Strips & comics

Gelezen: Christophe Simon & Jean van Hamme – Kivu

Een auteur die de Nobelprijs ontvangt, het is de droom van iedere uitgever: het zorgt voor aandacht en belangrijker nog, voor veel extra omzet. Dit jaar werd er geen Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt, maar viel wel een strip met de neus in de boter. In het album Kivu van tekenaar Christophe Simon en scenarist Jean van Hamme, dat afgelopen week verscheen, speelt kersvers Nobelprijswinnaar Denis Mukwege een belangrijke rol. Hij kreeg de meest vooraanstaande vredesprijs voor zijn werk als vrouwenarts in de door stammenoorlogen verscheurde Democratische Republiek Congo.

De hoofdrol in het album is voor de jonge ingenieur Francois Daans, werkzaam bij een multinational die actief is in Centraal-Afrika. Daans wordt verzocht een opvolger te vinden voor een vermoorde contactpersoon en beland zonder omhaal in een smerige zaak. Hij verblijft in de provincie Kivu, waar hij met behulp van een netwerkmannetje zijn taak moet volbrengen: een wrede warlord overtuigen om mineralen aan het fictieve handelshuis Metalurco te gaan leveren.

Daans maakt van dichtbij mee hoe mensen worden uitgebuit. Hij ziet verminkte slachtoffers en hoort over moordpartijen en rooftochten. Daans raakt er persoonlijk bij betrokken als hij de twaalfjarige Violette onder zijn hoede neemt, die even daarvoor is aangereden. Van haar hoort hij over de gruweldaden en ontdekt hij dat zijn aanwezigheid een belangrijke reden is voor het in stand houden van de gewelddadigheden: blanke westerlingen zijn er voor de grondstoffen en zolang zij goed betalen, zullen groepen elkaar naar het leven staan en om de macht strijden.

Volgens de auteurs, die aan het woord komen achterin het album, is dit een verhaal dat verteld móet worden, vanwege de urgentie van het probleem en de ernst van de situatie. Dat krijgt nu een flinke zet. Door de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan Denis Mukwege wordt er ineens voluit over gesproken en krijgen we te horen en te zien wat er al die jaren al mis is in Centraal-Afrika.

De reflex is herkenbaar. Politici en betrokkenen uit het veld verdringen zich aan de praattafels om te vertellen hoe bijzonder deze man is en met hoeveel toewijding hij honderden -nee, duizenden- vrouwen helpt. De argeloze televisiekijker zou zich kunnen afvragen waarom deze mensen zo lang hebben gewacht om ons over Mukwege en de situatie aldaar te vertellen, en waarom er niets aan wordt gedaan.

In het album Kivu wordt in de eerste pagina’s en belangrijke reden uit de doeken gedaan: het westen profiteert al jaren van de chaos door via allerlei tussenpersonen en warlords de handel in het mineraal coltan te regelen. Het mineraal, dat in de provincie Kivu en het aangrenzende Rwanda wordt gedolven, is van essentieel belang voor de productie van onder meer consumentenelectronica.

Dit westerse dubbelspel is het uitgangspunt van het album en werpt daarmee een ander licht op de situatie. Mukwege krijgt een prijs en wordt bewierookt door door instanties en politici die niet bij machte zijn de handel in mineralen – de oorzaak van alle ellende – buiten stuitende oorlogshandelingen te houden. In Kivu zijn met name de top van Metalurco en de louche tussenpersoon Peter de Bruyne vreselijk cynisch en achterbaks. Het maakt van Francois Daans een naïeve jongeling, die even in de mores van Afrika moet worden ingewijd. Vaak krijgt hij te horen ‘dat het hier nu eenmaal zo werkt’. Je verzetten tegen onrecht wordt afgedaan als dom, contraproductief en niet in het belang van het bedrijf. Maar vooral: een mensenleven is werkelijk niets waard. Wie macht heeft, beschikt.

Als verhaal hinkt Kivu op twee gedachten: enerzijds is het de strijd van een eenling tegen de verscheurende machten die gelden in grote delen van Afrika, tegelijkertijd willen de auteurs laten zien wat er gaande is: de politieke situatie en de brute werkelijkheid wordt uitvoerig en minutieus beschreven en uitgebeeld. Die twee kanten wrijven. De persoonlijke strijd van Daans en Violette leest als een avontuur, de entourage waarbinnen dit zich afspeelt is een wrede verslaglegging van de huidige situatie. Achtervolgingen per jeep worden afgewisseld met grondig gedocumenteerd journalistiek werk. Het kan, maar de spannende passages verhouden zich tot de werkelijkheid als The A-team tot het NOS-journaal.

Er is nauwelijks een spoortje menselijkheid te vinden, behalve in Bukavu: in zijn Panzi-ziekenhuis opereert Denis Mukwege verkrachte en verminkte vrouwen, en helpt hij ze op weg. In het verhaal, dat leest als een stortvloed aan ellende, onrecht en wreedheden, is Mukwege een baken van onverzettelijkheid en is zijn ommuurde ziekenhuis letterlijk het laatste toevluchtsoord voor Congolezen die het geweld willen ontvluchten. Dat deze bijzondere arts nu de Nobelprijs voor de Vrede heeft gewonnen, maakt het verhaal nog dwingender en krachtiger. Kivu van Simon en Van Hamme is een hard relaas, je zou wensen dat de Nobelprijs alles kan veranderen.

Kivu – Christophe Simon & Jean van Hamme. Lombard. 72 pagina’s, hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Dirk-Jan Hoek – De Hemingway Triatlon

Schrijver Ernest Hemingway (1899-1961) was het toonbeeld van de stoere man. Hij was succesvol in alles, bewierookt en aanbeden, en -vast daarom- behept met een behoorlijke dosis weerbarstigheid, die werd versterkt door zijn drankzucht. Een prima personage voor een stripbewerking, moet de Nederlandse graphic novelist Dirk-Jan Hoek hebben gedacht.

In De Hemingway Triatlon, dat onlangs verscheen, beschrijft hij een fase uit het leven van de Nobelprijswinnaar, waarin het allemaal niet meer op rolletjes loopt en de neergang lijkt ingezet.

Het is 1956 en Hemingway zit op Cuba zijn tijd te verdoen. Hij kampt met een gigantisch writers block, wat mooi in beeld wordt gebracht door Hoek. In rustige en ruim opgezette, zwart witte pagina’s zet hij de sleur uiteen. De schrijver staart, zucht, is snel afgeleid en vindt het al te snel mooi geweest. Dan volgt het eerste glas en de rest van de dag is hij niet te genieten.

Zijn laatste roman, Across the River and into the Trees uit 1950, kreeg slechte kritieken (‘een potsierlijk wangedrocht’) en in de nasleep van die deceptie verspeelt Hemingway veel krediet: Hij vertoont zich minder in het openbaar en is onberekenbaar en humeurig. In een treffende scene beschrijft Hoek een ontmoeting tussen Hemingway en zijn uitgever, Charles Scribner. ‘Als je erop staat, dan geven we het uit. Het blijft een Hemingway, verkopen zal het wel,’ meldt de uitgever droogjes, om er zonder omhaal aan toe te voegen dat de schrijver zich beter alvast voorbereidt op de stevige mening van de critici. Over vertrouwen gesproken.

Terwijl Hemingway daarna zijn agressie tempert met veel sterke drank, ontmoet hij de eigenaardige George Adams, een dwingende charlatan die de schrijver goede recensies belooft. Hij hoeft zich hoegenaamd geen zorgen te maken over zijn nieuwe roman, deze Adams zal het wel regelen. Zomaar? Niet helemaal, Adams wil zijn levensverhaal uitgeven en Hemingway moet het schrijven.

Wat volgt is een vrij lange ontwikkeling tussen de twee: Hemingway vertrouwt Adams niet, dan laat hij hem weer toe, toch niet, et cetera. De wispelturigheid van Hemingway en het vreemde gedrag van Adams komt het verhaal na hun ontmoeting niet bepaald ten goede: het is op z’n best een paringsdans van twee vreemde vogels, die elkaars bedoelingen misverstaan.

Hoek beeldt Hemingway uit als een tragische figuur: een krachteloze, impotente macho met een drankprobleem, die zijn gevoel voor decorum langzaam maar zeker verliest. Zijn openbare dronkenschap heeft iets betreurenswaardigs (‘Wat een rare man! Hij lijkt op Ernest Hemingway!’) behalve als hij zich met zijn vrienden waagt aan de traditionele Hemingway Triatlon: jagen, zuipen en neuken. Dan manifesteert hij zich als de mannetjesputter van weleer, al is hij zijn jagersinstinct kwijt en weet hij zich geen raad met de dame van plezier met wie hij voor de vorm naar bed gaat. De impotentie van Hemingway wordt kolderiek uitgewerkt in het album: een beteuterde Hemingway voelt zuchtend in zijn broek en de bedscene tijdens de triatlon wordt luidruchtig gefaket.

De Hemingway Triatlon leest vlot. Hoek kan echt vertellen, schrijft invoelende dialogen en houdt de lezer goed vast. Het zorgt ervoor dat er niet veel tijd is om je te verwonderen over de soms vreemde perspectieven, houdingen en gezichtsuitdrukkingen. Waar Hoeks tekeningen aanvankelijk nog lijken op het werk van James Sturm (Golem’s Mighty Swing en America), met dezelfde trefzekere en spaarzame penvoering, en Erik Varekamps klare lijn, veranderen ze langzaam in de streperige en schetsmatige aanpak van Phillipe Dupuy (Haunted en Get a life). Zou hij die zoekende stijl verpakken in de vertelling zelf, bijvoorbeeld als onderscheid tussen vertelheden en flashback, dan had het beslist een mooie uitwerking op het geheel gehad.

Als Hemingway uiteindelijk opkrabbelt en weer aan het schrijven gaat, geïnspireerd door zijn oude dagboeken die hij terugvindt, schrijft hij A moveable feast over zijn jonge jaren in Parijs. Het boek verschijnt postuum en krijgt lovende kritieken. Daar eindigt het album. De lezer die het vervolgens dichtslaat, leest een treffende citaat van Hemingway op het voorplat: ‘De mens is niet gemaakt voor de nederlaag. Je kunt iemand kapotmaken, maar niet verslaan.’

Dirk-Jan Hoek – De Hemingway Triatlon. Sherpa. 160 pagina’s, hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Joann Sfar – De kat van de rabbijn 7: De toren van Bab-El-Oued

De kat van de rabbijn van de Franse vlugtekenaar Joann Sfar is een wonderlijke stripserie. Van de zeven albums die in het Nederlands verschenen, is een aantal de moeite werkelijk niet waard terwijl andere delen zijn juist geweldig goed zijn. Het zevende deel dat deze maand verscheen hoort gelukkig bij de goede groep. Sterker nog, De toren van Bab-El-Oued is het beste album uit de hele reeks tot nu toe. Zelden zo hard om religie gelachen.

In het kort: ongeveer honderd jaar geleden woonde er een Sefardische rabbijn in Algerije, samen met zijn dochter Zlabya, een papegaai en een kat. Als op een dag de kat de papegaai opeet, kan hij praten. Zijn eerste woorden zijn ‘ik heb de papegaai niet opgegeten’. De rabbijn is uiteraard niet bepaald gelukkig met de dood van zijn papegaai en daarom straft hij de tengere, grijsblauwe kat: hij moet vanaf dan de Thora bestuderen om een goede Joodse kat te worden. Deze toestand vond plaats in deel 1 van de serie, Het bar mitswa, en sindsdien is de kat de verteller van de verhalen.

De toren van Bab-El-Oued (die op de rug en het achterplat Bal-El-Oued heet) is opgebouwd uit allerlei parabels en vertellingen. Zo is de kat het gevlij van twee babypoesjes meer dan zat en probeert hij ze tevergeefs het huis uit te werken, maar erger is de overstroming die de moskee onder water heeft gezet. De imam gaat bij de rabbijn op de thee met het voorstel om samen te bidden in de sjoel, voor zolang het duurt. De verbale wegwerpgebaren van de kat zijn geweldig. Allah en Jahweh spelen nu eenmaal niet in hetzelfde team. Als de rabbijn hem antwoordt dat het niet zijn werk is om de mensen te vertellen wie God is, vindt de kat het al te gek: waar betalen ze de rabbijn dan voor?

Volgens de kat is letterlijk het enige nut van een religie dat die je soms het recht geeft tegen je buurman te zeggen dat hij moet opzouten. En zo probeert de kat met een religieus omweggetje alsnog die verdomde rotpoesjes uit zijn huis te krijgen. Over opportunisme gesproken.

Uiteindelijk gaan de rabbijn en de imam zelfs nog bij de Christelijke pastoor langs, om de zaak vlot te trekken: misschien zijn er meer overeenkomsten tussen drie geloven dan twee. Alle exegese ten spijt ontaardt het in een geweldige heisa, waarbij men zelfs vreest voor een zondvloed, vooral omdat ineens ook de synagoge is ondergelopen. De zaak escaleert volledig als er ruzie uitbreekt op de bijeenkomst van Joden en moslims die niet samen willen bidden.

Joann Sfar heeft meer strips getekend over joods-religieuze onderwerpen, waaronder het one-shot Klezmer en het prachtige drieluik Zwarte olijven, maar het bekendst is hij van zijn avonturenstrips Donjon, Kleine Vampier en Grote Vampier. Zijn tekenstijl is uit duizenden te herkennen: schetsmatig, ruig, snel en trefzeker. Hij lijkt altijd haast te hebben. Gelukkig vond hij voor het verhaal van De toren van Bab-El-Oued tijd om er echt iets moois van te maken. Deel 7 van De kat van de rabbijn is een strip die alle goede vragen stelt over de positie van het geloof in de samenleving. Tenminste, die van het goede geloof. De samenleving van het andere geloof zoekt het zelf maar uit. Pienter beestje, die kat.

Joann Sfar – De kat van de rabbijn 7: De toren van Bab-El-Oued. Dargaud. 84 pagina’s, hardcover. € 15,95.

Strips & comics

Gelezen: Fabrizio Faina, Mauro Salvatori & Christophe Bec – De verloren wereld (naar de roman van Arthur Conan Doyle)

Sommige verhalen verliezen nooit aan kracht. Driejarigen kunnen honderd keer hetzelfde filmpje van Barbapapa zien en er nog steeds even enthousiast over zijn, volwassenen hebben feitelijk hetzelfde met de echte klassieke avonturenverhalen zoals bijvoorbeeld The Lost World van Arthur Conan Doyle. Onlangs verschenen de eerste twee delen van het drieluik De verloren wereld, een stripbewerking gebaseerd op het boek van Doyle. Het verhaal uit 1912 wordt gerekend tot de klassiekers uit de wereldliteratuur, of toch op z’n minst in het genre van de science fiction avonturenverhalen. Het verscheen in allerlei jeugdboekenreeksen en werd meermaals verfilmd: vijf keer tussen 1925 en nu. Lost World werd ook nog als een televisieserie bewerkt, er is een comicreeks, een board game en de BBC maakte er in de jaren veertig een hoorspel van. Met recht een evergreen.

Het verhaalgegeven mag kortom als bekend worden verondersteld. Toch snel: twee rivaliserende wetenschappers, de professoren Challenger en Summerlee, willen naar de Zuid-Amerikaanse Amazone om onderzoek te doen naar een plateau waar volgens Challenger dino’s leven. Zij nemen Lord Roxton mee, die het gebied goed kent en als gids dient. Ook journalist Ned Malone gaat mee. Hij is verwikkeld in een liefdesaffaire met een jongedame die hem afschilderd als weinig avontuurlijk: het is de reden dat hij zich laat overhalen en zich bij het drietal aansluit.

Na een barre tocht vinden ze het plateau en doen ze belangrijke ontdekkingen. Helaas wordt de hele reis gesaboteerd waarna de heren geen kant meer op kunnen. Het tweede deel van het drieluik van de tekenaars Faina en Salvatori, op scenario van Bec, stopt hier. Het afsluitende derde deel, dat eind van dit jaar verschijnt, zal alle antwoorden geven: komen de heren nog thuis? Worden zij geloofd? Wat gaat er met de dino’s gebeuren? En trouwt Ned Malone met zijn veeleisende meisje?

Wie de inhoud van het verhaal kent, ziet overeenkomsten met Jurrasic Park en de strip heeft er inderdaad van weg. Met name bij de ontdekking van het grote open veld met de grazende pterosauriërs hoor je de heroïsche filmmuziek als het ware aanzwellen. In het boek wordt het gemis van een bombastische soundtrack ruimschoots gecompenseerd door de heerlijke tekeningen van het Italiaanse duo Faina en Salvatori, die laten zien bedreven te zijn in het tekenen van prachtige panorama’s. Dit is meteen de reden dat het verhaal zo populair is onder stripmakers en -lezers. Op zoek naar het grote onbekende en het grootse van de expeditie: wie laat dat onberoerd?
Kijk alleen al naar het omslag van het eerste deel: het enorme oerwoud, waarin de ontdekkingsreizigers zo groot zijn als mieren, met op de achtergrond de prehistorische langnekken. Wie hier een prettig, jeugdig gevoel bij krijgt, vindt wat hij zoekt in deze albumreeks.

De tekeningen passen bij het verhaal, al zijn ze hier en daar wat plastisch, wat wordt versterkt door de inkleuringen: de personages hebben iets houterigs over zich. Daarbij staan de mannen nergens in een neutrale stand: ze zijn altijd alert, bang, boos, in de aanval of gekwetst. Het hoort bij het soort verhaal en bij de spanning van de onderneming, tegelijk maakt dat het lezen een tour de force.

Deze stripversie van The Lost World is uiteindelijk precies de strip die je verwacht; gewoon een spannend verhaal met uitgesproken helden, gekleed in stemmige avonturierskledij uit de beginjaren van de vorige eeuw, die allemaal een eigen agenda hebben. Samen met de mooie entourage van het oerbos en de prehistorische beesten zijn alle ingrediënten aanwezig voor een tof avontuur. Geen arthouse, geen graphic novel, maar een ware happening, zoals Doyle vast voor ogen had.

Fabrizio Faina, Mauro Salvatori & Christophe Bec – De verloren wereld (naar de roman van Arthur Conan Doyle). Daedalus. 56 pagina’s (deel 1) en 48 pagina’s (deel 2), hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten

Het is maar een klein, dun boekje dat onlangs bij de jonge Nederlandse manga-uitgeverij Hanabi verscheen: Yúrei, dwaallichten, 52 pagina’s op comicformaat met vier korte verhalen die zijn geïnspireerd door Japanse geestverhalen. Tekenaar Johan Neefjes, die er op de binnenflap geen misverstand over laat bestaan dat hij gefascineerd is door de Japanse cultuur, vertelt vier griezelverhalen die gaan over liefde, dood en verdriet.

Om te beginnen: Yúrei zijn spookverschijningen, die vaak worden vergezeld door dwaallichten (Hitodama in het Japans). Yúrei zijn de dolende geesten van overleden mensen die geen rust hebben gevonden. De yúrei behoren tot de yokai, de bovennatuurlijke wezens die eruit kunnen zien als dieren, mensen of dingen. Ze hebben vaak bovennatuurlijke krachten en worden in Japan aanbeden en met enige vrees gekoesterd.

De geestenwereld is een onuitputtelijke bron van inspiratie, met Shigeru Mizuki’s Kitaro als vaandeldrager van het stripgenre. Bekende yokai zijn bijvoorbeeld het grote witte knuffelmonster Totoro uit de gelijknamige anime-film en No Face uit Spirited Away.

Het mooiste verhaal van Yúrei is de geschiedenis van het moddermeisje, waarmee het boekje besluit. Het verhaal gaat over een meisje met grote zwarte ogen die voorbijgangers betovert met haar innemende glimlach. Wie de glimlach beantwoordt, bezegelt zijn noodlot. De kracht van de vertelling schuilt in het gebrek aan dialoog. Het meisje zegt niets, de verteller laat er al bij de eerste ogenblikken geen misverstand over bestaan: de stoere strijder Ishida die haar in het woud aantreft is gedoemd.

Zo zijn meer verhalen opgebouwd: de ondergang dient zich steeds aan zodra een yúrei zich meldt. De stervelingen kunnen zich nu eenmaal niet verweren tegen yokai. In Mizuki’s Kitaro is dat een rode draad: Kitaro, zelf half mens-half yokai, voorkomt in die gevallen de onvermijdelijke ondergang van de mens. Hij is de intermediair die plooien gladstrijkt. Bij Neefjes is geen Kitaro te bekennen. De lezer mag vier keer meemaken hoe een hulpeloze man het onderspit delft.

Het ligt voor de hand om de tekeningen van Neefjes te vergelijken met het recente werk van Erik Kriek, zoals diens Murder Ballads. Beiden kiezen voor een sterk zwart-wit contrast, met een enkele zachte steunkleur. Maar wie goed kijkt, vooral in de penseelvoering, ziet ook verwantschap met die andere Nederlandse Azië-bewonderaar Mark Hendriks. De bomen en rijstvelden van Neefjes zijn opgebouwd uit lichte streken, zoals gebruikelijk in de kenmerkende sumi-e schildertechniek. Het is te hopen dat Neefjes zich verder bekwaamd in die vaardigheden: nog meer lef en durf komen zijn verhalen beslist ten goede, de potentie is zeker aanwezig.

Na de vier heerlijke verhalen is het vooral jammer dat er niet meer van zijn. Yúrei, dwaallichten is te snel voorbij. Het zou een idee zijn om nog twee of drie van deze delen in de Hanabi-reeks uit te brengen en dan alles te bundelen in een groter album, met een mooi achtergronddossier als bonus. Neefjes heeft zijn visitekaartje afgeleverd met Yúrei, dwaallichten: een viertal verhalen dat je onmogelijk kunt weerstaan.

Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten. Hanabi Publishers. 52 pagina’s. € 9,95.

Strips & comics

Gelezen: Ryssack & Buissink – Brammetje Bram integraal 1: Piraten in zicht!

Met vereende krachten is de afgelopen tijd gewerkt aan de uitgave van het complete werk van Eddy Ryssack (1928-2004), met name van de avonturenreeks rond Brammetje Bram, Knevel de Killer en de piraten van de Zeemadelief. Het betreft hier geen heruitgave van de reeks Brammetje Bram, want een groot deel van de vijftien lange verhalen is nooit eerder in album uitgebracht. Onlangs verscheen het eerste deel, Piraten in zicht! Het tweede integrale deel, Mummies en monsters, staat op het punt van verschijnen.

In de komende drie jaar zal uitgeverij Arboris in 6 of 7 delen het complete oeuvre van Ryssack integraal en chronologisch uitgeven, met naast de lange verhalen ook circa dertig kortere verhalen rond de scheepsjongen die Ryssack tekende voor achtereenvolgens de stripbladen Sjors, Zack en Wham!

Elke bundel wordt voorzien van een uitgebreid dossier. In het eerste deel is dat van de hand van Wouter Adriaensen, die al vanaf het begin bij de herwaardering van Ryssacks werk betrokken is. Aan die inleiding is onmiddellijk af te zien dat aan deze reeks met liefde en toewijding wordt gewerkt: het is uitgebreid, prettig geschreven en mag vanaf nu dienen als een blauwdruk van hoe een dossier hoort te zijn.

Piraten in zicht! begint met de eerste twee delen van Brammetje Bram, Knevel de Killer en De schatten van de Noer-Akhs gevolgd door het nooit eerder in album verschenen verhaal De zonnekoning van de Mato Grosso. Wat meteen opvalt is de perfecte weergave van de oorspronkelijke kleuren. Ook de lettering is authentiek, met het herkenbare puntje in de O.

Knevel de Killer is het verhaal dat vertelt hoe Brammetje op de Zeemadelief verzeild raakt en hoe hij zich gaandeweg ontwikkelt tot gewaardeerd bemanningslid, dat bovendien de boel regelmatig op het rechte pad houdt. Met lekker veel slapstick en met goed gecaste piraten heeft het verhaal een opvallend frisse vaart. Aan de ronduit swingende pagina’s is bovendien goed te zien wat een vakman Ryssack was.

Het tweede integrale deel bundelt de lange verhalen De Levende Mummie, De Listen van Linke Loe en De Schrik van Torantijn. Om aan te geven hoe waardevol het is dat de reeks nu wordt gebundeld: de eerste twee verhalen verschenen nooit in album in het Nederlands en het derde verhaal verscheen in 1984 in een oplage van slechts vijftig stuks. In het dossier van Mummies en monsters is een lang interview opgenomen met scenarist Frans Buissink, die samen met Eddy Ryssack de serie bedacht en de eerste negen verhalen schreef.

Brammetje Bram is een stripserie die vroeger beslist een groter publiek had verdiend. De reeks is overal steeds tussendoor geglipt. Het werd eventjes in Sjors gepubliceerd, maar verhuisde niet mee naar Eppo toen Sjors en Pep samen in dat stripblad opgingen. Bram stond in tijdschrift Wham! maar dat was geen lang leven beschoren. Het hád prima in Robbedoes gepast, maar helaas. En zo bleef de serie uit zicht van het grote publiek. Het is om die reden dat deze integrale reeks zo welkom is.

De verhalen van Brammetje Bram zijn vanwege de tijdloze humor en de aansprekende onderwerpen ideale kost voor kinderen vanaf tien jaar, die eens wat anders willen lezen dan Donald Duck. Daarmee zijn deze integrales een perfect cadeau voor de jonge garde, met veel extra’s voor de jongelingen van weleer.

Ryssack & Buissink – De complete Brammetje Bram 1, Piraten in zicht! Arboris, 176 pagina’s, €24,90. De complete Brammetje Bram 2, Mummies en monsters. Arboris, 176 pagina’s, €24,90.

Strips & comics

Gelezen: Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper

Het bos van Brocéliande ligt in Bretagne en wordt gezien als de bakermat van allerlei sprookjesverhalen. Zo is de legende van Koning Arthur naar verluid afkomstig uit de streek, die alle uiterlijke sprookjeselementen in zich verenigt: heidevelden, bossen en meren. Lommerrijk en uitgestrekt, maar allang niet meer ongerept. Het zogenaamde Centre de l’Imaginaire Arthurien, een club voor mensen die zich verdiept in de wereld van Arthur, Vivian en Merlijn, organiseert er wandelingen langs sprookjeslocaties, waaronder het beroemde kasteel van Comper uit de negende eeuw.

Een deel van het bos van Brocéliande wordt het woud van het kleine volkje genoemd. Het is een mooi vetrekpunt voor de zevendelige fantasy/sprookjesstrip Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Ieder deel van de reeks wordt geschreven en getekend door een ander duo, dat oorspronkelijke verhalen en legenden opnieuw vertelt. Nu de eerste twee delen in het Nederlands zijn verschenen en er in Frankrijk al een deel drie en vier is uitgebracht, zien we dat de serie iets bijzonders is: ook je niet direct warmloopt voor elfen, gnomen en magiërs is Brocéliande een heerlijke serie.

De reeks opent voortvarend: De fontein van Barenton is een mooie vertelling, met humor, spanning en genoeg sprookjeselementen die het zo ‘authentiek mogelijk’ houden. In het woud wonen de Korrigans, twee nietsige knuppels die nergens in de sagen voorkomen. Ze zijn hun anonieme status beu en zoeken een manier om onsterfelijk te worden: ze zetten de verhalenschrijver Orignace klem een verhaal over hen te schrijven.

Deze Orignace gaat op zoek naar een idee en valt -eenmaal in het bos- middenin de ontluikende liefdesgeschiedenis van Vivian en de tovenaar Merlijn. Dat uiteindelijk de Korrigans ook in deze verhaallijn opduiken, spreekt voor zich.

Bertrand Benoit tekent vast op groot formaat: de lijnen van zijn pen zijn heel dun en bijzonder fraai. Het grote formaat van de pagina’s in combinatie met de lijnvoerig geven de strip een panoramische aanblik en dat werkt goed bij sprookjes. De plaatjes lijken zich op gepaste afstand van de lezer te bevinden: die kan daardoor voluit genieten van de prachtige inkleuringen, en daarmee de sfeer van het verhaal.

Nog mooier is dat De fontein van Barenton niet maar zo een fantasysprookje is, hoewel het omslag anders doet vermoeden. Ook voor niet-ingewijde fantasy-lezers is dit een album dat prima gelezen kan worden: het is een mooi liefdesrelaas met vaart en humor, en een slotstuk dat er zeker mag zijn.

Het tweede deel, Het kasteel van Comper, is iets rechtlijniger van toon, vooral omdat de humor zo nadrukkelijk ontbreekt. De basis van het verhaal is de legende van het wisselkind (niet de stripreeks met dezelfde titel, maar de legende zelf) en dat swingt van zichzelf al een stuk minder: het laat zien hoe de sprookjeswereld niet samengaat met de mensenwereld, omdat de mensen zo moeilijk doen.

Het verhaal over moederliefde en verstoting blijft tot het einde in eenzelfde tempo doorlopen: wellicht dat de legende teveel motieven en thema’s bevat om als uitgangspunt te dienen. Er wordt veel verklaard, aangenomen en uitgelegd en dat schept afstand, nog los van de gruwelijkheden die we te zien krijgen. Het zorgt er ook voor dat de lezer zich niet werkelijk identificeert met de personages.

De eerste twee delen van Brocéliande verschenen tegelijkertijd en dat pakt in de vergelijking niet goed uit voor Het kasteel van Comper, maar dat ligt vooral aan het bronverhaal. Sprookjes zijn nu eenmaal niet altijd vrolijk en luchtig.

Brocéliande is als reeks een treffer. Met titels als De tuin der monniken, De feeënspiegel en Het dal zonder terugkeer in het verschiet, is het een stripserie om naar uit te kijken. Voor fans van het genre, maar zeker ook voor avontuurlijke lezers die eens een stap willen wagen in de wereld van fantasy en sprookjes. Ze zullen verrast worden.

Bertrand Benoît & Paul Frichet en Olivier Peru & Stéphane Betbeder – Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper. Daedalus. 56 pagina’s, 8,95 per deel. Ook verschenen in hardcover: 17,95 per deel.

Strips & comics, Zone 5300

Gelezen: Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones

Pas aan het einde van zijn leven wist de legendarische Ramones-bassist Dee Dee Ramone waar het echt om draaide. In de bandbiografie One Two Three Four Ramones stelt hij dat muziek het belangrijkste is: “Niet de dope, jongelui. Begin er niet aan”. Kort daarna sterft hij aan een overdosis. Het is tekenend: in het razende verhaal, dat vanuit zijn gezichtspunt wordt verteld, leren we de verslaafde punkrocker kennen als een humeurige windvaan.

De biopic begint met een beschrijving van Dee Dee’s jeugd, die als verklaring moet dienen voor zijn losgeslagen karakter. Een alcoholistische vader, ontspoorde moeder en een hang naar roes die er al op jonge leeftijd in zit. De recalcitrante puber zoekt zijn heil in de muziek en zo ontstaan de Ramones. Het blijkt geen ideale voedingsbodem voor een heilig muzikantenleven.

Hoewel het succes onmiskenbaar is, leest de Ramones-biografie vooral als een rampzalige geschiedenis van gemankeerde ego’s die elkaar treffen in benevelde ruzies: het ultieme clichébeeld van de punkrocker wordt zorgvuldig gecultiveerd. Dat maakt tegelijk dat het verhaal nergens boven zichzelf uitstijgt. De woede die uit de muziek spreekt en die een hele generatie muzikanten inspireerde, wordt teruggebracht tot junkiegedrag.

Het schrijversduo Cadène en Betancourt doet geen moeite de positie van de Ramones te duiden, ze blijven dicht op de groepsdynamiek zitten. Zo wordt het verhaal als de muziek zelf: rechttoe rechtaan, in één snelheid en te vaak in hetzelfde akkoordenschema.

Dat geldt ook voor de overigens heerlijke, vette potloodtekeningen van Éric Cartier. Zijn figuren acteren in een vrij monotone en onbeduidende entourage. Van een biografie over een zo bepalende popgroep als de Ramones verwacht je meer. Dit verhaal had evengoed over een fictieve punkrockband kunnen gaan.

Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones. Concerto. 96 pagina’s hardcover, €24,99.

Strips & comics

Gelezen: Michael Kupperman – All the answers

Op de binnenflap van All the answers staan de biografische gegevens van de Amerikaanse striptekenaar Michael Kupperman. Hij werd bekend als illustrator voor onder andere New York Times en van zijn absurde, anarchistische strips die werden verzameld in het hilarische Tales designed to thrizzle. Hij is een werkelijk unieke stem in het humoristische genre, al zet menigeen de humor van Kupperman tussen aanhalingstekens. De flaptekst rept verder van allerlei prijzen en eindigt met: dit is zijn eerste serieuze boek.

In All the answers onderzoekt Michael Kupperman de jonge jaren van zijn vader Joel, die in de jaren veertig van de vorige eeuw een beroemd kindsterretje was. Joel heeft een bijzonder hoog IQ en kan al op jonge leeftijd complexe wiskundige sommen uit het hoofd oplossen. Daarnaast beschikt hij over een fabelachtig geheugen. Zodoende wordt hij opgemerkt door de populaire radioshow Quiz Kids, waarin kinderen het tegen elkaar opnemen, bij wijze van trivia-spel.

Bij de introductie van de televisie in Amerika wordt Quiz Kids een geliefd tv-programma. Het succes van de show én van Joel Kupperman, die jarenlang het gezicht is van het programma, trekt een geweldige wissel op de jongeman, die door zijn moeder wordt aangespoord om vooral in de spotlights te blijven, nota bene tegen zijn uitdrukkelijke zin. Hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld voor kinderen, die hem dat in zijn eigen omgeving niet in dank afnemen. Het wordt nog kwalijker als blijkt dat het programma van tevoren deels wordt gescript, zonder medeweten van Joel Kupperman. Het publiek voelt zich bedot en keert zich tegen de spelshow én tegen Joel die zich nadien zoveel mogelijk aan het publieke leven onttrekt. Zijn hele tienerjaren hebben in het teken van Quiz Kids en televisie gestaan, hij snakt naar een leven in de luwte.

De gemankeerde jeugd van zijn vader heeft zijn weerslag op het gezinsleven. Michael heeft altijd moeite gehad in de omgang met zijn sociaal onhandige vader – tegenwoordig zou zeker een aan autisme verwante diagnose worden gesteld. Twee directe aanleidingen zorgen ervoor dat Michael nu met zijn vader wil spreken over diens verleden: Michael zit er als jonge vader en geparkeerde kunstenaar doorheen én bij zijn vader wordt dementie geconstrateerd. All the answers is het verslag van deze vader-zoon-confrontatie.

Het verhaal ontvouwt zich in de eerste helft als een geschiedschrijving van Amerika in oorlogstijd, waarin het antisemitisme zich openlijk manifesteert. De Joodse Joel wordt met open armen ontvangen: hij kan een positieve, vriendelijke kant van de Joodse Amerikaan laten zien. Gaandeweg zijn zelfs drie van de vier vaste Quiz Kids van Joodse komaf. Kort gezegd, Joel wordt ingezet voor onversneden propagandadoeleinden, en het enige wat Joel blijft doen is vragen beantwoorden. Voor hem is de balans allang naar de verkeerde kant doorgeslagen, de lezer kent de geschiedenis nu ook en voelt de pijn van de jongen die hunkert naar een gewoon leven. Dit alles wordt met een zekere afstand verteld, als opmaat naar de gesprekken tussen vader en zoon.

Gaandeweg verplaatst het verhaal zich naar het heden, waarbij de gesprekken maar vooral de twijfels en levensvragen van Michael een grotere rol spelen. De vertelling wint daarmee aan zeggingskracht; er komt een oprechte emotionele laag bij. Op een gegeven moment vraagt Michael aan Joel waarom hij hem nooit met wiskunde heeft geholpen, zoals zijn vader wel bij hem deed. Die vraag, zo antwoordt Joel, is nooit bij hem opgekomen. Het blijkt een patroon: De man die als kind antwoord wist op alle vragen, heeft zichzelf nooit iets afgevraagd.

De uitstraling van de pagina’s doet onbeholpen aan. Kupperman werkt in dikke zwarte lijnen, met grote zwarte vlakken en repetitieve rasters en arceringen. Vaak gebruikt hij hetzelfde plaatje dat hij laat inzoomen. Het verhaal is opgehangen aan de knipselboeken van Joels moeder, waardoor veel tekeningen op overgetrokken foto’s lijken. Wie het overige werk van Kupperman niet kent, zal hierdoor wellicht terugdeinzen. Toch werkt de rudimentaire aanpak ook in dit geval: de vertelling wordt er rustig van, het bepaalt voor een groot gedeelte de snelheid en daarmee de impact.

Het knappe van het verhaal zit in de afstand die Michael houdt tot zijn vader en tot hun verstandhouding. Pijnlijke scenes worden op een bijna journalistieke wijze verslagen. Als Michael, als jonge jongen, aan zijn vader vraagt of die van hem houdt, antwoordt Joel terughoudend. Daarmee is de scene klaar, de niet te missen uitwerking van die woorden is voor de lezer.

All the answers is een verrassend en heel persoonlijk boek met een integer uitgewerkt thema, opgetekend in een stijl die niet iedereen meteen zal aanspreken. Dat eerste is een regelrechte aanbeveling, het tweede is iets waar de lezer even doorheen moet. Aan het eind twijfelt de auteur openlijk over het nut van de onderneming: onterecht, de geschiedenis van de familie Kupperman verschaft bijzondere inzichten over pijn, vluchtgedrag en onvermogen. Wie op YouTube naar oude opnames van Quiz Kids kijkt, ziet een vriendelijke jongen vragen beantwoorden. Na All the answers kijken we dwars door die glimlach heen.

Michael Kupperman – All the answers. Gallery 13. 224 pagina’s hardcover,  € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok

Als je in stripkringen dertien jaar niets van je laat horen, dan kan het zijn dat je stilletjes bent vergeten. Van Theodoor Cleysters vernamen we voor het laatst in 2005. Bij het vallen van die naam haalt de wat oudere stripliefhebber herinneringen op aan de exotische zeemanstrip, aan de legendarische kapitein Steene en de mysterieuze figuur November. De jongere striplezer zal de albums, die qua opmaak eenzelfde uitstraling hadden, misschien van buiten herkennen. Hoe dan ook, jong en oud kan zich met De laatste reis van de Amok opmaken voor een (hernieuwde) kennismaking.

Vanaf 1987 verschenen twaalf albums rond Theodoor Cleysters, een jonge kantoorklerk uit de jaren twintig van de vorige eeuw. In het eerste album, Kapitein Steene, lezen we dat Cleysters een grote wens heeft: hij wil naar verre oorden, naar Azië waar het avontuur lonkt. Hij krijgt de kans en vertrekt. Onderweg ontmoet hij zijn noodlot, de altijd in het zwart geklede exoot November, die -helaas voor Cleysters- niet van zijn zijde wijkt. In de achtereenvolgende albums De Archipelvreter, Marie Rechtdoorzee, Geheimen, De schat van de blanke radjah en Een passagier wordt vermist reizen we met Cleysters en November door Azië. De verhalen zijn spannend, met thriller-elementen, al zijn ze niet allemaal even sterk. Vooral omdat Cleysters graag naar huis wil en dat zes albums lang niet voor elkaar krijgt, wordt het bij tijd en wijle wat stroperig. Je zou willen dat hij wat slagvaardiger was. Pas in Een passagier wordt vermist vindt hij de weg terug naar Duinkerken.

Slagvaardig of niet, door de avonturen raakt Cleysters gehard en dat is meteen een van de mooie verhaalgegevens uit de reeks: hij wordt ouder en wijzer, hij verandert met de jaren. Na het stilistische tussendoortje Rozendal, over de jeugd van Cleysters, gaat hij terug naar Azië, om daar als een herboren man-van-de-wereld aan te komen. Hij is een cynische, harde onderhandelaar geworden; iemand met wie rekening wordt gehouden. Hij draagt witte, flanellen pakken en zijn ronde groentjeshoofd van de beginjaren is intussen ruig gestoppeld.

In De laatste reis van de Amok blijkt hij zelfs behoorlijk verzuurd geraakt. Er is hem iets ontnomen, en hij wil het terug: een leeggeroofd eiland dat als uitvalsbasis dient van een groep verveelde piraten. Met een gekochte schoener, de Amok, en een regiment aangemonsterde types gaat hij op weg. November is weer van de partij en er is opnieuw een hoop achterdocht, dubbelspionage en boerenslimheid voordat Cleysters ontdekt dat er belangrijker dingen zijn in het leven. Maar toch, dat eiland is van hem, en hij zal het terugkrijgen.

In de vroege delen had het eironde, blote hoofd van Cleysters iets karikaturaals en stak het wat curieus af tegen de omgeving. Meer en meer is er een schwung bijgekomen en in dit dertiende deel is de transformatie compleet: Theodoor Cleysters is een pittige, stoere gast en zijn tegenstanders zijn volslagen hufters en gewiekste ratten. Het is allemaal een stuk avontuurlijker geworden.

Nog een voordeel ten opzichte van de eerdere delen is dat De laatste reis van de Amok een helder plot heeft: al snel wordt duidelijk waar het naartoe gaat. Het ongewisse was een makke van de vroegere verhalen, die vaak wat stuurloos waren en vooral op sfeer en exotisme leunden. Toch wordt Cleysters aan het einde van het verhaal overvallen door landerigheid, hij lijkt zijn vuur kwijt te zijn. Wat is de les die hij heeft geleerd? We lezen het vast in deel 14, waarop het zeker minder lang wachten is.

De laatste reis van de Amok heeft Cleysters weer op de kaart gezet. Het weerzien zal de oudere Theodoor Cleysters-lezer zijn bevallen, vooral vanwege de sfeervolle tekeningen en de interessante karakterontwikkeling van de hoofdpersoon en de daardoor aangepaste rol van November.
Of de jonge striplezer op basis van dit verhaal genoeg geraakt is om de twaalf eerdere delen te lezen, is de vraag. Daarvoor verschilt dit dertiende deel te veel van de eerdere albums. Bovendien is het slotstuk van het verhaal te loszandig om de hele serie op basis van dit ene album in het hart te sluiten. Jammer: ja. Logisch: ook.

Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok. Dupuis. 64 pagina’s. € 7,95. Ook verschenen als hardcover: € 13,95.

Strips & comics

Gelezen: Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts

De onlangs overleden culinaire globetrotter Anthony Bourdain hield van meer dan lekker eten en reizen. Hij was een verwoed stripliefhebber. In 2012 debuteerde hij als stripscenarist met het curieuze Get Jiro, een gewelddadige culistrip over een sushichef die zich staande probeert te houden in een post-apocalyptische wereld waarin alle keukens slagvelden zijn geworden: er is oorlog tussen vleeseters en vegetariërs, tussen culisnobs en fastfoodies. Niet bijster origineel, maar toch vermakelijk als zachthoofdig leesvoer. Zo ziet Jiro hoe een klant de nigiri verkeerd in de soja doopt. Twee tellen later rolt er een tronie over de vloer. Dat idee.

Begin dit jaar kwam Bourdain opnieuw met het scenario voor een stripreeks, nu in samenwerking met medereiziger en journalist Joel Rose. De nieuwe serie verscheen intussen als vier losse floppies (zoals de kenmerkende slappe, geniete Amerikaanse comics worden genoemd) en heet Hungry Ghosts.

De tekeningen zijn onder meer van Alberto Ponticelli die naam maakte in het horror- en splattergenre en ook Get Jiro tekende. Naast Ponticelli zijn er afleveringen getekend door onder andere Irene Koh, Francesco Francavilla, Sebastian Cabrol en Paul Pope; steeds twee per comic.

Eerlijk is eerlijk, het verhaal zit goed in elkaar en is een stuk beter dan Get Jiro, dat het uiteindelijk vooral moest hebben van de bekende naam op het omslag. In Hungry Ghosts wordt een keukenbrigade gevraagd om voor een puissant rijke Rus te koken. Deze schimmige miljardair nodigt de koks uit aan tafel en stelt hen voor aan Mr. Ichi, een stereotiepe Japanse figuur met een grimmige glimlach. Hij vertelt de aanwezigen het verhaal van de Kaidan, een gezelschapsspel uit het Edo-tijdsperk dat werd beoefend door de samurai. Voluit: Hyakumonogatari Kaidankai.

In het vertrek branden evenveel kaarsen als er mensen aanwezig zijn. Ombeurten vertelt iemand een traditioneel Japans verhaal over yokai (monsters), yurei (geesten) of obake (gedaanteverwisselaars). Na de vertelling kijkt de verteller in de spiegel of hij niet bezeten is geraakt, en blaast een kaars uit. Het wordt donkerder en de angst om bezeten te raken groter. Zo stelden de samurai hun angsten op de proef.

Binnen dit gegeven passeren een aantal verhalen de revue, bij wijze van raamvertelling. De verhalen zijn ronduit angstaanjagend en stuk voor stuk geweldig lekker getekend: de keuze voor tekenaars is heel geslaagd, geen doet onder voor een ander. Uiteraard gaan de horrorverhalen over eten en gegeten worden. Het openingsverhaal The starving skeleton zet meteen de toon. De verhalen zijn grotesk, goor en hebben een strakke opbouw die uiteindelijk allemaal vreselijk ontaarden. Wat Hungry Ghosts zo goed maakt is dat alles teruggrijpt op de klassieke Japanse vertelkunst, waarin deugden en ondeugden krachtige motieven zijn. Veel van de verhalen gaan over het maken van keuzes en de consequenties die aan de verkeerde keus verbonden zijn. Het authentieke karakter van de verhalen maakt dat ze met gemak het reguliere horrorgenre overstijgen.

In oktober verschijnt de trade paper back, een bundeling van de vier losse delen. Dan zal het verhaal zich nog mooier ontvouwen: Hungry Ghosts wint aan kracht als je het achter elkaar leest. Om naar uit te zien.

Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts. Dark Horse. 4 delen van 32 pagina’s. $3,99 per deel. In oktober verschijnt de trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel

De beste strips pakken je beet en laten niet los. Het is nog fraaier als je dat van tevoren niet voelt aankomen. Die verrassing, het moment van ontdekken dat je iets prachtigs in handen hebt, mooier dan je vermoedde: met geluk maak je dat drie, vier keer per jaar mee. Een leven met Alexandra David-Néel van het duo Fred Campoy en Mathieu Blanchot is zo’n verrassende ontdekking. Ga maar na, het tweeluik vertelt het levensverhaal van Alexandra David-Néel, de boeddhistische ontdekkingsreiziger (1868-1969) die in Nederland bij lange niet zo bekend is als in haar geboorteland Frankrijk. Niet meteen een onderwerp dat aanspreekt.

Maar toch, hoewel de beide omslagillustraties tot de verbeelding spreken, is het de flaptekst die intrigeert: ze wordt zonder omhaal de grootste ontdekkingsreiziger van de twintigste eeuw genoemd. Ze was oriëntaliste, operazangeres, journaliste, schrijfster, filosofe en boeddhiste. Eén van haar wapenfeiten is dat ze de eerste westerse vrouw was die ooit, in 1924, de mysterieuze en gesloten Tibetaanse hoofdstad Lhasa bezocht. De andere is dat ze een behoorlijk portret is, iets wat haar liefdevol wordt aangerekend. Mevrouw is een anticonformiste.

Uitgerekend deze verre van bedeesde dame zoekt op latere leeftijd een hulp in de huishouding. De vriendelijke, jonge Marie-Madeleine Peyronnet staat op dat moment op een keerpunt in haar leven en besluit, onwetend van de geschiedenis van de bijzondere vrouw, de betrekking te accepteren. Ze valt niet bepaald met haar neus in de boter want David-Néel houdt er een rigide dagindeling op na, met allerlei rituelen en gewoonten. Maar vooral is het een treurige puinhoop in het huis: overal relikwieën, herinneringen aan de vele reizen, boeken en manuscripten. En stoffig.

Gaandeweg ontwikkelt zich een onbeholpen vriendschap tussen de twee, waarbij Marie-Madeleine zich veel moet laten welgevallen. Ze wordt tegengesproken, afgepoeierd en steevast Schildpad genoemd. Sympathie is haar volkomen vreemd, de lezer krijgt geen bijster positief beeld van de ontdekkingsreiziger voorgezet. Meer dan eens is Marie-Madeleine de meelijwekkende figuur van de geschiedenis.

Deze merkwaardige vriendschap wordt de kapstok van het verhaal, omdat het deze Marie-Madeleine is die na het overlijden van David-Néel haar oeuvre en bezittingen blijft beheren, tot op de dag van vandaag. In dat opzicht lijkt ze op David-Néel: ze is inmiddels 87 jaar en verzorgt nog altijd rondleidingen in het markante huis waarin ze zo lang samenwoonden.

De levenswandel van David-Néel komt uiteraard uitvoerig aan bod, van haar opstandige jonge jaren waarin ze geregeld van huis vertrok om de wereld te ontdekken tot haar bekering tot het Boeddhisme. Waar dat tegenwoordig met zachtheid en wierook wordt geassocieerd, was het in het begin van de 20ste eeuw beduidend anders: dagenlange ontberingen en onthouding van voedsel en slaap. Alles om de geest te harden. Het zal verklaren waarom David-Néel zo strikt en vast van overtuiging bleef, op het onhandelbare af.

Het tweeluik laat zien hoe Alexandra David-Néel tot aan haar dood actief blijft schrijven en geleerden ontvangt om met hen van gedachten te wisselen. Het scenario van Fred Campoy, naar het boek dat Peyronnet over Alexandra David-Néel schreef, is volledig trouw aan de geschiedenis. Campoy bewerkte niet alleen het boek, hij tekende ook het verhaal – samen met Mathieu Blanchot, die zich op zijn beurt ontfermde over de prachtige inkleuring. Achterin beide delen staan uitvoerige dossiers met achtergronden, voor de lezer die er geen genoeg van krijgt. Over lezers gesproken: het is te hopen dat er veel over de streep worden getrokken. Een leven met Alexandra David-Néel is te mooi om onontdekt te blijven.

Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel. Daedalus. Twee delen van 90 pagina’s, hardcover. € 19,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Brahy, Corbeyran & Chapuzet – Cognac

Toeval of niet; strips met een alcoholisch thema zijn in opmars én meestal heel goed te verteren. Het geweldige bier-epos Meesters van de gerst is een eersteklas aanrader en de prima wijnverhalen De Onwetenden en Chateaux Bordeaux zijn allebei van harte aan te bevelen. Voor bij een goed glas, zouden drinkers zeggen. De afgelopen anderhalf jaar verscheen in drie delen een heuse cognac-thriller, waarvan vorige week het afsluitende deel verscheen. Cognac, zoals de serie wijs heet, is een echte page-turner; precies wat campinggasten graag meenemen op vakantie. Cognac is spannend, onderhoudend en je steekt er ook nog wat van op: met de proefnotities en smaakduidingen uit het verhaal is het goed meezwetsen in het café.

Oorlogsfotograaf Anna-Fanély Simon is de mondiale slagvelden en het geweld beu en wordt, om wat bij te tanken, ingezet voor een artikel over de wereldwijde opkomst van cognac. Ze vertrekt daarvoor naar haar geboortestreek, de Charente. In een poging om haar jeugdvriendin Alice te ontmoeten, neemt ze contact op met de broer van Alice die Anna vertelt dat zij een paar maanden daarvoor is vermoord door haar eigen man, Jean-Louis, die daarna zelfmoord pleegde.

Het leven – en werk – gaat door. Anna neemt contact op met de cognacdistilleerder Fernand Favreau, die de lokale cognacwereld op zijn duimpje kent. Samen bezoeken ze een groot aantal cognachuizen. Ook de moord komt ter sprake en al gauw merkt Anna dat er meer achter steekt, vooral als blijkt dat de politie de boeken snel heeft gesloten en na de eerste conclusie niet werkelijk verder heeft gezocht naar motieven en daders. Als ze bovendien te weten komt dat Jean-Louis een aantal erg dure flessen Grande Champagne uit 1870 in zijn kelders had liggen, gaan bij Anna de alarmbellen rinkelen. De bewuste flessen zijn intussen ontvreemd.

Anna roept de hulp in van een goede vriend uit Parijs, en gedrieën gaan ze op onderzoek uit. Ze stuiten op een wantrouwende en gesloten cognacwereld, een weinig coöperatieve politie en een paar criminele sujetten die duidelijk maken: steek je neus liever in een glas, en laat deze moordzaak vooral met rust.

Het verhaal heeft een geweldig tempo, dat valt op. De reportage van Anna dient daarbij als een handige kapstok om de vaart er flink in te houden: ze kan overal gemakkelijk binnenkomen, afspraken maken en onder het mom van haar journalistieke werk vragen stellen die haar zoektocht naar de waarheid rond de dubbele moord maskeren. Het verhaal ontwikkelt zich op die manier als een onvervalste whodunit, waarbij de lezer steeds meer te weten komt over verdachten en motieven. Zo wordt in ieder album de spanning gedoseerd opgevoerd, tot de climax in het derde deel, dat nogal plastisch Het kerkhof van de druivenoogstmachines heet.

Het tekenwerk van Luc Brahy is klassiek-realistisch: geen gekke perspectieven, geen grafische hoogstandjes. Het is gedegen, zonder dat dat een diskwalificatie is. De personen zijn naturel en geloofwaardig. Met het lekkere verhaal maakt het van dit drieluik een prima leeservaring. Geen zware kost, maar een echt lekkere thriller die je het liefst meeneemt op vakantie. En wat je erbij drinkt, moet je zelf weten, al worden er genoeg suggesties gedaan in Cognac.

Cognac – Luc Brahy, Eric Corbeyran & Jean-Charles Chapuzet. Silvester. 48 pagina’s per deel, softcover, € 7,95. Ook verkrijgbaar in hardcover: € 16,95 per deel.

Cognac 1, De invloed van demonen
Cognac 2, Dood in de arena
Cognac 3, Het kerkhof van de druivenoogstmachines

Strips & comics

Gelezen: Scratches 2

Wie zorgvuldig kijkt naar het aanbod van striptijdschriften in Nederland kan niet anders dan concluderen dat het helemaal niet slecht of karig is gesteld. Natuurlijk kunnen de oplagen hoger en zou het mooi zijn als er een diverser publiek wordt bereikt, maar toch: de veelzijdigheid is evident. Een kleine rondgang bewijst het: voor de klassieke (avonturen)strip zijn de Eppo en de dikke Stripglossy, liefhebbers van small press, curiosa en underground lezen Zone 5300 en sinds twee jaar is er het imposante, Engelstalige stripkunstperiodiek Scratches, waarvan tot op heden twee nummers verschenen.

Scratches, dat zich omschrijft als ‘the paper highway between artist and reader’, is wel degelijk van Nederlandse makelij. Achter het perfect vormgegeven tijdschrift gaan illustrator Joost Swarte en uitgever Hansje Joustra schuil: twee namen uit de hogere regionen van het beeldverhaal. In Scratches treft de avontuurlijke lezer spannend grafisch werk van Erik Kriek, Lukas Verstraete (die ook het omslag tekende) en Brecht Evens. Hoogtepunt is de bijdrage van Tobias Schalken, die met de strip The light of home overtuigend bewijst over een zeldzame vertelstem te beschikken.

Achterin het omslag is het unieke werk ingeplakt van Jochen Gerner, een Franse tekenaar die het meer dan wie ook verdient in het Nederlands uitgegeven te worden. Zijn werk is vaak ronduit bizar met niets te vergelijken. Neem bijvoorbeeld zijn album Panorama du froid / Icebergs, een boek vol met illustraties van locaties en gebouwen, zoals de Notre Dame, Trafalgar Square en Bahnhof Zoo, die zijn veranderd in ijsschotsen – en dus in wezen onherkenbaar.

De redactie, die zich laat souffleren door een heuse Scratches Academy met onder anderen Maus-tekenaar Art Spiegelman en vermaard stripjournalist Paul Gravett, zoekt het ook buiten de gebaande paden van het beeldverhaal: het grafische werk van Sami Ki, dat sterk leunt op architectuur, is een bijzondere ontdekking. Hetzelfde geldt voor de intense potloodillustraties van Ludwig Volbeda.

Mede dankzij enkele journalistieke bijdragen, bijvoorbeeld over Professor Pi van Bob van den Born en Frank King (Gasoline Alley), is Scratches in zijn wezen geslaagd: het slaat bruggen tussen beeldverhaal en gelijkgestemde kunstvormen.

Opvallend is dat met Scratches in Nederland ook in Frankrijk en België soortgelijke nieuwe tijdschriften verschenen. Bij de zuiderburen veranderde het tweemaandelijkse informatieblad Stripgids in een massief, halfjaarlijkse striptijdschrift met lange stripverhalen en puik journalistiek werk. In Frankrijk verschijnt sinds een jaar het uitvoerige Les Arts Dessinés, dat net als Scratches het beeldverhaal plaatst in een breder perspectief, naast beeldende kunst, architectuur, illustratie en grafiek. Dit is een positieve ontwikkeling die bijdraagt aan de waardering van het beeldverhaal als serieus medium.

Scratches 2. Uitgeverij Scratch, 112 pagina’s, € 30,00.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – Nooit

Het mooiste beeld uit Nooit verschijnt subiet aan het begin van het verhaal. Een oud vrouwtje geeft de planten water, met op de achtergrond een tuinhekje dat voor een deel boven een afgrond bungelt. Het omaatje heet Madeleine en is blind, haar tuin begeeft zich op het randje van een steeds verder afbrokkelende klif aan de Normandische kust. Achter dit cartooneske tafereel gaat een innemende en trieste geschiedenis schuil.

Madeleine woonde er jaren met haar grote liefde Jules, een schipper die alweer heel wat jaren geleden het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Hoewel ze nog bij de pinken is, heeft ze het verlies van haar man nooit werkelijk afgesloten. Nog iedere dag eet Madeleine samen met Jules en spreekt ze met hem de dagen door. Haar kater, een geweldige dikzak, is de gelukkige. Stiekem, alsof zijn bazinnetje het kan zien, eet hij het bordje van Jules leeg.

Binnenshuis heeft Madeleine de boel redelijk onder controle, het gevaar bevindt zich buiten. De klif waarop haar huisje staat kalft steeds verder af; de reden voor de burgemeester – verantwoordelijk voor het welbevinden van al zijn dorpsgenoten – om Madeleine met zachte dwang te verzoeken te verkassen. Want stel je voor. Maar Madeleine voelt daar helemaal niets voor. Zij gaat het huisje, met alle herinneringen, niet uit. Pertinent niet, en pas op: ze is tot de gekste dingen in staat. Ze blaast bij wijze van spreken nog liever de hele zooi op.

Uitgeverij Saga heeft vaak een gelukkige hand van kiezen uit het enorme Franstalige aanbod dat erom vraagt vertaald te worden. In hun collectie Bamboe zijn het vooral zachte, lievige verhalen over kleinmenselijk leed. Schattig met een twist, zoals de tweeluiken De adoptie en Te mooi om waar te zijn. Nooit van Duhamel hoort in dat rijtje thuis. Het verhaal van het stuurse, blinde oudje dat zich kranig verzet tegen een gedwongen verhuizing past perfect: een kleine geschiedenis rond gewone mensen.

Bruno Duhamel heeft gekozen voor een heel mooi kleurpalet, een kunststukje dat hij ook al flikte met zijn album De terugkeer, dat vorig jaar verscheen. In Nooit kiest hij voor zachte kleuren, niet per se Normandisch maar perfect bij de setting van het verhaal: het zijn de kleuren van bejaardenservies, van nachtponnen en Cornelis Jetses. Het zorgt ervoor dat de onverzettelijkheid van Madeleine en de urgentie van de verhuizing extra nadruk krijgt: een krachtig tegenwicht in de zachte omgeving.

Aan het slot van het verhaal is het tuinhekje er nog slechter aan toe. Het klif zal blijven afbrokkelen. Troost en herinnering vechten om voorrang. Nooit is niet zo gelaagd en scherp als De terugkeer, maar als kleine sprookgeschiedenis erg geslaagd.

Bruno Duhamel – Nooit. Saga Uitgaven. 64 pagina’s hardcover, € 19,95.