Strips & comics

Gelezen: Jonathan Cartland 1: De Indianenvriend en 2: Het laatste konvooi naar Oregon

In het western-genre neemt Jonathan Cartland een aparte positie in. In de stripreeks van Michel Blanc Dumont, op scenario van Laurence Harlé, treffen we weinig vanaf de heup schietende cowboys aan en knokken de laveloze outlaws elkaar de saloon niet uit. Cartland is een rustiger heerschap, uiteraard met een enorm rechtvaardigheidsgevoel, dat zich niet zomaar in ieder wespennest steekt voor persoonlijk gewin of de gunst van een mooie dame. Al wordt er natuurlijk genoeg geschoten en achtervolgd.

Onlangs verschenen de eerste twee van tien delen uit de western-reeks op groot formaat, in een luxe zwart-wit uitgave: De indianenvriend en Het laatste konvooi naar Oregon. Beide albums zijn keurig en kundig gerestaureerd en prachtig opnieuw geletterd. Leg de oorspronkelijke albums en de nieuwe naast elkaar en je ziet hoe werkelijke aandacht een pagina kan optillen.

De tekeningen komen door de grootte van de albums en de rust van de nieuwe letter veel beter tot hun recht. En dat zal mettertijd alleen maar fraaier worden: Blanc-Dumont kreeg in de latere albums de slag steeds beter te pakken. Het is nu al uitzien naar de grootformaten van De vloek van het water en De rivier van de wind.

In het spectrum zitten de verhalen rond Jonathan Cartland tussen Blueberry en Buddy Longway in. De eerste is de onverschrokken held die zich de positie van indianen aantrekt, zoals Cartland, en aan de andere kant Longway, de trapper die met een inheemse trouwt en het liefst met rust gelaten wordt, tot het moment dat het onrecht zich aandient.

Het eerste deel, De indianenvriend, heeft een klassiek western-plot; de blanke bezetter heeft zijn oog laten vallen op duizenden hectares land dat aan een indianenstam toebehoort. Zij zetten met list en bedrog de bevolking tegen de Sioux op en hopen zo het land in te kunnen nemen. Cartland doorziet het vuile spel en licht de indianen in. Dankzij Jonathans hulp wenden ze de aanval af. Jonathan, ook niet van gisteren, maakt meteen van de gelegenheid gebruik om de hand te vragen van Kleine Sneeuw, de mooie dochter van het stamhoofd.

Hoewel de albums los te lezen zijn, gaat het verhaal in deel 2, Het laatste konvooi naar Oregon, verder waar we gebleven zijn. Jonathan en de zwangere Kleine Sneeuw wonen in een fraaie trapperswoning in de Absaroka Mountains. Met de kleine erbij is het geluk compleet, totdat het noodlot toeslaat. Kleine Sneeuw wordt beroofd en gedood. Jonathan is in shock, trekt naar de stad en raakt aan de drank. Via via komt hij erachter wie zijn vrouw heeft omgebracht en dus wordt de achtervolging ingezet: weer een klassiek western-abc’tje, maar wel met een paar sterke plotwendingen die het spannend houden.

Wat de nieuwe albums extra cachet geven zijn de toegevoegde dossiers, met in het eerste deel naast een artikel over beide makers en de ontstaansgeschiedenis ook een mooi kortverhaal: de debuutstrip De legende van de vogelman. In deel 2 is een interessant egodocument van Michel Blanc-Dumont afgedrukt, samen met een overzicht van illustraties uit het Franse western-tijdschrift Round-Up.

Het is mooi om de oude verhalen van Jonathan Cartland, die verschenen tussen 1975 en 1995, terug te lezen. De eerste twee delen zijn na veertig jaar niet gedateerd of traag geraakt. Maar het echt waardevolle zit in iets wat buiten de verhalen ligt. De albums zijn groot, voelen stevig en met het omslaan van elke bladzijde komen de pagina’s zo mooi tot hun recht dat dát het echte genot van deze toegewijde editie is. Ronduit schitterend. Echt.

Strips & comics

Gelezen: Lectrr & Stedho – Red Rider

In de stortvloed aan spin-offs die de stripwereld het afgelopen jaar te verwerken kreeg, zaten nauwelijks hoogvliegers. Weinig originele gedachten, te veel brave afgeleide verhalen met verwijzingen naar het origineel en vaak gebracht met een overdreven schatplichtigheid.

Dat het anders kan bewijzen Stedho en Lectrr met Red Rider, een drieluik dat losjes is gebaseerd op De Rode Ridder van de Vandersteen Studio’s.

Zij die de Rode Ridder nog kennen uit de tijd van de blauwe omslagen, van de ridder met de rode cape, zullen daar niets van terugzien. Ook de reguliere reeks is met de jaren qua uiterlijk en uitstraling behoorlijk aangepast. Met Red Rider zet tekenaar Stedho nog een extra stap, en die is niet onverdienstelijk: het verhaal van scenarist Lectrr leest vlot en is boeiend. De vaart blijft er prima in.

In de drie delen van Red Rider die binnen een tijdsbestek van twee maanden verschenen zien we geen ridder te paard, maar is het hoofdpersonage een Irak-veteraan die zich ergens in het rurale Amerika van nu ophoudt. Hij rijdt motor en bezorgt pakjes. Zijn bedrijf heet Red Ex.

Een van die pakjes is bestemd voor Merlijn, een aan lager wal geraakte crackverslaafde circusartiest. Later blijkt dat Merlijn zich verborgen houdt voor zijn aartsvijand B’hal, die de wereld in de verdoemenis wil storten. Dat kan B’hal alleen als hij alle zeven delen van een magisch kleitablet in zijn bezit krijgt. Hij mist nog één stukje en dat zit in het pakje dat Red heeft bezorgd.

B’hal heeft intussen zijn handlangers opdracht gegeven de scherf terug te bezorgen en zo komen de kwaaien bij Red uit.

Het personage B’hal is bekend bij de lezers van de klassieke reeks. Het is Bahaal, de Prins der Duisternis, die het al sinds 1969 aan de stok heeft met de Rode Ridder. B’hal is een grootmeester van de zwarte magie en dat blijkt vooral in het afsluitende deel, Het huis Merlijn. Daar draagt B’hal de magiërspij en suizen de vloeken, offerandes en magische windvlagen je om de oren. Met de slotscène breekt het scenario van Lectrr duidelijk met de eerste twee delen die aardser zijn.

Ergens vraag je je af waarom B’hal zijn twee onkundige handlangers steeds op pad stuurt om de scherf te zoeken: is er geen zwart kunststukje dat hem beter helpen kan? Een spreuk desnoods.

Wat het verhaal mooi maakt is het ingenieuze plot, dat kunstig verweven is door de drie delen. In deel 1, De zevende scherf, danst het verhaal van de perspectiefwisselingen. We leren alles en iedereen kennen om goed voorbereid te beginnen met het tweede deel, Teufelsberg. Daar leert Red de ware toedrachten kennen en weet hij in wat voor wespennest hij zich gestoken heeft. Hij vindt een reden om zich toch in deze zaak vast te bijten en doet dat niet alleen; Celeste die hij ergens onderweg ontmoet en die in het verhaal steeds zijn pad blijft kruisen, helpt hem. Ook niet zonder reden overigens.

Bijzonder curieus is de flaptekst van het eerste deel. Achterop wordt niet alleen kort de inhoud van het eerste deel uit de doeken gedaan, bij wijze van samenvatting, maar ook alvast van de twee andere delen. Een afrader: het haalt de spanning nogal uit het verhaal.

De tekeningen zijn solide, met name de karakterkoppen zijn treffend. De pagina’s zijn spectaculair opgebouwd, heel filmisch, met veel actie en het kleurgebruik is echt voortreffelijk. Jammer dat nergens in de albums te vinden is wie voor de kleuren verantwoordelijk is, zeker als het zo sfeerbepalend is als bij Red Rider.

Het verhaal is meedogenloos en hard, met personages die de vrolijkheid een paar jaar geleden voorgoed hebben uitgezwaaid, en dat is even wennen. Het is allemaal wat vuiger en ranziger dan je verwacht. Misschien moet je van tevoren op geen enkele manier die oude Rode Ridder voor ogen hebben. Daar heeft het uiteindelijk, behalve enkele bekende figuren uit die reeks, toch te weinig mee te maken.

Strips & comics

Gelezen: Joff Winterhart – Driving short distances

De 27-jarige Sam is een eeuwige zoeker. De slungelige jongeman is traag en ronduit inspiratieloos. Hij sleurt zich door het leven en is voor het gemak weer bij zijn moeder gaan wonen. Als op een dag ene Keith zich meldt met een baantje voor Sam, weet hij niet wat hij moet doen. Keith is een achterneef van Sams vader die vertrok toen Sam nog een jongetje was. Keith zit in de vertegenwoordiging en zijn werk bestaat voornamelijk uit het afleggen van bezoekjes aan afnemers en productiebedrijven. Wat Sam moet doen, is niet duidelijk. Zoals er wel meer niet echt duidelijk is in het heerlijke Driving short distances van Joff Winterhart.

De titel Driving short distances slaat op de bezoekjes die Keith en Sam afleggen aan allerlei lokale firma’s. Onderweg vertelt Keith honderduit over zijn werk, met name het ingenieuze van zijn logistieke inzichten die hij leerde van zijn mentor ‘en vaderfiguur’ Geoff Crozier. Maar eigenlijk komt alles aan bod, want Keith weet erg veel. Behalve over Sam, die halverwege eens verzucht: eigenlijk vraagt hij nooit eens hoe het met mij is of wat ik ergens van vind. Om daarna te constateren dat hij dat wel prettig vindt.

Het verhaal heeft een mooie balans ondanks dat de gesprekken eenrichtingsverkeer zijn. Keith praat en Sam luistert. Sams gedachten zijn voor de lezer.

De dagen zijn vrijwel identiek. Ze rijden naar een willekeurig industrieterreintje, Keith gaat naar binnen en Sam wacht in de auto. In de middag eten ze een pastei en aan het einde van de dag gaat Sam naar huis. De entourage is heel Brits, die van de werkman en het alledaagse, en dat tilt het verhaal gek genoeg op een hoger niveau. Het lijkt gaandeweg alsof de levens van Keith en Sam niet veel van elkaar verschillen, met dat onderscheid dat Sam werkelijk geen idee heeft wat hij met het zijne aanmoet, terwijl Keith zogenaamd alles perfect onder controle heeft.

Het verhaal ontwikkelt zich heel geleidelijk en op een prachtige manier. De personages zijn intrigerend op een haast voyeuristische manier. De lezer raakt meer en meer vertrouwd met de vuige pasteibakster, de zwakbegaafde Kenny, receptioniste Val maar vooral met Keith: een herkenbare figuur met stugge en zachte kanten.

Winterharts expressieve tekenstijl is niet ieders kopje thee. De pagina’s zijn in gewassen blauwe inkt opgezet en beperken zich in hoofdzaak tot de personages. De koppen hebben karakter, maar zien er gedateerd uit: zoals de illustraties uit de Taptoe of Jippo van eind jaren zeventig. De lijven zijn op het groteske af. De handen van Keith zijn immens en overdadig behaard; Sam is een wel heel lijzige verschijning. Val zegt over hem: het is alsof ik een paperclip knuffel.

Driving short distances verdient alle ballen, sterren en duimpjes die voorhanden zijn. En toch, hier openbaart zich de makke van dit soort strips. Je leest de achterflap en denkt: interessant, leuk; maar het vergt even wat inzet om langs de tekeningen te kijken. Wie dat doet, is spekkoper. Geheid.

Strips & comics

De beste strips van 2017

Om met de conclusie te beginnen: 2017 krijgt als stripjaar een dikke 7-en-een-half. Het was geen uitgesproken jaar, maar er verschenen genoeg interessante strips en graphic novels om je met gemak een breuk te lezen, op een prettige en (intellectueel) uitdagende manier.
In een interview met een kersverse Haarlemse stripwinkelier verzuchtte deze onlangs dat hij nu eens van dichtbij meemaakt hoeveel er eigenlijk verschijnt: het is werkelijk niet bij te houden. Nu lijkt me dat sowieso geen gezonde bezigheid, maar toch. We mogen niet klagen. Uitgevers zijn bepaald niet terughoudend, waarvoor hulde.

Wat in 2017 opviel is de constante stroom aan hommage-albums en nevenreeksen. Bekende stripseries worden uitgeleend, gepimpt en met veel bombarie op het publiek losgelaten, maar de verhalen zijn zelden echt de moeite waard. Wie iets tekent in de traditie van een ander, doet vaak diegene én zichzelf tekort. Geen van die albums heeft de lijstjes gehaald.

De gezondheid van de strip kun je voor een belangrijk deel aflezen aan het aantal interessante debuten dat verschijnt en dat is wel eens beter geweest. Het heeft er deels mee te maken dat uitgeverij Strip 2000 dit jaar het loodje legde: die uitgever durfde in het verleden veel en gaf jonge tekenaars alle kansen. Toch is mijn glorieuze gouden-medaillewinnaar van 2017 een debuut en dat is goed nieuws.

Inmiddels heeft de top 10 al iets van een gezellige traditie, zodat het leuk vergelijken is met de lijstjes van 2014, 2015 en 2016. Vooral interessant om te zien dat alles met een indiaan of een cowboy onverminderd op mijn sympathie kan rekenen. Dit jaar staat er weer keurig een dikke Tex Willer in de lijst samen met deel 2 van Stern.
Verder blijft het jammer dat het om een momentopname gaat: ik heb zoveel mooie albums uit eerdere jaren gelezen, die hier helaas onvermeld blijven (Gods don’t lie, Grickle, Amaa, Tim Ginger, Hubert).

Over mijn Nederlandstalige nummer 1 hoefde ik niet na te denken. Al sinds januari staat het imposante Wolven van Ward Zwart en Enzo Smits fier bovenaan en dat debuutalbum is het hele jaar niet aan het wankelen gebracht. Een echte aanrader die veel meer aandacht verdient.
Maar zoals ik van een stripwinkelier hoorde: “Het heeft geen titel op het omslag, geen auteursnamen en het is nogal donker. En binnenin is het zwart-wit. Of beter gezegd: grijs, op heel dun papier. Dat is lastig te slijten.” Allemaal waar, maar toch: nummer 1, onbetwist. Avontuurlijke lezers worden beloond.
Over covers gesproken: Had meneer nog iets gewenst? heeft ook al geen omslag met een hoge attentiewaarde maar is een schitterend verhaal.

2017 was ook het jaar dat Saga begon met het in flinke vaart uitgeven van het verstripte werk van Marcel Pagnol, de Franse romancier-cineast (1895-1974) wiens herontdekking tot op vandaag zes prachtige Nederlandstalige albums opleverde, waarvan het tweeluik Topaze het mooiste is. Naar het schijnt willen de Fransen er een reeks van dertig albums van maken. Ik heb er alvast een Billy voor bijgekocht.

Klik op de titel voor mijn recensie.

Top 10 NL

1 Wolven – Ward Zwart en Enzo Smits (Bries)
1 Topaze – naar Marcel Pagnol (Saga)
2 La casa – Paco Roca (Soul Food Comics)
3 Gegijzeld – Guy Delisle (Scratch)
4 Een zus – Bastien Vivès (Casterman)
5 Had meneer nog iets gewenst? – Virginie Augustin (Dargaud)
6 Münchhausen en Freud – Flix en Bernd Kissel (Soul Food Comics)
7 Stern 2: De stad van de wilden – Julien Maffre (Dargaud)
8 De glorie van m’n vader – naar Marcel Pagnol (Saga)
9 Tex Willer: Man van Atlanta – Jordi Bernet (Hum)
10 Familieziek – Van Dongen (Scratch)

Mijn Engelstalige lijstje wordt aangevoerd door de autobiografische memoires van Thi Bui, die als kind met haar zusjes en ouders per boot vluchtte uit Vietnam. Omdat ze zelf voor het eerst moeder wordt, richt ze zich in het verhaal voornamelijk op de rol van haar toen nog jonge moeder, die voor hete vuren stond maar daar nooit over sprak.

The Girl from The Other Side is een grote ontdekking: een dark fantasy sprookje in manga-stijl. Ik had niet vermoed daar ooit nog eens in verzeild te raken. Maar na een kwartiertje was ik al hooked. Het zorgde er subiet voor dat ik het genre ben ingedoken en op aanraden van zowat iedereen daarna Monstress heb ontdekt. Ook al zo’n onderdompeling.

Over comics gesproken: het afgelopen jaar verschenen weer drie afleveringen van Comics Krenten in Zone 5300, waarin alle hoogtepunten werden besproken: hier, hier en hier.

Het tweede deel van Noah van Scivers avonturen van wannabe dichter Fante Bukowski is een echte aanrader, vanwege de zeurderige humor en een hoop poëtisch nihilisme. Ook hilarisch is de cartoonbundel Baking with Kafka van Tom Gauld, zoals eigenlijk alles van hem top is.

Op een andere manier buitensporig is Driving short distances; een verhaal over een vertegenwoordiger die een 28-jarige slungel in dienst neemt: voor wat? Niemand heeft een idee. De twintiger hoeft namelijk zo goed als niets te doen, behalve te luisteren naar de eindeloze stortvloed aan verhalen over logistiek, management en zaken die dieper gaan: pasteitjes, collega’s en de zin van het leven.

Top 10 EN

1 Best we could do – Thi Bui (Abrams)
2 Driving short distances – Joff Winterhart (Jonathan Cape)
3 The girl from the Other Side – Nagabe (Seven seas)
4 Baking with Kafka – Tom Gauld (Fantagraphics)
5 Black Hammer – Jeff Lemire en Dean Ormston (Dark Horse)
6 Fante Bukowski 2 – Noah Van Sciver (Fantagraphics)
7 Monstress – Marjorie Liu en Sana Takeda (Image)
8 On the Camino – Jason (Fantagraphics)
9 Rebels, These Free and Independent States – Andrea Mutti en Brian Wood (Dark Horse)
10 The park bench – Christophe Chabouté (Gallery 13)

Tot slot de andere zaken die hebben bijgedragen aan een mooi stripjaar. Mijn hoogtepunt was een bezoek aan het Lakes International Comic Arts Festival in Kendal, UK. Het is een heerlijk stripfestival in een pittoresk stadje in Cumbria, waar het ondanks het typische Engelse weer werkelijk hartverwarmend was. Een mooier stripfestival bestaat er niet: een tjokvol programma met echt goede interviews en paneldiscussies, een perfecte stripbeurs met alleen stripauteurs (dus zonder winkels, commercie, verzamelaars en bananendozen) en een line-up waar je U tegen zegt. Zo zou elk festival moeten zijn. Kijk alleen al eens online hoe ze de zaken daar voor elkaar hebben en je bek valt open van verbazing (en jaloezie). Ik heb de ticket voor volgend jaar al in de zak.
Ook geweldige ervaringen waren de twee bezoekjes aan de Will Eisner-expositie in het stripmuseum van Angoulême. Ooh en aah, en dat een paar uur achter elkaar.

Ook mooi in 2017

1 Mijn bezoek aan het Lakes International Comic Arts Festival, om het enthousiasme, het programma en de vriendelijke ambiance.
2 De expositie met het werk van Will Eisner in Angoulême, dat in één keer drie zaken van de bucketlist haalt.
3 Het geweldige idee om achter elkaar het vierdelige Eerlijke lui van Durieux en Gibrat te lezen. Heerlijk.
4 De ontdekking van de mooiste naslagwerken van 2017: Mangasia, het geweldige overzichtswerk van Paul Gravett met alles wat je over manga moet weten. En dan voor de extra verdieping Sarah Thompson’s Hokusai’s Lost Manga.
5 De derde Knetterijs

Strips & comics

Gelezen: Guust – Gefeliciflaterd! & Agent 327 – Hulde aan de jubilaris

Dit is weer iets nieuws: hommage-albums, ter gelegenheid van een mijlpaal of verjaardag. Sinds vorig jaar verschijnen er ineens stripalbums op de markt die een jubilerende stripreeks in het zonnetje zetten. De eerste echte hommage was voor de Blauwbloezen, vanwege het zestigste album dat vorig jaar in de reeks verscheen. Negentien striptekenaars uit voornamelijk Frankrijk en België, met Aimée de Jongh als Nederlands vaandeldrager, tekenden korte verhalen en feliciteerden daarmee zogenaamd de twee Blauwbloezen, Blutch en Chesterfield.

Het album was wel aardig. Het was allemaal een beetje belegen en voor de hand liggend, en leek daardoor geen voorbode voor meer hommages. Maar dan toch, onlangs verschenen er ineens twee: eentje voor de zestigjarige Guust Flater van André Franquin en een voor de tien jaar jongere Agent 327 van Martin Lodewijk.

Het album Gefeliciflaterd! is met 47 auteurs een behoorlijke optocht. Bij snel doorbladeren valt vooral de groene coltrui van Guust op. De meeste tekenaars hebben hun felicitatie in een Guust-strip uitgewerkt. Veel kantoorgrapjes dus en meteen valt op dat Franquin niet zomaar de eerste de beste was: onbedaarlijk lachen wordt het nergens in het album, in tegenstelling tot de Guust van weleer.

Ook de tekenaars die niet werkelijk de moeite hebben genomen om er echt iets van te maken en een magere hoera-illustratie hebben ingeleverd, dragen niet bij aan de positieve waardering van dit album. Is het dan helemaal niets? Toch wel: hier en daar is er een glimlachje. De balans slaat alleen niet naar de gulle lach door, daarvoor zijn teveel bijdragen gewillig tot en met dweepziek. Het gevoel dat veel tekenaars het vooral een hele eer vinden straalt van de pagina’s af.

Dan heeft Agent 327 het beter getroffen met Hulde aan de jubilaris. Sommige van de tien korte verhalen die in het album zijn opgenomen, zijn in ieder geval grappiger en geven de Abraham meer glans. Niet alles even uitmuntend, maar korte verhalen doen het beter dan de losse paginastrips van Gefeliciflaterd! Dat bewees de Blauwbloezen-hommage ook al. Tekenaars kunnen tenminste lekker uitpakken en dat hebben ze bij Agent 327 gedaan.

Natuurlijk zijn de grote borsten van Olga Lawina een gewillig onderwerp voor de zonder uitzondering mannelijke tekenaars en scenaristen, en verder vallen de peilloos zwakzinnige woord- en naamgrapjes op. Wat dacht u van de bevallige zangeres Snolly Pardon? De coureur Max Verzwikken? Staatssecretaris Fred Teveel? Inderdaad, veel te veel van het goede, net als sommige pagina’s die door loodzware tekstballonnen bijna door hun kaders zakken. Dan lijkt het alsof je een strip van Olivier Blunder zit te lezen, ook al geen feest voor zij die van vaart en actie houden.

Het existentiële politiedrama van Wilfred Otterheim en Remco Polman en de clowneske idioterie van Frans Hasselaar en Kees de Boer springen er in positieve zin uit, net als de pikante tweelingzusterstrip van Robbert Damen en Michel Offerman.

Wat de hommage-albums leren is dat kortverhalen zich beter lenen voor een bundeling dan eenpaginastrips. Fans van Agent 327 zullen Hulde aan de jubilaris zonder meer weten te waarderen, omdat de verhalen in de traditie van Lodewijk zijn gemaakt. De echte Guust-fanaat knijpt minder in zijn handjes: iets te veel felicitatie en te weinig flaters.

Strips & comics

Gelezen: Lucas Verstraete – Een boek waarmee men vrienden maakt

Lukas Verstraete heeft een werk afgeleverd dat in meerdere opzichten buitensporig is. Het formaat valt meteen op en voelt zelfs in de Age of Integrales overdadig aan. Eenmaal opengeslagen liggen er 208 bonte en uitdagende pagina’s voor je, in zowel grafisch als verhalend opzicht. Want laat er geen misverstand over bestaan: Een boek waarmee men vrienden maakt is zeker geen gemakkelijk album of verhaal voor tussendoor. Verstraete vraagt veel van de lezer.

Het begint meteen met een overval op een man die van zijn koffertje en zijn gezicht wordt beroofd, en daarmee zijn identiteit verliest. Het gezicht van de man zien we gaandeweg het verhaal in steeds verschillende gedaanten terugkeren: in een hondje, in auto die de viervoeter aanrijdt en een jonge omstander die het ongeluk ziet gebeuren.

Vanaf dan gaat het verhaal pas echt goed los en moet de lezer op basis van kleurpalletten de verschillende, parallelle verhaallijnen reconstrueren. De schutbladen van het album verraden deze leeswijze al een beetje door te verwijzen naar venndiagrammen in de kleuren van het verhaal, al merk je dat – met honderd andere zaken – pas als je echt grondig te werk bent gegaan. Want laten we wel wezen; wie bestudeert de schutbladen van een boek voordat hij gaat lezen?

We volgen de man zonder gelaat, het koffertje, het gelaat zelf en het karakter van de man die zich steeds anders manifesteren. Intussen duikt de schrijver zelf ook nog op, om het verhaal te sturen en te benoemen. Het einde van het verhaal is een beloning voor de vorsende lezer, die er dan ook achterkomt dat er al die tijd anderhalve kilo boekwerk op zijn schoot heeft gelegen.

Is het een album voor fijnproevers? Ja beslist, al zou iedereen voor zichzelf moeten uitmaken of hij of zij bij de club van fijnproevers hoort. Het werk van Verstraete is vernieuwend, ontregelend maar met de juiste instelling genietbaar. Het robuuste tekenwerk in kleurpotlood en de vrije pagina-opmaak passen uiteindelijk perfect bij het verhaal, maar ook daarvoor geldt weer: niets is gemiddeld in dit album. Pas na een uurtje of vier beginnen de zaken te dagen. Mateloos? Het kon minder.

Strips & comics

Gelezen: Tebo – De jeugd van Mickey Mouse

In januari van dit jaar was er op het stripfestival van Angoulème een vrolijke expositie te zien met werk van een vijftal tekenaars dat zich aan een oorspronkelijk verhaal uit de Disney-stal had gewaagd. Onder de titel ‘De nieuwe gezichten van Mickey Mouse’ werd origineel werk getoond van Tebo, Loisel, Keramidas & Trondheim en Cosey, uit hun Mickey-verhalen die in 2016 verschenen bij uitgeverij Glénat. In het Frans welteverstaan.

De albums zijn een enorm verkoopsucces in Frankrijk. Het is vriendelijk en vertrouwd, en de typische tekenstijlen van anderen geven de wereld van Disney een frisse aanblik. In ieder geval gaan de Fransen vrolijk verder met de reeks, ook Tebo zal nog een album voor zijn rekening nemen. Logisch, want hij won in Angoulème met De jeugd van Mickey Mouse de prestigieuze Prix Jeunesse 2017.

Het tekenen van strips door anderen is niet nieuw: Robbedoes is met Hanco Kolk al aan zijn twaalfde tekenaar toe en vorig jaar mocht een groepje tekenaars zich op een Suske en Wiske-verhaal storten. Hetzelfde geldt al een tijdje voor de reeksen Blake en Mortimer en Thorgal, maar Disney, en in dit geval Mickey Mouse, is toch andere koek.

Intussen zijn de Mickey-verhalen van Cosey en die van Keramides & Trondheim in het Engels verschenen. Sinds deze week liggen er ook twee – andere – albums in het Nederlands in de winkel. Zombokoffie van Régis Loisel en het hilarische boek van Tebo, De jeugd van Mickey Mouse.

Tebo tekent Mickey alsof die van kauwgom is gemaakt, met bolle en opgeblazen vormen, in een bonte wereld zoals we die kennen van computerspellen. Alles dwarrelt en suist, niets lijkt aan zwaartekracht onderhevig. Het album, in harde kaft met een mooie linnen rug, is lekker groot en dat komt de tekeningen, met name de splash pages, ten goede. Papier, kleur, bladspiegel; het boek is top uitgegeven.

In de losse verhalen krijgt Mickey bezoek van zijn kleinzoon. Opa Mickey, met dikke bril en wollen sjaal, zit op de praatstoel en vertelt over zijn avonturen van vroeger. De kleinzoon twijfelt nadrukkelijk over het waarheidsgehalte van de groteske verhalen van zijn opa, zelfs als hij zelf ook een rol in de geschiedenis krijgt. Terecht, want Tebo doet geen enkele moeite om geloofwaardige avonturen te tekenen. Zo vindt Mickey in een vrije val de helicopter uit en was zijn drooghelm een geheid succes geweest als er niet iemand net daarvoor de paraplu had uitgevonden.

Ook Minnie en Goofy komen langs in de verhalen, die zijn opgehangen aan de eeuwige strijd tegen Boris Boef, de dikke hond met stoppels en slechte bedoelingen. Kolderiek, zo zijn de verhalen het best te omschrijven. Dat zie je ook terug in de geestige onomatopeeën die op de lachspieren werken: natuurlijk klinkt een bakmeelbom als BRAF, stort een vliegtuig neer met BRONK en stuitert Mickey met zijn auto tegen de dakrand van een huis met BRAM.

Alles is plezier bij Tebo, en Mickey Mouse, die toch een beetje belegen muis, vaart er wel bij. In zijn dompelonderzeeër, welteverstaan. Geen diepgang, maar wel grappige verhalen die het ook goed doen bij tienjarigen.

Strips & comics

Gelezen: Genzianella & Mariolle – William Adams, Samoerai

It’s the inside that counts en dat geldt in zekere zin ook voor strips. Wie geen moeite doet langs de spuuglelijke cover van deel 1 van William Adams, Samoerai te kijken, zal nooit weten dat er achter die draak van een illustratie een goed verhaal verscholen gaat.
Het tweede en laatste deel van William Adams, Samoerai verscheen onlangs – weer met een magere omslagillustratie – waarmee we de balans kunnen opmaken: een goed verhaal met genoeg spanning en intriges voor een intense leeservaring. Maar toch: het tekenwerk zit tegen een grens aan. Het is net niet mooi, net niet sprekend genoeg en stilistisch gezien net niet interessant. En toch, na de twee albums die samen een afgerond verhaal vormen, is het vooral het verhaal dat blijft hangen. Gelukkig maar.

William Adams is geen onbekende, al rinkelt het belletje vast niet meteen. In 1980 was Nederland in de ban van de televisieserie Shogun, met Richard Chamberlain in de hoofdrol. Dat verhaal is gebaseerd op de waargebeurde geschiedenis van William Adams, die in de serie John Blackthorne heet; de rol van Chamberlain.

De hoofdrolspeler in het verhaal van tekenaar Nicola Genzianella en scenarist Mathieu Mariolle heeft misschien niet de looks van Chamberlain, maar is minstens zo onverschrokken. De stoïcijnse blikken waarmee de Engelse zeeman zijn bloeddorstige vijanden tegemoet treedt, is haast onvoorstelbaar, vast en zeker omdat hij het recht en het gelijk aan zijn zijde heeft. Maar toch, dit heerschap is niet voor een kleintje vervaard.

Omdat Adams beschikt over vuurwapens en weet heeft van westerse krijgstechnieken, is hij de speelbal van twee kampen: aan de ene kant generaal Tokugawa die uit is op alleenheerschappij en anderzijds de vier regenten die samen met de jezuïeten de macht proberen te houden. Het is een keuze tussen twee kwaden, zo lijkt het. Of zoals Tokugawa het verwoordt: “Wat is beter? Een tiran die streeft naar welzijn voor allen of een rechtvaardige maar egoïstische soldaat?”

Adams belandt in de gevangenis, wordt opgejaagd en kiest uiteindelijk een kant. Dan kan de strijd echt beginnen.

Via allerlei slinkse acties en opzetjes ontrolt er zich een verhaal vol heroïsche actie en martiale kunsten dat plaatsvindt in de kenmerkende Japanse landstreken. Jammer is wel dat het harde en donkere kleurgebruik niet aansluit bij de sfeer. Het zachte Japan van de bloesemtuinen en rijstvelden is ingeruild voor een kille setting in gedoemde oorlogskleuren.

Er is natuurlijk ook plaats voor een tedere verhaallijn, de haast onvermijdelijke genegenheid tussen Adams en Matsu Hime. Haar rol is niet die van dame in de deuropening die zachtjes weent als de mannen ten strijde trekken; zij zorgt ervoor dat Adams gedwongen wordt een keuze te maken. Die verstrekkende keus laat hem tot besluit verzuchten: Dit is mijn land nu. En dat is nogal wat.

Strips & comics

Gelezen: De Vries – De geschiedenis van de Toonder Studio’s

Over Marten Toonder is veel geschreven. Zelf was hij uitvoerig in zijn driedelige autobiografie, waarop het een en ander aan te merken was. In 2012 verscheen de excellente biografie van Wim Hazeu: objectief, informatief, prettig geschreven en niet altijd even vleiend voor de tamelijk op zichzelf gerichte Toonder. Daarnaast werden er met de jaren tientallen uitvoerige artikelen, verslagen en essays geschreven over ’s mans werk en leven. Boeken blijven boeken en hoewel er in de biografie van Hazeu een kleine fotokatern was ingevoegd, is het gissen hoe de entourage eruit heeft gezien: de werkkamer, de studio en haar medewerkers, het schetswerk en de storyboards. Met name de Toonder Studio’s – die meer waren dan alleen Marten – kwamen er meestal toch bekaaid vanaf.

Sinds twee maanden is er een serie in tijdschriftvorm, die dit gemis wegneemt: De geschiedenis van de Toonder Studio’s is een bloemrijk overzicht van de beroemde studio, haar medewerkers en het werk dat daar werd verricht. Samensteller en Toonderkenner Jan-Willem de Vries putte uit de enorme hoeveelheid foto’s, werk en getuigenissen. De Vries omschrijft de seriepublicatie als de grootste verkenning van de Toonder Studio’s tot nu toe: het bevat een beschrijving van de oorlogsperiode en verkent de periode van na 1945, waarin het bedrijf opbloeit en wereldwijd strips verkoopt. We lezen hoe het zich ontwikkelt als grote speler en hoe het die positie langzaam weer inlevert. Interessant, maar het zijn vooral de persoonlijke verhalen van Toonders medewerkers die voor kleur zorgen, zoals onder anderen Piet Wijn, Patty Klein, Hans G. Kresse, Lo Hartog van Banda en Thé Tjong-Khing. Bij hen wordt uitvoerig stilgestaan.

De eerste twee delen zijn inmiddels verschenen en als die de maatstaf zijn voor wat komen gaat, dan zal vooral het visuele spektakel tot de verbeelding spreken.

De tijdschriften zijn chronologisch opgehangen aan thema’s, series als Panda, Kappie en Tom Poes en aan medewerkers en zakenpartners.
De delen 1 en 2 beslaan in grote lijnen de jaren 1933-1940 en 1940-1942. In het eerste deel, dat vooral geldt als introductie van de reeks, wordt stilgestaan bij de eenmanszaak van Toonder en hoe hij door samenwerking met Fritz Gottesmanns Diana Edition de eerste stappen zet op weg naar een studio. Pril tekenwerk en zogenaamde presentatieboekjes geven een mooi beeld van Toonders begintijd.

Het echte werk begint in deel 2 als de Toonder Studio’s vorm beginnen te krijgen. Wie een vage notie heeft van hoe het er op de studio in de beginjaren veertig uitziet, zal verrast zijn door de grote hoeveelheid foto’s en wat die laten zien: karige, volgepakte kamers met hardwerkende mannen en vrouwen in onberispelijke kleding. Een enkeling permitteert zich hemdsmouwen, maar de rest zit keurig met stropdas en jasje aan de tekentafels. De vrouwen dragen nette blouses, terwijl er zoveel frivool werk werd gemaakt. Het zijn dit soort foto’s die de tijdschriftenserie meerwaarde geeft.

Het doorlopende verhaal over Toonders samenwerking met Joop Geesink, die later Loeki de Leeuw bedacht, en zakenpartner Jan Bouman is informatief en helder. Omdat het een verhandeling is over de studio en niet over Toonder als persoon, is de toon zakelijker: allerlei particuliere dingetjes en familie-aangelegenheden, waarmee de (auto)biografieën vol staan, komen – gelukkig – niet aan bod. Het gaat vooral over entrepreneurschap, zakelijk instinct en meebewegen in moeilijke tijden.

In totaal zal de serie uit 18 delen bestaan. Iedere maand verschijnt er een nummer en na anderhalf jaar is de reeks compleet. Liefhebbers kunnen zich inschrijven, waarmee ze verzekerd zijn van toezending per post. Losse nummers zijn ook verkrijgbaar in de betere stripspeciaalzaak. Meer informatie en een overzicht van de onderwerpen per deel vind je hier.

Strips & comics

Gelezen: Hyman & Fromental – De Praagse coup

Waar is een historische spionage-thriller beter op zijn plaats als in het Wenen van 1948, waar de vier bezettingsmachten de stad na afloop van de Tweede Wereldoorlog opdeelden: de Sovjetzone en de Franse, Britse en Amerikaanse. Wenen werd een gedrocht met sectorgrenzen, districtenstelsels en heel veel wantrouwen en verraad; het is de ideale omstandigheid voor de Britse (scenario)schrijver Graham Greene om aan zijn nieuwe novelle en daarop geïnspireerde speelfilm te werken, The Third Man.

Greene komt niet alleen. Hij krijgt gezelschap van mevrouw Montagu, die naast actrice, voor de buitenwacht, natuurlijk ook het nodige spionagewerk voor haar rekening neemt. Klassiek is de scene waarin Montagu in de hotelkamer van Greene rondneust en zich moet verstoppen voor nog een nieuwsgierige indringer. Vanachter een gordijn denkt ze er het hare van. Zo zit het album vol degelijke, beetje gedateerde spionage-scènes.

De grote lijn van het verhaal gaat over wie met wie samenspant, en waarom. Het duurt even voordat de lezer doorheeft wie de echte bad guys zijn, om uiteindelijk te ontdekken dat de complexe situatie ter plaatse lang niet zwart wit is. Alles haakt ingenieus in elkaar. Gelukkig maar: het verhaal is sterk en beloont de oplettende lezer.

Het gestileerde potloodwerk van Miles Hyman past goed bij het verhaal dat speelt in de late jaren veertig. De pakken, mantels, interieurs en het straatbeeld ademen de sfeer van de naoorlogse tijd. Het is rood-bruin, grauw en gedempt van kleur, alsof het licht nog op de bon was. Daarbij speelt een groot deel van het verhaal zich af in de vergane chique van hotellobby’s, bordelen, tussen de coulissen van de opera en zelfs het in uitgebreide riolenstelsel van de Oostenrijkse hoofdstad; niet de meest kleurrijke en uitbundige entourage.

De mannen dragen hun haar in een strak naar achteren gekamde snit, in vergelijkbare pakken met dito overjassen. Dat zorgt ervoor dat je even alert moet zijn op details: soms herken je de heren alleen aan hun stropdas of sjaal.

Bijzonder is de vertelstem van het verhaal. Scenarist Jean-Luc Fromental gebruikt zeker aan het begin van het verhaal veel vierkante tekstkaders, waarin de situatie verklarend wordt verteld door Montagu. Dat is doorgaans stijf en afstandelijk, maar in De Praagse coup draagt het juist bij aan de sfeer en toonzetting van de vertelling. Het wordt er spannender van: ze kan vrijuit over geruchten spreken, mogelijke geheimen benoemen en de lezer alvast op het spoor van deze of gene brengen.

Er wordt geschoten, het een en ander opgehelderd, zwijggeld betaald en aan het slot van het verhaal zien we het filmaffiche van The Third Man. Met een ronkend citaat van Joseph Conrad over corruptie sluit het boek. Greene heeft zijn verhaal en daar is wat voor nodig geweest.

Strips & comics

Gelezen: Tom Gauld – Baking with Kafka

Het werk van de Engelsman Tom Gauld is van grote schoonheid. Zijn getekende universum bestaat vooral uit kale stokpoppetjes en gearceerde vormfiguurtjes die er desondanks gestileerd en strak uit zien. Het mooie zit in zijn unieke manier van vertellen: zo precies, zo doeltreffend en zo exact. Gauld is een meester in het ontrafelen van complexe materie en het moeiteloos nemen van drievoudige u-bochten. Zijn halve-paginastrookjes gaan over de actiebereidheid van de moderne mens, de ideale zithouding tijdens het lezen van boeken, ondramatische plotstructuren en voorbeelden van klassieke literatuur met een beetje extra wetenschap.

In Baking with Kafka gaan veel van de 160 grappen over literatuur, en dan met name de klassiekers. Ze verschenen eerder in het cultuurkatern van de Britse kwaliteitskrant The Guardian, en zijn daarom niet voor iedereen gesneden koek. Wie niet weet dat Gregor Samsa veranderde in een kever, mist de grap over de gemakkelijk beïnvloedbare schrijver die Kafka las.

Toch is het geen punt om af en toe iets te missen, vooral omdat Gauld zelden moeite doet om belezen of zwaarwichtig over te komen. Vaker trekt hij de literatuur van haar sokkel en degradeert hij de serieuze kunsten tot banale flauwekul en nieuwlichterij. Clickbait in flapteksten, het zuinig omgaan met het opvoeren van personages met baarden en dergelijke: het geeft geen blijk van een plechtige kijk op literatuur.

Ondanks dat Baking with Kafka alleen uit korte paginastroken bestaat, past het naadloos in het oeuvre van Gauld dat verder vooral bestaat uit verstilde korte verhalen, zoals Moon Cop en Goliath. Ook in zijn verhalende strips presenteert Gauld de personages en anekdotes vanuit een onverwachte hoek. In het bijbelse Goliath wordt vrijwel het hele album ingeruimd voor de tijd voorafgaand aan de confrontatie, en dan ook nog eens vanuit de reus bezien en beleeft. Het einde is zoals we het kennen, al heeft het verhaal op geen enkele manier meegewerkt. Als iedereen onverrichter zake naar huis was gegaan, was het ook prima geweest.

Het werk van Gauld is niet te vertalen zonder de onderkoelde Britse humor en specifieke verwijzingen kwijt te raken. Een vertaling lijkt hoe dan ook ver weg, want ook de eerste bundeling Guardian-strips, You’re all just jealous of my jetpack uit 2013, is niet in het Nederlands verschenen. Dit mag gerust worden opgevat als een aansporing om terstond de werken van Gauld aan te schaffen. Er is geen reden om langer te wachten.

Strips & comics

Gelezen: Marcel Pagnol (Dan, Scotto & Stoffel) – Jazz

Het jaar 2017 is van Marcel Pagnol, de Franse schrijver en cineast (1895-1974) van wie er dit jaar al zes prachtige albums verschenen met stripbewerkingen van nooit eerder in het Nederlands vertaald werk. Tot voor kort, want toeval of niet: terwijl uitgeverij Saga in februari van dit jaar begon met de uitgave van Pagnol-strips, kwam De Geus deze zomer met het eerste deel van zijn autobiografische roman De gloriedagen van mijn vader op de proppen, en zal in 2018 de vervolgroman Een kasteel voor mijn moeder uitkomen. Beide verhalen bestaan inmiddels in stripvorm, die net als de andere delen naar strip zijn vertaald door Serge Scotto en Éric Stoffel.

Afgelopen maand verscheen het album Jazz, dat in 1926 als toneelstuk werd gepubliceerd en niets met jazz te maken heeft. Het oorspronkelijke verhaal heette Phaëton, een klassieke titel die verwijst naar een tekst van Plato. Het was dichter Rodolphe Darzens die Pagnol er van wist te overtuigen de naam te veranderen. Hij had alle recht, omdat Pagnol het werk aan hem had opgedragen. Darzens vond de thematische uitwerking veel te modern voor zo’n klassieke naam, en zo werd het Jazz, destijds de muziekstijl die stond voor het nieuwe, jeugdige en chaotische, en daarmee perfect passend bij het verhaal.

Toch heeft de tekst van Plato een prominente rol in het verhaal. Classicus Blaise, een bevlogen schriftgeleerde, heeft zijn leven gewijd aan de ontcijfering van de Phaëton. Hij heeft er academisch aanzien en een hoogleraarschap aan overgehouden, maar heeft onderweg vergeten te leven. Geen vrouw, niets dan alleen die ene tekst. Althans, dat vindt zijn oude vriend Barricant die hem op een dag komt opzoeken. De boodschap van Barricant heeft aanvankelijk weinig uitwerking op de eigenzinnige Blaise, maar als er iets onvoorziens gebeurt zet dat het leven van de hoogleraar volledig op zijn kop. Hij gooit het vanaf dan over een andere boeg.

Net als in de vorige delen van de reeks is er ook in dit verhaal voor gekozen om dicht op de tekst van Pagnol te zitten, waardoor je soms iets leest wat je ook ziet, maar altijd in die volgorde. Het kleurt de leeservaring en geeft het verhaal iets van een natuurlijke ouderdom. Dat wordt nog versterkt door de entourage van het verhaal en het bedeesde kleurgebruik. De lezer stapt werkelijk terug in de jaren twintig van de vorige eeuw. Er wordt bewust geen poging gedaan de verhalen van Pagnol in een modern jasje te steken en dat is een goede keuze.

Het tekenwerk is van A. Dan, eigenlijk Daniël Alexandre, die eerder ook het one-shot Kabeljauwtje tekende, naar de film Merlusse uit 1935. Zijn tekenstijl is net iets ruwer dan dat van de andere Pagnol-verstripper Morgann Tanco, die liever, ronder en innemender tekent. In het geval van Jazz pakt dat goed uit, omdat het een veel somberder verhaal is. Het is bovendien een verhaal dat qua toonzetting duidelijk afwijkt: het is harder en onaardiger, waar de andere verhalen loom kunnen voortkabbelen, zeker de autobiografische delen.

Jazz is een goed beeldverhaal met een slotakkoord dat iets van jazz heeft; dissonant, maar net niet ontsporend.
Voor het echte Pagnol-gevoel blijft het tweeluik Topaze, naar het toneelstuk uit 1928, het hoogtepunt en daarmee een ideaal instapverhaal. Daarin zitten de knapste dialogen, mooie karakterkoppen en is de ontwikkeling van de hoofdpersoon perfect uitgebeeld. Vooral dat laatste is in Jazz minder levensecht.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 6

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het herfstnummer dat nu in de winkels ligt.

Het geluid van de loftrompet is scenarist Jeff Lemire niet vreemd en ook met zijn nieuwe successerie Black Hammer tettert de comicwereld weer flink in zijn oren. En terecht, want Black Hammer van tekenaar Dean Ormston is een heerlijke serie waarvan intussen 11 comics verschenen, met de eerste zes delen in een trade paper back (Dark Horse, TPB, € 14,95) en een tweede in aantocht.

Black Hammer is een kruising tussen Fables en Starlight, en gaat over een groepje gewezen superhelden uit Spiral City, die op een dag verdwijnen en terecht komen in een kleine boerengemeenschap, in de toekomst, ver van alles en iedereen. Ontsnappen is er niet bij en nog belangrijker: de dorpsbewoners moeten vooral geen lucht krijgen van de geheimen die de zes helden met zich meedragen. En dat valt niet mee. De ene wordt verliefd op de ex van de dorpsagent, de ander is haar constante jonge leeftijd beu en zo heeft ieder van hen iets. Eén en al complexe toestanden, terwijl ze tegelijkertijd proberen zo gewoon mogelijk te zijn.
De helden hebben prachtige gesprekken met elkaar, alleen al daarom werkelijk het lezen waard. Aan het einde van de eerste arch wordt wat meer duidelijk over de naamgever van de serie. Nu al geweldig. Echte krenten.

Onlangs verscheen de vijfde en laatste comic van Rebels – These free and Independent States, het tweede afgeronde verhaal uit de Rebels-reeks. Die reeks bestaat uit verhalen over het ontstaan van Amerika, uit de tijd van de founding fathers, quakers en slavenhouders, en hoewel de verhalen zo echt mogelijk zijn is er hier en daar wel eens wat gesmokkeld met de feiten. Alles voor het verhaal, en dat is weer dik in orde.
In Rebels – These free and Independent States (Dark Horse, 5 comics à € 3,95) volgen we John Abbott, de zoon van vrijheidsstrijder Seth uit een eerdere Rebels-cyclus. John is wat we nu autistisch noemen en leeft voor de scheepvaart. Hij heeft alleen oog voor zaken die drijven, zogezegd, en is niet zo handig in de omgang.

Als hij veertien is monstert hij aan bij een botenbouwer en groeit hij uit tot een vooraanstaand bouwer van handelsschepen. Het probleem met die schepen is dat ze steeds worden aangevallen door Franse en Engelse koopvaardijschepen die de gebieden rond de Bahama’s bevaren. Aan John de taak de Amerikaanse schepen uit te rusten met wapentuig.
Zijn magnum botus, de U.S.S. Constitution, die hij helemaal zelf ontwierp en hielp bouwen, komt in een hevig vuurgevecht terecht en daarbij gebeuren zaken die in de marine-krijgskunst niet toegestaan zijn. John, die aan boord was tijdens de aanval, wordt opgesloten voor muiterij en het niet opvolgen van orders, al wordt dat uiteindelijk in der minne geschikt.

Rebels van Andrea Mutti op scenario van Brian Wood is een erg goede historische comic, die vooral opvalt door het rustige tempo van vertellen. Het geeft het verhaal de gelegenheid accuraat en compleet te zijn, zonder dat het saai en geschiedenisboekerig wordt. Binnenkort in trade paper back.

Strips & comics

Gelezen: Fabien Nury & Éric Henninot – Zoon van de zon

Avonturenstrips zijn er in alle soorten en maten. Van Robbedoes, Corto Maltese en Thorgal tot Largo Winch, Roodbaard en Douwe Dabbert, het genre is zo breed dat de kwalificatie van een goede avonturenstrip nauwelijks iets zegt. Het ene avontuur is het andere niet.
Toch is Zoon van de zon een echt goed avonturenverhaal, meer bepaald voor liefhebbers van historische strips over de koopvaardij, piraten en zeeslagen.

David Grief is een trotse koopman die zijn zaakjes prima op orde heeft. Hij heeft overal handelsposten en behoort tot de rijkste lieden van de Stille Zuidzee. Dit zorgt natuurlijk voor kift bij zijn collega’s die er een beduidend minder frisse moraal op nahouden. Eén van hen probeert zelfs onder een betaling van 1200 pond uit te komen, peanuts in die kringen, maar voor Grief een erezaak: hij gaat het geld halen. Het loopt bijna fout af en zo leert de lezer de schimmige wereld van de koopvaarders en nautische outlaws kennen.
Dan is er de figuur van Parlay, de zonderlinge en zelfverklaarde koning van de Indianen, die zich heeft teruggetrokken op een atol. Hij roept alle scheepvaarders bijeen voor een veiling van zijn kostbare collectie parels maar nodigt Grief nadrukkelijk niet uit. Niets voor Grief natuurlijk, die zich met gevaar voor eigen leven toch naar het kasteel van Parlay begeeft.

Scenarist Fabien Nury, van wie eerder de albums van Tyler Cross in het Nederlands verschenen en onlangs de gloednieuwe serie Katanga, heeft Zoon van de zon losjes gebaseerd op de verhalen van Jack London, een romanschrijver met een voorliefde voor heldhaftige avonturenverhalen die leefde in het begin van de vorige eeuw.
Alles is goed in orde in het verhaal. De motieven en beweegredenen van de personages zijn sterk uitgewerkt zonder dat het er duimendik bovenop ligt. Uiteindelijk is het hebzucht en macht waar het om draait, en dat maakt van Grief bijzonder figuur. Voor hem is er ook nog zoiets als eerlijkheid in het geding.

Het sluitstuk van het verhaal is een bloedstollende en stormachtige scene op het atol dat prachtig in beeld is gebracht. Het tekenwerk van Éric Henninot is gestileerd en stemmig. Zijn schepen, interieurs en landschappen verraden een grondige aanpak: alles ziet er perfect en natuurgetrouw uit, met een fijn oog voor detail. De personages overacteren niet, hun koppen en houdingen zijn nergens karikaturaal en dat maakt het nog echter: de klassieke piraat met een ooglapje, de laaielichter met een groot litteken op zijn voorhoofd, de dommerik met de forse vuisten; we hebben het allemaal al zo vaak gezien. In Zoon van de zon zijn ze wel als personages aanwezig, maar subtieler uitgewerkt, en daardoor gemener, laffer en realistischer.
Zoon van de zon is een spannend verhaal met een ontknoping van jewelste. Het is een strip die geen moeite heeft om de lezer erbij te houden, en dat is een voorwaarde voor een echt goed avontuur. Dit one-shot bewijst dat.

Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – Spinning

Er is de afgelopen maanden verwachtingsvol uitgekeken naar het vierde album van Tillie Walden, een graphic memoir over haar jeugdjaren als kunstschaatser. Walden geldt als talent in de stripwereld, een belofte voor de toekomst. Ze bewees dat met prachtige, poëtische verhalen als The End of Summer en A City Inside. Als zij een 400 pagina’s dik coming of age-verhaal aankondigt, dan zijn de vooruitzichten hooggespannen. Niet in de laatste plaats omdat Walden pas 21 jaar is.

In Spinning beschrijft Walden haar jeugdjaren en dan met name haar laatste drie jaren als kunstschaatser, van haar 16de tot 19de. Ze is net verhuisd naar Texas en heeft problemen met haar leeftijdsgenootjes die niet openstaan voor een nieuwe in de groep. Ook bij de kunstschaatsclub kan ze niet op veel hartelijkheid rekenen. Haar geluk is dat ze erg goed is in kunstrijden. Zo bevecht en verovert ze haar plek, al levert dat Tillie niet de waardering op waarop ze hoopt.

Dat wordt er niet gemakkelijker op als ze besluit uit de kast te komen. Het loopt slecht af als de moeder van Tillies vriendin er lucht van krijgt: zij mogen elkaar niet meer zien of spreken.

Als iemand van 21 vertelt over ervaringen die hooguit vijf jaar oud zijn, dan is er nog weinig afstand. Dat merkt de lezer in de manier waarop Walden de gebeurtenissen beschrijft. Het hartverscheurende bericht van de verbroken relatie wordt meegedeeld en uitgebeeld, maar verder niets. Geen groter geheel, geen duiding, alleen het verdriet zelf. De Tillie in het verhaal ondergaat veel en lijkt dat in eerste instantie niet te raken. Ze praat er met niemand over. De lezer dringt niet door tot in haar hoofd.

In het nawoord vertelt Walden dat ze bij het tekenen geen moeite heeft gedaan alles in een groter geheel te zien of naar antwoorden te zoeken; zo’n tekenaar vindt ze zichzelf niet. Zo’n nawoord van de auteur over bedoelingen en thematiek is een noviteit in graphic novels: in dit geval een handig vehikel voor Walden om haar verhaal en werkwijze te verklaren. En ook om zichzelf in te dekken.

Het knappe van Spinning is dat het in eerste instantie een verhaal over kunstschaatsen lijkt, maar dat het schaatsen gaandeweg steeds meer het decor van de vertelling wordt. De sportbeleving van Tillie laat vooral zien hoe ze zich voelt. Gaat het goed, dan lukken de sprongen; bij tegenslagen in haar privéleven gaat ze onderuit. Het is deze vertaalslag die Spinning interessant houdt. Op de pagina’s die ze als hoofdstukaanduiders gebruikt, legt ze steeds een sprong of oefening uit: dat is voor de leek voldoende informatie over kunstschaatsen.

Het album is uitgegeven in paarsblauw met gele accenten en dat werkt goed. Jammer is dat het tekenwerk soms gehaast oogt: Walden tekent nauwelijks achtergronden of uitgewerkte totalen. Aan de andere kant zijn haar gezichtsuitdrukkingen en houdingen heel trefzeker en levendig. In de vaart van het verhaal zorgt het expressieve karakter van haar tekeningen voor rustmomenten: de enkele lijn die een trotse of gekrenkte houding markeert, de rake frons uit één pennenstreek. Het terloopse en gemakkelijke van Waldens tekenwerk komt mooi naar voren in Spinning, voor een bijzonder verhaal is haar eerdere werk beter.