Strips & comics

Gelezen: Carlos Sampayo & José Muñoz – Alack Sinner compleet 1: Het leven is geen stripverhaal, baby

Het gevaar van een beschrijving van de strips rond de hardboiled detective Alack Sinner is dat het van clichés aan elkaar hangt. Dat zou de geweldige verhalen van het Argentijnse duo Carlos Sampayo (tekst) en José Muñoz (tekeningen) beslist tekort doen. En ergens voelt de uitgever dat ook, want die heeft ervoor gekozen om het eerste deel van de complete werken uit te geven met een buikbandje waarop we lezen dat Alack Sinner ‘dé inspiratiebron [is] voor Sin City en Blacksad‘, voorwaar geen geringe aanbeveling.

Zo’n extra prikkel kan geen kwaad natuurlijk, maar iedereen die eerder in aanraking kwam met de onderkoelde Sinner weet: die strips zijn geweldig, en dulden nauwelijks soortgelijke series naast zich. Torpedo is te gek, zonder twijfel, maar het is te karikaturaal. Hetzelfde geldt voor detectiveseries als Canardo, Jerome Bloks, Soda, Rik Ringers en Nestor Burma. Stuk voor stuk lekker leesvoer, en in het geval van Bloks van harte aanbevolen, maar zo rauw en flink als Sinner wordt het nergens.

De afgelopen jaren, en toch al weer een tijd geleden, verschenen er hier en daar albums met een aantal verhalen, maar nooit werd een poging ondernomen de Sinner-verhalen compleet te bezorgen. Daar gaat uitgeverij Sherpa in haar paarlen jubileumjaar verandering in brengen: onlangs verscheen Het leven is geen stripverhaal, baby, een verzameling van vier verhalen die geldt als het eerste deel van de complete werken. En dat is goed nieuws.

Zoals het tegenwoordig gaat, zit er voorin het album een inleiding. In dit geval het vermelden waard, omdat de uitgever precies uitlegt waarom de impressionistische Sinner-verhalen misschien niet meteen aanspreken, maar regelrecht de moeite waard zijn.

Allereerst zijn de strips in een ruig, contrastrijk zwart en wit opgezet. Omdat ze oorspronkelijk als krantenstrips werden gepubliceerd, en ze met de jaren niet werden ingekleurd, ogen de strips wat onbehouwen: soms lijkt het alsof de plaatjes met een dikke viltstift zijn ingekleurd. En wellicht is exact dat het geval geweest. Daarbij is de lijnvoering van Muñoz onaangepast en snel. Liefhebbers van gedetailleerde en verfijnde tekeningen zullen zich wel twee keer bedenken om Alack Sinner mee te nemen en dat is welbeschouwd eeuwig zonde.

Daar komt bij dat de strips niet van nu zijn, maar uit de tijd van de Vietnam-oorlog en de moord op John Lennon. Er zijn geen mobiele telefoons, speuren is nog eerlijk handwerk en Sinner leest de krant niet van een scherm, maar nog old school van papier.

En ten derde kun je je als lezer maar moeilijk identificeren met de protagonist Sinner, die nu eenmaal niet het zonnetje in huis is. Dat is feitelijk eerlijker dan hoe zijn collega’s worden geportretteerd: figuren als Ringers, Bloks en Canardo hebben iets leuks of stoers, iets waaraan de lezer zich kan spiegelen. Alack Sinner doet geen enkele moeite; lezers kunnen hem – net als leden van de politie, recherche en penoze – gestolen worden.

En daar komen we op een vreemd verhaalgegeven uit: Sinner wil eigenlijk met rust gelaten worden, maar wordt steeds weer in een stinkende zaak getrokken door geldgebrek. Je zou zeggen dat hij beter een fatsoenlijke baan zoekt, maar dan weer: Sinner geeft niets om jouw mening.

Het mooie van het eerste deel is dat de verhalen in een logische volgorde staan zodat je bijvoorbeeld snapt waar Sinners aversie voor de politie vandaan komt. In het openingsverhaal Gesprek met Joe is hij zelf nog een agent en komt hij achter de verdorven machtsstructuren en achterbakse machinaties van de hermandad, en die zijn niet mals. Sinner vertrekt, maar dat maakt hem niet meteen een engeltje. Er zijn momenten dat je meer compassie verwacht, al zal dat voor een groot deel ingesleten zijn. De zelfkant is niet zacht voor zijn bezoekers.

Terug naar het feit dat Alack Sinner de inspiratiebron zou zijn van Frank Millers Sin City en Blacksad van Canales en Guarnido. Daar zit ongetwijfeld iets in. Meer nog leidt Sinner naar de Amerikaanse politieseries uit de jaren zeventig, zoals The Streets of San Francisco en vooral McCloud. Wat ze overeenkomen met Alack Sinner is bijvoorbeeld de aanwezigheid van een bar als uitvalsbasis, het eigengereide en losbandige gedrag van ongeveer iedereen bij de politie en de vet aangezette entourage. De kluchtige politieserie-pastiche Police Squad met Leslie Nielsen in de hoofdrol ging precies met dit soort clichés aan de haal. In die context past Sinner.

Alle vet aangezette politiezaken terzijde; waar het bij Alack Sinner uiteindelijk vooral om gaat heeft te maken met zijn rechtvaardigheidsgevoel dat in het verleden een flinke knauw heeft gekregen. Hij is een gemankeerde strijder voor de goede zaak, die maar met moeite het waarachtige in de mens ontdekt. Zijn obsessies en minachting stuwen hem voort: daarin zit de kracht van deze serie. Alack is geen mooie, stoere kerel. Hij is niet sympathiek of gevat, zegt nooit sorry. Maar hij is waarachtig, en dat is een belangrijke reden om deze politiestrip vooral meteen te gaan lezen.

Carlos Sampayo & José Muñoz – Alack Sinner compleet 1: Het leven is geen stripverhaal, baby. Sherpa. 200 pagina’s hardcover. 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Kevin Huizenga – Fielder 1

Laat je niet misleiden: Kevin Huizenga klinkt heel Hollands, maar is een Amerikaanse stripmaker die zich begeeft op – laten we het maar eens modern en kunstzinnig zeggen – het snijvlak tussen strip en deconstructie. Zijn verhalen zijn zelden geschiedenissen die van A naar B gaan. Als dat al het geval zou zijn, dan zou Huizenga op z’n minst de A en B ter discussie stellen en via allerlei omtrekkende bewegingen uitkomen bij een geschiedenis die van 1 naar 0 gaat, via de kosmos.

Veel lezers en stripvorsers hebben zich al stukgebeten op het wonderlijke universum van Huizenga, die het meeste van zijn werk publiceert als periodiek op A4-formaat. Deze hybride vorm heeft het uiterlijk van een comic, met nietjes, maar heeft qua inhoud meer weg van een tijdschrift. Eerder publiceerde Huizenga op die manier al een aantal edities onder de titel Ganges, vernoemd naar zijn hoofdpersonage Glenn Ganges. Onlangs verscheen het eerste nummer van Fielder dat qua opzet hetzelfde is en waarin Glenn Ganges ook weer een belangrijke rol speelt. De lezer ziet Glenn in allerlei stadia: hij droomt, slaapt, waakt en is klaarwakker. Zijn handelingen lijken door entiteiten buiten hemzelf in gang gezet, het is zelden duidelijk waar Glenn nu werkelijk mee bezig is.
Lezers die hem kennen weten dat Glenn een piekeraar is die vaak met zichzelf op de loop gaat. Geen gemakkelijke kost, wie dat zoekt komt niet bij Huizenga uit, ondanks de vriendelijke poppetjes en de eenvoudige, heldere tekenstijl die zijn werk kenmerken.

Dat het toch zo fascinerend is, komt door de rust die Huizenga neemt om alles uit te leggen. Of beter gezegd: om de lezer mee te nemen in een uitvoerige gedachte, want echte antwoorden krijgen we niet. Daarvoor ontbreekt het aan handvatten die een vraag motiveren.

Huizenga’s werk is niet voor zomaar eventjes, al is het nergens werkelijk zwaar op de hand. Zijn werk is voor meerdere uitleg vatbaar; er ligt geen waarheid aan ten grondslag. Het is als kijken naar een abstract schilderij: geen twee personen zien er hetzelfde in.

In Fielder strijden allerlei gevoelens en indrukken om voorrang. Sommige strips zijn mooi om te zien, andere bijdragen zijn experimentele ontdekkingstochten of halve delen van iets afwezigs en de laatste zeven pagina’s zijn ingeruimd voor een voor Huizengase begrippen vrij direct verhaal, My career in comics. Dat is een hilarische vertelling over hoe Glenn Ganges zichzelf ziet als stripmaker door de jaren heen. Hij vertelt vanuit zijn graf over zijn jonge jaren, over de ontdekking van Photoshop (wat vervolgens in de strip wordt gephotoshopt) en via zijn festish voor getekende haren (appeltje-C, appeltje-V: knip en plak) ontaardt het verhaal in een inventarisatie van ‘striphaar’.

Hij wordt autoriteit op het gebied van striphaar, publiceert er boeken over en begint als succes uitblijft een school waarin haar en strips centraal staan. Tevergeefs uiteraard. Dan gebeurt er iets in Chicago, wat niet wordt uitgelegd omdat het immers in de toekomst speelt, en wordt alles anders.

Het grote publiek zal hij tevergeefs benaderen, daar is Huizenga’s werk te raar en te onaangepast voor. Maar de stripwereld zou pertinent minder rijk zijn zonder zijn bijzondere strips. Een gewaarschuwd lezer kan er veel lol beleven om de korte verhalen te lezen, opnieuw te lezen en steeds net niet te weten wat er nu eigenlijk aan de hand is. Niet alles hoeft uitgelegd te worden en wie dat inziet, kan zomaar een echte liefhebber worden.

Kevin Huizenga – Fielder 1. Drawn & Quarterly. 36 pagina’s softcover. $7,95.

Strips & comics

Gelezen: Marc Sleen & Dirk Stallaert – Nero, de Stallaert Jaren 1 en 2

Nero is een instituut bij onze zuiderburen. De kolderieke strips van Marc Sleen (1922-2016), bevolkt door in Hollandse oren exotisch klinkende namen als Petoetje en Petatje, madam Pheip, Adhemar en detectief Van Zwam, zaten in het naoorlogse dna van de Vlaming: vanaf 2 oktober 1947 stonden de stroken van Nero onafgebroken in de krant. Dat is een flinke prestatie.

Toen geestelijk vader Sleen pas op zijn zeventigste verjaardag aangaf naar een opvolger te zoeken, kwam dat niet als een verrassing, maar toch ook wel: niemand geloofde werkelijk dat hij helemaal zou ophouden met zijn levenswerk. In interviews met hem bleek nergens dat de klad erin zat: Sleen wilde door, hij dacht niet aan stoppen. Toch kwam hij in 1992 met Dirk Stallaert op de proppen, een tekenaar die zich de strip op een knappe manier eigen maakte.

Sleen had het zo geregeld dat hij zijn Nero-universum niet helemaal kwijt was: vanaf dat jaar schreef hij de scenario’s. Deze samenwerking duurde tot 2002 en leverde uiteindelijk 42 verhalen op. Ze worden nu keurig ingeleid bezorgd in tien puike delen, die De Stallaert Jaren heten.

In de eerste integrale lezen we een zeer uitgebreid dossier over de periode die de aanloop naar de samenwerking met Stallaert markeert. Het dossier bestaat uit losse hoofdstukken die ingaan op de zoektocht van een bijzonder kritische Sleen, de censuur van met name de pittige dames van Stallaert en een stuk dat heel gedetailleerd stilstaat bij zijn vroegere tekenwerk. Het is in dat laatste hoofdstuk vooral interessant om te zien wat Stallaert voor Nero maakte: de kinderserie Nino bijvoorbeeld, waarvan vorig jaar ook een mooie integrale verscheen, is toch van een heel andere snit.

Intussen zijn er twee integrales verschenen, en staan er voor dit jaar in ieder geval weer twee delen gepland. De negen strips uit deel 1 en 2 zijn geen instapverhalen; destijds begon het duo Sleen-Stallaert niet opnieuw maar ging ze door waar de serie was gebleven. Logisch, maar voor een lezer die niet bekend is met de verhalen van Nero wel handig om te weten. Verwacht dus geen uitgebreide introductie van de personages. De nieuwe, nieuwsgierige lezer valt meteen midden in de drieste wereld van Nero.

Eerlijk is eerlijk, het is even wennen: het is alsof je na tien jaar weer eens op schaatsen staat. Je zwabbert een beetje maar na een paar pagina’s krijg je de slag te pakken. En dan, langzaamaan, ga je de figuren beter kennen en leer je hoe ze zich tot elkaar verhouden. De karakters vormen zich en de grappen worden helder, je voelt ze aankomen. Lonend voor die lezer die zich aan Nero wil wagen.

En net zo eerlijk: er zitten veel verwijzingen in de verhalen naar situaties en personen die in Nederland nauwelijks zijn doorgedrongen. Je voelt dat het er niet voor niets staat, maar het idee komt niet aan.

Daartegenover staan de absurde kronkels waarmee Sleen zijn verhalen lardeerde: gekke plotwendingen, rare personages en een deus ex machina die hier en daar een verhaal komt redden, vooral als de grootspraak van Nero zich weer eens tegen hem heeft gekeerd. Die kronkels staan los van de tijdsgeest en de toenmalige actualiteit en zijn goed te verteren.

Het blijft voor een Hollander een klus om Nero echt van voor naar achter te begrijpen. Daarvoor is de dubbele bodem vaak toch te impliciet en specifiek. Wat de verhalen leuk maakt is het typisch Vlaamse karakter van de serie. Wie Nero leest, leert iets van de Vlaamse volksaard, van de kenmerkende gekkigheid. Het geeft misschien in de verte antwoord op prangende vragen als Waarom is De slimste mens in Vlaanderen heel grappig en in Nederland niet? Hoe houden de Belgen het uit met zo’n koningshuis? en Wat is er mis met een Duvel in een Bolleke? Misschien dat deze noorderbuur na tien integrales de antwoorden weet.

Marc Sleen & Dirk Stallaert – Nero, de Stallaert Jaren 1 en 2. Matsuoka. 192 pagina’s per deel. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Jason Latour & Jason Aaron – Southern Bastards

In de comicreeks Southern Bastards gaat het er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Vriendelijkheid en compassie zijn ver weg in de serie die onlangs werd afgerond met de verschijning van een vierde paperback. In het low life redneck dorpje Craw County, Alabama worden zaken nu eenmaal niet uitgepraat, maar met honkbalknuppels ingepeperd. Logisch, want wie in Craw County woont, heeft niets te verliezen, behalve het wekelijkse potje American Football. Want daarin blinkt het dorpje uit: hun team is niet alleen zo goed als ongeslagen, ze zijn tot in de wijde omtrek gevreesd.

Die angst heeft een gezicht: het is de coach van het team, Uless Boss, die koste wat kost wil winnen. Lukt het niet op het veld, of vreest hij een sportieve zeperd, dan zorgt zijn onfrisse entourage er wel voor dat de sterspeler van de tegenpartij een zere knie heeft, of tegen een verdwaalde kogel is opgelopen.

Zolang het team wint, is coach Boss ongenaakbaar en daar maakt hij handig gebruik van. Hij houdt het dorp in een op angst gebaseerde stalen greep. Door het hele verhaal zien we tot hoever zijn tentakels reiken. Iedereen houdt gepaste afstand en bemoeit zich vooral niet met zijn zaken.

En dan komt op een dag de bonkige Earl Tubb in het dorpje opdagen, terug van lang weggeweest, om het huis van zijn overleden vader leeg te halen. Vader Tubb was een gevreesde en rechtlijnige politieman die zich tegen coach Boss keerde en dat uiteindelijk met de dood moest bekopen. Earl – in een vlaag van onnozelheid – besluit het zaakje op te lossen, genoegdoening te eisen en de boel recht te trekken. En dan zien we pas echt hoe gecorrumpeerd het zuidelijke gehucht is.

In bijna 500 pagina’s ontrafelt zich een geschiedenis die alle kanten belicht en waarin het perspectief steeds wordt verlegd naar een ander personage: de brute hulpjes van de coach, de teruggetrokken en godvrezende bosbewoner, de blinde hulpcoach, de politieagent, de burgemeester en de dochter van Earl, Roberta Tubb. De lezer leert over de achtergronden, de motieven en vooral de moeilijke omstandigheden waarin iedereen opgroeide en zich een plaats probeerde te veroveren in de ingedikte, bekrompen zuidelijke samenleving.

Jason Latour (Spider-Gwen, Wolverine) tekent snel en hoekig, waarmee hij het macabere verhaal van Jason Aaron (Scalped, Avengers, Doctor Strange) nog vetter en afstotender maakt. De figuren zijn geraakt en aangetast door tegenspoed, op het wanstaltige af. Het is moeilijk om sympathie te voelen voor iemand, zelfs niet voor het achterlijke buurjongetje van Earl dat per ongeluk op de verkeerde plek is tijdens een verrassingsbezoekje van een groep gewapende en dronken wildemannen.

Wat Latour en Aaron daarmee bereiken is dat de lezer de hele kliek opgeruimd wil zien, van hoog tot laag. Iedereen die de status quo bewaakt is schuldig en dat is ongeveer het hele dorp, op een aantal kerkelijken na, die zich overigens volkomen afzijdig houden. Niemand is zonder zonde.

Het verhaal ontwikkelt zich naar de apotheose die geheel in de traditie van het dorp bloederig en overdadig is. In de slotscenes passeren alle beweegredenen de revue, iedereen krijgt zijn kans om de zaken te benoemen. Het heeft iets grotesks, maar past in de setting, net als het typische taalgebruik (“Kicked them injuns onna knee is all”) en de uiterlijkheden van de dorpelingen: mouwloze shirts, petjes en dikke armen vol racistische tattoos. In dat verband is het leuk om te zien hoe de actuele politiek gaandeweg zijn intrede deed: in de serie die begon in 2014 en vier jaar duurde, sijpelt steeds meer van de actualiteit door, met verwijzingen naar Trump en alt.right, die hun achterban voornamelijk in plaatsen als Craw County vinden.

Southern Bastards kenmerkt zich door een bijzondere brutaliteit, die ergens iets eerlijks heeft. Als je niets hebt, behalve een potje beuken op vrijdagavond tegen een team uit een andere stad, dan gaat het in je lijf zitten. Dan richt je je alleen nog op genoegdoening. Veel meer is er niet in Craw County, ook al is het gebaseerd op angst, vijandigheid en agressie. En zie dan eens hoe actueel Southern Bastards is.

Jason Latour & Jason Aaron – Southern Bastards. Image. 128 pagina’s per deel. Vier delen, van € 9,99 (deel 1) tot € 19,99 (deel 4).

Strips & comics

Gelezen: Serge Scotto, Éric Stoffel & Éric Hübsch – Cigalon (naar Marcel Pagnol)

De complete verstripping van het oeuvre van de Franse (toneel)schrijver en cineast Marcel Pagnol (1895 – 1974) zal uiteindelijk uit dertig albums bestaan. Het omvangrijke project is op stoom en bevat intussen veertig procent van het totaal: in Frankrijk zijn twaalf albums verschenen en gelukkig houden de vertalingen vrijwel gelijke tred. Bij de Belgische uitgeverij Saga verschenen al negen albums, waaronder drie van de vier delen van Pagnols autobiografie. Komende mei zal de stripversie worden afgerond met het verschijnen van Tijd voor liefde.

Dat het project, dat vijftien jaar zal duren, ook buiten de stripwereld is opgevallen, blijkt uit de toevalligheid dat afgelopen zomer Pagnols autobiografie ook als vertaalde roman bij De Geus verscheen: Mijn kinderjaren in de Provence, zoals het in romanvorm heet, bevat de eerste twee delen – De gloriedagen van mijn vader en Een kasteel van mijn moeder. Bijzonder, want hoewel Pagnol een grote naam is in Frankrijk, werd zijn levensverhaal, dat voor het eerst verscheen in 1957, nog niet eerder in het Nederlands vertaald.

Deze maand verscheen het losse album Cigalon, een verhaal dat oorspronkelijk als filmscenario diende maar in 1935 als film volledig flopte. Het werd daarna opgepikt en bewerkt tot een zeer succesvol toneelstuk, dat tot Frankrijks favoriete Pagnol-stukken hoort, vooral omdat kleine gezelschappen prima uit de voeten kunnen met de mise-en-scène.

Dat we te maken hebben met een toneeltekst blijkt onmiddellijk. Het album, dat werd getekend door Éric Hübsch, komt erg langzaam op gang. Er is veel tijd gestoken in sfeerelementen die de bescheiden vertelling omlijsten. Uiteindelijk is Cigalon zelfs een heel klein verhaaltje, dat het vooral moet hebben van theatrale armgebaren, venijnige discussies en op de spits gedreven ruzietjes.

Chef-kok Cigalon baat een restaurant uit, maar uitdrukkelijk zonder klanten te bedienen. In plaats van een maaltijd kunnen zij een veeg uit de pan krijgen van de kok, die desondanks hoog opgeeft van zijn voortreffelijke kookkunsten. Als op een dag zijn voormalige wasvrouw zich bij hem meldt met de mededeling dat zij een fijne eetgelegenheid gaat beginnen, nota bene pal naast het etablissement van Cigalon, zijn de rapen gaar. Met een flinke dosis misplaatste pathos vat de gesoigneerde kok dit plan samen: “Ik heb beledigingen, onbeschoftheden, gevloek, smeerlapperij, vuiligheid gehoord… maar zo’n misdadige onbeschaamdheid nog nooit!”

Cigalon ziet het voornemen van mevrouw Toffi als een oorlogsverklaring en maakt duidelijk dat hij de zaak van zijn concurrente zal wegvagen. Hübsch laat deze gebeurtenissen plaatsvinden in een zonovergoten en groene setting, een typisch Frans bergdorpje dat een culinaire ruzie maar moeilijk verdraagt. Zijn tekeningen geven het landelijke, rustige perfect weer. Alles ademt vriendelijkheid tot de dag dat beide restaurant werkelijk de deuren openen. Voor de gelegenheid heeft Cigalon de pannen gepoetst en ziet hij in de weerspiegeling een kok die zomaar tien jaar jonger is geworden. De viriele vijftiger heeft zijn ambitie en lust teruggevonden, klaar voor de strijd op leven en dood.

De eerste gast die met een taxi het dorp bereikt en die er piekfijn uitziet, wordt door beide restaurantiers begeerd. Tot afgrijzen van mevrouw Toffi kiest het vermogende heerschap voor de kookkunsten van Cigalon, die hem gang na gang voorzet. Bij ieder couvert wordt Cigalon gelukkiger en bij het digestiefje met sigaar is zijn overwinningsroes compleet. Het zal Toffi leren hem dwars te zitten. Maar dan biecht de voorname eter iets op.

De slotscène is er een van het toneel, inclusief oploopje van dorpsgenoten en de aanwezigheid van veldwachters die de klucht in goede banen moeten leiden. Met een paar geestige wendingen weet Pagnol het verhaal een charmant einde te bezorgen. Op het moment dat de toneelspelers op rij buigen voor het publiek is ook het stripverhaal af, nogal plompverloren.

Het sluitstuk zal op de planken vast beter uitpakken dan op papier: de stripbewerking van Cigalon is niet de meest geslaagde van de Pagnol-bewerkingen die het duo Serge Scotto en Éric Stoffel voor hun rekening namen. De gesprekken zijn vaak zo op de letter nauwkeurig dat de tekeningen het nauwelijks kunnen bijbenen. De ontmoeting van een hongerige familie met Cigalon in het begin van het verhaal is bijvoorbeeld een razendsnelle dialoog waarbij de opmerkingen, verwijten en emoties in sneltreinvaart langs suizen en er geen tijd lijkt om adem te halen. Pas als Toffi langskomt, zakt het tempo wat in en krijgt de lezer tijd om van de omgeving te genieten. En dat kan voluit: van de streekgebonden, typisch Franse verhalen en het prachtige tekenwerk raak je gemakkelijk in vervoering. Dan blijkt er ineens een francofieletje in ieder van ons te schuilen.

Serge Scotto, Éric Stoffel & Éric Hübsch – Cigalon (naar Marcel Pagnol). Saga, 64 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Claude Servais – Het blauwe chalet

De Belgische stripauteur Jean-Claude Servais zou een goede reisleider zijn. Wie in zijn albums verzeild raakt, ondergaat de verhalen als een ontdekkingstocht langs koele meren en heilige wouden, waar het dierenrijk samenleeft met de kabouters, dwaallichtjes en bosgeesten. Bij Servais gaan heilige mystiek, new age symboliek en eeuwenoude legenden hand in hand; de lezer trekt langs alle zuilen van geestelijke verdieping en natuurbeschouwing.
Dat is in zijn nieuwe graphic novel Het blauwe chalet niet anders.Voordat je aan het verhaal begint, deelt hij een persoonlijk verhaal met de lezer – hij is onlangs voor de tweede keer opa geworden en vertelt wat dat voor hem betekent. Via een bruggetje neemt hij ons dan mee naar de Belgische Ardennen, maar niet voordat hij de legende van de godin Cybele en de herder Attis als bron van zijn nieuwe vertelling heeft aangewezen. Dán is er een epiloog en pas daarna begint het verhaal echt, met de lente.

In dat prille jaargetijde leren we Alice kennen, een meisje van ongeveer dertien jaar dat – net als Servais – houdt van de natuur. Met haar twee broertjes is ze in de Ardense landerijen aan het wandelen als ze in de avond uitkomen bij de Wolvenvallei, een plek die Alice kent uit de verhalen van haar grootvader. In die vallei, bij de heilige eik, staat een blauw chalet. Althans, dat heeft haar opa Alice altijd voorgehouden. De rest van de familie gelooft er uiteraard niet in, en zo ziet de lezer Alice steeds verder afglijden van haar mondaine familie, op weg naar de sprookjeswereld van haar opa en herder Attis.

Losgezogen van haar familie smeert ze ‘m op een avond, geholpen door een roedel puntmutsjes. Alice gaat naar haar geliefde Johanto die in de Wolvenvallei leeft. Lieve ouders, zegt ze, de wereld die jullie me willen opdringen bevalt me niet. Daarin wil ze niet leven. Dan breekt de zomer aan.

Alice en Johanto leven een paradijselijk bestaan en niet lang erna komt er een baby om het geluk te completeren. Curieus is wel dat na de geboorte van het kindje het verhaal verdergaat in de herfst: in de vallei zijn bijzonder korte zwangerschappen blijkbaar de gewoonte. De jaren verstrijken en het drietal wordt zienderogen ouder. Ook dochter Roos komt in de levensfase van volwassenheid terecht. Of zoals haar moeder mijmerend constateert: ‘haar borsten worden voller, haar heupen breder, haar billen ronder. Roos is een vrouw geworden, Johanto.’

Voor de bezorgde vader reden om Roos voor te lichten over de verlokkingen van het leven, ook van het leven buiten het bos. En laat nu juist daarvandaan het gevaar opduiken. De wereldse jonge Simon, die Roos ooit eens bij toeval in het bos tegenkwam, is haar niet vergeten. Dagelijks zoekt hij haar en als ze eenmaal samen zijn, kiest de overdonderde Roos voor de liefde – en daarmee het afscheid van haar ouders. Zien zij Roos ooit terug?

Het verhaal is dan al doorspekt met mythologische en spirituele vertellingen, waarin de natuur een wezenlijke rol speelt. Hier is Servais op zijn best, al zal het beslist niet ieders kopje thee zijn. Toch zou een avontuurlijke lezer zich gerust eens aan een album van Servais moeten wagen: hij temporiseert, laat je over de pagina’s dwalen en zorgt ervoor dat je alles nadrukkelijk beleeft. Hij zet je aan tot het lezen in het nu, als het ware.

Het blauwe chalet is een kundig gecomponeerd, afgerond verhaal, met een uitgeleide waar je even voor moet gaan zitten. Het hele album is daarmee werkelijk een reis, een die je niet dagelijks onderneemt. Dat kenmerkt het werk en de unieke stem van Servais; Het blauwe chalet is een mooie aanvulling op diens oeuvre. Bovendien is het een album dat vanwege de compacte geschiedenis ook geschikt is voor lezers die niet eerder iets van Servais lazen.

Jean-Claude Servais – Het blauwe chalet. Dupuis 2018. 88 pagina’s, hardcover. € 22,50

Strips & comics

Gelezen: Nix & Benus – Deathfix

Dit is nog eens een voorplat. Het Vlaamse duo Nix (Kinky en Cosy) en Benus trakteert de lezer op een klinkklare omslagillustratie: een gutsende engerd in trainingspak met een berenmuts op zijn hoofd, een sporttas vol geldbundels in zijn handen. Van rechts een gele hand met een pistool, met daarboven in de kleuren van de Russische vlag de letters Deathfix. We hoeven hier niet naar de nuance te zoeken, dit zijn louche zaken.

En dat klopt. Vanuit Vlaanderen, waar de matchfixing welig tiert, komt dit hilarische maar evengoed spannende misdaadverhaal over gefikste voetbalwedstrijden, Chinese gokbazen en Russische handjeklap in de hogere regionen. De man met de zweetdruppels is Gus Kok, een voormalige doelman van het Nederlands elftal die na zijn actieve loopbaan op het veld trainer is geworden van de fictieve Russische topclub SC Moskou. In die hoedanigheid zien we hem meebewegen met clubeigenaars, goksyndikaten en stereotiepe Chinese criminelen. De arme Gus zit klem tussen fair play en miljoenendeals, al heeft hij het nergens voor het zeggen.

Er worden nogal wat clichés opgedist, maar geestig is het wel: de klassieker ‘zo gaat het nu eenmaal in Rusland’ is nooit ver weg. Gus wordt als typische Nederlander weggezet, met hun debateercultuurtje en democratie. Luisteren zal hij.

Maar dat gaat mis als de belangen ineens van twee kanten komen: SC Moskou moet zowel met 4-0 winnen van Grozny als met 4-0 verliezen. De tassen met geld vliegen over en weer, maar die maken de klus er niet eenvoudiger op. Het gaat bijna mis, daarna gaat het echt mis, dan gruwelijk mis en uiteindelijk geeft Gus het op. Of toch niet?

Het album telt 152 pagina’s maar het leest alsof het er 48 zijn. Dat komt wellicht doordat het verhaal eerst iets anders was voordat het in albumvorm verscheen: Deathfix is voorgepubliceerd als een webtoon, als online variant van de cartoon (wat als naam overigens nergens op slaat). Die noviteit schijnt het in vooral Azië helemaal te zijn. Daar worden strips geschikt gemaakt voor de mobiele telefoon en in brokken opgediend. Zo verscheen Deathfix de afgelopen maanden op de website van het Franse stripblad Spirou in twaalf afleveringen, met een epiloog.

Voor wie goed kijkt, zit het verhaal vol geestige verwijzingen en inside grappen. Als SC Moskou tegen Grozny moet voetballen zien we de Tsjetsjeense warlord Kadirov in korte broek over het veld sprinten. Minder subtiel is het Nederlandse vriendje van Gus: dat is een getrouwe kopie van de energieke stripmaker Typex, auteur van de Warholbiografie en kersvers laureaat van de Stripschapprijs. Diens voorliefde voor feestjes, dansen en onstuimige ideeën komen vrijwel exact overeen met het figuurtje dat het Gus Kok in het verhaal nog eens extra moeilijk maakt. Dat hij in het verhaal Gert-Jan heet is een plagerijtje van insider-proporties.

Deathfix heeft genoeg humor en intrige om het in een ruk uit te lezen, van papier. Toch is het gegeven van de chantage en matchfixing genoegzaam bekend, al verwacht niemand werkelijk nieuwe inzichten over de voetballerij met dit album. De sporttassen met cash zullen er nog steeds zijn, schimmige deals aan de orde van de dag. Alleen Gus Kok, daar zullen we niet meer van horen. Althans, niet in de komende zeshonderd jaar.

Nix & Benus – Deathfix. Dupuis. 152 pagina’s. € 20,50.

Strips & comics

Gelezen: Achdé & Jul (naar Morris) – Een Cowboy in Parijs

Lucky Luke is niet de enige stripserie die na het overlijden van de oorspronkelijke tekenaar nog altijd wordt voortgezet. Robbedoes bijvoorbeeld bezwijkt bijna onder de spin offs en afgeleide reeksen. Maar waar het bij de avonturen van de piccolo meestal zorgt voor een heel eigen invulling van de auteurs van dienst, zo ziet de stripliefhebber bij Lucky Luke een veel consistentere aanpak: wie het ook voor zijn rekening neemt, de verhalen blijven onmiskenbaar zoals Morris en Goscinny ze bedacht en bedoeld hebben. Wie de twee series vergelijkt snapt waarom: Robbedoes is een karaktertje, geflankeerd door bijfiguren, terwijl het verhaalgegeven van Lucky Luke veel conceptmatiger is en daarmee verhaalgerichter.

Door de jaren heen – de cowboy is intussen 73 lentes jong – heeft de lezer Lucky Luke alleen leren kennen als een lonesome cowboy, die steeds opduikt waar hij nodig is en weer vertrekt na gedane zaken. Hij is als het ware een leidende passant, de probleemoplosser, die het verhaal tot een goed einde brengt. Daarmee is elk nieuw verhaal van Lucky Luke een typisch voorbeeld van de reeks.

Vergelijk dat met Robbedoes en je ziet het verschil: hij is een piccolo en geen detective, ontdekkingsreiziger of wetenschapper maar toch zijn dat de gedaanten die hij aanneemt in zijn verhalen. Voor een tekenaar die gevraagd wordt voor een ‘eigen’ Robbedoesverhaal is het vertrekpunt compleet inwisselbaar: alles kan en alles mag. Daarom zien we de picollo even gemakkelijk opduiken als sf-piloot, chaperon of journalist.

Lucky Luke zal altijd de cowboy blijven, in de entourage die we kennen vanaf het eerste album. De hedendaagse auteur van dienst kan zich hooguit wat kleine eigenaardigheidjes permitteren. In het recente geval van Een Cowboy in Parijs zien we de wildwesteling voor het eerst de oversteek naar Europa maken, een plotgegeven dat geestig uitpakt.

Een Cowboy in Parijs is van de hand van de Franse tekenaar Achdé die na het overlijden van Morris in 2001 de serie overnam. Jolly Jumper op vrijersvoeten was in 2004 zijn eerste album; Cowboy in Parijs is zijn achtste, en het tweede album dat hij samen met scenarist Jul maakte. Naast deze reeks bestaat er ook nog een afgeleide serie: Lucky Luke door…, met het geweldige De moordenaar van Lucky Luke van Matthieu Bonhomme en het afgrijselijke misbaksel van Guillaume Bouzard, Jolly Jumper antwoordt niet meer.

De Parijse geschiedenis begint met een echt Luke-cliché: hij rijdt over de prairie met de geknevelde Daltons achter zich aan, op weg naar de nor. Onderweg ontmoet het stel een Fransman die met een gedeelte van het Vrijheidsbeeld rondzeult: de onderarm met de toorts. Hij is bezig met het inzamelen van geld om het icoon voor de vrijheid af te kunnen maken. Als dat eenmaal geslaagd is, zal het verrijzen op een eiland in de haven van New York – exact waar het nu staat. Er is alleen een flinke tegenvaller: de gevangenisdirecteur waar Luke de vier Daltons moet afleveren heeft zijn zinnen ook op het eilandje gezet. Daar wil hij de best beveiligde gevangenis neerzetten, en wil dus koste wat kost verhinderen dat het beeld er komt. Aan Luke de taak om alles in goede banen te leiden: hij zal mee moeten naar Parijs om erop toe te zien dat de lange arm van de gevangenisdirecteur niet tot in de Franse hoofdstad schade kan aanrichten.

Het verhaal wordt met vaart verteld, en heeft ook genoeg geestige glimlachjes en kwinkslagen, waarop de serie een patent heeft. En ach, dat we al van tevoren weten dat het beeld er toch wel komt, deert niet. Het is juist leuk te weten dat Lucky Luke ook in dit historische gegeven een hand had. Immers, zonder zijn koelbloedige optreden zou er nu wellicht een gevangenis in de haven van New York hebben gestaan, en bijvoorbeeld niet voor de kust van San Francisco.

Een Cowboy in Parijs is een echte Lucky Luke, zoals generaties die al kennen. Niet meer, maar vooral niet minder. Het uitstapje naar Parijs is heel mooi in beeld gebracht; hoe aandoenlijk om Lucky Luke en Jolly Jumper door de straten van de lichtstad te zien sjokken. A long long way from home.

Achdé & Jul (naar Morris) – Een Cowboy in Parijs. Lucky Comics. 48 pagina’s. € 7,50.

Strips & comics

Gelezen: David Etien, Olivier Legrand & J.B. Djian – De Vier van Baker Street

Sommige stripreeksen hebben even tijd nog om echt op stoom te komen. Vooral als de opeenvolgende albums losjes in elkaar haken. De Vier van Baker Street is zo’n serie die aanvankelijk positief maar niet in grote woorden werd besproken. De eerste twee delen van de reeks waren onderhoudend en vooral stemmig getekend, maar zinderend was het allemaal nog niet. Nóg, met nadruk, want intussen is deel 4 verschenen en staat deel 5 al op stapel. En om maar eens met die laatste te beginnen: het vijfde album, De Moriarty-erfenis, is een geweldig verhaal dat in één klap van de hele reeks een topper maakt.

Terug naar het begin. De Vier van Baker Street zijn Billy, Black Tom, Charlie en Watson. Ter verduidelijking heet Charlie eigenlijk Charlotte en is Watson haar rode kater. Geestig, Enid Blyton deed met De Vijf iets soortgelijks, met George die Georgina heette en als enige van de groep ook een huisdier had, de hond Timmy.

De Vier van tekenaar David Etien en het scenaristenduo J.B. Djian en Olivier Legrand zijn echte straatschoffies uit het Londen van de laatste jaren van de 19de eeuw. Alleen: ze zijn niet wie ze lijken. Hun baas is niemand minder dan Sherlock Holmes, de meesterspeurder uit de verhalen van Arthur Conan Doyle. Voor hem knappen ze klusjes op en wagen ze zich met gevaar voor eigen leven tussen de penoze maar evengoed tussen de malafide witte boorden van Londen.

Ieder album vertelt een verhaal dat op zich staat, al gaat de tijd wel min of meer door. Zo begint deel 4 met een terloopse verwijzing naar de avonturen uit deel 3 en eindigt het verhaal met een tronie die we zeker nog terug zullen zien; meteen in deel 5 namelijk. Langzaamaan wordt er een onderliggende verhaallijn zichtbaar, die de serie nog sterker maakt. De Vier van Baker Street is een geheide binge-lezer, en gezien het tempo waarmee de vertalingen verschijnen zal de hele serie in 2019 compleet zijn.

In deel 4, De wezen van Londen, gaan de vier vanwege een voorval uit elkaar en pakken ze hun eigen leventjes op. Dat gaat uiteraard mis en via een reeks toevalligheden komen ze elkaar op het goede moment weer tegen: als ze een gezamenlijke tegenstander uitschakelen. De wezen van Londen is niet zo sterk als het deel dat erop volgt, maar lijkt vooral een verbindingsdeel van het geheel te zijn. In ieder geval biedt het einde een cliffhanger van jewelste.

In Frankrijk is de zevendelige reeks inmiddels afgerond, en met lof overladen. Terecht, de verhalen zitten ijzersterk in elkaar en de personages verhouden zich slim tot elkaar. Het zijn gasten van de straat, dus opgewonden standjes die het altijd beter weten. Dat zien we met name bij het Ierse joch Black Tom, die zo wordt genoemd vanwege zijn zwarte haar tussen de rossige Ieren. Hij is een ongeleid projectiel dat nog wel eens voor eigen rechter wil spelen en daarmee de groep in gevaar brengt.
Zo is hij in deel 5 degene die het plan van zijn baas bijna om zeep helpt. Billy is de slimmerik, omdat hij wel eens een krant leest, en Charlie probeert de boel bij elkaar te houden.

De persoon van Sherlock Holmes is een wat vreemde: hij betrekt de kinderen niet alleen in zijn speurwerk met hand- en spandiensten, maar maakt ze ook deelgenoot van al zijn ideeën. Dat is wat curieus, maar begrijpelijk om het verhaal op gang te houden.

Het is iets van de laatste tijd dat op de colofonpagina’s van veel stripalbums de makers alle gelegenheid krijgen (en vooral nemen) om familie, kennissen en collega’s te bedanken, tot en met een shout out voor het oplossen van computerproblemen aan toe. Meestal is het obligaat (Ik dank de uitgever die in me gelooft) en stompzinnig (Ik dank mijn vrouw en kinderen voor de tijd die ze me gunden om aan dit verhaal te werken). In het geval van De Vier van Baker Street ontdekken we wie een belangrijke invloed had op tekenaar Etien: het is ‘vriend en peetvader van de schoffies’ Régis Loisel, auteur van moderne klassiekers als Op zoek naar de tijdvogel, Peter Pan en Magasin General. Het gekke is: dat zie je terug. Geen idee wat de geciteerde ‘hulp, aandacht en het oordeelkundige advies’ exact inhield, maar het heeft De Vier van Baker Street in elk geval een zetje gegeven in de richting van de top in zijn genre. En daar is het intussen aanbeland. Wie nu alsnog aanhaakt neemt een goede beslissing.

De Vier van Baker Street – David Etien, Olivier Legrand & J.B. Djian. Daedalus. 56 pagina’s per deel. € 17,95 voor de hardcover, € 7,95 voor de softcover.
Deel 4: De wezen van Londen, deel 5: De Moriarty-erfenis.

Strips & comics

Gelezen: Tom Ward & Luke Parker – Merrick: The Sensational Elephantman

Het verhaal van de echte Elephantman is genoegzaam bekend. De Engelsman Joseph Carey Merrick (1862–1890) was en is nog altijd een fenomeen vanwege zijn afwijkende lichamelijke voorkomen, waardoor hij -voor het gemak- werd vergeleken met een olifant. Hij leed aan het proteus-syndroom en had vermoedelijk nog een aantal aandoeningen onder de leden. Iedereen kent de foto’s van zijn mismaakte lijf en vooral hoofd.

In Merrick: The Sensational Elephantman van schrijver Tom Ward en tekenaar Luke Parker herkauwen beide heren nu eens niet het levensverhaal van Merrick, maar combineren ze dat met het Frankenstein-thema. Getekend in Victoriaanse stijl en in een kleurstelling die niet ver afstaat van die van Mike Mignola’s Hellboy vertelt het duo de geschiedenis van de arme Joseph Merrick die na een avontuur als freakshow-artiest berooid terugkeert naar zijn schepper, Dr. Frederick Treves.

Die blijkt een klassieke wetenschapper met dubbele moraal: hij wil Joseph helpen, maar ziet tegelijkertijd ook kansen om van hem een soort superheld te maken die met zijn bovenmenselijke krachten de strijd aan kan gaan tegen het onrecht in de wereld. In een surrealistische wereld vol chaos en gajes zien we precies dát gebeuren.

Ward heeft een mysterieus verhaal geschreven dat veel scherper is dan het lijkt. Hardvochtige ellende wordt afgewisseld met poëtische vergezichten, gerust binnen de pagina. En het mooie: de gevoelens zijn echt, de vragen eerlijk en de gedachten menselijk. Kom daar maar eens om bij al die platgetreden superheldencomics. Vooral Merrick wordt neergezet als een meelijwekkende figuur, juist niet vanwege zijn uiterlijk maar omdat hij zo hunkert naar kleinmenselijke zaken als liefde en genegenheid. Al deze verhaallijnen maken van Merrick: The Sensational Elephantman een prachtige Lovecraftiaanse vertelling met diepgang en sentiment.

Nog een mooi gegeven: de comics en de trade paperbacks (TPB, vaak een verzameling van losse comics met een afgeronde verhaallijn) zijn tot nu toe allemaal tot stand gekomen via crowdfunding. Feitelijk nemen de fans van Ward en Parker een abonnement op de losse boekdelen. Steeds als er een nieuw deel wordt aangekondigd, haken zij aan.

Intussen zijn er zeven nummers verschenen, waarvan de eerste vier werden verzameld in een TPB. Het achtste deel is op komst, evenals de tweede bundeling.

Tom Ward & Luke Parker – Merrick: The Sensational Elephantman, Vol 1. Merrickcomic. 128 pagina’s. GBP 9,99.

Strips & comics

Gelezen: Jérôme Hamon & Antoine Carrion – Nils 1: De Elementalen

Wie het eerste deel van het drieluik Nils inziet, beseft meteen dat het verhaal niet op een enkel genre is vast te pinnen: het heeft onmiskenbare trekken van mythologische fantasy, de gestileerde figuren – met name de gezichten – zijn geïnspireerd op die van Japanse seinen anime, zoals de films van Miyazaki, en er zitten groteske elementen van sciencefiction in: midden in het oerbos treffen Nils en zijn vader gigantische stalen bollen aan. Het kan dan nog alle kanten op.
Het verhaal begint als een ecologisch sprookje: er groeit niets eetbaars meer op de uitgeputte grond en de vader van Nils wil op onderzoek uit. Zullen de zaden ooit nog op vruchtbare grond kiemen? Samen gaan ze op pad, op zoek naar antwoorden.

In De Elementalen, zoals het eerste deel heet, maken we niet alleen kennis met Nils en de stam waar hij deel van uitmaakt. Als de jongen en zijn vader per gnoe – laat het een oerbuffel zijn – naar de wouden gaan om daar naar groene plantjes te zoeken, ontmoeten ze een aantal bijzondere figuren. Eenmaal diep genoeg in het bos treffen ze er natuurgeesten aan die aan de basis staan van alles wat groeit en bloeit. Deze geesten hebben de vorm van blauwe lichtjes die zich voordoen als mooie figuraties; het zijn de Elementalen, die worden beschermd door mysterieuze vrouwen die zich ook in de buurt ophouden.

Door hen komen de twee achter de reden dat er steeds minder geoogst wordt en er minder groeit dan voorheen: een of ander potentaat heeft het op de Elementalen voorzien en weet de lichtjes met geavanceerde apparatuur te vangen, om ze daarna voor eigen gewin te kunnen inzetten. Dat is dus feitelijk het antwoord waarnaar de vader van Nils op zoek is. Maar dan? Want hoe pak je, met je gnoe en je speren, een futuristische grootmacht aan? Sterker nog, met wie hebben we eigenlijk te maken?

Er wordt een aantal interessante voorwaarden neergezet voor een spannend verhaal. Alleen: in tijden van Netflix en instant bevrediging is het nogal wat. Zo’n heerlijk verhaal dat voor een-derde is afgeleverd en waarop het nu wachten is, dat is bijna niet meer van nu. En hoe lang gaat het allemaal duren? Wie zich dat afvraagt, maakt de beproeving alleen maar groter.

Eind november verscheen het derde en afsluitende deel in het Frans, waarmee de trilogie daar voltooid is. Je zou zeggen dat we niet per se tot de zomer van 2019 hoeven te wachten. We kruisen de vingers. Want dat moet beslist gezegd worden: het tekenwerk is hoogstaand en ook de inkleuringen zijn prachtig. De sfeer van het verhaal is veelbelovend. Maar het blijft altijd ingewikkeld met deze gevallen: wie het eerste deel van harte aanbeveelt, weet eigenlijk niet waarmee hij de lezer opzadelt. Want wat als het volgende album een traag gedrocht blijkt en er in het slotdeel ineens allerlei onwaarschijnlijke uitwegen bij worden gehaald om het alsnog kloppend te krijgen?

Voorlopig en op basis van dit eerste deel zal het zo’n vaart niet lopen, maar toch een slag om de arm. Avonturiers pakken het nu op, voor de voorzichtigen komt er zeker nog een verslag van wat er nog komen gaat. En zo is De Elementalen zelfs bijzonder modern en van nu: er is een ecologisch drama op komst, maar we moeten vooral nog even geduld hebben voordat we weten wat er aan gedaan kan worden.

Jérôme Hamon & Antoine Carrion – Nils 1: De Elementalen. Silvester Strips. 56 pagina’s, hardcover. € 16,95.

Strips & comics

Gelezen: Mawil – Kinderland, Een jeugd in de schaduw van de muur

De omslagillustratie en de ondertitel van Kinderland laten er geen misverstand over bestaan: deze grafische novelle gaat over opgroeien in de voormalige DDR, en speelt dus in ieder geval voor de val van de muur in 1989. Sterker, het verhaal speelt exact in dat jaar en zodra de lezer dat weet, zet het alle verhaallijnen, uitspraken en scenes in een ander daglicht. Wij weten het al: weldra zullen de Ossies, onder wie de elfjarige Mirco Watzke en hoofdpersoon van deze geschiedenis, de muur afbreken en de grenzen slechten. Kinderland geeft dus feitelijk een verslag van de laatste dagen van de Duitse Democratische Republiek.

Maar wie denkt dat het over het verval en de oproer gaat, heeft het mis. Kinderland is de geschiedenis van een voorbeeldig brildragend mannetje, dat gewoon naar school gaat en niets liever wil dan erbij te horen. Hij wil stoer zijn, eigenlijk gewoon zijn als alle andere jongens. Maar vooral wil hij de beste worden in tafeltennis, het spel dat iedere dag op het schoolplein wordt gespeeld. Niet als een spelletje tussen twee pingpongers, maar met een groep cirkelend rond de tafel. Dat is de dagelijke realiteit van Kinderland, tenminste van het kinderland van Mirco.

Toch ziet de lezer meer gebeuren; zaken die niet voor Mirco bedoeld zijn, zoals de gesprekken van zijn ouders met hun vrienden. Er ‘verdwijnen’ wel eens mensen, onder wie een meisje in de klas van Mirco. Zij is met haar ouders gevlucht naar de Bondsrepubliek, of zoals de juf het in de klas duidelijk maakt: zij en haar ouders zijn bezweken onder de goedkope verlokkingen van het Westen. “Het ontbrak hen hier aan niets en toch gingen ze weg. We hoeven geen traan om ze te laten.”

Het zijn dat soort scenes die de situatie eventjes op scherp zetten. Later zien we Mirco nog bij de Freie Deutsche Jugend marcheren, maar dat is eerder aandoenlijk dan opgelegd geëngageerd. Mirco heeft het er ook niet bepaald moeilijk mee: voor hem is de realiteit die van het tafeltennistoernooi dat eraan zit te komen en waar hij zich voor inzet.

In zijn lievige, aandoenlijke stijl tekent Mawil een jongetjesleven dat eigenlijk nog te jong is om de impact van de nakende gebeurtenissen op waarde te schatten. Hij heeft zelfs werkelijk geen idee. Dat gegeven maakt het verhaal toch iets minder gelaagd dan je zou vermoeden: oké, we staan aan de vooravond van de Wende, maar Mirco en zijn vriendjes hebben heel andere sores aan hun hoofd. Had het verhaal vijf jaar eerder kunnen spelen? Ja, al hadden we dan wel de laatste dertig leuke pagina’s gemist: vanaf het moment dat er op de radio wordt gemeld dat er toestanden aan de grens zijn, gaat de boel op hol.

Is het een gemiste kans dat de aanloop naar val van de muur niet meer in het verhaal is verwerkt? Een beetje wel, het zou mooi zijn geweest als de ouders al wat meer hadden geweten, dat er al iets had gegonsd. Het hele idee van het leven aan de andere kant is al wel vaker beschreven en vertoond, bijvoorbeeld in de hilarische film Goodbye Lenin. Mawil had als ervaringsdeskundige kunnen vertellen hoe het toen en daar was. Aan de andere kant: misschien heeft hij dat ook wel exact gedaan en was het voor een jongetje van elf precies dat wat we in Kinderland kunnen lezen. In dat opzicht is het een frappante ontdekking dat Mawil alle figuren wat gedrongen en klein tekent, vergelijkbaar met het perspectief van een vroegtiener.

Wellicht is Mawil (pseudoniem van Markus Witzel) heel dicht bij de gebeurtenissen en herinneringen uit zijn eigen leven gebleven: niet toevallig hebben zowel auteur als Mirco dezelfde initialen. Kinderland is daarmee geen kroniek van de laatste dagen van de DDR, maar een prille Bildungsroman. Hoewel Mirco en zijn beste vriend best nog even jong mogen zijn, sluit het verhaal af met de verzuchting dat de flauwekul nu eens voorbij moet zijn: jullie zijn toch geen kinderen meer?

Kinderland is het eerste album van Mawil dat in het Nederlands verschijnt. Hoog tijd om snel zijn Wir können ja Freunde bleiben en vooral Die Band te vertalen. Die laatste titel is een geweldig verhaal over een groep jongens die tegen beter weten in hun heil zoeken in de popmuziek, zoals zoveel. Net zo overtuigend en leuk als Kinderland.

Mawil – Kinderland, Een jeugd in de schaduw van de muur. Soul Food Comics. 296 pagina’s hardcover. € 27,50.

Strips & comics

De beste strips van 2018

Overdadig, zo kunnen we het stripjaar 2018 het beste omschrijven. Met alleen al meer dan 1400 nieuwe Nederlandstalige titels was het voor de liefhebber een ondoenlijke zaak om alles bij te houden. Voor de internationaal georiënteerde striplezer kwam er nog eens een stortvloed aan sterke graphic novels, comics en manga bij. Kiezen is het toverwoord, net als voor de beide lijstjes: die van de Nederlandstalige en Engelstalige top 10 van 2018.

Over het algemeen mogen we met enige blijdschap constateren dat de shitload aan zwakke hommage- en jubileumalbums lijkt opgedroogd en dat uitgevers veel werk maken van integrale uitgaven van klassieke reeksen. Maar vooral: het was een jaar vol verrassingen, al kwamen die voornamelijk uit het buitenland. In het Nederlandse taalgebied verscheen meer van hetzelfde. Dat is geen diskwalificatie, maar wel een reden voor uitgevers om voor de toekomst eens op zoek te gaan naar strips en graphic novels die iets nieuws, iets bijzonders vertellen. Het is allemaal nogal traditioneel wat we voorgeschoteld krijgen. En daarbij: waar zijn de nieuwe sterren aan het firmament? Is er geen jonge garde die aan de poorten klopt? Hebben de twintigers geen verhalen te vertellen?

Het blijft moeilijk om stripseries te vergelijken met graphic novels en losse albums. Als ik met een stapel strips thuiskom, lees ik de series als eerste en met genoegen, maar de graphic novels blijven je uiteindelijk het langst bij. Dat zie je terug in de top 10, al wil dat niet zeggen dat er geen sterke stripreeksen zijn:

Van de nieuwe series viel een aantal titels op. Tango (Lombard) van tekenaar Philippe Xavier en scenarist Matz is heel sterk begonnen met twee albums; dat zou maar zo een geheide jaarlijkse lijstjesstrip kunnen worden, net als Lonesome van Swolfs (Lombard) waarvan dit jaar het overtuigende openingsdeel verscheen.
Een andere verrassing was de fantasystrip Broceliande (Daedalus) waarvan met name het eerste deel een schot in de roos was: leuk voor jong en oud, en vooral de moeite waard voor lezers die niet direct in de rij staan om elfjes en gnoompjes door een woud te zien dwarrelen.
Over fijne avonturenstrips gesproken: 2018 bracht er genoeg, zoals de afsluitende delen van Mermaid Project (Dargaud) en Cognac (Silvester), samen met sterke vervolgdelen van De Vier van Baker Street (Daedalus), Kinderen in het verzet (Lombard) en de hilarische Disney-verstrippingen van Keramidas en Petrossi (Glénat).
Ook de oudjes doen het nog best, met behulp van wat botox en glansmiddel: de nieuwe Rode Ridder van tekenaar Fabio Bono en scenarist Marc Legendre (Standaard) en de Classic-reeks van Buck Danny (Dupuis) zijn dik prima.

Het jaar 2018 zou toch dunnetjes zijn geweest zonder integrales: de mooiste dossiers waren voor Brammetje Bram (Arboris), Jan Kordaat (Scratch Books) en bij Blueberry’s Gebroken neus/De wereld van Gir (Sherpa). Vooral die laatste titel is een geschenk, een sieraad en een verplichte aanschaf voor iedere serieuze liefhebber. Ook de integrales van De oorlog van de Lulu’s (Casterman) en sf-klasbak Luc Oriënt (Sherpa) zijn de aanschaf waard. De integrale klassieke Robbedoes van Rob-Vel (Duipuis) is voor de gelukkige fijnproever die een prachtige pil van 300 heerlijke pagina’s mag verstouwen.

Dan de Nederlandstalige top 10 van 2018, die weer heel anders is dan die van 2014, 2015 en 2016 en 2017 (logisch natuurlijk, maar ergens moeten de linkjes naar eerdere jaarlijstjes vermeld worden). Keuzes, keuzes, en daarom helaas zonder de puike westernalbums Texas Jack (Lombard) en de schitterende heruitgave van Comanche’s Red Dust (Sherpa) op groot formaat. Dat gezegd hebbende:

De Nederlandstalige top 10 van 2018

1 Gung Ho – Von Kummant & Von Eckartsberg (Silvester)
2 Eldorado – Tobias Schalken (Oogachtend)
3 Totem – Nicolas Wouters & Mikael Ross (Soul Food Comics)
4 Een vreemd maar teder geraas – Zep (Daedalus)
5 Satania – Kerascoët & Vehlmann (HUM!)
6 Een leven met Alexandra David-Néel – Fred Campoy & Mathieu Blanchot (Daedalus)
7 Gouden Eeuw – Cyril Pedrosa (Dupuis)
8 Iris – Thé Tjong-Khing & Lo Hartog van Banda (Sherpa)
9 Giant – Mikael (Dargaud)
10 Yurei, Dwaallichten – Johan Neefjes (Hanabi)

De nummer 1 is klip en klaar. Gung Ho is een blauwdruk van de perfecte actiestrip in het Netflix-tijdperk. Het verhaal zit vet goed in elkaar, de sfeer en het tempo zijn spot on. Met het derde deel dat dit jaar verscheen zijn we officieel over de helft.

Van een heel andere orde is Totem, een vervreemdend en lucide verhaal dat zijn kracht bewijst in de weken nadat je het gelezen hebt: het blijft je nog lang bij. Hetzelfde geldt voor Giant en Een leven met Alexandra David-Néel.

Van alle oorspronkelijke Nederlandse albums is Eldorado van Tobias Schalken het indrukwekkendst: het is een reeks korte verhalen met een verbindende onderlaag die de lezer richting geeft in zijn eigen ontdekkingstocht. Een uitgebreid interview dat ik met Schalken had over Eldorado, verscheen onlangs in het vierde nummer van Stripgids.

Buiten Nederland viel er veel te genieten. De eerste zes titels van dit jaar horen zelfs in de top 10 van de afgelopen drie jaar. Tel daar de intussen complete verhalen van de nummers 7 en 8 op en je hebt zomaar een stapel graphic novels en comics die je met een gerust hart kunt aanschaffen. De variatie is enorm, en dat zie je terug in de lijst: een grafische lbht-roman, een vader-zoon-biografie, een pictografisch vakantieverslag, een beklemmend relaas over de (online) nasleep van een moord, een boeoend inkijkje in het leven van een Amerikaanse separatistenfamilie en de slijtageslag van een millennial op de arbeidsmarkt.

Was er niets te interessants te melden op manga-gebied? Zeker wel, een serie als To your eternity van Yoshitoki Oima is beslist veelbelovend maar nog onderweg en Voices of a distant star van Makoto Shinkai en Mizu Sahara viel net buiten de favorietenparade.

De Engelstalige top 10 van 2018

1 Luisa Now and Then – Carole Maurel & Mariko Tamaki (Humanoids)
2 All the answers – Michael Kupperman (Gallery 13)
3 Kingdom – Jon McNaught (Nobrow)
4 Sabrina – Nick Drnaso (Granta)
5 Young Frances – Hartley Lin (Adhouse Books)
6 All my heroes are junkies – Sean Phillips & Ed Brubaker (Image)
7 Wilds End 3 – Abnett & Culbard (Boom)
8 (Het slot van) Harrow County – Cullen Bunn & Tyler Crook (Dark Horse)
9 Briggs Land Volume 2: Lone Wolves – Brian Wood & Mack Chater
10 One dirty tree – Noah van Sciver (Uncivilized Books)

Ook mooi in 2018

1. De nieuwe, volledig herzien uitgave van John Canemakers meesterwerk Winsor McCay, His Life and Art (CRC Press). Een schitterende biografie van bijna 300 loeigrote pagina’s over de oervader van de strip en de maker van Little Nemo in Slumberland.

2. De ontdekking van de prachtige, tekstloze cartoons van de Uruguayaan Gervasio Troche, van wie twee bundelingen verschenen bij de Franse uitgeverij Insula, te weten Dessins Invisible en Equipage.

3. De maandelijkse uitgave over De Geschiedenis van de Toonder Studio’s van Toonder-chroniqueur Jan-Willem de Vries is ronduit geweldig. De verschijningsfrequentie maakt het iets om naar uit te kijken; de informatie en het beeldmateriaal is boeiend.

Strips & comics

Gelezen: Steven Dupré & Conz (naar Vandersteen) – Suske en Wiske hommage 2: Boemerang

Voor iemand die zoals zovelen is opgegroeid met de klassieke stripverhalen van Suske en Wiske voelt het lezen van ‘de laatste’ Suske en Wiske tientallen jaren later als iets dat je misschien niet moet doen. Is het nog zoals toen, tegen beter weten in? Zit er eenzelfde beleving bij? Natuurlijk niet, er is meer dan dertig jaar overheen gegaan. De nieuwerwetsigheden waar je dan vooral niet op zit te wachten, waren intussen niet geruisloos voorbij gegaan: toen de personages een paar jaar geleden flink werden gerestyled, werd dat groots aangekondigd. Wiske kreeg borsten, hun kleren kwamen van de Zara en ze liepen de hele dag met een mobieltje rond. Alles voor de jonge, nieuwe lezersschare. De oude garde zag de modernisering uiteraard met lede ogen aan: hier ging men aan de haal met hun jeugd, met hun kleine helden.

Ook de verhalen veranderden: neem het reguliere album nummer 344, Brbs 2.0. In dat verhaal werkt professor Barabas aan een supercomputer die alle andere computers overbodig maakt. Dat superapparaat ziet eruit als een glazen oog ter grootte van een tennisbal, dat door de lucht dwarrelt. Het idee erachter is dat de balletjes de mens gelukkig maken, door middel van illusie, hypnose en technologische noviteiten als een beeldenbank. Het gemak dient de mens.

Dat klinkt om te beginnen al niet werkelijk als een antieke Sus en Wis. Als het misgaat en de balletjes de macht dreigen te nemen, komt de meute in beweging. Met Lambik, Jerom en Sidonia herstellen de tieners de boel. Natuurlijk leunt het slot weer voor een groot deel op de krachtpatserij van deus ex machina Jerom, wat al nooit een sterk punt van de reeks was.

Naast de klassieke reeks, die allang niet meer in het vertrouwde oranje verschijnt, zijn er sinds vijf jaar afgeleide reeksen opgezet, waarvan Amoras en De kronieken van Amoras de meest aansprekende zijn. In die series hebben de figuren een realistischer uiterlijk en zijn de onderwerpen buitensporiger: ze zijn nadrukkelijk voor 18+, al wil dat niet zeggen dat werkelijk alle deugden te grabbel worden gegooid. Nog steeds trekken de helden eendrachtig ten strijde tegen het slechte.

Tussen Amoras en de reguliere Suske en Wiske zit sinds vorig jaar nóg een reeks: de hommage-serie, waarin een duo van tekenaar en scenarist de vrije hand krijgt. Eind vorig jaar verscheen de eerste hommage, het ongeleide Cromimi van Elsje-tekenaar Gerben Valkema en scenarist Yann. Hoewel het album de Stripschappenning voor de Jeugdstrip van het Jaar kreeg, las het als een wezenloos en onmatig verhaal. Bang dat de jonge lezer zou afhaken, gebeurde er veel te veel tegelijk en deden de overvolle pagina’s zeer aan de ogen: alsof constant inzoomen de enige optie was.

Onlangs verscheen het tweede hommage-album: Boemerang van tekenaar Steven Dupré, op scenario van Conz. Deze twee Vlamingen hebben het beduidend beter begrepen. Boemerang neigt veel meer naar een klassiek verhaal, met genoeg lucht, humor en een prettige opbouw van de spanning. De entourage waarin Dupré ‘onze helden’ plaatst, heeft veel weg van een post-apocalyptische wereld, met ruimtevoertuigen, grijze stadlanden en amorfe gangenstelsels. En gek genoeg passen Suske en Wiske prima in die omgeving: ze zijn precies voldoende zichzelf als nieuw. Conz heeft met het verhaal ook een exact midden getroffen. Het is zeker eigen en anders, maar binnen het idee van de oerverhalen. Dat is knap.

In Boemerang is de wereld overgenomen door de slechterik Theofiel Boemerang, die we kunnen kennen uit bijvoorbeeld De Texasrakkers, een klassieker van Vandersteen uit 1959. Theofiel was daar de buurman van Lambik en deur-aan-deurverkoper van allerhande snuisterijen, waaronder stofzuigers. Die spelen ook in Boemerang een rol, al lijkt een schone woonkamer het minste probleem van de mens. Dictator Theofiel heeft namelijk het waanzinvirus ontwikkeld dat de mensen van hem afhankelijk maakt. Ook heeft hij een flink leger dat jacht maakt op alles wat zijn macht bedreigt. In die oneerlijke wereld nemen de helden het op voor de mensheid.

Het verhaal heeft leuke haakjes waar de spanning aan blijft hangen. De eigenwijze Lambik en de sluwe professor Barabas nemen de lezer op sleeptouw, tot het einde. Of beter: bijna tot het einde, want het verhaal neemt op de laatste pagina een rare, onduidelijke wending, in meerdere opzichten, en sluit dan af met een klassieke knipoog van Lambik.

De lezer van vroeger, die zichzelf verplichtte een conclusie te formuleren, hoeft niet lang na te denken: daar waar de reguliere reeks te ver is gaan afstaan van de herinnering en beleving, heeft Boemerang een snaar geraakt. Het is een leuk verhaal, met knappe vertaalslagen en een goed getroffen balans tussen het eigene en dat van Vandersteen. Hommage geslaagd, waarvan akte.

Steven Dupré & Conz (naar Vandersteen) – Suske en Wiske hommage 2: Boemerang. Standaard. 56 pagina’s. € 7,99.

Strips & comics

Gelezen: Dimitri Armand & Pierre Dubois – Texas Jack

In de autobiografische graphic novel Het kruispunt van Paco Roca spreekt hij uitvoerig met punkrocker José Manuel Casan van de band Securidad Social. In een van de vele gesprekken gaat het over de positie die rockmuziek overal ter wereld inneemt: het is er één die de onderlinge culturele verschillen overstijgt. Rockmuziek in Afrika, Latijns Amerika en Europa is in grote lijnen identiek, ze bezit dezelfde drive en basis. Roca vergelijkt het met het western-genre: het is een cliché dat intussen bij iedere cultuur behoort.

De bewijzen van die stellingname spreken voor zich: Karl (Friedrich) May, schrijver van een immens western oeuvre, was een Duitser en de in Italië opgenomen spaghettiwesterns zijn een fenomeen op zich. De veruit populairste westernheld is Lucky Luke van de Belg Morris en de beste western-filmmuziek werd in de jaren zeventig en tachtig in de Oost-Duitse Defa-studio’s opgenomen. In ons land hield Hans G. Kresse zich bezig met indianenstrips, die nu opnieuw en compleet worden bezorgd in een aantal prachtige heruitgaven. En niet te vergeten de Tex Willer cowboystrip uit Italië, die nog steeds razendpopulair is, ook in Nederland.

Het is een onderzoek waard, maar het zou niet verbazen als er in Europa meer westernstrips zijn verschenen dan in de Verenigde Staten, in ieder geval in de laatste dertig jaar. Ze zijn niet altijd even sterk en origineel, maar toch: soms dient zich een verhaal aan dat het genre weer voor even vleugels geeft. In aanloop naar de kerstdagen verscheen de heerlijke instant-klassieker Texas Jack, een one-shot van 124 pagina’s van tekenaar Dimitri Armand, op scenario van Pierre Dubois. Samen maakten zij drie jaar geleden al het album Sykes, dat in de tijd na de geschiedenis van Texas Jack komt. Beide albums zijn overigens gewoon los te lezen.

Texas Jack is een circusartiest die bijzonder behendig is met de revolver. In het circus speelt hij het legendarische karakter dat de mensen beschermt tegen allerlei outlaws. Het heeft van Texas Jack zelfs een romanfiguur gemaakt: hij acteert in dime novels, goedkope pulpboekjes voor kinderen, vol heroïsche actie.

Deze Texas Jack wordt verzocht zijn kunsten in het echt aan te wenden: samen met zijn entourage moet hij de bloeddorstige bende van de wreedaard Gunsmoke onschadelijk maken. Hij wordt voor het blok gezet: de mensen rekenen op hem. Ineens zijn het geen verhaaltjes meer en deinzen de tegenstanders niet terug voor bordkarton en vuurwerk. Texas Jack twijfelt, maar gaat toch overstag.

Samen met zijn groep, onder wie de bevallige lasso-artieste Amy, is hij vastbesloten Gunsmoke op te sporen. Onderweg komt hij de rauwdouwer Sykes tegen, die -heel vreemd- met min of meer dezelfde opdracht op pad is. Eendrachtig gaat de horde verder en daar schuilt het mooie van dit verhaal: de reis duurt erg lang. Pas op pagina 90 vindt de groep de vermoedelijke verstopplaats van Gunsmoke en trawanten. Natuurlijk is er in de tussentijd van alles gebeurd, van onderlinge schermutselingen tot confrontaties met vooruitgeschoven pionnen. Want dat Gunsmoke weet van de komst van de heren Sykes en Jack is al snel bekend. Daarvoor zijn te veel aanwijzingen die in die richting wijzen. Maar hoe weet hij dat? En vooral: waarom kiest hij voor deze verdediging?

In smakelijke filmische sequenties werkt Dimitri Armand zijn pagina’s uit. Hij speelt prachtig met de verhaaltechniek van vertragen en versnellen. Als de spanning toeneemt, neemt de vaart af en krijgt de lezer alle gelegenheid om zich in de omstandigheid te wentelen. We kijken voorzichtig mee, beducht voor een hinderlaag of een plotselinge manoeuvre vanaf een zijkant. Het verhaal van Dubois is zo opgebouwd dat we op de hoogte zijn van wat er eens komen gaat, maar wanneer en hoe? Dat blijft heerlijk lang ongewis. Het zijn de momenten waarin de langzame tred van de paarden de toon aangeven.

Het sluitstuk is groots en meeslepend, zoals gebruikelijk, maar ook weer bijzonder doortastend uitgewerkt. Een element dat hier beslist aan bijdraagt is het formaat van het hardcover album: net als de voorganger Sykes verscheen het in de Getekend-reeks die lekker fors is, met een perfecte bladspiegel. Je hebt echt iets in de hand en er is serieus werk gemaakt om van dit lekkere verhaal een mooie uitgave te maken.

En ja, de clichés van de saloons waar gesteggeld wordt en waar de temeiers om klandizie jengelen, de schietpartijen die steevast eindigen in een rustige discussie over wie de rommel moet opruimen en de loyale indiaan die altijd de weg kan vinden, ook al regent het al dagen: die zijn onvermijdelijk. En onmisbaar. Ze horen bij de westerncultuur en bij de verhalen, zoals ruimteschepen en groene mannetjes bij sciencefiction.

Dimitri Armand & Pierre Dubois – Texas Jack. Lombard. 128 pagina’s hardcover. € 24,95.