Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 6

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het herfstnummer dat nu in de winkels ligt.

Het geluid van de loftrompet is scenarist Jeff Lemire niet vreemd en ook met zijn nieuwe successerie Black Hammer tettert de comicwereld weer flink in zijn oren. En terecht, want Black Hammer van tekenaar Dean Ormston is een heerlijke serie waarvan intussen 11 comics verschenen, met de eerste zes delen in een trade paper back (Dark Horse, TPB, € 14,95) en een tweede in aantocht.

Black Hammer is een kruising tussen Fables en Starlight, en gaat over een groepje gewezen superhelden uit Spiral City, die op een dag verdwijnen en terecht komen in een kleine boerengemeenschap, in de toekomst, ver van alles en iedereen. Ontsnappen is er niet bij en nog belangrijker: de dorpsbewoners moeten vooral geen lucht krijgen van de geheimen die de zes helden met zich meedragen. En dat valt niet mee. De ene wordt verliefd op de ex van de dorpsagent, de ander is haar constante jonge leeftijd beu en zo heeft ieder van hen iets. Eén en al complexe toestanden, terwijl ze tegelijkertijd proberen zo gewoon mogelijk te zijn.
De helden hebben prachtige gesprekken met elkaar, alleen al daarom werkelijk het lezen waard. Aan het einde van de eerste arch wordt wat meer duidelijk over de naamgever van de serie. Nu al geweldig. Echte krenten.

Onlangs verscheen de vijfde en laatste comic van Rebels – These free and Independent States, het tweede afgeronde verhaal uit de Rebels-reeks. Die reeks bestaat uit verhalen over het ontstaan van Amerika, uit de tijd van de founding fathers, quakers en slavenhouders, en hoewel de verhalen zo echt mogelijk zijn is er hier en daar wel eens wat gesmokkeld met de feiten. Alles voor het verhaal, en dat is weer dik in orde.
In Rebels – These free and Independent States (Dark Horse, 5 comics à € 3,95) volgen we John Abbott, de zoon van vrijheidsstrijder Seth uit een eerdere Rebels-cyclus. John is wat we nu autistisch noemen en leeft voor de scheepvaart. Hij heeft alleen oog voor zaken die drijven, zogezegd, en is niet zo handig in de omgang.

Als hij veertien is monstert hij aan bij een botenbouwer en groeit hij uit tot een vooraanstaand bouwer van handelsschepen. Het probleem met die schepen is dat ze steeds worden aangevallen door Franse en Engelse koopvaardijschepen die de gebieden rond de Bahama’s bevaren. Aan John de taak de Amerikaanse schepen uit te rusten met wapentuig.
Zijn magnum botus, de U.S.S. Constitution, die hij helemaal zelf ontwierp en hielp bouwen, komt in een hevig vuurgevecht terecht en daarbij gebeuren zaken die in de marine-krijgskunst niet toegestaan zijn. John, die aan boord was tijdens de aanval, wordt opgesloten voor muiterij en het niet opvolgen van orders, al wordt dat uiteindelijk in der minne geschikt.

Rebels van Andrea Mutti op scenario van Brian Wood is een erg goede historische comic, die vooral opvalt door het rustige tempo van vertellen. Het geeft het verhaal de gelegenheid accuraat en compleet te zijn, zonder dat het saai en geschiedenisboekerig wordt. Binnenkort in trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fabien Nury & Éric Henninot – Zoon van de zon

Avonturenstrips zijn er in alle soorten en maten. Van Robbedoes, Corto Maltese en Thorgal tot Largo Winch, Roodbaard en Douwe Dabbert, het genre is zo breed dat de kwalificatie van een goede avonturenstrip nauwelijks iets zegt. Het ene avontuur is het andere niet.
Toch is Zoon van de zon een echt goed avonturenverhaal, meer bepaald voor liefhebbers van historische strips over de koopvaardij, piraten en zeeslagen.

David Grief is een trotse koopman die zijn zaakjes prima op orde heeft. Hij heeft overal handelsposten en behoort tot de rijkste lieden van de Stille Zuidzee. Dit zorgt natuurlijk voor kift bij zijn collega’s die er een beduidend minder frisse moraal op nahouden. Eén van hen probeert zelfs onder een betaling van 1200 pond uit te komen, peanuts in die kringen, maar voor Grief een erezaak: hij gaat het geld halen. Het loopt bijna fout af en zo leert de lezer de schimmige wereld van de koopvaarders en nautische outlaws kennen.
Dan is er de figuur van Parlay, de zonderlinge en zelfverklaarde koning van de Indianen, die zich heeft teruggetrokken op een atol. Hij roept alle scheepvaarders bijeen voor een veiling van zijn kostbare collectie parels maar nodigt Grief nadrukkelijk niet uit. Niets voor Grief natuurlijk, die zich met gevaar voor eigen leven toch naar het kasteel van Parlay begeeft.

Scenarist Fabien Nury, van wie eerder de albums van Tyler Cross in het Nederlands verschenen en onlangs de gloednieuwe serie Katanga, heeft Zoon van de zon losjes gebaseerd op de verhalen van Jack London, een romanschrijver met een voorliefde voor heldhaftige avonturenverhalen die leefde in het begin van de vorige eeuw.
Alles is goed in orde in het verhaal. De motieven en beweegredenen van de personages zijn sterk uitgewerkt zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Uiteindelijk is het hebzucht en macht waar het om draait, en dat maakt van Grief bijzonder figuur. Voor hem is er ook nog zoiets als eerlijkheid in het geding.

Het sluitstuk van het verhaal is een bloedstollende en stormachtige scene op het atol dat prachtig in beeld is gebracht. Het tekenwerk van Éric Henninot is gestileerd en stemmig. Zijn schepen, interieurs en landschappen verraden een grondige aanpak: alles ziet er perfect en natuurgetrouw uit, met een fijn oog voor detail. De personages overacteren niet, hun koppen en houdingen zijn nergens karikaturaal en dat maakt het nog echter: de klassieke piraat met een ooglapje, de laaielichter met een groot litteken op zijn voorhoofd, de dommerik met de forse vuisten; we hebben het allemaal al zo vaak gezien. In Zoon van de zon zijn ze wel als personages aanwezig, maar subtieler uitgewerkt, en daardoor gemener, laffer en realistischer.
Zoon van de zon is een spannend verhaal met een ontknoping van jewelste. Het is een strip die geen moeite heeft om de lezer erbij te houden, en dat is een voorwaarde voor een echt goed avontuur. Dit one-shot bewijst dat.

Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – Spinning

Er is de afgelopen maanden verwachtingsvol uitgekeken naar het vierde album van Tillie Walden, een graphic memoir over haar jeugdjaren als kunstschaatser. Walden geldt als talent in de stripwereld, een belofte voor de toekomst. Ze bewees dat met prachtige, poëtische verhalen als The End of Summer en A City Inside. Als zij een 400 pagina’s dik coming of age-verhaal aankondigt, dan zijn de vooruitzichten hooggespannen. Niet in de laatste plaats omdat Walden pas 21 jaar is.

In Spinning beschrijft Walden haar jeugdjaren en dan met name haar laatste drie jaren als kunstschaatser, van haar 16de tot 19de. Ze is net verhuisd naar Texas en heeft problemen met haar leeftijdsgenootjes die niet openstaan voor een nieuwe in de groep. Ook bij de kunstschaatsclub kan ze niet op veel hartelijkheid rekenen. Haar geluk is dat ze erg goed is in kunstrijden. Zo bevecht en verovert ze haar plek, al levert dat Tillie niet de waardering op waarop ze hoopt.

Dat wordt er niet gemakkelijker op als ze besluit uit de kast te komen. Het loopt slecht af als de moeder van Tillies vriendin er lucht van krijgt: zij mogen elkaar niet meer zien of spreken.

Als iemand van 21 vertelt over ervaringen die hooguit vijf jaar oud zijn, dan is er nog weinig afstand. Dat merkt de lezer in de manier waarop Walden de gebeurtenissen beschrijft. Het hartverscheurende bericht van de verbroken relatie wordt meegedeeld en uitgebeeld, maar verder niets. Geen groter geheel, geen duiding, alleen het verdriet zelf. De Tillie in het verhaal ondergaat veel en lijkt dat in eerste instantie niet te raken. Ze praat er met niemand over. De lezer dringt niet door tot in haar hoofd.

In het nawoord vertelt Walden dat ze bij het tekenen geen moeite heeft gedaan alles in een groter geheel te zien of naar antwoorden te zoeken; zo’n tekenaar vindt ze zichzelf niet. Zo’n nawoord van de auteur over bedoelingen en thematiek is een noviteit in graphic novels: in dit geval een handig vehikel voor Walden om haar verhaal en werkwijze te verklaren. En ook om zichzelf in te dekken.

Het knappe van Spinning is dat het in eerste instantie een verhaal over kunstschaatsen lijkt, maar dat het schaatsen gaandeweg steeds meer het decor van de vertelling wordt. De sportbeleving van Tillie laat vooral zien hoe ze zich voelt. Gaat het goed, dan lukken de sprongen; bij tegenslagen in haar privéleven gaat ze onderuit. Het is deze vertaalslag die Spinning interessant houdt. Op de pagina’s die ze als hoofdstukaanduiders gebruikt, legt ze steeds een sprong of oefening uit: dat is voor de leek voldoende informatie over kunstschaatsen.

Het album is uitgegeven in paarsblauw met gele accenten en dat werkt goed. Jammer is dat het tekenwerk soms gehaast oogt: Walden tekent nauwelijks achtergronden of uitgewerkte totalen. Aan de andere kant zijn haar gezichtsuitdrukkingen en houdingen heel trefzeker en levendig. In de vaart van het verhaal zorgt het expressieve karakter van haar tekeningen voor rustmomenten: de enkele lijn die een trotse of gekrenkte houding markeert, de rake frons uit één pennenstreek. Het terloopse en gemakkelijke van Waldens tekenwerk komt mooi naar voren in Spinning, voor een bijzonder verhaal is haar eerdere werk beter.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – De terugkeer

Begin dit jaar was er in het Belgisch Stripcentrum in Brussel een expositie met iconische coverillustraties. De leidende vraag was hoe een goed omslag hoort te zijn. Dat bleek vooral in het aansprekende te zitten, met iets van genre-duiding en het oergevoel dat we het best omschrijven als ‘gewoon mooi’.

De omslagillustratie van De terugkeer heeft alle drie de vinkjes, maar knapper dan dat: in de ene illustratie wordt het hele verhaal verteld, met de titel die als wensdroom in de lucht zweeft.

De terugkeer gaat over de internationaal gevierde kunstenaar Cristóbal die na twintig jaar teruggaat naar zijn geboortegrond Lanzarote, een van de Canarische eilanden. In zijn afwezigheid hebben de projectontwikkelaars de kustlijn overgenomen en worden torenhoge hotels uit de grond gestampt. Voor Cristóbal, die leunt op de landschappelijke herinneringen uit zijn jeugd, is deze confrontatie met de moderne tijd te veel. Hij is vastberaden het eiland te verlossen en bindt de strijd aan tegen het massatoerisme en de bouwmaffia. Zijn wapens? De kunst. Met hulp van een aantal gefortuneerde collega’s wil Cristóbal van het eiland een kunstwerk maken, waarin de natuur en het landschap een belangrijke rol blijft spelen.

Het verhaal begint direct explosief. Er heeft een aanrijding plaatsgevonden en er is een dodelijk slachtoffer te betreuren: Cristóbal, de man van wie sommigen zeggen dat hij groter is dan het eiland. In ieder geval een uitgesproken en vastberaden figuur met vijanden. Het is geen eenzijdig ongeval maar van de andere auto is geen spoor te bekennen. Inspecteur Ramirez wordt op de zaak gezet en aan de hand van zijn speurwerk wordt het verhaal gereconstrueerd.

Uiteraard gaat Ramirez peuren in het verleden van de kunstenaar en stuit daarbij op een norse en afstandelijke vaderfiguur van wie Cristóbal zijn temperament lijkt te hebben geërfd. Het geeft een mogelijke verklaring voor de vastberadenheid waarmee hij zich aan zijn levenswerk wijdt. De vraag voor Ramirez is of de getormenteerde Cristóbal alles nog in het juiste perspectief kon plaatsen. Deed hij zijn onbaatzuchtige werk echt voor de eilandbewoners, of werd hij gedreven door minder nobele motieven?

Het tekenwerk van Bruno Duhamel is stemmig. Hij bezit de vaardigheid om emoties, stilte en conflicten perfect neer te zetten. De enscenering zorgt voor een goed leestempo: Duhamel werkt zijn eigen scenario filmisch uit met sterke beelden en met een heldere afwisseling van vertelkaders en dialoog, die de vaart in het verhaal houden.

Waar De terugkeer in uitblinkt is het inkleurwerk. Het grillige landschap van het vulkanische eiland leent zich voor mooie vergezichten met een laaghangende zon, maar Duhamel gaat verder: ieder tijdvlak heeft een eigen kleurstelling en dat zorgt voor een vloeiende leeservaring.

Dit is niet het eerste album van uitgeverij Saga dat uitstijgt boven de rest. Ze beschikken over een gelukkige hand van kiezen uit het overweldigende Franse aanbod en deze keer is de vertaling ook nog eens perfect en zonder curieuze vlamismen.

Strips & comics

Gelezen: Louis & Marty – Liefde en haat

Met de actuele gebeurtenissen in Charlottesville vers in het geheugen, is Liefde en haat een album met een zekere urgentie: het handelt over een verboden vriendschap van een blanke en een zwarte jongen in het racistische Louisiana in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Het omslag laat een lieflijk tafereel zien van twee spelende jongetjes aan de waterkant, zich niet bewust van de volwassen gevaren van de wereld om hen heen, maar zo onschuldig is het verhaal nergens. Het begint zelfs met de brute afranseling van een zwarte man door een groepje onbehouwen blanken, dat er geen misverstand over laat bestaan wat hun motieven zijn.

Het verhaal van scenarist Stéphane Louis is ingedeeld in hoofdstukken die steeds zijn opgehangen aan locaties en jaartallen. Dat werkt verbazend goed en leest intuïtief. Zo springen we vooruit en terug door de geschiedenis van de blanke Will, zoon van een rijke industrieel en grootmeester van de Ku Klux Klan, en de zwarte Abe, die door zijn moeder wordt ingepeperd dat blanken niet deugen. Daar heeft ze alle redenen toe, want veel van haar familie en vrienden zijn in de loop der jaren vermoord of opgehangen.
Het verhaal gaat daar vreemd mee om: haar haat tegen de blanken wordt even zwaar beoordeeld als andersom, terwijl er geen daden tegenover staan die die gelijkwaardigheid rechtvaardigen.

Binnen deze setting van wederzijdse wrok zijn Will en Abe hartsvrienden van jongs af. Abe helpt de onnozele Will met lezen en later met het leiden van zijn fabriek, en omgekeerd houdt Will Abe uit de wind en geeft hem een huis. Natuurlijk komt aan het licht dat de twee vriendschappelijk met elkaar omgaan en dat heeft de nodige consequenties, die vrij plastisch en onomwonden worden getoond en meegedeeld.
Hetzelfde geldt voor de uitleggerige dialogen die het verhaal voor de lezer uitentreuren verklaren. Alles wordt benoemd, en dat maakt de gesprekken stroperig en onnatuurlijk, met het hoogtepunt op de voorlaatste pagina waar het complete verhaal in drie plaatjes wordt geduid.

Het raciale probleem, de maatschappelijk implicaties ervan en de rol van de latere vrouw van Will, een schaamteloze golddigger met een bedenkelijk gedachtegoed, maken het verhaal rond en geven een helder beeld van de situatie die eigenlijk nog altijd voortwoekert. Liefde en haat biedt geen oplossingen, maar inzichten.

Wat doorheen het verhaal niet went, zijn de curieuze vertalingen van sommige teksten. Zo moet Will zijn geheimpje er toch vooral uitspuwen en vraagt de moeder van Abe haar niet te ontgoochelen. En natuurlijk loopt Will verloren in het bos, om er nog een vlamisme uit te pikken.

Het tekenwerk van Lionel Marty is een vreemde mengeling van karikaturaal en realistisch. Waar handen heel precies en treffend zijn, vertonen de gezichten rare grimassen en perspectivische onvolkomenheden, die worden geaccentueerd door het plastische inkleurwerk. De filmische standpunten en kijkrichtingen zijn weer wel scherp gekozen, en zo slaat de balans door naar de goede kant.
Liefde en haat heeft zijn dingetje, maar als verhaal werkt het.

Strips & comics

Gelezen: Knetterijs 3 – Timothy wants to be on TV

Voor fijnproevers verschijnen er in de marge veel interessante publicaties, die het zonder uitgevers en distributienetwerken rooien. In het Noorden is Knetterijs een rijzende ster.
Het derde deel van het compleet gezeefdrukte magazine uit Groningen is het mooiste en indrukwekkendste nummer tot nu toe. Het is groter dan zijn twee voorgangers en ook op verhalend niveau steekt het derde deel uit boven de eerdere nummers, die in de vergelijking eerder showcases zijn: een kwalificatie die nummer 1 en 2 overigens niet minder interessant maken, al zal de avontuurlijke stripliefhebber die op zoek gaat naar een verbindend verhaal meer van zijn gading vinden in het nieuwste deel dat voor het eerst een titel heeft, Timothy wants to be on TV.

Knetterijs wordt gemaakt door een aantal oud-Minervanen en leden van de Vera Artdivision van het gelijknamige Groningse poppodium, onder wie een aantal dat zijn sporen al heeft verdiend op andere gebieden: LP-hoezen, boekomslagen, vrij werk en natuurlijk concertposters.

Wie door Knetterijs bladert wordt verrast door de veelzijdigheid op artistiek vlak, en met het nieuwe nummer ook op verhaalniveau. De figuur Timothy loopt als een rode draad door het oversized album. Hij is een exponent van de hedendaagse cultuur en stelt alles in het werk om op televisie te komen. De twee minuten roem is hem heilig en Knetterijs is zo ingericht dat je als lezer langs de kanalen zapt om Timothy tegen te komen. Inventief en zeker in het los-vaste verband waarin de Knetterijs-mensen bewegen een gouden greep. Zo kan iedere auteur een spread – als zenderkanaal – voor zijn of haar rekening nemen.

Het omslaan van de pagina’s voelt letterlijk als zappen: de verrassing van steeds een compleet andere aanpak maakt deze Knetterijs tot een veel slimmere leeservaring dan die van de eerste twee delen, die toevalliger en minder pakkend waren.

De bijdragen zijn divers: de triviale kwinkslag van Jaime Jacob en de poëtische advertorial van Tsjisse Talsma zijn fascinerende uitersten. Andere hoogtepunten zijn de magnifieke kijkplaat van Megan de Vos en de streaker interruptie van Jan Hamstra. Maar mooier dan de individuele bijdragen is de som der delen: Knetterijs heeft zijn vorm en schwung gevonden als geheel.

Het gaat er daarbij niet om van voor naar achter een verhaal te vertellen, maar om de lezer door de pagina’s mee te nemen met een kleine houvast: Het ene kleine stukje tekst op de eerste pagina, dat vertelt van Timothy en zijn beweegredenen, tilt de leeservaring in één keer op een hoger plan. Geen groot gebaar, maar precies gedoseerd.

Over een dosis gesproken: Knetterijs verschijnt in een genummerde oplage van 110 en is bedoeld voor iedereen die een beetje moeite doet om aan een exemplaar te komen. De beloning zal enorm zijn.

Strips & comics

Gelezen: Shigeru Mizuki – Kitaro

Een jaar geleden begon de Canadese kwaliteitsuitgeverij Drawn & Quarterly met het uitgeven van de complete reeks stripverhalen rond de Japanse eenogige yokai-jongen Kitaro, getekend en geschreven door Shigeru Mizuki.
Sindsdien zijn er drie van zeven delen in pocketformaat verschenen en staat de vierde gepland voor oktober. Goed nieuws want hoewel Mizuki tot de grote mangaka worden gerekend vanwege zijn omvangrijke en historisch accurate series als Showa, Hitler en albums als Onwards to our noble deaths, zijn het in Japan vooral zijn Kitaro-strips die hem faam hebben gebracht. Het Japanse stadje Sakaiminato is een toeristische attractie van formaat vanwege de tientallen yokai uit de verhalen van Kitaro die er te zien zijn.

De verhalen van Kitaro gaan over yokai, de bovennatuurlijke wezens uit de Japanse mythologie en folklore, en hebben vaak een sterk moraliserend karakter. Kitaro is een jongetje met één oog dat is geboren uit twee geesten en door zijn vader, een losse oogbal, is grootgebracht onder de gewone mensen. Daardoor fungeert Kitaro vaak als een soort intermediair tussen deze en gene zijde.

Het eerste deel van de uitgave van D&Q heet The birth of Kitaro en daarin lezen we hoe de geschiedenis van Kitaro begon. Het prilste verhaal van Kitaro verschenen in 1960 en heette toen nog Hakaba no Kitaro (Kitaro from the Graveyard). Logisch, want daar wonen de geesten, maar Mizuki werd toch nadrukkelijk verzocht om die verwijzing aan te passen, omdat het te eng zou zijn. Sindsdien heet de serie GeGeGe no Kitaro, waarbij het eerste deel van de titel slaat op het spookachtige geluid dat een lachende geest maakt.

Sinds het eerste verhaal heeft Japan Kitaro in de armen gesloten. Er verschenen meer dan honderd strips, (teken)films, verschillende televisieseries en zelfs een musical. Kitaro is met zijn voortdurende strijd tussen gewone mensen en bovennatuurlijke wezens zo invloedrijk in de Japanse populaire cultuur, dat algemeen wordt aangenomen dat het als blauwdruk diende voor series als Pokémon en Naruto.

In latere verhalen, met name in deel 2 en 3 van de serie, gaat Kitaro de strijd aan met kwalijke yokai, die het de mensen moeilijk maken, zoals opperyokai Nurarihyon. In latere delen zal zijn grote tegenstrever Rat Man opduiken, een figuur die net als Kitaro ook een menselijke kant heeft.

Het mooie van de verhalen van Kitaro is de rol van de gewone stervelingen: zij willen graag goed zijn voor de yokai, omdat zij geloven dat die in verbinding staan met hun voorvaderen. Ze worden voortdurend op de proef gesteld en gaan bij Kitaro te rade.
Hoewel het lief en fantasierijk klinkt, heeft Mizuki heel nauwgezet werk verricht. Hij baseerde alle yokai op de Hyakki Yagyo, een eeuwenoude vertelling waarin honderd verschillende yokai hun opwachting maken, vertaald als de Night Parade of One Hundred Demons.

De wereld van de Japanse folklore is boeiend en toegankelijk voor wie het interesseert. De verhalen van Kitaro zijn een mooie opmaat naar de ontdekking van een heel nieuw universum. Wie Japan wil leren kennen kan niet om de yokai heen. Voor hen is Kitaro verplichte kost, net als voor liefhebbers van films als Spirited Away en Totoro.

Strips & comics

Gelezen: Plessix & Le Gall – Waar de mieren heen gaan

De Noord-Afrikaanse clichés zijn niet van de lucht in het sfeerrijke oneshot Waar de mieren heen gaan van Michel Plessix, op scenario van Frank Le Gall die we kennen als tekenaar van Theodoor Cleijsters.

Het verhaal over Saïd, een jongetje gehuld in traditionele dashiki en op sandalen, is warm van de woestijnlucht en zoet als dadels. De maghrebijnse thematiek is duimendik op het rustige verhaaltje gelegd. Daar is niets mis mee, al maskeert het vooral dat de vertelling niet groots en meeslepend is. Het is bewust klein gehouden.

Dat het een fijne en zomerse leeservaring is, komt door het sprookjesachtige en poëtische karakter van Waar de mieren heen gaan: al op de eerste pagina wordt melding gemaakt van een vergeten dorpje in de woestijn waar Saïd woonde, een jongetje dat liever achter de mieren aanliep dan naar school ging.
Een mooi vertrekpunt.

Op een dag wordt Saïd door een oude man meegenomen naar de woestijnvlakte waar hij de hoede krijgt over een kudde schapen. Degene die hem dat vraagt, blijkt zijn opa te zijn. Van de ene op de andere dag zit Saïd onder de blote sterrenhemel met een schapenkudde en heeft hij gesprekken met Zakia, de oudste geit uit de horde die kan spreken.

De gesprekken zijn doorspekt met levenswijsheden en zo wordt Saïd steeds pienterder. Er vinden allerlei gebeurtenissen plaats met types van bedenkelijk allooi en gaandeweg het verhaal, door schade en schande wijzer geworden, besluit hij werkelijk de mieren achterna te gaan.
Uiteraard volgt een ontluistering, maar tegelijk is de onderneming er een die Saïd zoveel nieuwe inzichten verschaft dat hij vanaf dan alles aankan. Behalve zijn zoektocht naar geluk die nog een beetje in de lucht blijft hangen.

Het verhaal is zoet en hier en daar kort door de bocht, maar de sfeer houdt het verhaal moeiteloos overeind. Het tekenwerk en de inkleuring zijn dienstbaar aan de vertelling, de figuurtjes lief en de tranen zijn in het slotstuk nooit ver weg, al valt er genoeg te lachen. Vooral de scene met de magische lamp in de woestijn is hilarisch: eenmaal opgepoetst gebeurt er niets, behalve dat de lamp zijn dank uitspreekt voor de poetsbeurt.
Alleen het vertaalwerk kent zijn zwaktes, met onnodige vlamismen en stroeve dialogen. Daar heeft Casterman vaker geen gelukkige hand in.

Waar de mieren heen gaan is een aanrader voor met name kinderen van 12 tot 15 jaar. Het verhaal is goed te volgen en vanwege de optiek van Saïd goed invoelbaar voor de jongere stripliefhebber. Volwassenen beleven er vervolgens een genoeglijk uurtje aan. We hoeven immers niet dagelijks de hemel te bestormen.

 

Strips & comics

Gelezen: Christophe Chabouté – The park bench

Deze zomer verscheen The park bench van de Franse striptekeneaar Christophe Chabouté, van wie er dit jaar ook al de grootse stripbewerking van Moby Dick in het Engels verscheen.
Het rare van de vertaling van The park bench is dat het geen letter verschilt van de oorspronkelijke Franse versie uit 2012, Un peu de bous et d’acier: het album is namelijk tekstloos.

Het gegeven is snel verteld, maar biedt ontzettend veel verhaallijnen. Er staat een bankje in een park en wij kijken ernaar. Mensen lopen langs, rusten even uit, praten met elkaar en ’s avonds is het de slaapplaats van een zwerver, die in de ochtend steeds wordt weggestuurd door een ijverige diender.

Sommige voorbijgangers zien we maar één keer, anderen zoals een lieflijk ouder echtpaar komen vaker. De mensen, de seizoenen, de verhalen, alles verandert steeds om het bankje heen, waardoor het gaandeweg een baken voor de lezer wordt. Door het bankje herkennen we wandelaars, mijmeraars en verliefde stelletjes.

Het zwart-witte tekenwerk van Chabouté is bijzonder stemmig en treffend. Hij weet mensen – zonder geluid en dialoog – heel karakteristiek weer te geven.
De excentrieke jongen die de oudere man verbaast met zijn bijzondere gitaarspel is hilarisch, net als de man die een halve joint bij de bank vindt en er nieuwsgierig een paar trekjes van neemt, niets voelt en een paar pagina’s later langsloopt met zijn krant balancerend op zijn hoofd.

Het mooie van het ‘leeswerk’ is dat het je overvalt met een zekere rust. Je neemt als lezer het tempo van het park over, van de mensen die er even uitpuffen van de dag. Dat is de uitdaging van tekstloze strips: het is funest als je wel ongeveer weet wat er aan de hand is, waardoor je er in fast forward doorheen gaat. The park bench slaagt erin om dat te voorkomen: het vertraagt je.

Franse albums, ook als er geen letter in wordt gesproken, zijn vrijwel niet te krijgen in Nederlandse (strip)boekhandels. Omdat het album nu een Engelstalige titel heeft, is het ook voor ons beschikbaar en is het al op een aantal plaatsen gesignaleerd. Dat is mooi, al staat het natuurlijk altijd erg chique, zo’n Franse titel in je kast. Alors!

Strips & comics

Gelezen: Lafebre & Zidrou – Mooie zomers 3: Mam’zelle Esterel

Zon of niet, van de stripserie Mooie zomers fleur je onmiddellijk op. De serie, waarvan onlangs het derde deel verscheen, gaat over de vakantieperikelen van de familie Fauldérault. Vader Pierre is striptekenaar van beroep en dat betekent dat zijn gezin pas op vakantie kan als de deadlines zijn gehaald. Zo ook in deel 3 dat ons naar Saint Etienne brengt, een stad van niks, maar volgens de Michelin-gids van oma Yvette een plaats met allure.

Deze keer gaan naast de vierkoppige familie van vader Pierre ook zijn schoonvader en -moeder mee. Wrijving? Welnee, het is maar net hoe je er tegenaan kijkt. Pierre, de eeuwige positieveling, is niet te breken. Ook niet als hij echt sentimenteel wordt door de verkoop van zijn Renault 4 Esterel, waaraan hij bijzonder gehecht is vanwege alle mooie herinneringen. Zoals alle vakanties die ze ‘samen’ hebben meegemaakt.

De verhalen tot nu toe bouwen zich steeds rond een vast stramien op: de horde gaat in de auto en Pierre ziet wel waar het schip strandt. Natuurlijk zijn er altijd onvoorzienigheden, zoals de dwingelanderige oma of een file, maar verder zijn het vakanties zoals we die zelf ook hebben gehad of nog steeds beleven. Toestanden worden gladgestreken en ruzietjes op een vrolijke manier bijgelegd, maar toch zit er in ieder album van Mooie zomers iets onder de oppervlakte. Deze keer is het oma die het te zwaar krijgt en nota bene de kleine Julie in vertrouwen neemt.

Jordi Lafebre tekent (en laat ik het maar op z’n allereerlijkst zeggen) echt poepieschattig. Kleine Julie en de baby zijn zo aaibaar en knuffelig getekend en de hele sfeer van de albums is zo vriendelijk en hartveroverend, dat je zou willen dat de Fauldéraults je buren waren.
Dat zegt overigens niets over het verhaal zelf, want dat is eerlijker en menselijker dan zomaar een licht vakantielectuurtje. Het knappe aan Mam’zelle Esterel is dat de sympathie van de lezer uiteindelijk bij alle leden van de familie terecht komt, dus ook bij de personages die niet direct vooraan staan als het om affectie gaat.

Lafebre en Zidrou zijn een gouden koppel en als zodanig verantwoordelijk voor de moderne klassieker Lydie, het schitterende verhaal over een mongloïde meisje dat in haar fantasie een baby’tje krijgt en de dorpsbewoners meekrijgt in het lieve bedenksel.
Uitgeverij Dargaud heeft voor de zomer een mooie aanbieding: tegelijk met het derde deel verscheen er een voordeelpakket met de eerste twee delen van Mooie zomers. Zo kun je voor een klein bedrag kennismaken met de familie Fauldérault, en kun je de winst meteen investeren in een exemplaar van Lydie. Daarmee red je de zomer op de valreep, zon of niet.

Strips & comics

Gelezen: Guillaume Bouzard – Jolly Jumper antwoordt niet meer

Het jaar 2016 was een jubeljaar voor Lucky Luke-fans. Eerst verscheen het prachtige De Kunst van Morris, een voorbeeldig overzichtswerk dat in de kast van iedere stripliefhebber hoort.
Daarna kwam De moordenaar van Lucky Luke, de eerste spin-off van Lucky Luke, getekend door Matthieu Bonhomme: een goed en spannend verhaal met een eigen twist en een Lucky Luke die niet 1 op 1 op het origineel van Morris kan worden gelegd, maar zeker iets aan het bekende personage toevoegt. Bovendien een perfecte aftrap van een serie zoals Robbedoes die al heeft: Lucky Luke door anderen.
IJdele hoop, want het tweede deel van wat een mooie reeks zou kunnen zijn betreft Jolly Jumper antwoordt niet meer, een prul van een album van de hand van Guillaume Bouzard.

Bouzard kun je kennen van zijn weergaloze strip Strandman uit de vroege jaren van Zone 5300: een superheldenstrip over een mislukte held met een voetbal over zijn hoofd. Het was – en is – het beste dat er ooit in Zone heeft gestaan. Het had dus best goed kunnen uitpakken. Had.

Het album moet voor grappig doorgaan en is dat zo opzichtig dat het zeer doet aan de ogen. Flauwe mopjes over de schaduw van Lucky Luke, de onnozelheid van Averell, een bozige Joe die steeds tot rust wordt gemaand en een cipier die op zoek is naar een leuke woordgrap: het is allemaal zwaar onvoldoende.
Moet je voorstellen: Lucky Luke wisselt zijn gele hemd voor een rode, en zijn rode halsdoek voor een gele en vervolgens herkent niemand hem meer. Zelfs de Daltons niet! Is dat geen giller?

Bouzard kan ermee weg komen als het verhaal in orde is, maar dat heeft hem al snel in de steek gelaten, of misschien nooit bereikt. Het is allemaal zo larmoyant en traag. Niets of niemand heeft ook maar ergens zin in, zo lijkt het.
Jolly Jumper is nukkig en stil (spoiler: en blijft dat keurig het hele verhaal door, zodat we niet echt van een verhaalontwikkeling kunnen spreken), een vermoei(en)de Lucky Luke moet de Daltons uit de gevangenis halen om een zaakje op te lossen en in de ontknoping komen een paar oude bekenden opdraven, voornamelijk om nog meer flauwe opmerkingen te maken over eerdere albums van Luke. Dat is het hele verhaal.

En juist op de momenten dat er naar eerdere albums wordt verwezen, denk je terug aan hoe tof Lucky Luke is. Tenderfoot, De bende van Joss Jamon, De postkoets en Het escorte zijn (met heel veel andere titels) echte klassiekers: geweldige verhalen met spanning, humor en alles wat er ontbreekt in Jolly Jumper antwoord niet meer.

Het is trouwens niet gek dat Jolly Jumper niets zegt. Op pagina 3 is het nog een statig prachtpaard maar op pagina 30 niets meer dan een knol met krulpootjes en sliertige manen. De Daltons lijken op geen bladzijde hetzelfde en de mooie decors, waar Morris zo bedreven in was, en ook Bonhomme, zijn ingeruild voor houten half-totalen, zodat ze uit niet meer hoeven te bestaan dan de suggestie van planken en saaie kleurvlakken. Het oogt allemaal als haastwerk.
In de Franse versie heeft Bouzard zijn pagina’s zelf geletterd en dat past veel beter dan de vreemde westernletter in verschillende groottes waar de Hollander het mee mag doen. Maar ach, dat is een kleinigheidje. Wie het met eigen ogen wil zien, mag mijn exemplaar hebben.

Strips & comics

Gelezen: Jeff Lemire – Roughneck

Jeff Lemire kan bij mij een potje breken. Het post-apocalyptische sprookje Sweet tooth is een referentie in zijn genre en het onderhuidse horrorverhaal The Nobody hoort in mijn top 10 aller tijden. En dan gaan we nog voorbij aan Essex County, de trilogie over ijshockey en opgroeien in het rurale Canada, waarmee Lemire in 2009 definitief zijn naam vestigde. Een pareltje.

Zijn nieuwe boek heet Roughneck en daarin gaat Lemire terug naar het winterse Canada, meer bepaald het fictieve stadje Pimotamon. Daar slijt de ruige ex-ijshockeyer Derek Ouelette zijn dagen met drinken en vechten, vooral omdat hij niet beter weet.

Als op een dag zijn zusje terugkeert naar hun geboortestreek komen de herinneringen aan met name zijn tirannieke vader in alle hevigheid terug. Zus Beth neemt bovendien een aantal problemen mee, waardoor er een onhoudbare situatie ontstaat. Het is aan Derek, maar vooral aan de inwoners van het kleine dorp, om het tij te keren.

Roughneck lijkt kort verteld op een spannende Stephen King thriller, al valt er hier en daar wat op af te dingen. Het verhaal dient zich te veel aan.
In een traag tempo wordt het klassieke beeld geschetst van een kwetsbare jongeman met een overheersende en agressieve vader die alles oplost met drank en zijn vuisten. Inderdaad, Derek is zijn vader geworden.

Het dorp, de inwoners, de motieven van Derek en Beth, het is allemaal nogal clichématig en voorspelbaar. Het is te aannemelijk en daardoor wil de spanningsboog maar niet bollen. Daar komt bij dat de emotionele passages heel klein worden gehouden, want een prater is onze Roughneck niet.

Een ander euvel dat zich aan de oppervlakte nestelt is dat het schetsmatige en krasserige tekenwerk van Lemire niet bijster veel nuances verdraagt: de rechte, norse streep op het hoekige voorhoofd van Derek verandert nergens. We moeten het met één en dezelfde emotie doen. Daarbij oogt het als haastwerk.

Dit nekt zich ook op een ander niveau. Roughneck vertelt het verhaal van een gemeenschap met natives, mensen van indiaanse afkomst, maar dat komen we alleen te weten doordat het er op een gegeven moment letterlijk over gaat. Het is aan de mensen niet te zien, ook omdat het verhaal zwart wit is, met een blauwgrijze steunkleur en alleen kleur wanneer de herinnering van Derek teruggaat naar vroeger. Ook dat voelt gemanierd aan.

Lemire redt het hele verhaal in de laatste paar pagina’s, in de ontknoping die dan toch verrassend is. Hier zien we iets terug van waarmee Lemire zijn naam heeft gevestigd: de knappe verteller die het kleinmenselijke leed gebruikt om de personage boven zichzelf uit te laten stijgen.

Lemire wordt gezien als een hall of famer, maar heeft met Roughneck niet zijn beste verhaal gemaakt. Het is geen Nobody, geen Underwater Welder en geen Essex County, maar daarmee is het geen slecht verhaal, want toch: na het beklemmende relaas is er iets van opluchting dat het kan verkeren. Het verhaal blijft een tijdje hangen, het nestelt zich in je vezels, en dat is toch de ultieme verdienste van een goed verteller.

Strips & comics

Gelezen: Marcel Pagnol (Hübsch, Scotto en Stoffel) – Topaze

Van de Franse schrijver en cineast Marcel Pagnol (1895-1974) werd niet eerder werk vertaald in het Nederlands, tenzij het met de jaren heel goed verstopt is geraakt.
Sinds dit jaar is kwaliteitsuitgeverij Saga bezig met een imposante inhaalslag: de afgelopen zes maanden verschenen vijf dikke albums rond het werk van Pagnol, met het tweeluik Topaze als verhalend hoogtepunt. Waar het aandoenlijke en nostalgische De glorie van mijn vader en het dramatische Kabeljauwtje het vooral moeten hebben van de sfeer en situatieschetsen, daar is Topaze ronduit spannend en goed verteld.

In het verhaal volgen we Albert Topaze, een goeiige leraar aan een privaatschool die zijn leerlingen behandelt ongeacht hun afkomst. En laat dat nu net zo niet werken voor de directeur die graag ziet dat de notabelen en adel hun kinderen laten slagen op zijn instituut; was het niet voor henzelf, dan in ieder geval voor zijn eigen portemonnee.

Topaze gaat de fout in door niet mee te buigen met de hogere klasse en zo komt hij op straat terecht. Hij is strikt en in die zin te vergelijken met de brave soldaat Svejk, uit de verhalen van Jaroslav Hašek, die zijn onbuigzame rechtschapenheid ook hoog in het vaandel heeft, tot het onnozele aan toe.

Voor de buitenwacht wordt Topaze gezien als een goedgelovige en ongevaarlijke hals en zo komt hij terecht op de burelen van gemeenteraadslid Castel-Bénac, een spitsboef die machtswellustig en vals is. Hij geeft Topaze een betrekking op kantoor, maar feitelijk is hij niets meer dan een stroman en bliksemafleider.

Topaze doorziet de spelletjes gaandeweg en raakt erin verstrikt. Hij ziet dat eerlijkheid in de hogere regionen geen deugd is en past zich aan waardoor hij zijn rol steeds belangrijker wordt. Zelfs de oude schooldirecteur klopt bij hem aan.

Het tekenwerk van Éric Hübsch, die de hele Pagnol-reeks voor zijn rekening neemt, is uit de Franse school, met intrigerende karakterkoppen en mooie paginacomposities.
Echt geslaagd zijn de teksten die ronduit perfect zijn geadapteerd uit het werk van Pagnol. Zonder de originele Franse tekst te kennen lees je Pagnols vakmanschap van de pagina’s. Zelfs na al die jaren is het nergens gedateerd of stoffig.
Het tempo en vooral de subtiele dialogen zijn prachtig. Scenaristen Serge Scotto en Éric Stoffel maken kundig gebruik van lichtgetinte balloons die zich slim verhouden tot de witte balloons: het geeft een subtiele dubbele laag aan de mooie discussies die er krachtiger van worden.

Het verhaal leest als een demasqué van de macht, al wordt er net als in het echte leven geen strijd geleverd: macht en het misbruik dat erbij hoort kennen nu eenmaal geen echte vijanden. Het zal altijd als onkruid bestaan. Topaze laat dat op een mooie en heel lezenswaardige manier zien. Daarmee heeft Saga er weer een schot in de roos bij. Voor mij mag de reeks rond Pagnol nog een paar albums duren: in Frankrijk lopen ze intussen twee titels voor, dus er is hoop.

Strips & comics

Gelezen: Noah van Sciver – Fante Bukowski Two

Vorig jaar kwam ik Noah van Sciver tegen bij zijn Franse uitgever op het festival van Angoulème. Behalve zijn eerste Franse album had hij een aantal Engelstalige eigen beheer uitgaven bij zich, die ik van hem kocht: leuke, ontwapenende slice of life verhalen over jongeren en jongvolwassenen die niet leven in de fantasiewereld van MTV en de Kardashians.

Het werk van Van Sciver is grotendeels autobiografisch en de personages zijn altijd bezig het hoofd boven water te houden: net genoeg geld voor de huur, nergens een vangnet en geen tijd voor dromen of rust. De verhalen zijn eerlijk en hard tegelijk, met soms een sprankje hoop zonder dat het pathetisch wordt. De personages komen zo dichtbij dat je ze echt iets beters zou gunnen: weinig hedendaagse strips hebben die zeggingskracht.

Deze verzamelde korte verhalen verschenen in de bundelingen Youth is wasted, Disquiet en Saint Cole, stuk voor stuk prachtige miniatuurtjes van het moderne Amerikaanse leven in verval.

Binnen zijn oeuvre zijn de verhalen rond de wanna-be succesdichter Fante Bukowski duidelijk een uitlaatklep voor Van Sciver. Fante is een nietsnut, een hobo en een mislukte dichter die letterlijk wacht tot de mensheid ein-de-lijk eens overtuigd raakt van zijn enorme talent. Fante is zo vol van zichzelf en ziet de wereld om hem heen zo misnoegd aan, dat het komisch wordt. Bij Fante is de gunfactor heel ver weg en stiekem hoop je dat zijn gedichtjes het nooit ergens zullen redden, wat overigens een vrij zekere zaak is.

In het tweede deel, dat gewoon Two heet en prima zonder het eerste te lezen is, zien we Fante steeds gefrustreerder raken door het in zijn ogen oneerlijke systeem van uitgevers, agenten, collega’s en in feite de hele poëziekliek bij elkaar, tot en met de lezers aan toe. Hij stort zich in de wereld van eigen beheer uitgaven en komt erachter dat niemand bereid is vijf dollar te betalen voor zijn bundel Six Poems by Fante Bukowski, waarvan hij er twintigduizend heeft laten maken; een twee keer dubbelgevouwen A4’tje met nietjes overigens.

Fante wordt onderhouden door zijn moeder die er op een dag achterkomt dat hij zijn geld uitgeeft bij een dame van plezier – en feitelijk alleen omdat zij het naar eigen zeggen met alle belangrijke schrijvers doet. Hij wordt het motel uitgegooid en leeft op straat, wat hem nog zuurder en onuitstaanbaarder maakt. Een vroegere vriendin, die het wel gemaakt heeft in de literaire wereld, ontfermt zich over hem, maar zelfs dat verpest Fante.

Toch heeft hij geluk: zonder dat hij er erg in heeft wordt hem een gunst verleend door iemand van The New York Times, die toevallig dezelfde vrouw van lichte zeden frequenteert en dat graag onder de pet houdt.

De hoofdstukken in het boek zijn steeds voorzien van passende quotes en oneliners, als mantra’s van de zelfkant. Ze voorzien Fante van een passend cachet; niet per se positief, vooral niet, maar daarom des te grappiger.

In de Verenigde Staten wordt Noah van Sciver langzamerhand opgepikt: er verschijnen herdrukken en zijn laatste grote werk, Disquiet, kreeg goede kritieken, ondanks de onbarmhartige teneur van het album.
Toen ik onlangs De Wolven van Ward Zwart en Enzo Smits (Uitgeverij Bries) las, moest ik aan Van Sciver denken. Het zou goed kunnen dat er een nieuwe generatie striptekenaars aan het opstaan is: zij die door de facade van de glamoureuze reality tv prikken en de maatschappij zien veranderen. Harder, moeilijker, leugenachtiger en daardoor levensechter. Het maakt Van Scivers serieuze werk aanbevelenswaardig. Voor het luchtige stapje opzij is Fante Bukowski een aanrader.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 5

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het zomernummer dat nu in de winkels ligt.

The Witcher is onder gamers een moderne klassieker. Voordat de comicreeks die status bereikt, moeten er nog heel wat beren geveld worden en archipellen leeggeroofd, maar Curse of Crows (Dark Horse, TPB, € 16,95) is zeker een zetje in de goede richting. Geralt, een langharige huurling met speciale gaven om heksen dwars te zitten, is met zijn collegaatje Ciri op weg naar Novigard om daar een striga om te leggen, een vervloekte vrouw die zich een andere gedaante heeft aangemeten.

Onderweg redt het tweetal een dame uit de klauwen van een trol, en je raadt het al: zij is niet helemaal wie ze zegt te zijn. Het maakt de tocht er een stuk ongemakkelijker van, maar ook spannender. Het tekenwerk van Piotr Kowalski is strak en zit tussen het werk van Servais en Fables in. Het kleurgebruik is stemmig en draagt bij aan de sfeer van het verhaal, dat niet alleen uit zwaardgekletter en monsters bestaat maar ook een romantisch, ja zelfs erotisch tintje heeft. Daar heb ik de gamers nooit over gehoord.

Nog meer lang haar zien we terug in Klaus, een geweldige comic uit zeven delen waarvan onlangs een prettige hardcover verscheen (Boom!, TPB, € 33,00). De Klaus van Grant Morrison en Dan Mora is niemand minder dan Santa Klaus, in dit verhaal een breedgeschouderde buitenman met een witte wolf die kinderen gelukkig maakt met houten speelgoed.
Niets aan de hand, tot hij in het stadje Grimsvig aankomt en merkt dat het daar niet pluis is: de mannen werken allemaal in de mijnen en de kinderen zien er allerminst blij uit. Logisch, want de heerser van Grimsvig is in de ban van een stem, die hem opdraagt de vreugde en het spel uit de harten van de mensen te halen.
Deze Lord Magnus is een protokwaaie en Klaus, die niets onaardigs in de zin heeft, zet alles op alles om Grimsvig te redden en Magnus te ontmaskeren. Hij brengt cadeautjes en zet daarmee alles op scherp.
Wat volgt is een heerlijk spektakelstuk vol ingrediënten die niet in ‘ons’ tamme oude-man-met-een-baard-verhaal passen. Uiteindelijk wordt Grimsvig gered: dat hoort bij een verhaal als dit. Maar de wijze waarop maakt van Klaus een must-read.
Ook al is het hartje zomer.

Van langharigen naar de keurige verschijning van Robert Black is een flinke stap die Providence heet. De twaalfdelige reeks comics van Alan Moore en Jacen Burrows (Avatar Press, $3,99 per deel, later $4,99) is net voltooid en het wachten is op de allesomvattende trade paper back of hard cover.
Providence is het verhaal van de journalist Black die zijn reporterspet tijdelijk aan de kapstok hangt om te werken aan zijn magnum opus, de Roman Waar Iedereen Het Over Zal Hebben. Zijn voorwerk brengt hem waar geen schrijver ooit was. Voor wie nog geen idee heeft: denk vooral aan het werk van Lovecraft, waarmee Moore al langer stoeit, en dus met een prettige portie verschroeiende horror.

Het tekenwerk is uit de klassieke tijd, met dunne lijnvoering en een ongemakkelijke kleurstelling, en dat geeft de serie de sfeer en de angstigheid die het nodig heeft, zeker in de eerste delen. Het is ondoenlijk om de verhaallijnen eventjes krenten-style te reconstrueren, maar dat het een trip is, daarover bestaat geen twijfel. Koppie erbij, want de transformaties zijn niet van de lucht en het bovennatuurlijke tiert welig. Als absint niet in een fles zat, dan was het Providence.