Strips & comics

Gelezen: Thomas Du Caju & Jean-Claude van Rijckeghem – Little England

Het tweeluik Little England kan maar zo een voltreffer zijn, want tekenaar Thomas Du Caju en scenarist Jean-Claude van Rijckeghem zijn niet van gisteren: zij hebben al acht albums van Betty en Dodge op hun naam staan. Dat is een heel behoorlijke serie, die zich afspeelt in de jaren dertig en qua sfeer en uitstraling in de buurt zit van Little England. Daarbij zien de strips er exact hetzelfde uit, vooral vanwege de plastische inkleuringen.

Little England is een tweedelige avonturenstrip die speelt in het door Engelsen overheerste Birma in 1941. De overdadige flapteksten laten er geen misverstand over bestaan: de cyclus is adembenemend, soms gevoelig en soms gewelddadig. Logisch ook, de pas zestienjarige hoofdpersoon Jonathan is terechtgekomen in de maalstroom van de geschiedenis, terwijl hij ook nog eens geconfronteerd wordt met zijn eigen gevoelens.
Hij is bovendien een halfbloed, met een Engelse vader en een Birmese moeder, en dat zorgt voor loyaliteitsproblemen en een gespleten kijk op de wereld om hem heen. In de verte rinkelen zachtjes de alarmbellen.

In Little England maakt de lezer kennis met de opstandige puber Jonathan, met zijn strenge vader die altijd in militaire kleding rondloopt en met de schoolmeester, die zwaaiend met zijn tuchtroede voorkomt dat de jongens op het verkeerde pad raken: geen onzedige gedachten en geen gegluur naar sportende meisjes.

Dat Jonathan een paar pagina’s verderop door toedoen van zijn wilde oom verzeild raakt in de slaapkamer van een nachtclubdanseres en zijn hart aan haar verliest: het kan nog net. Sommige jongens worden in een paar pagina’s volwassen. Maar dat deze dansende Ruby eigenlijk een spion is voor de Japanners en dat de vasthoudende Jonathan haar werkzaamheden met zijn gevlei erg ingewikkeld maakt, is al moeilijker voor te stellen. Het verhaal is dan pas net begonnen.

De geschiedenis wordt gaandeweg zo onwaarschijnlijk, met zoveel toevalligheden en plotwendingen, dat het zelfs met ducttape lastig bij elkaar te houden is. Complete scenes worden opgevoerd om het verhaal kloppend te houden en geen gedraging blijft onbenoemd: alles en iedereen wordt verklaard, wat de gesprekken topzwaar en onwaarschijnlijk maakt.

Als na verloop van tijd een Japanner dodelijk wordt getroffen door een haarspeld, die Jonathan nota bene als aandenken had gepikt en later aan Ruby teruggeeft, is het verhaal over de rand van geloofwaardigheid gekukeld. Daarna krijgt hij nog een amulet van een grotbewoner, die Jonathan ontmoet als hij over een muurtje struikelt en naar beneden valt. Waarom? Geen idee. Wie zich dat soort zaken afvraagt, komt al snel hopeloos in de knel.

Het einde van het tweeluik is exemplarisch voor het verhaal. De onfortuinlijke jongeman die even daarvoor nog met zijn hoofd in een strop stak, zijn vader voor zijn ogen ziet sterven, een aanslag overleeft én een slagregen aan vliegtuigbommen trotseert, besluit zich te verenigen met zijn klasgenootje Becky. Hij vindt haar vlakbij in een huis dat als enige niet door de bommen is getroffen. Becky, niet werkelijk onder de indruk van de verschrikkingen om haar heen, weet waarom ze gespaard is: zij kreeg het amulet van Jonathan en dat heeft haar beschermd. Alsof er niets aan de hand is moet er ontbeten worden en zit het verhaal erop.