Strips & comics

Gelezen: Scratches 2

Wie zorgvuldig kijkt naar het aanbod van striptijdschriften in Nederland kan niet anders dan concluderen dat het helemaal niet slecht of karig is gesteld. Natuurlijk kunnen de oplagen hoger en zou het mooi zijn als er een diverser publiek wordt bereikt, maar toch: de veelzijdigheid is evident. Een kleine rondgang bewijst het: voor de klassieke (avonturen)strip zijn de Eppo en de dikke Stripglossy, liefhebbers van small press, curiosa en underground lezen Zone 5300 en sinds twee jaar is er het imposante, Engelstalige stripkunstperiodiek Scratches, waarvan tot op heden twee nummers verschenen.

Scratches, dat zich omschrijft als ‘the paper highway between artist and reader’, is wel degelijk van Nederlandse makelij. Achter het perfect vormgegeven tijdschrift gaan illustrator Joost Swarte en uitgever Hansje Joustra schuil: twee namen uit de hogere regionen van het beeldverhaal. In Scratches treft de avontuurlijke lezer spannend grafisch werk van Erik Kriek, Lukas Verstraete (die ook het omslag tekende) en Brecht Evens. Hoogtepunt is de bijdrage van Tobias Schalken, die met de strip The light of home overtuigend bewijst over een zeldzame vertelstem te beschikken.

Achterin het omslag is het unieke werk ingeplakt van Jochen Gerner, een Franse tekenaar die het meer dan wie ook verdient in het Nederlands uitgegeven te worden. Zijn werk is vaak ronduit bizar met niets te vergelijken. Neem bijvoorbeeld zijn album Panorama du froid / Icebergs, een boek vol met illustraties van locaties en gebouwen, zoals de Notre Dame, Trafalgar Square en Bahnhof Zoo, die zijn veranderd in ijsschotsen – en dus in wezen onherkenbaar.

De redactie, die zich laat souffleren door een heuse Scratches Academy met onder anderen Maus-tekenaar Art Spiegelman en vermaard stripjournalist Paul Gravett, zoekt het ook buiten de gebaande paden van het beeldverhaal: het grafische werk van Sami Ki, dat sterk leunt op architectuur, is een bijzondere ontdekking. Hetzelfde geldt voor de intense potloodillustraties van Ludwig Volbeda.

Mede dankzij enkele journalistieke bijdragen, bijvoorbeeld over Professor Pi van Bob van den Born en Frank King (Gasoline Alley), is Scratches in zijn wezen geslaagd: het slaat bruggen tussen beeldverhaal en gelijkgestemde kunstvormen.

Opvallend is dat met Scratches in Nederland ook in Frankrijk en België soortgelijke nieuwe tijdschriften verschenen. Bij de zuiderburen veranderde het tweemaandelijkse informatieblad Stripgids in een massief, halfjaarlijkse striptijdschrift met lange stripverhalen en puik journalistiek werk. In Frankrijk verschijnt sinds een jaar het uitvoerige Les Arts Dessinés, dat net als Scratches het beeldverhaal plaatst in een breder perspectief, naast beeldende kunst, architectuur, illustratie en grafiek. Dit is een positieve ontwikkeling die bijdraagt aan de waardering van het beeldverhaal als serieus medium.

Scratches 2. Uitgeverij Scratch, 112 pagina’s, € 30,00.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – Nooit

Het mooiste beeld uit Nooit verschijnt subiet aan het begin van het verhaal. Een oud vrouwtje geeft de planten water, met op de achtergrond een tuinhekje dat voor een deel boven een afgrond bungelt. Het omaatje heet Madeleine en is blind, haar tuin begeeft zich op het randje van een steeds verder afbrokkelende klif aan de Normandische kust. Achter dit cartooneske tafereel gaat een innemende en trieste geschiedenis schuil.

Madeleine woonde er jaren met haar grote liefde Jules, een schipper die alweer heel wat jaren geleden het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Hoewel ze nog bij de pinken is, heeft ze het verlies van haar man nooit werkelijk afgesloten. Nog iedere dag eet Madeleine samen met Jules en spreekt ze met hem de dagen door. Haar kater, een geweldige dikzak, is de gelukkige. Stiekem, alsof zijn bazinnetje het kan zien, eet hij het bordje van Jules leeg.

Binnenshuis heeft Madeleine de boel redelijk onder controle, het gevaar bevindt zich buiten. De klif waarop haar huisje staat kalft steeds verder af; de reden voor de burgemeester – verantwoordelijk voor het welbevinden van al zijn dorpsgenoten – om Madeleine met zachte dwang te verzoeken te verkassen. Want stel je voor. Maar Madeleine voelt daar helemaal niets voor. Zij gaat het huisje, met alle herinneringen, niet uit. Pertinent niet, en pas op: ze is tot de gekste dingen in staat. Ze blaast bij wijze van spreken nog liever de hele zooi op.

Uitgeverij Saga heeft vaak een gelukkige hand van kiezen uit het enorme Franstalige aanbod dat erom vraagt vertaald te worden. In hun collectie Bamboe zijn het vooral zachte, lievige verhalen over kleinmenselijk leed. Schattig met een twist, zoals de tweeluiken De adoptie en Te mooi om waar te zijn. Nooit van Duhamel hoort in dat rijtje thuis. Het verhaal van het stuurse, blinde oudje dat zich kranig verzet tegen een gedwongen verhuizing past perfect: een kleine geschiedenis rond gewone mensen.

Bruno Duhamel heeft gekozen voor een heel mooi kleurpalet, een kunststukje dat hij ook al flikte met zijn album De terugkeer, dat vorig jaar verscheen. In Nooit kiest hij voor zachte kleuren, niet per se Normandisch maar perfect bij de setting van het verhaal: het zijn de kleuren van bejaardenservies, van nachtponnen en Cornelis Jetses. Het zorgt ervoor dat de onverzettelijkheid van Madeleine en de urgentie van de verhuizing extra nadruk krijgt: een krachtig tegenwicht in de zachte omgeving.

Aan het slot van het verhaal is het tuinhekje er nog slechter aan toe. Het klif zal blijven afbrokkelen. Troost en herinnering vechten om voorrang. Nooit is niet zo gelaagd en scherp als De terugkeer, maar als kleine sprookgeschiedenis erg geslaagd.

Bruno Duhamel – Nooit. Saga Uitgaven. 64 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Cartoons 2018, Internationaal Cartoonfestival van Knokke-Heist

Zoals korte verhalen zich verhouden tot romans, zo is het in de stripwereld met de positie van cartoons gesteld. Natuurlijk houdt iedereen van cartoons, bijvoorbeeld die van Fokke en Sukke, of de politieke cartoons uit dagbladen en de New Yorker. Er is niets mis met de waardering ervan.

Maar anders dan vroeger worden cartoons tegenwoordig nog maar nauwelijks gebundeld uitgegeven, behalve de halfslachtige, melige themaboekjes die in de cadeauhoek van de boekhandel liggen. Misschien omdat cartoons gedoseerd geconsumeerd moeten worden, of vanwege de actualiteit, is het niet interessant om ze te bundelen. Het genre moet het vooral hebben van de losse glimlach en de dagelijkse dosis milde spot. Dat hoeft de lezer niet per se nog eens terug te lezen.

Een stadje in België houdt tegen de stroom in al 57 jaar moedig stand. Iedere zomer vindt in de kustplaats Knokke-Heist een internationaal cartoonfestival plaats, en ieder jaar verschijnt er een bloemlezing met de beste inzendingen van dat festival. Het festival heet het Internationaal Cartoonfestival en de bundeling noemt men Cartoons met het jaartal erachter. Helder. Het is een festival dat het gelukkig zonder jaarlijks thema doet. Er wordt niets aan de haren bijgesleept.

De bundel (en het festival) geeft een mooi overzicht van het werk van de mondiale cartoonistengemeenschap. In Cartoons 2018 staan de honderd genomineerde, tekstloze cartoons van dit jaar, door een vakjury gekozen uit bijna tweeduizend inzendingen. Want dat is het festival ook: een wedstrijd, met een gouden, zilveren en bronzen prijs. De winnaar krijgt de Gouden Hoed.

Hoewel er in de inleiding van Cartoons 2018 melding wordt gemaakt van 579 cartoonisten uit 74 landen, staan tussen de honderd uitverkorenen opvallend veel Iraniërs, onder wie de winnaar Saeed Sadeghi, en Turken; respectievelijk zeventien en twaalf. Verder tien Belgen en één Nederlander, Doede Okkema. De overige zestig komen inderdaad overal vandaan.

In Cartoons 2018 valt op dat er een bescheiden rol is weggelegd voor politici, voor de persoonlijke aanval. Hier en daar komt Erdogan langs, drie keer Trump en er is een (prijswinnende) Poetincartoon. De wereldpolitiek in het grotere geheel, voorbij de poppetjes, is een bron van inspiratie en vermaak. Zo gaat de aandacht uit naar de schimmige rol van multinationals en onvermijdelijke zaken als honger, geloof en gebrek aan compassie.

Het populairst in aantal zijn de cartoons over de sociale media: het verslavende van de mobiele telefoon, de afvlakkende fascinatie voor de schijnwereld van de schermpjes.
De cartoons daarover zijn leuk en gevat, maar ook voorspelbaar. Wellicht dat een betere dosering in de bundel een scherpere selectie had opgeleverd. Bovendien laat een brede waaier aan onderwerpen ook de veelzijdigheid van de hedendaagse cartoon zien. Nu wekt het de indruk dat voor de gemakkelijke weg is gekozen: wie heeft er geen mening over de doorgeschoten sociale media?

Wat mooi uitpakt is dat bij iedere cartoon wordt vermeld waar de maker vandaan komt. Onwillekeurig gaat de lezer daardoor op zoek naar typische, cultuurgebonden elementen, die dan bij nader beschouwing veel minder exotisch en uitgesproken zijn dan vooraf verondersteld. De Birmese cartoon die verhaalt over het probleem van bootvluchtelingen heeft niets Aziatisch: het slaat evengoed op de situatie in Zuid-Europa. En dan nog, ook een Braziliaan kan een mening hebben over de schrijnende situaties aan de Middellandse Zeekust. Ook vormtaal en kijkrichting blijken veel eenvormiger en minder cultureel bepaald. Dat zijn mooie ontdekkingen.

De bundeling laat zien dat de taal die cartoonisten spreken universeel is. Cartoons 2018 nodigt uit tot scherp kijken. Dat maakt het een frisse collectie met diepgang, engagement en zeggingskracht, waarbij het vermaak de beloning is.

Diverse auteurs – Cartoons 2018. Davidsfonds Uitgeverij, 120 pagina’s hardcover, € 17,99.

Het Cartoonfestival is te bezoeken van zaterdag 30 juni tot en met zondag 2 september 2018 in het strandpaviljoen ter hoogte van Heldenplein Heist, Knokke-Heist.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 8

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van Comics Krenten van het zomernummer.

De krenten gaan cross over deze keer en we beginnen bij games. In 1982 kwam het eerste deel van het spel SwordQuest uit, een Atari 2600-titel die niet alleen een game was maar ook een comic waarin het verhaal werd verteld en een deel van de puzzel werd ontrafeld. Drie episodes verschenen er en de vierde, Airworld, zou de afsluiting zijn.
Om het groots te vieren mochten spelfanaten zelf een einde aandragen: het werd een prijsvraag met als hoofdprijs een replica van het zwaard uit de comic. Helaas belandde Atari is zwaar weer en werd het vierde deel van de game nooit uitgebracht. Ook de prijsvraag werd geschrapt. Het zwaard werd een museumstuk dat af en toe te zien was op cons en exposities.

Nu is er een comic van Chad Bowers en Chris Sims (Dynamite, TPB, $19,95) die dit verhaal van Atari en SwordQuest vertelt. Peter Case is één van de fanatieke en teleurgestelde Atari-fans van toen die tevergeefs meedeed aan de prijsvraag. Peter is inmiddels een volwassen man met alle ongeluk van de wereld: ongeneeslijk ziek en ook nog eens zijn appartement in vlammen zien opgaan. Hij trekt in bij zijn moeder en vindt er zijn oude Atari terug. Dat brengt hem op een idee: hij wil nog één keer iets gaafs doen. Hij wil het zwaard bemachtigen, omdat hem die kans vroeger is ontnomen. Dát wordt zijn queeste.

Samen met twee vrienden van toen vinden ze het zwaard, waarmee iets aan de hand is. Het zorgt ervoor dat de drie stervelingen ineens echte helden worden. SwordQuest is een prima, pretentieloos verhaal, dat vooral interessant is vanwege de nerdy geschiedenis die erbij hoort.

Van games naar tekenfilm dan. Dick Dastardly en zijn domme hond Muttley zijn vooral bekend van Wacky Races en Stop the Pidgeon – en van het leipe lachje van Muttley uiteraard. Niet bepaald hoogdravend en dat is de nieuwe comicserie rond de twee ook niet, hoewel de realistische aanpak van tekenaar Mauricet je gemakkelijk op het verkeerde been zet. Toch wordt al snel duidelijk dat we hier niet met een intellectuele remake (DC, TPB, $19,99) te maken hebben.
Scenarist Garth Ennis knalt er lekker in met een boel slappe grappen. Het verhaal begint in het fictieve staatje Unliklistan waar de koning per ongeluk een kernreactor opblaast. De Amerikanen, met Dastardly en Muttley, gaan op onderzoek uit en worden getroffen door een onbekend fenomeen dat eruit ziet als een gekleurde wolk met onomatopeeën. Gevaarlijk? Niemand die het weet. Maar waar Muttley eerst nog een gewone viervoeter was, blijkt hij nu ineens een canis erectus te zijn: hij loopt op twee benen en praat. Ook gek, zeg.
En zo ontvouwt zich een grappig verhaal dat je als volgt kunt samenvatten: wie kun je waanzin het beste laten bestrijden dan de twee grootste mafketels zelf? War Pig One is gewaarschuwd.

Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Young Frances

Young Frances is Frances Scarland, een junior bedrijfsjurist die zoals veel van haar leeftijdsgenoten twijfelend en piekerend door het leven gaat. ’s Avonds kan ze de slaap niet vatten en ligt ze met opengesperde ogen naar het plafond te staren. Is dit het? Heb ik hiervoor gekozen?
Zou het hierbij blijven dan is de eerste graphic novel van Hartley Lin een typische sleutelroman over een jonge twintiger die zich verliest in haar eerste baan, het volwassen leven.

Maar Hartley Lin is niet de eerste de beste. Hoewel Young Frances zijn eerste volwaardige album is, gaat hij al een paar jaar mee in het alternatieve circuit van de Amerikaanse stripwereld. Onder zijn pseudoniem-anagram Ethan Riley publiceerde hij tot op heden vijf delen van zijn comic Pope Hats, waarvoor Lin al ruimschoots werd gelauwerd. Hij won een Doug Wright Award, een Ignatz Award en een Joe Shuster Award, en werd meermaals genomineerd voor de prestigieuze Eisner Award; stuk voor stuk stripprijzen waarmee je de aandacht opeist.

Young Frances is voorgepubliceerd in Pope Hats 2 tot en met 5. We leren Frances kennen als een harde werker en een tobber. Feitelijk leeft ze twee levens: van de leergierige en handig opererende jurist, die vaak te horen krijgt dat er voor haar een bright future in het verschiet ligt, maar die ’s avonds en in het weekend geen idee heeft hoe ze haar leven met haar werk kan verenigen.

Het helpt Frances ook niet werkelijk dat ze samenhokt met Vicky, een vrijgevochten, jonge actrice die feesten afschuimt op zoek naar werk en erkenning. Haar wereld en die van Frances staan mijlenver uitelkaar en iedere poging hun jeugdige vriendschap samen te vieren lijkt bij voorbaat mislukt. Frances is alle ontspanning kwijtgeraakt.

De discussies die de twee hebben zijn van wezenlijk belang voor het verhaal. Waar we onmiddellijk zien dat het leven van Vicky zich ophoudt in een holle schijnwereld, wordt dat van Frances nog deugdzaam en ideaal geportretteerd: hard werken en steeds verder klimmen is zoals het hoort. Zo voelt Frances het zelf ook, en juist daar gaat het mis. De scenes op haar werk, bij een juridische firma die geld ‘maakt’ door bedrijven leeg te trekken, geven de twijfel van Frances steeds meer kern: dit kán het toch niet zijn?

De gesprekken tussen Frances en Vicky worden wezenlijker als Vicky het succes vindt en naar de westkust verhuist. Daar is ze ineens de gevierde ster, maar overvalt haar de absolute leegte van alles. Ook zij botst tegen het echte leven op. Vicky wordt zoals Kevin, de succesacteur uit de televisieserie This is us (gespeeld door Justin Hartley, geen familie), die zich ook nadrukkelijk afkeert van het lege sterrendom.

De tekeningen van Lin zijn soepel en sprekend. De vergelijking met het werk van Adrian Tomine (Optic Nerve, Killing & Dying) ligt voor de hand, al is het werk van Lin minder statisch. Young Frances is zwart-wit, vanwege de oorspronkelijke verschijningsvorm in Pope Hats en ook voor deze gelegenheid niet ingekleurd. Dat had gekund; het werk leent zich voor een ingetogen kleurstelling, vooral om de werkelijkheid van het snelle geld af te kunnen zetten tegen het wereldbeeld van de twijfelende hoofdspersonen.

Met Young Frances heeft Lin zijn naam definitief gevestigd. Terecht: het is een graphic novel over vriendschap die lekker blijft hangen, vooral omdat de harde, onpersoonlijke maatschappij zo scherp wordt neergezet. Dat past naadloos in het huidige tijdsgewricht.

Hartley Lin – Young Frances. AdHouse Books, 144 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Kim Duchateau – Madelfried

In aanloop naar de Stripdagen Haarlem, het paradepaardje onder de stripfestival in Nederland dat dit jaar plaatsvond van 25 mei tot en met 3 juni, verschijnen altijd veel nieuwe strips. Nu zijn de Stripdagen eens per twee jaar en verschijnen er ook in de tussenjaren eind mei veel albums, maar toch: wie de beurzen in Haarlem bezoekt en niet op een euro hoeft te kijken, kan al gauw met twee rolkoffers nieuwe albums huiswaarts gaan. Het aanbod is overweldigend en voor buitenstaanders een openbaring: voor wie bijvoorbeeld denkt dat er in Nederland ongeveer evenveel dichtbundels verschijnen als strips gaat er een wereld open. (Ter info: in 2017 verschenen er meer dan 1650 Nederlandstalige striptitels)

Tussen alle nieuwe grafische romans, meerdeelse avonturenverhalen in harde kaft en luxueuze integrale heruitgaven viel de bundel Madelfried van de Vlaamse humorist Kim Duchateau niet meteen op. En ergens is dat logisch: Madelfried, de zelfverklaarde superheld die nergens zelfs maar een greintje van een held bezit, is geen grootse verschijning. Het iele konijn, nota bene als enige zwart-wit in een kleurenstrip, is nu eenmaal een antiheld, en zelfs dat valt nog te bezien: dat ís tenminste nog een held.

In Madelfried bundelde Kim Duchateau alle Madelfried-stroken die hij de afgelopen 23 jaar tekende en die verschenen in de kranten Het Belang van Limburg en Metro, en tijdschriften als de StripGlossy. Het is dus een onvervalste krantenstrip en zo leest de bundeling, met een lekkere, melige vaart waarbij het oppassen is voor een overdosis.

Vanwege de lange tijd ziet de oplettende lezer de stijl van Duchateau veranderen, wat overigens geen enkel bezwaar is omdat hij doorgaans al diverse stijlen beheerst en gebruikt. Onlangs nog verscheen de hilarische Nero-spinoff De zeven vloeken: een echt geestig verhaal rond de klassieke personages Nero, Adhemar, Madam Pheip, Petoetje en Petatje van Marc Sleen (1922-2016, een van de oervaders van de Vlaams strip).

Daarnaast tekent Duchateau de reeksen rond de sexy Esther Verkest en het zwaarmoedige brutaaltje Aldegonne. Al zijn werk wordt gekenmerkt door een frisse gekte. Het zit vol absurde wendingen, rare gesprekken en onnavolgbare grappen. Uiteraard neemt hij de wereld van de superheld op de hak, maar daarbij permitteert hij zoveel nonsens dat het daar nog nauwelijks over gaat. Iets redden of oplossen is er sowieso niet bij.

De stroken van Madelfried hebben soms iets van de meligheid van de Hollandse stripkat Heinz, vanwege hetzelfde zeurderige, stroperige tempo. Al vliegt het daarna bij Duchateau weer net zo gemakkelijk alle kanten op: de verhalen komen niet uit het brein van een one trick pony, zoveel is duidelijk. De stroken gaan dus vooral niet over superhelden, maar juist over alledaagse toestanden. Het is Madelfried die deze zaken als een superheld benadert, en daarin hopeloos faalt: een cape doet nog geen wonderen.

Madelfried heeft iets sneus, maar het zorgt er niet voor dat de lezer hem sympathiek gaat vinden. Hij is niet aaibaar of iemand die je ondanks zijn onhandigheidjes in de armen sluit. In dat opzicht werkt deze bundeling niet in Madelfrieds voordeel. Dat het er toch is, is desondanks een gelukje: het is een album dat je in gedoseerde hoeveelheden leest, en geniet.

Kim Duchateau – Madelfried. Oogachtend, 96 pagina’s, € 16,00.

Strips & comics

Gelezen: Étienne Davodeau – Lulu

Een vrouw besluit na het zoveelste sollicitatiegesprek en de zoveelste afwijzing dat het allemaal anders moet. Niet alleen het werk zit tegen, ook manlief is niet meer de sprankelende verschijning voor wie deze Lulu ooit viel: na twintig jaar huwelijk is er niet veel meer over. Hij drinkt, commandeert en heeft weinig op met het gezinsleven. Haar drie kinderen, een tienermeisje en twee grappige snuiters van een jaar of zes, zijn handenbinders. Al zou Lulu het roer willen omgooien, dan is dat geen gemakkelijke opgave.

En toch kiest ze voor een heel eenvoudige oplossing: ze smeert ‘m. Lulu belt naar huis dat ze niet thuiskomt en vertrekt naar de kust. Zonder auto, zonder koffer en zonder plan. Na twee dagen is ze haar telefoon kwijt en is het geld op. Paniek? Nee, Lulu ervaart voor het eerst een weldadige vrijheid. Weg van alle ingebakken en uitgesleten zaken die haar dagen vormgaven. Lulu raakt haar frons kwijt, er komt een glimlach voor terug.

Lulu van Étienne Davodeau is eigenlijk een kleine vertelling over een moedige vrouw die besluit eventjes voor zichzelf te kiezen. Niet voor altijd, daarvoor blijft ze te dichtbij huis. Sterker, ze verraadt vrij gemakkelijk waar ze ongeveer is waardoor ze een vriend de kans geeft haar op te sporen. Ook haar dochter weet haar uiteindelijk te vinden.

Dat de vertelling klein blijft, komt omdat Davodeau niet kiest voor eindeloos gepsychologiseer. Eigenlijk vermijdt hij dat steeds: Lulu vertelt haar verhaal aan meerdere personen, maar de lezer krijgt maar mondjesmaat mee wat ze zegt. Wat de lezer meebeleeft zijn haar wandelingen langs zee, het gehang op de boulevard en de babbeltjes met passanten en met de bejaarde Marthe bij wie ze in huis wordt uitgenodigd. Lulu hoeft niet te betalen: ze krijgt kost en inwoning in ruil voor haar levensverhaal.

Het fraaie zit in het tijdelijke. Lulu weet steeds dat het niet voor lang is: haar ontmoetingen zijn kort, de gesprekken die ze voert zijn voor even. Na verloop van tijd zal ze weer naar huis gaan. Wanneer? Dat weet ze niet. Ergens moet ze nog iets ontdekken, maar wat blijft in het midden.

De tekeningen van Davodeau zijn niet bijzonder en hebben een onbeholpen charme. De mensen zijn niet mooi, het kleurgebruik is niet opgewekt. Alles lijkt een beetje versleten en soms zelfs opgebruikt. Als de zon schijnt dan is het om te laten zien dat de ramen gewassen moeten worden, dat idee. De pagina’s zijn rustig en voelen het tempo van het verhaal goed aan. Lulu is geen diepgravende graphic novel, het verhaal is op het eenvoudige af. Maar wat het mooi maakt is het ontbreken van duiding: waarom is ze vertrokken? Wat wil ze vinden? Of anders gezegd: wat gaat er toch om in dat koppie? Haar vrienden vragen het zich af en de lezer ook. Dat maakt van Lulu een vertelling die heel dicht bij je blijft. Voor eventjes helemaal weg, wie denkt daar nooit eens over na?

Étienne Davodeau – Lulu (integraal). Microbe. 160 pagina’s, hardcover. € 49,95. Ook verkrijgbaar als twee losse delen van ieder 80 bladzijden, hardcover. € 18,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: David Chauvel & Tim McBurdie – Pinokkio

Pinokkio van het duo Chauvel en McBurnie is een vreemd album dat steeds weer blijft opduiken in mijn herinnering. Ik las het twee maanden geleden en sindsdien heb ik het nog een paar keer opgepakt en delen herlezen, vooral vanwege de veerkracht van het kleine houten ventje dat het niet gemakkelijk heeft. Deze Pinokkio is vertederend, op een heel eigen wijze.

David Chauvel bewerkte het oorspronkelijke verhaal uit 1883 van Carlo Collodi, de geestelijk vader van Pinokkio. Hij bleef daarbij heel dicht op het origineel en daardoor ontstaat iets grappigs: hele generaties zijn opgegroeid met de Pinokkio van Disney, een verhaal waarin het houten jongetje veel onverschrokkener is. De Pinokkio van Chauvel – en Collodi – is zijig en vooral simpel van ziel. Logisch ook, hij is van hout, maar toch. Ook Gepetto oogt niet als de vriendelijke oude man uit de Disneyfilm. Het is allemaal wat minder zoet.

Wat wel vergelijkbaar is (gebleven) is het moralistische toontje van het verhaal. Pinokkio is de ongehoorzame stouterik die steeds opnieuw de fout in gaat. Op tijd thuis zijn, hoor, en dan toch meegaan naar het bos. Netjes naar school, dan alsnog spijbelen. Pinokkio leert het nooit. Vanwege de herhaling van zetten en de toonzetting heeft het verhaal iets weg van Sjakie en de Chocoladefabriek: wie niet gehoorzaamt zal zijn billen branden. En dat terwijl Pinokkio zo graag een braaf jongetje wil zijn, met goede cijfers op school. Waren er maar niet zoveel verleidingen…

Wat goed uitpakt is dat het album leest als een toneelstuk. Dat ligt vooral aan de tekst, die van de grote gebaren is. Ook de vierde wand wordt regelmatig aangewend: dan spreekt Pinokkio de lezer rechtstreeks aan. Geestig en praktisch om de theatrale taal te duiden.

Het expressieve tekenwerk van de Australiër McBurnie draagt het verhaal; zijn zwierige lijnvoering en kleurgebruik maken dat het oogt als ‘de echte’ Pinokkio, vooral omdat het zo ver van Disney’s versie af staat. In 2009 verscheen al een vrijwel tekstloze en veel modernere Pinokkio van de hand van Winschluss; een vrije bewerking, die van de houten pop een grimmiger personage maakte, maar die grafische roman week op veel niveaus van het werk van Collodi af. McBurnies Pinokkio pretendeert veel meer het origineel te zijn.

Geslaagd? Jazeker. Deze ‘nieuwe’ Pinokkio is als figuurtje authentieker en daarmee wat onbeholpener: zijn zwakte is een zwakte, de wreedheden tegen hem worden niet op tijd verijdeld, zijn geen opstapje naar een levensles voor de kleine jongen. Pinokkio is onnozel en goedgelovig, en wordt daarvoor gestraft. Maar steeds krabbelt hij weer op, een beetje gelouterder. Die Pinokkio, dat guitige gastje, blijft je een behoorlijke tijd bij.

David Chauvel & Tim McBurnie – Pinokkio. Silvester. 80 blz., hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968

Je zou ze van marketingtrucjes verdenken, die striptekenaars die precies op het goede moment met een album komen dat naadloos aansluit op de actualiteit. We zagen het bij de stortvloed van albums rond het feestjaar van Jheronimus Bosch in 2016. Handig, want het lift gemakkelijk mee op de reuring die er toch al is.

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Parijs allerlei linkse studentengroepen in opstand kwamen tegen het conservatieve klimaat, De Gaulle en -vooruit- het kapitalisme in het algemeen. Reden voor het onafscheidelijke stripduo Warnauts en Raives om met een album te komen over de Parijse opstanden van 1968.

In Parijs, mei 1968 volgen we een groep van vijf twintigers die zich in het rumoer begeven. Onder hen een Amerikaan die met een werkbeurs voor de fotoacademie naar Parijs is gekomen. Tijdens de rellen maakt hij foto’s en wordt opgepakt, vanwege eigenhandig gefabriceerde bewijslast. Hij was erbij. Dat is de lijn van het verhaal: deze Jay wordt ondervraagd en zo lezen we een chronologische getuigenverklaring.

Deze verklaringen gaan maar voor een deel over de revolte. Er is naast halfslachtig actievoeren namelijk nog genoeg andere intrige binnen de groep: verliefdheid, achterdocht en spanningen in de familiekring. Het zorgt ervoor dat het verhaal hinkt op twee gedachten; het zwaartepunt ligt op het persoonlijke vlak. De entourage van het Parijse 1968 is niet wezenlijk van belang voor het verhaal. Het had ook het Noord-Ierse Derry van 1972 kunnen zijn, bijvoorbeeld. Of zelfs een niet politiek gemotiveerde tijd en locatie.

Ongelukkig is het bovendien dat de iconische beelden van de opstandige studenten, zoals we die uit de verhalen kennen, alleen zijn terug te zien in een aantal nagetekende foto’s die duidelijk afwijken van de rest van de strip. Daarbij wordt er door de personages en hun vriendenkring met enig misprijzen over de opstandelingen gesproken: ze zijn een afkooksel van zichzelf, er zitten niet werkelijk revolutionaire genieën tussen. Liever verspillen de vijf hun tijd en energie aan drugsgebruik, seks en hangen ze hooguit het vrije ideaal van het alles aan. Het maakt niet duidelijk waarom Warnauts en Raives zo nodig voor mei ’68 kozen.

Nog een vreemde keuze is dat de gebeurtenissen, die destijds overduidelijk een politieke lading hadden, volledig ondersneeuwen in het verhaal dat meer over persoonlijke levensvragen gaat: de jongeren staan aan het begin van hun maatschappelijke leven en weten het allemaal nog niet precies. Ook hier raken beide werelden, die van het verhaal en die van de opstand van de 68’ers, elkaar niet.

Pellen we het tijdsbeeld van het verhaal dan blijft er een summiere bildungsstrip over. Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat Woodstock plaatsvond. Misschien is dat een mooie gelegenheid om dit idee nog eens over te doen: hoe gek het ook mag klinken, dit verhaal was met meer politiek beslist interessanter geweest. Met de generatie ’68 heeft het niet veel van doen.

Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968. Le Lombard. 80 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2

Bijzonder eigenlijk. Het is not done om een Afrikaan neer te zetten als een luie donder met dikke lippen, een Aziaat als dociel en kleingeschapen, maar o wee als we aan de Italiaan komen. Die zien we toch het liefst zoals ze zijn: als meedogenloos maffialid dat zonder scrupules voor zijn eigen hachje kiest en er om die reden gerust een dubbele moraal op nahoudt. En Sicilianen, die zijn helemáál niet te vertrouwen.

Luca Torelli is zo’n heerlijke Siciliaanse smeerlap, die zijn geld verdient als huurmoordenaar. Torelli, die zich bedient van het kekke alias Torpedo, heeft niet veel boodschap aan een goed argument of een smeekbede. Hij luistert alleen naar zijn opdrachtgever, degene die hem achteraf betaalt. We hebben hier te maken met een gozer op wie je kunt bouwen.

De strip Torpedo, waarvan de eerste korte verhalen al verschenen in 1981, hebben veel weg van de films van Quentin Tarantino. Met name de iconische scene uit Pulp Fiction – What does Marsellus Wallace look like? – is er eentje die zo uit de strip afkomstig kan zijn. Torpedo’s ondervragingstechnieken zijn minstens zo direct en doeltreffend, al ziet het op het eerste oog gestileerder uit: de verhalen spelen in de jaren dertig, die van strakke pakken, borsalino’s en brillantine. Strak of niet, de cynische Torpedo is iemand die je liever niet tegenkomt. Eigenlijk is hij gewoon een onsympathieke klootzak.

De serie werd in de beginjaren tachtig bedacht door scenarist Enrique Sánchez Abulí. De eerste paar verhalen werden getekend door Alex Toth, maar al snel nam Jordi Bernet het van hem over. Bernets contrastrijke tekeningen in zwart-wit, die ook nog eens perfect van compositie zijn, passen naadloos bij de hard-boiled verhalen. Ruig, vuig en gluiperig.

De korte verhalen zijn meer dan losse scènes over gewelddadige afrekeningen en criminele praktijken: net als bij Tarantino zit er een humoristische laag in de verhalen die ze heel aantrekkelijk maakt. Torpedo is niet een man van veel woorden, maar vaak genoeg komt hij gevat en zelfs filosofisch uit de hoek. Zijn tegenstrevers zijn ook niet van gisteren en dat zorgt voor geestige dialogen.

Toegegeven, de verhalen van Torpedo zijn geen hogere kunst. Eerder is het lekkere pulp, dat nog eens wordt benadrukt door de snelle maar krachtige hand van Bernet. De pagina’s zijn ook in deze perfecte integrale uitgave lekker groezelig. Het lijkt zelfs alsof Bernet alleen maar koppen met karakter kan tekenen; er zit nooit een mindere tronie bij. En vooral: de korte verhalen lezen als een trein. Het is echt heerlijk om even in New York rond te spoken, tussen het geteisem in de steegjes, nachtclubs en op de rangeerterreinen aan de stadsrand.

Van de integrale reeks verschenen intussen twee delen, op een lekker formaat en in harde kaft. In totaal zullen er vijf delen verschijnen, waarmee alle zestig korte verhalen compleet gebundeld zijn. En dan zijn er nog plannen om de serie weer op te pakken en nieuwe afleveringen te maken. Helemaal geen gek idee. Zolang Silicianen zich heerlijk blijven misdragen is er genoeg voor nog eens vijf dikke albums. Een prima vooruitzicht.

Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2. HUM! 144 pagina’s, hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Benoit Springer & Zidrou – Wie laatst lacht

Dat je met een voorhamer meer kan doen dan palen in de grond slaan, blijkt al op pagina 1 van Wie laatst lacht, de strip-noir van Benoit Springer op scenario van Zidrou. In een bloederige openingsscène wordt iemand de hersens ingeslagen, achterop een pick-uptruck geladen en even later in een droge waterput gedonderd. Als je erachter wil komen wie het laatst lacht, dan is er in ieder geval één persoon van dat lijstje geschrapt. Hoewel…

De man met de hamer is Pep, een karakterloze struisvogelfokker, die zit ingeklemd tussen zijn opstandige stiefdochter van bijna achttien en haar moeder, die “het ook allemaal niet meer weet”. De sfeer op de afgelegen fokkerij is leeg en treurig. Toch weet Springer dit heel krachtig uit te beelden door een beperkt kleurpalet te gebruiken, met tinten in verschillende gradaties. De personen zijn van top tot teen in dezelfde kleur, tegen een eenkleurige achtergrond. Dat komt de beklemmende en agressieve sfeer ten goede, vooral omdat het bloedrood de enige kleur is die als het ware over de pagina’s is gelegd.

Pep heeft tabak van zijn leven, meer bepaald van zijn leven met zijn vrouw. In een laffe poging om daaraan te ontsnappen gooit hij het op een akkoordje met zijn stiefdochter, die met een onhandig idee komt om van haar moeder af te komen. In de uitwerking is Pep slordig, maar of het werkelijk zo is? De moordpartij aan het begin van het verhaal lijkt zelfs lucide. Als hij met bebloede handen thuiskomt, staat zijn vrouw gewoon in de keuken, met krulspelden en al. Het plan daarna is zo mogelijk nog chaotischer.

Het album heeft de grootte van een comic en is mooi verzorgd uitgegeven, met een harde kaft voorzien van gedrukte ouderdomssporen – een gimmick die vaak de plank misslaat, maar in dit geval heel tof uitpakt. Het verhaal telt iets meer dan vijftig pagina’s en wordt achterin aangevuld met een ‘grafisch katern’. Normaal gesproken is dat de plek voor wat schetswerk en andere eye candy; in dit geval is het een geïllustreerde liedtekst van Edmond Bouchaud uit 1908 die als inspiratie diende voor het verhaal. Dat gaat wat ver omdat het onvertaald is, maar de schetsen laten wel mooi zien hoe Springer gebruik maakt van zijn bronnenmateriaal: de auto’s uit het verhaal zijn keurig overgetrokken van plaatjes en foto’s.

Waar het begin van het verhaal nog even het idee geeft dat het een bloederige geschiedenis wordt, kantelt dat beeld al snel: er zit een mooie ondertoon van gekte in Wie laatst lacht. Broeierig en dwaas, met passende bijrollen voor de struisvogels van Pep.

Benoit Springer & Zidrou – Wie laatst lacht. Dupuis. 72 pagina’s hardcover. € 15,95.

Strips & comics

Gelezen: E.O. Plauen – Vater und Sohn

Vater und Sohn is een unieke krantenstrip uit het vooroorlogse Duitsland, die tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. Onlangs verscheen er een Engelstalige, complete bundeling bij de prestigieuze uitgeeftak van The New York Review of Books. De vader en zoon zijn twee verder naamloze figuurtjes die in vrijwel tekstloze paginaverhalen van drie tot negen plaatjes acteren: ze beleven de dagelijkse dingen, spelen met elkaar, plagen, gaan op avontuur. Met een beetje goede wil zou je het een pantomime-strip kunnen noemen.

De verhaaltjes verschenen oorspronkelijk tussen 1934 en ’37 in de Berliner Illustrierte Zeitung. Hun schepper Erich Ohser (1903-1944) verschool zich niet zonder reden achter het pseudoniem E.O. Plauen: vanwege kritiek op de nazi’s was hij begin jaren dertig terecht gekomen op een zwarte lijst. Als politiek tekenaar nam hij met venijnige spotprenten nadrukkelijk stelling tegen de bruine ideologie. Daarna keerde hij in het geniep terug als E.O. Plauen: die naam stelde hij samen uit zijn initialen en de plaats waar hij opgroeide. In 1944 werd hij opnieuw opgepakt. Hij pleegde zelfmoord op de dag voor zijn berechting.

In Vater und Sohn is niets van politiek terug te vinden, zelfs niet heel impliciet of goed verstopt tussen de plaatjes. De stripjes bestaan uit charmante, gestileerde tekeningen die meer op kiekjes lijken dan op stripplaatjes: Plauen maakt grote sprongen in de sequentie, alles wordt teruggebracht tot de kern. Niet zelden gaat dat ten koste van het begrip. Dan is er zoveel weggelaten dat nog maar met moeite te achterhalen is waar het over gaat.

Toch hoort dat allemaal bij de bekoring en waardering van de strip. De artikelen die over Vater und Sohn zijn geschreven -en dat zijn er nogal wat- plaatsen de verhaaltjes vooral in de tijd: voor veel lezers waren de fratsen van de vader en zoon een manier om even te ontsnappen aan de grimmige sfeer in het Duitsland van de jaren dertig.

De verhaaltjes gaan van alledaags naar avontuurlijk: over een onbewoonde eiland, paardjerijden en pijp roken. De twee gaan naar het museum, het bos en naar de speeltuin. Ze bouwen een boot, beginnen een uitvindersbureau en vooral zoeken ze samen naar slimme oplossingen voor alledaagse probleempjes. Vater und Sohn is eigenlijk geminimaliseerde slapstick, waarin vader de rol van Oliver Hardy speelt: hij delft regelmatig het onderspit, waarna zoon een pak op zijn broek krijgt. Maar altijd is het lief en geestig. En eerlijk: in het licht van de geschiedenis is de laatste aflevering van Vater und Sohn, waarbij ze hand in hand weglopen en de lezer gedag zeggen, adembenemend.

In Duitsland zijn de twee wereldberoemd: al in 1962 werden ze bekroond als de populairste grappenmakers van Duitsland; er is een Vater und Sohn-musical en vorig jaar verschenen ze zelfs op stoplichten, zoals de Mainzelmänchen in Mainz: in Plauen, onder Leipzig, zijn de voetgangersstoplichten voorzien van de vader en de zoon.

De achtergrond van de tekenaar en de tijd waarin de verhaaltjes verschenen, zullen hebben meegespeeld bij de plek die de strip in de geschiedenis heeft gekregen, maar dat verklaart maar ten dele dat de strip meer dan tachtig jaar na dato nog steeds tot de verbeelding spreekt. Wie de strips leest, ziet een prachtige balans tussen illustratie en verhaal. In de talloze artikelen over Plauen, die nog steeds verschijnen, is men er nooit in geslaagd een soortgelijke strip te vinden. Alleen al vanwege die unieke positie is het werkelijk de moeite waard om Vater und Sohn te lezen. De dikke Engelstalige oblong-uitgave, voorzien van een uitgebreide duiding als uitgeleide, bewijst dat nog eens.

E.O. Plauen – Father and Son. The New York Review of Books. 312 pagina’s € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet

Iedereen kent Paulus. De avonturen van de kleine boskabouter horen bij Nederland als hagelslag, schaatsen en het bloemencorso. Hij is onvergetelijk, maar nog mooier is dat zijn avonturen nog steeds in boekvorm verschijnen. Uitgeverij De Meulder houdt zich intussen al veertig jaar bezig met het bezorgen van schitterende boeken rond ’s Neerlands beroemdste kabouter. Onlangs verscheen deel 14 uit de reeks ‘Gouden klassiekers’, Paulus en Poetepoet.

De Gouden klassiekers zijn losse verhalen, die Jean Dulieu zelf schreef en van illustraties voorzag. De reeks is pico bello bezorgd door Uitgeverij de Meulder, die als Paulus-autoriteit kan beschikken over het Archief Jean Dulieu, dat voorheen bekend was onder de aandoenlijke naam Paulus Archief. Het is de grootste collectie met werken van Jean Dulieu (Jan van Oort, 1921-2006).

Poetepoet is een typisch Dulieu-beertje dat op een dag het bos van Paulus binnenwandelt. Poetepoet is één en al goedheid en heerlijk naief en zo maakt het snel vriendjes met ongeveer iedereen in het bos, behalve natuurlijk met de heks Eucalypta. Zij is juist voornemens om de schattige beer te betoveren in een monster. Dat het Eucalypta niet lukt, is evident: iedereen keert zich tegen haar snode inborst en met de hulp van Poetema en Moetema, de ouders van Poetepoet, maar vooral door muisje Piep, komt alles op zijn berenpootjes terecht.

Het verhaal is voor kinderen, dat moge duidelijk zijn. Maar zoals iedereen al op zijn klompen aanvoelt, is ieder Paulusverhaal eigenlijk ook voor grote kinderen. In het geval van de Gouden klassiekers is extra aan de oudere lezer gedacht: achter in ieder deel is een dossier te vinden, met niet eerder gepubliceerde tekeningen, aquarellen, achtergrondinformatie en schetsen.

Naast de gewone handelseditie is er van iedere Gouden klassieker ook een beurseditie beschikbaar: vrijwel identiek, maar met een aflopende illustratie op het omslag en een veel uitgebreider dossier achterin. In het geval van de Poetepoet-editie zijn er nog twee korte verhalen met het beertje opgenomen. Voor de liefhebber, zoals dat heet, maar eigenlijk voor iedereen die zich weer eens wil verkneukelen bij een oud Paulusverhaal, zoals die met schipper Makreel, Joris het vispaard of Salomo.

De meeste Paulusverhalen uit de Gouden klassieker-reeks zijn nog altijd even leuk. Zeker, Paulus is gedateerd, maar op een voordelige manier: niemand zou willen dat Paulus verandert. De rustige vertelstem, met veel omhaal van woorden, draagt onmiskenbaar bij aan de waardering van Dulieu’s werk. Voor mensen die opgroeiden met Paulus is dat een belangrijk onderdeel van de magie. Het ademt vroeger.

Maar toch: ook kinderen van nu die de verhalen voorgelezen krijgen, voelen zich meteen vertrouwd met Paulus, Eucalypta, Oehoeroeboeroe en Gregorius. Dat heeft te maken met de sfeer; die van het bos waar kabouters en beesten wonen. Daar praten ze zo, het heeft niets met ouderdom van de verhalen te maken.

Alleen, met z’n tweeën of desnoods voor een hele kinderschare: Paulusverhalen zijn om van te genieten. Nog steeds. Het lieflijke verhaal van Poetepoet is een mooi vertrekpunt.

Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet (Gouden klassiekers 14). Uitgeverij De Meulder, Assen. 72 pagina’s € 17,50 (handelseditie) en € 22,50 (beurseditie, oplage 150).

Strips & comics

Gelezen: Aimee de Jongh – Snippers 9: De eindstreep

Tussen januari 2012 en juli 2017 verscheen de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh in treinkrant Metro. Vorig jaar maakte De Jongh bekend te stoppen met de dagboekserie over Aimée en haar huisgenoot Stef. Een moedige beslissing; weinig striptekenaars zullen de financiële zekerheid inleveren voor iets onbestemds, vooral als het ook nog eens een erg leuke en populaire strip is. Op donderdag 20 juli verscheen de laatste strook, waarin Aimée de metro uitstapt en met een koffertje in de hand de roltrap neemt: “Er is nog zoveel meer te ontdekken en daar heb ik zin in. Daarom gaan we, op zoek naar een nieuw avontuur.”

In het geval van Aimée de Jongh (1988) is het nieuwe avontuur haar tweede graphic novel die in mei van dit jaar, tijdens de Stripdagen van Haarlem, verschijnt; Bloesems in de herfst. Dit album maakte ze samen met scenarist Zidrou (Wie laatst lacht, De adoptie en het prachtige Lydie). Haar eerste graphic novel, De terugkeer van de wespendief, verscheen in veel vertalingen en werd verfilmd. Beide boeken zijn van een heel ander kaliber dan Snippers.

De eindstreep, deel 9 van de serie, is een dikkerd. Niet 48 pagina’s, zoals gebruikelijk, maar 64 pagina’s met stroken van de laatste anderhalf jaar, aangevuld met een geestige ‘Life after Snippers’ waarin De Jongh vertelt over de afkickverschijnselen van een dagelijkse strookstrip.

Een dagstrip trakteert de lezer elke dag op een glimlach, iets herkenbaars of op een knappe actuele inhaker. Snippers had het allemaal, en was bovendien slim geconstrueerd: Aimée en haar huisgenoot Stef waren een handig koppel om veel verhalen aan op te hangen. De ene licht-chaotisch en driftig, de ander voortdurend zogenaamd rotsvast en logisch. De grappen zijn soms plagerig, maar altijd herkenbaar en kleinmenselijk. Wie heeft er niet gevloekt op de trein? Wie heeft er geen mening over hipsterkoffie?

Niet altijd zijn dagbladstrips leuk om in een album te lezen: teveel achter elkaar legt vaak structuurtjes bloot en laat zien dat er uit dezelfde vaatjes wordt getapt. Dat is bij Snippers niet anders, maar toch stoort het niet. Leuk wordt het vooral als je de running gags, die je voorheen misschien gemist had, ineens ziet. Bij Snippers heten veel bijfiguren Willem, dat idee. Zo zit De eindstreep vol met kleine bijgein.

Er is niets mis met terugkijken, maar liever was deze recensie niet in de verleden tijd geschreven. Snippers is vertrokken, wat gelukkig is gebleven zijn negen albums, waarvan de laatste zelfs instaplezers kan overhalen de eerdere delen ook aan te schaffen, of in ieder geval te lezen.

Aimée de Jongh – Snippers 9: De eindstreep, uitgeverij L, 64 pagina’s, € 8,95.

Strips & comics

Gelezen: Annie Goetzinger – Meisje in Dior

Biografische strips zijn van een apart slag. Meer accuraat dan spannend, eerder vertellend dan meeslepend. Als de auteur zich puur richt op geschiedschrijving verschilt een biografie nauwelijks van een biografische strip. Annie Goetzinger, de Franse strip- en modetekenaar die afgelopen december op 66-jarige leeftijd overleed, heeft wat dat betreft een slimme keuze gemaakt met ene biografie over mode-icoon Christian Dior: het geeft haar de gelegenheid ’s mans werk te laten zien, in mooie, kleurrijke pagina’s.

Meisje in Dior is het flinterdunne verhaal over de jonge modejournalist Clara, die uiteindelijk als mannequin op de catwalk van het befaamde modehuis belandt. Het geeft Goetzinger alle gelegenheid om te schijnen: de lange avondjurken waarmee Dior (1905 – 1957) grote faam verwierf in de jaren veertig, en waarmee hij de Amerikaanse modewereld na veel tegenwerking overtuigde, worden in al hun glorie getoond. Deze stripbiografie bewijst daarmee haar nut. Praten over haute couture is een stuk oninteressanter, zeker voor de betrekkelijke leek.

Goetzinger heeft zich terdege gedocumenteerd. De ensembles en jurken zijn exact. Achter in het album is een dossier opgenomen met een biografische tijdlijn en een groot aantal mooi uitgewerkte mode-illustraties.

Meisje in Dior is geen uitmuntend verhaal. Daarvoor is alles te clichématig opgezet en uitgewerkt. Clara is het klassieke personage: de jonge vrouw van eenvoudiger komaf die bij toeval in de jet set belandt. Toch is dit geen groot bezwaar, al meteen is duidelijk dat het verhaal niet leunt op intriges of spanningsbogen.

Wel jammer is dat Christian Dior vrij vlak en zouteloos overkomt. Hij schuifelt en smiespelt maar wat rond, maakt intussen wat krabbeltjes en beziet alles met een flauwe oogopslag. Meisje in Dior is duidelijk niet op de persoon geschreven: het gaat hier om zijn werk, zijn creaties. Eigenlijk wil Goetzinger vooral laten zien hoe bedreven ze is in het uitwerken van haute couture, en daar is niets mis mee. Meisje in Dior is feitelijk een bloemlezing, nauwelijks een biografie.

Wat stripbiografieën vaak de moeite waard maakt zijn de inkijkjes in de psyche van de hoofdpersoon. Goede voorbeelden zijn Alain Passard, de wereld van een meesterchef door Christophe Blain en Audubon, On the wings of the world van Fabien Grolleau en Jérémie Royer.

Die laatste is in het bijzonder zeer de moeite waard: kunstschilder en onderzoeker John James Audubon (1785-1851) is onder vogelaars en natuurvorsers beroemd vanwege zijn grillige en buitensporige vogelplaten die hij maakte en die verschenen in het prachtige overzichtswerk The Birds of America.
Audubon, On the wings of the world is een schitterend verhaal over een bevlogen genie die zijn leven in dienst stelde van een meesterproef: alle vogels van het continent vastleggen. In 2010 werd een compleet exemplaar van The Birds of America geveild voor 11,5 miljoen dollar. Over iemand met zo’n nalatenschap en impact wíl je alles weten.

Goetzinger koos voor een andere route: wie meer over Dior wil weten, kan terecht bij een overvloed aan biografieën. Wie de tijdgeest, de sfeer en de reuring wil proeven, heeft met Meisje in Dior een vriendelijk en interessant album in handen.

Annie Goetzinger – Meisje in Dior. Blloan, Antwerpen. 128 pagina’s hardcover. € 24,95.