Strips & comics

Gelezen: Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968

Je zou ze van marketingtrucjes verdenken, die striptekenaars die precies op het goede moment met een album komen dat naadloos aansluit op de actualiteit. We zagen het bij de stortvloed van albums rond het feestjaar van Jheronimus Bosch in 2016. Handig, want het lift gemakkelijk mee op de reuring die er toch al is.

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Parijs allerlei linkse studentengroepen in opstand kwamen tegen het conservatieve klimaat, De Gaulle en -vooruit- het kapitalisme in het algemeen. Reden voor het onafscheidelijke stripduo Warnauts en Raives om met een album te komen over de Parijse opstanden van 1968.

In Parijs, mei 1968 volgen we een groep van vijf twintigers die zich in het rumoer begeven. Onder hen een Amerikaan die met een werkbeurs voor de fotoacademie naar Parijs is gekomen. Tijdens de rellen maakt hij foto’s en wordt opgepakt, vanwege eigenhandig gefabriceerde bewijslast. Hij was erbij. Dat is de lijn van het verhaal: deze Jay wordt ondervraagd en zo lezen we een chronologische getuigenverklaring.

Deze verklaringen gaan maar voor een deel over de revolte. Er is naast halfslachtig actievoeren namelijk nog genoeg andere intrige binnen de groep: verliefdheid, achterdocht en spanningen in de familiekring. Het zorgt ervoor dat het verhaal hinkt op twee gedachten; het zwaartepunt ligt op het persoonlijke vlak. De entourage van het Parijse 1968 is niet wezenlijk van belang voor het verhaal. Het had ook het Noord-Ierse Derry van 1972 kunnen zijn, bijvoorbeeld. Of zelfs een niet politiek gemotiveerde tijd en locatie.

Ongelukkig is het bovendien dat de iconische beelden van de opstandige studenten, zoals we die uit de verhalen kennen, alleen zijn terug te zien in een aantal nagetekende foto’s die duidelijk afwijken van de rest van de strip. Daarbij wordt er door de personages en hun vriendenkring met enig misprijzen over de opstandelingen gesproken: ze zijn een afkooksel van zichzelf, er zitten niet werkelijk revolutionaire genieën tussen. Liever verspillen de vijf hun tijd en energie aan drugsgebruik, seks en hangen ze hooguit het vrije ideaal van het alles aan. Het maakt niet duidelijk waarom Warnauts en Raives zo nodig voor mei ’68 kozen.

Nog een vreemde keuze is dat de gebeurtenissen, die destijds overduidelijk een politieke lading hadden, volledig ondersneeuwen in het verhaal dat meer over persoonlijke levensvragen gaat: de jongeren staan aan het begin van hun maatschappelijke leven en weten het allemaal nog niet precies. Ook hier raken beide werelden, die van het verhaal en die van de opstand van de 68’ers, elkaar niet.

Pellen we het tijdsbeeld van het verhaal dan blijft er een summiere bildungsstrip over. Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat Woodstock plaatsvond. Misschien is dat een mooie gelegenheid om dit idee nog eens over te doen: hoe gek het ook mag klinken, dit verhaal was met meer politiek beslist interessanter geweest. Met de generatie ’68 heeft het niet veel van doen.

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2

Bijzonder eigenlijk. Het is not done om een Afrikaan neer te zetten als een luie donder met dikke lippen, een Aziaat als dociel en kleingeschapen, maar o wee als we aan de Italiaan komen. Die zien we toch het liefst zoals ze zijn: als meedogenloos maffialid dat zonder scrupules voor zijn eigen hachje kiest en er om die reden gerust een dubbele moraal op nahoudt. En Sicilianen, die zijn helemáál niet te vertrouwen.

Luca Torelli is zo’n heerlijke Siciliaanse smeerlap, die zijn geld verdient als huurmoordenaar. Torelli, die zich bedient van het kekke alias Torpedo, heeft niet veel boodschap aan een goed argument of een smeekbede. Hij luistert alleen naar zijn opdrachtgever, degene die hem achteraf betaalt. We hebben hier te maken met een gozer op wie je kunt bouwen.

De strip Torpedo, waarvan de eerste korte verhalen al verschenen in 1981, hebben veel weg van de films van Quentin Tarantino. Met name de iconische scene uit Pulp Fiction – What does Marsellus Wallace look like? – is er eentje die zo uit de strip afkomstig kan zijn. Torpedo’s ondervragingstechnieken zijn minstens zo direct en doeltreffend, al ziet het op het eerste oog gestileerder uit: de verhalen spelen in de jaren dertig, die van strakke pakken, borsalino’s en brillantine. Strak of niet, de cynische Torpedo is iemand die je liever niet tegenkomt. Eigenlijk is hij gewoon een onsympathieke klootzak.

De serie werd in de beginjaren tachtig bedacht door scenarist Enrique Sánchez Abulí. De eerste paar verhalen werden getekend door Alex Toth, maar al snel nam Jordi Bernet het van hem over. Bernets contrastrijke tekeningen in zwart-wit, die ook nog eens perfect van compositie zijn, passen naadloos bij de hard-boiled verhalen. Ruig, vuig en gluiperig.

De korte verhalen zijn meer dan losse scènes over gewelddadige afrekeningen en criminele praktijken: net als bij Tarantino zit er een humoristische laag in de verhalen die ze heel aantrekkelijk maakt. Torpedo is niet een man van veel woorden, maar vaak genoeg komt hij gevat en zelfs filosofisch uit de hoek. Zijn tegenstrevers zijn ook niet van gisteren en dat zorgt voor geestige dialogen.

Toegegeven, de verhalen van Torpedo zijn geen hogere kunst. Eerder is het lekkere pulp, dat nog eens wordt benadrukt door de snelle maar krachtige hand van Bernet. De pagina’s zijn ook in deze perfecte integrale uitgave lekker groezelig. Het lijkt zelfs alsof Bernet alleen maar koppen met karakter kan tekenen; er zit nooit een mindere tronie bij. En vooral: de korte verhalen lezen als een trein. Het is echt heerlijk om even in New York rond te spoken, tussen het geteisem in de steegjes, nachtclubs en op de rangeerterreinen aan de stadsrand.

Van de integrale reeks verschenen intussen twee delen, op een lekker formaat en in harde kaft. In totaal zullen er vijf delen verschijnen, waarmee alle zestig korte verhalen compleet gebundeld zijn. En dan zijn er nog plannen om de serie weer op te pakken en nieuwe afleveringen te maken. Helemaal geen gek idee. Zolang Silicianen zich heerlijk blijven misdragen is er genoeg voor nog eens vijf dikke albums. Een prima vooruitzicht.

Strips & comics

Gelezen: Benoit Springer & Zidrou – Wie laatst lacht

Dat je met een voorhamer meer kan doen dan palen in de grond slaan, blijkt al op pagina 1 van Wie laatst lacht, de strip-noir van Benoit Springer op scenario van Zidrou. In een bloederige openingsscène wordt iemand de hersens ingeslagen, achterop een pick-uptruck geladen en even later in een droge waterput gedonderd. Als je erachter wil komen wie het laatst lacht, dan is er in ieder geval één persoon van dat lijstje geschrapt. Hoewel…

De man met de hamer is Pep, een karakterloze struisvogelfokker, die zit ingeklemd tussen zijn opstandige stiefdochter van bijna achttien en haar moeder, die “het ook allemaal niet meer weet”. De sfeer op de afgelegen fokkerij is leeg en treurig. Toch weet Springer dit heel krachtig uit te beelden door een beperkt kleurpalet te gebruiken, met tinten in verschillende gradaties. De personen zijn van top tot teen in dezelfde kleur, tegen een eenkleurige achtergrond. Dat komt de beklemmende en agressieve sfeer ten goede, vooral omdat het bloedrood de enige kleur is die als het ware over de pagina’s is gelegd.

Pep heeft tabak van zijn leven, meer bepaald van zijn leven met zijn vrouw. In een laffe poging om daaraan te ontsnappen gooit hij het op een akkoordje met zijn stiefdochter, die met een onhandig idee komt om van haar moeder af te komen. In de uitwerking is Pep slordig, maar of het werkelijk zo is? De moordpartij aan het begin van het verhaal lijkt zelfs lucide. Als hij met bebloede handen thuiskomt, staat zijn vrouw gewoon in de keuken, met krulspelden en al. Het plan daarna is zo mogelijk nog chaotischer.

Het album heeft de grootte van een comic en is mooi verzorgd uitgegeven, met een harde kaft voorzien van gedrukte ouderdomssporen – een gimmick die vaak de plank misslaat, maar in dit geval heel tof uitpakt. Het verhaal telt iets meer dan vijftig pagina’s en wordt achterin aangevuld met een ‘grafisch katern’. Normaal gesproken is dat de plek voor wat schetswerk en andere eye candy; in dit geval is het een geïllustreerde liedtekst van Edmond Bouchaud uit 1908 die als inspiratie diende voor het verhaal. Dat gaat wat ver omdat het onvertaald is, maar de schetsen laten wel mooi zien hoe Springer gebruik maakt van zijn bronnenmateriaal: de auto’s uit het verhaal zijn keurig overgetrokken van plaatjes en foto’s.

Waar het begin van het verhaal nog even het idee geeft dat het een bloederige geschiedenis wordt, kantelt dat beeld al snel: er zit een mooie ondertoon van gekte in Wie laatst lacht. Broeierig en dwaas, met passende bijrollen voor de struisvogels van Pep.

Strips & comics

Gelezen: E.O. Plauen – Vater und Sohn

Vater und Sohn is een unieke krantenstrip uit het vooroorlogse Duitsland, die tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. Onlangs verscheen er een Engelstalige, complete bundeling bij de prestigieuze uitgeeftak van The New York Review of Books. De vader en zoon zijn twee verder naamloze figuurtjes die in vrijwel tekstloze paginaverhalen van drie tot negen plaatjes acteren: ze beleven de dagelijkse dingen, spelen met elkaar, plagen, gaan op avontuur. Met een beetje goede wil zou je het een pantomime-strip kunnen noemen.

De verhaaltjes verschenen oorspronkelijk tussen 1934 en ’37 in de Berliner Illustrierte Zeitung. Hun schepper Erich Ohser (1903-1944) verschool zich niet zonder reden achter het pseudoniem E.O. Plauen: vanwege kritiek op de nazi’s was hij begin jaren dertig terecht gekomen op een zwarte lijst. Als politiek tekenaar nam hij met venijnige spotprenten nadrukkelijk stelling tegen de bruine ideologie. Daarna keerde hij in het geniep terug als E.O. Plauen: die naam stelde hij samen uit zijn initialen en de plaats waar hij opgroeide. In 1944 werd hij opnieuw opgepakt. Hij pleegde zelfmoord op de dag voor zijn berechting.

In Vater und Sohn is niets van politiek terug te vinden, zelfs niet heel impliciet of goed verstopt tussen de plaatjes. De stripjes bestaan uit charmante, gestileerde tekeningen die meer op kiekjes lijken dan op stripplaatjes: Plauen maakt grote sprongen in de sequentie, alles wordt teruggebracht tot de kern. Niet zelden gaat dat ten koste van het begrip. Dan is er zoveel weggelaten dat nog maar met moeite te achterhalen is waar het over gaat.

Toch hoort dat allemaal bij de bekoring en waardering van de strip. De artikelen die over Vater und Sohn zijn geschreven -en dat zijn er nogal wat- plaatsen de verhaaltjes vooral in de tijd: voor veel lezers waren de fratsen van de vader en zoon een manier om even te ontsnappen aan de grimmige sfeer in het Duitsland van de jaren dertig.

De verhaaltjes gaan van alledaags naar avontuurlijk: over een onbewoonde eiland, paardjerijden en pijp roken. De twee gaan naar het museum, het bos en naar de speeltuin. Ze bouwen een boot, beginnen een uitvindersbureau en vooral zoeken ze samen naar slimme oplossingen voor alledaagse probleempjes. Vater und Sohn is eigenlijk geminimaliseerde slapstick, waarin vader de rol van Oliver Hardy speelt: hij delft regelmatig het onderspit, waarna zoon een pak op zijn broek krijgt. Maar altijd is het lief en geestig. En eerlijk: in het licht van de geschiedenis is de laatste aflevering van Vater und Sohn, waarbij ze hand in hand weglopen en de lezer gedag zeggen, adembenemend.

In Duitsland zijn de twee wereldberoemd: al in 1962 werden ze bekroond als de populairste grappenmakers van Duitsland; er is een Vater und Sohn-musical en vorig jaar verschenen ze zelfs op stoplichten, zoals de Mainzelmänchen in Mainz: in Plauen, onder Leipzig, zijn de voetgangersstoplichten voorzien van de vader en de zoon.

De achtergrond van de tekenaar en de tijd waarin de verhaaltjes verschenen, zullen hebben meegespeeld bij de plek die de strip in de geschiedenis heeft gekregen, maar dat verklaart maar ten dele dat de strip meer dan tachtig jaar na dato nog steeds tot de verbeelding spreekt. Wie de strips leest, ziet een prachtige balans tussen illustratie en verhaal. In de talloze artikelen over Plauen, die nog steeds verschijnen, is men er nooit in geslaagd een soortgelijke strip te vinden. Alleen al vanwege die unieke positie is het werkelijk de moeite waard om Vater und Sohn te lezen. De dikke Engelstalige oblong-uitgave, voorzien van een uitgebreide duiding als uitgeleide, bewijst dat nog eens.

Strips & comics

Gelezen: Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet

Iedereen kent Paulus. De avonturen van de kleine boskabouter horen bij Nederland als hagelslag, schaatsen en het bloemencorso. Hij is onvergetelijk, maar nog mooier is dat zijn avonturen nog steeds in boekvorm verschijnen. Uitgeverij De Meulder houdt zich intussen al veertig jaar bezig met het bezorgen van schitterende boeken rond ’s Neerlands beroemdste kabouter. Onlangs verscheen deel 14 uit de reeks ‘Gouden klassiekers’, Paulus en Poetepoet.

De Gouden klassiekers zijn losse verhalen, die Jean Dulieu zelf schreef en van illustraties voorzag. De reeks is pico bello bezorgd door Uitgeverij de Meulder, die als Paulus-autoriteit kan beschikken over het Archief Jean Dulieu, dat voorheen bekend was onder de aandoenlijke naam Paulus Archief. Het is de grootste collectie met werken van Jean Dulieu (Jan van Oort, 1921-2006).

Poetepoet is een typisch Dulieu-beertje dat op een dag het bos van Paulus binnenwandelt. Poetepoet is één en al goedheid en heerlijk naief en zo maakt het snel vriendjes met ongeveer iedereen in het bos, behalve natuurlijk met de heks Eucalypta. Zij is juist voornemens om de schattige beer te betoveren in een monster. Dat het Eucalypta niet lukt, is evident: iedereen keert zich tegen haar snode inborst en met de hulp van Poetema en Moetema, de ouders van Poetepoet, maar vooral door muisje Piep, komt alles op zijn berenpootjes terecht.

Het verhaal is voor kinderen, dat moge duidelijk zijn. Maar zoals iedereen al op zijn klompen aanvoelt, is ieder Paulusverhaal eigenlijk ook voor grote kinderen. In het geval van de Gouden klassiekers is extra aan de oudere lezer gedacht: achter in ieder deel is een dossier te vinden, met niet eerder gepubliceerde tekeningen, aquarellen, achtergrondinformatie en schetsen.

Naast de gewone handelseditie is er van iedere Gouden klassieker ook een beurseditie beschikbaar: vrijwel identiek, maar met een aflopende illustratie op het omslag en een veel uitgebreider dossier achterin. In het geval van de Poetepoet-editie zijn er nog twee korte verhalen met het beertje opgenomen. Voor de liefhebber, zoals dat heet, maar eigenlijk voor iedereen die zich weer eens wil verkneukelen bij een oud Paulusverhaal, zoals die met schipper Makreel, Joris het vispaard of Salomo.

De meeste Paulusverhalen uit de Gouden klassieker-reeks zijn nog altijd even leuk. Zeker, Paulus is gedateerd, maar op een voordelige manier: niemand zou willen dat Paulus verandert. De rustige vertelstem, met veel omhaal van woorden, draagt onmiskenbaar bij aan de waardering van Dulieu’s werk. Voor mensen die opgroeiden met Paulus is dat een belangrijk onderdeel van de magie. Het ademt vroeger.

Maar toch: ook kinderen van nu die de verhalen voorgelezen krijgen, voelen zich meteen vertrouwd met Paulus, Eucalypta, Oehoeroeboeroe en Gregorius. Dat heeft te maken met de sfeer; die van het bos waar kabouters en beesten wonen. Daar praten ze zo, het heeft niets met ouderdom van de verhalen te maken.

Alleen, met z’n tweeën of desnoods voor een hele kinderschare: Paulusverhalen zijn om van te genieten. Nog steeds. Het lieflijke verhaal van Poetepoet is een mooi vertrekpunt.

Strips & comics

Gelezen: Aimee de Jongh – Snippers 9: De eindstreep

Tussen januari 2012 en juli 2017 verscheen de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh in treinkrant Metro. Vorig jaar maakte De Jongh bekend te stoppen met de dagboekserie over Aimée en haar huisgenoot Stef. Een moedige beslissing; weinig striptekenaars zullen de financiële zekerheid inleveren voor iets onbestemds, vooral als het ook nog eens een erg leuke en populaire strip is. Op donderdag 20 juli verscheen de laatste strook, waarin Aimée de metro uitstapt en met een koffertje in de hand de roltrap neemt: “Er is nog zoveel meer te ontdekken en daar heb ik zin in. Daarom gaan we, op zoek naar een nieuw avontuur.”

In het geval van Aimée de Jongh (1988) is het nieuwe avontuur haar tweede graphic novel die in mei van dit jaar, tijdens de Stripdagen van Haarlem, verschijnt; Bloesems in de herfst. Dit album maakte ze samen met scenarist Zidrou (Wie laatst lacht, De adoptie en het prachtige Lydie). Haar eerste graphic novel, De terugkeer van de wespendief, verscheen in veel vertalingen en werd verfilmd. Beide boeken zijn van een heel ander kaliber dan Snippers.

De eindstreep, deel 9 van de serie, is een dikkerd. Niet 48 pagina’s, zoals gebruikelijk, maar 64 pagina’s met stroken van de laatste anderhalf jaar, aangevuld met een geestige ‘Life after Snippers’ waarin De Jongh vertelt over de afkickverschijnselen van een dagelijkse strookstrip.

Een dagstrip trakteert de lezer elke dag op een glimlach, iets herkenbaars of op een knappe actuele inhaker. Snippers had het allemaal, en was bovendien slim geconstrueerd: Aimée en haar huisgenoot Stef waren een handig koppel om veel verhalen aan op te hangen. De ene licht-chaotisch en driftig, de ander voortdurend zogenaamd rotsvast en logisch. De grappen zijn soms plagerig, maar altijd herkenbaar en kleinmenselijk. Wie heeft er niet gevloekt op de trein? Wie heeft er geen mening over hipsterkoffie?

Niet altijd zijn dagbladstrips leuk om in een album te lezen: teveel achter elkaar legt vaak structuurtjes bloot en laat zien dat er uit dezelfde vaatjes wordt getapt. Dat is bij Snippers niet anders, maar toch stoort het niet. Leuk wordt het vooral als je de running gags, die je voorheen misschien gemist had, ineens ziet. Bij Snippers heten veel bijfiguren Willem, dat idee. Zo zit De eindstreep vol met kleine bijgein.

Er is niets mis met terugkijken, maar liever was deze recensie niet in de verleden tijd geschreven. Snippers is vertrokken, wat gelukkig is gebleven zijn negen albums, waarvan de laatste zelfs instaplezers kan overhalen de eerdere delen ook aan te schaffen, of in ieder geval te lezen.

Strips & comics

Gelezen: Annie Goetzinger – Meisje in Dior

Biografische strips zijn van een apart slag. Meer accuraat dan spannend, eerder vertellend dan meeslepend. Als de auteur zich puur richt op geschiedschrijving verschilt een biografie nauwelijks van een biografische strip. Annie Goetzinger, de Franse strip- en modetekenaar die afgelopen december op 66-jarige leeftijd overleed, heeft wat dat betreft een slimme keuze gemaakt met ene biografie over mode-icoon Christian Dior: het geeft haar de gelegenheid ’s mans werk te laten zien, in mooie, kleurrijke pagina’s.

Meisje in Dior is het flinterdunne verhaal over de jonge modejournalist Clara, die uiteindelijk als mannequin op de catwalk van het befaamde modehuis belandt. Het geeft Goetzinger alle gelegenheid om te schijnen: de lange avondjurken waarmee Dior (1905 – 1957) grote faam verwierf in de jaren veertig, en waarmee hij de Amerikaanse modewereld na veel tegenwerking overtuigde, worden in al hun glorie getoond. Deze stripbiografie bewijst daarmee haar nut. Praten over haute couture is een stuk oninteressanter, zeker voor de betrekkelijke leek.

Goetzinger heeft zich terdege gedocumenteerd. De ensembles en jurken zijn exact. Achter in het album is een dossier opgenomen met een biografische tijdlijn en een groot aantal mooi uitgewerkte mode-illustraties.

Meisje in Dior is geen uitmuntend verhaal. Daarvoor is alles te clichématig opgezet en uitgewerkt. Clara is het klassieke personage: de jonge vrouw van eenvoudiger komaf die bij toeval in de jet set belandt. Toch is dit geen groot bezwaar, al meteen is duidelijk dat het verhaal niet leunt op intriges of spanningsbogen.

Wel jammer is dat Christian Dior vrij vlak en zouteloos overkomt. Hij schuifelt en smiespelt maar wat rond, maakt intussen wat krabbeltjes en beziet alles met een flauwe oogopslag. Meisje in Dior is duidelijk niet op de persoon geschreven: het gaat hier om zijn werk, zijn creaties. Eigenlijk wil Goetzinger vooral laten zien hoe bedreven ze is in het uitwerken van haute couture, en daar is niets mis mee. Meisje in Dior is feitelijk een bloemlezing, nauwelijks een biografie.

Wat stripbiografieën vaak de moeite waard maakt zijn de inkijkjes in de psyche van de hoofdpersoon. Goede voorbeelden zijn Alain Passard, de wereld van een meesterchef door Christophe Blain en Audubon, On the wings of the world van Fabien Grolleau en Jérémie Royer.

Die laatste is in het bijzonder zeer de moeite waard: kunstschilder en onderzoeker John James Audubon (1785-1851) is onder vogelaars en natuurvorsers beroemd vanwege zijn grillige en buitensporige vogelplaten die hij maakte en die verschenen in het prachtige overzichtswerk The Birds of America.
Audubon, On the wings of the world is een schitterend verhaal over een bevlogen genie die zijn leven in dienst stelde van een meesterproef: alle vogels van het continent vastleggen. In 2010 werd een compleet exemplaar van The Birds of America geveild voor 11,5 miljoen dollar. Over iemand met zo’n nalatenschap en impact wíl je alles weten.

Goetzinger koos voor een andere route: wie meer over Dior wil weten, kan terecht bij een overvloed aan biografieën. Wie de tijdgeest, de sfeer en de reuring wil proeven, heeft met Meisje in Dior een vriendelijk en interessant album in handen.

Strips & comics

Gelezen: Ichigo Takano – Orange & Orange Future

Manga is er in vele vormen en stijlen. De serie Orange, die in 2016 in twee flinke Engelstalige collections op de markt verscheen, hoort bij de vaandeldragers van de zogenaamde slice of life-manga. De serie van Ichigo Takano over een groep middelbareschoolvrienden is bedoeld voor shojo en seinen, de Japanse genrebenaming van manga voor respectievelijk meisjes en jongens in de young adult leeftijd.

Dat Orange een geweldig succes werd, ook in het Westen, komt omdat het verhaal niet per se voor jongeren is. Het is knap geconstrueerd in verschillende tijdlagen maar leest toch lekker weg. Vooral behoort Orange bij de moderne mangaklassiekers vanwege de typische manga-kenmerken die het in zich verenigt, zonder dat het grotesk of overdadig wordt: het verhaal is om te beginnen erg sterk, met veel ontwikkeling en diepgang; het tempo van de vertelling is rustig en uitgebreid.

De personages zijn zoet getekend en in wezen klassiek: het zijn keurige scholieren die zich tot elkaar verhouden met eerbied en afstand. Groepsdynamiek is belangrijker dan het individu, helpen en wegcijferen zijn deugden, verkeerd over iemand denken een doodzonde. En waar andere manga soms plat en eendimensionaal is, blinkt Orange juist uit in diepgang en een gelaagde verhaalstructuur.

Orange is een epische liefdesgeschiedenis die zich niet richt op wat is geweest, maar wat nog gaat komen. Op een dag krijgt Takamiya Naho een brief. De afzender is zij zelf, maar dan tien jaar ouder. In de brief leest ze dat er een jongen bij haar in de klas komt die later overlijdt, mogelijk zelfs door zelfmoord. Naho is ervan overtuigd dat ze deze jongen, Naruse Kakeru, kan helpen om te voorkomen dat het ergste gebeurt. Waarom zou ze anders deze brief krijgen? Het blijkt een voorbode voor spijt, angst en de wil om de loop van de geschiedenis te veranderen. Hoe voorkom je een tragedie? Deze vraag is geen kleinigheid voor jongvolwassenen.

Er ontwikkelt zich een verhaal waarbij het gedrag van Naho wordt bepaald door de brief die per dag vertelt wat er gebeurt. Als zij de gebeurtenissen zo kan plooien dat het verloop van de toekomst verandert, zal Kakeru vast blijven leven. Het blijkt moeilijker dan gedacht. Gaandeweg krijgt de toekomst steeds meer greep op Naho en haar vriendenclub, en komt het moment van afscheid steeds dichterbij. Natuurlijk wordt Naho verliefd op Kakeru en dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op. Wel veel mooier.

Ichigo Takano tekent het de personages met veel expressie. Op het eerste oog ziet het er overdreven uit. Tegelijkertijd leert de westerse lezer de in onze ogen overdreven Japanse omgangsvormen en etiquette kennen. Wie zich hieraan overgeeft heeft met Orange echt een mooi Japans verhaal te pakken.

Toch is het lezen van manga geen topzware gebeurtenis. Je bladert vrij snel door, en geen mangalezer zal daarom schrikken van dikke bundelingen: Orange telt twee delen van bijna 400 pagina’s en vorige maand verscheen een dunnetje van bijna 200 pagina’s, dat een deel van het verhaal nog eens vertelt vanuit een ander perspectief.

Dat dunnetje heet Orange Future en is een soort navertelling, door de ogen van Hiroto Suwa, een van de vrienden van Naho en Kakeru. Zijn kijk op de zaak is niet bijster anders, behalve dat hij erg kritisch is op zijn eigen rol in het geheel. Hoewel zijn vrienden een andere mening zijn toegedaan, vindt Suwa dat hij er niet genoeg voor Kakeru en de anderen is geweest.

Het knappe van de oorspronkelijke Orange is dat het uiteindelijk precies lang genoeg duurt en dat het de lezer in een fijn tempo naar de ontknoping leidt. Alles komt exact op tijd. Door Orange Future wordt het te lang, te uitgemolken: nog een keer spijt, nog een keer angst, nog een keer de wat-alsvraag.

Orange Future verscheen omdat van de manga onlangs een anime is gemaakt, met daarin een grotere rol voor Suwa. Voor de tv-serie was dat een slimme keuze, de manga kan prima zonder.

Orange blijft een slice of life-manga uit het topsegment, Orange Future is er voor de completisten of voor hen die heel nieuwsgierig blijven naar Naho, Suwa en de rest.

Strips & comics

Gelezen: Mikaël – Giant

Het is in Vlaanderen luid en duidelijk doorgedrongen dat de Hollanders niet altijd gelukkig zijn met hun Nederlandse vertalingen van Franstalig werk: de kritiek spitst zich toe op archaïsche vlamismen en onbekende staande uitdrukkingen, waardoor niet alles doorheen een verhaal steek houdt. Sinds een tijdje horen we soortgelijke geluiden nu ook van hun kant: de Nederlander zou zich ook schuldig aan maken aan vreemde vertalingen waar Vlamingen geen chocola van kunnen maken. Van weerszijden vreemd omdat we toch een gezamenlijke algemeen beschaafde taal gebruiken.

Een krasser staaltje was onlangs te lezen op een stripsite: de Nederlander moest maar een toontje lager zingen, omdat er meer Vlaamse albums naar Nederland gaan dan omgekeerd, in grotere aantallen bovendien. Wil je toch de albums lezen, dan oefen je maar in dat zogenaamde Vlaams. De Vlaming heeft namelijk nergens last van en vindt het onzin dat ‘zijn’ verhalen moeten worden aangepast aan een klagende minderheid, die met een beetje moeite best in staat is een album te lezen. Komaan hé.

En toch: de ene vertaling uit Vlaanderen is de andere niet. Het is dus maar net wie er op de klus is gezet. Het tweeluik Giant van de Franstalige Canadees Mikaël, dat onlangs als integraal album verscheen, heeft de pech dat de vertaling hier en daar rammelt. De zinnen, veel in spreektaal, zijn stroef en de dialogen komen onnatuurlijk over. Het maakt dat de leeservaring soms hapert en dat is zó spijtig: Het verhaal dat Mikaël vertelt is van een grote schoonheid.

Giant is een zacht liefdesverhaal in een harde en niemand ontziende omgeving, namelijk het New York van de jaren dertig. Het zijn de jaren van de verticale expansie van de stad: overal verrijzen hoge gebouwen, zoals Rockenfeller Plaza en de Empire State Building. Tegelijkertijd vertelt Giant het verhaal van de gastarbeiders uit met name Ierland die onder erbarmelijke omstandigheden te werk worden gesteld.

Giant is een van de Ierse gastarbeiders die de stalen geraamtes voor de wolkenkrabbers maakt. Hij zou te zien kunnen zijn op de overbekende iconische foto van de schaftende werklui op duizelingwekkende hoogte.

Giant, die zo wordt genoemd vanwege zijn imposante gestalte, is van de zwijgzame soort. Zijn collega’s krijgen geen vat op hem, al wordt zachtjes gefluisterd dat hij zijn levensgeluk is verloren in de strijd tussen de protestanten en katholieken, thuis in Ierland.

Als op een dag een landgenoot om het leven komt bij de werkzaamheden is het de beurt aan Giant om diens weduwe in te lichten. Hij stuurt haar een brief met geld, maar verzwijgt het overlijden van haar man. Wat volgt is een briefwisseling tussen Giant en de weduwe, die uiteindelijk besluit met het gespaarde geld de oversteek te maken: met haar kinderen staat ze op een dag bij Giant op de stoep.

Het verhaal van meer dan 100 pagina’s heeft een rustig verloop. De mooiste pagina’s zijn die waar weinig in wordt verteld: in illustratieve sequenties wordt de dagelijkse beslommering uitgebeeld en die horen tot de mooiste uit het album. Het zijn schitterende kijkplaten die aanvoelen als een nauwkeurige verslaglegging van de tijd: het straatbeeld, de kleding en de begindagen van het moderne New York. Mikaël heeft hetzelfde perfecte oog voor detail als Will Eisner, de stadschroniqueur van New York.

Wat het stadse karakter nog extra benadrukt is de constante aanwezigheid van de radiostem van Walter Winchell, die overal uit transistors schalt. Hij vertelt over politieke ontwikkelingen, de strijd tegen de Italiaanse maffia en de naderende verkiezingen. De sepiabruine kleurstelling die de pagina’s domineert zorgt voor een verhaal dat op verschillende niveaus klopt: de sfeer is uitmuntend in beeld gebracht.

Al deze pluspunten laten onverlet dat de vertaling het enige smetje is. Maar eerlijk is eerlijk: daar is mee te leven. Giant is een te sterk verhaal om te negeren. Deze Hollander leert best bij, het mag stilaan keren, hé.

Strips & comics

Comics Krenten aflevering 7

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het winternummer dat nu in de winkels ligt.

Dat manga zich tegenwoordig niet meer beperkt tot series van Aziatische origine, zie je aan de comics van Sherlock, naar de gelijknamige BBC-detectiveserie met Benedict Cumberbatch als Sherlock en Martin Freeman als Watson in de hoofdrollen. De tv-afleveringen worden per zes delen in comic uitgebracht. Inmiddels verschenen de series Study in Pink en The Blind Banker (beide in TPB, $12.99, Titan) en zijn we al een eind op weg in The Great Game.
De comics zijn duidelijk geen vrije bewerkingen of op zich zelf staande verhalen, maar volgen de afleveringen van de serie strikt, naar de scripts van de oorspronkelijke schrijvers. Beide comic runs zijn getekend door Jay. (met een punt achter zijn naam), in een vrij plastische maar daarmee ook overzichtelijke stijl.

De verhalen gaan volgens het beproefde tv-recept en van de twee verschenen TPB’s is de tweede het beste. The Blind Banker heeft alles wat een Sherlock-verhaal tof maakt: inbraken, duistere symbolen, een vleugje mystiek en vooral erg veel vragen. Over het tekenwerk is gemakkelijker zonder spoilers te praten: dat is strak en leunt heel sterk op de beide tv-personages die duidelijk herkenbaar zijn.
Voor lezers die de tv-serie niet kennen is de manga-Sherlock te gek, vanwege de lekkere vaart en de serieus-komische dialogen. Als je je nog niet eerder aan manga hebt gewaagd bovendien een perfecte instapmogelijkheid.

Monstress, de fantasy saga van Sana Takeda, op scenario van Marjorie Liu, is van een heel andere orde. Het is een geweldig verhaal over de magische Maika Halfwolf, een zogenaamde Arcanic van een jaar of veertien, die net als haar soortgenoten wordt opgejaagd door de Cumaea, een club slechteriken die hun krachten ontlenen aan de Arcaniërs. Het snoezige vosmeisje Kippa vergezeld Maika op haar tochten naar bevrijding en rechtsherstel.

Het verhaal gaat veel verder dan een beetje oorlog voeren en elkaar opjuinen; er zijn genoeg verwijzingen naar onversneden racisme en slavernij. Het tekenwerk is magnifiek, gedetailleeerd met schitterende arceringen, als een perfecte symbiose tussen Westerse fantasy en Aziatische tekenkunst. Het inkleurwerk is een regelrechte referentie voor het fantasygenre, vooral de zeescenes in de tweede verhaallijn zijn adembenemend.
De eerste TPB, Awakening ($16,99, Image), was al geweldig; het vervolg The Blood is vanwege de strijd op zee een nog impossantere leeservaring. Superlatieven, ik weet het. Voor deze keer mag het.

Strips & comics

Gelezen: Pénélope Bagieu – Wereldwijven 1

Het is gemakkelijk te denken dat de verhalenbundel Wereldwijven van de Franse tekenares Pénélope Bagieu voortkomt uit het huidige activistische tijdsgewricht; dat van #MeToo, vrouwenquota en girlpower. Maar eigenlijk is het album met de ondertitel ‘vrouwen die de wereld naar hun hand zetten’ vooral een vrolijke optocht van stoere wijven die zich van niets of niemand iets aantrekken.

Het stripalbum is geen pamflet dat bewijzen wil leveren. Natuurlijk nemen de geportretteerde vrouwen de nodige obstakels en zijn er genoeg vooroordelen te overwinnen, maar nergens wordt het politiek. De lezer wordt geen spiegel voorgehouden. De vertellingen hebben iets lichts, de vrouwen zijn cool en geëmancipeerd. Ze hebben lef en lak aan conventies, dat vooral, en die vanzelfsprekende toon pakt goed uit.

In vijftien episodes vertelt Bagieu de markante geschiedenissen van vrouwen als Joséphine Baker, Annette Kellerman, Tove Jansson, Josephina van Gorkum, Wu Zetian en Nzinga. Anders gezegd: biografieën over een zeemeermin, een gynaecologe, koningin, keizerin tot en met sociaal werkster, de vrouw met de baard en de bedenkster van Moomin.

Het mooie van de verhalen is de vertelstem van Bagieu: die is jolig, vrolijk en speels, met een vloeiende afwisseling van verhaal en dialoog. De pagina’s hebben daarmee iets weg van Pieter Geelens Anton Dingeman uit Trouw.

Het tekenwerk is rustig, met weinig achtergronden en details. We zien vooral koppen en figuren. De tekst dwarrelt over de pagina’s wat het geheel een frivole en open uitstraling geeft. Dit wordt extra krachtig door de zwierige handlettering van Frits Jonker, die in meerdere lettertypes de lagen van het verhaal perfect aanvoelt. Als er nog iets bewezen moet worden in de strijd tussen handlettering en computerfontjes, dan is Wereldwijven een mooi voorbeeld van de overwinning van het echte handwerk.

Wereldwijven is een groot succes in Frankrijk. Van de twee verschenen delen zijn inmiddels 250 duizend exemplaren verkocht. Op het tweede deel, toepasselijk Wereldwijven 2 geheten, is het nog even wachten: dat verschijnt pas volgend jaar in het Nederlands.

Strips & comics

Gelezen: Nagabe – The Girl From The Other Side, Siúil A Rún

Hier kijk je gemakkelijk overheen: The Girl From The Other Side is een mangareeks in het dark fantasy genre, dat het afgelopen jaar op klein formaat en in stemmig zwart omslagen verscheen. De eerste vier delen van wat vermoedelijk een vijf- of zesluik wordt, zijn inmiddels uit. Het verhaal is intrigerend en broeit al bij de eerste pagina’s. De lezer leert meteen: hier klopt iets niet. Zelden zo’n knappe opmaat gezien naar een verhaal dat erna alle tijd en ruimte krijgt zich te ontwikkelen tot een fascinerend modern sprookje.

De wereld van het verhaal is verdeeld in de Inside en de Outside; in de ene wereld wonen de mensen en in de andere de gedoemden, uitgebeeld als ranke, zwarte figuren met beestenkoppen. Wie verzeild raakt in de Outside en daar wordt aangeraakt door een gedoemde, wordt een van hen. En toch leeft er een klein meisje, Shiva, samen met een gedoemde die ze Teacher noemt. Hoe dat kan is een raadsel, in ieder geval ziet het huiselijke tafereeltje er lief en onbeholpen uit. Shiva helpt in het huishouden en doet niets liever dan theepartijtjes organiseren.

Uiteraard wordt Shiva ondanks alle voorzorgsmaatregelen van Teacher in de bossen ontdekt en wordt er jacht op haar gemaakt. Wellicht draagt zij het allesbepalende geheim met zich mee: hoe kan ze anders in de Outside leven zonder te veranderen? Die kennis zou voor de mensen uit de Inside een einde betekenen aan de levensbedreigende situatie.

Het verhaal lijkt een kruising tussen het apocalyptische sprookje Sweet Tooth van Jeff Lemire en de fantasywereld van The Ancient Magus’ Bride vanwege de overeenkomstige beestfiguren. Toch is The Girl From The Other Side veel innemender door de ontwapenende aanwezigheid van Shiva, en daarmee sterker als verhaal. Redt haar kinderlijke onschuld de wereld? Of is zij toch de intrigante die de lezer een rad voor ogen draait?

Zelden ging een verhaal zo ingenieus met het verteltempo om: de lezer wil het weten, maar nog niet meteen. Shiva wordt de tijd gegund om de hele geschiedenis te ontrafelen. Intussen geniet de lezer van het tekenwerk van Nagabe dat soms wat iel oogt, maar heel krachtig en filmisch is. The Girl From The Other Side mag bij de stripboer gerust op de plank met aanraders. Zoveel ruimte neemt het niet in.

 

Strips & comics

Gelezen: Steve Cuzor & Yves Sente – Een ster van zwart katoen

Op geen enkele manier is Een ster van zwart katoen een doorsnee verhaal over oorlog. Niet alleen bestrijkt het drie generaties, waarmee het van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog tot de Tweede Wereldoorlog reikt, ook de twee invalshoeken zijn bijzonder: enerzijds de zwarte strijd voor gelijke burgerrechten en anderszijds het werk van de geallieerde Monuments, Fine Arts, and Archives-divisie, die ten tijde van WO II belast was met het opsporen en terugbrengen van gestolen erfgoed. In Een ster van zwart katoen draait het om het prototype van de Amerikaanse vlag, zoals wij die nu kennen, destijds nog voorzien van dertien sterren en dertien witte en rode banen.

Johanna Bolton is een zwarte studente geschiedenis, in 1944 nog een zeldzaamheid, die een dagboek erft van een verre voorouder. Deze Angela Brown leefde tijdens de Onanfhankelijkheidsoorlog en in het dagboek beschrijft ze nauwgezet de laatste dagen van die strijd en de oprichting van de Verenigde Staten aan het einde van de achttiende eeuw. Betsy Ross, Angela’s werkgeefster, wordt verzocht de eerste versie van de stars & stripes te ontwerpen. Angela ziet de witte sterren als een ontkenning van de zwarte aanwezigheid in het land en pleegt een daad van verzet door ook de gekleurde Amerikaan een plek te geven op de vlag: zij naait een zwarte ster onder een van de witte sterren. Wie de vlag en daarmee de geschiedenis letterlijk tegen het licht houdt, zal zien dat de zwarte gemeenschap vanaf het begin bij Amerika heeft gehoord.

De vlag wordt in de vrijheidsstrijd die volgt buit gemaakt en verdwijnt uit het zicht, om eeuwen later in nazi-Duitsland op te duiken in de inboedel van een rijke Joodse zakenman, van wie het doek tijdens de Kristallnacht wordt ontvreemd. Het is aan de MFAA-divisie om het terug te vinden.

Colin Bolton is de broer van Johanna en is in Engeland gelegerd als militair in een zwarte divisie. Hun werk speelt zich niet af aan het front, omdat de legerleiding geen vertrouwen heeft in hun zwarte militairen. Johanna’s geestdrift om de vlag terug te vinden, slaat over op Colin die met twee collega’s de missie aanvaardt om de vlag terug te halen.

Het wonderlijke van Een ster van zwart katoen is dat het verhaal ondanks de thematiek en vele lijnen en invalshoeken geen zware kost oplevert. De strijd voor zwarte burgerrechten en het racisme in het Amerikaanse leger is nog steeds actueel, waarmee het verhaal dichtbij de lezer blijft: het is bepaald geen achterhaald historisch gegeven. De zoektocht naar de eerste vlag, beladen met symboliek, spreekt enorm tot de verbeelding en geeft de zoektocht van Colin en zijn kameraden een spannende extra dosis heldenmoed.

Het verhaal is mooi uitgebeeld, met veel filmische vaart en karakter in de koppen. De beide tijden, eind achttiende eeuw en de jaren veertig, zijn mooi uitgebeeld en in stemmige kleuren gevat. Klein smetje zijn enkele gesprekken van de zwarte militairen waaruit het virulente racisme blijkt: het wordt erg expliciet, terwijl het racisme overal voelbaar is. Wat je overtuigend genoeg laat zien hoef je niet ook nog eens letterlijk te zeggen.

Een ster van zwart katoen verscheen in de Vrije Vlucht-reeks, een serie losstaande albums van steeds verschillende auteurs, die steeds beter wordt. Met de jaren is het een kwaliteitsstempel geworden: de Vrije Vlucht staat voor knappe verhalen, met diepgang en finesse die bovendien niet kijken op een pagina meer of minder. Een ster van zwart katoen is 176 pagina’s lang; gelukkig, wat goed is mag duren.

Strips & comics

Gelezen: Frenk Meeuwsen – Zen zonder meester

Het stripdebuut van Frenk Meeuwsen is bepaald geen niemendalletje. In bijna 300 pagina’s vertelt hij het verhaal van Frenk die opgroeit in Nederland en een tijd in Japan woont. Frenk heeft een bovenmatige interesse in het spirituele en bezit de gave van de verwondering: hij staat open voor veel fenomenen, maar behoudt toch zijn nuchterheid. De titel verwijst hiernaar: ook zonder leidraad of goeroe kun je een goed leven leiden; een dat prima in balans is. Frenk vraagt zich terloops af of een perfect leven wel nastrevenswaardig is. Misschien dat het nog beter is om alles gewoon te laten gebeuren.

Zen zonder meester heeft een hoge herleesfactor. Wie het album in de buurt houdt, zal zien dat het steeds uitnodigt om er even bij te pakken. Er zijn veel verhaallijnen die niet af of opgelost zijn na eerste lezing. Zo’n scene doet zich voor aan tafel als Frenk vraagt hoe klappen met één hand klinkt. Terwijl het hem niet lukt de idee achter de vraag op te lossen, vergeet hij het belangrijkste: het te doen, om te horen. En ja, zo klinkt het. Dat een vraag niet voor de hand ligt (no pun intended), wil niet zeggen dat er geen antwoord mogelijk is. Dit klinkt anekdotisch, maar de vraag blijft toch rondzingen: misschien zit hetzelfde gegeven ook in andere zaken verstopt. Het zet de lezer op scherp.

Een ander slim gegeven is dat het personage Frenk niet wordt geportretteerd als een zweverige jongeman, waarmee de clichés geen vat om hem krijgen. Hij is eerder filosofisch angehaucht dan mystiek geïnteresseerd.

Zen zonder meester is een interessante en vooral leuke leeservaring. Juist doordat Frenk met een open en scherpe blik naar alles kijkt, weet hij steeds een dimensie aan zijn observaties toe te voegen. Feitelijk demystificeert hij de grote gebaren om tot de kern door te dringen: geloof geen man die zich Ayoshi noemt maar gewoon Jan heet; het boeddhisme is een opeenvolging van rituelen en mediteren is zitten en niet veel meer. Het grappige is dat Meeuwsen het met dezelfde stelligheid beweert als de Ayoshi’s van onze samenleving: ook Zen zonder meester heeft onmiskenbaar zelfhulpboekachtige trekjes, zij het op lichtvoetige wijze.

Zen zonder meester is een verhaal dat de juiste toon aanslaat en de lezer veel inzichten geeft. Lees het met dat idee en je zult aangenaam verrast worden. Het is bovendien een album dat ook voor minder doorgewinterde striplezers een prettige kennismaking met het medium is.

Strips & comics

Gelezen: Laurent Verron & Yves Sente – Ze noemden hem Rooie

Hoewel Ze noemden hem Rooie gaat over een robbedoes en we uiteindelijk te maken blijken te hebben met het personage dat model stond voor Robbedoes, is dit feitelijk geen Robbedoes-verhaal. Rooie wordt in het album gepresenteerd als het personage op wie de heldhaftige piccolo uiteindelijk is gemodelleerd. Toch past het qua formaat en opzet in de Robbedoes door…-reeks, de serie rond de piccolo die steeds door andere auteurs wordt getekend.

Deze keer is het de beurt aan Verron, die ons een heel andere blik gunt op het robbedoesuniversum dat met name Franquin heeft vormgegeven en dat wij doorgaans als referentie beschouwen. Verron tekent krasseriger, realistischer en met lekker veel soul. De pagina’s swingen en zien er -ondanks de soms bedompte kleuren- goed uit.

Het verhaal gaat min of meer over Rooie, een acrobaatje van een jaar of twaalf dat besluit naar Amerika te vertrekken nadat zijn moeder komt te overlijden in het circus. Het is eigenlijk een van de verhaallijnen die tezamen komen op een cruisschip met bestemming Amerika: Rooie heeft aangemonsterd op het luxe schip, waarop ook een rijke industrieel en zijn zieke dochter meereizen. De industrieel heeft even daarvoor honderden mensen ontslagen en op de boot wordt hij gechanteerd door gedupeerde werklui, die de ontslagronde ongedaan willen maken. Dat is feitelijk de hoofdvertelling van het verhaal. Intussen ziet het dochtertje onze Rooie wel zitten.

Er ontwikkelt zich een avontuur waarin Rooie, de bemanning en de industrieel steeds achter de feiten aanlopen: ze hebben de eerste aanslagdreiging amper verijdeld of er dient zich een tweede aan, en daarna ook nog een diefstal. Het enige wat ze doen is anticiperen. Steeds opnieuw moet er iets worden opgelost, totdat alles en iedereen ontmaskerd is. En dan blijkt de geschiedenis van Rooie en de dochter ineens belangrijker dan die van de gedupeerde werknemers. Dat probleem is zijdelings afgewikkeld.

Scenarist Yves Sente heeft er een interessant gegeven aan toegevoegd: een van de kapiteins op het schip is Robert Velter, die in zijn vrije tijd niet onverdienstelijk (strip)tekeningen maakt. Deze Velter heeft echt bestaan en is de geestelijk vader van het figuurtje Robbedoes, dat hij in 1934 bedacht. Op de boot ontmoet hij Martin Branner, de striptekenaar van Winny Winkle, die hem een baan aanbiedt als assistent. Ook dat is historisch juist. Of Velter echt een jongetje heeft gekend dat Rooie heette en model stond voor Robbedoes vertellen de geschiedenisboeken niet.

Ze noemden hem Rooie is ondanks de buitelende opeenvolging van gebeurtenissen toch een leuk verhaal geworden. De tekeningen van Verron zijn mooi, actief en het verhaal heeft veel vaart. Misschien beter om afgeleide Robbedoesverhalen niet steeds langs de meetlat van Franquin te leggen: dit album biedt genoeg leesplezier. En 78 pagina’s op groot formaat is ook nog eens waar voor je geld.