Het zijn strips zonder venijnig randje wat Chlorophyl juist zo goed maakt. Deze drie integrale uitgaven geven de lezer de kans deze unieke strip, met heel veel bonusverhalen en goede dossiers, te lezen. In Scrabble-termen: drie keer meerwaarde.

Raymond Macherot – Chlorophyl – Integrales 1, 2 en 3. Scratch. 208 pagina’s per deel, hardcover. € 27,50 per deel.

In deel 1: Chlorophyl tegen de zwarte ratten, Chlorophyl en de samenzweerders, Geen salami voor Philomeen;

In deel 2: De spoorpiraten, Zizanion de verschrikkelijke, De terugkeer van Chlorophyl, Pas op voor de verf!;

In deel 3: De Wraak van Anthraciet, Chlorophyl waagt een gokje, De drie nozems, Chloro leidt de aanval, De leugentoeter.

Strips & comics

Gelezen: Carole Maurel & Mariko Tamaki – Luisa: Now and Then

Op een dag neemt de vijftienjarige Luisa Arambol de bus en dommelt onderweg in slaap. Als ze uitstapt, weet ze niet waar ze is. Logisch, Luisa is zonder het te weten bijna twintig jaar later terechtgekomen in Parijs, waar ze dan zelf woont. Met dit opmerkelijke tijdreisgegeven begint voor de lezer tegelijkertijd het verhaal van een vroege dertiger die zich tegenover een goede vriend op een terrasje beklaagt over haar leven: dat van haar weinig inspirerende werk, haar kleine appartement en de reeks stukgelopen relaties. Deze dertiger heet ook Luisa.
Haar jonge versie ondervindt intussen problemen met haar Franse franken en wordt bovendien raar aangekeken omdat ze geen mobiele telefoon heeft. Ze wordt opgevangen door Sasha, die de overbuurvrouw van Luisa blijkt te zijn.

Via Sasha ontmoeten beide Luisa’s elkaar en wordt ze duidelijk dat er iets vreemds aan de hand is. Tot zover is het jezelf-ontmoeten-in-de-toekomst-idee vrij klassiek uitgewerkt, maar waar het in veel gevallen een feel good verhaal oplevert, gebeurt dat hier niet: als de Luisa’s eenmaal hebben geaccepteerd in welke situatie ze zich bevinden, worden ze minder toegeeflijk naar elkaar. De oude vindt de jonge naïef, omgekeerd wil de jonge niet zo worden als de oude.
En dan komen de lesbische gevoelens van de jonge Luisa ter sprake; gevoelens die de dertiger heeft geparkeerd, verdrongen en genegeerd. Gaandeweg ontdekken we de oorzaken: voor homoseksualiteit is niet werkelijk plaats geweest in de traditionele opvoeding van Luisa. Het gemis om te kunnen zijn wie ze wil zijn, staat ineens tussen beiden. Zal deze ontmoeting een oplossing brengen?

Het verhaal ontwikkelt zich daarna razendknap, met flashbacks en invoelende gesprekken. Daarbij bedient Maurel zich van prachtige symboliek: als Luisa op een dag naar haar werk gaat, doet ze werktuigelijk haar voordeur op slot, waarmee ze haar jongere zelf binnensluit. De scene die daarop volgt is heerlijk in beeld gebracht. De tiener weet de aandacht van buurvrouw Sasha te trekken en samen praten ze over het leven en uiteindelijk ook over hun gevoelens. Dat gaat noodgedwongen met een gesloten deur ertussen: ze leunen er aan weerskanten tegen en praten vrijuit. Omdat Sasha ook op vrouwen valt, hoopt Luisa vooral dat ze elkaar ‘in de toekomst’ nog zullen kennen.

Naarmate het verhaal vordert, groeien de twee Luisa’s dichter naar elkaar toe. Ze gaan zelfs op elkaar lijken, wat komisch in beeld wordt gebracht: de oudere versie krijgt weer puistjes en de jongere merkt dat haar borsten overnacht zijn gegroeid. Het is de geestige opmaat naar een intens conflict over een lunchafspraak met ‘hun’ moeder. Dat slotakkoord balt alle frustraties samen, al maakt de woede die beide Luisa’s voelen plaats voor mededogen. De omhelzing die volgt verenigt de twee voorgoed: gedane zaken nemen geen keer, maar de toekomst van Luisa lijkt ineens een stuk voorspoediger.

Het gesprek met de moeder is er één van bevrijding en afscheid tegelijk. Eindelijk kiest Luisa voor zichzelf. De lezer, die alles van heel dichtbij heeft beleefd, kan niet anders dan haar geluk en ongemak even intens meevoelen. Dat is de kracht van het verhaal, dat ver van clichés blijft en vooral niet voor antwoorden kiest. De Franse stripauteur Carole Maurel schreef Luisa: Now and Then duidelijk niet om een oplossing te bieden: het is niet het anekdotische dat telt, maar het gevoel.

De twee namen op het omslag wekken het idee dat Maurel en Tamaki de auteurs zijn, maar het zit anders: de graphic novel werd in het Frans geschreven en getekend door Maurel en in een later stadium aangepast door scenariste Mariko Tamaki, die haar sporen verdiende als auteur van Skim en het fraaie This Old Summer. De aanpassingen die zij deed bestonden uit het herschrijven van dialogen voor de Amerikaanse markt. Het is een niet eerder vertoond kunststukje, dat ook nog eens prominent op het omslag wordt vermeld. Of het nodig was, is aan anderen: het verhaal zoals het nu in het Engels verscheen, is in ieder geval perfect van tempo, souplesse en intensiteit. Ere wie ere toekomt.

Luisa: Now and Then is de mooiste graphic novel van het jaar. Los van het verhaal, dat aangrijpend wordt verteld met levensechte personages, is de mise-en-scène zo precies op maat en worden twijfels, frustraties en boosheid zo ingenieus in beeld gebracht, dat je mag hopen dat veel -heel veel- jonge mensen deze graphic novel zullen lezen. Deze titel hoort in canon van lhbt-strips thuis, en eigenlijk in de kast van iedere stripliefhebber.

Carole Maurel & Mariko Tamaki – Luisa: Now and Then. Humanoids. 272 pagina’s. 29.95.

Strips & comics

Gelezen: Ed Brubaker & Sean Phillips – My heroes have always been junkies

Als de herfst zich aandient, wrijft de stripliefheber zich in de handen. Het is bij uitstek de tijd dat er veel nieuwe albums verschijnen, en dit jaar is het niet anders. Wat opvalt is dat de graphic novels en strips dit jaar vooral erg fors van omvang zijn: een stapeltje nieuwe titels is zo een paar duizend pagina’s. Tillie Waldens nieuwe titel, On A Sunbeam, telt bijvoorbeeld 544 pagina’s, Typex’ biografie van Andy Warhol is 568 bladzijden en Berlin van Jason Lutes zelfs 580. Tussen die pillen valt de bescheiden, 72 pagina’s dikke strip noir van het gelauwerde duo Ed Brubaker (tekst) en Sean Phillips (tekeningen) bijna niet op. Wees op je hoede, want wie deze geweldige graphic novel over het hoofd ziet, mist een van de beste titels van 2018. My heroes have always been junkies is een compact verhaal dat je het best kan omschrijven als junkiepulp in een postmodern jasje.

In My heroes have always been junkies volgen we Ellie, een jonge vrouw die niet werkelijk verwend is door het leven: haar beide ouders waren junks, en in flash backs zien we in het verhaal hoe dat voor Ellie moet zijn geweest. Maar anders dan je verwacht, vertelt Ellie er bijzonder positief over: ze vond het zelfs betoverend, magisch. Als haar moeder gebruikte, bewoog ze prachtig, gracieus. Dan was ze niet alleen mooi maar ook eerlijk: na haar shot vertelde ze Ellie onophoudelijk hoe lief ze was. Was moeder nuchter, dan telde dat niet. Op weg naar het volgende roesmoment stond alles in het teken van het scoren.

Ellie luistert veel naar de lp’s van haar ouders, en de mooiste herinneringen heeft ze aan de muziek die werd gemaakt door onverbeterlijke gebruikers als David Bowie, Lou Reed en Brian Wilson. Maar vooral Billie Holiday betovert haar als jong meisje. Jaren later zit ze in een afkickkliniek tussen vermogende verslaafden, die op die manier de gevangenis ontlopen.

Als Ellie in een groepssessie over de aantrekkingskracht van heroïne spreekt, haalt ze de woorden van Keith Richards aan: The worst thing you can say about heroin will still make somebody want to try it. Het wordt haar niet in dank afgenomen.

Door haar rebellie valt ze op bij de achttienjarige Skip, die zich door haar laat verleiden tot druggebruik in de kliniek, en meer. Ellie wil groots en meeslepend leven, van roes naar roes, en haalt Skip over om mee te doen. En dan gaat het mis. Niet per se alleen met Skip overigens, want hoewel Brubaker en Phillips vaker een klassieke femme fatale opvoeren, is Ellie niet alleen maar een archetype. Daarvoor wordt ze te gevoelig neergezet, en verknipt: dat zeker ook. Samen gaan ze hun idee van het ware leven aan.

Schrijver Ed Brubaker en tekenaar Sean Phillips trekken al bijna twintig jaar samen op en hebben een waslijst met geweldige, wereldwijde bestsellers op hun naam staan, waaronder Criminal, The Fade Out, Fatale en onlangs nog het superspannende criminele hoogstandje Kill or be killed.
My heroes have always been junkies is hun laatste wapenfeit en hoewel beperkt van omvang is het zeker geen niemendalletje. Sterker, het is misschien hun beste kortverhaal van de laatste jaren: met name Ellie is vanwege haar romantische voorstelling van het junkieleven en haar manipulatieve karakter een prachtig, onvoorspelbaar personage, dat vanaf het begint intrigeert. Ze heeft niet het wanhopige dat junks hebben om hun verslaving te rechtvaardigen: ze vindt het simpelweg te mooi, bijna echter dan het leven zelf. Dat wij weten van haar jeugd, geeft Ellie iets treurigs.

De tristesse van het verhaal wordt niet alleen mooi verteld en uitgebeeld, maar extra krachtig neergezet door de schitterende inkleuringen van Jacob Phillips – broer van. Zijn beperkte maar excentrieke kleurpalet heeft op sommige pagina’s iets van risoprint en daarbij is het heel onstuimig vanwege de manier waarop hij heeft ingekleurd: niet per se binnen de lijntjes, maar heel vrij en met veel schmutz en drift.

My heroes have always been junkies is een verhaal dat op zoveel vlakken de perfectie benadert, dat het lastig is niet constant in superlatieven te spreken. Het is Brubaker en Phillips gelukt om een gelaagde strip af te leveren, in een pulpy setting nota bene, die perfect in 72 pagina’s past. Dat is de hele kunst.

Ed Brubaker & Sean Phillips – My heroes have always been junkies. Image. 72 pagina’s hardcover. 15,99.

Strips & comics

Gelezen: Marvano – Bonneville

In meerdere opzichten is het tweeluik Bonneville van de Belgische tekenaar Marvano (Marc van Oppen) een bijzondere leeservaring. Om te beginnen heeft het verhaal over de zogenaamde Land Speed Records een afwijkende narratief: voor de basis van Bonneville gebruikte Marvano het (fictieve?) manuscript Salt of the Earth van de Belgische Zeldine Johnson, die in 1959 als jong meisje naar de Verenigde Staten emigreerde. Marvano bleef in zijn uitwerking dicht op het manuscript; Bonneville leest als een goed gedocumenteerd dagboek, waarin de feitjes en cijfers van Johnson een prominente rol innemen.

De naam Bonneville verwijst naar de recordpiste op de immense zoutvlakten van Utah, de Bonneville Salt Flats, waar de omstandigheden ideaal zijn om records te vestigen met zelfgebouwde racewagens. In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw werd serieus werk gemaakt van snelheidsrecords. De twee albums van Bonneville, Vier nul zeven en 1968, documenteren minutieus alle pogingen, inclusief voorbereidingen en technische specificaties.

Al die omtrekkende bewegingen halen de vaart behoorlijk uit het verhaal: al gauw is helder dat hier meer werk wordt gemaakt van accurate geschiedschrijving dan van een avonturenverhaal. Dat pakt overigens goed uit, het is geenszins een diskwalificatie. Marvano’s benadering lijkt op die van Jiro Taniguchi in zijn vijfluik The summit of the gods, een uitvoerige vertelling over alpinisme van bijna tweeduizend pagina’s, al heeft Marvano al eerder blijk gegeven van een grondige, historisch verantwoorde aanpak met Grand Prix en in mindere mate De Joodse Brigade.

Vanwege deze methodiek is de vooruitgang die wordt beschreven niet bijster spannend: dat de auto’s mettertijd sneller gaan, is achteraf een gegeven. Het aanscherpen van weer een record leest niet als een ware zegetocht, daarvoor is de vertelling te feitelijk en te afstandelijk.

Toch grijpt Marvano de lezer met zijn prachtige tekeningen. De racemonsters zijn sensationeel van ontwerp; het wereldje van de Land Speed Records was er een van achterafschuurtjes en bevlogen mechaniciëns, ze waren beslist niet amateuristisch en kleurloos.

Wat verder opvalt aan met name de pagina-indeling is de rust en ruimte die Marvano neemt. Het weidse van de zoutvlakten lijkt als uitgangspunt genomen. Met name in het tweede deel zijn de pagina’s ruim opgezet, met grote kleurvlakken en stilistische perspectieven. De inkleuring van Bérengère Marquebreucq sluit perfect aan en geeft het verhaal bijna iets futuristisch.

Af en toe lijkt de vertelstem van Zeldine Jonhson op die van een ander. Het zijn de momenten dat ze zich eventjes naar ons heden verplaatst en op een vileine manier de huidige mens wegzet als ongeïnspireerd en laf. Dan lezen we ‘In de 21ste eeuw blinkt men uit in het dumpen van dingen: gezond verstand, respect, fatsoen, normen en waarden. Jongens van stavast, voor de duvel niet bang, zijn “quasi uitgestorven”, gedumpt.’ Is dit een sneer van de auteur, die immers te kennen heeft gegeven zijn tekenpen op te bergen omdat het hem niet meer bevalt in de wereld van het beeldverhaal? Is dit zijn manier om af te rekenen met de geesteloze figuren die artisticiteit niet waarderen en alleen bezig zijn met het draaien van omzet?

Onder welke omstandigheid ook, is het spijtig dat een zo getalenteerd en bijzonder verteller als Marvano ermee stopt. In het tweede deel, 1968, gaat het over perspectief, waarbij de lezer wordt aangespoord alle gegevens naar waarde te beoordelen. Wellicht dat de auteur zijn aangekondigde afscheid vanuit dat vertrekpunt wil heroverwegen. Een verhaal als Bonneville hoort niet het laatste te zijn in zo’n bijzonder oeuvre.

Bonneville 1: Vier nul zeven – Marvano. Dargaud. 48 pagina’s, hardcover. € 15,95.
Bonneville 2: 1968 – Marvano. Dargaud. Dargaud. 64 pagina’s, hardcover. € 15,95.
Afgerond verhaal in twee delen

Strips & comics

Gelezen: Christophe Simon & Jean van Hamme – Kivu

Een auteur die de Nobelprijs ontvangt, het is de droom van iedere uitgever: het zorgt voor aandacht en belangrijker nog, voor veel extra omzet. Dit jaar werd er geen Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt, maar viel wel een strip met de neus in de boter. In het album Kivu van tekenaar Christophe Simon en scenarist Jean van Hamme, dat afgelopen week verscheen, speelt kersvers Nobelprijswinnaar Denis Mukwege een belangrijke rol. Hij kreeg de meest vooraanstaande vredesprijs voor zijn werk als vrouwenarts in de door stammenoorlogen verscheurde Democratische Republiek Congo.

De hoofdrol in het album is voor de jonge ingenieur Francois Daans, werkzaam bij een multinational die actief is in Centraal-Afrika. Daans wordt verzocht een opvolger te vinden voor een vermoorde contactpersoon en beland zonder omhaal in een smerige zaak. Hij verblijft in de provincie Kivu, waar hij met behulp van een netwerkmannetje zijn taak moet volbrengen: een wrede warlord overtuigen om mineralen aan het fictieve handelshuis Metalurco te gaan leveren.

Daans maakt van dichtbij mee hoe mensen worden uitgebuit. Hij ziet verminkte slachtoffers en hoort over moordpartijen en rooftochten. Daans raakt er persoonlijk bij betrokken als hij de twaalfjarige Violette onder zijn hoede neemt, die even daarvoor is aangereden. Van haar hoort hij over de gruweldaden en ontdekt hij dat zijn aanwezigheid een belangrijke reden is voor het in stand houden van de gewelddadigheden: blanke westerlingen zijn er voor de grondstoffen en zolang zij goed betalen, zullen groepen elkaar naar het leven staan en om de macht strijden.

Volgens de auteurs, die aan het woord komen achterin het album, is dit een verhaal dat verteld móet worden, vanwege de urgentie van het probleem en de ernst van de situatie. Dat krijgt nu een flinke zet. Door de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan Denis Mukwege wordt er ineens voluit over gesproken en krijgen we te horen en te zien wat er al die jaren al mis is in Centraal-Afrika.

De reflex is herkenbaar. Politici en betrokkenen uit het veld verdringen zich aan de praattafels om te vertellen hoe bijzonder deze man is en met hoeveel toewijding hij honderden -nee, duizenden- vrouwen helpt. De argeloze televisiekijker zou zich kunnen afvragen waarom deze mensen zo lang hebben gewacht om ons over Mukwege en de situatie aldaar te vertellen, en waarom er niets aan wordt gedaan.

In het album Kivu wordt in de eerste pagina’s en belangrijke reden uit de doeken gedaan: het westen profiteert al jaren van de chaos door via allerlei tussenpersonen en warlords de handel in het mineraal coltan te regelen. Het mineraal, dat in de provincie Kivu en het aangrenzende Rwanda wordt gedolven, is van essentieel belang voor de productie van onder meer consumentenelectronica.

Dit westerse dubbelspel is het uitgangspunt van het album en werpt daarmee een ander licht op de situatie. Mukwege krijgt een prijs en wordt bewierookt door door instanties en politici die niet bij machte zijn de handel in mineralen – de oorzaak van alle ellende – buiten stuitende oorlogshandelingen te houden. In Kivu zijn met name de top van Metalurco en de louche tussenpersoon Peter de Bruyne vreselijk cynisch en achterbaks. Het maakt van Francois Daans een naïeve jongeling, die even in de mores van Afrika moet worden ingewijd. Vaak krijgt hij te horen ‘dat het hier nu eenmaal zo werkt’. Je verzetten tegen onrecht wordt afgedaan als dom, contraproductief en niet in het belang van het bedrijf. Maar vooral: een mensenleven is werkelijk niets waard. Wie macht heeft, beschikt.

Als verhaal hinkt Kivu op twee gedachten: enerzijds is het de strijd van een eenling tegen de verscheurende machten die gelden in grote delen van Afrika, tegelijkertijd willen de auteurs laten zien wat er gaande is: de politieke situatie en de brute werkelijkheid wordt uitvoerig en minutieus beschreven en uitgebeeld. Die twee kanten wrijven. De persoonlijke strijd van Daans en Violette leest als een avontuur, de entourage waarbinnen dit zich afspeelt is een wrede verslaglegging van de huidige situatie. Achtervolgingen per jeep worden afgewisseld met grondig gedocumenteerd journalistiek werk. Het kan, maar de spannende passages verhouden zich tot de werkelijkheid als The A-team tot het NOS-journaal.

Er is nauwelijks een spoortje menselijkheid te vinden, behalve in Bukavu: in zijn Panzi-ziekenhuis opereert Denis Mukwege verkrachte en verminkte vrouwen, en helpt hij ze op weg. In het verhaal, dat leest als een stortvloed aan ellende, onrecht en wreedheden, is Mukwege een baken van onverzettelijkheid en is zijn ommuurde ziekenhuis letterlijk het laatste toevluchtsoord voor Congolezen die het geweld willen ontvluchten. Dat deze bijzondere arts nu de Nobelprijs voor de Vrede heeft gewonnen, maakt het verhaal nog dwingender en krachtiger. Kivu van Simon en Van Hamme is een hard relaas, je zou wensen dat de Nobelprijs alles kan veranderen.

Kivu – Christophe Simon & Jean van Hamme. Lombard. 72 pagina’s, hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Dirk-Jan Hoek – De Hemingway Triatlon

Schrijver Ernest Hemingway (1899-1961) was het toonbeeld van de stoere man. Hij was succesvol in alles, bewierookt en aanbeden, en -vast daarom- behept met een behoorlijke dosis weerbarstigheid, die werd versterkt door zijn drankzucht. Een prima personage voor een stripbewerking, moet de Nederlandse graphic novelist Dirk-Jan Hoek hebben gedacht.

In De Hemingway Triatlon, dat onlangs verscheen, beschrijft hij een fase uit het leven van de Nobelprijswinnaar, waarin het allemaal niet meer op rolletjes loopt en de neergang lijkt ingezet.

Het is 1956 en Hemingway zit op Cuba zijn tijd te verdoen. Hij kampt met een gigantisch writers block, wat mooi in beeld wordt gebracht door Hoek. In rustige en ruim opgezette, zwart witte pagina’s zet hij de sleur uiteen. De schrijver staart, zucht, is snel afgeleid en vindt het al te snel mooi geweest. Dan volgt het eerste glas en de rest van de dag is hij niet te genieten.

Zijn laatste roman, Across the River and into the Trees uit 1950, kreeg slechte kritieken (‘een potsierlijk wangedrocht’) en in de nasleep van die deceptie verspeelt Hemingway veel krediet: Hij vertoont zich minder in het openbaar en is onberekenbaar en humeurig. In een treffende scene beschrijft Hoek een ontmoeting tussen Hemingway en zijn uitgever, Charles Scribner. ‘Als je erop staat, dan geven we het uit. Het blijft een Hemingway, verkopen zal het wel,’ meldt de uitgever droogjes, om er zonder omhaal aan toe te voegen dat de schrijver zich beter alvast voorbereidt op de stevige mening van de critici. Over vertrouwen gesproken.

Terwijl Hemingway daarna zijn agressie tempert met veel sterke drank, ontmoet hij de eigenaardige George Adams, een dwingende charlatan die de schrijver goede recensies belooft. Hij hoeft zich hoegenaamd geen zorgen te maken over zijn nieuwe roman, deze Adams zal het wel regelen. Zomaar? Niet helemaal, Adams wil zijn levensverhaal uitgeven en Hemingway moet het schrijven.

Wat volgt is een vrij lange ontwikkeling tussen de twee: Hemingway vertrouwt Adams niet, dan laat hij hem weer toe, toch niet, et cetera. De wispelturigheid van Hemingway en het vreemde gedrag van Adams komt het verhaal na hun ontmoeting niet bepaald ten goede: het is op z’n best een paringsdans van twee vreemde vogels, die elkaars bedoelingen misverstaan.

Hoek beeldt Hemingway uit als een tragische figuur: een krachteloze, impotente macho met een drankprobleem, die zijn gevoel voor decorum langzaam maar zeker verliest. Zijn openbare dronkenschap heeft iets betreurenswaardigs (‘Wat een rare man! Hij lijkt op Ernest Hemingway!’) behalve als hij zich met zijn vrienden waagt aan de traditionele Hemingway Triatlon: jagen, zuipen en neuken. Dan manifesteert hij zich als de mannetjesputter van weleer, al is hij zijn jagersinstinct kwijt en weet hij zich geen raad met de dame van plezier met wie hij voor de vorm naar bed gaat. De impotentie van Hemingway wordt kolderiek uitgewerkt in het album: een beteuterde Hemingway voelt zuchtend in zijn broek en de bedscene tijdens de triatlon wordt luidruchtig gefaket.

De Hemingway Triatlon leest vlot. Hoek kan echt vertellen, schrijft invoelende dialogen en houdt de lezer goed vast. Het zorgt ervoor dat er niet veel tijd is om je te verwonderen over de soms vreemde perspectieven, houdingen en gezichtsuitdrukkingen. Waar Hoeks tekeningen aanvankelijk nog lijken op het werk van James Sturm (Golem’s Mighty Swing en America), met dezelfde trefzekere en spaarzame penvoering, en Erik Varekamps klare lijn, veranderen ze langzaam in de streperige en schetsmatige aanpak van Phillipe Dupuy (Haunted en Get a life). Zou hij die zoekende stijl verpakken in de vertelling zelf, bijvoorbeeld als onderscheid tussen vertelheden en flashback, dan had het beslist een mooie uitwerking op het geheel gehad.

Als Hemingway uiteindelijk opkrabbelt en weer aan het schrijven gaat, geïnspireerd door zijn oude dagboeken die hij terugvindt, schrijft hij A moveable feast over zijn jonge jaren in Parijs. Het boek verschijnt postuum en krijgt lovende kritieken. Daar eindigt het album. De lezer die het vervolgens dichtslaat, leest een treffende citaat van Hemingway op het voorplat: ‘De mens is niet gemaakt voor de nederlaag. Je kunt iemand kapotmaken, maar niet verslaan.’

Dirk-Jan Hoek – De Hemingway Triatlon. Sherpa. 160 pagina’s, hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Joann Sfar – De kat van de rabbijn 7: De toren van Bab-El-Oued

De kat van de rabbijn van de Franse vlugtekenaar Joann Sfar is een wonderlijke stripserie. Van de zeven albums die in het Nederlands verschenen, is een aantal de moeite werkelijk niet waard terwijl andere delen zijn juist geweldig goed zijn. Het zevende deel dat deze maand verscheen hoort gelukkig bij de goede groep. Sterker nog, De toren van Bab-El-Oued is het beste album uit de hele reeks tot nu toe. Zelden zo hard om religie gelachen.

In het kort: ongeveer honderd jaar geleden woonde er een Sefardische rabbijn in Algerije, samen met zijn dochter Zlabya, een papegaai en een kat. Als op een dag de kat de papegaai opeet, kan hij praten. Zijn eerste woorden zijn ‘ik heb de papegaai niet opgegeten’. De rabbijn is uiteraard niet bepaald gelukkig met de dood van zijn papegaai en daarom straft hij de tengere, grijsblauwe kat: hij moet vanaf dan de Thora bestuderen om een goede Joodse kat te worden. Deze toestand vond plaats in deel 1 van de serie, Het bar mitswa, en sindsdien is de kat de verteller van de verhalen.

De toren van Bab-El-Oued (die op de rug en het achterplat Bal-El-Oued heet) is opgebouwd uit allerlei parabels en vertellingen. Zo is de kat het gevlij van twee babypoesjes meer dan zat en probeert hij ze tevergeefs het huis uit te werken, maar erger is de overstroming die de moskee onder water heeft gezet. De imam gaat bij de rabbijn op de thee met het voorstel om samen te bidden in de sjoel, voor zolang het duurt. De verbale wegwerpgebaren van de kat zijn geweldig. Allah en Jahweh spelen nu eenmaal niet in hetzelfde team. Als de rabbijn hem antwoordt dat het niet zijn werk is om de mensen te vertellen wie God is, vindt de kat het al te gek: waar betalen ze de rabbijn dan voor?

Volgens de kat is letterlijk het enige nut van een religie dat die je soms het recht geeft tegen je buurman te zeggen dat hij moet opzouten. En zo probeert de kat met een religieus omweggetje alsnog die verdomde rotpoesjes uit zijn huis te krijgen. Over opportunisme gesproken.

Uiteindelijk gaan de rabbijn en de imam zelfs nog bij de Christelijke pastoor langs, om de zaak vlot te trekken: misschien zijn er meer overeenkomsten tussen drie geloven dan twee. Alle exegese ten spijt ontaardt het in een geweldige heisa, waarbij men zelfs vreest voor een zondvloed, vooral omdat ineens ook de synagoge is ondergelopen. De zaak escaleert volledig als er ruzie uitbreekt op de bijeenkomst van Joden en moslims die niet samen willen bidden.

Joann Sfar heeft meer strips getekend over joods-religieuze onderwerpen, waaronder het one-shot Klezmer en het prachtige drieluik Zwarte olijven, maar het bekendst is hij van zijn avonturenstrips Donjon, Kleine Vampier en Grote Vampier. Zijn tekenstijl is uit duizenden te herkennen: schetsmatig, ruig, snel en trefzeker. Hij lijkt altijd haast te hebben. Gelukkig vond hij voor het verhaal van De toren van Bab-El-Oued tijd om er echt iets moois van te maken. Deel 7 van De kat van de rabbijn is een strip die alle goede vragen stelt over de positie van het geloof in de samenleving. Tenminste, die van het goede geloof. De samenleving van het andere geloof zoekt het zelf maar uit. Pienter beestje, die kat.

Joann Sfar – De kat van de rabbijn 7: De toren van Bab-El-Oued. Dargaud. 84 pagina’s, hardcover. € 15,95.

Strips & comics

Gelezen: Fabrizio Faina, Mauro Salvatori & Christophe Bec – De verloren wereld (naar de roman van Arthur Conan Doyle)

Sommige verhalen verliezen nooit aan kracht. Driejarigen kunnen honderd keer hetzelfde filmpje van Barbapapa zien en er nog steeds even enthousiast over zijn, volwassenen hebben feitelijk hetzelfde met de echte klassieke avonturenverhalen zoals bijvoorbeeld The Lost World van Arthur Conan Doyle. Onlangs verschenen de eerste twee delen van het drieluik De verloren wereld, een stripbewerking gebaseerd op het boek van Doyle. Het verhaal uit 1912 wordt gerekend tot de klassiekers uit de wereldliteratuur, of toch op z’n minst in het genre van de science fiction avonturenverhalen. Het verscheen in allerlei jeugdboekenreeksen en werd meermaals verfilmd: vijf keer tussen 1925 en nu. Lost World werd ook nog als een televisieserie bewerkt, er is een comicreeks, een board game en de BBC maakte er in de jaren veertig een hoorspel van. Met recht een evergreen.

Het verhaalgegeven mag kortom als bekend worden verondersteld. Toch snel: twee rivaliserende wetenschappers, de professoren Challenger en Summerlee, willen naar de Zuid-Amerikaanse Amazone om onderzoek te doen naar een plateau waar volgens Challenger dino’s leven. Zij nemen Lord Roxton mee, die het gebied goed kent en als gids dient. Ook journalist Ned Malone gaat mee. Hij is verwikkeld in een liefdesaffaire met een jongedame die hem afschilderd als weinig avontuurlijk: het is de reden dat hij zich laat overhalen en zich bij het drietal aansluit.

Na een barre tocht vinden ze het plateau en doen ze belangrijke ontdekkingen. Helaas wordt de hele reis gesaboteerd waarna de heren geen kant meer op kunnen. Het tweede deel van het drieluik van de tekenaars Faina en Salvatori, op scenario van Bec, stopt hier. Het afsluitende derde deel, dat eind van dit jaar verschijnt, zal alle antwoorden geven: komen de heren nog thuis? Worden zij geloofd? Wat gaat er met de dino’s gebeuren? En trouwt Ned Malone met zijn veeleisende meisje?

Wie de inhoud van het verhaal kent, ziet overeenkomsten met Jurrasic Park en de strip heeft er inderdaad van weg. Met name bij de ontdekking van het grote open veld met de grazende pterosauriërs hoor je de heroïsche filmmuziek als het ware aanzwellen. In het boek wordt het gemis van een bombastische soundtrack ruimschoots gecompenseerd door de heerlijke tekeningen van het Italiaanse duo Faina en Salvatori, die laten zien bedreven te zijn in het tekenen van prachtige panorama’s. Dit is meteen de reden dat het verhaal zo populair is onder stripmakers en -lezers. Op zoek naar het grote onbekende en het grootse van de expeditie: wie laat dat onberoerd?
Kijk alleen al naar het omslag van het eerste deel: het enorme oerwoud, waarin de ontdekkingsreizigers zo groot zijn als mieren, met op de achtergrond de prehistorische langnekken. Wie hier een prettig, jeugdig gevoel bij krijgt, vindt wat hij zoekt in deze albumreeks.

De tekeningen passen bij het verhaal, al zijn ze hier en daar wat plastisch, wat wordt versterkt door de inkleuringen: de personages hebben iets houterigs over zich. Daarbij staan de mannen nergens in een neutrale stand: ze zijn altijd alert, bang, boos, in de aanval of gekwetst. Het hoort bij het soort verhaal en bij de spanning van de onderneming, tegelijk maakt dat het lezen een tour de force.

Deze stripversie van The Lost World is uiteindelijk precies de strip die je verwacht; gewoon een spannend verhaal met uitgesproken helden, gekleed in stemmige avonturierskledij uit de beginjaren van de vorige eeuw, die allemaal een eigen agenda hebben. Samen met de mooie entourage van het oerbos en de prehistorische beesten zijn alle ingrediënten aanwezig voor een tof avontuur. Geen arthouse, geen graphic novel, maar een ware happening, zoals Doyle vast voor ogen had.

Fabrizio Faina, Mauro Salvatori & Christophe Bec – De verloren wereld (naar de roman van Arthur Conan Doyle). Daedalus. 56 pagina’s (deel 1) en 48 pagina’s (deel 2), hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten

Het is maar een klein, dun boekje dat onlangs bij de jonge Nederlandse manga-uitgeverij Hanabi verscheen: Yúrei, dwaallichten, 52 pagina’s op comicformaat met vier korte verhalen die zijn geïnspireerd door Japanse geestverhalen. Tekenaar Johan Neefjes, die er op de binnenflap geen misverstand over laat bestaan dat hij gefascineerd is door de Japanse cultuur, vertelt vier griezelverhalen die gaan over liefde, dood en verdriet.

Om te beginnen: Yúrei zijn spookverschijningen, die vaak worden vergezeld door dwaallichten (Hitodama in het Japans). Yúrei zijn de dolende geesten van overleden mensen die geen rust hebben gevonden. De yúrei behoren tot de yokai, de bovennatuurlijke wezens die eruit kunnen zien als dieren, mensen of dingen. Ze hebben vaak bovennatuurlijke krachten en worden in Japan aanbeden en met enige vrees gekoesterd.

De geestenwereld is een onuitputtelijke bron van inspiratie, met Shigeru Mizuki’s Kitaro als vaandeldrager van het stripgenre. Bekende yokai zijn bijvoorbeeld het grote witte knuffelmonster Totoro uit de gelijknamige anime-film en No Face uit Spirited Away.

Het mooiste verhaal van Yúrei is de geschiedenis van het moddermeisje, waarmee het boekje besluit. Het verhaal gaat over een meisje met grote zwarte ogen die voorbijgangers betovert met haar innemende glimlach. Wie de glimlach beantwoordt, bezegelt zijn noodlot. De kracht van de vertelling schuilt in het gebrek aan dialoog. Het meisje zegt niets, de verteller laat er al bij de eerste ogenblikken geen misverstand over bestaan: de stoere strijder Ishida die haar in het woud aantreft is gedoemd.

Zo zijn meer verhalen opgebouwd: de ondergang dient zich steeds aan zodra een yúrei zich meldt. De stervelingen kunnen zich nu eenmaal niet verweren tegen yokai. In Mizuki’s Kitaro is dat een rode draad: Kitaro, zelf half mens-half yokai, voorkomt in die gevallen de onvermijdelijke ondergang van de mens. Hij is de intermediair die plooien gladstrijkt. Bij Neefjes is geen Kitaro te bekennen. De lezer mag vier keer meemaken hoe een hulpeloze man het onderspit delft.

Het ligt voor de hand om de tekeningen van Neefjes te vergelijken met het recente werk van Erik Kriek, zoals diens Murder Ballads. Beiden kiezen voor een sterk zwart-wit contrast, met een enkele zachte steunkleur. Maar wie goed kijkt, vooral in de penseelvoering, ziet ook verwantschap met die andere Nederlandse Azië-bewonderaar Mark Hendriks. De bomen en rijstvelden van Neefjes zijn opgebouwd uit lichte streken, zoals gebruikelijk in de kenmerkende sumi-e schildertechniek. Het is te hopen dat Neefjes zich verder bekwaamd in die vaardigheden: nog meer lef en durf komen zijn verhalen beslist ten goede, de potentie is zeker aanwezig.

Na de vier heerlijke verhalen is het vooral jammer dat er niet meer van zijn. Yúrei, dwaallichten is te snel voorbij. Het zou een idee zijn om nog twee of drie van deze delen in de Hanabi-reeks uit te brengen en dan alles te bundelen in een groter album, met een mooi achtergronddossier als bonus. Neefjes heeft zijn visitekaartje afgeleverd met Yúrei, dwaallichten: een viertal verhalen dat je onmogelijk kunt weerstaan.

Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten. Hanabi Publishers. 52 pagina’s. € 9,95.

Strips & comics

Gelezen: Ryssack & Buissink – Brammetje Bram integraal 1: Piraten in zicht!

Met vereende krachten is de afgelopen tijd gewerkt aan de uitgave van het complete werk van Eddy Ryssack (1928-2004), met name van de avonturenreeks rond Brammetje Bram, Knevel de Killer en de piraten van de Zeemadelief. Het betreft hier geen heruitgave van de reeks Brammetje Bram, want een groot deel van de vijftien lange verhalen is nooit eerder in album uitgebracht. Onlangs verscheen het eerste deel, Piraten in zicht! Het tweede integrale deel, Mummies en monsters, staat op het punt van verschijnen.

In de komende drie jaar zal uitgeverij Arboris in 6 of 7 delen het complete oeuvre van Ryssack integraal en chronologisch uitgeven, met naast de lange verhalen ook circa dertig kortere verhalen rond de scheepsjongen die Ryssack tekende voor achtereenvolgens de stripbladen Sjors, Zack en Wham!

Elke bundel wordt voorzien van een uitgebreid dossier. In het eerste deel is dat van de hand van Wouter Adriaensen, die al vanaf het begin bij de herwaardering van Ryssacks werk betrokken is. Aan die inleiding is onmiddellijk af te zien dat aan deze reeks met liefde en toewijding wordt gewerkt: het is uitgebreid, prettig geschreven en mag vanaf nu dienen als een blauwdruk van hoe een dossier hoort te zijn.

Piraten in zicht! begint met de eerste twee delen van Brammetje Bram, Knevel de Killer en De schatten van de Noer-Akhs gevolgd door het nooit eerder in album verschenen verhaal De zonnekoning van de Mato Grosso. Wat meteen opvalt is de perfecte weergave van de oorspronkelijke kleuren. Ook de lettering is authentiek, met het herkenbare puntje in de O.

Knevel de Killer is het verhaal dat vertelt hoe Brammetje op de Zeemadelief verzeild raakt en hoe hij zich gaandeweg ontwikkelt tot gewaardeerd bemanningslid, dat bovendien de boel regelmatig op het rechte pad houdt. Met lekker veel slapstick en met goed gecaste piraten heeft het verhaal een opvallend frisse vaart. Aan de ronduit swingende pagina’s is bovendien goed te zien wat een vakman Ryssack was.

Het tweede integrale deel bundelt de lange verhalen De Levende Mummie, De Listen van Linke Loe en De Schrik van Torantijn. Om aan te geven hoe waardevol het is dat de reeks nu wordt gebundeld: de eerste twee verhalen verschenen nooit in album in het Nederlands en het derde verhaal verscheen in 1984 in een oplage van slechts vijftig stuks. In het dossier van Mummies en monsters is een lang interview opgenomen met scenarist Frans Buissink, die samen met Eddy Ryssack de serie bedacht en de eerste negen verhalen schreef.

Brammetje Bram is een stripserie die vroeger beslist een groter publiek had verdiend. De reeks is overal steeds tussendoor geglipt. Het werd eventjes in Sjors gepubliceerd, maar verhuisde niet mee naar Eppo toen Sjors en Pep samen in dat stripblad opgingen. Bram stond in tijdschrift Wham! maar dat was geen lang leven beschoren. Het hád prima in Robbedoes gepast, maar helaas. En zo bleef de serie uit zicht van het grote publiek. Het is om die reden dat deze integrale reeks zo welkom is.

De verhalen van Brammetje Bram zijn vanwege de tijdloze humor en de aansprekende onderwerpen ideale kost voor kinderen vanaf tien jaar, die eens wat anders willen lezen dan Donald Duck. Daarmee zijn deze integrales een perfect cadeau voor de jonge garde, met veel extra’s voor de jongelingen van weleer.

Ryssack & Buissink – De complete Brammetje Bram 1, Piraten in zicht! Arboris, 176 pagina’s, €24,90. De complete Brammetje Bram 2, Mummies en monsters. Arboris, 176 pagina’s, €24,90.

Strips & comics

Gelezen: Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper

Het bos van Brocéliande ligt in Bretagne en wordt gezien als de bakermat van allerlei sprookjesverhalen. Zo is de legende van Koning Arthur naar verluid afkomstig uit de streek, die alle uiterlijke sprookjeselementen in zich verenigt: heidevelden, bossen en meren. Lommerrijk en uitgestrekt, maar allang niet meer ongerept. Het zogenaamde Centre de l’Imaginaire Arthurien, een club voor mensen die zich verdiept in de wereld van Arthur, Vivian en Merlijn, organiseert er wandelingen langs sprookjeslocaties, waaronder het beroemde kasteel van Comper uit de negende eeuw.

Een deel van het bos van Brocéliande wordt het woud van het kleine volkje genoemd. Het is een mooi vetrekpunt voor de zevendelige fantasy/sprookjesstrip Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Ieder deel van de reeks wordt geschreven en getekend door een ander duo, dat oorspronkelijke verhalen en legenden opnieuw vertelt. Nu de eerste twee delen in het Nederlands zijn verschenen en er in Frankrijk al een deel drie en vier is uitgebracht, zien we dat de serie iets bijzonders is: ook je niet direct warmloopt voor elfen, gnomen en magiërs is Brocéliande een heerlijke serie.

De reeks opent voortvarend: De fontein van Barenton is een mooie vertelling, met humor, spanning en genoeg sprookjeselementen die het zo ‘authentiek mogelijk’ houden. In het woud wonen de Korrigans, twee nietsige knuppels die nergens in de sagen voorkomen. Ze zijn hun anonieme status beu en zoeken een manier om onsterfelijk te worden: ze zetten de verhalenschrijver Orignace klem een verhaal over hen te schrijven.

Deze Orignace gaat op zoek naar een idee en valt -eenmaal in het bos- middenin de ontluikende liefdesgeschiedenis van Vivian en de tovenaar Merlijn. Dat uiteindelijk de Korrigans ook in deze verhaallijn opduiken, spreekt voor zich.

Bertrand Benoit tekent vast op groot formaat: de lijnen van zijn pen zijn heel dun en bijzonder fraai. Het grote formaat van de pagina’s in combinatie met de lijnvoerig geven de strip een panoramische aanblik en dat werkt goed bij sprookjes. De plaatjes lijken zich op gepaste afstand van de lezer te bevinden: die kan daardoor voluit genieten van de prachtige inkleuringen, en daarmee de sfeer van het verhaal.

Nog mooier is dat De fontein van Barenton niet maar zo een fantasysprookje is, hoewel het omslag anders doet vermoeden. Ook voor niet-ingewijde fantasy-lezers is dit een album dat prima gelezen kan worden: het is een mooi liefdesrelaas met vaart en humor, en een slotstuk dat er zeker mag zijn.

Het tweede deel, Het kasteel van Comper, is iets rechtlijniger van toon, vooral omdat de humor zo nadrukkelijk ontbreekt. De basis van het verhaal is de legende van het wisselkind (niet de stripreeks met dezelfde titel, maar de legende zelf) en dat swingt van zichzelf al een stuk minder: het laat zien hoe de sprookjeswereld niet samengaat met de mensenwereld, omdat de mensen zo moeilijk doen.

Het verhaal over moederliefde en verstoting blijft tot het einde in eenzelfde tempo doorlopen: wellicht dat de legende teveel motieven en thema’s bevat om als uitgangspunt te dienen. Er wordt veel verklaard, aangenomen en uitgelegd en dat schept afstand, nog los van de gruwelijkheden die we te zien krijgen. Het zorgt er ook voor dat de lezer zich niet werkelijk identificeert met de personages.

De eerste twee delen van Brocéliande verschenen tegelijkertijd en dat pakt in de vergelijking niet goed uit voor Het kasteel van Comper, maar dat ligt vooral aan het bronverhaal. Sprookjes zijn nu eenmaal niet altijd vrolijk en luchtig.

Brocéliande is als reeks een treffer. Met titels als De tuin der monniken, De feeënspiegel en Het dal zonder terugkeer in het verschiet, is het een stripserie om naar uit te kijken. Voor fans van het genre, maar zeker ook voor avontuurlijke lezers die eens een stap willen wagen in de wereld van fantasy en sprookjes. Ze zullen verrast worden.

Bertrand Benoît & Paul Frichet en Olivier Peru & Stéphane Betbeder – Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper. Daedalus. 56 pagina’s, 8,95 per deel. Ook verschenen in hardcover: 17,95 per deel.

Strips & comics, Zone 5300

Gelezen: Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones

Pas aan het einde van zijn leven wist de legendarische Ramones-bassist Dee Dee Ramone waar het echt om draaide. In de bandbiografie One Two Three Four Ramones stelt hij dat muziek het belangrijkste is: “Niet de dope, jongelui. Begin er niet aan”. Kort daarna sterft hij aan een overdosis. Het is tekenend: in het razende verhaal, dat vanuit zijn gezichtspunt wordt verteld, leren we de verslaafde punkrocker kennen als een humeurige windvaan.

De biopic begint met een beschrijving van Dee Dee’s jeugd, die als verklaring moet dienen voor zijn losgeslagen karakter. Een alcoholistische vader, ontspoorde moeder en een hang naar roes die er al op jonge leeftijd in zit. De recalcitrante puber zoekt zijn heil in de muziek en zo ontstaan de Ramones. Het blijkt geen ideale voedingsbodem voor een heilig muzikantenleven.

Hoewel het succes onmiskenbaar is, leest de Ramones-biografie vooral als een rampzalige geschiedenis van gemankeerde ego’s die elkaar treffen in benevelde ruzies: het ultieme clichébeeld van de punkrocker wordt zorgvuldig gecultiveerd. Dat maakt tegelijk dat het verhaal nergens boven zichzelf uitstijgt. De woede die uit de muziek spreekt en die een hele generatie muzikanten inspireerde, wordt teruggebracht tot junkiegedrag.

Het schrijversduo Cadène en Betancourt doet geen moeite de positie van de Ramones te duiden, ze blijven dicht op de groepsdynamiek zitten. Zo wordt het verhaal als de muziek zelf: rechttoe rechtaan, in één snelheid en te vaak in hetzelfde akkoordenschema.

Dat geldt ook voor de overigens heerlijke, vette potloodtekeningen van Éric Cartier. Zijn figuren acteren in een vrij monotone en onbeduidende entourage. Van een biografie over een zo bepalende popgroep als de Ramones verwacht je meer. Dit verhaal had evengoed over een fictieve punkrockband kunnen gaan.

Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones. Concerto. 96 pagina’s hardcover, €24,99.

Strips & comics

Gelezen: Michael Kupperman – All the answers

Op de binnenflap van All the answers staan de biografische gegevens van de Amerikaanse striptekenaar Michael Kupperman. Hij werd bekend als illustrator voor onder andere New York Times en van zijn absurde, anarchistische strips die werden verzameld in het hilarische Tales designed to thrizzle. Hij is een werkelijk unieke stem in het humoristische genre, al zet menigeen de humor van Kupperman tussen aanhalingstekens. De flaptekst rept verder van allerlei prijzen en eindigt met: dit is zijn eerste serieuze boek.

In All the answers onderzoekt Michael Kupperman de jonge jaren van zijn vader Joel, die in de jaren veertig van de vorige eeuw een beroemd kindsterretje was. Joel heeft een bijzonder hoog IQ en kan al op jonge leeftijd complexe wiskundige sommen uit het hoofd oplossen. Daarnaast beschikt hij over een fabelachtig geheugen. Zodoende wordt hij opgemerkt door de populaire radioshow Quiz Kids, waarin kinderen het tegen elkaar opnemen, bij wijze van trivia-spel.

Bij de introductie van de televisie in Amerika wordt Quiz Kids een geliefd tv-programma. Het succes van de show én van Joel Kupperman, die jarenlang het gezicht is van het programma, trekt een geweldige wissel op de jongeman, die door zijn moeder wordt aangespoord om vooral in de spotlights te blijven, nota bene tegen zijn uitdrukkelijke zin. Hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld voor kinderen, die hem dat in zijn eigen omgeving niet in dank afnemen. Het wordt nog kwalijker als blijkt dat het programma van tevoren deels wordt gescript, zonder medeweten van Joel Kupperman. Het publiek voelt zich bedot en keert zich tegen de spelshow én tegen Joel die zich nadien zoveel mogelijk aan het publieke leven onttrekt. Zijn hele tienerjaren hebben in het teken van Quiz Kids en televisie gestaan, hij snakt naar een leven in de luwte.

De gemankeerde jeugd van zijn vader heeft zijn weerslag op het gezinsleven. Michael heeft altijd moeite gehad in de omgang met zijn sociaal onhandige vader – tegenwoordig zou zeker een aan autisme verwante diagnose worden gesteld. Twee directe aanleidingen zorgen ervoor dat Michael nu met zijn vader wil spreken over diens verleden: Michael zit er als jonge vader en geparkeerde kunstenaar doorheen én bij zijn vader wordt dementie geconstrateerd. All the answers is het verslag van deze vader-zoon-confrontatie.

Het verhaal ontvouwt zich in de eerste helft als een geschiedschrijving van Amerika in oorlogstijd, waarin het antisemitisme zich openlijk manifesteert. De Joodse Joel wordt met open armen ontvangen: hij kan een positieve, vriendelijke kant van de Joodse Amerikaan laten zien. Gaandeweg zijn zelfs drie van de vier vaste Quiz Kids van Joodse komaf. Kort gezegd, Joel wordt ingezet voor onversneden propagandadoeleinden, en het enige wat Joel blijft doen is vragen beantwoorden. Voor hem is de balans allang naar de verkeerde kant doorgeslagen, de lezer kent de geschiedenis nu ook en voelt de pijn van de jongen die hunkert naar een gewoon leven. Dit alles wordt met een zekere afstand verteld, als opmaat naar de gesprekken tussen vader en zoon.

Gaandeweg verplaatst het verhaal zich naar het heden, waarbij de gesprekken maar vooral de twijfels en levensvragen van Michael een grotere rol spelen. De vertelling wint daarmee aan zeggingskracht; er komt een oprechte emotionele laag bij. Op een gegeven moment vraagt Michael aan Joel waarom hij hem nooit met wiskunde heeft geholpen, zoals zijn vader wel bij hem deed. Die vraag, zo antwoordt Joel, is nooit bij hem opgekomen. Het blijkt een patroon: De man die als kind antwoord wist op alle vragen, heeft zichzelf nooit iets afgevraagd.

De uitstraling van de pagina’s doet onbeholpen aan. Kupperman werkt in dikke zwarte lijnen, met grote zwarte vlakken en repetitieve rasters en arceringen. Vaak gebruikt hij hetzelfde plaatje dat hij laat inzoomen. Het verhaal is opgehangen aan de knipselboeken van Joels moeder, waardoor veel tekeningen op overgetrokken foto’s lijken. Wie het overige werk van Kupperman niet kent, zal hierdoor wellicht terugdeinzen. Toch werkt de rudimentaire aanpak ook in dit geval: de vertelling wordt er rustig van, het bepaalt voor een groot gedeelte de snelheid en daarmee de impact.

Het knappe van het verhaal zit in de afstand die Michael houdt tot zijn vader en tot hun verstandhouding. Pijnlijke scenes worden op een bijna journalistieke wijze verslagen. Als Michael, als jonge jongen, aan zijn vader vraagt of die van hem houdt, antwoordt Joel terughoudend. Daarmee is de scene klaar, de niet te missen uitwerking van die woorden is voor de lezer.

All the answers is een verrassend en heel persoonlijk boek met een integer uitgewerkt thema, opgetekend in een stijl die niet iedereen meteen zal aanspreken. Dat eerste is een regelrechte aanbeveling, het tweede is iets waar de lezer even doorheen moet. Aan het eind twijfelt de auteur openlijk over het nut van de onderneming: onterecht, de geschiedenis van de familie Kupperman verschaft bijzondere inzichten over pijn, vluchtgedrag en onvermogen. Wie op YouTube naar oude opnames van Quiz Kids kijkt, ziet een vriendelijke jongen vragen beantwoorden. Na All the answers kijken we dwars door die glimlach heen.

Michael Kupperman – All the answers. Gallery 13. 224 pagina’s hardcover,  € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok

Als je in stripkringen dertien jaar niets van je laat horen, dan kan het zijn dat je stilletjes bent vergeten. Van Theodoor Cleysters vernamen we voor het laatst in 2005. Bij het vallen van die naam haalt de wat oudere stripliefhebber herinneringen op aan de exotische zeemanstrip, aan de legendarische kapitein Steene en de mysterieuze figuur November. De jongere striplezer zal de albums, die qua opmaak eenzelfde uitstraling hadden, misschien van buiten herkennen. Hoe dan ook, jong en oud kan zich met De laatste reis van de Amok opmaken voor een (hernieuwde) kennismaking.

Vanaf 1987 verschenen twaalf albums rond Theodoor Cleysters, een jonge kantoorklerk uit de jaren twintig van de vorige eeuw. In het eerste album, Kapitein Steene, lezen we dat Cleysters een grote wens heeft: hij wil naar verre oorden, naar Azië waar het avontuur lonkt. Hij krijgt de kans en vertrekt. Onderweg ontmoet hij zijn noodlot, de altijd in het zwart geklede exoot November, die -helaas voor Cleysters- niet van zijn zijde wijkt. In de achtereenvolgende albums De Archipelvreter, Marie Rechtdoorzee, Geheimen, De schat van de blanke radjah en Een passagier wordt vermist reizen we met Cleysters en November door Azië. De verhalen zijn spannend, met thriller-elementen, al zijn ze niet allemaal even sterk. Vooral omdat Cleysters graag naar huis wil en dat zes albums lang niet voor elkaar krijgt, wordt het bij tijd en wijle wat stroperig. Je zou willen dat hij wat slagvaardiger was. Pas in Een passagier wordt vermist vindt hij de weg terug naar Duinkerken.

Slagvaardig of niet, door de avonturen raakt Cleysters gehard en dat is meteen een van de mooie verhaalgegevens uit de reeks: hij wordt ouder en wijzer, hij verandert met de jaren. Na het stilistische tussendoortje Rozendal, over de jeugd van Cleysters, gaat hij terug naar Azië, om daar als een herboren man-van-de-wereld aan te komen. Hij is een cynische, harde onderhandelaar geworden; iemand met wie rekening wordt gehouden. Hij draagt witte, flanellen pakken en zijn ronde groentjeshoofd van de beginjaren is intussen ruig gestoppeld.

In De laatste reis van de Amok blijkt hij zelfs behoorlijk verzuurd geraakt. Er is hem iets ontnomen, en hij wil het terug: een leeggeroofd eiland dat als uitvalsbasis dient van een groep verveelde piraten. Met een gekochte schoener, de Amok, en een regiment aangemonsterde types gaat hij op weg. November is weer van de partij en er is opnieuw een hoop achterdocht, dubbelspionage en boerenslimheid voordat Cleysters ontdekt dat er belangrijker dingen zijn in het leven. Maar toch, dat eiland is van hem, en hij zal het terugkrijgen.

In de vroege delen had het eironde, blote hoofd van Cleysters iets karikaturaals en stak het wat curieus af tegen de omgeving. Meer en meer is er een schwung bijgekomen en in dit dertiende deel is de transformatie compleet: Theodoor Cleysters is een pittige, stoere gast en zijn tegenstanders zijn volslagen hufters en gewiekste ratten. Het is allemaal een stuk avontuurlijker geworden.

Nog een voordeel ten opzichte van de eerdere delen is dat De laatste reis van de Amok een helder plot heeft: al snel wordt duidelijk waar het naartoe gaat. Het ongewisse was een makke van de vroegere verhalen, die vaak wat stuurloos waren en vooral op sfeer en exotisme leunden. Toch wordt Cleysters aan het einde van het verhaal overvallen door landerigheid, hij lijkt zijn vuur kwijt te zijn. Wat is de les die hij heeft geleerd? We lezen het vast in deel 14, waarop het zeker minder lang wachten is.

De laatste reis van de Amok heeft Cleysters weer op de kaart gezet. Het weerzien zal de oudere Theodoor Cleysters-lezer zijn bevallen, vooral vanwege de sfeervolle tekeningen en de interessante karakterontwikkeling van de hoofdpersoon en de daardoor aangepaste rol van November.
Of de jonge striplezer op basis van dit verhaal genoeg geraakt is om de twaalf eerdere delen te lezen, is de vraag. Daarvoor verschilt dit dertiende deel te veel van de eerdere albums. Bovendien is het slotstuk van het verhaal te loszandig om de hele serie op basis van dit ene album in het hart te sluiten. Jammer: ja. Logisch: ook.

Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok. Dupuis. 64 pagina’s. € 7,95. Ook verschenen als hardcover: € 13,95.

Strips & comics

Gelezen: Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts

De onlangs overleden culinaire globetrotter Anthony Bourdain hield van meer dan lekker eten en reizen. Hij was een verwoed stripliefhebber. In 2012 debuteerde hij als stripscenarist met het curieuze Get Jiro, een gewelddadige culistrip over een sushichef die zich staande probeert te houden in een post-apocalyptische wereld waarin alle keukens slagvelden zijn geworden: er is oorlog tussen vleeseters en vegetariërs, tussen culisnobs en fastfoodies. Niet bijster origineel, maar toch vermakelijk als zachthoofdig leesvoer. Zo ziet Jiro hoe een klant de nigiri verkeerd in de soja doopt. Twee tellen later rolt er een tronie over de vloer. Dat idee.

Begin dit jaar kwam Bourdain opnieuw met het scenario voor een stripreeks, nu in samenwerking met medereiziger en journalist Joel Rose. De nieuwe serie verscheen intussen als vier losse floppies (zoals de kenmerkende slappe, geniete Amerikaanse comics worden genoemd) en heet Hungry Ghosts.

De tekeningen zijn onder meer van Alberto Ponticelli die naam maakte in het horror- en splattergenre en ook Get Jiro tekende. Naast Ponticelli zijn er afleveringen getekend door onder andere Irene Koh, Francesco Francavilla, Sebastian Cabrol en Paul Pope; steeds twee per comic.

Eerlijk is eerlijk, het verhaal zit goed in elkaar en is een stuk beter dan Get Jiro, dat het uiteindelijk vooral moest hebben van de bekende naam op het omslag. In Hungry Ghosts wordt een keukenbrigade gevraagd om voor een puissant rijke Rus te koken. Deze schimmige miljardair nodigt de koks uit aan tafel en stelt hen voor aan Mr. Ichi, een stereotiepe Japanse figuur met een grimmige glimlach. Hij vertelt de aanwezigen het verhaal van de Kaidan, een gezelschapsspel uit het Edo-tijdsperk dat werd beoefend door de samurai. Voluit: Hyakumonogatari Kaidankai.

In het vertrek branden evenveel kaarsen als er mensen aanwezig zijn. Ombeurten vertelt iemand een traditioneel Japans verhaal over yokai (monsters), yurei (geesten) of obake (gedaanteverwisselaars). Na de vertelling kijkt de verteller in de spiegel of hij niet bezeten is geraakt, en blaast een kaars uit. Het wordt donkerder en de angst om bezeten te raken groter. Zo stelden de samurai hun angsten op de proef.

Binnen dit gegeven passeren een aantal verhalen de revue, bij wijze van raamvertelling. De verhalen zijn ronduit angstaanjagend en stuk voor stuk geweldig lekker getekend: de keuze voor tekenaars is heel geslaagd, geen doet onder voor een ander. Uiteraard gaan de horrorverhalen over eten en gegeten worden. Het openingsverhaal The starving skeleton zet meteen de toon. De verhalen zijn grotesk, goor en hebben een strakke opbouw die uiteindelijk allemaal vreselijk ontaarden. Wat Hungry Ghosts zo goed maakt is dat alles teruggrijpt op de klassieke Japanse vertelkunst, waarin deugden en ondeugden krachtige motieven zijn. Veel van de verhalen gaan over het maken van keuzes en de consequenties die aan de verkeerde keus verbonden zijn. Het authentieke karakter van de verhalen maakt dat ze met gemak het reguliere horrorgenre overstijgen.

In oktober verschijnt de trade paper back, een bundeling van de vier losse delen. Dan zal het verhaal zich nog mooier ontvouwen: Hungry Ghosts wint aan kracht als je het achter elkaar leest. Om naar uit te zien.

Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts. Dark Horse. 4 delen van 32 pagina’s. $3,99 per deel. In oktober verschijnt de trade paper back.