Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Young Frances

Young Frances is Frances Scarland, een junior bedrijfsjurist die zoals veel van haar leeftijdsgenoten twijfelend en piekerend door het leven gaat. ’s Avonds kan ze de slaap niet vatten en ligt ze met opengesperde ogen naar het plafond te staren. Is dit het? Heb ik hiervoor gekozen?
Zou het hierbij blijven dan is de eerste graphic novel van Hartley Lin een typische sleutelroman over een jonge twintiger die zich verliest in haar eerste baan, het volwassen leven.

Maar Hartley Lin is niet de eerste de beste. Hoewel Young Frances zijn eerste volwaardige album is, gaat hij al een paar jaar mee in het alternatieve circuit van de Amerikaanse stripwereld. Onder zijn pseudoniem-anagram Ethan Riley publiceerde hij tot op heden vijf delen van zijn comic Pope Hats, waarvoor Lin al ruimschoots werd gelauwerd. Hij won een Doug Wright Award, een Ignatz Award en een Joe Shuster Award, en werd meermaals genomineerd voor de prestigieuze Eisner Award; stuk voor stuk stripprijzen waarmee je de aandacht opeist.

Young Frances is voorgepubliceerd in Pope Hats 2 tot en met 5. We leren Frances kennen als een harde werker en een tobber. Feitelijk leeft ze twee levens: van de leergierige en handig opererende jurist, die vaak te horen krijgt dat er voor haar een bright future in het verschiet ligt, maar die ’s avonds en in het weekend geen idee heeft hoe ze haar leven met haar werk kan verenigen.

Het helpt Frances ook niet werkelijk dat ze samenhokt met Vicky, een vrijgevochten, jonge actrice die feesten afschuimt op zoek naar werk en erkenning. Haar wereld en die van Frances staan mijlenver uitelkaar en iedere poging hun jeugdige vriendschap samen te vieren lijkt bij voorbaat mislukt. Frances is alle ontspanning kwijtgeraakt.

De discussies die de twee hebben zijn van wezenlijk belang voor het verhaal. Waar we onmiddellijk zien dat het leven van Vicky zich ophoudt in een holle schijnwereld, wordt dat van Frances nog deugdzaam en ideaal geportretteerd: hard werken en steeds verder klimmen is zoals het hoort. Zo voelt Frances het zelf ook, en juist daar gaat het mis. De scenes op haar werk, bij een juridische firma die geld ‘maakt’ door bedrijven leeg te trekken, geven de twijfel van Frances steeds meer kern: dit kán het toch niet zijn?

De gesprekken tussen Frances en Vicky worden wezenlijker als Vicky het succes vindt en naar de westkust verhuist. Daar is ze ineens de gevierde ster, maar overvalt haar de absolute leegte van alles. Ook zij botst tegen het echte leven op. Vicky wordt zoals Kevin, de succesacteur uit de televisieserie This is us (gespeeld door Justin Hartley, geen familie), die zich ook nadrukkelijk afkeert van het lege sterrendom.

De tekeningen van Lin zijn soepel en sprekend. De vergelijking met het werk van Adrian Tomine (Optic Nerve, Killing & Dying) ligt voor de hand, al is het werk van Lin minder statisch. Young Frances is zwart-wit, vanwege de oorspronkelijke verschijningsvorm in Pope Hats en ook voor deze gelegenheid niet ingekleurd. Dat had gekund; het werk leent zich voor een ingetogen kleurstelling, vooral om de werkelijkheid van het snelle geld af te kunnen zetten tegen het wereldbeeld van de twijfelende hoofdspersonen.

Met Young Frances heeft Lin zijn naam definitief gevestigd. Terecht: het is een graphic novel over vriendschap die lekker blijft hangen, vooral omdat de harde, onpersoonlijke maatschappij zo scherp wordt neergezet. Dat past naadloos in het huidige tijdsgewricht.

Hartley Lin – Young Frances. AdHouse Books, 144 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Kim Duchateau – Madelfried

In aanloop naar de Stripdagen Haarlem, het paradepaardje onder de stripfestival in Nederland dat dit jaar plaatsvond van 25 mei tot en met 3 juni, verschijnen altijd veel nieuwe strips. Nu zijn de Stripdagen eens per twee jaar en verschijnen er ook in de tussenjaren eind mei veel albums, maar toch: wie de beurzen in Haarlem bezoekt en niet op een euro hoeft te kijken, kan al gauw met twee rolkoffers nieuwe albums huiswaarts gaan. Het aanbod is overweldigend en voor buitenstaanders een openbaring: voor wie bijvoorbeeld denkt dat er in Nederland ongeveer evenveel dichtbundels verschijnen als strips gaat er een wereld open. (Ter info: in 2017 verschenen er meer dan 1650 Nederlandstalige striptitels)

Tussen alle nieuwe grafische romans, meerdeelse avonturenverhalen in harde kaft en luxueuze integrale heruitgaven viel de bundel Madelfried van de Vlaamse humorist Kim Duchateau niet meteen op. En ergens is dat logisch: Madelfried, de zelfverklaarde superheld die nergens zelfs maar een greintje van een held bezit, is geen grootse verschijning. Het iele konijn, nota bene als enige zwart-wit in een kleurenstrip, is nu eenmaal een antiheld, en zelfs dat valt nog te bezien: dat ís tenminste nog een held.

In Madelfried bundelde Kim Duchateau alle Madelfried-stroken die hij de afgelopen 23 jaar tekende en die verschenen in de kranten Het Belang van Limburg en Metro, en tijdschriften als de StripGlossy. Het is dus een onvervalste krantenstrip en zo leest de bundeling, met een lekkere, melige vaart waarbij het oppassen is voor een overdosis.

Vanwege de lange tijd ziet de oplettende lezer de stijl van Duchateau veranderen, wat overigens geen enkel bezwaar is omdat hij doorgaans al diverse stijlen beheerst en gebruikt. Onlangs nog verscheen de hilarische Nero-spinoff De zeven vloeken: een echt geestig verhaal rond de klassieke personages Nero, Adhemar, Madam Pheip, Petoetje en Petatje van Marc Sleen (1922-2016, een van de oervaders van de Vlaams strip).

Daarnaast tekent Duchateau de reeksen rond de sexy Esther Verkest en het zwaarmoedige brutaaltje Aldegonne. Al zijn werk wordt gekenmerkt door een frisse gekte. Het zit vol absurde wendingen, rare gesprekken en onnavolgbare grappen. Uiteraard neemt hij de wereld van de superheld op de hak, maar daarbij permitteert hij zoveel nonsens dat het daar nog nauwelijks over gaat. Iets redden of oplossen is er sowieso niet bij.

De stroken van Madelfried hebben soms iets van de meligheid van de Hollandse stripkat Heinz, vanwege hetzelfde zeurderige, stroperige tempo. Al vliegt het daarna bij Duchateau weer net zo gemakkelijk alle kanten op: de verhalen komen niet uit het brein van een one trick pony, zoveel is duidelijk. De stroken gaan dus vooral niet over superhelden, maar juist over alledaagse toestanden. Het is Madelfried die deze zaken als een superheld benadert, en daarin hopeloos faalt: een cape doet nog geen wonderen.

Madelfried heeft iets sneus, maar het zorgt er niet voor dat de lezer hem sympathiek gaat vinden. Hij is niet aaibaar of iemand die je ondanks zijn onhandigheidjes in de armen sluit. In dat opzicht werkt deze bundeling niet in Madelfrieds voordeel. Dat het er toch is, is desondanks een gelukje: het is een album dat je in gedoseerde hoeveelheden leest, en geniet.

Kim Duchateau – Madelfried. Oogachtend, 96 pagina’s, € 16,00.

Strips & comics

Gelezen: Étienne Davodeau – Lulu

Een vrouw besluit na het zoveelste sollicitatiegesprek en de zoveelste afwijzing dat het allemaal anders moet. Niet alleen het werk zit tegen, ook manlief is niet meer de sprankelende verschijning voor wie deze Lulu ooit viel: na twintig jaar huwelijk is er niet veel meer over. Hij drinkt, commandeert en heeft weinig op met het gezinsleven. Haar drie kinderen, een tienermeisje en twee grappige snuiters van een jaar of zes, zijn handenbinders. Al zou Lulu het roer willen omgooien, dan is dat geen gemakkelijke opgave.

En toch kiest ze voor een heel eenvoudige oplossing: ze smeert ‘m. Lulu belt naar huis dat ze niet thuiskomt en vertrekt naar de kust. Zonder auto, zonder koffer en zonder plan. Na twee dagen is ze haar telefoon kwijt en is het geld op. Paniek? Nee, Lulu ervaart voor het eerst een weldadige vrijheid. Weg van alle ingebakken en uitgesleten zaken die haar dagen vormgaven. Lulu raakt haar frons kwijt, er komt een glimlach voor terug.

Lulu van Étienne Davodeau is eigenlijk een kleine vertelling over een moedige vrouw die besluit eventjes voor zichzelf te kiezen. Niet voor altijd, daarvoor blijft ze te dichtbij huis. Sterker, ze verraadt vrij gemakkelijk waar ze ongeveer is waardoor ze een vriend de kans geeft haar op te sporen. Ook haar dochter weet haar uiteindelijk te vinden.

Dat de vertelling klein blijft, komt omdat Davodeau niet kiest voor eindeloos gepsychologiseer. Eigenlijk vermijdt hij dat steeds: Lulu vertelt haar verhaal aan meerdere personen, maar de lezer krijgt maar mondjesmaat mee wat ze zegt. Wat de lezer meebeleeft zijn haar wandelingen langs zee, het gehang op de boulevard en de babbeltjes met passanten en met de bejaarde Marthe bij wie ze in huis wordt uitgenodigd. Lulu hoeft niet te betalen: ze krijgt kost en inwoning in ruil voor haar levensverhaal.

Het fraaie zit in het tijdelijke. Lulu weet steeds dat het niet voor lang is: haar ontmoetingen zijn kort, de gesprekken die ze voert zijn voor even. Na verloop van tijd zal ze weer naar huis gaan. Wanneer? Dat weet ze niet. Ergens moet ze nog iets ontdekken, maar wat blijft in het midden.

De tekeningen van Davodeau zijn niet bijzonder en hebben een onbeholpen charme. De mensen zijn niet mooi, het kleurgebruik is niet opgewekt. Alles lijkt een beetje versleten en soms zelfs opgebruikt. Als de zon schijnt dan is het om te laten zien dat de ramen gewassen moeten worden, dat idee. De pagina’s zijn rustig en voelen het tempo van het verhaal goed aan. Lulu is geen diepgravende graphic novel, het verhaal is op het eenvoudige af. Maar wat het mooi maakt is het ontbreken van duiding: waarom is ze vertrokken? Wat wil ze vinden? Of anders gezegd: wat gaat er toch om in dat koppie? Haar vrienden vragen het zich af en de lezer ook. Dat maakt van Lulu een vertelling die heel dicht bij je blijft. Voor eventjes helemaal weg, wie denkt daar nooit eens over na?

Étienne Davodeau – Lulu (integraal). Microbe. 160 pagina’s, hardcover. € 49,95. Ook verkrijgbaar als twee losse delen van ieder 80 bladzijden, hardcover. € 18,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: David Chauvel & Tim McBurdie – Pinokkio

Pinokkio van het duo Chauvel en McBurnie is een vreemd album dat steeds weer blijft opduiken in mijn herinnering. Ik las het twee maanden geleden en sindsdien heb ik het nog een paar keer opgepakt en delen herlezen, vooral vanwege de veerkracht van het kleine houten ventje dat het niet gemakkelijk heeft. Deze Pinokkio is vertederend, op een heel eigen wijze.

David Chauvel bewerkte het oorspronkelijke verhaal uit 1883 van Carlo Collodi, de geestelijk vader van Pinokkio. Hij bleef daarbij heel dicht op het origineel en daardoor ontstaat iets grappigs: hele generaties zijn opgegroeid met de Pinokkio van Disney, een verhaal waarin het houten jongetje veel onverschrokkener is. De Pinokkio van Chauvel – en Collodi – is zijig en vooral simpel van ziel. Logisch ook, hij is van hout, maar toch. Ook Gepetto oogt niet als de vriendelijke oude man uit de Disneyfilm. Het is allemaal wat minder zoet.

Wat wel vergelijkbaar is (gebleven) is het moralistische toontje van het verhaal. Pinokkio is de ongehoorzame stouterik die steeds opnieuw de fout in gaat. Op tijd thuis zijn, hoor, en dan toch meegaan naar het bos. Netjes naar school, dan alsnog spijbelen. Pinokkio leert het nooit. Vanwege de herhaling van zetten en de toonzetting heeft het verhaal iets weg van Sjakie en de Chocoladefabriek: wie niet gehoorzaamt zal zijn billen branden. En dat terwijl Pinokkio zo graag een braaf jongetje wil zijn, met goede cijfers op school. Waren er maar niet zoveel verleidingen…

Wat goed uitpakt is dat het album leest als een toneelstuk. Dat ligt vooral aan de tekst, die van de grote gebaren is. Ook de vierde wand wordt regelmatig aangewend: dan spreekt Pinokkio de lezer rechtstreeks aan. Geestig en praktisch om de theatrale taal te duiden.

Het expressieve tekenwerk van de Australiër McBurnie draagt het verhaal; zijn zwierige lijnvoering en kleurgebruik maken dat het oogt als ‘de echte’ Pinokkio, vooral omdat het zo ver van Disney’s versie af staat. In 2009 verscheen al een vrijwel tekstloze en veel modernere Pinokkio van de hand van Winschluss; een vrije bewerking, die van de houten pop een grimmiger personage maakte, maar die grafische roman week op veel niveaus van het werk van Collodi af. McBurnies Pinokkio pretendeert veel meer het origineel te zijn.

Geslaagd? Jazeker. Deze ‘nieuwe’ Pinokkio is als figuurtje authentieker en daarmee wat onbeholpener: zijn zwakte is een zwakte, de wreedheden tegen hem worden niet op tijd verijdeld, zijn geen opstapje naar een levensles voor de kleine jongen. Pinokkio is onnozel en goedgelovig, en wordt daarvoor gestraft. Maar steeds krabbelt hij weer op, een beetje gelouterder. Die Pinokkio, dat guitige gastje, blijft je een behoorlijke tijd bij.

David Chauvel & Tim McBurnie – Pinokkio. Silvester. 80 blz., hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968

Je zou ze van marketingtrucjes verdenken, die striptekenaars die precies op het goede moment met een album komen dat naadloos aansluit op de actualiteit. We zagen het bij de stortvloed van albums rond het feestjaar van Jheronimus Bosch in 2016. Handig, want het lift gemakkelijk mee op de reuring die er toch al is.

Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Parijs allerlei linkse studentengroepen in opstand kwamen tegen het conservatieve klimaat, De Gaulle en -vooruit- het kapitalisme in het algemeen. Reden voor het onafscheidelijke stripduo Warnauts en Raives om met een album te komen over de Parijse opstanden van 1968.

In Parijs, mei 1968 volgen we een groep van vijf twintigers die zich in het rumoer begeven. Onder hen een Amerikaan die met een werkbeurs voor de fotoacademie naar Parijs is gekomen. Tijdens de rellen maakt hij foto’s en wordt opgepakt, vanwege eigenhandig gefabriceerde bewijslast. Hij was erbij. Dat is de lijn van het verhaal: deze Jay wordt ondervraagd en zo lezen we een chronologische getuigenverklaring.

Deze verklaringen gaan maar voor een deel over de revolte. Er is naast halfslachtig actievoeren namelijk nog genoeg andere intrige binnen de groep: verliefdheid, achterdocht en spanningen in de familiekring. Het zorgt ervoor dat het verhaal hinkt op twee gedachten; het zwaartepunt ligt op het persoonlijke vlak. De entourage van het Parijse 1968 is niet wezenlijk van belang voor het verhaal. Het had ook het Noord-Ierse Derry van 1972 kunnen zijn, bijvoorbeeld. Of zelfs een niet politiek gemotiveerde tijd en locatie.

Ongelukkig is het bovendien dat de iconische beelden van de opstandige studenten, zoals we die uit de verhalen kennen, alleen zijn terug te zien in een aantal nagetekende foto’s die duidelijk afwijken van de rest van de strip. Daarbij wordt er door de personages en hun vriendenkring met enig misprijzen over de opstandelingen gesproken: ze zijn een afkooksel van zichzelf, er zitten niet werkelijk revolutionaire genieën tussen. Liever verspillen de vijf hun tijd en energie aan drugsgebruik, seks en hangen ze hooguit het vrije ideaal van het alles aan. Het maakt niet duidelijk waarom Warnauts en Raives zo nodig voor mei ’68 kozen.

Nog een vreemde keuze is dat de gebeurtenissen, die destijds overduidelijk een politieke lading hadden, volledig ondersneeuwen in het verhaal dat meer over persoonlijke levensvragen gaat: de jongeren staan aan het begin van hun maatschappelijke leven en weten het allemaal nog niet precies. Ook hier raken beide werelden, die van het verhaal en die van de opstand van de 68’ers, elkaar niet.

Pellen we het tijdsbeeld van het verhaal dan blijft er een summiere bildungsstrip over. Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat Woodstock plaatsvond. Misschien is dat een mooie gelegenheid om dit idee nog eens over te doen: hoe gek het ook mag klinken, dit verhaal was met meer politiek beslist interessanter geweest. Met de generatie ’68 heeft het niet veel van doen.

Warnauts & Raives – Parijs, mei 1968. Le Lombard. 80 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2

Bijzonder eigenlijk. Het is not done om een Afrikaan neer te zetten als een luie donder met dikke lippen, een Aziaat als dociel en kleingeschapen, maar o wee als we aan de Italiaan komen. Die zien we toch het liefst zoals ze zijn: als meedogenloos maffialid dat zonder scrupules voor zijn eigen hachje kiest en er om die reden gerust een dubbele moraal op nahoudt. En Sicilianen, die zijn helemáál niet te vertrouwen.

Luca Torelli is zo’n heerlijke Siciliaanse smeerlap, die zijn geld verdient als huurmoordenaar. Torelli, die zich bedient van het kekke alias Torpedo, heeft niet veel boodschap aan een goed argument of een smeekbede. Hij luistert alleen naar zijn opdrachtgever, degene die hem achteraf betaalt. We hebben hier te maken met een gozer op wie je kunt bouwen.

De strip Torpedo, waarvan de eerste korte verhalen al verschenen in 1981, hebben veel weg van de films van Quentin Tarantino. Met name de iconische scene uit Pulp Fiction – What does Marsellus Wallace look like? – is er eentje die zo uit de strip afkomstig kan zijn. Torpedo’s ondervragingstechnieken zijn minstens zo direct en doeltreffend, al ziet het op het eerste oog gestileerder uit: de verhalen spelen in de jaren dertig, die van strakke pakken, borsalino’s en brillantine. Strak of niet, de cynische Torpedo is iemand die je liever niet tegenkomt. Eigenlijk is hij gewoon een onsympathieke klootzak.

De serie werd in de beginjaren tachtig bedacht door scenarist Enrique Sánchez Abulí. De eerste paar verhalen werden getekend door Alex Toth, maar al snel nam Jordi Bernet het van hem over. Bernets contrastrijke tekeningen in zwart-wit, die ook nog eens perfect van compositie zijn, passen naadloos bij de hard-boiled verhalen. Ruig, vuig en gluiperig.

De korte verhalen zijn meer dan losse scènes over gewelddadige afrekeningen en criminele praktijken: net als bij Tarantino zit er een humoristische laag in de verhalen die ze heel aantrekkelijk maakt. Torpedo is niet een man van veel woorden, maar vaak genoeg komt hij gevat en zelfs filosofisch uit de hoek. Zijn tegenstrevers zijn ook niet van gisteren en dat zorgt voor geestige dialogen.

Toegegeven, de verhalen van Torpedo zijn geen hogere kunst. Eerder is het lekkere pulp, dat nog eens wordt benadrukt door de snelle maar krachtige hand van Bernet. De pagina’s zijn ook in deze perfecte integrale uitgave lekker groezelig. Het lijkt zelfs alsof Bernet alleen maar koppen met karakter kan tekenen; er zit nooit een mindere tronie bij. En vooral: de korte verhalen lezen als een trein. Het is echt heerlijk om even in New York rond te spoken, tussen het geteisem in de steegjes, nachtclubs en op de rangeerterreinen aan de stadsrand.

Van de integrale reeks verschenen intussen twee delen, op een lekker formaat en in harde kaft. In totaal zullen er vijf delen verschijnen, waarmee alle zestig korte verhalen compleet gebundeld zijn. En dan zijn er nog plannen om de serie weer op te pakken en nieuwe afleveringen te maken. Helemaal geen gek idee. Zolang Silicianen zich heerlijk blijven misdragen is er genoeg voor nog eens vijf dikke albums. Een prima vooruitzicht.

Jordi Bernet & Enrique Sánchez Abulí – Torpedo 1936 integraal 2. HUM! 144 pagina’s, hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Benoit Springer & Zidrou – Wie laatst lacht

Dat je met een voorhamer meer kan doen dan palen in de grond slaan, blijkt al op pagina 1 van Wie laatst lacht, de strip-noir van Benoit Springer op scenario van Zidrou. In een bloederige openingsscène wordt iemand de hersens ingeslagen, achterop een pick-uptruck geladen en even later in een droge waterput gedonderd. Als je erachter wil komen wie het laatst lacht, dan is er in ieder geval één persoon van dat lijstje geschrapt. Hoewel…

De man met de hamer is Pep, een karakterloze struisvogelfokker, die zit ingeklemd tussen zijn opstandige stiefdochter van bijna achttien en haar moeder, die “het ook allemaal niet meer weet”. De sfeer op de afgelegen fokkerij is leeg en treurig. Toch weet Springer dit heel krachtig uit te beelden door een beperkt kleurpalet te gebruiken, met tinten in verschillende gradaties. De personen zijn van top tot teen in dezelfde kleur, tegen een eenkleurige achtergrond. Dat komt de beklemmende en agressieve sfeer ten goede, vooral omdat het bloedrood de enige kleur is die als het ware over de pagina’s is gelegd.

Pep heeft tabak van zijn leven, meer bepaald van zijn leven met zijn vrouw. In een laffe poging om daaraan te ontsnappen gooit hij het op een akkoordje met zijn stiefdochter, die met een onhandig idee komt om van haar moeder af te komen. In de uitwerking is Pep slordig, maar of het werkelijk zo is? De moordpartij aan het begin van het verhaal lijkt zelfs lucide. Als hij met bebloede handen thuiskomt, staat zijn vrouw gewoon in de keuken, met krulspelden en al. Het plan daarna is zo mogelijk nog chaotischer.

Het album heeft de grootte van een comic en is mooi verzorgd uitgegeven, met een harde kaft voorzien van gedrukte ouderdomssporen – een gimmick die vaak de plank misslaat, maar in dit geval heel tof uitpakt. Het verhaal telt iets meer dan vijftig pagina’s en wordt achterin aangevuld met een ‘grafisch katern’. Normaal gesproken is dat de plek voor wat schetswerk en andere eye candy; in dit geval is het een geïllustreerde liedtekst van Edmond Bouchaud uit 1908 die als inspiratie diende voor het verhaal. Dat gaat wat ver omdat het onvertaald is, maar de schetsen laten wel mooi zien hoe Springer gebruik maakt van zijn bronnenmateriaal: de auto’s uit het verhaal zijn keurig overgetrokken van plaatjes en foto’s.

Waar het begin van het verhaal nog even het idee geeft dat het een bloederige geschiedenis wordt, kantelt dat beeld al snel: er zit een mooie ondertoon van gekte in Wie laatst lacht. Broeierig en dwaas, met passende bijrollen voor de struisvogels van Pep.

Benoit Springer & Zidrou – Wie laatst lacht. Dupuis. 72 pagina’s hardcover. € 15,95.

Strips & comics

Gelezen: E.O. Plauen – Vater und Sohn

Vater und Sohn is een unieke krantenstrip uit het vooroorlogse Duitsland, die tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. Onlangs verscheen er een Engelstalige, complete bundeling bij de prestigieuze uitgeeftak van The New York Review of Books. De vader en zoon zijn twee verder naamloze figuurtjes die in vrijwel tekstloze paginaverhalen van drie tot negen plaatjes acteren: ze beleven de dagelijkse dingen, spelen met elkaar, plagen, gaan op avontuur. Met een beetje goede wil zou je het een pantomime-strip kunnen noemen.

De verhaaltjes verschenen oorspronkelijk tussen 1934 en ’37 in de Berliner Illustrierte Zeitung. Hun schepper Erich Ohser (1903-1944) verschool zich niet zonder reden achter het pseudoniem E.O. Plauen: vanwege kritiek op de nazi’s was hij begin jaren dertig terecht gekomen op een zwarte lijst. Als politiek tekenaar nam hij met venijnige spotprenten nadrukkelijk stelling tegen de bruine ideologie. Daarna keerde hij in het geniep terug als E.O. Plauen: die naam stelde hij samen uit zijn initialen en de plaats waar hij opgroeide. In 1944 werd hij opnieuw opgepakt. Hij pleegde zelfmoord op de dag voor zijn berechting.

In Vater und Sohn is niets van politiek terug te vinden, zelfs niet heel impliciet of goed verstopt tussen de plaatjes. De stripjes bestaan uit charmante, gestileerde tekeningen die meer op kiekjes lijken dan op stripplaatjes: Plauen maakt grote sprongen in de sequentie, alles wordt teruggebracht tot de kern. Niet zelden gaat dat ten koste van het begrip. Dan is er zoveel weggelaten dat nog maar met moeite te achterhalen is waar het over gaat.

Toch hoort dat allemaal bij de bekoring en waardering van de strip. De artikelen die over Vater und Sohn zijn geschreven -en dat zijn er nogal wat- plaatsen de verhaaltjes vooral in de tijd: voor veel lezers waren de fratsen van de vader en zoon een manier om even te ontsnappen aan de grimmige sfeer in het Duitsland van de jaren dertig.

De verhaaltjes gaan van alledaags naar avontuurlijk: over een onbewoonde eiland, paardjerijden en pijp roken. De twee gaan naar het museum, het bos en naar de speeltuin. Ze bouwen een boot, beginnen een uitvindersbureau en vooral zoeken ze samen naar slimme oplossingen voor alledaagse probleempjes. Vater und Sohn is eigenlijk geminimaliseerde slapstick, waarin vader de rol van Oliver Hardy speelt: hij delft regelmatig het onderspit, waarna zoon een pak op zijn broek krijgt. Maar altijd is het lief en geestig. En eerlijk: in het licht van de geschiedenis is de laatste aflevering van Vater und Sohn, waarbij ze hand in hand weglopen en de lezer gedag zeggen, adembenemend.

In Duitsland zijn de twee wereldberoemd: al in 1962 werden ze bekroond als de populairste grappenmakers van Duitsland; er is een Vater und Sohn-musical en vorig jaar verschenen ze zelfs op stoplichten, zoals de Mainzelmänchen in Mainz: in Plauen, onder Leipzig, zijn de voetgangersstoplichten voorzien van de vader en de zoon.

De achtergrond van de tekenaar en de tijd waarin de verhaaltjes verschenen, zullen hebben meegespeeld bij de plek die de strip in de geschiedenis heeft gekregen, maar dat verklaart maar ten dele dat de strip meer dan tachtig jaar na dato nog steeds tot de verbeelding spreekt. Wie de strips leest, ziet een prachtige balans tussen illustratie en verhaal. In de talloze artikelen over Plauen, die nog steeds verschijnen, is men er nooit in geslaagd een soortgelijke strip te vinden. Alleen al vanwege die unieke positie is het werkelijk de moeite waard om Vater und Sohn te lezen. De dikke Engelstalige oblong-uitgave, voorzien van een uitgebreide duiding als uitgeleide, bewijst dat nog eens.

E.O. Plauen – Father and Son. The New York Review of Books. 312 pagina’s € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet

Iedereen kent Paulus. De avonturen van de kleine boskabouter horen bij Nederland als hagelslag, schaatsen en het bloemencorso. Hij is onvergetelijk, maar nog mooier is dat zijn avonturen nog steeds in boekvorm verschijnen. Uitgeverij De Meulder houdt zich intussen al veertig jaar bezig met het bezorgen van schitterende boeken rond ’s Neerlands beroemdste kabouter. Onlangs verscheen deel 14 uit de reeks ‘Gouden klassiekers’, Paulus en Poetepoet.

De Gouden klassiekers zijn losse verhalen, die Jean Dulieu zelf schreef en van illustraties voorzag. De reeks is pico bello bezorgd door Uitgeverij de Meulder, die als Paulus-autoriteit kan beschikken over het Archief Jean Dulieu, dat voorheen bekend was onder de aandoenlijke naam Paulus Archief. Het is de grootste collectie met werken van Jean Dulieu (Jan van Oort, 1921-2006).

Poetepoet is een typisch Dulieu-beertje dat op een dag het bos van Paulus binnenwandelt. Poetepoet is één en al goedheid en heerlijk naief en zo maakt het snel vriendjes met ongeveer iedereen in het bos, behalve natuurlijk met de heks Eucalypta. Zij is juist voornemens om de schattige beer te betoveren in een monster. Dat het Eucalypta niet lukt, is evident: iedereen keert zich tegen haar snode inborst en met de hulp van Poetema en Moetema, de ouders van Poetepoet, maar vooral door muisje Piep, komt alles op zijn berenpootjes terecht.

Het verhaal is voor kinderen, dat moge duidelijk zijn. Maar zoals iedereen al op zijn klompen aanvoelt, is ieder Paulusverhaal eigenlijk ook voor grote kinderen. In het geval van de Gouden klassiekers is extra aan de oudere lezer gedacht: achter in ieder deel is een dossier te vinden, met niet eerder gepubliceerde tekeningen, aquarellen, achtergrondinformatie en schetsen.

Naast de gewone handelseditie is er van iedere Gouden klassieker ook een beurseditie beschikbaar: vrijwel identiek, maar met een aflopende illustratie op het omslag en een veel uitgebreider dossier achterin. In het geval van de Poetepoet-editie zijn er nog twee korte verhalen met het beertje opgenomen. Voor de liefhebber, zoals dat heet, maar eigenlijk voor iedereen die zich weer eens wil verkneukelen bij een oud Paulusverhaal, zoals die met schipper Makreel, Joris het vispaard of Salomo.

De meeste Paulusverhalen uit de Gouden klassieker-reeks zijn nog altijd even leuk. Zeker, Paulus is gedateerd, maar op een voordelige manier: niemand zou willen dat Paulus verandert. De rustige vertelstem, met veel omhaal van woorden, draagt onmiskenbaar bij aan de waardering van Dulieu’s werk. Voor mensen die opgroeiden met Paulus is dat een belangrijk onderdeel van de magie. Het ademt vroeger.

Maar toch: ook kinderen van nu die de verhalen voorgelezen krijgen, voelen zich meteen vertrouwd met Paulus, Eucalypta, Oehoeroeboeroe en Gregorius. Dat heeft te maken met de sfeer; die van het bos waar kabouters en beesten wonen. Daar praten ze zo, het heeft niets met ouderdom van de verhalen te maken.

Alleen, met z’n tweeën of desnoods voor een hele kinderschare: Paulusverhalen zijn om van te genieten. Nog steeds. Het lieflijke verhaal van Poetepoet is een mooi vertrekpunt.

Jean Dulieu – Paulus en Poetepoet (Gouden klassiekers 14). Uitgeverij De Meulder, Assen. 72 pagina’s € 17,50 (handelseditie) en € 22,50 (beurseditie, oplage 150).

Strips & comics

Gelezen: Aimee de Jongh – Snippers 9: De eindstreep

Tussen januari 2012 en juli 2017 verscheen de dagstrip Snippers van Aimée de Jongh in treinkrant Metro. Vorig jaar maakte De Jongh bekend te stoppen met de dagboekserie over Aimée en haar huisgenoot Stef. Een moedige beslissing; weinig striptekenaars zullen de financiële zekerheid inleveren voor iets onbestemds, vooral als het ook nog eens een erg leuke en populaire strip is. Op donderdag 20 juli verscheen de laatste strook, waarin Aimée de metro uitstapt en met een koffertje in de hand de roltrap neemt: “Er is nog zoveel meer te ontdekken en daar heb ik zin in. Daarom gaan we, op zoek naar een nieuw avontuur.”

In het geval van Aimée de Jongh (1988) is het nieuwe avontuur haar tweede graphic novel die in mei van dit jaar, tijdens de Stripdagen van Haarlem, verschijnt; Bloesems in de herfst. Dit album maakte ze samen met scenarist Zidrou (Wie laatst lacht, De adoptie en het prachtige Lydie). Haar eerste graphic novel, De terugkeer van de wespendief, verscheen in veel vertalingen en werd verfilmd. Beide boeken zijn van een heel ander kaliber dan Snippers.

De eindstreep, deel 9 van de serie, is een dikkerd. Niet 48 pagina’s, zoals gebruikelijk, maar 64 pagina’s met stroken van de laatste anderhalf jaar, aangevuld met een geestige ‘Life after Snippers’ waarin De Jongh vertelt over de afkickverschijnselen van een dagelijkse strookstrip.

Een dagstrip trakteert de lezer elke dag op een glimlach, iets herkenbaars of op een knappe actuele inhaker. Snippers had het allemaal, en was bovendien slim geconstrueerd: Aimée en haar huisgenoot Stef waren een handig koppel om veel verhalen aan op te hangen. De ene licht-chaotisch en driftig, de ander voortdurend zogenaamd rotsvast en logisch. De grappen zijn soms plagerig, maar altijd herkenbaar en kleinmenselijk. Wie heeft er niet gevloekt op de trein? Wie heeft er geen mening over hipsterkoffie?

Niet altijd zijn dagbladstrips leuk om in een album te lezen: teveel achter elkaar legt vaak structuurtjes bloot en laat zien dat er uit dezelfde vaatjes wordt getapt. Dat is bij Snippers niet anders, maar toch stoort het niet. Leuk wordt het vooral als je de running gags, die je voorheen misschien gemist had, ineens ziet. Bij Snippers heten veel bijfiguren Willem, dat idee. Zo zit De eindstreep vol met kleine bijgein.

Er is niets mis met terugkijken, maar liever was deze recensie niet in de verleden tijd geschreven. Snippers is vertrokken, wat gelukkig is gebleven zijn negen albums, waarvan de laatste zelfs instaplezers kan overhalen de eerdere delen ook aan te schaffen, of in ieder geval te lezen.

Aimée de Jongh – Snippers 9: De eindstreep, uitgeverij L, 64 pagina’s, € 8,95.

Strips & comics

Gelezen: Annie Goetzinger – Meisje in Dior

Biografische strips zijn van een apart slag. Meer accuraat dan spannend, eerder vertellend dan meeslepend. Als de auteur zich puur richt op geschiedschrijving verschilt een biografie nauwelijks van een biografische strip. Annie Goetzinger, de Franse strip- en modetekenaar die afgelopen december op 66-jarige leeftijd overleed, heeft wat dat betreft een slimme keuze gemaakt met ene biografie over mode-icoon Christian Dior: het geeft haar de gelegenheid ’s mans werk te laten zien, in mooie, kleurrijke pagina’s.

Meisje in Dior is het flinterdunne verhaal over de jonge modejournalist Clara, die uiteindelijk als mannequin op de catwalk van het befaamde modehuis belandt. Het geeft Goetzinger alle gelegenheid om te schijnen: de lange avondjurken waarmee Dior (1905 – 1957) grote faam verwierf in de jaren veertig, en waarmee hij de Amerikaanse modewereld na veel tegenwerking overtuigde, worden in al hun glorie getoond. Deze stripbiografie bewijst daarmee haar nut. Praten over haute couture is een stuk oninteressanter, zeker voor de betrekkelijke leek.

Goetzinger heeft zich terdege gedocumenteerd. De ensembles en jurken zijn exact. Achter in het album is een dossier opgenomen met een biografische tijdlijn en een groot aantal mooi uitgewerkte mode-illustraties.

Meisje in Dior is geen uitmuntend verhaal. Daarvoor is alles te clichématig opgezet en uitgewerkt. Clara is het klassieke personage: de jonge vrouw van eenvoudiger komaf die bij toeval in de jet set belandt. Toch is dit geen groot bezwaar, al meteen is duidelijk dat het verhaal niet leunt op intriges of spanningsbogen.

Wel jammer is dat Christian Dior vrij vlak en zouteloos overkomt. Hij schuifelt en smiespelt maar wat rond, maakt intussen wat krabbeltjes en beziet alles met een flauwe oogopslag. Meisje in Dior is duidelijk niet op de persoon geschreven: het gaat hier om zijn werk, zijn creaties. Eigenlijk wil Goetzinger vooral laten zien hoe bedreven ze is in het uitwerken van haute couture, en daar is niets mis mee. Meisje in Dior is feitelijk een bloemlezing, nauwelijks een biografie.

Wat stripbiografieën vaak de moeite waard maakt zijn de inkijkjes in de psyche van de hoofdpersoon. Goede voorbeelden zijn Alain Passard, de wereld van een meesterchef door Christophe Blain en Audubon, On the wings of the world van Fabien Grolleau en Jérémie Royer.

Die laatste is in het bijzonder zeer de moeite waard: kunstschilder en onderzoeker John James Audubon (1785-1851) is onder vogelaars en natuurvorsers beroemd vanwege zijn grillige en buitensporige vogelplaten die hij maakte en die verschenen in het prachtige overzichtswerk The Birds of America.
Audubon, On the wings of the world is een schitterend verhaal over een bevlogen genie die zijn leven in dienst stelde van een meesterproef: alle vogels van het continent vastleggen. In 2010 werd een compleet exemplaar van The Birds of America geveild voor 11,5 miljoen dollar. Over iemand met zo’n nalatenschap en impact wíl je alles weten.

Goetzinger koos voor een andere route: wie meer over Dior wil weten, kan terecht bij een overvloed aan biografieën. Wie de tijdgeest, de sfeer en de reuring wil proeven, heeft met Meisje in Dior een vriendelijk en interessant album in handen.

Annie Goetzinger – Meisje in Dior. Blloan, Antwerpen. 128 pagina’s hardcover. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Ichigo Takano – Orange & Orange Future

Manga is er in vele vormen en stijlen. De serie Orange, die in 2016 in twee flinke Engelstalige collections op de markt verscheen, hoort bij de vaandeldragers van de zogenaamde slice of life-manga. De serie van Ichigo Takano over een groep middelbareschoolvrienden is bedoeld voor shojo en seinen, de Japanse genrebenaming van manga voor respectievelijk meisjes en jongens in de young adult leeftijd.

Dat Orange een geweldig succes werd, ook in het Westen, komt omdat het verhaal niet per se voor jongeren is. Het is knap geconstrueerd in verschillende tijdlagen maar leest toch lekker weg. Vooral behoort Orange bij de moderne mangaklassiekers vanwege de typische manga-kenmerken die het in zich verenigt, zonder dat het grotesk of overdadig wordt: het verhaal is om te beginnen erg sterk, met veel ontwikkeling en diepgang; het tempo van de vertelling is rustig en uitgebreid.

De personages zijn zoet getekend en in wezen klassiek: het zijn keurige scholieren die zich tot elkaar verhouden met eerbied en afstand. Groepsdynamiek is belangrijker dan het individu, helpen en wegcijferen zijn deugden, verkeerd over iemand denken een doodzonde. En waar andere manga soms plat en eendimensionaal is, blinkt Orange juist uit in diepgang en een gelaagde verhaalstructuur.

Orange is een epische liefdesgeschiedenis die zich niet richt op wat is geweest, maar wat nog gaat komen. Op een dag krijgt Takamiya Naho een brief. De afzender is zij zelf, maar dan tien jaar ouder. In de brief leest ze dat er een jongen bij haar in de klas komt die later overlijdt, mogelijk zelfs door zelfmoord. Naho is ervan overtuigd dat ze deze jongen, Naruse Kakeru, kan helpen om te voorkomen dat het ergste gebeurt. Waarom zou ze anders deze brief krijgen? Het blijkt een voorbode voor spijt, angst en de wil om de loop van de geschiedenis te veranderen. Hoe voorkom je een tragedie? Deze vraag is geen kleinigheid voor jongvolwassenen.

Er ontwikkelt zich een verhaal waarbij het gedrag van Naho wordt bepaald door de brief die per dag vertelt wat er gebeurt. Als zij de gebeurtenissen zo kan plooien dat het verloop van de toekomst verandert, zal Kakeru vast blijven leven. Het blijkt moeilijker dan gedacht. Gaandeweg krijgt de toekomst steeds meer greep op Naho en haar vriendenclub, en komt het moment van afscheid steeds dichterbij. Natuurlijk wordt Naho verliefd op Kakeru en dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op. Wel veel mooier.

Ichigo Takano tekent het de personages met veel expressie. Op het eerste oog ziet het er overdreven uit. Tegelijkertijd leert de westerse lezer de in onze ogen overdreven Japanse omgangsvormen en etiquette kennen. Wie zich hieraan overgeeft heeft met Orange echt een mooi Japans verhaal te pakken.

Toch is het lezen van manga geen topzware gebeurtenis. Je bladert vrij snel door, en geen mangalezer zal daarom schrikken van dikke bundelingen: Orange telt twee delen van bijna 400 pagina’s en vorige maand verscheen een dunnetje van bijna 200 pagina’s, dat een deel van het verhaal nog eens vertelt vanuit een ander perspectief.

Dat dunnetje heet Orange Future en is een soort navertelling, door de ogen van Hiroto Suwa, een van de vrienden van Naho en Kakeru. Zijn kijk op de zaak is niet bijster anders, behalve dat hij erg kritisch is op zijn eigen rol in het geheel. Hoewel zijn vrienden een andere mening zijn toegedaan, vindt Suwa dat hij er niet genoeg voor Kakeru en de anderen is geweest.

Het knappe van de oorspronkelijke Orange is dat het uiteindelijk precies lang genoeg duurt en dat het de lezer in een fijn tempo naar de ontknoping leidt. Alles komt exact op tijd. Door Orange Future wordt het te lang, te uitgemolken: nog een keer spijt, nog een keer angst, nog een keer de wat-alsvraag.

Orange Future verscheen omdat van de manga onlangs een anime is gemaakt, met daarin een grotere rol voor Suwa. Voor de tv-serie was dat een slimme keuze, de manga kan prima zonder.

Orange blijft een slice of life-manga uit het topsegment, Orange Future is er voor de completisten of voor hen die heel nieuwsgierig blijven naar Naho, Suwa en de rest.

Ichigo Takano – Orange The Complete Collection 1 en 2. Seven Seas. 384 pagina’s per deel. € 17,99.
Ichigo Takano – Orange Future. Seven Seas. 180 pagina’s € 10,99.

Strips & comics

Gelezen: Mikaël – Giant

Het is in Vlaanderen luid en duidelijk doorgedrongen dat de Hollanders niet altijd gelukkig zijn met hun Nederlandse vertalingen van Franstalig werk: de kritiek spitst zich toe op archaïsche vlamismen en onbekende staande uitdrukkingen, waardoor niet alles doorheen een verhaal steek houdt. Sinds een tijdje horen we soortgelijke geluiden nu ook van hun kant: de Nederlander zou zich ook schuldig aan maken aan vreemde vertalingen waar Vlamingen geen chocola van kunnen maken. Van weerszijden vreemd omdat we toch een gezamenlijke algemeen beschaafde taal gebruiken.

Een krasser staaltje was onlangs te lezen op een stripsite: de Nederlander moest maar een toontje lager zingen, omdat er meer Vlaamse albums naar Nederland gaan dan omgekeerd, in grotere aantallen bovendien. Wil je toch de albums lezen, dan oefen je maar in dat zogenaamde Vlaams. De Vlaming heeft namelijk nergens last van en vindt het onzin dat ‘zijn’ verhalen moeten worden aangepast aan een klagende minderheid, die met een beetje moeite best in staat is een album te lezen. Komaan hé.

En toch: de ene vertaling uit Vlaanderen is de andere niet. Het is dus maar net wie er op de klus is gezet. Het tweeluik Giant van de Franstalige Canadees Mikaël, dat onlangs als integraal album verscheen, heeft de pech dat de vertaling hier en daar rammelt. De zinnen, veel in spreektaal, zijn stroef en de dialogen komen onnatuurlijk over. Het maakt dat de leeservaring soms hapert en dat is zó spijtig: Het verhaal dat Mikaël vertelt is van een grote schoonheid.

Giant is een zacht liefdesverhaal in een harde en niemand ontziende omgeving, namelijk het New York van de jaren dertig. Het zijn de jaren van de verticale expansie van de stad: overal verrijzen hoge gebouwen, zoals Rockenfeller Plaza en de Empire State Building. Tegelijkertijd vertelt Giant het verhaal van de gastarbeiders uit met name Ierland die onder erbarmelijke omstandigheden te werk worden gesteld.

Giant is een van de Ierse gastarbeiders die de stalen geraamtes voor de wolkenkrabbers maakt. Hij zou te zien kunnen zijn op de overbekende iconische foto van de schaftende werklui op duizelingwekkende hoogte.

Giant, die zo wordt genoemd vanwege zijn imposante gestalte, is van de zwijgzame soort. Zijn collega’s krijgen geen vat op hem, al wordt zachtjes gefluisterd dat hij zijn levensgeluk is verloren in de strijd tussen de protestanten en katholieken, thuis in Ierland.

Als op een dag een landgenoot om het leven komt bij de werkzaamheden is het de beurt aan Giant om diens weduwe in te lichten. Hij stuurt haar een brief met geld, maar verzwijgt het overlijden van haar man. Wat volgt is een briefwisseling tussen Giant en de weduwe, die uiteindelijk besluit met het gespaarde geld de oversteek te maken: met haar kinderen staat ze op een dag bij Giant op de stoep.

Het verhaal van meer dan 100 pagina’s heeft een rustig verloop. De mooiste pagina’s zijn die waar weinig in wordt verteld: in illustratieve sequenties wordt de dagelijkse beslommering uitgebeeld en die horen tot de mooiste uit het album. Het zijn schitterende kijkplaten die aanvoelen als een nauwkeurige verslaglegging van de tijd: het straatbeeld, de kleding en de begindagen van het moderne New York. Mikaël heeft hetzelfde perfecte oog voor detail als Will Eisner, de stadschroniqueur van New York.

Wat het stadse karakter nog extra benadrukt is de constante aanwezigheid van de radiostem van Walter Winchell, die overal uit transistors schalt. Hij vertelt over politieke ontwikkelingen, de strijd tegen de Italiaanse maffia en de naderende verkiezingen. De sepiabruine kleurstelling die de pagina’s domineert zorgt voor een verhaal dat op verschillende niveaus klopt: de sfeer is uitmuntend in beeld gebracht.

Al deze pluspunten laten onverlet dat de vertaling het enige smetje is. Maar eerlijk is eerlijk: daar is mee te leven. Giant is een te sterk verhaal om te negeren. Deze Hollander leert best bij, het mag stilaan keren, hé.

Mikaël – Giant. Dargaud. 120 pagina’s hardcover. € 22,50.

Strips & comics

Comics Krenten aflevering 7

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het winternummer dat nu in de winkels ligt.

Dat manga zich tegenwoordig niet meer beperkt tot series van Aziatische origine, zie je aan de comics van Sherlock, naar de gelijknamige BBC-detectiveserie met Benedict Cumberbatch als Sherlock en Martin Freeman als Watson in de hoofdrollen. De tv-afleveringen worden per zes delen in comic uitgebracht. Inmiddels verschenen de series Study in Pink en The Blind Banker (beide in TPB, $12.99, Titan) en zijn we al een eind op weg in The Great Game.
De comics zijn duidelijk geen vrije bewerkingen of op zich zelf staande verhalen, maar volgen de afleveringen van de serie strikt, naar de scripts van de oorspronkelijke schrijvers. Beide comic runs zijn getekend door Jay. (met een punt achter zijn naam), in een vrij plastische maar daarmee ook overzichtelijke stijl.

De verhalen gaan volgens het beproefde tv-recept en van de twee verschenen TPB’s is de tweede het beste. The Blind Banker heeft alles wat een Sherlock-verhaal tof maakt: inbraken, duistere symbolen, een vleugje mystiek en vooral erg veel vragen. Over het tekenwerk is gemakkelijker zonder spoilers te praten: dat is strak en leunt heel sterk op de beide tv-personages die duidelijk herkenbaar zijn.
Voor lezers die de tv-serie niet kennen is de manga-Sherlock te gek, vanwege de lekkere vaart en de serieus-komische dialogen. Als je je nog niet eerder aan manga hebt gewaagd bovendien een perfecte instapmogelijkheid.

Monstress, de fantasy saga van Sana Takeda, op scenario van Marjorie Liu, is van een heel andere orde. Het is een geweldig verhaal over de magische Maika Halfwolf, een zogenaamde Arcanic van een jaar of veertien, die net als haar soortgenoten wordt opgejaagd door de Cumaea, een club slechteriken die hun krachten ontlenen aan de Arcaniërs. Het snoezige vosmeisje Kippa vergezeld Maika op haar tochten naar bevrijding en rechtsherstel.

Het verhaal gaat veel verder dan een beetje oorlog voeren en elkaar opjuinen; er zijn genoeg verwijzingen naar onversneden racisme en slavernij. Het tekenwerk is magnifiek, gedetailleeerd met schitterende arceringen, als een perfecte symbiose tussen Westerse fantasy en Aziatische tekenkunst. Het inkleurwerk is een regelrechte referentie voor het fantasygenre, vooral de zeescenes in de tweede verhaallijn zijn adembenemend.
De eerste TPB, Awakening ($16,99, Image), was al geweldig; het vervolg The Blood is vanwege de strijd op zee een nog impossantere leeservaring. Superlatieven, ik weet het. Voor deze keer mag het.

Strips & comics

Gelezen: Pénélope Bagieu – Wereldwijven 1

Het is gemakkelijk te denken dat de verhalenbundel Wereldwijven van de Franse tekenares Pénélope Bagieu voortkomt uit het huidige activistische tijdsgewricht; dat van #MeToo, vrouwenquota en girlpower. Maar eigenlijk is het album met de ondertitel ‘vrouwen die de wereld naar hun hand zetten’ vooral een vrolijke optocht van stoere wijven die zich van niets of niemand iets aantrekken.

Het stripalbum is geen pamflet dat bewijzen wil leveren. Natuurlijk nemen de geportretteerde vrouwen de nodige obstakels en zijn er genoeg vooroordelen te overwinnen, maar nergens wordt het politiek. De lezer wordt geen spiegel voorgehouden. De vertellingen hebben iets lichts, de vrouwen zijn cool en geëmancipeerd. Ze hebben lef en lak aan conventies, dat vooral, en die vanzelfsprekende toon pakt goed uit.

In vijftien episodes vertelt Bagieu de markante geschiedenissen van vrouwen als Joséphine Baker, Annette Kellerman, Tove Jansson, Josephina van Gorkum, Wu Zetian en Nzinga. Anders gezegd: biografieën over een zeemeermin, een gynaecologe, koningin, keizerin tot en met sociaal werkster, de vrouw met de baard en de bedenkster van Moomin.

Het mooie van de verhalen is de vertelstem van Bagieu: die is jolig, vrolijk en speels, met een vloeiende afwisseling van verhaal en dialoog. De pagina’s hebben daarmee iets weg van Pieter Geelens Anton Dingeman uit Trouw.

Het tekenwerk is rustig, met weinig achtergronden en details. We zien vooral koppen en figuren. De tekst dwarrelt over de pagina’s wat het geheel een frivole en open uitstraling geeft. Dit wordt extra krachtig door de zwierige handlettering van Frits Jonker, die in meerdere lettertypes de lagen van het verhaal perfect aanvoelt. Als er nog iets bewezen moet worden in de strijd tussen handlettering en computerfontjes, dan is Wereldwijven een mooi voorbeeld van de overwinning van het echte handwerk.

Wereldwijven is een groot succes in Frankrijk. Van de twee verschenen delen zijn inmiddels 250 duizend exemplaren verkocht. Op het tweede deel, toepasselijk Wereldwijven 2 geheten, is het nog even wachten: dat verschijnt pas volgend jaar in het Nederlands.

Pénélope Bagieu – Wereldwijven. Scratch, 144 pagina’s € 27,90