Strips & comics

Gelezen: Noah van Sciver – Fante Bukowski Two

Vorig jaar kwam ik Noah van Sciver tegen bij zijn Franse uitgever op het festival van Angoulème. Behalve zijn eerste Franse album had hij een aantal Engelstalige eigen beheer uitgaven bij zich, die ik van hem kocht: leuke, ontwapenende slice of life verhalen over jongeren en jongvolwassenen die niet leven in de fantasiewereld van MTV en de Kardashians.

Het werk van Van Sciver is grotendeels autobiografisch en de personages zijn altijd bezig het hoofd boven water te houden: net genoeg geld voor de huur, nergens een vangnet en geen tijd voor dromen of rust. De verhalen zijn eerlijk en hard tegelijk, met soms een sprankje hoop zonder dat het pathetisch wordt. De personages komen zo dichtbij dat je ze echt iets beters zou gunnen: weinig hedendaagse strips hebben die zeggingskracht.

Deze verzamelde korte verhalen verschenen in de bundelingen Youth is wasted, Disquiet en Saint Cole, stuk voor stuk prachtige miniatuurtjes van het moderne Amerikaanse leven in verval.

Binnen zijn oeuvre zijn de verhalen rond de wanna-be succesdichter Fante Bukowski duidelijk een uitlaatklep voor Van Sciver. Fante is een nietsnut, een hobo en een mislukte dichter die letterlijk wacht tot de mensheid ein-de-lijk eens overtuigd raakt van zijn enorme talent. Fante is zo vol van zichzelf en ziet de wereld om hem heen zo misnoegd aan, dat het komisch wordt. Bij Fante is de gunfactor heel ver weg en stiekem hoop je dat zijn gedichtjes het nooit ergens zullen redden, wat overigens een vrij zekere zaak is.

In het tweede deel, dat gewoon Two heet en prima zonder het eerste te lezen is, zien we Fante steeds gefrustreerder raken door het in zijn ogen oneerlijke systeem van uitgevers, agenten, collega’s en in feite de hele poëziekliek bij elkaar, tot en met de lezers aan toe. Hij stort zich in de wereld van eigen beheer uitgaven en komt erachter dat niemand bereid is vijf dollar te betalen voor zijn bundel Six Poems by Fante Bukowski, waarvan hij er twintigduizend heeft laten maken; een twee keer dubbelgevouwen A4’tje met nietjes overigens.

Fante wordt onderhouden door zijn moeder die er op een dag achterkomt dat hij zijn geld uitgeeft bij een dame van plezier – en feitelijk alleen omdat zij het naar eigen zeggen met alle belangrijke schrijvers doet. Hij wordt het motel uitgegooid en leeft op straat, wat hem nog zuurder en onuitstaanbaarder maakt. Een vroegere vriendin, die het wel gemaakt heeft in de literaire wereld, ontfermt zich over hem, maar zelfs dat verpest Fante.

Toch heeft hij geluk: zonder dat hij er erg in heeft wordt hem een gunst verleend door iemand van The New York Times, die toevallig dezelfde vrouw van lichte zeden frequenteert en dat graag onder de pet houdt.

De hoofdstukken in het boek zijn steeds voorzien van passende quotes en oneliners, als mantra’s van de zelfkant. Ze voorzien Fante van een passend cachet; niet per se positief, vooral niet, maar daarom des te grappiger.

In de Verenigde Staten wordt Noah van Sciver langzamerhand opgepikt: er verschijnen herdrukken en zijn laatste grote werk, Disquiet, kreeg goede kritieken, ondanks de onbarmhartige teneur van het album.
Toen ik onlangs De Wolven van Ward Zwart en Enzo Smits (Uitgeverij Bries) las, moest ik aan Van Sciver denken. Het zou goed kunnen dat er een nieuwe generatie striptekenaars aan het opstaan is: zij die door de facade van de glamoureuze reality tv prikken en de maatschappij zien veranderen. Harder, moeilijker, leugenachtiger en daardoor levensechter. Het maakt Van Scivers serieuze werk aanbevelenswaardig. Voor het luchtige stapje opzij is Fante Bukowski een aanrader.