Strips & comics

Gelezen: Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten

Het is maar een klein, dun boekje dat onlangs bij de jonge Nederlandse manga-uitgeverij Hanabi verscheen: Yúrei, dwaallichten, 52 pagina’s op comicformaat met vier korte verhalen die zijn geïnspireerd door Japanse geestverhalen. Tekenaar Johan Neefjes, die er op de binnenflap geen misverstand over laat bestaan dat hij gefascineerd is door de Japanse cultuur, vertelt vier griezelverhalen die gaan over liefde, dood en verdriet.

Om te beginnen: Yúrei zijn spookverschijningen, die vaak worden vergezeld door dwaallichten (Hitodama in het Japans). Yúrei zijn de dolende geesten van overleden mensen die geen rust hebben gevonden. De yúrei behoren tot de yokai, de bovennatuurlijke wezens die eruit kunnen zien als dieren, mensen of dingen. Ze hebben vaak bovennatuurlijke krachten en worden in Japan aanbeden en met enige vrees gekoesterd.

De geestenwereld is een onuitputtelijke bron van inspiratie, met Shigeru Mizuki’s Kitaro als vaandeldrager van het stripgenre. Bekende yokai zijn bijvoorbeeld het grote witte knuffelmonster Totoro uit de gelijknamige anime-film en No Face uit Spirited Away.

Het mooiste verhaal van Yúrei is de geschiedenis van het moddermeisje, waarmee het boekje besluit. Het verhaal gaat over een meisje met grote zwarte ogen die voorbijgangers betovert met haar innemende glimlach. Wie de glimlach beantwoordt, bezegelt zijn noodlot. De kracht van de vertelling schuilt in het gebrek aan dialoog. Het meisje zegt niets, de verteller laat er al bij de eerste ogenblikken geen misverstand over bestaan: de stoere strijder Ishida die haar in het woud aantreft is gedoemd.

Zo zijn meer verhalen opgebouwd: de ondergang dient zich steeds aan zodra een yúrei zich meldt. De stervelingen kunnen zich nu eenmaal niet verweren tegen yokai. In Mizuki’s Kitaro is dat een rode draad: Kitaro, zelf half mens-half yokai, voorkomt in die gevallen de onvermijdelijke ondergang van de mens. Hij is de intermediair die plooien gladstrijkt. Bij Neefjes is geen Kitaro te bekennen. De lezer mag vier keer meemaken hoe een hulpeloze man het onderspit delft.

Het ligt voor de hand om de tekeningen van Neefjes te vergelijken met het recente werk van Erik Kriek, zoals diens Murder Ballads. Beiden kiezen voor een sterk zwart-wit contrast, met een enkele zachte steunkleur. Maar wie goed kijkt, vooral in de penseelvoering, ziet ook verwantschap met die andere Nederlandse Azië-bewonderaar Mark Hendriks. De bomen en rijstvelden van Neefjes zijn opgebouwd uit lichte streken, zoals gebruikelijk in de kenmerkende sumi-e schildertechniek. Het is te hopen dat Neefjes zich verder bekwaamd in die vaardigheden: nog meer lef en durf komen zijn verhalen beslist ten goede, de potentie is zeker aanwezig.

Na de vier heerlijke verhalen is het vooral jammer dat er niet meer van zijn. Yúrei, dwaallichten is te snel voorbij. Het zou een idee zijn om nog twee of drie van deze delen in de Hanabi-reeks uit te brengen en dan alles te bundelen in een groter album, met een mooi achtergronddossier als bonus. Neefjes heeft zijn visitekaartje afgeleverd met Yúrei, dwaallichten: een viertal verhalen dat je onmogelijk kunt weerstaan.

Johan Neefjes – Yúrei, dwaallichten. Hanabi Publishers. 52 pagina’s. € 9,95.

Strips & comics

Gelezen: Ryssack & Buissink – Brammetje Bram integraal 1: Piraten in zicht!

Met vereende krachten is de afgelopen tijd gewerkt aan de uitgave van het complete werk van Eddy Ryssack (1928-2004), met name van de avonturenreeks rond Brammetje Bram, Knevel de Killer en de piraten van de Zeemadelief. Het betreft hier geen heruitgave van de reeks Brammetje Bram, want een groot deel van de vijftien lange verhalen is nooit eerder in album uitgebracht. Onlangs verscheen het eerste deel, Piraten in zicht! Het tweede integrale deel, Mummies en monsters, staat op het punt van verschijnen.

In de komende drie jaar zal uitgeverij Arboris in 6 of 7 delen het complete oeuvre van Ryssack integraal en chronologisch uitgeven, met naast de lange verhalen ook circa dertig kortere verhalen rond de scheepsjongen die Ryssack tekende voor achtereenvolgens de stripbladen Sjors, Zack en Wham!

Elke bundel wordt voorzien van een uitgebreid dossier. In het eerste deel is dat van de hand van Wouter Adriaensen, die al vanaf het begin bij de herwaardering van Ryssacks werk betrokken is. Aan die inleiding is onmiddellijk af te zien dat aan deze reeks met liefde en toewijding wordt gewerkt: het is uitgebreid, prettig geschreven en mag vanaf nu dienen als een blauwdruk van hoe een dossier hoort te zijn.

Piraten in zicht! begint met de eerste twee delen van Brammetje Bram, Knevel de Killer en De schatten van de Noer-Akhs gevolgd door het nooit eerder in album verschenen verhaal De zonnekoning van de Mato Grosso. Wat meteen opvalt is de perfecte weergave van de oorspronkelijke kleuren. Ook de lettering is authentiek, met het herkenbare puntje in de O.

Knevel de Killer is het verhaal dat vertelt hoe Brammetje op de Zeemadelief verzeild raakt en hoe hij zich gaandeweg ontwikkelt tot gewaardeerd bemanningslid, dat bovendien de boel regelmatig op het rechte pad houdt. Met lekker veel slapstick en met goed gecaste piraten heeft het verhaal een opvallend frisse vaart. Aan de ronduit swingende pagina’s is bovendien goed te zien wat een vakman Ryssack was.

Het tweede integrale deel bundelt de lange verhalen De Levende Mummie, De Listen van Linke Loe en De Schrik van Torantijn. Om aan te geven hoe waardevol het is dat de reeks nu wordt gebundeld: de eerste twee verhalen verschenen nooit in album in het Nederlands en het derde verhaal verscheen in 1984 in een oplage van slechts vijftig stuks. In het dossier van Mummies en monsters is een lang interview opgenomen met scenarist Frans Buissink, die samen met Eddy Ryssack de serie bedacht en de eerste negen verhalen schreef.

Brammetje Bram is een stripserie die vroeger beslist een groter publiek had verdiend. De reeks is overal steeds tussendoor geglipt. Het werd eventjes in Sjors gepubliceerd, maar verhuisde niet mee naar Eppo toen Sjors en Pep samen in dat stripblad opgingen. Bram stond in tijdschrift Wham! maar dat was geen lang leven beschoren. Het hád prima in Robbedoes gepast, maar helaas. En zo bleef de serie uit zicht van het grote publiek. Het is om die reden dat deze integrale reeks zo welkom is.

De verhalen van Brammetje Bram zijn vanwege de tijdloze humor en de aansprekende onderwerpen ideale kost voor kinderen vanaf tien jaar, die eens wat anders willen lezen dan Donald Duck. Daarmee zijn deze integrales een perfect cadeau voor de jonge garde, met veel extra’s voor de jongelingen van weleer.

Ryssack & Buissink – De complete Brammetje Bram 1, Piraten in zicht! Arboris, 176 pagina’s, €24,90. De complete Brammetje Bram 2, Mummies en monsters. Arboris, 176 pagina’s, €24,90.

Strips & comics

Gelezen: Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper

Het bos van Brocéliande ligt in Bretagne en wordt gezien als de bakermat van allerlei sprookjesverhalen. Zo is de legende van Koning Arthur naar verluid afkomstig uit de streek, die alle uiterlijke sprookjeselementen in zich verenigt: heidevelden, bossen en meren. Lommerrijk en uitgestrekt, maar allang niet meer ongerept. Het zogenaamde Centre de l’Imaginaire Arthurien, een club voor mensen die zich verdiept in de wereld van Arthur, Vivian en Merlijn, organiseert er wandelingen langs sprookjeslocaties, waaronder het beroemde kasteel van Comper uit de negende eeuw.

Een deel van het bos van Brocéliande wordt het woud van het kleine volkje genoemd. Het is een mooi vetrekpunt voor de zevendelige fantasy/sprookjesstrip Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Ieder deel van de reeks wordt geschreven en getekend door een ander duo, dat oorspronkelijke verhalen en legenden opnieuw vertelt. Nu de eerste twee delen in het Nederlands zijn verschenen en er in Frankrijk al een deel drie en vier is uitgebracht, zien we dat de serie iets bijzonders is: ook je niet direct warmloopt voor elfen, gnomen en magiërs is Brocéliande een heerlijke serie.

De reeks opent voortvarend: De fontein van Barenton is een mooie vertelling, met humor, spanning en genoeg sprookjeselementen die het zo ‘authentiek mogelijk’ houden. In het woud wonen de Korrigans, twee nietsige knuppels die nergens in de sagen voorkomen. Ze zijn hun anonieme status beu en zoeken een manier om onsterfelijk te worden: ze zetten de verhalenschrijver Orignace klem een verhaal over hen te schrijven.

Deze Orignace gaat op zoek naar een idee en valt -eenmaal in het bos- middenin de ontluikende liefdesgeschiedenis van Vivian en de tovenaar Merlijn. Dat uiteindelijk de Korrigans ook in deze verhaallijn opduiken, spreekt voor zich.

Bertrand Benoit tekent vast op groot formaat: de lijnen van zijn pen zijn heel dun en bijzonder fraai. Het grote formaat van de pagina’s in combinatie met de lijnvoerig geven de strip een panoramische aanblik en dat werkt goed bij sprookjes. De plaatjes lijken zich op gepaste afstand van de lezer te bevinden: die kan daardoor voluit genieten van de prachtige inkleuringen, en daarmee de sfeer van het verhaal.

Nog mooier is dat De fontein van Barenton niet maar zo een fantasysprookje is, hoewel het omslag anders doet vermoeden. Ook voor niet-ingewijde fantasy-lezers is dit een album dat prima gelezen kan worden: het is een mooi liefdesrelaas met vaart en humor, en een slotstuk dat er zeker mag zijn.

Het tweede deel, Het kasteel van Comper, is iets rechtlijniger van toon, vooral omdat de humor zo nadrukkelijk ontbreekt. De basis van het verhaal is de legende van het wisselkind (niet de stripreeks met dezelfde titel, maar de legende zelf) en dat swingt van zichzelf al een stuk minder: het laat zien hoe de sprookjeswereld niet samengaat met de mensenwereld, omdat de mensen zo moeilijk doen.

Het verhaal over moederliefde en verstoting blijft tot het einde in eenzelfde tempo doorlopen: wellicht dat de legende teveel motieven en thema’s bevat om als uitgangspunt te dienen. Er wordt veel verklaard, aangenomen en uitgelegd en dat schept afstand, nog los van de gruwelijkheden die we te zien krijgen. Het zorgt er ook voor dat de lezer zich niet werkelijk identificeert met de personages.

De eerste twee delen van Brocéliande verschenen tegelijkertijd en dat pakt in de vergelijking niet goed uit voor Het kasteel van Comper, maar dat ligt vooral aan het bronverhaal. Sprookjes zijn nu eenmaal niet altijd vrolijk en luchtig.

Brocéliande is als reeks een treffer. Met titels als De tuin der monniken, De feeënspiegel en Het dal zonder terugkeer in het verschiet, is het een stripserie om naar uit te kijken. Voor fans van het genre, maar zeker ook voor avontuurlijke lezers die eens een stap willen wagen in de wereld van fantasy en sprookjes. Ze zullen verrast worden.

Bertrand Benoît & Paul Frichet en Olivier Peru & Stéphane Betbeder – Brocéliande, Woud van het kleine volkje. Deel 1: De Fontein van Barenton, deel 2: Het Kasteel van Comper. Daedalus. 56 pagina’s, 8,95 per deel. Ook verschenen in hardcover: 17,95 per deel.

Strips & comics, Zone 5300

Gelezen: Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones

Pas aan het einde van zijn leven wist de legendarische Ramones-bassist Dee Dee Ramone waar het echt om draaide. In de bandbiografie One Two Three Four Ramones stelt hij dat muziek het belangrijkste is: “Niet de dope, jongelui. Begin er niet aan”. Kort daarna sterft hij aan een overdosis. Het is tekenend: in het razende verhaal, dat vanuit zijn gezichtspunt wordt verteld, leren we de verslaafde punkrocker kennen als een humeurige windvaan.

De biopic begint met een beschrijving van Dee Dee’s jeugd, die als verklaring moet dienen voor zijn losgeslagen karakter. Een alcoholistische vader, ontspoorde moeder en een hang naar roes die er al op jonge leeftijd in zit. De recalcitrante puber zoekt zijn heil in de muziek en zo ontstaan de Ramones. Het blijkt geen ideale voedingsbodem voor een heilig muzikantenleven.

Hoewel het succes onmiskenbaar is, leest de Ramones-biografie vooral als een rampzalige geschiedenis van gemankeerde ego’s die elkaar treffen in benevelde ruzies: het ultieme clichébeeld van de punkrocker wordt zorgvuldig gecultiveerd. Dat maakt tegelijk dat het verhaal nergens boven zichzelf uitstijgt. De woede die uit de muziek spreekt en die een hele generatie muzikanten inspireerde, wordt teruggebracht tot junkiegedrag.

Het schrijversduo Cadène en Betancourt doet geen moeite de positie van de Ramones te duiden, ze blijven dicht op de groepsdynamiek zitten. Zo wordt het verhaal als de muziek zelf: rechttoe rechtaan, in één snelheid en te vaak in hetzelfde akkoordenschema.

Dat geldt ook voor de overigens heerlijke, vette potloodtekeningen van Éric Cartier. Zijn figuren acteren in een vrij monotone en onbeduidende entourage. Van een biografie over een zo bepalende popgroep als de Ramones verwacht je meer. Dit verhaal had evengoed over een fictieve punkrockband kunnen gaan.

Cadène, Bétancourt & Cartier – One Two Three Four Ramones. Concerto. 96 pagina’s hardcover, €24,99.

Strips & comics

Gelezen: Michael Kupperman – All the answers

Op de binnenflap van All the answers staan de biografische gegevens van de Amerikaanse striptekenaar Michael Kupperman. Hij werd bekend als illustrator voor onder andere New York Times en van zijn absurde, anarchistische strips die werden verzameld in het hilarische Tales designed to thrizzle. Hij is een werkelijk unieke stem in het humoristische genre, al zet menigeen de humor van Kupperman tussen aanhalingstekens. De flaptekst rept verder van allerlei prijzen en eindigt met: dit is zijn eerste serieuze boek.

In All the answers onderzoekt Michael Kupperman de jonge jaren van zijn vader Joel, die in de jaren veertig van de vorige eeuw een beroemd kindsterretje was. Joel heeft een bijzonder hoog IQ en kan al op jonge leeftijd complexe wiskundige sommen uit het hoofd oplossen. Daarnaast beschikt hij over een fabelachtig geheugen. Zodoende wordt hij opgemerkt door de populaire radioshow Quiz Kids, waarin kinderen het tegen elkaar opnemen, bij wijze van trivia-spel.

Bij de introductie van de televisie in Amerika wordt Quiz Kids een geliefd tv-programma. Het succes van de show én van Joel Kupperman, die jarenlang het gezicht is van het programma, trekt een geweldige wissel op de jongeman, die door zijn moeder wordt aangespoord om vooral in de spotlights te blijven, nota bene tegen zijn uitdrukkelijke zin. Hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld voor kinderen, die hem dat in zijn eigen omgeving niet in dank afnemen. Het wordt nog kwalijker als blijkt dat het programma van tevoren deels wordt gescript, zonder medeweten van Joel Kupperman. Het publiek voelt zich bedot en keert zich tegen de spelshow én tegen Joel die zich nadien zoveel mogelijk aan het publieke leven onttrekt. Zijn hele tienerjaren hebben in het teken van Quiz Kids en televisie gestaan, hij snakt naar een leven in de luwte.

De gemankeerde jeugd van zijn vader heeft zijn weerslag op het gezinsleven. Michael heeft altijd moeite gehad in de omgang met zijn sociaal onhandige vader – tegenwoordig zou zeker een aan autisme verwante diagnose worden gesteld. Twee directe aanleidingen zorgen ervoor dat Michael nu met zijn vader wil spreken over diens verleden: Michael zit er als jonge vader en geparkeerde kunstenaar doorheen én bij zijn vader wordt dementie geconstrateerd. All the answers is het verslag van deze vader-zoon-confrontatie.

Het verhaal ontvouwt zich in de eerste helft als een geschiedschrijving van Amerika in oorlogstijd, waarin het antisemitisme zich openlijk manifesteert. De Joodse Joel wordt met open armen ontvangen: hij kan een positieve, vriendelijke kant van de Joodse Amerikaan laten zien. Gaandeweg zijn zelfs drie van de vier vaste Quiz Kids van Joodse komaf. Kort gezegd, Joel wordt ingezet voor onversneden propagandadoeleinden, en het enige wat Joel blijft doen is vragen beantwoorden. Voor hem is de balans allang naar de verkeerde kant doorgeslagen, de lezer kent de geschiedenis nu ook en voelt de pijn van de jongen die hunkert naar een gewoon leven. Dit alles wordt met een zekere afstand verteld, als opmaat naar de gesprekken tussen vader en zoon.

Gaandeweg verplaatst het verhaal zich naar het heden, waarbij de gesprekken maar vooral de twijfels en levensvragen van Michael een grotere rol spelen. De vertelling wint daarmee aan zeggingskracht; er komt een oprechte emotionele laag bij. Op een gegeven moment vraagt Michael aan Joel waarom hij hem nooit met wiskunde heeft geholpen, zoals zijn vader wel bij hem deed. Die vraag, zo antwoordt Joel, is nooit bij hem opgekomen. Het blijkt een patroon: De man die als kind antwoord wist op alle vragen, heeft zichzelf nooit iets afgevraagd.

De uitstraling van de pagina’s doet onbeholpen aan. Kupperman werkt in dikke zwarte lijnen, met grote zwarte vlakken en repetitieve rasters en arceringen. Vaak gebruikt hij hetzelfde plaatje dat hij laat inzoomen. Het verhaal is opgehangen aan de knipselboeken van Joels moeder, waardoor veel tekeningen op overgetrokken foto’s lijken. Wie het overige werk van Kupperman niet kent, zal hierdoor wellicht terugdeinzen. Toch werkt de rudimentaire aanpak ook in dit geval: de vertelling wordt er rustig van, het bepaalt voor een groot gedeelte de snelheid en daarmee de impact.

Het knappe van het verhaal zit in de afstand die Michael houdt tot zijn vader en tot hun verstandhouding. Pijnlijke scenes worden op een bijna journalistieke wijze verslagen. Als Michael, als jonge jongen, aan zijn vader vraagt of die van hem houdt, antwoordt Joel terughoudend. Daarmee is de scene klaar, de niet te missen uitwerking van die woorden is voor de lezer.

All the answers is een verrassend en heel persoonlijk boek met een integer uitgewerkt thema, opgetekend in een stijl die niet iedereen meteen zal aanspreken. Dat eerste is een regelrechte aanbeveling, het tweede is iets waar de lezer even doorheen moet. Aan het eind twijfelt de auteur openlijk over het nut van de onderneming: onterecht, de geschiedenis van de familie Kupperman verschaft bijzondere inzichten over pijn, vluchtgedrag en onvermogen. Wie op YouTube naar oude opnames van Quiz Kids kijkt, ziet een vriendelijke jongen vragen beantwoorden. Na All the answers kijken we dwars door die glimlach heen.

Michael Kupperman – All the answers. Gallery 13. 224 pagina’s hardcover,  € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok

Als je in stripkringen dertien jaar niets van je laat horen, dan kan het zijn dat je stilletjes bent vergeten. Van Theodoor Cleysters vernamen we voor het laatst in 2005. Bij het vallen van die naam haalt de wat oudere stripliefhebber herinneringen op aan de exotische zeemanstrip, aan de legendarische kapitein Steene en de mysterieuze figuur November. De jongere striplezer zal de albums, die qua opmaak eenzelfde uitstraling hadden, misschien van buiten herkennen. Hoe dan ook, jong en oud kan zich met De laatste reis van de Amok opmaken voor een (hernieuwde) kennismaking.

Vanaf 1987 verschenen twaalf albums rond Theodoor Cleysters, een jonge kantoorklerk uit de jaren twintig van de vorige eeuw. In het eerste album, Kapitein Steene, lezen we dat Cleysters een grote wens heeft: hij wil naar verre oorden, naar Azië waar het avontuur lonkt. Hij krijgt de kans en vertrekt. Onderweg ontmoet hij zijn noodlot, de altijd in het zwart geklede exoot November, die -helaas voor Cleysters- niet van zijn zijde wijkt. In de achtereenvolgende albums De Archipelvreter, Marie Rechtdoorzee, Geheimen, De schat van de blanke radjah en Een passagier wordt vermist reizen we met Cleysters en November door Azië. De verhalen zijn spannend, met thriller-elementen, al zijn ze niet allemaal even sterk. Vooral omdat Cleysters graag naar huis wil en dat zes albums lang niet voor elkaar krijgt, wordt het bij tijd en wijle wat stroperig. Je zou willen dat hij wat slagvaardiger was. Pas in Een passagier wordt vermist vindt hij de weg terug naar Duinkerken.

Slagvaardig of niet, door de avonturen raakt Cleysters gehard en dat is meteen een van de mooie verhaalgegevens uit de reeks: hij wordt ouder en wijzer, hij verandert met de jaren. Na het stilistische tussendoortje Rozendal, over de jeugd van Cleysters, gaat hij terug naar Azië, om daar als een herboren man-van-de-wereld aan te komen. Hij is een cynische, harde onderhandelaar geworden; iemand met wie rekening wordt gehouden. Hij draagt witte, flanellen pakken en zijn ronde groentjeshoofd van de beginjaren is intussen ruig gestoppeld.

In De laatste reis van de Amok blijkt hij zelfs behoorlijk verzuurd geraakt. Er is hem iets ontnomen, en hij wil het terug: een leeggeroofd eiland dat als uitvalsbasis dient van een groep verveelde piraten. Met een gekochte schoener, de Amok, en een regiment aangemonsterde types gaat hij op weg. November is weer van de partij en er is opnieuw een hoop achterdocht, dubbelspionage en boerenslimheid voordat Cleysters ontdekt dat er belangrijker dingen zijn in het leven. Maar toch, dat eiland is van hem, en hij zal het terugkrijgen.

In de vroege delen had het eironde, blote hoofd van Cleysters iets karikaturaals en stak het wat curieus af tegen de omgeving. Meer en meer is er een schwung bijgekomen en in dit dertiende deel is de transformatie compleet: Theodoor Cleysters is een pittige, stoere gast en zijn tegenstanders zijn volslagen hufters en gewiekste ratten. Het is allemaal een stuk avontuurlijker geworden.

Nog een voordeel ten opzichte van de eerdere delen is dat De laatste reis van de Amok een helder plot heeft: al snel wordt duidelijk waar het naartoe gaat. Het ongewisse was een makke van de vroegere verhalen, die vaak wat stuurloos waren en vooral op sfeer en exotisme leunden. Toch wordt Cleysters aan het einde van het verhaal overvallen door landerigheid, hij lijkt zijn vuur kwijt te zijn. Wat is de les die hij heeft geleerd? We lezen het vast in deel 14, waarop het zeker minder lang wachten is.

De laatste reis van de Amok heeft Cleysters weer op de kaart gezet. Het weerzien zal de oudere Theodoor Cleysters-lezer zijn bevallen, vooral vanwege de sfeervolle tekeningen en de interessante karakterontwikkeling van de hoofdpersoon en de daardoor aangepaste rol van November.
Of de jonge striplezer op basis van dit verhaal genoeg geraakt is om de twaalf eerdere delen te lezen, is de vraag. Daarvoor verschilt dit dertiende deel te veel van de eerdere albums. Bovendien is het slotstuk van het verhaal te loszandig om de hele serie op basis van dit ene album in het hart te sluiten. Jammer: ja. Logisch: ook.

Frank le Gall – Theodoor Cleysters 13: De laatste reis van de Amok. Dupuis. 64 pagina’s. € 7,95. Ook verschenen als hardcover: € 13,95.

Strips & comics

Gelezen: Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts

De onlangs overleden culinaire globetrotter Anthony Bourdain hield van meer dan lekker eten en reizen. Hij was een verwoed stripliefhebber. In 2012 debuteerde hij als stripscenarist met het curieuze Get Jiro, een gewelddadige culistrip over een sushichef die zich staande probeert te houden in een post-apocalyptische wereld waarin alle keukens slagvelden zijn geworden: er is oorlog tussen vleeseters en vegetariërs, tussen culisnobs en fastfoodies. Niet bijster origineel, maar toch vermakelijk als zachthoofdig leesvoer. Zo ziet Jiro hoe een klant de nigiri verkeerd in de soja doopt. Twee tellen later rolt er een tronie over de vloer. Dat idee.

Begin dit jaar kwam Bourdain opnieuw met het scenario voor een stripreeks, nu in samenwerking met medereiziger en journalist Joel Rose. De nieuwe serie verscheen intussen als vier losse floppies (zoals de kenmerkende slappe, geniete Amerikaanse comics worden genoemd) en heet Hungry Ghosts.

De tekeningen zijn onder meer van Alberto Ponticelli die naam maakte in het horror- en splattergenre en ook Get Jiro tekende. Naast Ponticelli zijn er afleveringen getekend door onder andere Irene Koh, Francesco Francavilla, Sebastian Cabrol en Paul Pope; steeds twee per comic.

Eerlijk is eerlijk, het verhaal zit goed in elkaar en is een stuk beter dan Get Jiro, dat het uiteindelijk vooral moest hebben van de bekende naam op het omslag. In Hungry Ghosts wordt een keukenbrigade gevraagd om voor een puissant rijke Rus te koken. Deze schimmige miljardair nodigt de koks uit aan tafel en stelt hen voor aan Mr. Ichi, een stereotiepe Japanse figuur met een grimmige glimlach. Hij vertelt de aanwezigen het verhaal van de Kaidan, een gezelschapsspel uit het Edo-tijdsperk dat werd beoefend door de samurai. Voluit: Hyakumonogatari Kaidankai.

In het vertrek branden evenveel kaarsen als er mensen aanwezig zijn. Ombeurten vertelt iemand een traditioneel Japans verhaal over yokai (monsters), yurei (geesten) of obake (gedaanteverwisselaars). Na de vertelling kijkt de verteller in de spiegel of hij niet bezeten is geraakt, en blaast een kaars uit. Het wordt donkerder en de angst om bezeten te raken groter. Zo stelden de samurai hun angsten op de proef.

Binnen dit gegeven passeren een aantal verhalen de revue, bij wijze van raamvertelling. De verhalen zijn ronduit angstaanjagend en stuk voor stuk geweldig lekker getekend: de keuze voor tekenaars is heel geslaagd, geen doet onder voor een ander. Uiteraard gaan de horrorverhalen over eten en gegeten worden. Het openingsverhaal The starving skeleton zet meteen de toon. De verhalen zijn grotesk, goor en hebben een strakke opbouw die uiteindelijk allemaal vreselijk ontaarden. Wat Hungry Ghosts zo goed maakt is dat alles teruggrijpt op de klassieke Japanse vertelkunst, waarin deugden en ondeugden krachtige motieven zijn. Veel van de verhalen gaan over het maken van keuzes en de consequenties die aan de verkeerde keus verbonden zijn. Het authentieke karakter van de verhalen maakt dat ze met gemak het reguliere horrorgenre overstijgen.

In oktober verschijnt de trade paper back, een bundeling van de vier losse delen. Dan zal het verhaal zich nog mooier ontvouwen: Hungry Ghosts wint aan kracht als je het achter elkaar leest. Om naar uit te zien.

Anthony Bourdain, Joel Rose & Alberto Ponticelli en anderen – Hungry Ghosts. Dark Horse. 4 delen van 32 pagina’s. $3,99 per deel. In oktober verschijnt de trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel

De beste strips pakken je beet en laten niet los. Het is nog fraaier als je dat van tevoren niet voelt aankomen. Die verrassing, het moment van ontdekken dat je iets prachtigs in handen hebt, mooier dan je vermoedde: met geluk maak je dat drie, vier keer per jaar mee. Een leven met Alexandra David-Néel van het duo Fred Campoy en Mathieu Blanchot is zo’n verrassende ontdekking. Ga maar na, het tweeluik vertelt het levensverhaal van Alexandra David-Néel, de boeddhistische ontdekkingsreiziger (1868-1969) die in Nederland bij lange niet zo bekend is als in haar geboorteland Frankrijk. Niet meteen een onderwerp dat aanspreekt.

Maar toch, hoewel de beide omslagillustraties tot de verbeelding spreken, is het de flaptekst die intrigeert: ze wordt zonder omhaal de grootste ontdekkingsreiziger van de twintigste eeuw genoemd. Ze was oriëntaliste, operazangeres, journaliste, schrijfster, filosofe en boeddhiste. Eén van haar wapenfeiten is dat ze de eerste westerse vrouw was die ooit, in 1924, de mysterieuze en gesloten Tibetaanse hoofdstad Lhasa bezocht. De andere is dat ze een behoorlijk portret is, iets wat haar liefdevol wordt aangerekend. Mevrouw is een anticonformiste.

Uitgerekend deze verre van bedeesde dame zoekt op latere leeftijd een hulp in de huishouding. De vriendelijke, jonge Marie-Madeleine Peyronnet staat op dat moment op een keerpunt in haar leven en besluit, onwetend van de geschiedenis van de bijzondere vrouw, de betrekking te accepteren. Ze valt niet bepaald met haar neus in de boter want David-Néel houdt er een rigide dagindeling op na, met allerlei rituelen en gewoonten. Maar vooral is het een treurige puinhoop in het huis: overal relikwieën, herinneringen aan de vele reizen, boeken en manuscripten. En stoffig.

Gaandeweg ontwikkelt zich een onbeholpen vriendschap tussen de twee, waarbij Marie-Madeleine zich veel moet laten welgevallen. Ze wordt tegengesproken, afgepoeierd en steevast Schildpad genoemd. Sympathie is haar volkomen vreemd, de lezer krijgt geen bijster positief beeld van de ontdekkingsreiziger voorgezet. Meer dan eens is Marie-Madeleine de meelijwekkende figuur van de geschiedenis.

Deze merkwaardige vriendschap wordt de kapstok van het verhaal, omdat het deze Marie-Madeleine is die na het overlijden van David-Néel haar oeuvre en bezittingen blijft beheren, tot op de dag van vandaag. In dat opzicht lijkt ze op David-Néel: ze is inmiddels 87 jaar en verzorgt nog altijd rondleidingen in het markante huis waarin ze zo lang samenwoonden.

De levenswandel van David-Néel komt uiteraard uitvoerig aan bod, van haar opstandige jonge jaren waarin ze geregeld van huis vertrok om de wereld te ontdekken tot haar bekering tot het Boeddhisme. Waar dat tegenwoordig met zachtheid en wierook wordt geassocieerd, was het in het begin van de 20ste eeuw beduidend anders: dagenlange ontberingen en onthouding van voedsel en slaap. Alles om de geest te harden. Het zal verklaren waarom David-Néel zo strikt en vast van overtuiging bleef, op het onhandelbare af.

Het tweeluik laat zien hoe Alexandra David-Néel tot aan haar dood actief blijft schrijven en geleerden ontvangt om met hen van gedachten te wisselen. Het scenario van Fred Campoy, naar het boek dat Peyronnet over Alexandra David-Néel schreef, is volledig trouw aan de geschiedenis. Campoy bewerkte niet alleen het boek, hij tekende ook het verhaal – samen met Mathieu Blanchot, die zich op zijn beurt ontfermde over de prachtige inkleuring. Achterin beide delen staan uitvoerige dossiers met achtergronden, voor de lezer die er geen genoeg van krijgt. Over lezers gesproken: het is te hopen dat er veel over de streep worden getrokken. Een leven met Alexandra David-Néel is te mooi om onontdekt te blijven.

Fred Campoy & Mathieu Blanchot – Een leven met Alexandra David-Néel. Daedalus. Twee delen van 90 pagina’s, hardcover. € 19,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Brahy, Corbeyran & Chapuzet – Cognac

Toeval of niet; strips met een alcoholisch thema zijn in opmars én meestal heel goed te verteren. Het geweldige bier-epos Meesters van de gerst is een eersteklas aanrader en de prima wijnverhalen De Onwetenden en Chateaux Bordeaux zijn allebei van harte aan te bevelen. Voor bij een goed glas, zouden drinkers zeggen. De afgelopen anderhalf jaar verscheen in drie delen een heuse cognac-thriller, waarvan vorige week het afsluitende deel verscheen. Cognac, zoals de serie wijs heet, is een echte page-turner; precies wat campinggasten graag meenemen op vakantie. Cognac is spannend, onderhoudend en je steekt er ook nog wat van op: met de proefnotities en smaakduidingen uit het verhaal is het goed meezwetsen in het café.

Oorlogsfotograaf Anna-Fanély Simon is de mondiale slagvelden en het geweld beu en wordt, om wat bij te tanken, ingezet voor een artikel over de wereldwijde opkomst van cognac. Ze vertrekt daarvoor naar haar geboortestreek, de Charente. In een poging om haar jeugdvriendin Alice te ontmoeten, neemt ze contact op met de broer van Alice die Anna vertelt dat zij een paar maanden daarvoor is vermoord door haar eigen man, Jean-Louis, die daarna zelfmoord pleegde.

Het leven – en werk – gaat door. Anna neemt contact op met de cognacdistilleerder Fernand Favreau, die de lokale cognacwereld op zijn duimpje kent. Samen bezoeken ze een groot aantal cognachuizen. Ook de moord komt ter sprake en al gauw merkt Anna dat er meer achter steekt, vooral als blijkt dat de politie de boeken snel heeft gesloten en na de eerste conclusie niet werkelijk verder heeft gezocht naar motieven en daders. Als ze bovendien te weten komt dat Jean-Louis een aantal erg dure flessen Grande Champagne uit 1870 in zijn kelders had liggen, gaan bij Anna de alarmbellen rinkelen. De bewuste flessen zijn intussen ontvreemd.

Anna roept de hulp in van een goede vriend uit Parijs, en gedrieën gaan ze op onderzoek uit. Ze stuiten op een wantrouwende en gesloten cognacwereld, een weinig coöperatieve politie en een paar criminele sujetten die duidelijk maken: steek je neus liever in een glas, en laat deze moordzaak vooral met rust.

Het verhaal heeft een geweldig tempo, dat valt op. De reportage van Anna dient daarbij als een handige kapstok om de vaart er flink in te houden: ze kan overal gemakkelijk binnenkomen, afspraken maken en onder het mom van haar journalistieke werk vragen stellen die haar zoektocht naar de waarheid rond de dubbele moord maskeren. Het verhaal ontwikkelt zich op die manier als een onvervalste whodunit, waarbij de lezer steeds meer te weten komt over verdachten en motieven. Zo wordt in ieder album de spanning gedoseerd opgevoerd, tot de climax in het derde deel, dat nogal plastisch Het kerkhof van de druivenoogstmachines heet.

Het tekenwerk van Luc Brahy is klassiek-realistisch: geen gekke perspectieven, geen grafische hoogstandjes. Het is gedegen, zonder dat dat een diskwalificatie is. De personen zijn naturel en geloofwaardig. Met het lekkere verhaal maakt het van dit drieluik een prima leeservaring. Geen zware kost, maar een echt lekkere thriller die je het liefst meeneemt op vakantie. En wat je erbij drinkt, moet je zelf weten, al worden er genoeg suggesties gedaan in Cognac.

Cognac – Luc Brahy, Eric Corbeyran & Jean-Charles Chapuzet. Silvester. 48 pagina’s per deel, softcover, € 7,95. Ook verkrijgbaar in hardcover: € 16,95 per deel.

Cognac 1, De invloed van demonen
Cognac 2, Dood in de arena
Cognac 3, Het kerkhof van de druivenoogstmachines

Strips & comics

Gelezen: Scratches 2

Wie zorgvuldig kijkt naar het aanbod van striptijdschriften in Nederland kan niet anders dan concluderen dat het helemaal niet slecht of karig is gesteld. Natuurlijk kunnen de oplagen hoger en zou het mooi zijn als er een diverser publiek wordt bereikt, maar toch: de veelzijdigheid is evident. Een kleine rondgang bewijst het: voor de klassieke (avonturen)strip zijn de Eppo en de dikke Stripglossy, liefhebbers van small press, curiosa en underground lezen Zone 5300 en sinds twee jaar is er het imposante, Engelstalige stripkunstperiodiek Scratches, waarvan tot op heden twee nummers verschenen.

Scratches, dat zich omschrijft als ‘the paper highway between artist and reader’, is wel degelijk van Nederlandse makelij. Achter het perfect vormgegeven tijdschrift gaan illustrator Joost Swarte en uitgever Hansje Joustra schuil: twee namen uit de hogere regionen van het beeldverhaal. In Scratches treft de avontuurlijke lezer spannend grafisch werk van Erik Kriek, Lukas Verstraete (die ook het omslag tekende) en Brecht Evens. Hoogtepunt is de bijdrage van Tobias Schalken, die met de strip The light of home overtuigend bewijst over een zeldzame vertelstem te beschikken.

Achterin het omslag is het unieke werk ingeplakt van Jochen Gerner, een Franse tekenaar die het meer dan wie ook verdient in het Nederlands uitgegeven te worden. Zijn werk is vaak ronduit bizar met niets te vergelijken. Neem bijvoorbeeld zijn album Panorama du froid / Icebergs, een boek vol met illustraties van locaties en gebouwen, zoals de Notre Dame, Trafalgar Square en Bahnhof Zoo, die zijn veranderd in ijsschotsen – en dus in wezen onherkenbaar.

De redactie, die zich laat souffleren door een heuse Scratches Academy met onder anderen Maus-tekenaar Art Spiegelman en vermaard stripjournalist Paul Gravett, zoekt het ook buiten de gebaande paden van het beeldverhaal: het grafische werk van Sami Ki, dat sterk leunt op architectuur, is een bijzondere ontdekking. Hetzelfde geldt voor de intense potloodillustraties van Ludwig Volbeda.

Mede dankzij enkele journalistieke bijdragen, bijvoorbeeld over Professor Pi van Bob van den Born en Frank King (Gasoline Alley), is Scratches in zijn wezen geslaagd: het slaat bruggen tussen beeldverhaal en gelijkgestemde kunstvormen.

Opvallend is dat met Scratches in Nederland ook in Frankrijk en België soortgelijke nieuwe tijdschriften verschenen. Bij de zuiderburen veranderde het tweemaandelijkse informatieblad Stripgids in een massief, halfjaarlijkse striptijdschrift met lange stripverhalen en puik journalistiek werk. In Frankrijk verschijnt sinds een jaar het uitvoerige Les Arts Dessinés, dat net als Scratches het beeldverhaal plaatst in een breder perspectief, naast beeldende kunst, architectuur, illustratie en grafiek. Dit is een positieve ontwikkeling die bijdraagt aan de waardering van het beeldverhaal als serieus medium.

Scratches 2. Uitgeverij Scratch, 112 pagina’s, € 30,00.

Strips & comics

Gelezen: Bruno Duhamel – Nooit

Het mooiste beeld uit Nooit verschijnt subiet aan het begin van het verhaal. Een oud vrouwtje geeft de planten water, met op de achtergrond een tuinhekje dat voor een deel boven een afgrond bungelt. Het omaatje heet Madeleine en is blind, haar tuin begeeft zich op het randje van een steeds verder afbrokkelende klif aan de Normandische kust. Achter dit cartooneske tafereel gaat een innemende en trieste geschiedenis schuil.

Madeleine woonde er jaren met haar grote liefde Jules, een schipper die alweer heel wat jaren geleden het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Hoewel ze nog bij de pinken is, heeft ze het verlies van haar man nooit werkelijk afgesloten. Nog iedere dag eet Madeleine samen met Jules en spreekt ze met hem de dagen door. Haar kater, een geweldige dikzak, is de gelukkige. Stiekem, alsof zijn bazinnetje het kan zien, eet hij het bordje van Jules leeg.

Binnenshuis heeft Madeleine de boel redelijk onder controle, het gevaar bevindt zich buiten. De klif waarop haar huisje staat kalft steeds verder af; de reden voor de burgemeester – verantwoordelijk voor het welbevinden van al zijn dorpsgenoten – om Madeleine met zachte dwang te verzoeken te verkassen. Want stel je voor. Maar Madeleine voelt daar helemaal niets voor. Zij gaat het huisje, met alle herinneringen, niet uit. Pertinent niet, en pas op: ze is tot de gekste dingen in staat. Ze blaast bij wijze van spreken nog liever de hele zooi op.

Uitgeverij Saga heeft vaak een gelukkige hand van kiezen uit het enorme Franstalige aanbod dat erom vraagt vertaald te worden. In hun collectie Bamboe zijn het vooral zachte, lievige verhalen over kleinmenselijk leed. Schattig met een twist, zoals de tweeluiken De adoptie en Te mooi om waar te zijn. Nooit van Duhamel hoort in dat rijtje thuis. Het verhaal van het stuurse, blinde oudje dat zich kranig verzet tegen een gedwongen verhuizing past perfect: een kleine geschiedenis rond gewone mensen.

Bruno Duhamel heeft gekozen voor een heel mooi kleurpalet, een kunststukje dat hij ook al flikte met zijn album De terugkeer, dat vorig jaar verscheen. In Nooit kiest hij voor zachte kleuren, niet per se Normandisch maar perfect bij de setting van het verhaal: het zijn de kleuren van bejaardenservies, van nachtponnen en Cornelis Jetses. Het zorgt ervoor dat de onverzettelijkheid van Madeleine en de urgentie van de verhuizing extra nadruk krijgt: een krachtig tegenwicht in de zachte omgeving.

Aan het slot van het verhaal is het tuinhekje er nog slechter aan toe. Het klif zal blijven afbrokkelen. Troost en herinnering vechten om voorrang. Nooit is niet zo gelaagd en scherp als De terugkeer, maar als kleine sprookgeschiedenis erg geslaagd.

Bruno Duhamel – Nooit. Saga Uitgaven. 64 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Cartoons 2018, Internationaal Cartoonfestival van Knokke-Heist

Zoals korte verhalen zich verhouden tot romans, zo is het in de stripwereld met de positie van cartoons gesteld. Natuurlijk houdt iedereen van cartoons, bijvoorbeeld die van Fokke en Sukke, of de politieke cartoons uit dagbladen en de New Yorker. Er is niets mis met de waardering ervan.

Maar anders dan vroeger worden cartoons tegenwoordig nog maar nauwelijks gebundeld uitgegeven, behalve de halfslachtige, melige themaboekjes die in de cadeauhoek van de boekhandel liggen. Misschien omdat cartoons gedoseerd geconsumeerd moeten worden, of vanwege de actualiteit, is het niet interessant om ze te bundelen. Het genre moet het vooral hebben van de losse glimlach en de dagelijkse dosis milde spot. Dat hoeft de lezer niet per se nog eens terug te lezen.

Een stadje in België houdt tegen de stroom in al 57 jaar moedig stand. Iedere zomer vindt in de kustplaats Knokke-Heist een internationaal cartoonfestival plaats, en ieder jaar verschijnt er een bloemlezing met de beste inzendingen van dat festival. Het festival heet het Internationaal Cartoonfestival en de bundeling noemt men Cartoons met het jaartal erachter. Helder. Het is een festival dat het gelukkig zonder jaarlijks thema doet. Er wordt niets aan de haren bijgesleept.

De bundel (en het festival) geeft een mooi overzicht van het werk van de mondiale cartoonistengemeenschap. In Cartoons 2018 staan de honderd genomineerde, tekstloze cartoons van dit jaar, door een vakjury gekozen uit bijna tweeduizend inzendingen. Want dat is het festival ook: een wedstrijd, met een gouden, zilveren en bronzen prijs. De winnaar krijgt de Gouden Hoed.

Hoewel er in de inleiding van Cartoons 2018 melding wordt gemaakt van 579 cartoonisten uit 74 landen, staan tussen de honderd uitverkorenen opvallend veel Iraniërs, onder wie de winnaar Saeed Sadeghi, en Turken; respectievelijk zeventien en twaalf. Verder tien Belgen en één Nederlander, Doede Okkema. De overige zestig komen inderdaad overal vandaan.

In Cartoons 2018 valt op dat er een bescheiden rol is weggelegd voor politici, voor de persoonlijke aanval. Hier en daar komt Erdogan langs, drie keer Trump en er is een (prijswinnende) Poetincartoon. De wereldpolitiek in het grotere geheel, voorbij de poppetjes, is een bron van inspiratie en vermaak. Zo gaat de aandacht uit naar de schimmige rol van multinationals en onvermijdelijke zaken als honger, geloof en gebrek aan compassie.

Het populairst in aantal zijn de cartoons over de sociale media: het verslavende van de mobiele telefoon, de afvlakkende fascinatie voor de schijnwereld van de schermpjes.
De cartoons daarover zijn leuk en gevat, maar ook voorspelbaar. Wellicht dat een betere dosering in de bundel een scherpere selectie had opgeleverd. Bovendien laat een brede waaier aan onderwerpen ook de veelzijdigheid van de hedendaagse cartoon zien. Nu wekt het de indruk dat voor de gemakkelijke weg is gekozen: wie heeft er geen mening over de doorgeschoten sociale media?

Wat mooi uitpakt is dat bij iedere cartoon wordt vermeld waar de maker vandaan komt. Onwillekeurig gaat de lezer daardoor op zoek naar typische, cultuurgebonden elementen, die dan bij nader beschouwing veel minder exotisch en uitgesproken zijn dan vooraf verondersteld. De Birmese cartoon die verhaalt over het probleem van bootvluchtelingen heeft niets Aziatisch: het slaat evengoed op de situatie in Zuid-Europa. En dan nog, ook een Braziliaan kan een mening hebben over de schrijnende situaties aan de Middellandse Zeekust. Ook vormtaal en kijkrichting blijken veel eenvormiger en minder cultureel bepaald. Dat zijn mooie ontdekkingen.

De bundeling laat zien dat de taal die cartoonisten spreken universeel is. Cartoons 2018 nodigt uit tot scherp kijken. Dat maakt het een frisse collectie met diepgang, engagement en zeggingskracht, waarbij het vermaak de beloning is.

Diverse auteurs – Cartoons 2018. Davidsfonds Uitgeverij, 120 pagina’s hardcover, € 17,99.

Het Cartoonfestival is te bezoeken van zaterdag 30 juni tot en met zondag 2 september 2018 in het strandpaviljoen ter hoogte van Heldenplein Heist, Knokke-Heist.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 8

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van Comics Krenten van het zomernummer.

De krenten gaan cross over deze keer en we beginnen bij games. In 1982 kwam het eerste deel van het spel SwordQuest uit, een Atari 2600-titel die niet alleen een game was maar ook een comic waarin het verhaal werd verteld en een deel van de puzzel werd ontrafeld. Drie episodes verschenen er en de vierde, Airworld, zou de afsluiting zijn.
Om het groots te vieren mochten spelfanaten zelf een einde aandragen: het werd een prijsvraag met als hoofdprijs een replica van het zwaard uit de comic. Helaas belandde Atari is zwaar weer en werd het vierde deel van de game nooit uitgebracht. Ook de prijsvraag werd geschrapt. Het zwaard werd een museumstuk dat af en toe te zien was op cons en exposities.

Nu is er een comic van Chad Bowers en Chris Sims (Dynamite, TPB, $19,95) die dit verhaal van Atari en SwordQuest vertelt. Peter Case is één van de fanatieke en teleurgestelde Atari-fans van toen die tevergeefs meedeed aan de prijsvraag. Peter is inmiddels een volwassen man met alle ongeluk van de wereld: ongeneeslijk ziek en ook nog eens zijn appartement in vlammen zien opgaan. Hij trekt in bij zijn moeder en vindt er zijn oude Atari terug. Dat brengt hem op een idee: hij wil nog één keer iets gaafs doen. Hij wil het zwaard bemachtigen, omdat hem die kans vroeger is ontnomen. Dát wordt zijn queeste.

Samen met twee vrienden van toen vinden ze het zwaard, waarmee iets aan de hand is. Het zorgt ervoor dat de drie stervelingen ineens echte helden worden. SwordQuest is een prima, pretentieloos verhaal, dat vooral interessant is vanwege de nerdy geschiedenis die erbij hoort.

Van games naar tekenfilm dan. Dick Dastardly en zijn domme hond Muttley zijn vooral bekend van Wacky Races en Stop the Pidgeon – en van het leipe lachje van Muttley uiteraard. Niet bepaald hoogdravend en dat is de nieuwe comicserie rond de twee ook niet, hoewel de realistische aanpak van tekenaar Mauricet je gemakkelijk op het verkeerde been zet. Toch wordt al snel duidelijk dat we hier niet met een intellectuele remake (DC, TPB, $19,99) te maken hebben.
Scenarist Garth Ennis knalt er lekker in met een boel slappe grappen. Het verhaal begint in het fictieve staatje Unliklistan waar de koning per ongeluk een kernreactor opblaast. De Amerikanen, met Dastardly en Muttley, gaan op onderzoek uit en worden getroffen door een onbekend fenomeen dat eruit ziet als een gekleurde wolk met onomatopeeën. Gevaarlijk? Niemand die het weet. Maar waar Muttley eerst nog een gewone viervoeter was, blijkt hij nu ineens een canis erectus te zijn: hij loopt op twee benen en praat. Ook gek, zeg.
En zo ontvouwt zich een grappig verhaal dat je als volgt kunt samenvatten: wie kun je waanzin het beste laten bestrijden dan de twee grootste mafketels zelf? War Pig One is gewaarschuwd.

Strips & comics

Gelezen: Hartley Lin – Young Frances

Young Frances is Frances Scarland, een junior bedrijfsjurist die zoals veel van haar leeftijdsgenoten twijfelend en piekerend door het leven gaat. ’s Avonds kan ze de slaap niet vatten en ligt ze met opengesperde ogen naar het plafond te staren. Is dit het? Heb ik hiervoor gekozen?
Zou het hierbij blijven dan is de eerste graphic novel van Hartley Lin een typische sleutelroman over een jonge twintiger die zich verliest in haar eerste baan, het volwassen leven.

Maar Hartley Lin is niet de eerste de beste. Hoewel Young Frances zijn eerste volwaardige album is, gaat hij al een paar jaar mee in het alternatieve circuit van de Amerikaanse stripwereld. Onder zijn pseudoniem-anagram Ethan Riley publiceerde hij tot op heden vijf delen van zijn comic Pope Hats, waarvoor Lin al ruimschoots werd gelauwerd. Hij won een Doug Wright Award, een Ignatz Award en een Joe Shuster Award, en werd meermaals genomineerd voor de prestigieuze Eisner Award; stuk voor stuk stripprijzen waarmee je de aandacht opeist.

Young Frances is voorgepubliceerd in Pope Hats 2 tot en met 5. We leren Frances kennen als een harde werker en een tobber. Feitelijk leeft ze twee levens: van de leergierige en handig opererende jurist, die vaak te horen krijgt dat er voor haar een bright future in het verschiet ligt, maar die ’s avonds en in het weekend geen idee heeft hoe ze haar leven met haar werk kan verenigen.

Het helpt Frances ook niet werkelijk dat ze samenhokt met Vicky, een vrijgevochten, jonge actrice die feesten afschuimt op zoek naar werk en erkenning. Haar wereld en die van Frances staan mijlenver uitelkaar en iedere poging hun jeugdige vriendschap samen te vieren lijkt bij voorbaat mislukt. Frances is alle ontspanning kwijtgeraakt.

De discussies die de twee hebben zijn van wezenlijk belang voor het verhaal. Waar we onmiddellijk zien dat het leven van Vicky zich ophoudt in een holle schijnwereld, wordt dat van Frances nog deugdzaam en ideaal geportretteerd: hard werken en steeds verder klimmen is zoals het hoort. Zo voelt Frances het zelf ook, en juist daar gaat het mis. De scenes op haar werk, bij een juridische firma die geld ‘maakt’ door bedrijven leeg te trekken, geven de twijfel van Frances steeds meer kern: dit kán het toch niet zijn?

De gesprekken tussen Frances en Vicky worden wezenlijker als Vicky het succes vindt en naar de westkust verhuist. Daar is ze ineens de gevierde ster, maar overvalt haar de absolute leegte van alles. Ook zij botst tegen het echte leven op. Vicky wordt zoals Kevin, de succesacteur uit de televisieserie This is us (gespeeld door Justin Hartley, geen familie), die zich ook nadrukkelijk afkeert van het lege sterrendom.

De tekeningen van Lin zijn soepel en sprekend. De vergelijking met het werk van Adrian Tomine (Optic Nerve, Killing & Dying) ligt voor de hand, al is het werk van Lin minder statisch. Young Frances is zwart-wit, vanwege de oorspronkelijke verschijningsvorm in Pope Hats en ook voor deze gelegenheid niet ingekleurd. Dat had gekund; het werk leent zich voor een ingetogen kleurstelling, vooral om de werkelijkheid van het snelle geld af te kunnen zetten tegen het wereldbeeld van de twijfelende hoofdspersonen.

Met Young Frances heeft Lin zijn naam definitief gevestigd. Terecht: het is een graphic novel over vriendschap die lekker blijft hangen, vooral omdat de harde, onpersoonlijke maatschappij zo scherp wordt neergezet. Dat past naadloos in het huidige tijdsgewricht.

Hartley Lin – Young Frances. AdHouse Books, 144 pagina’s hardcover, € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Kim Duchateau – Madelfried

In aanloop naar de Stripdagen Haarlem, het paradepaardje onder de stripfestival in Nederland dat dit jaar plaatsvond van 25 mei tot en met 3 juni, verschijnen altijd veel nieuwe strips. Nu zijn de Stripdagen eens per twee jaar en verschijnen er ook in de tussenjaren eind mei veel albums, maar toch: wie de beurzen in Haarlem bezoekt en niet op een euro hoeft te kijken, kan al gauw met twee rolkoffers nieuwe albums huiswaarts gaan. Het aanbod is overweldigend en voor buitenstaanders een openbaring: voor wie bijvoorbeeld denkt dat er in Nederland ongeveer evenveel dichtbundels verschijnen als strips gaat er een wereld open. (Ter info: in 2017 verschenen er meer dan 1650 Nederlandstalige striptitels)

Tussen alle nieuwe grafische romans, meerdeelse avonturenverhalen in harde kaft en luxueuze integrale heruitgaven viel de bundel Madelfried van de Vlaamse humorist Kim Duchateau niet meteen op. En ergens is dat logisch: Madelfried, de zelfverklaarde superheld die nergens zelfs maar een greintje van een held bezit, is geen grootse verschijning. Het iele konijn, nota bene als enige zwart-wit in een kleurenstrip, is nu eenmaal een antiheld, en zelfs dat valt nog te bezien: dat ís tenminste nog een held.

In Madelfried bundelde Kim Duchateau alle Madelfried-stroken die hij de afgelopen 23 jaar tekende en die verschenen in de kranten Het Belang van Limburg en Metro, en tijdschriften als de StripGlossy. Het is dus een onvervalste krantenstrip en zo leest de bundeling, met een lekkere, melige vaart waarbij het oppassen is voor een overdosis.

Vanwege de lange tijd ziet de oplettende lezer de stijl van Duchateau veranderen, wat overigens geen enkel bezwaar is omdat hij doorgaans al diverse stijlen beheerst en gebruikt. Onlangs nog verscheen de hilarische Nero-spinoff De zeven vloeken: een echt geestig verhaal rond de klassieke personages Nero, Adhemar, Madam Pheip, Petoetje en Petatje van Marc Sleen (1922-2016, een van de oervaders van de Vlaams strip).

Daarnaast tekent Duchateau de reeksen rond de sexy Esther Verkest en het zwaarmoedige brutaaltje Aldegonne. Al zijn werk wordt gekenmerkt door een frisse gekte. Het zit vol absurde wendingen, rare gesprekken en onnavolgbare grappen. Uiteraard neemt hij de wereld van de superheld op de hak, maar daarbij permitteert hij zoveel nonsens dat het daar nog nauwelijks over gaat. Iets redden of oplossen is er sowieso niet bij.

De stroken van Madelfried hebben soms iets van de meligheid van de Hollandse stripkat Heinz, vanwege hetzelfde zeurderige, stroperige tempo. Al vliegt het daarna bij Duchateau weer net zo gemakkelijk alle kanten op: de verhalen komen niet uit het brein van een one trick pony, zoveel is duidelijk. De stroken gaan dus vooral niet over superhelden, maar juist over alledaagse toestanden. Het is Madelfried die deze zaken als een superheld benadert, en daarin hopeloos faalt: een cape doet nog geen wonderen.

Madelfried heeft iets sneus, maar het zorgt er niet voor dat de lezer hem sympathiek gaat vinden. Hij is niet aaibaar of iemand die je ondanks zijn onhandigheidjes in de armen sluit. In dat opzicht werkt deze bundeling niet in Madelfrieds voordeel. Dat het er toch is, is desondanks een gelukje: het is een album dat je in gedoseerde hoeveelheden leest, en geniet.

Kim Duchateau – Madelfried. Oogachtend, 96 pagina’s, € 16,00.