Strips & comics

Gelezen: Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal deel 1 en 2

De publicatie van de stripserie rond Jonas Fink, van de hand van de Italiaanse tekenaar Vittorio Giardino, begint in de vroege jaren negentig. In het toen al zieltogende striptijdschrift Wordt Vervolgd, het Nederlandstalige zusterblad van het vermaarde Franse A Suivre, verschijnen de eerste twee delen van de reeks rond de Tsjecho-Slowaakse jongeling en zijn familie, getiteld De jeugdjaren en De leerjaren. Het zijn de delen die vertellen over de jonge jaren van Jonas Fink.

Het is net na de Tweede Wereldoorlog als Europa zijn wonden likt en de communistische en westerse mogendheden hun invloedssferen verdelen. In het voormalige Tsjecho-Slowakije vestigt zich een door Rusland gedomineerd totalitair regime dat leunt op achterdocht en onderdrukking. Voor de Joodse familie Fink betekent het dat vader, een gerespecteerd arts, in de gaten wordt gehouden. Hem worden subversieve sympathieën verweten en hij belandt erdoor in de cel. Onschuldig of niet, voor Jonas betekent het dat hij zijn jonge jaren met alleen zijn moeder doorbrengt. Daar blijft het niet bij: het gedecimeerde gezin wordt op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Zo mag Jonas niet gaan studeren en verliest zijn moeder haar werk omdat ze niet over de juiste papieren beschikt.

Jonas gaat als loodgieter werken en ontmoet in zijn vrije tijd een groep leeftijdsgenoten, die zich in het geniep onder meer bezig houdt met het lezen van verboden literaire werken, de samizdat. Hier is het eerste deel van het verhaal op z’n sterkst: Giardino portretteert niet alleen de groep jongeren maar geeft ook een mooi beeld van hoe de Russische invloeden zich laten gelden in het naoorlogse Praag.

De avonturen van Jonas Fink zijn verdeeld over twee kloeke integrales. Het eerste deel beschrijft de bovengenoemde periode, die intussen meer dan twintig jaar oud zijn. De tweede integrale is in zijn geheel het derde deel, De boekhandelaar uit Praag, en is pas vorig jaar afgerond. In dat deel is Jonas een volwassen man, de vertelling gaat verder in 1968. De goede verstaander weet dat Tsjecho-Slowaakse hoofdstad aan de vooravond staat van de Praagse Lente.

Intussen is Jonas boekhandelaar geworden – hij heeft de zaak overgenomen van de oude Pinkel, die we al in de eerste integrale hebben leren kennen. De vriendenkring heeft zich opgewerkt tot gerespecteerde leden van de samenleving, zij het nog steeds met een gezonde dosis anti-establishment. Als de Russische tanks de grens oversteken, weten ze dat er op ze wordt gelet. Het vriendinnetje van de jonge Jonas, de Russische Tatiana, heeft het gebracht tot een vooraanstaand journaliste die terugkeert naar Praag om daar de gebeurtenissen te verslaan. Dit zorgt uiteraard voor spanningen, op zowel politiek als amoureus vlak.

Hier neemt het verhaal een onverwachte wending. Nu was Jonas al nooit een bijzonder positieve gast – logisch gezien de onderdrukkingen die hij moet ondergaan – maar in zijn latere leven wordt hij er ook naar anderen niet gezelliger op. Hij bedriegt zijn vriendin en kiest steeds vaker voor zichzelf. Het werkelijke verhaal heeft deze zijsprongen niet per se nodig, maar toch weet Giardino dit gegeven heel slim uit te werken. In de epiloog komt het geheel mooi tezamen; een knap narratief staaltje. Giardino kiest ervoor de bijzondere tijd en omstandigheden het middelpunt van de vertelling te maken en niet een personage. Het verhaal heeft eenvoudig geen held nodig; dat gegeven maakt van Jonas Fink een intrigerende, historische vertelling.

Los van deze bijzondere focus is Jonas Fink een geweldig verhaal, met een werkelijk sterke climax, tegen de achtergrond van spionage, contra-revolutionaire bezigheden en het historische gegeven van de situatie in het naoorlogse Praag. Samen met de heldere, zachtgekleurde tekeningen en vooral de heerlijke vertelvaart, is deze tweedelige integrale reeks een klassestrip van jewelste, een perfect voorbeeld van een coming of age-verhaal in een zinderende historische context.

Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal: 1 Volksvijand en 2 De Boekhandelaar uit Praag. Saga Uitgaven. 184 pagina’s per deel hardcover. € 29,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Colin Bunn & Tyler Crook – Harrow County Library Edition

Daniel Clowes, de Amerikaanse tekenaar van Ghost World en Eightball, was er een paar jaar geleden in een interview heel duidelijk over, toen hem werd gevraagd welke kant de stripmarkt op zou gaan: de digitale ontwikkelingen in ogenschouw genomen, vermoedde hij dat het klassieke album onder druk zou komen te staan. Hij maakte daarbij een onderscheid tussen twee soorten lezers. De ene groep is het puur te doen om het verhaal en het lezen. Het zijn de stripconsumenten; zij die net zo lief een digitale versie kopen en niet per se alles keurig in de kast hoeven.

De andere groep is die van de verzamelaars. Zij willen vooral het fysieke product en zijn bereid gerust wat meer betalen voor exclusiviteit – omdat ze ouder worden en meer geld te besteden hebben.

Die tweedeling is er intussen min of meer gekomen. Zeker in Amerika zijn er veel mensen die online hun strips kopen en lezen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de fysieke verkopen in aantal dalen, maar dat de omzetten niet evenredig neerwaarts meebuigen. Er wordt dus meer betaald per strip. Clowes’ vermoeden lijkt te kloppen: verzamelaars tasten dieper in de buidel voor mooie, al dan niet gelimiteerde uitgaven en lezers consumeren meer en meer de digitale versies.

Dit zien we terug in het aanbod dat de afgelopen tien jaar zeker is veranderd. Vooraf: in de Verenigde Staten worden strips doorgaans serieel uitgebracht, in zogenaamde floppies. Dat zijn de slappe, geniete boekjes, die wij in Nederland doorgaans comics noemen. Als er een verhaallijn is afgerond, dan verschijnt er een trade paper back (TPB) die meestal zes van die floppies bundelt. Lezers kopen of de floppies of wachten op de bundelingen. Als een succesvolle serie bijvoorbeeld compleet is na drie TPB’s, dan wil de uitgever er nog wel eens een omnibus van maken, een collection.

Wat we de voorbije jaren opmerken is dat Clowes gelijk heeft gekregen voor wat betreft het aanbod voor de echte verzamelaar, ook in Nederland. Bij ons verschijnen luxe integrale edities met veel extra’s, gelimiteerde edities met linnen rug en een gesigneerde prent of exclusieve, genummerde albums met een originele pagina. Vaak verschijnen er meerdere varianten van een enkel album, variërend van de reguliere sofcover voor 8,20 tot een luxe editie met prentje voor 99 euro. Intekenen is gewenst: de sjieke edities zijn vaak snel uitverkocht. De lezer leest, de verzamelaar verzamelt en voor beide groepen is er nu een eigen aanbod. (Al bungelt hier het digitale aanbod er een beetje bij.)

Terug naar de Verenigde Staten, of beter gezegd: het zuiden van begin 20ste eeuw. In Harrow County, een kleine, rurale gemeenschap waar het geloof angst inboezemt en de mens leeft volgens de geboden, is de rust weergekeerd. Enkele jaren daarvoor is een vrouw ter dood veroordeeld. Zij werd beticht van hekserij en daar had de gemeente onder te lijden. Kort erna wordt er een meisje geboren, Emma. Zij groeit op in harmonie met de natuur en de mensen, maar ontdekt met de jaren dat ze over bijzondere krachten beschikt. Er doen zich allerlei occulte en bovennatuurlijke situaties voor met geesten en demonen, en dan zijn de poppen toch weer aan het dansen. De bange dorpelingen twijfelen: is Emma wellicht de teruggekeerde heks?

Scenarist Colin Bunn (Sixth Gun, Dark Ark en Deathpool kills Deathpool) zet met Harrow County een perfecte strip neer in het genre plattelandshorror: de variant met veel juju, zwarte magie en religieuze connotaties. Het mooie van de serie – die intussen is afgerond en verscheen in acht TPB’s – is dat de menselijke maat altijd leidend is gebleven. Harrow County gaat over Emma en de andere inwoners van het gehucht, het verhaal wordt niet overgenomen door zombies en andere gekte. Er loopt niet een mutant met een grote bijl door het bos op jacht naar de ingewanden van argeloze wandelaars, om het maar eens volgens de horrorclichés te zeggen.

Alles in ogenschijnlijk in Harrow County. Emma blijft het vriendelijke meisje dat niets kwaads in de zin heeft, tenzij ze op de proef wordt gesteld. En dat gebeurt. Zij en alle inwoners van het dorp krijgen het zwaar en lijken te worden gestraft door de geest van de terdoodveroordeelde, die daarmee duidelijk maakt dat ze inderdaad over bovennatuurlijke krachten beschikte.

De tekeningen van Tyler Crook (B.P.R.D Hell on earth en Bad Blood) zijn uitmuntend. Hij is de meester in het tekenen van onheilspellende bossen, waarin je niet wilt verdwalen. Kijk in dat verband vooral eens naar deze indrukwekkende time lapse. Crooks inkleuringen zijn ronduit spectaculair en dragen het verhaal. De afgelopen drie jaar is Harrow County bewierookt en geroemd om zijn heerlijke plot en tekeningen. Met name Crook is erdoor op de kaart gezet als begenadigd tekenaar.

In de VS bestaat er sinds een paar jaar een nieuwe uitgavevariant, naast de eerdergenoemde floppie en TPB: het is de Library Edition. Dat is een luxe editie op groot formaat, met een harde kaft, leeslint, stofomslag en gedrukt op perfect papier. Deze nette behandeling is voorbehouden aan excellente stripreeksen zoals Hellboy, Buffy the Vampire Slayer en Black Hammer. Logisch dat ook van Harrow County nu een Library Edition verschijnt.

De eerste twee delen zijn inmiddels uit, ze bundelen ieder twee van de acht TPB’s. Naast de strip op groot formaat en fijn matglans papier, die de tekeningen nog sprankelender en indrukwekkender maken, staan er in de Library Edition veel extra’s: uitgewerkte potloodschetsen, pagina-layouts met begeleidend commentaar en korte verhalen die zijn gebaseerd op de verhalen uit Harrow County. Samengevat, de zaken waarvan Clowes al voorzag dat die de echte verzamelaar en fan zouden aanspreken.

De vier Library Editions van Harrow County zullen bijna duizend pagina’s beslaan: in december van dit jaar verschijnt het laatste deel. Deze perfecte horrorstrip krijgt daarmee de behandeling die het verdient en de fan is spekkoper. Het wordt niet fraaier dan dit.

Colin Bunn & Tyler Crook – Harrow County Library edition 1 en 2. 232 pagina’s hardcover. 32,00 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Jon McNaught – Kingdom, met de kennis van nu

Vorig jaar verscheen Kingdom van Jon McNaught, een jonge Britse graficus die zich al enkele jaren toelegt op een bijzondere manier van strips maken. Zijn verhalen bestaan uit vrijwel tekstloze pagina’s, als illustratieve vertellingen in kleine stappen. In november schreef ik een positieve recensie van Kingdom waarin ik uitlegde waarom het zo’n perfecte graphic novel is. De kracht van Kingdom, en in wezen van al het werk van McNaught, is de langzame tred, het bijzondere tempo.

In Kingdom slaagt McNaught er heel precies in momenten, gevoelens en situaties in rustige sequenties te vangen. De omgeving draagt daaraan bij. De locaties zijn leeg en verlaten, waardoor de kleinste veranderingen meteen opvallen: die ene vogel, de wandelaar in de verte. Wie Kingdom leest, vergeet de tijd. In plaats van lezen wordt het beleven, in de zalige vaart van de vertelling.

De pagina’s zijn opgebouwd uit gezeefdrukte lagen en terwijl je denkt dat die methode geen ruimte laat voor observaties op detailniveau, is dat juist wat McNaught bereikt. Alles leest heel precies. Het draagt bij aan de snelheid van je leeservaring. Boekbesprekingen waarin het woord onderdompelen staat, sla ik niet hoog aan. In dit geval zou ik er vrede mee hebben.

Tijd is een belangrijk aspect in de strip. Jiro Taniguchi is een meester in het bespelen van de lezer als het op leestempo aankomt. Bij een tafelscène van twintig pagina’s weet de lezer dat er serieus over eten wordt gedaan. Zijn The walking man is wat dat betreft exemplarisch: iemand wandelt en de lezer wandelt pagina’s lang mee. Het wordt er geen avontuur van, wel een belevenis. De lezer zit dicht op de personages, op de gebeurtenissen onderweg.

Hoe de factor tijd nog op een andere manier iets zegt over een strip, manifesteert zich op een heel ander niveau. De recensie van Kingdom schreef ik eind oktober – vrijwel meteen nadat het verschenen was. Mijn enthousiasme van toen voel ik nog steeds, vooral omdat ik het boek er nog vaak even bij pak. Niet om het van kaft tot kaft te lezen, maar om opnieuw een paar pagina’s te beleven. Weinig boeken hebben dit; iets wat misschien te vergelijken is met het lezen van een poëziebundel.

De ervaring van het steeds weer aangetrokken worden tot een boek is wezenlijk en geeft aan dat Kingdom een bijzondere graphic novel is. Toch had ik destijds geen idee dat ik het tussen oktober en nu zeker nog een keer of tien uit de kast zou nemen en dat het in mijn gedachten zou blijven. Maar dat laat onverlet dat die aantrekkingskracht een positief waardeoordeel is.

Bij het schrijven van recensies hoort een zekere haast, vanwege de actualiteitswaarde. Het blijft een momentopname. Je hebt er dus mee te maken dat je niet de hele beleving kunt vatten in een bespreking. Dat zal bij muziekrecensies uiteindelijk nog veel meer wringen. Het hele idee van een groeiplaat is daarop gebaseerd – een album dat met iedere luisterbeurt beter wordt. Soms valt het kwartje pas na een paar maanden: te laat voor de recensent, die de plaat dan al lang heeft afgeserveerd als oppervlakkig of ontoegankelijk. Drie sterren, twee ballen. Als het er al van is gekomen.

Er is geen oplossing. Het hele idee van de recensie leunt op nieuwe titels. Het zijn aanbevelingen die de potentiële lezer opmerkzaam maken op een interessante graphic novel of stripserie, die op dat moment in de winkel ligt, samen met nog honderden andere titels. Dat ene boek dat er maanden later nog steeds toe doet heeft pech. Geen man overboord, maar toch. Voor deze gelegenheid kon ik Kingdom nog eens opvoeren, omdat het zo prachtig mooi is. Het is zelfs beter dan ik in oktober vond, maar dat kon ik toen niet weten.

Strips & comics

Gelezen: Uderzo & Goscinny – Hoempa Pa integraal

Op de kop af 61 jaar geleden verscheen het eerste verhaal van de de sympathieke Sjavasjava-indiaan Hoempa Pa in het weekblad Kuifje. De serie werd gemaakt door het duo Albert Uderzo en René Goscinny, van wie de eerste de tekeningen verzorgde en de tweede het scenario. Inderdaad, het zijn de scheppers van Asterix, die voor zij de verhalen van de Galliër maakten, al geruime tijd samen werkten. Er zouden in totaal vijf afgeronde avonturen van Hoempa Pa verschijnen. Een vol jaar na zijn zesde lustrum krijgt hij een kloeke integrale, met naast de vijf complete verhalen een mooi en informatief dossier.

Hoempa Pa Integraal begint met een dertig pagina’s tellend achtergrond-dossier – maar niet voordat de lezer alvast is getrakteerd op een fraai schutblad met een kleurrijke illustratie van de habitat der Sjavasjava’s. Het dossier gaat in op de eerste schreden van Goscinny en Uderzo, nog voor ze zich aan Asterix waagden. Vreemd is dat niet wordt vermeld wie het dossier heeft geschreven of samengesteld: alsof die geen complimenten verdient voor het grondige werk. Vooral de illustraties en foto’s maken het een mooi tijdsdocument.

Het dossier heeft meer fraais. Bijzonder zijn de opnieuw ingekleurde stroken van de Engelstalige voorganger van Hoempa Pa, Ooompah Pah the Indian, die de auteurs in de beginjaren vijftig al maakten voor de Amerikaanse markt. Niet dat de reeks succes had of werd aangekocht, maar het zette de heren wel op het spoor van een leuke serie over een indiaan die zo sterk is al zijn totem, de poema, zoals de pay-off van de reeks luidt. Het dossier sluit af met de reden dat er van Hoempa Pa uiteindelijk maar vijf albums verschenen: Goscinny en vooral tekenaar Uderzo namen nogal wat hooi op hun vork en hadden bovendien ineens een groot succes in handen. De keuze tussen de indiaan en de Galliër was snel gemaakt. De rest is geschiedenis.

Hoewel er grote overeenkomsten zijn tussen Asterix en Hoempa Pa, wat betrft de heerlijke vaart en de grapdichtheid, vallen vooral de verschillen op: Hoempa Pa lijkt veel meer voor kinderen gemaakt dan Asterix, met zijn talige vondsten, verwijzingen naar de actualiteit en slimmigheidjes, die de reden zijn dat Asterix zo populair is en blijft bij de oudere lezer. Hoempa Pa is misschien wat luchtiger van toon en van aard.

De eerste drie verhalen uit de integrale, De Roodhuid, Op het Oorlogspad en En de Piraten, zijn het leukst. Daarna begint de herhaling een beetje in te treden. Het is raadzaam niet alles achter elkaar te bingen.

De strips zijn voor de gelegenheid opnieuw ingekleurd en dat is een grote sprong vooruit: wie de verzameling De complete avonturen van Hoempa Pa uit 1979 ernaast legt, ziet meteen verschil. De pagina’s zijn frisser en uitnodigend, ook omdat het papier mooi van kwaliteit is. Nog prominenter is de verbeterde letter, al is die bij tijd en wijle wat pietepeuterig en niet consistent. Ook de teksten zijn opgefrist en geactualiseerd. Prima, behalve de standaarduitdrukking van het opperhoofd had moeten blijven: Dikke bison heeft gesproken in plaats van Dikke bison heeft gezegd. Opperhoofden spreken nu eenmaal. Detail, maar toch.

Deze Hoempa Pa integrale is geslaagd. De verhalen, die nergens oubollig of gedateerd zijn, nodigen uit om te lezen en zijn nog steeds echt grappig. Niet op de Asterix-manier, maar op zijn eigen wijze: slapstickerig, kluchtig en dwaas. Niets mis mee.

Albert Uderzo & René Goscinny – Hoempa Pa Integraal. Ballon. 192 pagina’s hardcover. € 24,95.
Bevat: 1. De Roodhuid, 2. Op het Oorlogspad, 3. En de Piraten, 4. Geheime Opdracht en 5. Tegen Zieke Lever.

Strips & comics

Gelezen: Katriona Chapman – Follow me in

Follow me in van Katriona Chapman is een bijzondere twee-in-een graphic novel. In het Engels heet het slim een graphic travelogue, een grafisch reisverslag, al doet dat voor het helft recht aan het verhaal dat ze vertelt. Kort samengevat, Chapman beschrijft een reis door Mexico die ze in 2002 maakte samen met haar toenmalige vriend Richard. Naast een minutieus verslag vertelt ze ook de langzame vervreemding van haar vriend die kampt met een drankprobleem. De reis die ze maken is voor Chapman een manier om uit te vinden of ze de problemen samen kunnen overkomen.

Het reisjournaal is uitmuntend gedocumenteerd. Niet alleen heeft Chapman onderweg de bezochte bezienswaardigheden getekend, ze heeft er bovendien alles over uitgezocht. We zien ze bijvoorbeeld onderweg in bibliotheken zitten werken. In het boek zijn meerdere spreads waarin ze complete visuele wiki-pagina’s uitwerkt, over oorspronkelijke bewoners, heilige plaatsen en actuele politieke zaken. Interessant voor wie alles over Mexico wil weten, duidelijk gemarkeerd om aan voorbij te gaan als je het verhaal wil blijven volgen.

Haar tekeningen zijn zacht vanwege de opzet in kleurpotlood en toch hebben ze een krachtige uitstraling. De kleuren zijn heel aannemelijk en geven het geheel een mooie couleur locale. Geïnteresseerden die het album doorbladeren zullen erdoor over de streep worden getrokken. Van de tweedeling is het reisverslag het best geslaagd; de perikelen met de drinkende vriend komt minder uit de verf.

Voor die geschiedenis gebruikt Chapman voornamelijk boventekst, bij wijze van dagboekverslag. De lezer maakt zo mee hoe ze haar gedachten probeert te ordenen. De gesprekken zijn veel summierder en laten meestal zien wat ze de lezer al heeft verteld. Sowieso wordt er niet veel gesproken, ook niet met andere toeristen.

Bij de eerste alcoholische escapade van de vriend komt het verhaal van Chapman los: we lezen dat ze er geen zin meer in heeft, vooral omdat het steeds volgens eenzelfde stramien plaatsvindt. Na een laveloze nacht is er altijd spijt, met valse beloften, om dagen later opnieuw te vervallen in overmatig drankmisbruik. Chapman beeldt dat mooi uit: de scene waarin ze ’s ochtends wakker wordt en naast het bed een tafel vol gekneusde bierblikjes ziet staan is tragisch.

Wat in dat verband jammer is, is dat Chapman alleen reageert op de gebeurtenissen zelf. Het grotere geheel houdt ze verborgen: welke afwegingen maakt ze? Hoe werk het in haar eigen hoofd? Waarom reageert ze zoals ze doet? Het zou het verhaal ten goede komen als we dat kunnen meevoelen.

Dat Chapman laat meewegen of ze na de reis nog met Richard verder wil, maakt het daardoor onsympathiek: hij is daar niet van op de hoogte, dat maakt van hem een onnozelaar. Het lijkt alsof ze er niet samen uit wil komen.

Daar komt bij dat het ergens iets slimmigs heeft om de toestand met haar vriend mee te nemen in het verhaal. Ze wist van tevoren al dat er relationele problemen waren, daarover is ze eerlijk, en door het in te voegen krijgt het reisverslag een nodige verhalende laag die het reisverslag opstuwt. Anders gezegd: was het koek en ei geweest tussen de beide reisgenoten, dan was Follow me in een stuk minder interessant geweest, zelfs niet eens een graphic novel. Het drankgerelateerde gedrag van Richard komt na al die jaren vooral heel goed van pas. Ook prima, maar noem het dan niet als aanleiding om de reis te maken.

Ondanks deze mindere punten is Follow me in echt een mooie leeservaring. De wandelingen in stilte, de prachtige omgeving en het aanstekelijke enthousiasme van de twee reizigers zijn – ondanks alles – heel innemend. Als Chapman vertelt dat ze de hele dag moeten wandelen om bij een tempelruïne te komen, dan hoop je dat het er prachtig zal zijn. Ze weet de lezer op die momenten van hetzelfde gevoel deelgenoot te maken: samen beklimmen we de laatste heuvel en zien we de schoonheid van de natuur, met in de verte de schitterende sacrale offerplaats uit de vierde eeuw. Reizigers kennen dat gevoel, Chapman vangt het. Dat Chapman tussendoor regelmatig haar beklag doet over de toeristen die zich niets aantrekken van de lokale bevolking en bijvoorbeeld heilige feesten als Dia de los muertos verstoren, is haar vergeven. Zelf kan ze het namelijk niet laten om te mekkeren over de prijzen die taxichauffeurs en hoteleigenaars vragen.

Wie naar Mexico wil, kan met Follow me in prima uit de voeten. Het geeft mooie aanknopingspunten en gaat voorbij aan de toeristische fuiken en platgetreden paden. Toch heet Chapman in interviews al wel enkele voorbehouden gemaakt: de drugsgerelateerde misdaden die Mexico teisteren bestonden zestien jaar geleden naar eigen zeggen nog nauwelijks, er waren geen gebieden die voor toeristen werden afgeraden. En het gemis van wifi en mobiele telefoons valt ook op: het is even charmant als onbeholpen.

Katriona Chapman – Follow me in. Avery Hill Publishing. 248 pagina’s hardcover. € 20,99.

Strips & comics

Gelezen: Leo – Antares integraal

Fans van de strips van de Braziliaan Leo (Luis Eduardo de Oliviera, 1944) hebben vrijwel allemaal iets moeten overwinnen. Weinig striplezers zullen subiet en als een blok zijn gevallen voor zijn statische en houterige realistische tekenstijl. Ook de thematiek van zijn werk spreekt geen grote groepen aan – mensen uit de verre toekomst ontdekken en bewonen onbekende planeten. En toch: wie zich heeft laten overhalen om een van zijn reeksen ter hand te nemen is negen van de tien keren verkocht. Met het verschijnen van de derde integrale in de reeks De werelden van Aldebaran, getiteld Antares, is er weer een reden bijgekomen om in te stappen.

De series hebben titels die verwijzen naar de verschillende planeten die worden ontdekt: Aldebaran, Betelgeuze, Antares en de vervolgcycli Overlevenden en Terug naar Aldebaran. Iedere reeks bestaat uit vijf of zes losse albums. Terug naar Aldebaran is net begonnen, deel 2 verschijnt later dit jaar.

Kort gezegd komt het hierop neer: een groep wetenschappers reist van de aarde naar een ander stelsel om daar te onderzoeken of het mogelijk is een nieuwe leefomgeving voor de mensen op te zetten. Op de aarde is het namelijk helemaal misgegaan. Dat is alvast een mooie premisse: Leo speelt met het beeld van een ecologische ondergang die wij, de mensen van nu, in gang hebben gezet. De toekomstige mens blijkt ineens heel schuldbewust en gaat daarom heel zorgvuldig te werk bij de exploratie van de planeten. Dat is niet zonder reden, zoals ze snel ontdekken: de bijzondere flora en fauna is grillig en niet gewend aan indringers.

In de strips volgen we Kim Keller en haar entourage, die vooral bestaat uit mannelijke wetenschappers en vrouwelijke avonturiers. Leo heeft er namelijk een gewoonte van gemaakt om de man-vrouw-verhoudingen op te schudden. Het is een nobel streven dat helaas matig uitpakt en de grootste zwakte is van de verhalen: Kim, Alexa en Maï Lan lopen om de haverklap in hun ondergoed rond, douchen bij iedere gelegenheid die zich voordoet, zwemmen en badderen in elk ontdekt meer en moeten zich vooral allerlei misplaatste vleierijen laten welgevallen.
De stoere mannen veranderen namelijk in onzekere puberjongetjes in de buurt van de vrouwen, die ook nog eens over “de perfecte rondingen en vormen” beschikken. De aanhalingstekens stellen in dit geval niets ter discussie maar geven aan dat de vrouwen dat soort opmerkingen constant naar hun hoofd geslingerd krijgen. Iedereen is bovendien de hele tijd verliefd op elkaar en al deze zaken remmen het echte verhaal geweldig af. Het zijn obligate scenes waar je overigens gemakkelijk overheen kan lezen: ze zijn nooit relevant voor welke ontwikkeling dan ook. Des te onnozeler.

Wat de planetenreeks van Leo zo bijzonder maakt is de perfecte mix van de ontdekking van nieuwe werelden in combinatie met aardse zaken die dat moeilijk maken: zo wordt in Antares de expeditie betaald door een commercieel bedrijf dat er geld aan wil verdienen én is er een godsdienstwaanzinnige aan boord die er met zijn volgelingen een nieuwe wereldorde wil opzetten. Beide indringers maken het de wetenschappers erg lastig en zorgen er met hun eigen agenda voor dat de aanwezigheid op Antares onmiddellijk ontaardt in een nachtmerrie: ruimteschepen raken onklaar vanwege ondeugdelijke materiaalkeuze, de sekte dringt haar strikte levensvisie op waardoor mensen tegenover elkaar komen te staan en dan blijkt er ook nog te zijn gelogen over de leefbaarheid op de planeet: de mensen zijn helemaal niet voorbereid én opgewassen tegen de planten en dieren van Antares.

Leo is de onbetwiste meester van de cliffhanger. Omdat de ontdekkingstochten nog lang niet voltooid zijn en de lezer niet weet of de planeten bewoonbaar zijn, kan hij de spanning perfect vasthouden. Centrale rol hierin speelt een amorfe figuur die de mantrisse heet: het is een entiteit die verschillende gedaanten kan aannemen en die over bijzondere krachten beschikt. Althans, dat is wat we tot nu toe weten. Deze mantrisse heeft zich eerder aan de groep rond Kim geopenbaard en ze een onsterfelijkheid toebedeeld. Je zou denken dat de mantrisse niet onwelwillend tegenover de kolonisatie staat, mits het in goede banen wordt geleid, al is dat nog altijd speculatief.

Op zich zou Antares als integrale los gelezen kunnen worden, maar dat is niet aan te bevelen: er wordt in het begin summier stilgestaan bij de ontwikkelingen die tot de expeditie naar Antares hebben geleid, maar voor een goed begrip van verhoudingen en karakterontwikkeling is het toch het beste om bij het begin van het werelden-epos te beginnen, bij de Aldebaran-integrale. Het is waarschijnlijk dat je binnen afzienbare tijd alle integrales in huis hebt: Leo is de uitvinder van het binge-lezen en dat is beslist geen straf.

Leo – Antares integraal. Dargaud. 312 pagina’s hardcover. €38.60.

Strips & comics

Gelezen: Lorena Alvarez – Hicotea

Die ogen van Lorena Alvarez! Wie één keer in de grote, lieve doppen van kleine Sandy heeft gekeken is voorgoed verkikkerd op het schattige meisje uit de verhalen van Alvarez. Deze Colombiaanse illustratrice vertederde in 2016 alles en iedereen met Nightlights, het eerste deel uit de reeks strips voor kinderen van 8 tot 12 jaar (en grote kinderen vanaf 12) over een klein meisje dat zich graag verliest in haar magische fantasiewereld. Onlangs verscheen het los te lezen vervolg op dat overdonderende stripdebuut, met de titel Hicotea.

Hicotea is zowel de soortnaam als de voornaam van een schildpad, die Sandy tegenkomt als ze met haar klas de natuur intrekt voor een biologieproject. Of beter gezegd: Sandy vindt het lege schild van Hicotea. Zoals dat gaat in de toverachtige wereld van Sandy stapt het meisje het schild in en komt ze terecht in een prachtig museum: de habitat van Hicotea, die in haar leven alles over de natuur heeft verzameld en tussen die schitterende bric-à-brac leeft, als een conservator van fenomenen.

Alleen is er iets mis met Hicotea. Ze komt haar huis niet meer uit sinds ze op veldtocht een vijandig element is tegengekomen. Niet dat Sandy er iets van begrijpt, toch besluit ze Hicotea te helpen. Gewapend met haar tekenboekje gaat ze op weg naar de randen van de natuur om Hicotea’s vorserswerk voort te zetten.

Ze gaat op weg en dan gaan alle remmen los. De lezer – eigenlijk: het lezertje – tuimelt van de ene verbazing in de andere. Pagina’s kantelen om hun as en Sandy dwarrelt van omgekeerde rotsen naar zwevende grotten. Alvarez tekent werelden waarin de zwaartekracht omhoog gaat en waar de randen van de bladzijde steun bieden aan mooie figuurtjes om uit te rusten.

Voor Sandy is er geen rust: zij is vastbesloten om Hicotea te helpen, zonder benul waar ze in terecht komt. Haar ontwapenende eerlijkheid zorgt ervoor dat ze steeds verder op weg raakt. Sandy blijft tekenen en zich verbazen over alle natuurschoon.

Dan ontmoet ze de strenge raaf Livion, die Sandy vertelt dat het onmogelijk is om de hele natuur te tekenen. Een meisje is te klein om alles te weten. Sandy geeft toe, maar haar repliek is heerlijk: in haar fantasie zal alles bestaan, behalve strenge vogels.

Als ze na school met haar moeder in de achtertuin zit, wacht haar een grote verrassing. Het meisje kan haar geluk niet op, en eerlijk: geen enkele lezer voelt dat niet honderd procent met haar mee.

Hicotea is een heerlijke aanrader vanwege de tekeningen die zo mooi en exotisch zijn dat je het album er graag weer bij pakt. Gewoon, even stukjes lezen en kijken, zoals je ook een dichtbundel bij je in de buurt kan hebben. Het is een album om je aan te vergapen, meer dan eens.

Lorena Alvarez – Hicotea. Nobrow. 64 pagina’s hardcover. €16,99.

Strips & comics

Gelezen: Cyril Bonin – De delicatesse

Het stripwerk van de Fransman Cyril Bonin heeft nooit werkelijk een plekje in de spotlights gekregen en dat is vreemd, of op z’n minst jammer: zijn strips zijn bijzonder van verhaal en vorm. Amorastasia, Donkere kamer, Schijn bedriegt en The time before zijn stuk voor stuk aanbevolen en zijn nieuwe one-shot De delicatesse is een album dat goed in elkaar zit en prettig leest. Maar toch, ergens lijkt het niet te lukken met Bonin in het Nederlands taalgebied.

Zijn tekenstijl is fijntjes en kenmerkt zich vooral door spannende kijkrichtingen, met intrigerende figuren en een bijzonder kleurgebruik dat bepaald niet alledaags is. Op paginaniveau pakt dat heel fraai uit, maar het mist de boot als je zijn albums naast elkaar legt: de omslagen zijn weinig aansprekend en zullen om die reden gemakkelijk worden overgeslagen in het enorme aanbod van steeds meer nieuwe striptitels, die allemaal schreeuwen om aandacht. Bonins omslagen zijn zijig, ijl en pastellerig. Die vallen daardoor niet op.

Als dat de reden is van het betrekkelijke succes van Bonin, dan moeten zijn albums het dus van enthousiaste lezers en besprekingen hebben. Want dat blijkt bij navraag in de stripwinkel: er is een vaste kern van fans die niet nalaat iedereen te vertellen hoe goed de verhalen van Bonin zijn. En terecht.

De delicatesse is een bewerking van de gelijknamige roman van de Franse schrijver David Foenkinos, van wie in het Nederlands Het geheime leven van Henri Pick en Charlotte verschenen. Ook dit album is een ‘echte’ Bonin: een verhaal dat de personages dicht op de huid volgt, met boeiende, levensechte psychologische diepgang.

Net als Amorastasia is het een broeierig liefdesverhaal, al is De delicatesse eendimensionaler. Hier gaat het nadrukkelijk om verliefdheid, verhoudingen en romantisch vluchtgedrag, waar bij Amorastasia de hele wereldorde aan verandering onderhevig is.

Ongewilde hoofdpersoon Markus is een frivole Scandinaviër die wat onhandig is in de omgang. Voordat hij in het relaas betrokken wordt, heeft de lezer al kennis gemaakt met zijn bazin, Nathalie. We weten dan al wat zij heeft meegemaakt en hoe ze eraan toe is. Ze ‘ontmoeten’ elkaar met een spontane kus, die de situatie tussen de twee op scherp zet.

Daarna ontwikkelt het verhaal zich als een onmogelijke geschiedenis, die gaandeweg normaler en gelukkiger uitpakt dan we van tevoren vermoeden.

Het klinkt summier, maar feitelijk is dit waar het om draait. Het zijn de interacties die het geheel dragen, maar daarover is het moeilijk uitweiden zonder te veel prijs te geven. Dat heeft te maken met de ingenieuze constructie van het verhaal, dat toch heel vlot en op een bepaalde manier vrolijk leest.

Het tempo van het verhaal en de psychologische ontwikkelingen maakt van De delicatesse een prettige feel-good strip, die evengoed trieste en indrukwekkende momenten kent.

Samen met Schijn bedriegt is het een typisch instapverhaal voor lezers die Cyril Bonin willen leren kennen. Los daarvan is De delicatesse een gevoelige strip die zeker boven het maaiveld uitsteekt.

Cyril Bonin – De delicatesse. Blloan. 96 pagina’s hardcover. €20,50.

Strips & comics

Gelezen: Dobbs & Chris Regnault (naar H.G. Wells) – De onzichtbare man

In de reeks verstrippingen van verhalen van de Engelse SF-schrijver Herbert George Wells (1866-1946) is onlangs het afsluitende deel van het tweeluik De onzichtbare man verschenen. Deze klassieker hoort samen met Oorlog der Werelden (die wij beter kennen als War of the worlds, vanwege de gelijknamige film én soundtrack van Jeff Wayne) en De tijdmachine tot de drie beste en bekendste boeken van Wells.

De serie vestrippingen bestaat met de complete uitgave van De onzichtbare man nu uit vijf delen. Ook De oorlog der werelden verscheen in twee albums. De boeken hebben een identieke opmaak en uitstraling: fraaie hardcovers op groot formaat die recht doen aan de heerlijke sfeer van de klassieke verhalen.
Alvast de balans opgemaakt: De onzichtbare man is als strip het meest geslaagd. Het verhaal leent zich het beste voor een grafische bewerking. Alleen al het idee van een onzichtbare man met zwachtels en een steampunk bril prikkelt de fantasie.

De tekeningen van Chris Regnault zijn spot on en passen perfect bij de sfeer van Wells. Vergelijkingsmateriaal is voorhanden: Manara maakte van het verhaal een soft-erotische variant met dezelfde titel, die onlangs onder het stof vandaan werd gehaald en opnieuw werd uitgeven. Het is een slappe adaptatie die leunt op billen en borsten, en verder letterlijk weinig om het lijf heeft.

En veel geslaagdere versie is de Amerikaanse variant van het verhaal, The Nobody van Jeff Lemire. Dat verhaal is losjes gebaseerd op het gegeven van de onzichtbare man, maar heeft in ieder geval dezelfde dreiging en spanning. Lemire slaagt erin om de gekwelde man menselijk te maken, als een figuur waar de lezer mededogen voor voelt. Maar daarmee staat zijn bewerking wel ver af van het origineel.

In De onzichtbare man van Dobbs en Regnault maken we kennis met de inwoners van het Engelse dorpje Iping, waar alles zijn landerige gangetje gaat. De dokter drinkt zijn kopje thee op gezette tijden, de mensen in de straat schrijden in stilte voort en hooguit blaft er een hond als de postbode het erf betreedt. In die entourage komt er een zonderlinge man die op zoek is naar een kamer voor onbepaalde tijd. Zijn verschijning zorgt voor opwinding, omdat hij gehuld is in een hooggekraagde jas met een zware bril en een forse cilinderhoed. En zagen de dorpelingen dat nu goed? Was zijn gezicht gezwachteld?

Al gauw gaan de praatjes door het dorp en wordt men nerveus. Dat nieuws bereikt ook de teruggetrokken man, die prompt het achterste van zijn tong laat zien. Hij wil ongestoord kunnen werken aan zijn wetenschappelijke onderzoek en als hij niet met rust gelaten wordt dan zal zijn omgeving dat merken ook. Hij slaat meedogenloos terug door Iping in het ongeluk te storten: zonder zijn kleding is hij onzichtbaar en tot alles in staat.

Nadat de boel vreselijk uit de hand is gelopen, meldt hij zich bij dokter Kemp, aan wie de onzichtbare man zich bekend maakt als een studiegenoot van vroeger. Waar beide heren veinzen de ander ter wille te zijn, ontaardt ook die situatie in een klopjacht. Ze jagen elkaar na, met fatale gevolgen.

Het verhaal bezit een heerlijke vaart en de spanning is perfect gedoseerd. De pagina-indeling draagt hieraan bij: de nachtelijke uren zijn tegen een zwarte achtergrond getekend en sommige scenes zijn aflopend en paginavullend, in een uitmuntende kleurstelling. Daarover gesproken: wie de moeite neemt een aantal spannende strips van -zeg- dertig jaar oud in te zien, zal opmerken hoe een grote vlucht de inkleuringen met de jaren hebben gemaakt. In De onzichtbare man zijn de kledingstukken, interieurs en stadsimpressies zo natuurgetrouw weergegeven dat de lezer eenvoudig aanneemt dat de eind negentiende-eeuwse tijd er werkelijk zo heeft uitgezien.

De HG Wells reeks is met drie voorname titels een serie om te koesteren, waarmee deze verstrippingen evengoed tot de moderne klassiekers kunnen worden gerekend.

Dobbs & Chris Regnault – De onzichtbare man 1 en 2. Glénat. 56 pagina’s hardcover. € 17,45 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Carlos Sampayo & José Muñoz – Alack Sinner compleet 1: Het leven is geen stripverhaal, baby

Het gevaar van een beschrijving van de strips rond de hardboiled detective Alack Sinner is dat het van clichés aan elkaar hangt. Dat zou de geweldige verhalen van het Argentijnse duo Carlos Sampayo (tekst) en José Muñoz (tekeningen) beslist tekort doen. En ergens voelt de uitgever dat ook, want die heeft ervoor gekozen om het eerste deel van de complete werken uit te geven met een buikbandje waarop we lezen dat Alack Sinner ‘dé inspiratiebron [is] voor Sin City en Blacksad‘, voorwaar geen geringe aanbeveling.

Zo’n extra prikkel kan geen kwaad natuurlijk, maar iedereen die eerder in aanraking kwam met de onderkoelde Sinner weet: die strips zijn geweldig, en dulden nauwelijks soortgelijke series naast zich. Torpedo is te gek, zonder twijfel, maar het is te karikaturaal. Hetzelfde geldt voor detectiveseries als Canardo, Jerome Bloks, Soda, Rik Ringers en Nestor Burma. Stuk voor stuk lekker leesvoer, en in het geval van Bloks van harte aanbevolen, maar zo rauw en flink als Sinner wordt het nergens.

De afgelopen jaren, en toch al weer een tijd geleden, verschenen er hier en daar albums met een aantal verhalen, maar nooit werd een poging ondernomen de Sinner-verhalen compleet te bezorgen. Daar gaat uitgeverij Sherpa in haar paarlen jubileumjaar verandering in brengen: onlangs verscheen Het leven is geen stripverhaal, baby, een verzameling van vier verhalen die geldt als het eerste deel van de complete werken. En dat is goed nieuws.

Zoals het tegenwoordig gaat, zit er voorin het album een inleiding. In dit geval het vermelden waard, omdat de uitgever precies uitlegt waarom de impressionistische Sinner-verhalen misschien niet meteen aanspreken, maar regelrecht de moeite waard zijn.

Allereerst zijn de strips in een ruig, contrastrijk zwart en wit opgezet. Omdat ze oorspronkelijk als krantenstrips werden gepubliceerd, en ze met de jaren niet werden ingekleurd, ogen de strips wat onbehouwen: soms lijkt het alsof de plaatjes met een dikke viltstift zijn ingekleurd. En wellicht is exact dat het geval geweest. Daarbij is de lijnvoering van Muñoz onaangepast en snel. Liefhebbers van gedetailleerde en verfijnde tekeningen zullen zich wel twee keer bedenken om Alack Sinner mee te nemen en dat is welbeschouwd eeuwig zonde.

Daar komt bij dat de strips niet van nu zijn, maar uit de tijd van de Vietnam-oorlog en de moord op John Lennon. Er zijn geen mobiele telefoons, speuren is nog eerlijk handwerk en Sinner leest de krant niet van een scherm, maar nog old school van papier.

En ten derde kun je je als lezer maar moeilijk identificeren met de protagonist Sinner, die nu eenmaal niet het zonnetje in huis is. Dat is feitelijk eerlijker dan hoe zijn collega’s worden geportretteerd: figuren als Ringers, Bloks en Canardo hebben iets leuks of stoers, iets waaraan de lezer zich kan spiegelen. Alack Sinner doet geen enkele moeite; lezers kunnen hem – net als leden van de politie, recherche en penoze – gestolen worden.

En daar komen we op een vreemd verhaalgegeven uit: Sinner wil eigenlijk met rust gelaten worden, maar wordt steeds weer in een stinkende zaak getrokken door geldgebrek. Je zou zeggen dat hij beter een fatsoenlijke baan zoekt, maar dan weer: Sinner geeft niets om jouw mening.

Het mooie van het eerste deel is dat de verhalen in een logische volgorde staan zodat je bijvoorbeeld snapt waar Sinners aversie voor de politie vandaan komt. In het openingsverhaal Gesprek met Joe is hij zelf nog een agent en komt hij achter de verdorven machtsstructuren en achterbakse machinaties van de hermandad, en die zijn niet mals. Sinner vertrekt, maar dat maakt hem niet meteen een engeltje. Er zijn momenten dat je meer compassie verwacht, al zal dat voor een groot deel ingesleten zijn. De zelfkant is niet zacht voor zijn bezoekers.

Terug naar het feit dat Alack Sinner de inspiratiebron zou zijn van Frank Millers Sin City en Blacksad van Canales en Guarnido. Daar zit ongetwijfeld iets in. Meer nog leidt Sinner naar de Amerikaanse politieseries uit de jaren zeventig, zoals The Streets of San Francisco en vooral McCloud. Wat ze overeenkomen met Alack Sinner is bijvoorbeeld de aanwezigheid van een bar als uitvalsbasis, het eigengereide en losbandige gedrag van ongeveer iedereen bij de politie en de vet aangezette entourage. De kluchtige politieserie-pastiche Police Squad met Leslie Nielsen in de hoofdrol ging precies met dit soort clichés aan de haal. In die context past Sinner.

Alle vet aangezette politiezaken terzijde; waar het bij Alack Sinner uiteindelijk vooral om gaat heeft te maken met zijn rechtvaardigheidsgevoel dat in het verleden een flinke knauw heeft gekregen. Hij is een gemankeerde strijder voor de goede zaak, die maar met moeite het waarachtige in de mens ontdekt. Zijn obsessies en minachting stuwen hem voort: daarin zit de kracht van deze serie. Alack is geen mooie, stoere kerel. Hij is niet sympathiek of gevat, zegt nooit sorry. Maar hij is waarachtig, en dat is een belangrijke reden om deze politiestrip vooral meteen te gaan lezen.

Carlos Sampayo & José Muñoz – Alack Sinner compleet 1: Het leven is geen stripverhaal, baby. Sherpa. 200 pagina’s hardcover. 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Kevin Huizenga – Fielder 1

Laat je niet misleiden: Kevin Huizenga klinkt heel Hollands, maar is een Amerikaanse stripmaker die zich begeeft op – laten we het maar eens modern en kunstzinnig zeggen – het snijvlak tussen strip en deconstructie. Zijn verhalen zijn zelden geschiedenissen die van A naar B gaan. Als dat al het geval zou zijn, dan zou Huizenga op z’n minst de A en B ter discussie stellen en via allerlei omtrekkende bewegingen uitkomen bij een geschiedenis die van 1 naar 0 gaat, via de kosmos.

Veel lezers en stripvorsers hebben zich al stukgebeten op het wonderlijke universum van Huizenga, die het meeste van zijn werk publiceert als periodiek op A4-formaat. Deze hybride vorm heeft het uiterlijk van een comic, met nietjes, maar heeft qua inhoud meer weg van een tijdschrift. Eerder publiceerde Huizenga op die manier al een aantal edities onder de titel Ganges, vernoemd naar zijn hoofdpersonage Glenn Ganges. Onlangs verscheen het eerste nummer van Fielder dat qua opzet hetzelfde is en waarin Glenn Ganges ook weer een belangrijke rol speelt. De lezer ziet Glenn in allerlei stadia: hij droomt, slaapt, waakt en is klaarwakker. Zijn handelingen lijken door entiteiten buiten hemzelf in gang gezet, het is zelden duidelijk waar Glenn nu werkelijk mee bezig is.
Lezers die hem kennen weten dat Glenn een piekeraar is die vaak met zichzelf op de loop gaat. Geen gemakkelijke kost, wie dat zoekt komt niet bij Huizenga uit, ondanks de vriendelijke poppetjes en de eenvoudige, heldere tekenstijl die zijn werk kenmerken.

Dat het toch zo fascinerend is, komt door de rust die Huizenga neemt om alles uit te leggen. Of beter gezegd: om de lezer mee te nemen in een uitvoerige gedachte, want echte antwoorden krijgen we niet. Daarvoor ontbreekt het aan handvatten die een vraag motiveren.

Huizenga’s werk is niet voor zomaar eventjes, al is het nergens werkelijk zwaar op de hand. Zijn werk is voor meerdere uitleg vatbaar; er ligt geen waarheid aan ten grondslag. Het is als kijken naar een abstract schilderij: geen twee personen zien er hetzelfde in.

In Fielder strijden allerlei gevoelens en indrukken om voorrang. Sommige strips zijn mooi om te zien, andere bijdragen zijn experimentele ontdekkingstochten of halve delen van iets afwezigs en de laatste zeven pagina’s zijn ingeruimd voor een voor Huizengase begrippen vrij direct verhaal, My career in comics. Dat is een hilarische vertelling over hoe Glenn Ganges zichzelf ziet als stripmaker door de jaren heen. Hij vertelt vanuit zijn graf over zijn jonge jaren, over de ontdekking van Photoshop (wat vervolgens in de strip wordt gephotoshopt) en via zijn festish voor getekende haren (appeltje-C, appeltje-V: knip en plak) ontaardt het verhaal in een inventarisatie van ‘striphaar’.

Hij wordt autoriteit op het gebied van striphaar, publiceert er boeken over en begint als succes uitblijft een school waarin haar en strips centraal staan. Tevergeefs uiteraard. Dan gebeurt er iets in Chicago, wat niet wordt uitgelegd omdat het immers in de toekomst speelt, en wordt alles anders.

Het grote publiek zal hij tevergeefs benaderen, daar is Huizenga’s werk te raar en te onaangepast voor. Maar de stripwereld zou pertinent minder rijk zijn zonder zijn bijzondere strips. Een gewaarschuwd lezer kan er veel lol beleven om de korte verhalen te lezen, opnieuw te lezen en steeds net niet te weten wat er nu eigenlijk aan de hand is. Niet alles hoeft uitgelegd te worden en wie dat inziet, kan zomaar een echte liefhebber worden.

Kevin Huizenga – Fielder 1. Drawn & Quarterly. 36 pagina’s softcover. $7,95.

Strips & comics

Gelezen: Marc Sleen & Dirk Stallaert – Nero, de Stallaert Jaren 1 en 2

Nero is een instituut bij onze zuiderburen. De kolderieke strips van Marc Sleen (1922-2016), bevolkt door in Hollandse oren exotisch klinkende namen als Petoetje en Petatje, madam Pheip, Adhemar en detectief Van Zwam, zaten in het naoorlogse dna van de Vlaming: vanaf 2 oktober 1947 stonden de stroken van Nero onafgebroken in de krant. Dat is een flinke prestatie.

Toen geestelijk vader Sleen pas op zijn zeventigste verjaardag aangaf naar een opvolger te zoeken, kwam dat niet als een verrassing, maar toch ook wel: niemand geloofde werkelijk dat hij helemaal zou ophouden met zijn levenswerk. In interviews met hem bleek nergens dat de klad erin zat: Sleen wilde door, hij dacht niet aan stoppen. Toch kwam hij in 1992 met Dirk Stallaert op de proppen, een tekenaar die zich de strip op een knappe manier eigen maakte.

Sleen had het zo geregeld dat hij zijn Nero-universum niet helemaal kwijt was: vanaf dat jaar schreef hij de scenario’s. Deze samenwerking duurde tot 2002 en leverde uiteindelijk 42 verhalen op. Ze worden nu keurig ingeleid bezorgd in tien puike delen, die De Stallaert Jaren heten.

In de eerste integrale lezen we een zeer uitgebreid dossier over de periode die de aanloop naar de samenwerking met Stallaert markeert. Het dossier bestaat uit losse hoofdstukken die ingaan op de zoektocht van een bijzonder kritische Sleen, de censuur van met name de pittige dames van Stallaert en een stuk dat heel gedetailleerd stilstaat bij zijn vroegere tekenwerk. Het is in dat laatste hoofdstuk vooral interessant om te zien wat Stallaert voor Nero maakte: de kinderserie Nino bijvoorbeeld, waarvan vorig jaar ook een mooie integrale verscheen, is toch van een heel andere snit.

Intussen zijn er twee integrales verschenen, en staan er voor dit jaar in ieder geval weer twee delen gepland. De negen strips uit deel 1 en 2 zijn geen instapverhalen; destijds begon het duo Sleen-Stallaert niet opnieuw maar ging ze door waar de serie was gebleven. Logisch, maar voor een lezer die niet bekend is met de verhalen van Nero wel handig om te weten. Verwacht dus geen uitgebreide introductie van de personages. De nieuwe, nieuwsgierige lezer valt meteen midden in de drieste wereld van Nero.

Eerlijk is eerlijk, het is even wennen: het is alsof je na tien jaar weer eens op schaatsen staat. Je zwabbert een beetje maar na een paar pagina’s krijg je de slag te pakken. En dan, langzaamaan, ga je de figuren beter kennen en leer je hoe ze zich tot elkaar verhouden. De karakters vormen zich en de grappen worden helder, je voelt ze aankomen. Lonend voor die lezer die zich aan Nero wil wagen.

En net zo eerlijk: er zitten veel verwijzingen in de verhalen naar situaties en personen die in Nederland nauwelijks zijn doorgedrongen. Je voelt dat het er niet voor niets staat, maar het idee komt niet aan.

Daartegenover staan de absurde kronkels waarmee Sleen zijn verhalen lardeerde: gekke plotwendingen, rare personages en een deus ex machina die hier en daar een verhaal komt redden, vooral als de grootspraak van Nero zich weer eens tegen hem heeft gekeerd. Die kronkels staan los van de tijdsgeest en de toenmalige actualiteit en zijn goed te verteren.

Het blijft voor een Hollander een klus om Nero echt van voor naar achter te begrijpen. Daarvoor is de dubbele bodem vaak toch te impliciet en specifiek. Wat de verhalen leuk maakt is het typisch Vlaamse karakter van de serie. Wie Nero leest, leert iets van de Vlaamse volksaard, van de kenmerkende gekkigheid. Het geeft misschien in de verte antwoord op prangende vragen als Waarom is De slimste mens in Vlaanderen heel grappig en in Nederland niet? Hoe houden de Belgen het uit met zo’n koningshuis? en Wat is er mis met een Duvel in een Bolleke? Misschien dat deze noorderbuur na tien integrales de antwoorden weet.

Marc Sleen & Dirk Stallaert – Nero, de Stallaert Jaren 1 en 2. Matsuoka. 192 pagina’s per deel. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Jason Latour & Jason Aaron – Southern Bastards

In de comicreeks Southern Bastards gaat het er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Vriendelijkheid en compassie zijn ver weg in de serie die onlangs werd afgerond met de verschijning van een vierde paperback. In het low life redneck dorpje Craw County, Alabama worden zaken nu eenmaal niet uitgepraat, maar met honkbalknuppels ingepeperd. Logisch, want wie in Craw County woont, heeft niets te verliezen, behalve het wekelijkse potje American Football. Want daarin blinkt het dorpje uit: hun team is niet alleen zo goed als ongeslagen, ze zijn tot in de wijde omtrek gevreesd.

Die angst heeft een gezicht: het is de coach van het team, Uless Boss, die koste wat kost wil winnen. Lukt het niet op het veld, of vreest hij een sportieve zeperd, dan zorgt zijn onfrisse entourage er wel voor dat de sterspeler van de tegenpartij een zere knie heeft, of tegen een verdwaalde kogel is opgelopen.

Zolang het team wint, is coach Boss ongenaakbaar en daar maakt hij handig gebruik van. Hij houdt het dorp in een op angst gebaseerde stalen greep. Door het hele verhaal zien we tot hoever zijn tentakels reiken. Iedereen houdt gepaste afstand en bemoeit zich vooral niet met zijn zaken.

En dan komt op een dag de bonkige Earl Tubb in het dorpje opdagen, terug van lang weggeweest, om het huis van zijn overleden vader leeg te halen. Vader Tubb was een gevreesde en rechtlijnige politieman die zich tegen coach Boss keerde en dat uiteindelijk met de dood moest bekopen. Earl – in een vlaag van onnozelheid – besluit het zaakje op te lossen, genoegdoening te eisen en de boel recht te trekken. En dan zien we pas echt hoe gecorrumpeerd het zuidelijke gehucht is.

In bijna 500 pagina’s ontrafelt zich een geschiedenis die alle kanten belicht en waarin het perspectief steeds wordt verlegd naar een ander personage: de brute hulpjes van de coach, de teruggetrokken en godvrezende bosbewoner, de blinde hulpcoach, de politieagent, de burgemeester en de dochter van Earl, Roberta Tubb. De lezer leert over de achtergronden, de motieven en vooral de moeilijke omstandigheden waarin iedereen opgroeide en zich een plaats probeerde te veroveren in de ingedikte, bekrompen zuidelijke samenleving.

Jason Latour (Spider-Gwen, Wolverine) tekent snel en hoekig, waarmee hij het macabere verhaal van Jason Aaron (Scalped, Avengers, Doctor Strange) nog vetter en afstotender maakt. De figuren zijn geraakt en aangetast door tegenspoed, op het wanstaltige af. Het is moeilijk om sympathie te voelen voor iemand, zelfs niet voor het achterlijke buurjongetje van Earl dat per ongeluk op de verkeerde plek is tijdens een verrassingsbezoekje van een groep gewapende en dronken wildemannen.

Wat Latour en Aaron daarmee bereiken is dat de lezer de hele kliek opgeruimd wil zien, van hoog tot laag. Iedereen die de status quo bewaakt is schuldig en dat is ongeveer het hele dorp, op een aantal kerkelijken na, die zich overigens volkomen afzijdig houden. Niemand is zonder zonde.

Het verhaal ontwikkelt zich naar de apotheose die geheel in de traditie van het dorp bloederig en overdadig is. In de slotscenes passeren alle beweegredenen de revue, iedereen krijgt zijn kans om de zaken te benoemen. Het heeft iets grotesks, maar past in de setting, net als het typische taalgebruik (“Kicked them injuns onna knee is all”) en de uiterlijkheden van de dorpelingen: mouwloze shirts, petjes en dikke armen vol racistische tattoos. In dat verband is het leuk om te zien hoe de actuele politiek gaandeweg zijn intrede deed: in de serie die begon in 2014 en vier jaar duurde, sijpelt steeds meer van de actualiteit door, met verwijzingen naar Trump en alt.right, die hun achterban voornamelijk in plaatsen als Craw County vinden.

Southern Bastards kenmerkt zich door een bijzondere brutaliteit, die ergens iets eerlijks heeft. Als je niets hebt, behalve een potje beuken op vrijdagavond tegen een team uit een andere stad, dan gaat het in je lijf zitten. Dan richt je je alleen nog op genoegdoening. Veel meer is er niet in Craw County, ook al is het gebaseerd op angst, vijandigheid en agressie. En zie dan eens hoe actueel Southern Bastards is.

Jason Latour & Jason Aaron – Southern Bastards. Image. 128 pagina’s per deel. Vier delen, van € 9,99 (deel 1) tot € 19,99 (deel 4).

Strips & comics

Gelezen: Serge Scotto, Éric Stoffel & Éric Hübsch – Cigalon (naar Marcel Pagnol)

De complete verstripping van het oeuvre van de Franse (toneel)schrijver en cineast Marcel Pagnol (1895 – 1974) zal uiteindelijk uit dertig albums bestaan. Het omvangrijke project is op stoom en bevat intussen veertig procent van het totaal: in Frankrijk zijn twaalf albums verschenen en gelukkig houden de vertalingen vrijwel gelijke tred. Bij de Belgische uitgeverij Saga verschenen al negen albums, waaronder drie van de vier delen van Pagnols autobiografie. Komende mei zal de stripversie worden afgerond met het verschijnen van Tijd voor liefde.

Dat het project, dat vijftien jaar zal duren, ook buiten de stripwereld is opgevallen, blijkt uit de toevalligheid dat afgelopen zomer Pagnols autobiografie ook als vertaalde roman bij De Geus verscheen: Mijn kinderjaren in de Provence, zoals het in romanvorm heet, bevat de eerste twee delen – De gloriedagen van mijn vader en Een kasteel van mijn moeder. Bijzonder, want hoewel Pagnol een grote naam is in Frankrijk, werd zijn levensverhaal, dat voor het eerst verscheen in 1957, nog niet eerder in het Nederlands vertaald.

Deze maand verscheen het losse album Cigalon, een verhaal dat oorspronkelijk als filmscenario diende maar in 1935 als film volledig flopte. Het werd daarna opgepikt en bewerkt tot een zeer succesvol toneelstuk, dat tot Frankrijks favoriete Pagnol-stukken hoort, vooral omdat kleine gezelschappen prima uit de voeten kunnen met de mise-en-scène.

Dat we te maken hebben met een toneeltekst blijkt onmiddellijk. Het album, dat werd getekend door Éric Hübsch, komt erg langzaam op gang. Er is veel tijd gestoken in sfeerelementen die de bescheiden vertelling omlijsten. Uiteindelijk is Cigalon zelfs een heel klein verhaaltje, dat het vooral moet hebben van theatrale armgebaren, venijnige discussies en op de spits gedreven ruzietjes.

Chef-kok Cigalon baat een restaurant uit, maar uitdrukkelijk zonder klanten te bedienen. In plaats van een maaltijd kunnen zij een veeg uit de pan krijgen van de kok, die desondanks hoog opgeeft van zijn voortreffelijke kookkunsten. Als op een dag zijn voormalige wasvrouw zich bij hem meldt met de mededeling dat zij een fijne eetgelegenheid gaat beginnen, nota bene pal naast het etablissement van Cigalon, zijn de rapen gaar. Met een flinke dosis misplaatste pathos vat de gesoigneerde kok dit plan samen: “Ik heb beledigingen, onbeschoftheden, gevloek, smeerlapperij, vuiligheid gehoord… maar zo’n misdadige onbeschaamdheid nog nooit!”

Cigalon ziet het voornemen van mevrouw Toffi als een oorlogsverklaring en maakt duidelijk dat hij de zaak van zijn concurrente zal wegvagen. Hübsch laat deze gebeurtenissen plaatsvinden in een zonovergoten en groene setting, een typisch Frans bergdorpje dat een culinaire ruzie maar moeilijk verdraagt. Zijn tekeningen geven het landelijke, rustige perfect weer. Alles ademt vriendelijkheid tot de dag dat beide restaurant werkelijk de deuren openen. Voor de gelegenheid heeft Cigalon de pannen gepoetst en ziet hij in de weerspiegeling een kok die zomaar tien jaar jonger is geworden. De viriele vijftiger heeft zijn ambitie en lust teruggevonden, klaar voor de strijd op leven en dood.

De eerste gast die met een taxi het dorp bereikt en die er piekfijn uitziet, wordt door beide restaurantiers begeerd. Tot afgrijzen van mevrouw Toffi kiest het vermogende heerschap voor de kookkunsten van Cigalon, die hem gang na gang voorzet. Bij ieder couvert wordt Cigalon gelukkiger en bij het digestiefje met sigaar is zijn overwinningsroes compleet. Het zal Toffi leren hem dwars te zitten. Maar dan biecht de voorname eter iets op.

De slotscène is er een van het toneel, inclusief oploopje van dorpsgenoten en de aanwezigheid van veldwachters die de klucht in goede banen moeten leiden. Met een paar geestige wendingen weet Pagnol het verhaal een charmant einde te bezorgen. Op het moment dat de toneelspelers op rij buigen voor het publiek is ook het stripverhaal af, nogal plompverloren.

Het sluitstuk zal op de planken vast beter uitpakken dan op papier: de stripbewerking van Cigalon is niet de meest geslaagde van de Pagnol-bewerkingen die het duo Serge Scotto en Éric Stoffel voor hun rekening namen. De gesprekken zijn vaak zo op de letter nauwkeurig dat de tekeningen het nauwelijks kunnen bijbenen. De ontmoeting van een hongerige familie met Cigalon in het begin van het verhaal is bijvoorbeeld een razendsnelle dialoog waarbij de opmerkingen, verwijten en emoties in sneltreinvaart langs suizen en er geen tijd lijkt om adem te halen. Pas als Toffi langskomt, zakt het tempo wat in en krijgt de lezer tijd om van de omgeving te genieten. En dat kan voluit: van de streekgebonden, typisch Franse verhalen en het prachtige tekenwerk raak je gemakkelijk in vervoering. Dan blijkt er ineens een francofieletje in ieder van ons te schuilen.

Serge Scotto, Éric Stoffel & Éric Hübsch – Cigalon (naar Marcel Pagnol). Saga, 64 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Claude Servais – Het blauwe chalet

De Belgische stripauteur Jean-Claude Servais zou een goede reisleider zijn. Wie in zijn albums verzeild raakt, ondergaat de verhalen als een ontdekkingstocht langs koele meren en heilige wouden, waar het dierenrijk samenleeft met de kabouters, dwaallichtjes en bosgeesten. Bij Servais gaan heilige mystiek, new age symboliek en eeuwenoude legenden hand in hand; de lezer trekt langs alle zuilen van geestelijke verdieping en natuurbeschouwing.
Dat is in zijn nieuwe graphic novel Het blauwe chalet niet anders.Voordat je aan het verhaal begint, deelt hij een persoonlijk verhaal met de lezer – hij is onlangs voor de tweede keer opa geworden en vertelt wat dat voor hem betekent. Via een bruggetje neemt hij ons dan mee naar de Belgische Ardennen, maar niet voordat hij de legende van de godin Cybele en de herder Attis als bron van zijn nieuwe vertelling heeft aangewezen. Dán is er een epiloog en pas daarna begint het verhaal echt, met de lente.

In dat prille jaargetijde leren we Alice kennen, een meisje van ongeveer dertien jaar dat – net als Servais – houdt van de natuur. Met haar twee broertjes is ze in de Ardense landerijen aan het wandelen als ze in de avond uitkomen bij de Wolvenvallei, een plek die Alice kent uit de verhalen van haar grootvader. In die vallei, bij de heilige eik, staat een blauw chalet. Althans, dat heeft haar opa Alice altijd voorgehouden. De rest van de familie gelooft er uiteraard niet in, en zo ziet de lezer Alice steeds verder afglijden van haar mondaine familie, op weg naar de sprookjeswereld van haar opa en herder Attis.

Losgezogen van haar familie smeert ze ‘m op een avond, geholpen door een roedel puntmutsjes. Alice gaat naar haar geliefde Johanto die in de Wolvenvallei leeft. Lieve ouders, zegt ze, de wereld die jullie me willen opdringen bevalt me niet. Daarin wil ze niet leven. Dan breekt de zomer aan.

Alice en Johanto leven een paradijselijk bestaan en niet lang erna komt er een baby om het geluk te completeren. Curieus is wel dat na de geboorte van het kindje het verhaal verdergaat in de herfst: in de vallei zijn bijzonder korte zwangerschappen blijkbaar de gewoonte. De jaren verstrijken en het drietal wordt zienderogen ouder. Ook dochter Roos komt in de levensfase van volwassenheid terecht. Of zoals haar moeder mijmerend constateert: ‘haar borsten worden voller, haar heupen breder, haar billen ronder. Roos is een vrouw geworden, Johanto.’

Voor de bezorgde vader reden om Roos voor te lichten over de verlokkingen van het leven, ook van het leven buiten het bos. En laat nu juist daarvandaan het gevaar opduiken. De wereldse jonge Simon, die Roos ooit eens bij toeval in het bos tegenkwam, is haar niet vergeten. Dagelijks zoekt hij haar en als ze eenmaal samen zijn, kiest de overdonderde Roos voor de liefde – en daarmee het afscheid van haar ouders. Zien zij Roos ooit terug?

Het verhaal is dan al doorspekt met mythologische en spirituele vertellingen, waarin de natuur een wezenlijke rol speelt. Hier is Servais op zijn best, al zal het beslist niet ieders kopje thee zijn. Toch zou een avontuurlijke lezer zich gerust eens aan een album van Servais moeten wagen: hij temporiseert, laat je over de pagina’s dwalen en zorgt ervoor dat je alles nadrukkelijk beleeft. Hij zet je aan tot het lezen in het nu, als het ware.

Het blauwe chalet is een kundig gecomponeerd, afgerond verhaal, met een uitgeleide waar je even voor moet gaan zitten. Het hele album is daarmee werkelijk een reis, een die je niet dagelijks onderneemt. Dat kenmerkt het werk en de unieke stem van Servais; Het blauwe chalet is een mooie aanvulling op diens oeuvre. Bovendien is het een album dat vanwege de compacte geschiedenis ook geschikt is voor lezers die niet eerder iets van Servais lazen.

Jean-Claude Servais – Het blauwe chalet. Dupuis 2018. 88 pagina’s, hardcover. € 22,50