Strips & comics

Gelezen: Frenk Meeuwsen – Zen zonder meester

Het stripdebuut van Frenk Meeuwsen is bepaald geen niemendalletje. In bijna 300 pagina’s vertelt hij het verhaal van Frenk die opgroeit in Nederland en een tijd in Japan woont. Frenk heeft een bovenmatige interesse in het spirituele en bezit de gave van de verwondering: hij staat open voor veel fenomenen, maar behoudt toch zijn nuchterheid. De titel verwijst hiernaar: ook zonder leidraad of goeroe kun je een goed leven leiden; een dat prima in balans is. Frenk vraagt zich terloops af of een perfect leven wel nastrevenswaardig is. Misschien dat het nog beter is om alles gewoon te laten gebeuren.

Zen zonder meester heeft een hoge herleesfactor. Wie het album in de buurt houdt, zal zien dat het steeds uitnodigt om er even bij te pakken. Er zijn veel verhaallijnen die niet af of opgelost zijn na eerste lezing. Zo’n scene doet zich voor aan tafel als Frenk vraagt hoe klappen met één hand klinkt. Terwijl het hem niet lukt de idee achter de vraag op te lossen, vergeet hij het belangrijkste: het te doen, om te horen. En ja, zo klinkt het. Dat een vraag niet voor de hand ligt (no pun intended), wil niet zeggen dat er geen antwoord mogelijk is. Dit klinkt anekdotisch, maar de vraag blijft toch rondzingen: misschien zit hetzelfde gegeven ook in andere zaken verstopt. Het zet de lezer op scherp.

Een ander slim gegeven is dat het personage Frenk niet wordt geportretteerd als een zweverige jongeman, waarmee de clichés geen vat om hem krijgen. Hij is eerder filosofisch angehaucht dan mystiek geïnteresseerd.

Zen zonder meester is een interessante en vooral leuke leeservaring. Juist doordat Frenk met een open en scherpe blik naar alles kijkt, weet hij steeds een dimensie aan zijn observaties toe te voegen. Feitelijk demystificeert hij de grote gebaren om tot de kern door te dringen: geloof geen man die zich Ayoshi noemt maar gewoon Jan heet; het boeddhisme is een opeenvolging van rituelen en mediteren is zitten en niet veel meer. Het grappige is dat Meeuwsen het met dezelfde stelligheid beweert als de Ayoshi’s van onze samenleving: ook Zen zonder meester heeft onmiskenbaar zelfhulpboekachtige trekjes, zij het op lichtvoetige wijze.

Zen zonder meester is een verhaal dat de juiste toon aanslaat en de lezer veel inzichten geeft. Lees het met dat idee en je zult aangenaam verrast worden. Het is bovendien een album dat ook voor minder doorgewinterde striplezers een prettige kennismaking met het medium is.

Strips & comics

Gelezen: Laurent Verron & Yves Sente – Ze noemden hem Rooie

Hoewel Ze noemden hem Rooie gaat over een robbedoes en we uiteindelijk te maken blijken te hebben met het personage dat model stond voor Robbedoes, is dit feitelijk geen Robbedoes-verhaal. Rooie wordt in het album gepresenteerd als het personage op wie de heldhaftige piccolo uiteindelijk is gemodelleerd. Toch past het qua formaat en opzet in de Robbedoes door…-reeks, de serie rond de piccolo die steeds door andere auteurs wordt getekend.

Deze keer is het de beurt aan Verron, die ons een heel andere blik gunt op het robbedoesuniversum dat met name Franquin heeft vormgegeven en dat wij doorgaans als referentie beschouwen. Verron tekent krasseriger, realistischer en met lekker veel soul. De pagina’s swingen en zien er -ondanks de soms bedompte kleuren- goed uit.

Het verhaal gaat min of meer over Rooie, een acrobaatje van een jaar of twaalf dat besluit naar Amerika te vertrekken nadat zijn moeder komt te overlijden in het circus. Het is eigenlijk een van de verhaallijnen die tezamen komen op een cruisschip met bestemming Amerika: Rooie heeft aangemonsterd op het luxe schip, waarop ook een rijke industrieel en zijn zieke dochter meereizen. De industrieel heeft even daarvoor honderden mensen ontslagen en op de boot wordt hij gechanteerd door gedupeerde werklui, die de ontslagronde ongedaan willen maken. Dat is feitelijk de hoofdvertelling van het verhaal. Intussen ziet het dochtertje onze Rooie wel zitten.

Er ontwikkelt zich een avontuur waarin Rooie, de bemanning en de industrieel steeds achter de feiten aanlopen: ze hebben de eerste aanslagdreiging amper verijdeld of er dient zich een tweede aan, en daarna ook nog een diefstal. Het enige wat ze doen is anticiperen. Steeds opnieuw moet er iets worden opgelost, totdat alles en iedereen ontmaskerd is. En dan blijkt de geschiedenis van Rooie en de dochter ineens belangrijker dan die van de gedupeerde werknemers. Dat probleem is zijdelings afgewikkeld.

Scenarist Yves Sente heeft er een interessant gegeven aan toegevoegd: een van de kapiteins op het schip is Robert Velter, die in zijn vrije tijd niet onverdienstelijk (strip)tekeningen maakt. Deze Velter heeft echt bestaan en is de geestelijk vader van het figuurtje Robbedoes, dat hij in 1934 bedacht. Op de boot ontmoet hij Martin Branner, de striptekenaar van Winny Winkle, die hem een baan aanbiedt als assistent. Ook dat is historisch juist. Of Velter echt een jongetje heeft gekend dat Rooie heette en model stond voor Robbedoes vertellen de geschiedenisboeken niet.

Ze noemden hem Rooie is ondanks de buitelende opeenvolging van gebeurtenissen toch een leuk verhaal geworden. De tekeningen van Verron zijn mooi, actief en het verhaal heeft veel vaart. Misschien beter om afgeleide Robbedoesverhalen niet steeds langs de meetlat van Franquin te leggen: dit album biedt genoeg leesplezier. En 78 pagina’s op groot formaat is ook nog eens waar voor je geld.

Strips & comics

Gelezen: M.L. James – Ghost Stories of an Antiquary, a graphic collection I & II

Het literaire oeuvre van H.P. Lovecraft (1890-1937) is al decennia een inspiratiebron voor striptekenaars, de laatste jaren nog meer dan voorheen. Vijf jaar geleden verscheen van Erik Kriek Het onzienbare en andere verhalen, waarin opgenomen zes kortverhalen van de Amerikaanse horrorschrijver. De Britse tekenaar Ian Culbard heeft inmiddels een omvangrijke serie Lovecraft-albums, waarvan The case of Charles Dexter Ward echt geweldig is. In het populaire steampunk-genre wordt geregeld een Lovecraft-klassieker bewerkt, om nog maar te zwijgen van de tientallen horror-comicseries die geïnspireerd zijn op diens werk: Mike Mignola’s Hellboy, Alan Moore’s Necronomicon en Scott Snyder’s The Wake.

Over inspiratie gesproken: Lovecraft zelf was een groot bewonderaar van het werk van Montague Rhodes James (1862-1936), een Engelse horror & fantasy-auteur die schreef onder de naam M.R. James. ‘A literary weird fictionalist of the very first rank’, vond Lovecraft. Van deze James verschenen niet eerder stripbewerkingen. Tot voor kort.

Ghost Stories of an Antiquary heet de verzameling korte verhalen waarvan afgelopen jaar het tweede deel verscheen, met een identieke omslag als het eerste, behalve de kleurstelling. De titel verwijst naar een roman van James uit 1904. Beide grafische bloemlezingen zijn een fraaie ontdekkingstocht: niet alleen zal het voor veel lezers de eerste kennismaking zijn met het werk van James, ook lezen we hoe een soortgenoot van Lovecraft het genre vorm gaf. En misschien waar H.P. de mosterd haalde.

Om te beginnen gaat het bij James vooral om geesten en dus vaak om de bovennatuurlijke suggestie. De verhalen draaien voornamelijk om de angst van de personages in combinatie met een nieuwsgierige fascinatie voor het occulte en middeleeuwse. Een mooi voorbeeld is het verhaal Canon Alberic’s Scrap-book, van de hand van de Spaanse tekenaar Aneke.

De flamboyante Dennistoun is een vorser van oude geschriften en raakt verzeilt in de Pyreneeën waar hij zich verdiept in kerkelijke geschriften. Aanvankelijk slaat hij alle mystieke waarschuwingen in de wind, maar gaandeweg moet hij zelf ook erkennen dat er onverklaarbare zaken plaatsvinden: hoe meer hij te weten komt, des te prominenter de dreiging. Tot dat hij denkt te begrijpen wat er gaande is.

De horror en suspense in de verhalen is niet van de smerige soort. Er zijn geen zombies en afgehakte ledematen; de onderwerpen zijn verhevener, met thema’s uit de architectuur en kunst, in een academische context. Er wordt veel gelezen en gediscussieerd, de personages zijn bepaald niet onbemiddeld. Het vuige zit in de middeleeuwse thematiek, vaak de bron van onderzoek.

De vorm van een bloemlezing pakt in dit geval goed uit, vanwege de verscheidenheid aan stijlen: van de klare lijn van George Kambadais en Fouad Mezher tot de poëtische en kleurrijke pagina’s van Meghan Hetrick. Alisdair Wood weet met zijn bewerking van The Ash-tree het wezen van James’ werk het beste uit te beelden, met grimmige, fragmentarische illustraties die lezen als een fotoverslag van een ongeval.

Het oorspronkelijke taalgebruik en de dialogen zijn grotendeels overeind gehouden en dat geeft de verhalen raffinement en schwung. Zo geniet de lezer optimaal van het oorspronkelijke literaire werk, dat met de stripbewerkingen een ongezonde extra dosis horror meekrijgt.

Strips & comics

Gelezen: Jack Manini & Michel Chevereau – Onder een loden hemel

Soms heb je gewoon het geluk dat alles op zijn plaats valt. Dat je op pagina 10 al weet dat je goed zit voor de komende twee uur. Die kans is groot met Onder een loden hemel, een tweedelige strip van de hand van Michel Chevereau en scenarist Jack Manini, over een vliegtuigbouwer die na WO II naar Argentinië vertrekt om daar de regering te overtuigen van zijn superieure jachtvliegtuig. Maar pas op, het is niet de zoveelste vliegtuigstrip; dit is veel meer.

Het verhaal is wat betreft stijl, uitstraling en historische verantwoording perfect uitgewerkt. Alles is op één lijn: de tekeningen, inkleuring, vaart en opbouw, en dat in een historische setting die het verhaal perfect draagt.

Onder een loden hemel begint in Buenos Aires, in september 1945, als er onrust is tussen voor- en tegenstanders van Juan Perón en zijn maitresse Eva Duarte. Als Perón gevangen wordt genomen, breekt de pleuris uit. Hij wordt vrijgelaten en kort daarna verkozen tot president van Argentinië. Hij is dan inmiddels getrouwd en zijn vrouw, Eva Perón, ontpopt zich als weldoener voor de gewone, armlastige Argentijn.

In die historisch turbulente tijd werkt een Franse vliegtuigbouwer aan het prototype van zijn jachtvliegtuig, in de hoop de regering van Argentinië te interesseren. Vanwege de stroperige, wantrouwende ambtenarij krijgt deze Jean Vatine geen voet aan de grond. Pas als hij in contact komt met Consuela Martinez verandert de zaak: zij is een goede vriendin van Eva Perón en kan zo haar invloed aanwenden. Het gaat Jean ineens voor de wind, met een schone wederhelft die hem bovendien zakelijk tot grote hoogten stuwt.

Het prototype komt er, maar dan blijkt dat Vatine niet de enige gegadigde is. Ook een Duits gezelschap, onder leiding van de perfect getypecaste Gunther Rauff, dingt mee naar de gunsten. Voor het ministerie van defensie een uitgemaakte zaak: degene met het beste vliegtuig krijgt de opdracht.

Wat volgt is een venijnige wedijver met sabotage-acties, infiltranten en achterdocht. Het verhaal ontwikkelt zich niet alleen op aviatisch gebied; ook op het romantische vlak breken stormachtige tijden aan, aangezwengeld door nota bene de dochter van Consuela en de zoon van Jean.

Het verhaal werkt slim naar het sluitstuk toe. Op allerlei vlakken wordt de onderlinge rivaliteit uitgevochten, met spannende ontknopingen en verrassende wendingen als resultaat. Het verhaalgegeven van het beste vliegtuig blijft als enige een beetje hangen. De daadwerkelijke strijd blijkt een wedstrijdje snelvliegen. Buck Danny-lezers weten waar dat op uitdraait: toffe straaljagers met witte strepen uit de staart die de vliegrichting aangeven. In de Frans-Duitse tweestrijd suizen de vliegtuigen rakelings langs elkaar, als een spontaan maar grimmig luchtballet. Kies daar maar eens een winnaar uit.

Onder een loden hemel bestaat uit twee losse albums, die tegelijkertijd verschijnen. Aan het eerste album is een interessant dossier bijgevoegd over Duitse ingenieurs die meteen na WO II naar Argentinië vertrokken om daar zonder omzien verder te werken aan het perfecte gevechtsvliegtuig. Het dossier had even goed aan het tweede album toegevoegd kunnen worden, want dit verhaal is er niet naar om onderbroken te worden.

Strips & comics

Gelezen: Sammy Harkham – Crickets #6

Naast een wekelijkse stortvloed aan (superhelden)comics en een flinke hoeveelheid graphic novels, verschijnt er in de Verenigde Staten nog een soort stripverhalen. Deze hybridevorm heeft het uiterlijk van een comic, met nietjes, maar heeft qua inhoud meer weg van een tijdschrift. Meestal staan er naast een doorlopend verhaal, waarvan steeds een hoofdstuk wordt gepubliceerd, ook korte verhalen in, die soms zijdelings te maken hebben met de hoofdmoot.
Deze serials worden vooral in het alternatieve cicruit gemaakt: in eigen beheer, zonder strikt commerciële bedoelingen en daardoor meestal met een compromisloze, interessante onderwerpskeuze. Vaak zijn de verhalen autobiografisch, linksgeoriënteerd, experimenteel of zo specifiek van toon en vorm dat ze niet tot de mainstream worden gerekend.

In de jaren negentig nam de serial een enorme vlucht. Een selecte groep excellente striptekenaars wist met hun periodieken de aandacht te trekken van de grotere alternatieve uitgeverijen – Fantagraphics, Drawn&Quarterly en Alternative Press. Vaandeldragers waren Palookaville van Seth, Optic Nerve van Adrian Tomine en Eightball van Daniel Clowes; deze tekenaars begonnen allemaal met serials en behoren inmiddels tot de progressieve gevestigde orde. Hun werk heeft een enorme invloed gehad op veel hedendaagse striptekenaars, ook in Nederland.

In latere jaren verplaatste een deel van de jonge garde zich naar online publishing, maar nog altijd verschijnen er mooie serials op papier. Dat zijn met name Kevin Huizenga’s Ganges, een geniale strip waarin de trage alledaagsheid van protagonist Glenn Ganges onder een filosofisch en wetenschappelijk vergrootglas wordt gelegd, en Crickets van Sammy Harkham, dat stemmig wordt omschreven als een verhaal over lafheid, verbijstering, list en stompzinnigheid.

Van Harkhams Crickets verscheen onlangs het zesde nummer, waarin opgenomen het vierde deel van Blood of the virgin. Vanwege de flinke tijdspanne die tussen de nummers zit – meestal eens per jaar, Crickets #5 verscheen in 2016 – is het verhaal scenematig ingedeeld, zodat de lezer niet allerlei cliff hangers hoeft te onthouden. Seymour werkt als editor bij een filmbedrijf in Los Angeles, in 1971. Zijn wens is om ooit een film te regisseren; het script heeft hij al. Zijn ambitie en focus is aandoenlijk, de mensen om hem heen egocentrisch en vluchtig. Seymour zet alles op het spel en glijdt langzaam weg.

Het fraaie van het werk van Harkham, vooral in Blood of the virgin, is dat het verhaal zich op meerdere niveaus afspeelt: we zien het verval van Seymour prachtig in beeld en tegelijk lezen we dialogen waarin we een zelfverklaard filmmaker zien vasthouden aan zijn steeds kleiner wordende wensdroom en zo probeert overeind te blijven. Het is gaandeweg niet langer in overeenstemming met elkaar, al is er geen verteller die de lezer daarop wijst. Deze gang omlaag vindt bovendien plaats in een plastic entourage zoals we die van televisie kennen: de oppervlakkige kunstzinnige filmwereld, met haar lege feesten, luchtkusjes en de katers van hoop en verlies. Wat je ziet en wat je weet is niet in balans.

In Crickets #6 is naast het vierde deel van Blood of the virgin een kortverhaal opgenomen. Het is een bedaarde, trage bewerking van het gedicht War van de Ierse dichter Francis Ledwidge, die volgens hetzelfde procedé is opgezet: we lezen het ene en zien iets anders, waardoor de lezer werktuiglijk op zoek gaat naar datgene in het midden. Soms sluit de getekende voorstelling iets uit, een andere keer zet het ons op het spoor. Uiteindelijk moeten we ons tevreden stellen met de ontdekkingen die we zelf doen. Het is de methode die Harkham al sinds zijn indrukwekkende korte verhaal Poor Sailor hanteert: de indruk dient zich aan, de witte ruimte eromheen is voor de lezer. Of de titel indachtig: je hoort de krekel, maar je ziet ‘m nooit.

Strips & comics

Gelezen: Thomas Du Caju & Jean-Claude van Rijckeghem – Little England

Het tweeluik Little England kan maar zo een voltreffer zijn, want tekenaar Thomas Du Caju en scenarist Jean-Claude van Rijckeghem zijn niet van gisteren: zij hebben al acht albums van Betty en Dodge op hun naam staan. Dat is een heel behoorlijke serie, die zich afspeelt in de jaren dertig en qua sfeer en uitstraling in de buurt zit van Little England. Daarbij zien de strips er exact hetzelfde uit, vooral vanwege de plastische inkleuringen.

Little England is een tweedelige avonturenstrip die speelt in het door Engelsen overheerste Birma in 1941. De overdadige flapteksten laten er geen misverstand over bestaan: de cyclus is adembenemend, soms gevoelig en soms gewelddadig. Logisch ook, de pas zestienjarige hoofdpersoon Jonathan is terechtgekomen in de maalstroom van de geschiedenis, terwijl hij ook nog eens geconfronteerd wordt met zijn eigen gevoelens.
Hij is bovendien een halfbloed, met een Engelse vader en een Birmese moeder, en dat zorgt voor loyaliteitsproblemen en een gespleten kijk op de wereld om hem heen. In de verte rinkelen zachtjes de alarmbellen.

In Little England maakt de lezer kennis met de opstandige puber Jonathan, met zijn strenge vader die altijd in militaire kleding rondloopt en met de schoolmeester, die zwaaiend met zijn tuchtroede voorkomt dat de jongens op het verkeerde pad raken: geen onzedige gedachten en geen gegluur naar sportende meisjes.

Dat Jonathan een paar pagina’s verderop door toedoen van zijn wilde oom verzeild raakt in de slaapkamer van een nachtclubdanseres en zijn hart aan haar verliest: het kan nog net. Sommige jongens worden in een paar pagina’s volwassen. Maar dat deze dansende Ruby eigenlijk een spion is voor de Japanners en dat de vasthoudende Jonathan haar werkzaamheden met zijn gevlei erg ingewikkeld maakt, is al moeilijker voor te stellen. Het verhaal is dan pas net begonnen.

De geschiedenis wordt gaandeweg zo onwaarschijnlijk, met zoveel toevalligheden en plotwendingen, dat het zelfs met ducttape lastig bij elkaar te houden is. Complete scenes worden opgevoerd om het verhaal kloppend te houden en geen gedraging blijft onbenoemd: alles en iedereen wordt verklaard, wat de gesprekken topzwaar en onwaarschijnlijk maakt.

Als na verloop van tijd een Japanner dodelijk wordt getroffen door een haarspeld, die Jonathan nota bene als aandenken had gepikt en later aan Ruby teruggeeft, is het verhaal over de rand van geloofwaardigheid gekukeld. Daarna krijgt hij nog een amulet van een grotbewoner, die Jonathan ontmoet als hij over een muurtje struikelt en naar beneden valt. Waarom? Geen idee. Wie zich dat soort zaken afvraagt, komt al snel hopeloos in de knel.

Het einde van het tweeluik is exemplarisch voor het verhaal. De onfortuinlijke jongeman die even daarvoor nog met zijn hoofd in een strop stak, zijn vader voor zijn ogen ziet sterven, een aanslag overleeft én een slagregen aan vliegtuigbommen trotseert, besluit zich te verenigen met zijn klasgenootje Becky. Hij vindt haar vlakbij in een huis dat als enige niet door de bommen is getroffen. Becky, niet werkelijk onder de indruk van de verschrikkingen om haar heen, weet waarom ze gespaard is: zij kreeg het amulet van Jonathan en dat heeft haar beschermd. Alsof er niets aan de hand is moet er ontbeten worden en zit het verhaal erop.

Strips & comics

Gelezen: Jonathan Cartland 1: De Indianenvriend en 2: Het laatste konvooi naar Oregon

In het western-genre neemt Jonathan Cartland een aparte positie in. In de stripreeks van Michel Blanc Dumont, op scenario van Laurence Harlé, treffen we weinig vanaf de heup schietende cowboys aan en knokken de laveloze outlaws elkaar de saloon niet uit. Cartland is een rustiger heerschap, uiteraard met een enorm rechtvaardigheidsgevoel, dat zich niet zomaar in ieder wespennest steekt voor persoonlijk gewin of de gunst van een mooie dame. Al wordt er natuurlijk genoeg geschoten en achtervolgd.

Onlangs verschenen de eerste twee van tien delen uit de western-reeks op groot formaat, in een luxe zwart-wit uitgave: De indianenvriend en Het laatste konvooi naar Oregon. Beide albums zijn keurig en kundig gerestaureerd en prachtig opnieuw geletterd. Leg de oorspronkelijke albums en de nieuwe naast elkaar en je ziet hoe werkelijke aandacht een pagina kan optillen.

De tekeningen komen door de grootte van de albums en de rust van de nieuwe letter veel beter tot hun recht. En dat zal mettertijd alleen maar fraaier worden: Blanc-Dumont kreeg in de latere albums de slag steeds beter te pakken. Het is nu al uitzien naar de grootformaten van De vloek van het water en De rivier van de wind.

In het spectrum zitten de verhalen rond Jonathan Cartland tussen Blueberry en Buddy Longway in. De eerste is de onverschrokken held die zich de positie van indianen aantrekt, zoals Cartland, en aan de andere kant Longway, de trapper die met een inheemse trouwt en het liefst met rust gelaten wordt, tot het moment dat het onrecht zich aandient.

Het eerste deel, De indianenvriend, heeft een klassiek western-plot; de blanke bezetter heeft zijn oog laten vallen op duizenden hectares land dat aan een indianenstam toebehoort. Zij zetten met list en bedrog de bevolking tegen de Sioux op en hopen zo het land in te kunnen nemen. Cartland doorziet het vuile spel en licht de indianen in. Dankzij Jonathans hulp wenden ze de aanval af. Jonathan, ook niet van gisteren, maakt meteen van de gelegenheid gebruik om de hand te vragen van Kleine Sneeuw, de mooie dochter van het stamhoofd.

Hoewel de albums los te lezen zijn, gaat het verhaal in deel 2, Het laatste konvooi naar Oregon, verder waar we gebleven zijn. Jonathan en de zwangere Kleine Sneeuw wonen in een fraaie trapperswoning in de Absaroka Mountains. Met de kleine erbij is het geluk compleet, totdat het noodlot toeslaat. Kleine Sneeuw wordt beroofd en gedood. Jonathan is in shock, trekt naar de stad en raakt aan de drank. Via via komt hij erachter wie zijn vrouw heeft omgebracht en dus wordt de achtervolging ingezet: weer een klassiek western-abc’tje, maar wel met een paar sterke plotwendingen die het spannend houden.

Wat de nieuwe albums extra cachet geven zijn de toegevoegde dossiers, met in het eerste deel naast een artikel over beide makers en de ontstaansgeschiedenis ook een mooi kortverhaal: de debuutstrip De legende van de vogelman. In deel 2 is een interessant egodocument van Michel Blanc-Dumont afgedrukt, samen met een overzicht van illustraties uit het Franse western-tijdschrift Round-Up.

Het is mooi om de oude verhalen van Jonathan Cartland, die verschenen tussen 1975 en 1995, terug te lezen. De eerste twee delen zijn na veertig jaar niet gedateerd of traag geraakt. Maar het echt waardevolle zit in iets wat buiten de verhalen ligt. De albums zijn groot, voelen stevig en met het omslaan van elke bladzijde komen de pagina’s zo mooi tot hun recht dat dát het echte genot van deze toegewijde editie is. Ronduit schitterend. Echt.

Strips & comics

Gelezen: Lectrr & Stedho – Red Rider

In de stortvloed aan spin-offs die de stripwereld het afgelopen jaar te verwerken kreeg, zaten nauwelijks hoogvliegers. Weinig originele gedachten, te veel brave afgeleide verhalen met verwijzingen naar het origineel en vaak gebracht met een overdreven schatplichtigheid.

Dat het anders kan bewijzen Stedho en Lectrr met Red Rider, een drieluik dat losjes is gebaseerd op De Rode Ridder van de Vandersteen Studio’s.

Zij die de Rode Ridder nog kennen uit de tijd van de blauwe omslagen, van de ridder met de rode cape, zullen daar niets van terugzien. Ook de reguliere reeks is met de jaren qua uiterlijk en uitstraling behoorlijk aangepast. Met Red Rider zet tekenaar Stedho nog een extra stap, en die is niet onverdienstelijk: het verhaal van scenarist Lectrr leest vlot en is boeiend. De vaart blijft er prima in.

In de drie delen van Red Rider die binnen een tijdsbestek van twee maanden verschenen zien we geen ridder te paard, maar is het hoofdpersonage een Irak-veteraan die zich ergens in het rurale Amerika van nu ophoudt. Hij rijdt motor en bezorgt pakjes. Zijn bedrijf heet Red Ex.

Een van die pakjes is bestemd voor Merlijn, een aan lager wal geraakte crackverslaafde circusartiest. Later blijkt dat Merlijn zich verborgen houdt voor zijn aartsvijand B’hal, die de wereld in de verdoemenis wil storten. Dat kan B’hal alleen als hij alle zeven delen van een magisch kleitablet in zijn bezit krijgt. Hij mist nog één stukje en dat zit in het pakje dat Red heeft bezorgd.

B’hal heeft intussen zijn handlangers opdracht gegeven de scherf terug te bezorgen en zo komen de kwaaien bij Red uit.

Het personage B’hal is bekend bij de lezers van de klassieke reeks. Het is Bahaal, de Prins der Duisternis, die het al sinds 1969 aan de stok heeft met de Rode Ridder. B’hal is een grootmeester van de zwarte magie en dat blijkt vooral in het afsluitende deel, Het huis Merlijn. Daar draagt B’hal de magiërspij en suizen de vloeken, offerandes en magische windvlagen je om de oren. Met de slotscène breekt het scenario van Lectrr duidelijk met de eerste twee delen die aardser zijn.

Ergens vraag je je af waarom B’hal zijn twee onkundige handlangers steeds op pad stuurt om de scherf te zoeken: is er geen zwart kunststukje dat hem beter helpen kan? Een spreuk desnoods.

Wat het verhaal mooi maakt is het ingenieuze plot, dat kunstig verweven is door de drie delen. In deel 1, De zevende scherf, danst het verhaal van de perspectiefwisselingen. We leren alles en iedereen kennen om goed voorbereid te beginnen met het tweede deel, Teufelsberg. Daar leert Red de ware toedrachten kennen en weet hij in wat voor wespennest hij zich gestoken heeft. Hij vindt een reden om zich toch in deze zaak vast te bijten en doet dat niet alleen; Celeste die hij ergens onderweg ontmoet en die in het verhaal steeds zijn pad blijft kruisen, helpt hem. Ook niet zonder reden overigens.

Bijzonder curieus is de flaptekst van het eerste deel. Achterop wordt niet alleen kort de inhoud van het eerste deel uit de doeken gedaan, bij wijze van samenvatting, maar ook alvast van de twee andere delen. Een afrader: het haalt de spanning nogal uit het verhaal.

De tekeningen zijn solide, met name de karakterkoppen zijn treffend. De pagina’s zijn spectaculair opgebouwd, heel filmisch, met veel actie en het kleurgebruik is echt voortreffelijk. Jammer dat nergens in de albums te vinden is wie voor de kleuren verantwoordelijk is, zeker als het zo sfeerbepalend is als bij Red Rider.

Het verhaal is meedogenloos en hard, met personages die de vrolijkheid een paar jaar geleden voorgoed hebben uitgezwaaid, en dat is even wennen. Het is allemaal wat vuiger en ranziger dan je verwacht. Misschien moet je van tevoren op geen enkele manier die oude Rode Ridder voor ogen hebben. Daar heeft het uiteindelijk, behalve enkele bekende figuren uit die reeks, toch te weinig mee te maken.

Strips & comics

Gelezen: Joff Winterhart – Driving short distances

De 27-jarige Sam is een eeuwige zoeker. De slungelige jongeman is traag en ronduit inspiratieloos. Hij sleurt zich door het leven en is voor het gemak weer bij zijn moeder gaan wonen. Als op een dag ene Keith zich meldt met een baantje voor Sam, weet hij niet wat hij moet doen. Keith is een achterneef van Sams vader die vertrok toen Sam nog een jongetje was. Keith zit in de vertegenwoordiging en zijn werk bestaat voornamelijk uit het afleggen van bezoekjes aan afnemers en productiebedrijven. Wat Sam moet doen, is niet duidelijk. Zoals er wel meer niet echt duidelijk is in het heerlijke Driving short distances van Joff Winterhart.

De titel Driving short distances slaat op de bezoekjes die Keith en Sam afleggen aan allerlei lokale firma’s. Onderweg vertelt Keith honderduit over zijn werk, met name het ingenieuze van zijn logistieke inzichten die hij leerde van zijn mentor ‘en vaderfiguur’ Geoff Crozier. Maar eigenlijk komt alles aan bod, want Keith weet erg veel. Behalve over Sam, die halverwege eens verzucht: eigenlijk vraagt hij nooit eens hoe het met mij is of wat ik ergens van vind. Om daarna te constateren dat hij dat wel prettig vindt.

Het verhaal heeft een mooie balans ondanks dat de gesprekken eenrichtingsverkeer zijn. Keith praat en Sam luistert. Sams gedachten zijn voor de lezer.

De dagen zijn vrijwel identiek. Ze rijden naar een willekeurig industrieterreintje, Keith gaat naar binnen en Sam wacht in de auto. In de middag eten ze een pastei en aan het einde van de dag gaat Sam naar huis. De entourage is heel Brits, die van de werkman en het alledaagse, en dat tilt het verhaal gek genoeg op een hoger niveau. Het lijkt gaandeweg alsof de levens van Keith en Sam niet veel van elkaar verschillen, met dat onderscheid dat Sam werkelijk geen idee heeft wat hij met het zijne aanmoet, terwijl Keith zogenaamd alles perfect onder controle heeft.

Het verhaal ontwikkelt zich heel geleidelijk en op een prachtige manier. De personages zijn intrigerend op een haast voyeuristische manier. De lezer raakt meer en meer vertrouwd met de vuige pasteibakster, de zwakbegaafde Kenny, receptioniste Val maar vooral met Keith: een herkenbare figuur met stugge en zachte kanten.

Winterharts expressieve tekenstijl is niet ieders kopje thee. De pagina’s zijn in gewassen blauwe inkt opgezet en beperken zich in hoofdzaak tot de personages. De koppen hebben karakter, maar zien er gedateerd uit: zoals de illustraties uit de Taptoe of Jippo van eind jaren zeventig. De lijven zijn op het groteske af. De handen van Keith zijn immens en overdadig behaard; Sam is een wel heel lijzige verschijning. Val zegt over hem: het is alsof ik een paperclip knuffel.

Driving short distances verdient alle ballen, sterren en duimpjes die voorhanden zijn. En toch, hier openbaart zich de makke van dit soort strips. Je leest de achterflap en denkt: interessant, leuk; maar het vergt even wat inzet om langs de tekeningen te kijken. Wie dat doet, is spekkoper. Geheid.

Strips & comics

De beste strips van 2017

Om met de conclusie te beginnen: 2017 krijgt als stripjaar een dikke 7-en-een-half. Het was geen uitgesproken jaar, maar er verschenen genoeg interessante strips en graphic novels om je met gemak een breuk te lezen, op een prettige en (intellectueel) uitdagende manier.
In een interview met een kersverse Haarlemse stripwinkelier verzuchtte deze onlangs dat hij nu eens van dichtbij meemaakt hoeveel er eigenlijk verschijnt: het is werkelijk niet bij te houden. Nu lijkt me dat sowieso geen gezonde bezigheid, maar toch. We mogen niet klagen. Uitgevers zijn bepaald niet terughoudend, waarvoor hulde.

Wat in 2017 opviel is de constante stroom aan hommage-albums en nevenreeksen. Bekende stripseries worden uitgeleend, gepimpt en met veel bombarie op het publiek losgelaten, maar de verhalen zijn zelden echt de moeite waard. Wie iets tekent in de traditie van een ander, doet vaak diegene én zichzelf tekort. Geen van die albums heeft de lijstjes gehaald.

De gezondheid van de strip kun je voor een belangrijk deel aflezen aan het aantal interessante debuten dat verschijnt en dat is wel eens beter geweest. Het heeft er deels mee te maken dat uitgeverij Strip 2000 dit jaar het loodje legde: die uitgever durfde in het verleden veel en gaf jonge tekenaars alle kansen. Toch is mijn glorieuze gouden-medaillewinnaar van 2017 een debuut en dat is goed nieuws.

Inmiddels heeft de top 10 al iets van een gezellige traditie, zodat het leuk vergelijken is met de lijstjes van 2014, 2015 en 2016. Vooral interessant om te zien dat alles met een indiaan of een cowboy onverminderd op mijn sympathie kan rekenen. Dit jaar staat er weer keurig een dikke Tex Willer in de lijst samen met deel 2 van Stern.
Verder blijft het jammer dat het om een momentopname gaat: ik heb zoveel mooie albums uit eerdere jaren gelezen, die hier helaas onvermeld blijven (Gods don’t lie, Grickle, Amaa, Tim Ginger, Hubert).

Over mijn Nederlandstalige nummer 1 hoefde ik niet na te denken. Al sinds januari staat het imposante Wolven van Ward Zwart en Enzo Smits fier bovenaan en dat debuutalbum is het hele jaar niet aan het wankelen gebracht. Een echte aanrader die veel meer aandacht verdient.
Maar zoals ik van een stripwinkelier hoorde: “Het heeft geen titel op het omslag, geen auteursnamen en het is nogal donker. En binnenin is het zwart-wit. Of beter gezegd: grijs, op heel dun papier. Dat is lastig te slijten.” Allemaal waar, maar toch: nummer 1, onbetwist. Avontuurlijke lezers worden beloond.
Over covers gesproken: Had meneer nog iets gewenst? heeft ook al geen omslag met een hoge attentiewaarde maar is een schitterend verhaal.

2017 was ook het jaar dat Saga begon met het in flinke vaart uitgeven van het verstripte werk van Marcel Pagnol, de Franse romancier-cineast (1895-1974) wiens herontdekking tot op vandaag zes prachtige Nederlandstalige albums opleverde, waarvan het tweeluik Topaze het mooiste is. Naar het schijnt willen de Fransen er een reeks van dertig albums van maken. Ik heb er alvast een Billy voor bijgekocht.

Klik op de titel voor mijn recensie.

Top 10 NL

1 Wolven – Ward Zwart en Enzo Smits (Bries)
1 Topaze – naar Marcel Pagnol (Saga)
2 La casa – Paco Roca (Soul Food Comics)
3 Gegijzeld – Guy Delisle (Scratch)
4 Een zus – Bastien Vivès (Casterman)
5 Had meneer nog iets gewenst? – Virginie Augustin (Dargaud)
6 Münchhausen en Freud – Flix en Bernd Kissel (Soul Food Comics)
7 Stern 2: De stad van de wilden – Julien Maffre (Dargaud)
8 De glorie van m’n vader – naar Marcel Pagnol (Saga)
9 Tex Willer: Man van Atlanta – Jordi Bernet (Hum)
10 Familieziek – Van Dongen (Scratch)

Mijn Engelstalige lijstje wordt aangevoerd door de autobiografische memoires van Thi Bui, die als kind met haar zusjes en ouders per boot vluchtte uit Vietnam. Omdat ze zelf voor het eerst moeder wordt, richt ze zich in het verhaal voornamelijk op de rol van haar toen nog jonge moeder, die voor hete vuren stond maar daar nooit over sprak.

The Girl from The Other Side is een grote ontdekking: een dark fantasy sprookje in manga-stijl. Ik had niet vermoed daar ooit nog eens in verzeild te raken. Maar na een kwartiertje was ik al hooked. Het zorgde er subiet voor dat ik het genre ben ingedoken en op aanraden van zowat iedereen daarna Monstress heb ontdekt. Ook al zo’n onderdompeling.

Over comics gesproken: het afgelopen jaar verschenen weer drie afleveringen van Comics Krenten in Zone 5300, waarin alle hoogtepunten werden besproken: hier, hier en hier.

Het tweede deel van Noah van Scivers avonturen van wannabe dichter Fante Bukowski is een echte aanrader, vanwege de zeurderige humor en een hoop poëtisch nihilisme. Ook hilarisch is de cartoonbundel Baking with Kafka van Tom Gauld, zoals eigenlijk alles van hem top is.

Op een andere manier buitensporig is Driving short distances; een verhaal over een vertegenwoordiger die een 28-jarige slungel in dienst neemt: voor wat? Niemand heeft een idee. De twintiger hoeft namelijk zo goed als niets te doen, behalve te luisteren naar de eindeloze stortvloed aan verhalen over logistiek, management en zaken die dieper gaan: pasteitjes, collega’s en de zin van het leven.

Top 10 EN

1 Best we could do – Thi Bui (Abrams)
2 Driving short distances – Joff Winterhart (Jonathan Cape)
3 The girl from the Other Side – Nagabe (Seven seas)
4 Baking with Kafka – Tom Gauld (Fantagraphics)
5 Black Hammer – Jeff Lemire en Dean Ormston (Dark Horse)
6 Fante Bukowski 2 – Noah Van Sciver (Fantagraphics)
7 Monstress – Marjorie Liu en Sana Takeda (Image)
8 On the Camino – Jason (Fantagraphics)
9 Rebels, These Free and Independent States – Andrea Mutti en Brian Wood (Dark Horse)
10 The park bench – Christophe Chabouté (Gallery 13)

Tot slot de andere zaken die hebben bijgedragen aan een mooi stripjaar. Mijn hoogtepunt was een bezoek aan het Lakes International Comic Arts Festival in Kendal, UK. Het is een heerlijk stripfestival in een pittoresk stadje in Cumbria, waar het ondanks het typische Engelse weer werkelijk hartverwarmend was. Een mooier stripfestival bestaat er niet: een tjokvol programma met echt goede interviews en paneldiscussies, een perfecte stripbeurs met alleen stripauteurs (dus zonder winkels, commercie, verzamelaars en bananendozen) en een line-up waar je U tegen zegt. Zo zou elk festival moeten zijn. Kijk alleen al eens online hoe ze de zaken daar voor elkaar hebben en je bek valt open van verbazing (en jaloezie). Ik heb de ticket voor volgend jaar al in de zak.
Ook geweldige ervaringen waren de twee bezoekjes aan de Will Eisner-expositie in het stripmuseum van Angoulême. Ooh en aah, en dat een paar uur achter elkaar.

Ook mooi in 2017

1 Mijn bezoek aan het Lakes International Comic Arts Festival, om het enthousiasme, het programma en de vriendelijke ambiance.
2 De expositie met het werk van Will Eisner in Angoulême, dat in één keer drie zaken van de bucketlist haalt.
3 Het geweldige idee om achter elkaar het vierdelige Eerlijke lui van Durieux en Gibrat te lezen. Heerlijk.
4 De ontdekking van de mooiste naslagwerken van 2017: Mangasia, het geweldige overzichtswerk van Paul Gravett met alles wat je over manga moet weten. En dan voor de extra verdieping Sarah Thompson’s Hokusai’s Lost Manga.
5 De derde Knetterijs

Strips & comics

Gelezen: Guust – Gefeliciflaterd! & Agent 327 – Hulde aan de jubilaris

Dit is weer iets nieuws: hommage-albums, ter gelegenheid van een mijlpaal of verjaardag. Sinds vorig jaar verschijnen er ineens stripalbums op de markt die een jubilerende stripreeks in het zonnetje zetten. De eerste echte hommage was voor de Blauwbloezen, vanwege het zestigste album dat vorig jaar in de reeks verscheen. Negentien striptekenaars uit voornamelijk Frankrijk en België, met Aimée de Jongh als Nederlands vaandeldrager, tekenden korte verhalen en feliciteerden daarmee zogenaamd de twee Blauwbloezen, Blutch en Chesterfield.

Het album was wel aardig. Het was allemaal een beetje belegen en voor de hand liggend, en leek daardoor geen voorbode voor meer hommages. Maar dan toch, onlangs verschenen er ineens twee: eentje voor de zestigjarige Guust Flater van André Franquin en een voor de tien jaar jongere Agent 327 van Martin Lodewijk.

Het album Gefeliciflaterd! is met 47 auteurs een behoorlijke optocht. Bij snel doorbladeren valt vooral de groene coltrui van Guust op. De meeste tekenaars hebben hun felicitatie in een Guust-strip uitgewerkt. Veel kantoorgrapjes dus en meteen valt op dat Franquin niet zomaar de eerste de beste was: onbedaarlijk lachen wordt het nergens in het album, in tegenstelling tot de Guust van weleer.

Ook de tekenaars die niet werkelijk de moeite hebben genomen om er echt iets van te maken en een magere hoera-illustratie hebben ingeleverd, dragen niet bij aan de positieve waardering van dit album. Is het dan helemaal niets? Toch wel: hier en daar is er een glimlachje. De balans slaat alleen niet naar de gulle lach door, daarvoor zijn teveel bijdragen gewillig tot en met dweepziek. Het gevoel dat veel tekenaars het vooral een hele eer vinden straalt van de pagina’s af.

Dan heeft Agent 327 het beter getroffen met Hulde aan de jubilaris. Sommige van de tien korte verhalen die in het album zijn opgenomen, zijn in ieder geval grappiger en geven de Abraham meer glans. Niet alles even uitmuntend, maar korte verhalen doen het beter dan de losse paginastrips van Gefeliciflaterd! Dat bewees de Blauwbloezen-hommage ook al. Tekenaars kunnen tenminste lekker uitpakken en dat hebben ze bij Agent 327 gedaan.

Natuurlijk zijn de grote borsten van Olga Lawina een gewillig onderwerp voor de zonder uitzondering mannelijke tekenaars en scenaristen, en verder vallen de peilloos zwakzinnige woord- en naamgrapjes op. Wat dacht u van de bevallige zangeres Snolly Pardon? De coureur Max Verzwikken? Staatssecretaris Fred Teveel? Inderdaad, veel te veel van het goede, net als sommige pagina’s die door loodzware tekstballonnen bijna door hun kaders zakken. Dan lijkt het alsof je een strip van Olivier Blunder zit te lezen, ook al geen feest voor zij die van vaart en actie houden.

Het existentiële politiedrama van Wilfred Otterheim en Remco Polman en de clowneske idioterie van Frans Hasselaar en Kees de Boer springen er in positieve zin uit, net als de pikante tweelingzusterstrip van Robbert Damen en Michel Offerman.

Wat de hommage-albums leren is dat kortverhalen zich beter lenen voor een bundeling dan eenpaginastrips. Fans van Agent 327 zullen Hulde aan de jubilaris zonder meer weten te waarderen, omdat de verhalen in de traditie van Lodewijk zijn gemaakt. De echte Guust-fanaat knijpt minder in zijn handjes: iets te veel felicitatie en te weinig flaters.

Strips & comics

Gelezen: Lucas Verstraete – Een boek waarmee men vrienden maakt

Lukas Verstraete heeft een werk afgeleverd dat in meerdere opzichten buitensporig is. Het formaat valt meteen op en voelt zelfs in de Age of Integrales overdadig aan. Eenmaal opengeslagen liggen er 208 bonte en uitdagende pagina’s voor je, in zowel grafisch als verhalend opzicht. Want laat er geen misverstand over bestaan: Een boek waarmee men vrienden maakt is zeker geen gemakkelijk album of verhaal voor tussendoor. Verstraete vraagt veel van de lezer.

Het begint meteen met een overval op een man die van zijn koffertje en zijn gezicht wordt beroofd, en daarmee zijn identiteit verliest. Het gezicht van de man zien we gaandeweg het verhaal in steeds verschillende gedaanten terugkeren: in een hondje, in auto die de viervoeter aanrijdt en een jonge omstander die het ongeluk ziet gebeuren.

Vanaf dan gaat het verhaal pas echt goed los en moet de lezer op basis van kleurpalletten de verschillende, parallelle verhaallijnen reconstrueren. De schutbladen van het album verraden deze leeswijze al een beetje door te verwijzen naar venndiagrammen in de kleuren van het verhaal, al merk je dat – met honderd andere zaken – pas als je echt grondig te werk bent gegaan. Want laten we wel wezen; wie bestudeert de schutbladen van een boek voordat hij gaat lezen?

We volgen de man zonder gelaat, het koffertje, het gelaat zelf en het karakter van de man die zich steeds anders manifesteren. Intussen duikt de schrijver zelf ook nog op, om het verhaal te sturen en te benoemen. Het einde van het verhaal is een beloning voor de vorsende lezer, die er dan ook achterkomt dat er al die tijd anderhalve kilo boekwerk op zijn schoot heeft gelegen.

Is het een album voor fijnproevers? Ja beslist, al zou iedereen voor zichzelf moeten uitmaken of hij of zij bij de club van fijnproevers hoort. Het werk van Verstraete is vernieuwend, ontregelend maar met de juiste instelling genietbaar. Het robuuste tekenwerk in kleurpotlood en de vrije pagina-opmaak passen uiteindelijk perfect bij het verhaal, maar ook daarvoor geldt weer: niets is gemiddeld in dit album. Pas na een uurtje of vier beginnen de zaken te dagen. Mateloos? Het kon minder.

Strips & comics

Gelezen: Tebo – De jeugd van Mickey Mouse

In januari van dit jaar was er op het stripfestival van Angoulème een vrolijke expositie te zien met werk van een vijftal tekenaars dat zich aan een oorspronkelijk verhaal uit de Disney-stal had gewaagd. Onder de titel ‘De nieuwe gezichten van Mickey Mouse’ werd origineel werk getoond van Tebo, Loisel, Keramidas & Trondheim en Cosey, uit hun Mickey-verhalen die in 2016 verschenen bij uitgeverij Glénat. In het Frans welteverstaan.

De albums zijn een enorm verkoopsucces in Frankrijk. Het is vriendelijk en vertrouwd, en de typische tekenstijlen van anderen geven de wereld van Disney een frisse aanblik. In ieder geval gaan de Fransen vrolijk verder met de reeks, ook Tebo zal nog een album voor zijn rekening nemen. Logisch, want hij won in Angoulème met De jeugd van Mickey Mouse de prestigieuze Prix Jeunesse 2017.

Het tekenen van strips door anderen is niet nieuw: Robbedoes is met Hanco Kolk al aan zijn twaalfde tekenaar toe en vorig jaar mocht een groepje tekenaars zich op een Suske en Wiske-verhaal storten. Hetzelfde geldt al een tijdje voor de reeksen Blake en Mortimer en Thorgal, maar Disney, en in dit geval Mickey Mouse, is toch andere koek.

Intussen zijn de Mickey-verhalen van Cosey en die van Keramides & Trondheim in het Engels verschenen. Sinds deze week liggen er ook twee – andere – albums in het Nederlands in de winkel. Zombokoffie van Régis Loisel en het hilarische boek van Tebo, De jeugd van Mickey Mouse.

Tebo tekent Mickey alsof die van kauwgom is gemaakt, met bolle en opgeblazen vormen, in een bonte wereld zoals we die kennen van computerspellen. Alles dwarrelt en suist, niets lijkt aan zwaartekracht onderhevig. Het album, in harde kaft met een mooie linnen rug, is lekker groot en dat komt de tekeningen, met name de splash pages, ten goede. Papier, kleur, bladspiegel; het boek is top uitgegeven.

In de losse verhalen krijgt Mickey bezoek van zijn kleinzoon. Opa Mickey, met dikke bril en wollen sjaal, zit op de praatstoel en vertelt over zijn avonturen van vroeger. De kleinzoon twijfelt nadrukkelijk over het waarheidsgehalte van de groteske verhalen van zijn opa, zelfs als hij zelf ook een rol in de geschiedenis krijgt. Terecht, want Tebo doet geen enkele moeite om geloofwaardige avonturen te tekenen. Zo vindt Mickey in een vrije val de helicopter uit en was zijn drooghelm een geheid succes geweest als er niet iemand net daarvoor de paraplu had uitgevonden.

Ook Minnie en Goofy komen langs in de verhalen, die zijn opgehangen aan de eeuwige strijd tegen Boris Boef, de dikke hond met stoppels en slechte bedoelingen. Kolderiek, zo zijn de verhalen het best te omschrijven. Dat zie je ook terug in de geestige onomatopeeën die op de lachspieren werken: natuurlijk klinkt een bakmeelbom als BRAF, stort een vliegtuig neer met BRONK en stuitert Mickey met zijn auto tegen de dakrand van een huis met BRAM.

Alles is plezier bij Tebo, en Mickey Mouse, die toch een beetje belegen muis, vaart er wel bij. In zijn dompelonderzeeër, welteverstaan. Geen diepgang, maar wel grappige verhalen die het ook goed doen bij tienjarigen.

Strips & comics

Gelezen: Genzianella & Mariolle – William Adams, Samoerai

It’s the inside that counts en dat geldt in zekere zin ook voor strips. Wie geen moeite doet langs de spuuglelijke cover van deel 1 van William Adams, Samoerai te kijken, zal nooit weten dat er achter die draak van een illustratie een goed verhaal verscholen gaat.
Het tweede en laatste deel van William Adams, Samoerai verscheen onlangs – weer met een magere omslagillustratie – waarmee we de balans kunnen opmaken: een goed verhaal met genoeg spanning en intriges voor een intense leeservaring. Maar toch: het tekenwerk zit tegen een grens aan. Het is net niet mooi, net niet sprekend genoeg en stilistisch gezien net niet interessant. En toch, na de twee albums die samen een afgerond verhaal vormen, is het vooral het verhaal dat blijft hangen. Gelukkig maar.

William Adams is geen onbekende, al rinkelt het belletje vast niet meteen. In 1980 was Nederland in de ban van de televisieserie Shogun, met Richard Chamberlain in de hoofdrol. Dat verhaal is gebaseerd op de waargebeurde geschiedenis van William Adams, die in de serie John Blackthorne heet; de rol van Chamberlain.

De hoofdrolspeler in het verhaal van tekenaar Nicola Genzianella en scenarist Mathieu Mariolle heeft misschien niet de looks van Chamberlain, maar is minstens zo onverschrokken. De stoïcijnse blikken waarmee de Engelse zeeman zijn bloeddorstige vijanden tegemoet treedt, is haast onvoorstelbaar, vast en zeker omdat hij het recht en het gelijk aan zijn zijde heeft. Maar toch, dit heerschap is niet voor een kleintje vervaard.

Omdat Adams beschikt over vuurwapens en weet heeft van westerse krijgstechnieken, is hij de speelbal van twee kampen: aan de ene kant generaal Tokugawa die uit is op alleenheerschappij en anderzijds de vier regenten die samen met de jezuïeten de macht proberen te houden. Het is een keuze tussen twee kwaden, zo lijkt het. Of zoals Tokugawa het verwoordt: “Wat is beter? Een tiran die streeft naar welzijn voor allen of een rechtvaardige maar egoïstische soldaat?”

Adams belandt in de gevangenis, wordt opgejaagd en kiest uiteindelijk een kant. Dan kan de strijd echt beginnen.

Via allerlei slinkse acties en opzetjes ontrolt er zich een verhaal vol heroïsche actie en martiale kunsten dat plaatsvindt in de kenmerkende Japanse landstreken. Jammer is wel dat het harde en donkere kleurgebruik niet aansluit bij de sfeer. Het zachte Japan van de bloesemtuinen en rijstvelden is ingeruild voor een kille setting in gedoemde oorlogskleuren.

Er is natuurlijk ook plaats voor een tedere verhaallijn, de haast onvermijdelijke genegenheid tussen Adams en Matsu Hime. Haar rol is niet die van dame in de deuropening die zachtjes weent als de mannen ten strijde trekken; zij zorgt ervoor dat Adams gedwongen wordt een keuze te maken. Die verstrekkende keus laat hem tot besluit verzuchten: Dit is mijn land nu. En dat is nogal wat.

Strips & comics

Gelezen: De Vries – De geschiedenis van de Toonder Studio’s

Over Marten Toonder is veel geschreven. Zelf was hij uitvoerig in zijn driedelige autobiografie, waarop het een en ander aan te merken was. In 2012 verscheen de excellente biografie van Wim Hazeu: objectief, informatief, prettig geschreven en niet altijd even vleiend voor de tamelijk op zichzelf gerichte Toonder. Daarnaast werden er met de jaren tientallen uitvoerige artikelen, verslagen en essays geschreven over ’s mans werk en leven. Boeken blijven boeken en hoewel er in de biografie van Hazeu een kleine fotokatern was ingevoegd, is het gissen hoe de entourage eruit heeft gezien: de werkkamer, de studio en haar medewerkers, het schetswerk en de storyboards. Met name de Toonder Studio’s – die meer waren dan alleen Marten – kwamen er meestal toch bekaaid vanaf.

Sinds twee maanden is er een serie in tijdschriftvorm, die dit gemis wegneemt: De geschiedenis van de Toonder Studio’s is een bloemrijk overzicht van de beroemde studio, haar medewerkers en het werk dat daar werd verricht. Samensteller en Toonderkenner Jan-Willem de Vries putte uit de enorme hoeveelheid foto’s, werk en getuigenissen. De Vries omschrijft de seriepublicatie als de grootste verkenning van de Toonder Studio’s tot nu toe: het bevat een beschrijving van de oorlogsperiode en verkent de periode van na 1945, waarin het bedrijf opbloeit en wereldwijd strips verkoopt. We lezen hoe het zich ontwikkelt als grote speler en hoe het die positie langzaam weer inlevert. Interessant, maar het zijn vooral de persoonlijke verhalen van Toonders medewerkers die voor kleur zorgen, zoals onder anderen Piet Wijn, Patty Klein, Hans G. Kresse, Lo Hartog van Banda en Thé Tjong-Khing. Bij hen wordt uitvoerig stilgestaan.

De eerste twee delen zijn inmiddels verschenen en als die de maatstaf zijn voor wat komen gaat, dan zal vooral het visuele spektakel tot de verbeelding spreken.

De tijdschriften zijn chronologisch opgehangen aan thema’s, series als Panda, Kappie en Tom Poes en aan medewerkers en zakenpartners.
De delen 1 en 2 beslaan in grote lijnen de jaren 1933-1940 en 1940-1942. In het eerste deel, dat vooral geldt als introductie van de reeks, wordt stilgestaan bij de eenmanszaak van Toonder en hoe hij door samenwerking met Fritz Gottesmanns Diana Edition de eerste stappen zet op weg naar een studio. Pril tekenwerk en zogenaamde presentatieboekjes geven een mooi beeld van Toonders begintijd.

Het echte werk begint in deel 2 als de Toonder Studio’s vorm beginnen te krijgen. Wie een vage notie heeft van hoe het er op de studio in de beginjaren veertig uitziet, zal verrast zijn door de grote hoeveelheid foto’s en wat die laten zien: karige, volgepakte kamers met hardwerkende mannen en vrouwen in onberispelijke kleding. Een enkeling permitteert zich hemdsmouwen, maar de rest zit keurig met stropdas en jasje aan de tekentafels. De vrouwen dragen nette blouses, terwijl er zoveel frivool werk werd gemaakt. Het zijn dit soort foto’s die de tijdschriftenserie meerwaarde geeft.

Het doorlopende verhaal over Toonders samenwerking met Joop Geesink, die later Loeki de Leeuw bedacht, en zakenpartner Jan Bouman is informatief en helder. Omdat het een verhandeling is over de studio en niet over Toonder als persoon, is de toon zakelijker: allerlei particuliere dingetjes en familie-aangelegenheden, waarmee de (auto)biografieën vol staan, komen – gelukkig – niet aan bod. Het gaat vooral over entrepreneurschap, zakelijk instinct en meebewegen in moeilijke tijden.

In totaal zal de serie uit 18 delen bestaan. Iedere maand verschijnt er een nummer en na anderhalf jaar is de reeks compleet. Liefhebbers kunnen zich inschrijven, waarmee ze verzekerd zijn van toezending per post. Losse nummers zijn ook verkrijgbaar in de betere stripspeciaalzaak. Meer informatie en een overzicht van de onderwerpen per deel vind je hier.