Strips & comics

Gelezen: Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje

Wie de forse integrale uitgave van Sprietje in zijn handen heeft, weet meteen dat die naam bepaald niet verwijst naar het boek zelf: dat is een grootformaat fantasy sprookje van meer dan een kilo. De fraaie omslagillustratie is van een meisje met lang blond haar en een bladerjurk in een prachtig strijklicht. Dát is Sprietje, of althans het is de naam die het verdwaalde meisje aan het begin van het verhaal krijgt van een wezentjesvolk dat haar vindt in hun onderaardse wereld.

Al na een paar bladzijden is de toon gezet: tekenaar Frederico Bertolucci heeft de lezer met enkele fraaie kijkplaten meegenomen naar een miniatuurwereld vol schattige figuurtjes à la Bone. De Italiaan zet de pagina’s op in een zwarte achtergrond en met een heel vrije kadrering: in de meeste gevallen is de achterliggende illustratie een locatie-duider, waarin de verhaalsequentie kundig is verwerkt. Die opzet is iedere keer geslaagd, er is geen zwakke spread te vinden in het boek, en perfect in dienst van leesrichting en tempo.

Het tekenwerk is buitengewoon: de prachtige bossen, zwierige lijnvoering en magnifieke inkleuring zijn uit de kunst. Voorin het boek staat vermeld dat het verhaal in zijn geheel digitaal is getekend en ingekleurd, dus er zal best een lichtval of waterschittering uit een dropdownmenuutje zijn getoverd, maar toch: het moet wel goed gebeuren. Bertolucci verstaat de kunst en schotelt ons een juweel van een album voor.

Sprietje komt er in het begin van de geschiedenis achter dat haar aanwezigheid in het dorpje niet gewenst is. Het trekt de schaduwjagers aan. Wie dat zijn weten we niet, zoals er wel meer vragen zijn. Sprietje, die haar geheugen kwijt is, heeft bijna het hele verhaal nodig om erachter te komen wie ze is, waar ze is en wat er van haar verlangd wordt. Het heeft ergens iets onbestemds: de lezer wordt meegenomen in een verhaal waarvan de ontwikkeling vaak achter de feiten aan beweegt. Sprietje moet weg uit het dorpje, en dus gaat ze. Waarheen? Ze heeft geen idee, een wolf die ze onderweg tegenkomt wijst haar de weg. Waarom? Het blijft lang ongewis.

Het wordt Sprietje gaandeweg duidelijk gemaakt dat ze een belangrijke taak te vervullen heeft. Zoals het een magisch sprookje betaamt, is er een duistere tegenstander in het spel, in dit geval een drietal met een fors leger. Het is de fantasievariant van Eén tegen honderd, met jokers en hulplijnen.

Het scenario van Frédéric Brrémaud (met tweemaal een r) is vanwege alle twijfel en vragen niet altijd even sterk. De lezer laat zich vooral meevoeren, werkelijk spannend wordt het niet. Er is geen einddoel, geen finish in de verte. De laatste twee hoofdstukken zijn spektakels die zich aandienen. En toch: ondanks het ontbreken van een dwingende verhaallijn is Sprietje een mooie leeservaring. Het is een geweldig kijkboek met een gedienstig verhaalflintertje.

Deze integrale Nederlandse editie heeft achterin nog een extra dossier van 28 pagina’s, met schetsen en pagina-opzetjes. Normaal gesproken is dat de eye candy, nu is het wat overbodig: in Sprietje, dat afgelopen jaar op het vermaarde stripfestival van Angoulême de prijs voor het beste jeugdalbum won, zijn we al 164 pagina’s lang visueel en grafisch verwend.

Federico Bertolucci & Frédéric Brrémaud – Sprietje. Dark Dragon Books, 192 pagina’s hardcover. € 34,95

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont – Losse eindjes

Losse eindjes is een vreemd album. De titel van dit curieuze stripverhaal slaat niet op de inhoud maar op de manier waarop auteur Olivier Pont het gemaakt heeft. Het verhaal, zo schrijft hij in een uitgeleide achterin het boek, is het resultaat van een grondige improvisatie waarbij hij geen vooropgezet plan had. Hij zegt dat hij “deze keer geen zin had om alles op voorhand vast te leggen en mezelf te onderwerpen aan de plicht om alles te tekenen zoals het is beschreven”. Pont wilde het verhaal zichzelf laten vertellen. Eerst de kadertjes trekken en dan aan de slag, van scène naar scène. Bijzonder, moedig ook.

En is het geslaagd? In eerste instantie pakt het verrassend goed uit. Wie zonder deze kennis aan het verhaal begint, zal af en toe gniffelen van de flinke verhaalsprongen, de onwaarschijnlijke bochten en de ronduit maffe situaties waarin hoofdpersoon tegen wil en dank Thibault terecht komt. Als Pont dit bij wijze van wild experiment is aangegaan, dan is het gelukt. Het is in feite een geestig, onderhoudend en bij vlagen spannend verhaal.

Als hij ondanks zijn voorgenomen opzet het verhaal naderhand nog had bijgeschaafd en op kleine punten had aangepast, dan was het beslist sterker geworden. Een van de verhaalelementen die sneuvelt als je bij het scheppen van plaatje naar plaatje gaat is een spanningsboog. Die staat in Losse eindjes vrijwel het hele boek gespannen en dat komt de dynamiek niet ten goede. Het verhaal krijgt er een rabiate vaart van, de lezer heeft amper tijd om te beseffen wat er allemaal gaande is. En dat is nogal wat.

Thibault is een stevige dertiger van het sullige soort. Als hij op een metrostation in Parijs tegen een jongedame botst en daarbij haar boodschappentas scheurt, helpt hij haar met het sjouwen van de spullen. Deze Judith brengt hem naar een oud dametje dat vijf hoog woont met haar drie katten. Als Judith er dan ineens tussenuit piept, zit Thibault alleen met de bejaarde, die vervolgens komt te overlijden.

Thibault wordt opgepakt voor vermeende betrokkenheid, waarna de politieauto mét de onfortuinlijke arrestant wordt gestolen door een crimineel, die het hele korps achter zich aan heeft zitten. Zo raakt Thibault van de regen in de drup, en daar blijft het niet bij. In één dag tijd ziet de jammerende antiheld ongeveer de hele stad: vanuit de krochten, vanaf de daken.

Hij komt vreemde figuren tegen, verijdelt een moordpartij en krijgt aan het einde van het verhaal waar hij al zo lang naar snakt: rust. Onder meer.

Olivier Pont heeft zich voor dit album een heerlijke, losse tekenstijl aangemeten. Pont is vooral bekend van zijn bewierookte, meeslepende strip-epos Over de grenzen van de tijd… waarvan de integrale al in 2005 verscheen. In dat verhaal is zijn lijnvoering strakker, meer richting het werk van Cyril Pedrosa, en neigt het naar Disney. Losse Eindjes is wat ruiger: het is niet geïnkt maar opgezet in potlood. De inkleuring van Laurence Croix, die veel met digitale pastel werkt, past daar goed bij. Het ziet er gewoon lekker uit.

Was het nodig om te weten dat Pont dit album uit de losse pols heeft gemaakt? Niet per se. Door het zo prominent in het album op te nemen, lijkt hij zijn critici een stap voor te willen zijn. Eigenlijk overbodig, het verhaal is geestig genoeg zoals het is. Geen hogere wiskunde of van noveleske hoogmoed, maar toch zeker een heel behoorlijk feelgood verhaal met vaart en een fijne dosis actie. Experiment geslaagd.

Olivier Pont – Losse eindjes. Dargaud. 128 pagina’s hardcover. € 25,65.

Strips & comics

Gelezen: Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia delen 1-3

Deze maand verscheen het derde en afsluitende deel van het daverende piraten-epos Libertalia. De titel slaat op de naam van een vrijstaat die in de slotjaren van de zeventiende eeuw zou zijn gesticht op Madagaskar door een adellijk heerschap en een priester. Dat klinkt op zich redelijk onwaarschijnlijk. Het wordt er niet serieuzer van als we weten dat het verhaal van Libertalia is gebaseerd op een boek uit 1724 dat A General History of the Robberies and Murders of the Most Notorious Pyrates heet. De auteur van dat curieuze boek is een zekere Charles Johnson, waar volgens de overlevering Daniel Defoe achter schuilgaat. Inderdaad, de auteur van Robinson Crusoë.

Kort gezegd zou Libertalia een vrijstaat zijn die gesticht werd door de Franse edelman Olivier Misson en de Italiaanse geestelijke Caracioli. Misson is een rechtlijnige figuur die zich faliekant keert tegen de slavenhandel en zich daarmee niet geliefd maakt in de kringen waarin hij vertoeft. Volgens hem is ieder mens vrij en mag een ander niet over een mensenleven beschikken. Dus trekt hij ten strijde: hij bevaart de wereldzeeën om slavenschepen te onderscheppen, de drijvers over de kling te jagen en de slaven hun vrijheid terug te geven. En dan ontstaat er het idee van een utopische kolonie, een plek waar iedereen gelijk is en in vrijheid leeft. Dat klinkt prachtig, a Deo libertade, maar die vrijheid heeft een prijs: Misson en zijn mannen deinzen er niet voor terug om zich als niets en niemand ontziende piraten te gedragen. Er moet tenslotte geld in het laatje om de boel draaiende te houden.

Thuis zijn ze voorbeeldig: hun idee van vrijheid en gelijkheid werkt. Democratische processen doen hun intrede, inlanders en blanken hebben gelijke rechten en het geloof vindt een plaats tussen de facties. Toch werkt niet alles naar behoren. Misson blijkt tuchtiger en fanatieker dan de rest. Vanwege excessen verbiedt hij alcohol en legt hij de ruilhandel om goud aan banden, wat hem niet in dank wordt afgenomen. Het zijn de eerste barstjes in het opgelegde ideaal. En dan is er de dreiging van buiten: hun piratenstreken blijven niet onopgemerkt.

Libertalia begint met een flinke aanloop. Het lijkt alsof scenarist Rudi Miel, die is bijgestaan door historica Fabienne Pigière, het eerste deel vooral gebruikt om het verhaal en de personages een authentiek laagje mee te geven. Of dat per se nodig is, is de vraag. Vanaf deel 2, De muren van Eden, verandert de toon van het verhaal en wordt het een stuk rechtlijniger en daarmee avontuurlijker. Het enteren van boten met bloederige zeeslagen, het stichten van een houten dorp in een idyllische baai en de groeipijnen van een nieuwerwetse, egalitaire samenleving spreken voldoende tot de verbeelding.

De prachtig geschilderde panorama’s en de doorleefde karakterkoppen van de Italiaanse tekenaar Paolo Grella gedijen beter vanaf het tweede deel, als het verhaal zich in het exotische buiten afspeelt. Alleen lijkt hij soms iets te gehaast te inkten, wat ten koste gaat van de gezichtsuitdrukkingen. Zijn inkleuringen zijn van een bijzonder hoog niveau en dragen het verhaal: ze zijn fraai in voorspoed en duister als er onheil dreigt. Fans van Roodbaard en De Havik kunnen zich gerust aan Libertalia wagen, al zullen ze ontdekken dat het wat gruwelijker en bloederig is dan de klassieke piratenstrip. Want hoewel het ergens voor de goede zaak is, halen veel figuranten het einde niet.

Met De wegen naar de hel, het derde deel dat deze maand verscheen, is Libertalia voltooid. Het is een trilogie met een niet alledaags, meeslepend plot, geweldige tekeningen en een slotstuk dat er wezen mag. Wie de eerste twee albums ooit al eens zag staan en nog even twijfelde: geen reden toe, Libertalia is een avontuurlijke trilogie die de lezer van een spannende, historische strip zeker kan bekoren.

Paolo Grella, Rudi Miel en Fabienne Pigière – Libertalia 1-3. Casterman. 48 pagina’s hardcover. € 16,40 per deel.
Deel 1: Triomferen of sterven, deel 2: De muren van Eden, deel 3: De wegen naar de hel.

Strips & comics

Gelezen: Cécil & Luc Brunschwig – Holmes (1854/†1891?) delen 1-4

Wie alle strips rond de avonturen van Sherlock Holmes op een stapel legt, komt gemakkelijk aan een manshoge toren. Het personage van Arthur Conan Doyle spreekt tot de verbeelding en de laatste jaren beleven we met name door televisie-series als Sherlock en Elementary zelfs een flinke opleving. Binnenkort komt daar The Irregulars bij, een tv-adaptatie rond de avonturen van de Baker Street Boys, het groepje straatschoffies dat Holmes helpt bij het oplossen van zijn zaken. Van de Baker Street Boys is overigens een heel goede stripserie voorhanden, De vier van Baker Street.

Holmes (1854/†1891?) is een vierdelig verhaal dat begint als Holmes net is overleden. Of vermoedelijk, want over de doodsoorzaak van het romanpersonage van Doyle bestaan meerdere versies. Hier is hij aan zijn eind gekomen na een gevecht bij de Zwitserse waterval van Reichenbach met zijn eeuwige antagonist professor Moriarty, die daarbij zelf ook het leven liet. Geen getuigen en dus is Holmes’ trouwe gezel, dokter John Watson, bepaald niet zeker van deze curieuze gang van zaken en besluit op onderzoek uit te gaan.

In de vier delen van Holmes (1854/†1891?) keert Watson alles ondersteboven. Hij ontrafelt de familiegeschiedenis van het gezin Holmes, waarbij hij stuit op enkele opmerkelijke zaken. Eén ervan betreft Sherlocks oudere broer Mycroft. Zijn schimmige handel en wandel roepen veel vragen op, evenals het web van intriges dat rond de familie hangt. Wat begon als een gericht onderzoek naar de dood van zijn goede vriend, draait voor Watson uit op een gigantisch speurwerk dat nauwelijks is te overzien.

Het mooie van de reeks zit in de opeenstapeling van verhaalelementen die mogelijk kunnen bijdragen aan de oplossing: steeds als Watson iets op het spoor is, blijken er complotten, motieven en vage betrokkenen in het spel. Niets is wat het in eerste instantie lijkt, al raakt Watson gedurende zijn beproeving zelden uit het veld geslagen. Zijn leermeester zou zeker trots op hem zijn geweest.

Het sfeerbeeld van de meeste strips rond Sherlock Holmes is die van de rauwe romantiek uit de tweede helft van de negentiende eeuw: de gegoede burgerij die zich voortbeweegt in koets en zich boven alles verheven waant, het gepeupel dat in lompen gehuld en terneergeslagen voortgaat. De mooie kostuums, deftige huizen tegenover de achterbuurten en het gajes. Vaak wordt het in zachte kleuren gevat, alsof dat typisch was voor die tijd. In deze reeks kiest tekenaar en inkleurder Cécil (een pseudoniem van de Fransman Christophe Coronas) er juist voor om vrijwel alles in een enkele gewassen kleurstelling op te zetten. Het heden is mistroostig blauwgrijs, de sfeer kleurt getemperd goudbruin als we teruggaan naar de jongere jaren van Holmes. Dat onderscheid pakt goed uit; het ontdoet het verhaal van allerlei vals sentiment.

Het verhaal leest vlot, maar neemt in zijn geheel wel de nodige tijd in beslag. Er wordt erg veel gesproken en gediscussieerd. Bepaald geen diskwalificatie, het geeft de lezer de gelegenheid de puzzelstukjes zelf te leggen: Holmes (1854/†1891?) is geen standaard-tempo detective, maar eerder een minutieuze verslaglegging van een grondig onderzoek.

De lezer wordt vooral op de proef gesteld bij briefwisselingen: voor het dramatische effect ervan is er gekozen voor een zo buitenissig lettertype dat het even kost om te lezen wat er staat.

Holmes (1854/†1891?) werpt een ander licht op het werk van Arthur Conan Doyle. Scenarist Luc Brunschwig heeft een solide verhaal afgeleverd met bezieling en vaart. Samen met de perfect uitgebeelde sfeer en de soepele mise-en-scène van Cécil is het een vierluik dat verplicht is voor Holmes-adepten. En kom, ook voor striplezers die niet terugdeinzen voor een flinke kluif.

Cécil & Luc Brunschwig – Holmes (1854/†1891?) delen 1-4. Daedalus. 48 pagina’s (deel 2: 40 pagina’s) hardcover. € 17,95.
deel 1 Afscheid van Baker Street, deel 2 De bloedbanden, deel 3 De schaduw van de twijfel, deel 4 De dame van Scutari.

Strips & comics

Gelezen: Jesús Alonso & Olivier Visonneau – De Daltons 1 en 2

Eerst van tevoren wat zaken rechtzetten: ja, dit zijn dezelfde broers als uit de Lucky Luke verhalen, maar nee, ze zijn niet oplopend in lengte en de grootste is niet de dommerik. De Daltons in het gelijknamige tweeluik van tekenaar Jesús Alonso en scnearist Olivier Visonneau zijn gemodelleerd naar de echte broers – hun namen zijn Emmett, Bob, Grattan en Frank.

De eerste dode , het eerste deel van De Daltons, verscheen al eerder bij de Gorilla-imprint van de helaas ter ziele gegane uitgeverij Strip 2000. Het tweede deel, De laatste dag, dat nu samen met deel 1 bij uitgeverij Silvester verschijnt completeert het verhaal.

Het eerste deel van de serie is vooral nodig om wat geschiedkundige feiten op een rij te krijgen. We komen te weten dat de oudste van het stel, Frank, een deputy marshall is die om het leven komt in de strijd tegen de illegale stokerij. Zijn broers Bob en Emmett nemen zijn honneurs waar, tot zij meer heil zien in de criminaliteit. Daar is het verhaal toch banaal: de heren lijken vooral gedreven door het idee van genoeg poen, een gezinnetje en daarna een rustige oude dag. Hun beloftes aan hun geliefden klinken naïef en simpel; met name Emmett blijkt geen licht.

In deel 2 komt het verhaal pas goed op stoom. Dan meldt de ex-gevangene Grattan zich bij zijn twee broers en sluiten de drie zich aan bij een stelletje outlaws. Ze overvallen her en der treinen, tot in de eigen streek aan toe, waar ze prompt worden herkend. In een overmoedige bui besluiten ze de bank in Coffeyville, Kansas te overvallen: hun thuisbasis. Zie in dat kader de omslagen van de beide delen: waar de heren eerst als hoeders van de wet voor het bankgebouw staan, poseren ze in het tweede deel met duidelijk minder nobele bedoelingen.

Alonso beschikt over een zwierige, losse hand. Zijn figuren zijn expressief en krachtig neergezet, de decors zijn fraai en ongepolijst. Het werk zou het prima doen op groot formaat in zwart-wit. Niet dat er iets mis is met de inkleuring overigens. Die is namelijk heel ingetogen en geeft alle ruimte aan het verhaal: acties worden er niet vet van, de sfeer niet overtrokken.

De Daltons is vanwege de historische achtergrond een geode western, hoewel de werkelijkheid hier en daar is opgerekt en aangepast. Geen punt, dergelijke details maken het verhaal sappiger en dat is ook wat waard. Wat het sfeervolle tekenwerk betreft is het een fijne strip die zeker een plaatsje verdient in de canon der westernstrips. Lezers die destijds bij deel 1 twijfelden over de voortgang kunnen gerust zijn: deel 2 maakt het eerste deel verdedigbaar en zorgt ervoor dat het complete verhaal ruimschoots in orde is.

Jesús Alonso & Olivier Visonneau – De Daltons 1 en 2. Silvester. 56 pagina’s. € 8,95 per deel.
Deel 1: De eerste dode, deel 2: De laatste dag.

Strips & comics

Gelezen: Frederik Van den Stock – Buck, de eerste man op aarde

Van een album als Buck, de eerste man op aarde van de Vlaming Frederik van den Stock is er geen tweede. Het verhaal dat letterlijk begint met het pretentieuze ‘in den beginne…’ handelt over de eerste dagen van de vroegste man op aarde, die uit de lucht komt vallen in het jaar 4000 voor Christus. Zijn komst wordt letterlijk samengevat als het ontstaan der mensheid. Daarna is de lezer voortdurend getuige van allerlei magische momenten; van het produceren van geluiden met de mond, de ontdekken en benoemen van de wereld om hem heen en de ontdekking van zichzelf – in de spiegeling van het water. Om het begin te completeren noemt deze oermens zich Buck.

Vanaf dan kijkt de lezer eens voorzichtig naar het dikke, grote boek en vermoedt dat deze rare toestand zo gerust nog door kan gaan. We hebben immers wel een idee, maar daar steekt de auteur een stokje voor: dit is niet zomaar het scheppingsverhaal en een verslag van de ontwikkeling der dingen.

Zo krijgt Buck tijdens een van zijn overpeinzingen in het open veld ineens een spontaan godsbesef. Zomaar, zonder reden. Hij spreekt de heilige vader aan, maar die antwoordt niet, evenmin de beesten die hij naar de almachtige vraagt. Buck, niet vies van enige dramatiek, vervloekt daarop theatraal zijn eenzaamheid en geeft God de schuld van zijn ondraaglijke leven.

Het wordt meteen nog hilarischer als Buck ijzererts smelt en met een receptje van salpeter, zwavel en houtskool aan het experimenteren gaat. Met gepaste trots toont hij de lezer zijn 8.8 cm Flugabwehrkanone 37, een hoogtepunt van menselijke beschaving in het algemeen. Zo springt Van den Stock door de evolutie van de mens, al is de volgorde daarvan steeds in het geding. De atoombom was er eerder dan de vrouw, dat idee.

In een experimentele maar heerlijke, opvallend toegankelijke stijl vertelt de jonge Vlaamse auteur in zijn officiële debuut hoe Buck zich verder ontwikkelt. Hij gebruikt het personage praktisch, als een vehikel om veel maatschappijkritiek aan op te hangen. In een milde vorm, maar evengoed raak: met name de passage waarin Buck ‘eventjes’ de moderne kunst in de grondverf zet en de appreciatie ervan maar niet uitgelegd krijgt aan ‘die primitieve imbecielen’, is ronduit geweldig, in woord en beeld. Hij vernielt zijn eigen grottekeningen die volgens hem een uiting zijn van figuratieve bourgeoiskunst. Wat hij daarna schept is al even onbegrepen. Ooit zullen ze het snappen, verzucht hij, dan schrijven ze boeken vol over Buck de visionaire kunstenaar. Om eraan toe te voegen dat hij daarvoor wel eerst even het schrift moet uitvinden. En zo voorts.

Buck, de eerste man op aarde verlangt een bepaalde mindset van de lezer. De grote thema’s, de kwinkslagen en de strijd van Buck tegen God zijn bepaald geen doorsnee. Ook grafisch gaat dit album beduidend verder dan het gemiddelde stripalbum en dat kunnen we welbeschouwd als grote verdienste beschouwen. Buck is een heerlijk album dat ook na twee, drie keer lezen nog even geestig, overdreven, lyrisch en sympathiek is. Alleen al het verhaalgegeven maakt het een uniek werk, verteld door een tekenaar van wie nog veel te verwachten is. En Buck? Die blijkt de punch line van zijn eigen leven. Gelukkig maar, want het had er voor ons heel anders uitgezien als hij zijn zin had doorgedrukt.

Frederik Van den Stock – Buck, de eerste man op aarde. Oogachtend. 96 pagina’s hardcover. € 28,00.

Strips & comics

Gelezen: Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal deel 1 en 2

De publicatie van de stripserie rond Jonas Fink, van de hand van de Italiaanse tekenaar Vittorio Giardino, begint in de vroege jaren negentig. In het toen al zieltogende striptijdschrift Wordt Vervolgd, het Nederlandstalige zusterblad van het vermaarde Franse A Suivre, verschijnen de eerste twee delen van de reeks rond de Tsjecho-Slowaakse jongeling en zijn familie, getiteld De jeugdjaren en De leerjaren. Het zijn de delen die vertellen over de jonge jaren van Jonas Fink.

Het is net na de Tweede Wereldoorlog als Europa zijn wonden likt en de communistische en westerse mogendheden hun invloedssferen verdelen. In het voormalige Tsjecho-Slowakije vestigt zich een door Rusland gedomineerd totalitair regime dat leunt op achterdocht en onderdrukking. Voor de Joodse familie Fink betekent het dat vader, een gerespecteerd arts, in de gaten wordt gehouden. Hem worden subversieve sympathieën verweten en hij belandt erdoor in de cel. Onschuldig of niet, voor Jonas betekent het dat hij zijn jonge jaren met alleen zijn moeder doorbrengt. Daar blijft het niet bij: het gedecimeerde gezin wordt op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Zo mag Jonas niet gaan studeren en verliest zijn moeder haar werk omdat ze niet over de juiste papieren beschikt.

Jonas gaat als loodgieter werken en ontmoet in zijn vrije tijd een groep leeftijdsgenoten, die zich in het geniep onder meer bezig houdt met het lezen van verboden literaire werken, de samizdat. Hier is het eerste deel van het verhaal op z’n sterkst: Giardino portretteert niet alleen de groep jongeren maar geeft ook een mooi beeld van hoe de Russische invloeden zich laten gelden in het naoorlogse Praag.

De avonturen van Jonas Fink zijn verdeeld over twee kloeke integrales. Het eerste deel beschrijft de bovengenoemde periode, die intussen meer dan twintig jaar oud zijn. De tweede integrale is in zijn geheel het derde deel, De boekhandelaar uit Praag, en is pas vorig jaar afgerond. In dat deel is Jonas een volwassen man, de vertelling gaat verder in 1968. De goede verstaander weet dat Tsjecho-Slowaakse hoofdstad aan de vooravond staat van de Praagse Lente.

Intussen is Jonas boekhandelaar geworden – hij heeft de zaak overgenomen van de oude Pinkel, die we al in de eerste integrale hebben leren kennen. De vriendenkring heeft zich opgewerkt tot gerespecteerde leden van de samenleving, zij het nog steeds met een gezonde dosis anti-establishment. Als de Russische tanks de grens oversteken, weten ze dat er op ze wordt gelet. Het vriendinnetje van de jonge Jonas, de Russische Tatiana, heeft het gebracht tot een vooraanstaand journaliste die terugkeert naar Praag om daar de gebeurtenissen te verslaan. Dit zorgt uiteraard voor spanningen, op zowel politiek als amoureus vlak.

Hier neemt het verhaal een onverwachte wending. Nu was Jonas al nooit een bijzonder positieve gast – logisch gezien de onderdrukkingen die hij moet ondergaan – maar in zijn latere leven wordt hij er ook naar anderen niet gezelliger op. Hij bedriegt zijn vriendin en kiest steeds vaker voor zichzelf. Het werkelijke verhaal heeft deze zijsprongen niet per se nodig, maar toch weet Giardino dit gegeven heel slim uit te werken. In de epiloog komt het geheel mooi tezamen; een knap narratief staaltje. Giardino kiest ervoor de bijzondere tijd en omstandigheden het middelpunt van de vertelling te maken en niet een personage. Het verhaal heeft eenvoudig geen held nodig; dat gegeven maakt van Jonas Fink een intrigerende, historische vertelling.

Los van deze bijzondere focus is Jonas Fink een geweldig verhaal, met een werkelijk sterke climax, tegen de achtergrond van spionage, contra-revolutionaire bezigheden en het historische gegeven van de situatie in het naoorlogse Praag. Samen met de heldere, zachtgekleurde tekeningen en vooral de heerlijke vertelvaart, is deze tweedelige integrale reeks een klassestrip van jewelste, een perfect voorbeeld van een coming of age-verhaal in een zinderende historische context.

Vittorio Giardino – Jonas Fink integraal: 1 Volksvijand en 2 De Boekhandelaar uit Praag. Saga Uitgaven. 184 pagina’s per deel hardcover. € 29,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Colin Bunn & Tyler Crook – Harrow County Library Edition

Daniel Clowes, de Amerikaanse tekenaar van Ghost World en Eightball, was er een paar jaar geleden in een interview heel duidelijk over, toen hem werd gevraagd welke kant de stripmarkt op zou gaan: de digitale ontwikkelingen in ogenschouw genomen, vermoedde hij dat het klassieke album onder druk zou komen te staan. Hij maakte daarbij een onderscheid tussen twee soorten lezers. De ene groep is het puur te doen om het verhaal en het lezen. Het zijn de stripconsumenten; zij die net zo lief een digitale versie kopen en niet per se alles keurig in de kast hoeven.

De andere groep is die van de verzamelaars. Zij willen vooral het fysieke product en zijn bereid gerust wat meer betalen voor exclusiviteit – omdat ze ouder worden en meer geld te besteden hebben.

Die tweedeling is er intussen min of meer gekomen. Zeker in Amerika zijn er veel mensen die online hun strips kopen en lezen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de fysieke verkopen in aantal dalen, maar dat de omzetten niet evenredig neerwaarts meebuigen. Er wordt dus meer betaald per strip. Clowes’ vermoeden lijkt te kloppen: verzamelaars tasten dieper in de buidel voor mooie, al dan niet gelimiteerde uitgaven en lezers consumeren meer en meer de digitale versies.

Dit zien we terug in het aanbod dat de afgelopen tien jaar zeker is veranderd. Vooraf: in de Verenigde Staten worden strips doorgaans serieel uitgebracht, in zogenaamde floppies. Dat zijn de slappe, geniete boekjes, die wij in Nederland doorgaans comics noemen. Als er een verhaallijn is afgerond, dan verschijnt er een trade paper back (TPB) die meestal zes van die floppies bundelt. Lezers kopen of de floppies of wachten op de bundelingen. Als een succesvolle serie bijvoorbeeld compleet is na drie TPB’s, dan wil de uitgever er nog wel eens een omnibus van maken, een collection.

Wat we de voorbije jaren opmerken is dat Clowes gelijk heeft gekregen voor wat betreft het aanbod voor de echte verzamelaar, ook in Nederland. Bij ons verschijnen luxe integrale edities met veel extra’s, gelimiteerde edities met linnen rug en een gesigneerde prent of exclusieve, genummerde albums met een originele pagina. Vaak verschijnen er meerdere varianten van een enkel album, variërend van de reguliere sofcover voor 8,20 tot een luxe editie met prentje voor 99 euro. Intekenen is gewenst: de sjieke edities zijn vaak snel uitverkocht. De lezer leest, de verzamelaar verzamelt en voor beide groepen is er nu een eigen aanbod. (Al bungelt hier het digitale aanbod er een beetje bij.)

Terug naar de Verenigde Staten, of beter gezegd: het zuiden van begin 20ste eeuw. In Harrow County, een kleine, rurale gemeenschap waar het geloof angst inboezemt en de mens leeft volgens de geboden, is de rust weergekeerd. Enkele jaren daarvoor is een vrouw ter dood veroordeeld. Zij werd beticht van hekserij en daar had de gemeente onder te lijden. Kort erna wordt er een meisje geboren, Emma. Zij groeit op in harmonie met de natuur en de mensen, maar ontdekt met de jaren dat ze over bijzondere krachten beschikt. Er doen zich allerlei occulte en bovennatuurlijke situaties voor met geesten en demonen, en dan zijn de poppen toch weer aan het dansen. De bange dorpelingen twijfelen: is Emma wellicht de teruggekeerde heks?

Scenarist Colin Bunn (Sixth Gun, Dark Ark en Deathpool kills Deathpool) zet met Harrow County een perfecte strip neer in het genre plattelandshorror: de variant met veel juju, zwarte magie en religieuze connotaties. Het mooie van de serie – die intussen is afgerond en verscheen in acht TPB’s – is dat de menselijke maat altijd leidend is gebleven. Harrow County gaat over Emma en de andere inwoners van het gehucht, het verhaal wordt niet overgenomen door zombies en andere gekte. Er loopt niet een mutant met een grote bijl door het bos op jacht naar de ingewanden van argeloze wandelaars, om het maar eens volgens de horrorclichés te zeggen.

Alles in ogenschijnlijk in Harrow County. Emma blijft het vriendelijke meisje dat niets kwaads in de zin heeft, tenzij ze op de proef wordt gesteld. En dat gebeurt. Zij en alle inwoners van het dorp krijgen het zwaar en lijken te worden gestraft door de geest van de terdoodveroordeelde, die daarmee duidelijk maakt dat ze inderdaad over bovennatuurlijke krachten beschikte.

De tekeningen van Tyler Crook (B.P.R.D Hell on earth en Bad Blood) zijn uitmuntend. Hij is de meester in het tekenen van onheilspellende bossen, waarin je niet wilt verdwalen. Kijk in dat verband vooral eens naar deze indrukwekkende time lapse. Crooks inkleuringen zijn ronduit spectaculair en dragen het verhaal. De afgelopen drie jaar is Harrow County bewierookt en geroemd om zijn heerlijke plot en tekeningen. Met name Crook is erdoor op de kaart gezet als begenadigd tekenaar.

In de VS bestaat er sinds een paar jaar een nieuwe uitgavevariant, naast de eerdergenoemde floppie en TPB: het is de Library Edition. Dat is een luxe editie op groot formaat, met een harde kaft, leeslint, stofomslag en gedrukt op perfect papier. Deze nette behandeling is voorbehouden aan excellente stripreeksen zoals Hellboy, Buffy the Vampire Slayer en Black Hammer. Logisch dat ook van Harrow County nu een Library Edition verschijnt.

De eerste twee delen zijn inmiddels uit, ze bundelen ieder twee van de acht TPB’s. Naast de strip op groot formaat en fijn matglans papier, die de tekeningen nog sprankelender en indrukwekkender maken, staan er in de Library Edition veel extra’s: uitgewerkte potloodschetsen, pagina-layouts met begeleidend commentaar en korte verhalen die zijn gebaseerd op de verhalen uit Harrow County. Samengevat, de zaken waarvan Clowes al voorzag dat die de echte verzamelaar en fan zouden aanspreken.

De vier Library Editions van Harrow County zullen bijna duizend pagina’s beslaan: in december van dit jaar verschijnt het laatste deel. Deze perfecte horrorstrip krijgt daarmee de behandeling die het verdient en de fan is spekkoper. Het wordt niet fraaier dan dit.

Colin Bunn & Tyler Crook – Harrow County Library edition 1 en 2. 232 pagina’s hardcover. 32,00 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Jon McNaught – Kingdom, met de kennis van nu

Vorig jaar verscheen Kingdom van Jon McNaught, een jonge Britse graficus die zich al enkele jaren toelegt op een bijzondere manier van strips maken. Zijn verhalen bestaan uit vrijwel tekstloze pagina’s, als illustratieve vertellingen in kleine stappen. In november schreef ik een positieve recensie van Kingdom waarin ik uitlegde waarom het zo’n perfecte graphic novel is. De kracht van Kingdom, en in wezen van al het werk van McNaught, is de langzame tred, het bijzondere tempo.

In Kingdom slaagt McNaught er heel precies in momenten, gevoelens en situaties in rustige sequenties te vangen. De omgeving draagt daaraan bij. De locaties zijn leeg en verlaten, waardoor de kleinste veranderingen meteen opvallen: die ene vogel, de wandelaar in de verte. Wie Kingdom leest, vergeet de tijd. In plaats van lezen wordt het beleven, in de zalige vaart van de vertelling.

De pagina’s zijn opgebouwd uit gezeefdrukte lagen en terwijl je denkt dat die methode geen ruimte laat voor observaties op detailniveau, is dat juist wat McNaught bereikt. Alles leest heel precies. Het draagt bij aan de snelheid van je leeservaring. Boekbesprekingen waarin het woord onderdompelen staat, sla ik niet hoog aan. In dit geval zou ik er vrede mee hebben.

Tijd is een belangrijk aspect in de strip. Jiro Taniguchi is een meester in het bespelen van de lezer als het op leestempo aankomt. Bij een tafelscène van twintig pagina’s weet de lezer dat er serieus over eten wordt gedaan. Zijn The walking man is wat dat betreft exemplarisch: iemand wandelt en de lezer wandelt pagina’s lang mee. Het wordt er geen avontuur van, wel een belevenis. De lezer zit dicht op de personages, op de gebeurtenissen onderweg.

Hoe de factor tijd nog op een andere manier iets zegt over een strip, manifesteert zich op een heel ander niveau. De recensie van Kingdom schreef ik eind oktober – vrijwel meteen nadat het verschenen was. Mijn enthousiasme van toen voel ik nog steeds, vooral omdat ik het boek er nog vaak even bij pak. Niet om het van kaft tot kaft te lezen, maar om opnieuw een paar pagina’s te beleven. Weinig boeken hebben dit; iets wat misschien te vergelijken is met het lezen van een poëziebundel.

De ervaring van het steeds weer aangetrokken worden tot een boek is wezenlijk en geeft aan dat Kingdom een bijzondere graphic novel is. Toch had ik destijds geen idee dat ik het tussen oktober en nu zeker nog een keer of tien uit de kast zou nemen en dat het in mijn gedachten zou blijven. Maar dat laat onverlet dat die aantrekkingskracht een positief waardeoordeel is.

Bij het schrijven van recensies hoort een zekere haast, vanwege de actualiteitswaarde. Het blijft een momentopname. Je hebt er dus mee te maken dat je niet de hele beleving kunt vatten in een bespreking. Dat zal bij muziekrecensies uiteindelijk nog veel meer wringen. Het hele idee van een groeiplaat is daarop gebaseerd – een album dat met iedere luisterbeurt beter wordt. Soms valt het kwartje pas na een paar maanden: te laat voor de recensent, die de plaat dan al lang heeft afgeserveerd als oppervlakkig of ontoegankelijk. Drie sterren, twee ballen. Als het er al van is gekomen.

Er is geen oplossing. Het hele idee van de recensie leunt op nieuwe titels. Het zijn aanbevelingen die de potentiële lezer opmerkzaam maken op een interessante graphic novel of stripserie, die op dat moment in de winkel ligt, samen met nog honderden andere titels. Dat ene boek dat er maanden later nog steeds toe doet heeft pech. Geen man overboord, maar toch. Voor deze gelegenheid kon ik Kingdom nog eens opvoeren, omdat het zo prachtig mooi is. Het is zelfs beter dan ik in oktober vond, maar dat kon ik toen niet weten.

Strips & comics

Gelezen: Uderzo & Goscinny – Hoempa Pa integraal

Op de kop af 61 jaar geleden verscheen het eerste verhaal van de de sympathieke Sjavasjava-indiaan Hoempa Pa in het weekblad Kuifje. De serie werd gemaakt door het duo Albert Uderzo en René Goscinny, van wie de eerste de tekeningen verzorgde en de tweede het scenario. Inderdaad, het zijn de scheppers van Asterix, die voor zij de verhalen van de Galliër maakten, al geruime tijd samen werkten. Er zouden in totaal vijf afgeronde avonturen van Hoempa Pa verschijnen. Een vol jaar na zijn zesde lustrum krijgt hij een kloeke integrale, met naast de vijf complete verhalen een mooi en informatief dossier.

Hoempa Pa Integraal begint met een dertig pagina’s tellend achtergrond-dossier – maar niet voordat de lezer alvast is getrakteerd op een fraai schutblad met een kleurrijke illustratie van de habitat der Sjavasjava’s. Het dossier gaat in op de eerste schreden van Goscinny en Uderzo, nog voor ze zich aan Asterix waagden. Vreemd is dat niet wordt vermeld wie het dossier heeft geschreven of samengesteld: alsof die geen complimenten verdient voor het grondige werk. Vooral de illustraties en foto’s maken het een mooi tijdsdocument.

Het dossier heeft meer fraais. Bijzonder zijn de opnieuw ingekleurde stroken van de Engelstalige voorganger van Hoempa Pa, Ooompah Pah the Indian, die de auteurs in de beginjaren vijftig al maakten voor de Amerikaanse markt. Niet dat de reeks succes had of werd aangekocht, maar het zette de heren wel op het spoor van een leuke serie over een indiaan die zo sterk is al zijn totem, de poema, zoals de pay-off van de reeks luidt. Het dossier sluit af met de reden dat er van Hoempa Pa uiteindelijk maar vijf albums verschenen: Goscinny en vooral tekenaar Uderzo namen nogal wat hooi op hun vork en hadden bovendien ineens een groot succes in handen. De keuze tussen de indiaan en de Galliër was snel gemaakt. De rest is geschiedenis.

Hoewel er grote overeenkomsten zijn tussen Asterix en Hoempa Pa, wat betrft de heerlijke vaart en de grapdichtheid, vallen vooral de verschillen op: Hoempa Pa lijkt veel meer voor kinderen gemaakt dan Asterix, met zijn talige vondsten, verwijzingen naar de actualiteit en slimmigheidjes, die de reden zijn dat Asterix zo populair is en blijft bij de oudere lezer. Hoempa Pa is misschien wat luchtiger van toon en van aard.

De eerste drie verhalen uit de integrale, De Roodhuid, Op het Oorlogspad en En de Piraten, zijn het leukst. Daarna begint de herhaling een beetje in te treden. Het is raadzaam niet alles achter elkaar te bingen.

De strips zijn voor de gelegenheid opnieuw ingekleurd en dat is een grote sprong vooruit: wie de verzameling De complete avonturen van Hoempa Pa uit 1979 ernaast legt, ziet meteen verschil. De pagina’s zijn frisser en uitnodigend, ook omdat het papier mooi van kwaliteit is. Nog prominenter is de verbeterde letter, al is die bij tijd en wijle wat pietepeuterig en niet consistent. Ook de teksten zijn opgefrist en geactualiseerd. Prima, behalve de standaarduitdrukking van het opperhoofd had moeten blijven: Dikke bison heeft gesproken in plaats van Dikke bison heeft gezegd. Opperhoofden spreken nu eenmaal. Detail, maar toch.

Deze Hoempa Pa integrale is geslaagd. De verhalen, die nergens oubollig of gedateerd zijn, nodigen uit om te lezen en zijn nog steeds echt grappig. Niet op de Asterix-manier, maar op zijn eigen wijze: slapstickerig, kluchtig en dwaas. Niets mis mee.

Albert Uderzo & René Goscinny – Hoempa Pa Integraal. Ballon. 192 pagina’s hardcover. € 24,95.
Bevat: 1. De Roodhuid, 2. Op het Oorlogspad, 3. En de Piraten, 4. Geheime Opdracht en 5. Tegen Zieke Lever.

Strips & comics

Gelezen: Katriona Chapman – Follow me in

Follow me in van Katriona Chapman is een bijzondere twee-in-een graphic novel. In het Engels heet het slim een graphic travelogue, een grafisch reisverslag, al doet dat voor het helft recht aan het verhaal dat ze vertelt. Kort samengevat, Chapman beschrijft een reis door Mexico die ze in 2002 maakte samen met haar toenmalige vriend Richard. Naast een minutieus verslag vertelt ze ook de langzame vervreemding van haar vriend die kampt met een drankprobleem. De reis die ze maken is voor Chapman een manier om uit te vinden of ze de problemen samen kunnen overkomen.

Het reisjournaal is uitmuntend gedocumenteerd. Niet alleen heeft Chapman onderweg de bezochte bezienswaardigheden getekend, ze heeft er bovendien alles over uitgezocht. We zien ze bijvoorbeeld onderweg in bibliotheken zitten werken. In het boek zijn meerdere spreads waarin ze complete visuele wiki-pagina’s uitwerkt, over oorspronkelijke bewoners, heilige plaatsen en actuele politieke zaken. Interessant voor wie alles over Mexico wil weten, duidelijk gemarkeerd om aan voorbij te gaan als je het verhaal wil blijven volgen.

Haar tekeningen zijn zacht vanwege de opzet in kleurpotlood en toch hebben ze een krachtige uitstraling. De kleuren zijn heel aannemelijk en geven het geheel een mooie couleur locale. Geïnteresseerden die het album doorbladeren zullen erdoor over de streep worden getrokken. Van de tweedeling is het reisverslag het best geslaagd; de perikelen met de drinkende vriend komt minder uit de verf.

Voor die geschiedenis gebruikt Chapman voornamelijk boventekst, bij wijze van dagboekverslag. De lezer maakt zo mee hoe ze haar gedachten probeert te ordenen. De gesprekken zijn veel summierder en laten meestal zien wat ze de lezer al heeft verteld. Sowieso wordt er niet veel gesproken, ook niet met andere toeristen.

Bij de eerste alcoholische escapade van de vriend komt het verhaal van Chapman los: we lezen dat ze er geen zin meer in heeft, vooral omdat het steeds volgens eenzelfde stramien plaatsvindt. Na een laveloze nacht is er altijd spijt, met valse beloften, om dagen later opnieuw te vervallen in overmatig drankmisbruik. Chapman beeldt dat mooi uit: de scene waarin ze ’s ochtends wakker wordt en naast het bed een tafel vol gekneusde bierblikjes ziet staan is tragisch.

Wat in dat verband jammer is, is dat Chapman alleen reageert op de gebeurtenissen zelf. Het grotere geheel houdt ze verborgen: welke afwegingen maakt ze? Hoe werk het in haar eigen hoofd? Waarom reageert ze zoals ze doet? Het zou het verhaal ten goede komen als we dat kunnen meevoelen.

Dat Chapman laat meewegen of ze na de reis nog met Richard verder wil, maakt het daardoor onsympathiek: hij is daar niet van op de hoogte, dat maakt van hem een onnozelaar. Het lijkt alsof ze er niet samen uit wil komen.

Daar komt bij dat het ergens iets slimmigs heeft om de toestand met haar vriend mee te nemen in het verhaal. Ze wist van tevoren al dat er relationele problemen waren, daarover is ze eerlijk, en door het in te voegen krijgt het reisverslag een nodige verhalende laag die het reisverslag opstuwt. Anders gezegd: was het koek en ei geweest tussen de beide reisgenoten, dan was Follow me in een stuk minder interessant geweest, zelfs niet eens een graphic novel. Het drankgerelateerde gedrag van Richard komt na al die jaren vooral heel goed van pas. Ook prima, maar noem het dan niet als aanleiding om de reis te maken.

Ondanks deze mindere punten is Follow me in echt een mooie leeservaring. De wandelingen in stilte, de prachtige omgeving en het aanstekelijke enthousiasme van de twee reizigers zijn – ondanks alles – heel innemend. Als Chapman vertelt dat ze de hele dag moeten wandelen om bij een tempelruïne te komen, dan hoop je dat het er prachtig zal zijn. Ze weet de lezer op die momenten van hetzelfde gevoel deelgenoot te maken: samen beklimmen we de laatste heuvel en zien we de schoonheid van de natuur, met in de verte de schitterende sacrale offerplaats uit de vierde eeuw. Reizigers kennen dat gevoel, Chapman vangt het. Dat Chapman tussendoor regelmatig haar beklag doet over de toeristen die zich niets aantrekken van de lokale bevolking en bijvoorbeeld heilige feesten als Dia de los muertos verstoren, is haar vergeven. Zelf kan ze het namelijk niet laten om te mekkeren over de prijzen die taxichauffeurs en hoteleigenaars vragen.

Wie naar Mexico wil, kan met Follow me in prima uit de voeten. Het geeft mooie aanknopingspunten en gaat voorbij aan de toeristische fuiken en platgetreden paden. Toch heet Chapman in interviews al wel enkele voorbehouden gemaakt: de drugsgerelateerde misdaden die Mexico teisteren bestonden zestien jaar geleden naar eigen zeggen nog nauwelijks, er waren geen gebieden die voor toeristen werden afgeraden. En het gemis van wifi en mobiele telefoons valt ook op: het is even charmant als onbeholpen.

Katriona Chapman – Follow me in. Avery Hill Publishing. 248 pagina’s hardcover. € 20,99.

Strips & comics

Gelezen: Leo – Antares integraal

Fans van de strips van de Braziliaan Leo (Luis Eduardo de Oliviera, 1944) hebben vrijwel allemaal iets moeten overwinnen. Weinig striplezers zullen subiet en als een blok zijn gevallen voor zijn statische en houterige realistische tekenstijl. Ook de thematiek van zijn werk spreekt geen grote groepen aan – mensen uit de verre toekomst ontdekken en bewonen onbekende planeten. En toch: wie zich heeft laten overhalen om een van zijn reeksen ter hand te nemen is negen van de tien keren verkocht. Met het verschijnen van de derde integrale in de reeks De werelden van Aldebaran, getiteld Antares, is er weer een reden bijgekomen om in te stappen.

De series hebben titels die verwijzen naar de verschillende planeten die worden ontdekt: Aldebaran, Betelgeuze, Antares en de vervolgcycli Overlevenden en Terug naar Aldebaran. Iedere reeks bestaat uit vijf of zes losse albums. Terug naar Aldebaran is net begonnen, deel 2 verschijnt later dit jaar.

Kort gezegd komt het hierop neer: een groep wetenschappers reist van de aarde naar een ander stelsel om daar te onderzoeken of het mogelijk is een nieuwe leefomgeving voor de mensen op te zetten. Op de aarde is het namelijk helemaal misgegaan. Dat is alvast een mooie premisse: Leo speelt met het beeld van een ecologische ondergang die wij, de mensen van nu, in gang hebben gezet. De toekomstige mens blijkt ineens heel schuldbewust en gaat daarom heel zorgvuldig te werk bij de exploratie van de planeten. Dat is niet zonder reden, zoals ze snel ontdekken: de bijzondere flora en fauna is grillig en niet gewend aan indringers.

In de strips volgen we Kim Keller en haar entourage, die vooral bestaat uit mannelijke wetenschappers en vrouwelijke avonturiers. Leo heeft er namelijk een gewoonte van gemaakt om de man-vrouw-verhoudingen op te schudden. Het is een nobel streven dat helaas matig uitpakt en de grootste zwakte is van de verhalen: Kim, Alexa en Maï Lan lopen om de haverklap in hun ondergoed rond, douchen bij iedere gelegenheid die zich voordoet, zwemmen en badderen in elk ontdekt meer en moeten zich vooral allerlei misplaatste vleierijen laten welgevallen.
De stoere mannen veranderen namelijk in onzekere puberjongetjes in de buurt van de vrouwen, die ook nog eens over “de perfecte rondingen en vormen” beschikken. De aanhalingstekens stellen in dit geval niets ter discussie maar geven aan dat de vrouwen dat soort opmerkingen constant naar hun hoofd geslingerd krijgen. Iedereen is bovendien de hele tijd verliefd op elkaar en al deze zaken remmen het echte verhaal geweldig af. Het zijn obligate scenes waar je overigens gemakkelijk overheen kan lezen: ze zijn nooit relevant voor welke ontwikkeling dan ook. Des te onnozeler.

Wat de planetenreeks van Leo zo bijzonder maakt is de perfecte mix van de ontdekking van nieuwe werelden in combinatie met aardse zaken die dat moeilijk maken: zo wordt in Antares de expeditie betaald door een commercieel bedrijf dat er geld aan wil verdienen én is er een godsdienstwaanzinnige aan boord die er met zijn volgelingen een nieuwe wereldorde wil opzetten. Beide indringers maken het de wetenschappers erg lastig en zorgen er met hun eigen agenda voor dat de aanwezigheid op Antares onmiddellijk ontaardt in een nachtmerrie: ruimteschepen raken onklaar vanwege ondeugdelijke materiaalkeuze, de sekte dringt haar strikte levensvisie op waardoor mensen tegenover elkaar komen te staan en dan blijkt er ook nog te zijn gelogen over de leefbaarheid op de planeet: de mensen zijn helemaal niet voorbereid én opgewassen tegen de planten en dieren van Antares.

Leo is de onbetwiste meester van de cliffhanger. Omdat de ontdekkingstochten nog lang niet voltooid zijn en de lezer niet weet of de planeten bewoonbaar zijn, kan hij de spanning perfect vasthouden. Centrale rol hierin speelt een amorfe figuur die de mantrisse heet: het is een entiteit die verschillende gedaanten kan aannemen en die over bijzondere krachten beschikt. Althans, dat is wat we tot nu toe weten. Deze mantrisse heeft zich eerder aan de groep rond Kim geopenbaard en ze een onsterfelijkheid toebedeeld. Je zou denken dat de mantrisse niet onwelwillend tegenover de kolonisatie staat, mits het in goede banen wordt geleid, al is dat nog altijd speculatief.

Op zich zou Antares als integrale los gelezen kunnen worden, maar dat is niet aan te bevelen: er wordt in het begin summier stilgestaan bij de ontwikkelingen die tot de expeditie naar Antares hebben geleid, maar voor een goed begrip van verhoudingen en karakterontwikkeling is het toch het beste om bij het begin van het werelden-epos te beginnen, bij de Aldebaran-integrale. Het is waarschijnlijk dat je binnen afzienbare tijd alle integrales in huis hebt: Leo is de uitvinder van het binge-lezen en dat is beslist geen straf.

Leo – Antares integraal. Dargaud. 312 pagina’s hardcover. €38.60.

Strips & comics

Gelezen: Lorena Alvarez – Hicotea

Die ogen van Lorena Alvarez! Wie één keer in de grote, lieve doppen van kleine Sandy heeft gekeken is voorgoed verkikkerd op het schattige meisje uit de verhalen van Alvarez. Deze Colombiaanse illustratrice vertederde in 2016 alles en iedereen met Nightlights, het eerste deel uit de reeks strips voor kinderen van 8 tot 12 jaar (en grote kinderen vanaf 12) over een klein meisje dat zich graag verliest in haar magische fantasiewereld. Onlangs verscheen het los te lezen vervolg op dat overdonderende stripdebuut, met de titel Hicotea.

Hicotea is zowel de soortnaam als de voornaam van een schildpad, die Sandy tegenkomt als ze met haar klas de natuur intrekt voor een biologieproject. Of beter gezegd: Sandy vindt het lege schild van Hicotea. Zoals dat gaat in de toverachtige wereld van Sandy stapt het meisje het schild in en komt ze terecht in een prachtig museum: de habitat van Hicotea, die in haar leven alles over de natuur heeft verzameld en tussen die schitterende bric-à-brac leeft, als een conservator van fenomenen.

Alleen is er iets mis met Hicotea. Ze komt haar huis niet meer uit sinds ze op veldtocht een vijandig element is tegengekomen. Niet dat Sandy er iets van begrijpt, toch besluit ze Hicotea te helpen. Gewapend met haar tekenboekje gaat ze op weg naar de randen van de natuur om Hicotea’s vorserswerk voort te zetten.

Ze gaat op weg en dan gaan alle remmen los. De lezer – eigenlijk: het lezertje – tuimelt van de ene verbazing in de andere. Pagina’s kantelen om hun as en Sandy dwarrelt van omgekeerde rotsen naar zwevende grotten. Alvarez tekent werelden waarin de zwaartekracht omhoog gaat en waar de randen van de bladzijde steun bieden aan mooie figuurtjes om uit te rusten.

Voor Sandy is er geen rust: zij is vastbesloten om Hicotea te helpen, zonder benul waar ze in terecht komt. Haar ontwapenende eerlijkheid zorgt ervoor dat ze steeds verder op weg raakt. Sandy blijft tekenen en zich verbazen over alle natuurschoon.

Dan ontmoet ze de strenge raaf Livion, die Sandy vertelt dat het onmogelijk is om de hele natuur te tekenen. Een meisje is te klein om alles te weten. Sandy geeft toe, maar haar repliek is heerlijk: in haar fantasie zal alles bestaan, behalve strenge vogels.

Als ze na school met haar moeder in de achtertuin zit, wacht haar een grote verrassing. Het meisje kan haar geluk niet op, en eerlijk: geen enkele lezer voelt dat niet honderd procent met haar mee.

Hicotea is een heerlijke aanrader vanwege de tekeningen die zo mooi en exotisch zijn dat je het album er graag weer bij pakt. Gewoon, even stukjes lezen en kijken, zoals je ook een dichtbundel bij je in de buurt kan hebben. Het is een album om je aan te vergapen, meer dan eens.

Lorena Alvarez – Hicotea. Nobrow. 64 pagina’s hardcover. €16,99.

Strips & comics

Gelezen: Cyril Bonin – De delicatesse

Het stripwerk van de Fransman Cyril Bonin heeft nooit werkelijk een plekje in de spotlights gekregen en dat is vreemd, of op z’n minst jammer: zijn strips zijn bijzonder van verhaal en vorm. Amorastasia, Donkere kamer, Schijn bedriegt en The time before zijn stuk voor stuk aanbevolen en zijn nieuwe one-shot De delicatesse is een album dat goed in elkaar zit en prettig leest. Maar toch, ergens lijkt het niet te lukken met Bonin in het Nederlands taalgebied.

Zijn tekenstijl is fijntjes en kenmerkt zich vooral door spannende kijkrichtingen, met intrigerende figuren en een bijzonder kleurgebruik dat bepaald niet alledaags is. Op paginaniveau pakt dat heel fraai uit, maar het mist de boot als je zijn albums naast elkaar legt: de omslagen zijn weinig aansprekend en zullen om die reden gemakkelijk worden overgeslagen in het enorme aanbod van steeds meer nieuwe striptitels, die allemaal schreeuwen om aandacht. Bonins omslagen zijn zijig, ijl en pastellerig. Die vallen daardoor niet op.

Als dat de reden is van het betrekkelijke succes van Bonin, dan moeten zijn albums het dus van enthousiaste lezers en besprekingen hebben. Want dat blijkt bij navraag in de stripwinkel: er is een vaste kern van fans die niet nalaat iedereen te vertellen hoe goed de verhalen van Bonin zijn. En terecht.

De delicatesse is een bewerking van de gelijknamige roman van de Franse schrijver David Foenkinos, van wie in het Nederlands Het geheime leven van Henri Pick en Charlotte verschenen. Ook dit album is een ‘echte’ Bonin: een verhaal dat de personages dicht op de huid volgt, met boeiende, levensechte psychologische diepgang.

Net als Amorastasia is het een broeierig liefdesverhaal, al is De delicatesse eendimensionaler. Hier gaat het nadrukkelijk om verliefdheid, verhoudingen en romantisch vluchtgedrag, waar bij Amorastasia de hele wereldorde aan verandering onderhevig is.

Ongewilde hoofdpersoon Markus is een frivole Scandinaviër die wat onhandig is in de omgang. Voordat hij in het relaas betrokken wordt, heeft de lezer al kennis gemaakt met zijn bazin, Nathalie. We weten dan al wat zij heeft meegemaakt en hoe ze eraan toe is. Ze ‘ontmoeten’ elkaar met een spontane kus, die de situatie tussen de twee op scherp zet.

Daarna ontwikkelt het verhaal zich als een onmogelijke geschiedenis, die gaandeweg normaler en gelukkiger uitpakt dan we van tevoren vermoeden.

Het klinkt summier, maar feitelijk is dit waar het om draait. Het zijn de interacties die het geheel dragen, maar daarover is het moeilijk uitweiden zonder te veel prijs te geven. Dat heeft te maken met de ingenieuze constructie van het verhaal, dat toch heel vlot en op een bepaalde manier vrolijk leest.

Het tempo van het verhaal en de psychologische ontwikkelingen maakt van De delicatesse een prettige feel-good strip, die evengoed trieste en indrukwekkende momenten kent.

Samen met Schijn bedriegt is het een typisch instapverhaal voor lezers die Cyril Bonin willen leren kennen. Los daarvan is De delicatesse een gevoelige strip die zeker boven het maaiveld uitsteekt.

Cyril Bonin – De delicatesse. Blloan. 96 pagina’s hardcover. €20,50.

Strips & comics

Gelezen: Dobbs & Chris Regnault (naar H.G. Wells) – De onzichtbare man

In de reeks verstrippingen van verhalen van de Engelse SF-schrijver Herbert George Wells (1866-1946) is onlangs het afsluitende deel van het tweeluik De onzichtbare man verschenen. Deze klassieker hoort samen met Oorlog der Werelden (die wij beter kennen als War of the worlds, vanwege de gelijknamige film én soundtrack van Jeff Wayne) en De tijdmachine tot de drie beste en bekendste boeken van Wells.

De serie vestrippingen bestaat met de complete uitgave van De onzichtbare man nu uit vijf delen. Ook De oorlog der werelden verscheen in twee albums. De boeken hebben een identieke opmaak en uitstraling: fraaie hardcovers op groot formaat die recht doen aan de heerlijke sfeer van de klassieke verhalen.
Alvast de balans opgemaakt: De onzichtbare man is als strip het meest geslaagd. Het verhaal leent zich het beste voor een grafische bewerking. Alleen al het idee van een onzichtbare man met zwachtels en een steampunk bril prikkelt de fantasie.

De tekeningen van Chris Regnault zijn spot on en passen perfect bij de sfeer van Wells. Vergelijkingsmateriaal is voorhanden: Manara maakte van het verhaal een soft-erotische variant met dezelfde titel, die onlangs onder het stof vandaan werd gehaald en opnieuw werd uitgeven. Het is een slappe adaptatie die leunt op billen en borsten, en verder letterlijk weinig om het lijf heeft.

En veel geslaagdere versie is de Amerikaanse variant van het verhaal, The Nobody van Jeff Lemire. Dat verhaal is losjes gebaseerd op het gegeven van de onzichtbare man, maar heeft in ieder geval dezelfde dreiging en spanning. Lemire slaagt erin om de gekwelde man menselijk te maken, als een figuur waar de lezer mededogen voor voelt. Maar daarmee staat zijn bewerking wel ver af van het origineel.

In De onzichtbare man van Dobbs en Regnault maken we kennis met de inwoners van het Engelse dorpje Iping, waar alles zijn landerige gangetje gaat. De dokter drinkt zijn kopje thee op gezette tijden, de mensen in de straat schrijden in stilte voort en hooguit blaft er een hond als de postbode het erf betreedt. In die entourage komt er een zonderlinge man die op zoek is naar een kamer voor onbepaalde tijd. Zijn verschijning zorgt voor opwinding, omdat hij gehuld is in een hooggekraagde jas met een zware bril en een forse cilinderhoed. En zagen de dorpelingen dat nu goed? Was zijn gezicht gezwachteld?

Al gauw gaan de praatjes door het dorp en wordt men nerveus. Dat nieuws bereikt ook de teruggetrokken man, die prompt het achterste van zijn tong laat zien. Hij wil ongestoord kunnen werken aan zijn wetenschappelijke onderzoek en als hij niet met rust gelaten wordt dan zal zijn omgeving dat merken ook. Hij slaat meedogenloos terug door Iping in het ongeluk te storten: zonder zijn kleding is hij onzichtbaar en tot alles in staat.

Nadat de boel vreselijk uit de hand is gelopen, meldt hij zich bij dokter Kemp, aan wie de onzichtbare man zich bekend maakt als een studiegenoot van vroeger. Waar beide heren veinzen de ander ter wille te zijn, ontaardt ook die situatie in een klopjacht. Ze jagen elkaar na, met fatale gevolgen.

Het verhaal bezit een heerlijke vaart en de spanning is perfect gedoseerd. De pagina-indeling draagt hieraan bij: de nachtelijke uren zijn tegen een zwarte achtergrond getekend en sommige scenes zijn aflopend en paginavullend, in een uitmuntende kleurstelling. Daarover gesproken: wie de moeite neemt een aantal spannende strips van -zeg- dertig jaar oud in te zien, zal opmerken hoe een grote vlucht de inkleuringen met de jaren hebben gemaakt. In De onzichtbare man zijn de kledingstukken, interieurs en stadsimpressies zo natuurgetrouw weergegeven dat de lezer eenvoudig aanneemt dat de eind negentiende-eeuwse tijd er werkelijk zo heeft uitgezien.

De HG Wells reeks is met drie voorname titels een serie om te koesteren, waarmee deze verstrippingen evengoed tot de moderne klassiekers kunnen worden gerekend.

Dobbs & Chris Regnault – De onzichtbare man 1 en 2. Glénat. 56 pagina’s hardcover. € 17,45 per deel.