Strips & comics, Zone 5300

Column Zone 5300: Tenminste houdbaar tot gisteren

zone hondje luuk bodeNaar aanleiding van mijn column in de nieuwe Zone 5300 kreeg ik een aantal reacties van lezers en bekenden. Het kwam er vooral op neer dat ik zou afrekenen met Kamagurka en zijn werk. Een interessante gedachte.
Mijn inzet was geen afrekening, en al helemaal niet ad hominem, maar  teleurstelling uit te spreken over Kama’s werk van de afgelopen jaren. Zijn werk was goed, heel goed, en is tegenwoordig een saaie invuloefening met matige grappen en ondermaatse pogingen tot humor. Om het enthousiasme voor zijn werk weer terug te krijgen, zou een grondige opfrisbeurt geen overbodige luxe zijn.

Ik vergelijk het met de veranderingen die we tegenwoordig zien in boekhandels; specifieker de overlevingsstrategie van de boekverkopersbranche. De overeenkomst: boekhandels moeten interessant blijven en daar is verandering voor nodig. En als we de bazuinen goed verstaan werpt de nieuwe opzet zijn vruchten af. Afijn, ik ga hier niet de hele column analyseren, dus lees ‘m vooral:

Tenminste houdbaar tot gisteren

Een beetje boekhandel is tegenwoordig een ervaring met loungehoek, coffeecorner, preview-pilaren en andere wezensoverschrijdende noviteiten. Er komt een dag dat een boek kopen een verdomd listige onderneming wordt, omdat in de boekenbranche de beleving intussen meer en meer de backbone van de experience is geworden. Ik zeg maar wat, je voelt vast waar ik het over heb.

Omdat het nu dus mogelijk is, kun je gemakkelijk uurtjes stukslaan met een stapeltje strips uit de graphic-novelsectie. Want dat is ook iets van nu: Rik Ringers, Elsje, Dirk Jan en iets manga-achtigs; het is allemaal graphic novel geworden in de gemakgerichte boekketens. Wel zo overzichtelijk.

Onlangs zat ik in een van de zachte zetels met een boekwinkel-latte en een aantal strips, die ik misschien ooit maar waarschijnlijker nooit zou kopen. Onder andere de laatste van Kamagurka.
Ik keek uit het raam van de verbouwde winkel, die zich profileert als venster naar de buitenwereld. Vroeger, mijmerde ik, was Kamagurka echt goed. Zijn werk was anders, scherp, verrassend en voor een dwarse jongeling het ideale leesvoer. Studiemateriaal voor de echt vrijdenkende fluitketel. Kamagurka plaveide het pad voor types als Gummbah en verder voor alle mindere goden die dachten dat er niets nodig was voor absurde cartoons, behalve een dikke vrouw, een ziekte en een terloops zinnetje.

Ik bladerde een tijdje door Kama’s nieuweling en vertrok pas een spier toen ik een slok koffie nam. Toen wist ik weer waarom ik jaren geleden al opgehouden was met het kopen van zijn  boeken. Er is geen reet meer aan. Echt niets. Het is niet scherp meer, het is niet doordacht en dieper dan de de kras van een viltstift gaat het niet. De ziel is eruit. Het zou pas absurd zijn als Kamagurka er zelf nog om kan lachen.

Ik gooide het boek van me af en keek weer naar buiten omdat ik met een weidse blik beter tot verheven gedachten kom. Hoe zit het, dacht ik, dat het genre dat mede door deze man groot was gemaakt intussen is verworden tot een vrijwel inhoudsloze schaamvertoning? Ik ging terstond naar mijn studiekamer en sloot me enkele uren op met een meter strips van het absurdistische genre. Ik vind: kritiek leveren is één ding, het stevig funderen is iets heel anders.

Na verloop van tijd begon het me te dagen. Het komt hierop neer: absurditeit in stripvorm is eindig. Als Gummbah een rokende smurf met een voorbinddildo op zijn hoofd in een plas kots laat verzuchten dat het gat in de ozonlaag tegenwoordig ook niet meer is wat het was, dan is dat best grappig. Althans, een eerste keer. Want als diezelfde rooksmurf iedere week zijn beklag doet, dan wordt het saai, hoe groot zijn blote lul ook is.

Je zou kunnen zeggen dat absurditeit geen overtreffende trap kent. Gummbah is niet absurder dan Kamagurka en zijn huidige werk is niet absurder dan dat van tien jaar geleden.
De heren van Monty Python hielden het voor gezien toen ze naar eigen zeggen zich gingen herhalen. Logisch, het eindeloos overdoen van een trucje is nergens leuk. Het is wat het is: het absurde paradigma is geen eindeloze reeks variaties waar je jaren mee vooruit kunt.
Het absurdisme van Kamagurka en Gummbah is werk geworden. Ze leveren. Je moet dan wel heel groot zijn om te stoppen of om te zeggen: het is mooi geweest, ik ga wat anders doen.

Wie niet in de valkuil van herhalingen trapt is Jeroom. Hij blijft zijn universum oprekken door gebruikmaking van foto’s, verwijzingen naar tekenfilms, stripfiguren en andere zaken. Zijn vertrekpunt is niet steeds hetzelfde hoofdje met die ene zin of de man voor een schilderij die weer iets vindt van iets onbenulligs.
Het gaat hier niet om afrekenen, maar zo nu en dan is het louterend om jezelf opnieuw uit te vinden. Dan doen boekhandels ook en dat kan maar zo van alles opleveren.

Deze column verscheen in Zone 5300, zomer 2015-editie.

Plaats een reactie