Strips & comics

Gelezen: Michael Kupperman – All the answers

Op de binnenflap van All the answers staan de biografische gegevens van de Amerikaanse striptekenaar Michael Kupperman. Hij werd bekend als illustrator voor onder andere New York Times en van zijn absurde, anarchistische strips die werden verzameld in het hilarische Tales designed to thrizzle. Hij is een werkelijk unieke stem in het humoristische genre, al zet menigeen de humor van Kupperman tussen aanhalingstekens. De flaptekst rept verder van allerlei prijzen en eindigt met: dit is zijn eerste serieuze boek.

In All the answers onderzoekt Michael Kupperman de jonge jaren van zijn vader Joel, die in de jaren veertig van de vorige eeuw een beroemd kindsterretje was. Joel heeft een bijzonder hoog IQ en kan al op jonge leeftijd complexe wiskundige sommen uit het hoofd oplossen. Daarnaast beschikt hij over een fabelachtig geheugen. Zodoende wordt hij opgemerkt door de populaire radioshow Quiz Kids, waarin kinderen het tegen elkaar opnemen, bij wijze van trivia-spel.

Bij de introductie van de televisie in Amerika wordt Quiz Kids een geliefd tv-programma. Het succes van de show én van Joel Kupperman, die jarenlang het gezicht is van het programma, trekt een geweldige wissel op de jongeman, die door zijn moeder wordt aangespoord om vooral in de spotlights te blijven, nota bene tegen zijn uitdrukkelijke zin. Hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld voor kinderen, die hem dat in zijn eigen omgeving niet in dank afnemen. Het wordt nog kwalijker als blijkt dat het programma van tevoren deels wordt gescript, zonder medeweten van Joel Kupperman. Het publiek voelt zich bedot en keert zich tegen de spelshow én tegen Joel die zich nadien zoveel mogelijk aan het publieke leven onttrekt. Zijn hele tienerjaren hebben in het teken van Quiz Kids en televisie gestaan, hij snakt naar een leven in de luwte.

De gemankeerde jeugd van zijn vader heeft zijn weerslag op het gezinsleven. Michael heeft altijd moeite gehad in de omgang met zijn sociaal onhandige vader – tegenwoordig zou zeker een aan autisme verwante diagnose worden gesteld. Twee directe aanleidingen zorgen ervoor dat Michael nu met zijn vader wil spreken over diens verleden: Michael zit er als jonge vader en geparkeerde kunstenaar doorheen én bij zijn vader wordt dementie geconstrateerd. All the answers is het verslag van deze vader-zoon-confrontatie.

Het verhaal ontvouwt zich in de eerste helft als een geschiedschrijving van Amerika in oorlogstijd, waarin het antisemitisme zich openlijk manifesteert. De Joodse Joel wordt met open armen ontvangen: hij kan een positieve, vriendelijke kant van de Joodse Amerikaan laten zien. Gaandeweg zijn zelfs drie van de vier vaste Quiz Kids van Joodse komaf. Kort gezegd, Joel wordt ingezet voor onversneden propagandadoeleinden, en het enige wat Joel blijft doen is vragen beantwoorden. Voor hem is de balans allang naar de verkeerde kant doorgeslagen, de lezer kent de geschiedenis nu ook en voelt de pijn van de jongen die hunkert naar een gewoon leven. Dit alles wordt met een zekere afstand verteld, als opmaat naar de gesprekken tussen vader en zoon.

Gaandeweg verplaatst het verhaal zich naar het heden, waarbij de gesprekken maar vooral de twijfels en levensvragen van Michael een grotere rol spelen. De vertelling wint daarmee aan zeggingskracht; er komt een oprechte emotionele laag bij. Op een gegeven moment vraagt Michael aan Joel waarom hij hem nooit met wiskunde heeft geholpen, zoals zijn vader wel bij hem deed. Die vraag, zo antwoordt Joel, is nooit bij hem opgekomen. Het blijkt een patroon: De man die als kind antwoord wist op alle vragen, heeft zichzelf nooit iets afgevraagd.

De uitstraling van de pagina’s doet onbeholpen aan. Kupperman werkt in dikke zwarte lijnen, met grote zwarte vlakken en repetitieve rasters en arceringen. Vaak gebruikt hij hetzelfde plaatje dat hij laat inzoomen. Het verhaal is opgehangen aan de knipselboeken van Joels moeder, waardoor veel tekeningen op overgetrokken foto’s lijken. Wie het overige werk van Kupperman niet kent, zal hierdoor wellicht terugdeinzen. Toch werkt de rudimentaire aanpak ook in dit geval: de vertelling wordt er rustig van, het bepaalt voor een groot gedeelte de snelheid en daarmee de impact.

Het knappe van het verhaal zit in de afstand die Michael houdt tot zijn vader en tot hun verstandhouding. Pijnlijke scenes worden op een bijna journalistieke wijze verslagen. Als Michael, als jonge jongen, aan zijn vader vraagt of die van hem houdt, antwoordt Joel terughoudend. Daarmee is de scene klaar, de niet te missen uitwerking van die woorden is voor de lezer.

All the answers is een verrassend en heel persoonlijk boek met een integer uitgewerkt thema, opgetekend in een stijl die niet iedereen meteen zal aanspreken. Dat eerste is een regelrechte aanbeveling, het tweede is iets waar de lezer even doorheen moet. Aan het eind twijfelt de auteur openlijk over het nut van de onderneming: onterecht, de geschiedenis van de familie Kupperman verschaft bijzondere inzichten over pijn, vluchtgedrag en onvermogen. Wie op YouTube naar oude opnames van Quiz Kids kijkt, ziet een vriendelijke jongen vragen beantwoorden. Na All the answers kijken we dwars door die glimlach heen.

Michael Kupperman – All the answers. Gallery 13. 224 pagina’s hardcover,  € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok

Als je in stripkringen dertien jaar niets van je laat horen, dan kan het zijn dat je stilletjes bent vergeten. Van Theodoor Cleysters vernamen we voor het laatst in 2005. Bij het vallen van die naam haalt de wat oudere stripliefhebber herinneringen op aan de exotische zeemanstrip, aan de legendarische kapitein Steene en de mysterieuze figuur November. De jongere striplezer zal de albums, die qua opmaak eenzelfde uitstraling hadden, misschien van buiten herkennen. Hoe dan ook, jong en oud kan zich met De laatste reis van de Amok opmaken voor een (hernieuwde) kennismaking.

Vanaf 1987 verschenen twaalf albums rond Theodoor Cleysters, een jonge kantoorklerk uit de jaren twintig van de vorige eeuw. In het eerste album, Kapitein Steene, lezen we dat Cleysters een grote wens heeft: hij wil naar verre oorden, naar Azië waar het avontuur lonkt. Hij krijgt de kans en vertrekt. Onderweg ontmoet hij zijn noodlot, de altijd in het zwart geklede exoot November, die -helaas voor Cleysters- niet van zijn zijde wijkt. In de achtereenvolgende albums De Archipelvreter, Marie Rechtdoorzee, Geheimen, De schat van de blanke radjah en Een passagier wordt vermist reizen we met Cleysters en November door Azië. De verhalen zijn spannend, met thriller-elementen, al zijn ze niet allemaal even sterk. Vooral omdat Cleysters graag naar huis wil en dat zes albums lang niet voor elkaar krijgt, wordt het bij tijd en wijle wat stroperig. Je zou willen dat hij wat slagvaardiger was. Pas in Een passagier wordt vermist vindt hij de weg terug naar Duinkerken.

Slagvaardig of niet, door de avonturen raakt Cleysters gehard en dat is meteen een van de mooie verhaalgegevens uit de reeks: hij wordt ouder en wijzer, hij verandert met de jaren. Na het stilistische tussendoortje Rozendal, over de jeugd van Cleysters, gaat hij terug naar Azië, om daar als een herboren man-van-de-wereld aan te komen. Hij is een cynische, harde onderhandelaar geworden; iemand met wie rekening wordt gehouden. Hij draagt witte, flanellen pakken en zijn ronde groentjeshoofd van de beginjaren is intussen ruig gestoppeld.

In De laatste reis van de Amok blijkt hij zelfs behoorlijk verzuurd geraakt. Er is hem iets ontnomen, en hij wil het terug: een leeggeroofd eiland dat als uitvalsbasis dient van een groep verveelde piraten. Met een gekochte schoener, de Amok, en een regiment aangemonsterde types gaat hij op weg. November is weer van de partij en er is opnieuw een hoop achterdocht, dubbelspionage en boerenslimheid voordat Cleysters ontdekt dat er belangrijker dingen zijn in het leven. Maar toch, dat eiland is van hem, en hij zal het terugkrijgen.

In de vroege delen had het eironde, blote hoofd van Cleysters iets karikaturaals en stak het wat curieus af tegen de omgeving. Meer en meer is er een schwung bijgekomen en in dit dertiende deel is de transformatie compleet: Theodoor Cleysters is een pittige, stoere gast en zijn tegenstanders zijn volslagen hufters en gewiekste ratten. Het is allemaal een stuk avontuurlijker geworden.

Nog een voordeel ten opzichte van de eerdere delen is dat De laatste reis van de Amok een helder plot heeft: al snel wordt duidelijk waar het naartoe gaat. Het ongewisse was een makke van de vroegere verhalen, die vaak wat stuurloos waren en vooral op sfeer en exotisme leunden. Toch wordt Cleysters aan het einde van het verhaal overvallen door landerigheid, hij lijkt zijn vuur kwijt te zijn. Wat is de les die hij heeft geleerd? We lezen het vast in deel 14, waarop het zeker minder lang wachten is.

De laatste reis van de Amok heeft Cleysters weer op de kaart gezet. Het weerzien zal de oudere Theodoor Cleysters-lezer zijn bevallen, vooral vanwege de sfeervolle tekeningen en de interessante karakterontwikkeling van de hoofdpersoon en de daardoor aangepaste rol van November.
Of de jonge striplezer op basis van dit verhaal genoeg geraakt is om de twaalf eerdere delen te lezen, is de vraag. Daarvoor verschilt dit dertiende deel te veel van de eerdere albums. Bovendien is het slotstuk van het verhaal te loszandig om de hele serie op basis van dit ene album in het hart te sluiten. Jammer: ja. Logisch: ook.

Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok. Dupuis. 64 pagina’s. € 7,95. Ook verschenen als hardcover: € 13,95.

Strips & comics

Gelezen: Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts

De onlangs overleden culinaire globetrotter Anthony Bourdain hield van meer dan lekker eten en reizen. Hij was een verwoed stripliefhebber. In 2012 debuteerde hij als stripscenarist met het curieuze Get Jiro, een gewelddadige culistrip over een sushichef die zich staande probeert te houden in een post-apocalyptische wereld waarin alle keukens slagvelden zijn geworden: er is oorlog tussen vleeseters en vegetariërs, tussen culisnobs en fastfoodies. Niet bijster origineel, maar toch vermakelijk als zachthoofdig leesvoer. Zo ziet Jiro hoe een klant de nigiri verkeerd in de soja doopt. Twee tellen later rolt er een tronie over de vloer. Dat idee.

Begin dit jaar kwam Bourdain opnieuw met het scenario voor een stripreeks, nu in samenwerking met medereiziger en journalist Joel Rose. De nieuwe serie verscheen intussen als vier losse floppies (zoals de kenmerkende slappe, geniete Amerikaanse comics worden genoemd) en heet Hungry Ghosts.

De tekeningen zijn onder meer van Alberto Ponticelli die naam maakte in het horror- en splattergenre en ook Get Jiro tekende. Naast Ponticelli zijn er afleveringen getekend door onder andere Irene Koh, Francesco Francavilla, Sebastian Cabrol en Paul Pope; steeds twee per comic.

Eerlijk is eerlijk, het verhaal zit goed in elkaar en is een stuk beter dan Get Jiro, dat het uiteindelijk vooral moest hebben van de bekende naam op het omslag. In Hungry Ghosts wordt een keukenbrigade gevraagd om voor een puissant rijke Rus te koken. Deze schimmige miljardair nodigt de koks uit aan tafel en stelt hen voor aan Mr. Ichi, een stereotiepe Japanse figuur met een grimmige glimlach. Hij vertelt de aanwezigen het verhaal van de Kaidan, een gezelschapsspel uit het Edo-tijdsperk dat werd beoefend door de samurai. Voluit: Hyakumonogatari Kaidankai.

In het vertrek branden evenveel kaarsen als er mensen aanwezig zijn. Ombeurten vertelt iemand een traditioneel Japans verhaal over yokai (monsters), yurei (geesten) of obake (gedaanteverwisselaars). Na de vertelling kijkt de verteller in de spiegel of hij niet bezeten is geraakt, en blaast een kaars uit. Het wordt donkerder en de angst om bezeten te raken groter. Zo stelden de samurai hun angsten op de proef.

Binnen dit gegeven passeren een aantal verhalen de revue, bij wijze van raamvertelling. De verhalen zijn ronduit angstaanjagend en stuk voor stuk geweldig lekker getekend: de keuze voor tekenaars is heel geslaagd, geen doet onder voor een ander. Uiteraard gaan de horrorverhalen over eten en gegeten worden. Het openingsverhaal The starving skeleton zet meteen de toon. De verhalen zijn grotesk, goor en hebben een strakke opbouw die uiteindelijk allemaal vreselijk ontaarden. Wat Hungry Ghosts zo goed maakt is dat alles teruggrijpt op de klassieke Japanse vertelkunst, waarin deugden en ondeugden krachtige motieven zijn. Veel van de verhalen gaan over het maken van keuzes en de consequenties die aan de verkeerde keus verbonden zijn. Het authentieke karakter van de verhalen maakt dat ze met gemak het reguliere horrorgenre overstijgen.

In oktober verschijnt de trade paper back, een bundeling van de vier losse delen. Dan zal het verhaal zich nog mooier ontvouwen: Hungry Ghosts wint aan kracht als je het achter elkaar leest. Om naar uit te zien.

Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts. Dark Horse. 4 delen van 32 pagina’s. $3,99 per deel. In oktober verschijnt de trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel

De beste strips pakken je beet en laten niet los. Het is nog fraaier als je dat van tevoren niet voelt aankomen. Die verrassing, het moment van ontdekken dat je iets prachtigs in handen hebt, mooier dan je vermoedde: met geluk maak je dat drie, vier keer per jaar mee. Een leven met Alexandra David-Néel van het duo Fred Campoy en Mathieu Blanchot is zo’n verrassende ontdekking. Ga maar na, het tweeluik vertelt het levensverhaal van Alexandra David-Néel, de boeddhistische ontdekkingsreiziger (1868-1969) die in Nederland bij lange niet zo bekend is als in haar geboorteland Frankrijk. Niet meteen een onderwerp dat aanspreekt.

Maar toch, hoewel de beide omslagillustraties tot de verbeelding spreken, is het de flaptekst die intrigeert: ze wordt zonder omhaal de grootste ontdekkingsreiziger van de twintigste eeuw genoemd. Ze was oriëntaliste, operazangeres, journaliste, schrijfster, filosofe en boeddhiste. Eén van haar wapenfeiten is dat ze de eerste westerse vrouw was die ooit, in 1924, de mysterieuze en gesloten Tibetaanse hoofdstad Lhasa bezocht. De andere is dat ze een behoorlijk portret is, iets wat haar liefdevol wordt aangerekend. Mevrouw is een anticonformiste.

Uitgerekend deze verre van bedeesde dame zoekt op latere leeftijd een hulp in de huishouding. De vriendelijke, jonge Marie-Madeleine Peyronnet staat op dat moment op een keerpunt in haar leven en besluit, onwetend van de geschiedenis van de bijzondere vrouw, de betrekking te accepteren. Ze valt niet bepaald met haar neus in de boter want David-Néel houdt er een rigide dagindeling op na, met allerlei rituelen en gewoonten. Maar vooral is het een treurige puinhoop in het huis: overal relikwieën, herinneringen aan de vele reizen, boeken en manuscripten. En stoffig.

Gaandeweg ontwikkelt zich een onbeholpen vriendschap tussen de twee, waarbij Marie-Madeleine zich veel moet laten welgevallen. Ze wordt tegengesproken, afgepoeierd en steevast Schildpad genoemd. Sympathie is haar volkomen vreemd, de lezer krijgt geen bijster positief beeld van de ontdekkingsreiziger voorgezet. Meer dan eens is Marie-Madeleine de meelijwekkende figuur van de geschiedenis.

Deze merkwaardige vriendschap wordt de kapstok van het verhaal, omdat het deze Marie-Madeleine is die na het overlijden van David-Néel haar oeuvre en bezittingen blijft beheren, tot op de dag van vandaag. In dat opzicht lijkt ze op David-Néel: ze is inmiddels 87 jaar en verzorgt nog altijd rondleidingen in het markante huis waarin ze zo lang samenwoonden.

De levenswandel van David-Néel komt uiteraard uitvoerig aan bod, van haar opstandige jonge jaren waarin ze geregeld van huis vertrok om de wereld te ontdekken tot haar bekering tot het Boeddhisme. Waar dat tegenwoordig met zachtheid en wierook wordt geassocieerd, was het in het begin van de 20ste eeuw beduidend anders: dagenlange ontberingen en onthouding van voedsel en slaap. Alles om de geest te harden. Het zal verklaren waarom David-Néel zo strikt en vast van overtuiging bleef, op het onhandelbare af.

Het tweeluik laat zien hoe Alexandra David-Néel tot aan haar dood actief blijft schrijven en geleerden ontvangt om met hen van gedachten te wisselen. Het scenario van Fred Campoy, naar het boek dat Peyronnet over Alexandra David-Néel schreef, is volledig trouw aan de geschiedenis. Campoy bewerkte niet alleen het boek, hij tekende ook het verhaal – samen met Mathieu Blanchot, die zich op zijn beurt ontfermde over de prachtige inkleuring. Achterin beide delen staan uitvoerige dossiers met achtergronden, voor de lezer die er geen genoeg van krijgt. Over lezers gesproken: het is te hopen dat er veel over de streep worden getrokken. Een leven met Alexandra David-Néel is te mooi om onontdekt te blijven.

Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel. Daedalus. Twee delen van 90 pagina’s, hardcover. € 19,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Brahy, Corbeyran & Chapuzet – Cognac

Toeval of niet; strips met een alcoholisch thema zijn in opmars én meestal heel goed te verteren. Het geweldige bier-epos Meesters van de gerst is een eersteklas aanrader en de prima wijnverhalen De Onwetenden en Chateaux Bordeaux zijn allebei van harte aan te bevelen. Voor bij een goed glas, zouden drinkers zeggen. De afgelopen anderhalf jaar verscheen in drie delen een heuse cognac-thriller, waarvan vorige week het afsluitende deel verscheen. Cognac, zoals de serie wijs heet, is een echte page-turner; precies wat campinggasten graag meenemen op vakantie. Cognac is spannend, onderhoudend en je steekt er ook nog wat van op: met de proefnotities en smaakduidingen uit het verhaal is het goed meezwetsen in het café.

Oorlogsfotograaf Anna-Fanély Simon is de mondiale slagvelden en het geweld beu en wordt, om wat bij te tanken, ingezet voor een artikel over de wereldwijde opkomst van cognac. Ze vertrekt daarvoor naar haar geboortestreek, de Charente. In een poging om haar jeugdvriendin Alice te ontmoeten, neemt ze contact op met de broer van Alice die Anna vertelt dat zij een paar maanden daarvoor is vermoord door haar eigen man, Jean-Louis, die daarna zelfmoord pleegde.

Het leven – en werk – gaat door. Anna neemt contact op met de cognacdistilleerder Fernand Favreau, die de lokale cognacwereld op zijn duimpje kent. Samen bezoeken ze een groot aantal cognachuizen. Ook de moord komt ter sprake en al gauw merkt Anna dat er meer achter steekt, vooral als blijkt dat de politie de boeken snel heeft gesloten en na de eerste conclusie niet werkelijk verder heeft gezocht naar motieven en daders. Als ze bovendien te weten komt dat Jean-Louis een aantal erg dure flessen Grande Champagne uit 1870 in zijn kelders had liggen, gaan bij Anna de alarmbellen rinkelen. De bewuste flessen zijn intussen ontvreemd.

Anna roept de hulp in van een goede vriend uit Parijs, en gedrieën gaan ze op onderzoek uit. Ze stuiten op een wantrouwende en gesloten cognacwereld, een weinig coöperatieve politie en een paar criminele sujetten die duidelijk maken: steek je neus liever in een glas, en laat deze moordzaak vooral met rust.

Het verhaal heeft een geweldig tempo, dat valt op. De reportage van Anna dient daarbij als een handige kapstok om de vaart er flink in te houden: ze kan overal gemakkelijk binnenkomen, afspraken maken en onder het mom van haar journalistieke werk vragen stellen die haar zoektocht naar de waarheid rond de dubbele moord maskeren. Het verhaal ontwikkelt zich op die manier als een onvervalste whodunit, waarbij de lezer steeds meer te weten komt over verdachten en motieven. Zo wordt in ieder album de spanning gedoseerd opgevoerd, tot de climax in het derde deel, dat nogal plastisch Het kerkhof van de druivenoogstmachines heet.

Het tekenwerk van Luc Brahy is klassiek-realistisch: geen gekke perspectieven, geen grafische hoogstandjes. Het is gedegen, zonder dat dat een diskwalificatie is. De personen zijn naturel en geloofwaardig. Met het lekkere verhaal maakt het van dit drieluik een prima leeservaring. Geen zware kost, maar een echt lekkere thriller die je het liefst meeneemt op vakantie. En wat je erbij drinkt, moet je zelf weten, al worden er genoeg suggesties gedaan in Cognac.

Cognac – Luc Brahy, Eric Corbeyran & Jean-Charles Chapuzet. Silvester. 48 pagina’s per deel, softcover, € 7,95. Ook verkrijgbaar in hardcover: € 16,95 per deel.

Cognac 1, De invloed van demonen
Cognac 2, Dood in de arena
Cognac 3, Het kerkhof van de druivenoogstmachines

Strips & comics

Gelezen: Scratches 2

Wie zorgvuldig kijkt naar het aanbod van striptijdschriften in Nederland kan niet anders dan concluderen dat het helemaal niet slecht of karig is gesteld. Natuurlijk kunnen de oplagen hoger en zou het mooi zijn als er een diverser publiek wordt bereikt, maar toch: de veelzijdigheid is evident. Een kleine rondgang bewijst het: voor de klassieke (avonturen)strip zijn de Eppo en de dikke Stripglossy, liefhebbers van small press, curiosa en underground lezen Zone 5300 en sinds twee jaar is er het imposante, Engelstalige stripkunstperiodiek Scratches, waarvan tot op heden twee nummers verschenen.

Scratches, dat zich omschrijft als ‘the paper highway between artist and reader’, is wel degelijk van Nederlandse makelij. Achter het perfect vormgegeven tijdschrift gaan illustrator Joost Swarte en uitgever Hansje Joustra schuil: twee namen uit de hogere regionen van het beeldverhaal. In Scratches treft de avontuurlijke lezer spannend grafisch werk van Erik Kriek, Lukas Verstraete (die ook het omslag tekende) en Brecht Evens. Hoogtepunt is de bijdrage van Tobias Schalken, die met de strip The light of home overtuigend bewijst over een zeldzame vertelstem te beschikken.

Achterin het omslag is het unieke werk ingeplakt van Jochen Gerner, een Franse tekenaar die het meer dan wie ook verdient in het Nederlands uitgegeven te worden. Zijn werk is vaak ronduit bizar met niets te vergelijken. Neem bijvoorbeeld zijn album Panorama du froid / Icebergs, een boek vol met illustraties van locaties en gebouwen, zoals de Notre Dame, Trafalgar Square en Bahnhof Zoo, die zijn veranderd in ijsschotsen – en dus in wezen onherkenbaar.

De redactie, die zich laat souffleren door een heuse Scratches Academy met onder anderen Maus-tekenaar Art Spiegelman en vermaard stripjournalist Paul Gravett, zoekt het ook buiten de gebaande paden van het beeldverhaal: het grafische werk van Sami Ki, dat sterk leunt op architectuur, is een bijzondere ontdekking. Hetzelfde geldt voor de intense potloodillustraties van Ludwig Volbeda.

Mede dankzij enkele journalistieke bijdragen, bijvoorbeeld over Professor Pi van Bob van den Born en Frank King (Gasoline Alley), is Scratches in zijn wezen geslaagd: het slaat bruggen tussen beeldverhaal en gelijkgestemde kunstvormen.

Opvallend is dat met Scratches in Nederland ook in Frankrijk en België soortgelijke nieuwe tijdschriften verschenen. Bij de zuiderburen veranderde het tweemaandelijkse informatieblad Stripgids in een massief, halfjaarlijkse striptijdschrift met lange stripverhalen en puik journalistiek werk. In Frankrijk verschijnt sinds een jaar het uitvoerige Les Arts Dessinés, dat net als Scratches het beeldverhaal plaatst in een breder perspectief, naast beeldende kunst, architectuur, illustratie en grafiek. Dit is een positieve ontwikkeling die bijdraagt aan de waardering van het beeldverhaal als serieus medium.

Scratches 2. Uitgeverij Scratch, 112 pagina’s, € 30,00.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – Nooit

Het mooiste beeld uit Nooit verschijnt subiet aan het begin van het verhaal. Een oud vrouwtje geeft de planten water, met op de achtergrond een tuinhekje dat voor een deel boven een afgrond bungelt. Het omaatje heet Madeleine en is blind, haar tuin begeeft zich op het randje van een steeds verder afbrokkelende klif aan de Normandische kust. Achter dit cartooneske tafereel gaat een innemende en trieste geschiedenis schuil.

Madeleine woonde er jaren met haar grote liefde Jules, een schipper die alweer heel wat jaren geleden het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Hoewel ze nog bij de pinken is, heeft ze het verlies van haar man nooit werkelijk afgesloten. Nog iedere dag eet Madeleine samen met Jules en spreekt ze met hem de dagen door. Haar kater, een geweldige dikzak, is de gelukkige. Stiekem, alsof zijn bazinnetje het kan zien, eet hij het bordje van Jules leeg.

Binnenshuis heeft Madeleine de boel redelijk onder controle, het gevaar bevindt zich buiten. De klif waarop haar huisje staat kalft steeds verder af; de reden voor de burgemeester – verantwoordelijk voor het welbevinden van al zijn dorpsgenoten – om Madeleine met zachte dwang te verzoeken te verkassen. Want stel je voor. Maar Madeleine voelt daar helemaal niets voor. Zij gaat het huisje, met alle herinneringen, niet uit. Pertinent niet, en pas op: ze is tot de gekste dingen in staat. Ze blaast bij wijze van spreken nog liever de hele zooi op.

Uitgeverij Saga heeft vaak een gelukkige hand van kiezen uit het enorme Franstalige aanbod dat erom vraagt vertaald te worden. In hun collectie Bamboe zijn het vooral zachte, lievige verhalen over kleinmenselijk leed. Schattig met een twist, zoals de tweeluiken De adoptie en Te mooi om waar te zijn. Nooit van Duhamel hoort in dat rijtje thuis. Het verhaal van het stuurse, blinde oudje dat zich kranig verzet tegen een gedwongen verhuizing past perfect: een kleine geschiedenis rond gewone mensen.

Bruno Duhamel heeft gekozen voor een heel mooi kleurpalet, een kunststukje dat hij ook al flikte met zijn album De terugkeer, dat vorig jaar verscheen. In Nooit kiest hij voor zachte kleuren, niet per se Normandisch maar perfect bij de setting van het verhaal: het zijn de kleuren van bejaardenservies, van nachtponnen en Cornelis Jetses. Het zorgt ervoor dat de onverzettelijkheid van Madeleine en de urgentie van de verhuizing extra nadruk krijgt: een krachtig tegenwicht in de zachte omgeving.

Aan het slot van het verhaal is het tuinhekje er nog slechter aan toe. Het klif zal blijven afbrokkelen. Troost en herinnering vechten om voorrang. Nooit is niet zo gelaagd en scherp als De terugkeer, maar als kleine sprookgeschiedenis erg geslaagd.

Bruno Duhamel – Nooit. Saga Uitgaven. 64 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Cartoons 2018, Internationaal Cartoonfestival van Knokke-Heist

Zoals korte verhalen zich verhouden tot romans, zo is het in de stripwereld met de positie van cartoons gesteld. Natuurlijk houdt iedereen van cartoons, bijvoorbeeld die van Fokke en Sukke, of de politieke cartoons uit dagbladen en de New Yorker. Er is niets mis met de waardering ervan.

Maar anders dan vroeger worden cartoons tegenwoordig nog maar nauwelijks gebundeld uitgegeven, behalve de halfslachtige, melige themaboekjes die in de cadeauhoek van de boekhandel liggen. Misschien omdat cartoons gedoseerd geconsumeerd moeten worden, of vanwege de actualiteit, is het niet interessant om ze te bundelen. Het genre moet het vooral hebben van de losse glimlach en de dagelijkse dosis milde spot. Dat hoeft de lezer niet per se nog eens terug te lezen.

Een stadje in België houdt tegen de stroom in al 57 jaar moedig stand. Iedere zomer vindt in de kustplaats Knokke-Heist een internationaal cartoonfestival plaats, en ieder jaar verschijnt er een bloemlezing met de beste inzendingen van dat festival. Het festival heet het Internationaal Cartoonfestival en de bundeling noemt men Cartoons met het jaartal erachter. Helder. Het is een festival dat het gelukkig zonder jaarlijks thema doet. Er wordt niets aan de haren bijgesleept.

De bundel (en het festival) geeft een mooi overzicht van het werk van de mondiale cartoonistengemeenschap. In Cartoons 2018 staan de honderd genomineerde, tekstloze cartoons van dit jaar, door een vakjury gekozen uit bijna tweeduizend inzendingen. Want dat is het festival ook: een wedstrijd, met een gouden, zilveren en bronzen prijs. De winnaar krijgt de Gouden Hoed.

Hoewel er in de inleiding van Cartoons 2018 melding wordt gemaakt van 579 cartoonisten uit 74 landen, staan tussen de honderd uitverkorenen opvallend veel Iraniërs, onder wie de winnaar Saeed Sadeghi, en Turken; respectievelijk zeventien en twaalf. Verder tien Belgen en één Nederlander, Doede Okkema. De overige zestig komen inderdaad overal vandaan.

In Cartoons 2018 valt op dat er een bescheiden rol is weggelegd voor politici, voor de persoonlijke aanval. Hier en daar komt Erdogan langs, drie keer Trump en er is een (prijswinnende) Poetincartoon. De wereldpolitiek in het grotere geheel, voorbij de poppetjes, is een bron van inspiratie en vermaak. Zo gaat de aandacht uit naar de schimmige rol van multinationals en onvermijdelijke zaken als honger, geloof en gebrek aan compassie.

Het populairst in aantal zijn de cartoons over de sociale media: het verslavende van de mobiele telefoon, de afvlakkende fascinatie voor de schijnwereld van de schermpjes.
De cartoons daarover zijn leuk en gevat, maar ook voorspelbaar. Wellicht dat een betere dosering in de bundel een scherpere selectie had opgeleverd. Bovendien laat een brede waaier aan onderwerpen ook de veelzijdigheid van de hedendaagse cartoon zien. Nu wekt het de indruk dat voor de gemakkelijke weg is gekozen: wie heeft er geen mening over de doorgeschoten sociale media?

Wat mooi uitpakt is dat bij iedere cartoon wordt vermeld waar de maker vandaan komt. Onwillekeurig gaat de lezer daardoor op zoek naar typische, cultuurgebonden elementen, die dan bij nader beschouwing veel minder exotisch en uitgesproken zijn dan vooraf verondersteld. De Birmese cartoon die verhaalt over het probleem van bootvluchtelingen heeft niets Aziatisch: het slaat evengoed op de situatie in Zuid-Europa. En dan nog, ook een Braziliaan kan een mening hebben over de schrijnende situaties aan de Middellandse Zeekust. Ook vormtaal en kijkrichting blijken veel eenvormiger en minder cultureel bepaald. Dat zijn mooie ontdekkingen.

De bundeling laat zien dat de taal die cartoonisten spreken universeel is. Cartoons 2018 nodigt uit tot scherp kijken. Dat maakt het een frisse collectie met diepgang, engagement en zeggingskracht, waarbij het vermaak de beloning is.

Diverse auteurs – Cartoons 2018. Davidsfonds Uitgeverij, 120 pagina’s hardcover, € 17,99.

Het Cartoonfestival is te bezoeken van zaterdag 30 juni tot en met zondag 2 september 2018 in het strandpaviljoen ter hoogte van Heldenplein Heist, Knokke-Heist.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 8

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van Comics Krenten van het zomernummer.

De krenten gaan cross over deze keer en we beginnen bij games. In 1982 kwam het eerste deel van het spel SwordQuest uit, een Atari 2600-titel die niet alleen een game was maar ook een comic waarin het verhaal werd verteld en een deel van de puzzel werd ontrafeld. Drie episodes verschenen er en de vierde, Airworld, zou de afsluiting zijn.
Om het groots te vieren mochten spelfanaten zelf een einde aandragen: het werd een prijsvraag met als hoofdprijs een replica van het zwaard uit de comic. Helaas belandde Atari is zwaar weer en werd het vierde deel van de game nooit uitgebracht. Ook de prijsvraag werd geschrapt. Het zwaard werd een museumstuk dat af en toe te zien was op cons en exposities.

Nu is er een comic van Chad Bowers en Chris Sims (Dynamite, TPB, $19,95) die dit verhaal van Atari en SwordQuest vertelt. Peter Case is één van de fanatieke en teleurgestelde Atari-fans van toen die tevergeefs meedeed aan de prijsvraag. Peter is inmiddels een volwassen man met alle ongeluk van de wereld: ongeneeslijk ziek en ook nog eens zijn appartement in vlammen zien opgaan. Hij trekt in bij zijn moeder en vindt er zijn oude Atari terug. Dat brengt hem op een idee: hij wil nog één keer iets gaafs doen. Hij wil het zwaard bemachtigen, omdat hem die kans vroeger is ontnomen. Dát wordt zijn queeste.

Samen met twee vrienden van toen vinden ze het zwaard, waarmee iets aan de hand is. Het zorgt ervoor dat de drie stervelingen ineens echte helden worden. SwordQuest is een prima, pretentieloos verhaal, dat vooral interessant is vanwege de nerdy geschiedenis die erbij hoort.

Van games naar tekenfilm dan. Dick Dastardly en zijn domme hond Muttley zijn vooral bekend van Wacky Races en Stop the Pidgeon – en van het leipe lachje van Muttley uiteraard. Niet bepaald hoogdravend en dat is de nieuwe comicserie rond de twee ook niet, hoewel de realistische aanpak van tekenaar Mauricet je gemakkelijk op het verkeerde been zet. Toch wordt al snel duidelijk dat we hier niet met een intellectuele remake (DC, TPB, $19,99) te maken hebben.
Scenarist Garth Ennis knalt er lekker in met een boel slappe grappen. Het verhaal begint in het fictieve staatje Unliklistan waar de koning per ongeluk een kernreactor opblaast. De Amerikanen, met Dastardly en Muttley, gaan op onderzoek uit en worden getroffen door een onbekend fenomeen dat eruit ziet als een gekleurde wolk met onomatopeeën. Gevaarlijk? Niemand die het weet. Maar waar Muttley eerst nog een gewone viervoeter was, blijkt hij nu ineens een canis erectus te zijn: hij loopt op twee benen en praat. Ook gek, zeg.
En zo ontvouwt zich een grappig verhaal dat je als volgt kunt samenvatten: wie kun je waanzin het beste laten bestrijden dan de twee grootste mafketels zelf? War Pig One is gewaarschuwd.

Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Young Frances

Young Frances is Frances Scarland, een junior bedrijfsjurist die zoals veel van haar leeftijdsgenoten twijfelend en piekerend door het leven gaat. ’s Avonds kan ze de slaap niet vatten en ligt ze met opengesperde ogen naar het plafond te staren. Is dit het? Heb ik hiervoor gekozen?
Zou het hierbij blijven dan is de eerste graphic novel van Hartley Lin een typische sleutelroman over een jonge twintiger die zich verliest in haar eerste baan, het volwassen leven.

Maar Hartley Lin is niet de eerste de beste. Hoewel Young Frances zijn eerste volwaardige album is, gaat hij al een paar jaar mee in het alternatieve circuit van de Amerikaanse stripwereld. Onder zijn pseudoniem-anagram Ethan Riley publiceerde hij tot op heden vijf delen van zijn comic Pope Hats, waarvoor Lin al ruimschoots werd gelauwerd. Hij won een Doug Wright Award, een Ignatz Award en een Joe Shuster Award, en werd meermaals genomineerd voor de prestigieuze Eisner Award; stuk voor stuk stripprijzen waarmee je de aandacht opeist.

Young Frances is voorgepubliceerd in Pope Hats 2 tot en met 5. We leren Frances kennen als een harde werker en een tobber. Feitelijk leeft ze twee levens: van de leergierige en handig opererende jurist, die vaak te horen krijgt dat er voor haar een bright future in het verschiet ligt, maar die ’s avonds en in het weekend geen idee heeft hoe ze haar leven met haar werk kan verenigen.

Het helpt Frances ook niet werkelijk dat ze samenhokt met Vicky, een vrijgevochten, jonge actrice die feesten afschuimt op zoek naar werk en erkenning. Haar wereld en die van Frances staan mijlenver uitelkaar en iedere poging hun jeugdige vriendschap samen te vieren lijkt bij voorbaat mislukt. Frances is alle ontspanning kwijtgeraakt.

De discussies die de twee hebben zijn van wezenlijk belang voor het verhaal. Waar we onmiddellijk zien dat het leven van Vicky zich ophoudt in een holle schijnwereld, wordt dat van Frances nog deugdzaam en ideaal geportretteerd: hard werken en steeds verder klimmen is zoals het hoort. Zo voelt Frances het zelf ook, en juist daar gaat het mis. De scenes op haar werk, bij een juridische firma die geld ‘maakt’ door bedrijven leeg te trekken, geven de twijfel van Frances steeds meer kern: dit kán het toch niet zijn?

De gesprekken tussen Frances en Vicky worden wezenlijker als Vicky het succes vindt en naar de westkust verhuist. Daar is ze ineens de gevierde ster, maar overvalt haar de absolute leegte van alles. Ook zij botst tegen het echte leven op. Vicky wordt zoals Kevin, de succesacteur uit de televisieserie This is us (gespeeld door Justin Hartley, geen familie), die zich ook nadrukkelijk afkeert van het lege sterrendom.

De tekeningen van Lin zijn soepel en sprekend. De vergelijking met het werk van Adrian Tomine (Optic Nerve, Killing & Dying) ligt voor de hand, al is het werk van Lin minder statisch. Young Frances is zwart-wit, vanwege de oorspronkelijke verschijningsvorm in Pope Hats en ook voor deze gelegenheid niet ingekleurd. Dat had gekund; het werk leent zich voor een ingetogen kleurstelling, vooral om de werkelijkheid van het snelle geld af te kunnen zetten tegen het wereldbeeld van de twijfelende hoofdspersonen.

Met Young Frances heeft Lin zijn naam definitief gevestigd. Terecht: het is een graphic novel over vriendschap die lekker blijft hangen, vooral omdat de harde, onpersoonlijke maatschappij zo scherp wordt neergezet. Dat past naadloos in het huidige tijdsgewricht.

Hartley Lin – Young Frances. AdHouse Books, 144 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Kim Duchateau – Madelfried

In aanloop naar de Stripdagen Haarlem, het paradepaardje onder de stripfestival in Nederland dat dit jaar plaatsvond van 25 mei tot en met 3 juni, verschijnen altijd veel nieuwe strips. Nu zijn de Stripdagen eens per twee jaar en verschijnen er ook in de tussenjaren eind mei veel albums, maar toch: wie de beurzen in Haarlem bezoekt en niet op een euro hoeft te kijken, kan al gauw met twee rolkoffers nieuwe albums huiswaarts gaan. Het aanbod is overweldigend en voor buitenstaanders een openbaring: voor wie bijvoorbeeld denkt dat er in Nederland ongeveer evenveel dichtbundels verschijnen als strips gaat er een wereld open. (Ter info: in 2017 verschenen er meer dan 1650 Nederlandstalige striptitels)

Tussen alle nieuwe grafische romans, meerdeelse avonturenverhalen in harde kaft en luxueuze integrale heruitgaven viel de bundel Madelfried van de Vlaamse humorist Kim Duchateau niet meteen op. En ergens is dat logisch: Madelfried, de zelfverklaarde superheld die nergens zelfs maar een greintje van een held bezit, is geen grootse verschijning. Het iele konijn, nota bene als enige zwart-wit in een kleurenstrip, is nu eenmaal een antiheld, en zelfs dat valt nog te bezien: dat ís tenminste nog een held.

In Madelfried bundelde Kim Duchateau alle Madelfried-stroken die hij de afgelopen 23 jaar tekende en die verschenen in de kranten Het Belang van Limburg en Metro, en tijdschriften als de StripGlossy. Het is dus een onvervalste krantenstrip en zo leest de bundeling, met een lekkere, melige vaart waarbij het oppassen is voor een overdosis.

Vanwege de lange tijd ziet de oplettende lezer de stijl van Duchateau veranderen, wat overigens geen enkel bezwaar is omdat hij doorgaans al diverse stijlen beheerst en gebruikt. Onlangs nog verscheen de hilarische Nero-spinoff De zeven vloeken: een echt geestig verhaal rond de klassieke personages Nero, Adhemar, Madam Pheip, Petoetje en Petatje van Marc Sleen (1922-2016, een van de oervaders van de Vlaams strip).

Daarnaast tekent Duchateau de reeksen rond de sexy Esther Verkest en het zwaarmoedige brutaaltje Aldegonne. Al zijn werk wordt gekenmerkt door een frisse gekte. Het zit vol absurde wendingen, rare gesprekken en onnavolgbare grappen. Uiteraard neemt hij de wereld van de superheld op de hak, maar daarbij permitteert hij zoveel nonsens dat het daar nog nauwelijks over gaat. Iets redden of oplossen is er sowieso niet bij.

De stroken van Madelfried hebben soms iets van de meligheid van de Hollandse stripkat Heinz, vanwege hetzelfde zeurderige, stroperige tempo. Al vliegt het daarna bij Duchateau weer net zo gemakkelijk alle kanten op: de verhalen komen niet uit het brein van een one trick pony, zoveel is duidelijk. De stroken gaan dus vooral niet over superhelden, maar juist over alledaagse toestanden. Het is Madelfried die deze zaken als een superheld benadert, en daarin hopeloos faalt: een cape doet nog geen wonderen.

Madelfried heeft iets sneus, maar het zorgt er niet voor dat de lezer hem sympathiek gaat vinden. Hij is niet aaibaar of iemand die je ondanks zijn onhandigheidjes in de armen sluit. In dat opzicht werkt deze bundeling niet in Madelfrieds voordeel. Dat het er toch is, is desondanks een gelukje: het is een album dat je in gedoseerde hoeveelheden leest, en geniet.

Kim Duchateau – Madelfried. Oogachtend, 96 pagina’s, € 16,00.

Strips & comics

Gelezen: Étienne Davodeau – Lulu

Een vrouw besluit na het zoveelste sollicitatiegesprek en de zoveelste afwijzing dat het allemaal anders moet. Niet alleen het werk zit tegen, ook manlief is niet meer de sprankelende verschijning voor wie deze Lulu ooit viel: na twintig jaar huwelijk is er niet veel meer over. Hij drinkt, commandeert en heeft weinig op met het gezinsleven. Haar drie kinderen, een tienermeisje en twee grappige snuiters van een jaar of zes, zijn handenbinders. Al zou Lulu het roer willen omgooien, dan is dat geen gemakkelijke opgave.

En toch kiest ze voor een heel eenvoudige oplossing: ze smeert ‘m. Lulu belt naar huis dat ze niet thuiskomt en vertrekt naar de kust. Zonder auto, zonder koffer en zonder plan. Na twee dagen is ze haar telefoon kwijt en is het geld op. Paniek? Nee, Lulu ervaart voor het eerst een weldadige vrijheid. Weg van alle ingebakken en uitgesleten zaken die haar dagen vormgaven. Lulu raakt haar frons kwijt, er komt een glimlach voor terug.

Lulu van Étienne Davodeau is eigenlijk een kleine vertelling over een moedige vrouw die besluit eventjes voor zichzelf te kiezen. Niet voor altijd, daarvoor blijft ze te dichtbij huis. Sterker, ze verraadt vrij gemakkelijk waar ze ongeveer is waardoor ze een vriend de kans geeft haar op te sporen. Ook haar dochter weet haar uiteindelijk te vinden.

Dat de vertelling klein blijft, komt omdat Davodeau niet kiest voor eindeloos gepsychologiseer. Eigenlijk vermijdt hij dat steeds: Lulu vertelt haar verhaal aan meerdere personen, maar de lezer krijgt maar mondjesmaat mee wat ze zegt. Wat de lezer meebeleeft zijn haar wandelingen langs zee, het gehang op de boulevard en de babbeltjes met passanten en met de bejaarde Marthe bij wie ze in huis wordt uitgenodigd. Lulu hoeft niet te betalen: ze krijgt kost en inwoning in ruil voor haar levensverhaal.

Het fraaie zit in het tijdelijke. Lulu weet steeds dat het niet voor lang is: haar ontmoetingen zijn kort, de gesprekken die ze voert zijn voor even. Na verloop van tijd zal ze weer naar huis gaan. Wanneer? Dat weet ze niet. Ergens moet ze nog iets ontdekken, maar wat blijft in het midden.

De tekeningen van Davodeau zijn niet bijzonder en hebben een onbeholpen charme. De mensen zijn niet mooi, het kleurgebruik is niet opgewekt. Alles lijkt een beetje versleten en soms zelfs opgebruikt. Als de zon schijnt dan is het om te laten zien dat de ramen gewassen moeten worden, dat idee. De pagina’s zijn rustig en voelen het tempo van het verhaal goed aan. Lulu is geen diepgravende graphic novel, het verhaal is op het eenvoudige af. Maar wat het mooi maakt is het ontbreken van duiding: waarom is ze vertrokken? Wat wil ze vinden? Of anders gezegd: wat gaat er toch om in dat koppie? Haar vrienden vragen het zich af en de lezer ook. Dat maakt van Lulu een vertelling die heel dicht bij je blijft. Voor eventjes helemaal weg, wie denkt daar nooit eens over na?

Étienne Davodeau – Lulu (integraal). Microbe. 160 pagina’s, hardcover. € 49,95. Ook verkrijgbaar als twee losse delen van ieder 80 bladzijden, hardcover. € 18,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: David Chauvel & Tim McBurdie – Pinokkio

Pinokkio van het duo Chauvel en McBurnie is een vreemd album dat steeds weer blijft opduiken in mijn herinnering. Ik las het twee maanden geleden en sindsdien heb ik het nog een paar keer opgepakt en delen herlezen, vooral vanwege de veerkracht van het kleine houten ventje dat het niet gemakkelijk heeft. Deze Pinokkio is vertederend, op een heel eigen wijze.

David Chauvel bewerkte het oorspronkelijke verhaal uit 1883 van Carlo Collodi, de geestelijk vader van Pinokkio. Hij bleef daarbij heel dicht op het origineel en daardoor ontstaat iets grappigs: hele generaties zijn opgegroeid met de Pinokkio van Disney, een verhaal waarin het houten jongetje veel onverschrokkener is. De Pinokkio van Chauvel – en Collodi – is zijig en vooral simpel van ziel. Logisch ook, hij is van hout, maar toch. Ook Gepetto oogt niet als de vriendelijke oude man uit de Disneyfilm. Het is allemaal wat minder zoet.

Wat wel vergelijkbaar is (gebleven) is het moralistische toontje van het verhaal. Pinokkio is de ongehoorzame stouterik die steeds opnieuw de fout in gaat. Op tijd thuis zijn, hoor, en dan toch meegaan naar het bos. Netjes naar school, dan alsnog spijbelen. Pinokkio leert het nooit. Vanwege de herhaling van zetten en de toonzetting heeft het verhaal iets weg van Sjakie en de Chocoladefabriek: wie niet gehoorzaamt zal zijn billen branden. En dat terwijl Pinokkio zo graag een braaf jongetje wil zijn, met goede cijfers op school. Waren er maar niet zoveel verleidingen…

Wat goed uitpakt is dat het album leest als een toneelstuk. Dat ligt vooral aan de tekst, die van de grote gebaren is. Ook de vierde wand wordt regelmatig aangewend: dan spreekt Pinokkio de lezer rechtstreeks aan. Geestig en praktisch om de theatrale taal te duiden.

Het expressieve tekenwerk van de Australiër McBurnie draagt het verhaal; zijn zwierige lijnvoering en kleurgebruik maken dat het oogt als ‘de echte’ Pinokkio, vooral omdat het zo ver van Disney’s versie af staat. In 2009 verscheen al een vrijwel tekstloze en veel modernere Pinokkio van de hand van Winschluss; een vrije bewerking, die van de houten pop een grimmiger personage maakte, maar die grafische roman week op veel niveaus van het werk van Collodi af. McBurnies Pinokkio pretendeert veel meer het origineel te zijn.

Geslaagd? Jazeker. Deze ‘nieuwe’ Pinokkio is als figuurtje authentieker en daarmee wat onbeholpener: zijn zwakte is een zwakte, de wreedheden tegen hem worden niet op tijd verijdeld, zijn geen opstapje naar een levensles voor de kleine jongen. Pinokkio is onnozel en goedgelovig, en wordt daarvoor gestraft. Maar steeds krabbelt hij weer op, een beetje gelouterder. Die Pinokkio, dat guitige gastje, blijft je een behoorlijke tijd bij.

David Chauvel & Tim McBurnie – Pinokkio. Silvester. 80 blz., hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968

Je zou ze van marketingtrucjes verdenken, die striptekenaars die precies op het goede moment met een album komen dat naadloos aansluit op de actualiteit. We zagen het bij de stortvloed van albums rond het feestjaar van Jheronimus Bosch in 2016. Handig, want het lift gemakkelijk mee op de reuring die er toch al is.

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Parijs allerlei linkse studentengroepen in opstand kwamen tegen het conservatieve klimaat, De Gaulle en -vooruit- het kapitalisme in het algemeen. Reden voor het onafscheidelijke stripduo Warnauts en Raives om met een album te komen over de Parijse opstanden van 1968.

In Parijs, mei 1968 volgen we een groep van vijf twintigers die zich in het rumoer begeven. Onder hen een Amerikaan die met een werkbeurs voor de fotoacademie naar Parijs is gekomen. Tijdens de rellen maakt hij foto’s en wordt opgepakt, vanwege eigenhandig gefabriceerde bewijslast. Hij was erbij. Dat is de lijn van het verhaal: deze Jay wordt ondervraagd en zo lezen we een chronologische getuigenverklaring.

Deze verklaringen gaan maar voor een deel over de revolte. Er is naast halfslachtig actievoeren namelijk nog genoeg andere intrige binnen de groep: verliefdheid, achterdocht en spanningen in de familiekring. Het zorgt ervoor dat het verhaal hinkt op twee gedachten; het zwaartepunt ligt op het persoonlijke vlak. De entourage van het Parijse 1968 is niet wezenlijk van belang voor het verhaal. Het had ook het Noord-Ierse Derry van 1972 kunnen zijn, bijvoorbeeld. Of zelfs een niet politiek gemotiveerde tijd en locatie.

Ongelukkig is het bovendien dat de iconische beelden van de opstandige studenten, zoals we die uit de verhalen kennen, alleen zijn terug te zien in een aantal nagetekende foto’s die duidelijk afwijken van de rest van de strip. Daarbij wordt er door de personages en hun vriendenkring met enig misprijzen over de opstandelingen gesproken: ze zijn een afkooksel van zichzelf, er zitten niet werkelijk revolutionaire genieën tussen. Liever verspillen de vijf hun tijd en energie aan drugsgebruik, seks en hangen ze hooguit het vrije ideaal van het alles aan. Het maakt niet duidelijk waarom Warnauts en Raives zo nodig voor mei ’68 kozen.

Nog een vreemde keuze is dat de gebeurtenissen, die destijds overduidelijk een politieke lading hadden, volledig ondersneeuwen in het verhaal dat meer over persoonlijke levensvragen gaat: de jongeren staan aan het begin van hun maatschappelijke leven en weten het allemaal nog niet precies. Ook hier raken beide werelden, die van het verhaal en die van de opstand van de 68’ers, elkaar niet.

Pellen we het tijdsbeeld van het verhaal dan blijft er een summiere bildungsstrip over. Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat Woodstock plaatsvond. Misschien is dat een mooie gelegenheid om dit idee nog eens over te doen: hoe gek het ook mag klinken, dit verhaal was met meer politiek beslist interessanter geweest. Met de generatie ’68 heeft het niet veel van doen.

Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968. Le Lombard. 80 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2

Bijzonder eigenlijk. Het is not done om een Afrikaan neer te zetten als een luie donder met dikke lippen, een Aziaat als dociel en kleingeschapen, maar o wee als we aan de Italiaan komen. Die zien we toch het liefst zoals ze zijn: als meedogenloos maffialid dat zonder scrupules voor zijn eigen hachje kiest en er om die reden gerust een dubbele moraal op nahoudt. En Sicilianen, die zijn helemáál niet te vertrouwen.

Luca Torelli is zo’n heerlijke Siciliaanse smeerlap, die zijn geld verdient als huurmoordenaar. Torelli, die zich bedient van het kekke alias Torpedo, heeft niet veel boodschap aan een goed argument of een smeekbede. Hij luistert alleen naar zijn opdrachtgever, degene die hem achteraf betaalt. We hebben hier te maken met een gozer op wie je kunt bouwen.

De strip Torpedo, waarvan de eerste korte verhalen al verschenen in 1981, hebben veel weg van de films van Quentin Tarantino. Met name de iconische scene uit Pulp Fiction – What does Marsellus Wallace look like? – is er eentje die zo uit de strip afkomstig kan zijn. Torpedo’s ondervragingstechnieken zijn minstens zo direct en doeltreffend, al ziet het op het eerste oog gestileerder uit: de verhalen spelen in de jaren dertig, die van strakke pakken, borsalino’s en brillantine. Strak of niet, de cynische Torpedo is iemand die je liever niet tegenkomt. Eigenlijk is hij gewoon een onsympathieke klootzak.

De serie werd in de beginjaren tachtig bedacht door scenarist Enrique Sánchez Abulí. De eerste paar verhalen werden getekend door Alex Toth, maar al snel nam Jordi Bernet het van hem over. Bernets contrastrijke tekeningen in zwart-wit, die ook nog eens perfect van compositie zijn, passen naadloos bij de hard-boiled verhalen. Ruig, vuig en gluiperig.

De korte verhalen zijn meer dan losse scènes over gewelddadige afrekeningen en criminele praktijken: net als bij Tarantino zit er een humoristische laag in de verhalen die ze heel aantrekkelijk maakt. Torpedo is niet een man van veel woorden, maar vaak genoeg komt hij gevat en zelfs filosofisch uit de hoek. Zijn tegenstrevers zijn ook niet van gisteren en dat zorgt voor geestige dialogen.

Toegegeven, de verhalen van Torpedo zijn geen hogere kunst. Eerder is het lekkere pulp, dat nog eens wordt benadrukt door de snelle maar krachtige hand van Bernet. De pagina’s zijn ook in deze perfecte integrale uitgave lekker groezelig. Het lijkt zelfs alsof Bernet alleen maar koppen met karakter kan tekenen; er zit nooit een mindere tronie bij. En vooral: de korte verhalen lezen als een trein. Het is echt heerlijk om even in New York rond te spoken, tussen het geteisem in de steegjes, nachtclubs en op de rangeerterreinen aan de stadsrand.

Van de integrale reeks verschenen intussen twee delen, op een lekker formaat en in harde kaft. In totaal zullen er vijf delen verschijnen, waarmee alle zestig korte verhalen compleet gebundeld zijn. En dan zijn er nog plannen om de serie weer op te pakken en nieuwe afleveringen te maken. Helemaal geen gek idee. Zolang Silicianen zich heerlijk blijven misdragen is er genoeg voor nog eens vijf dikke albums. Een prima vooruitzicht.

Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2. HUM! 144 pagina’s, hardcover. € 17,95.