Strips & comics

Gelezen: Marcel Pagnol (Hübsch, Scotto en Stoffel) – Topaze

Van de Franse schrijver en cineast Marcel Pagnol (1895-1974) werd niet eerder werk vertaald in het Nederlands, tenzij het met de jaren heel goed verstopt is geraakt.
Sinds dit jaar is kwaliteitsuitgeverij Saga bezig met een imposante inhaalslag: de afgelopen zes maanden verschenen vijf dikke albums rond het werk van Pagnol, met het tweeluik Topaze als verhalend hoogtepunt. Waar het aandoenlijke en nostalgische De glorie van mijn vader en het dramatische Kabeljauwtje het vooral moeten hebben van de sfeer en situatieschetsen, daar is Topaze ronduit spannend en goed verteld.

In het verhaal volgen we Albert Topaze, een goeiige leraar aan een privaatschool die zijn leerlingen behandelt ongeacht hun afkomst. En laat dat nu net zo niet werken voor de directeur die graag ziet dat de notabelen en adel hun kinderen laten slagen op zijn instituut; was het niet voor henzelf, dan in ieder geval voor zijn eigen portemonnee.

Topaze gaat de fout in door niet mee te buigen met de hogere klasse en zo komt hij op straat terecht. Hij is strikt en in die zin te vergelijken met de brave soldaat Svejk, uit de verhalen van Jaroslav Hašek, die zijn onbuigzame rechtschapenheid ook hoog in het vaandel heeft, tot het onnozele aan toe.

Voor de buitenwacht wordt Topaze gezien als een goedgelovige en ongevaarlijke hals en zo komt hij terecht op de burelen van gemeenteraadslid Castel-Bénac, een spitsboef die machtswellustig en vals is. Hij geeft Topaze een betrekking op kantoor, maar feitelijk is hij niets meer dan een stroman en bliksemafleider.

Topaze doorziet de spelletjes gaandeweg en raakt erin verstrikt. Hij ziet dat eerlijkheid in de hogere regionen geen deugd is en past zich aan waardoor hij zijn rol steeds belangrijker wordt. Zelfs de oude schooldirecteur klopt bij hem aan.

Het tekenwerk van Éric Hübsch, die de hele Pagnol-reeks voor zijn rekening neemt, is uit de Franse school, met intrigerende karakterkoppen en mooie paginacomposities.
Echt geslaagd zijn de teksten die ronduit perfect zijn geadapteerd uit het werk van Pagnol. Zonder de originele Franse tekst te kennen lees je Pagnols vakmanschap van de pagina’s. Zelfs na al die jaren is het nergens gedateerd of stoffig.
Het tempo en vooral de subtiele dialogen zijn prachtig. Scenaristen Serge Scotto en Éric Stoffel maken kundig gebruik van lichtgetinte balloons die zich slim verhouden tot de witte balloons: het geeft een subtiele dubbele laag aan de mooie discussies die er krachtiger van worden.

Het verhaal leest als een demasqué van de macht, al wordt er net als in het echte leven geen strijd geleverd: macht en het misbruik dat erbij hoort kennen nu eenmaal geen echte vijanden. Het zal altijd als onkruid bestaan. Topaze laat dat op een mooie en heel lezenswaardige manier zien. Daarmee heeft Saga er weer een schot in de roos bij. Voor mij mag de reeks rond Pagnol nog een paar albums duren: in Frankrijk lopen ze intussen twee titels voor, dus er is hoop.

Strips & comics

Gelezen: Noah van Sciver – Fante Bukowski Two

Vorig jaar kwam ik Noah van Sciver tegen bij zijn Franse uitgever op het festival van Angoulème. Behalve zijn eerste Franse album had hij een aantal Engelstalige eigen beheer uitgaven bij zich, die ik van hem kocht: leuke, ontwapenende slice of life verhalen over jongeren en jongvolwassenen die niet leven in de fantasiewereld van MTV en de Kardashians.

Het werk van Van Sciver is grotendeels autobiografisch en de personages zijn altijd bezig het hoofd boven water te houden: net genoeg geld voor de huur, nergens een vangnet en geen tijd voor dromen of rust. De verhalen zijn eerlijk en hard tegelijk, met soms een sprankje hoop zonder dat het pathetisch wordt. De personages komen zo dichtbij dat je ze echt iets beters zou gunnen: weinig hedendaagse strips hebben die zeggingskracht.

Deze verzamelde korte verhalen verschenen in de bundelingen Youth is wasted, Disquiet en Saint Cole, stuk voor stuk prachtige miniatuurtjes van het moderne Amerikaanse leven in verval.

Binnen zijn oeuvre zijn de verhalen rond de wanna-be succesdichter Fante Bukowski duidelijk een uitlaatklep voor Van Sciver. Fante is een nietsnut, een hobo en een mislukte dichter die letterlijk wacht tot de mensheid ein-de-lijk eens overtuigd raakt van zijn enorme talent. Fante is zo vol van zichzelf en ziet de wereld om hem heen zo misnoegd aan, dat het komisch wordt. Bij Fante is de gunfactor heel ver weg en stiekem hoop je dat zijn gedichtjes het nooit ergens zullen redden, wat overigens een vrij zekere zaak is.

In het tweede deel, dat gewoon Two heet en prima zonder het eerste te lezen is, zien we Fante steeds gefrustreerder raken door het in zijn ogen oneerlijke systeem van uitgevers, agenten, collega’s en in feite de hele poëziekliek bij elkaar, tot en met de lezers aan toe. Hij stort zich in de wereld van eigen beheer uitgaven en komt erachter dat niemand bereid is vijf dollar te betalen voor zijn bundel Six Poems by Fante Bukowski, waarvan hij er twintigduizend heeft laten maken; een twee keer dubbelgevouwen A4’tje met nietjes overigens.

Fante wordt onderhouden door zijn moeder die er op een dag achterkomt dat hij zijn geld uitgeeft bij een dame van plezier – en feitelijk alleen omdat zij het naar eigen zeggen met alle belangrijke schrijvers doet. Hij wordt het motel uitgegooid en leeft op straat, wat hem nog zuurder en onuitstaanbaarder maakt. Een vroegere vriendin, die het wel gemaakt heeft in de literaire wereld, ontfermt zich over hem, maar zelfs dat verpest Fante.

Toch heeft hij geluk: zonder dat hij er erg in heeft wordt hem een gunst verleend door iemand van The New York Times, die toevallig dezelfde vrouw van lichte zeden frequenteert en dat graag onder de pet houdt.

De hoofdstukken in het boek zijn steeds voorzien van passende quotes en oneliners, als mantra’s van de zelfkant. Ze voorzien Fante van een passend cachet; niet per se positief, vooral niet, maar daarom des te grappiger.

In de Verenigde Staten wordt Noah van Sciver langzamerhand opgepikt: er verschijnen herdrukken en zijn laatste grote werk, Disquiet, kreeg goede kritieken, ondanks de onbarmhartige teneur van het album.
Toen ik onlangs De Wolven van Ward Zwart en Enzo Smits (Uitgeverij Bries) las, moest ik aan Van Sciver denken. Het zou goed kunnen dat er een nieuwe generatie striptekenaars aan het opstaan is: zij die door de facade van de glamoureuze reality tv prikken en de maatschappij zien veranderen. Harder, moeilijker, leugenachtiger en daardoor levensechter. Het maakt Van Scivers serieuze werk aanbevelenswaardig. Voor het luchtige stapje opzij is Fante Bukowski een aanrader.

Strips & comics, Zone 5300

Comics Krenten aflevering 5

In ieder nummer van Zone 5300 bespreek ik onlangs verschenen comics, die zeer de moeite waard zijn, onder het motto “Honderden comics per maand en Zone 5300 wijst de weg”. Dit is de aflevering van het zomernummer dat nu in de winkels ligt.

The Witcher is onder gamers een moderne klassieker. Voordat de comicreeks die status bereikt, moeten er nog heel wat beren geveld worden en archipellen leeggeroofd, maar Curse of Crows (Dark Horse, TPB, € 16,95) is zeker een zetje in de goede richting. Geralt, een langharige huurling met speciale gaven om heksen dwars te zitten, is met zijn collegaatje Ciri op weg naar Novigard om daar een striga om te leggen, een vervloekte vrouw die zich een andere gedaante heeft aangemeten.

Onderweg redt het tweetal een dame uit de klauwen van een trol, en je raadt het al: zij is niet helemaal wie ze zegt te zijn. Het maakt de tocht er een stuk ongemakkelijker van, maar ook spannender. Het tekenwerk van Piotr Kowalski is strak en zit tussen het werk van Servais en Fables in. Het kleurgebruik is stemmig en draagt bij aan de sfeer van het verhaal, dat niet alleen uit zwaardgekletter en monsters bestaat maar ook een romantisch, ja zelfs erotisch tintje heeft. Daar heb ik de gamers nooit over gehoord.

Nog meer lang haar zien we terug in Klaus, een geweldige comic uit zeven delen waarvan onlangs een prettige hardcover verscheen (Boom!, TPB, € 33,00). De Klaus van Grant Morrison en Dan Mora is niemand minder dan Santa Klaus, in dit verhaal een breedgeschouderde buitenman met een witte wolf die kinderen gelukkig maakt met houten speelgoed.
Niets aan de hand, tot hij in het stadje Grimsvig aankomt en merkt dat het daar niet pluis is: de mannen werken allemaal in de mijnen en de kinderen zien er allerminst blij uit. Logisch, want de heerser van Grimsvig is in de ban van een stem, die hem opdraagt de vreugde en het spel uit de harten van de mensen te halen.
Deze Lord Magnus is een protokwaaie en Klaus, die niets onaardigs in de zin heeft, zet alles op alles om Grimsvig te redden en Magnus te ontmaskeren. Hij brengt cadeautjes en zet daarmee alles op scherp.
Wat volgt is een heerlijk spektakelstuk vol ingrediënten die niet in ‘ons’ tamme oude-man-met-een-baard-verhaal passen. Uiteindelijk wordt Grimsvig gered: dat hoort bij een verhaal als dit. Maar de wijze waarop maakt van Klaus een must-read.
Ook al is het hartje zomer.

Van langharigen naar de keurige verschijning van Robert Black is een flinke stap die Providence heet. De twaalfdelige reeks comics van Alan Moore en Jacen Burrows (Avatar Press, $3,99 per deel, later $4,99) is net voltooid en het wachten is op de allesomvattende trade paper back of hard cover.
Providence is het verhaal van de journalist Black die zijn reporterspet tijdelijk aan de kapstok hangt om te werken aan zijn magnum opus, de Roman Waar Iedereen Het Over Zal Hebben. Zijn voorwerk brengt hem waar geen schrijver ooit was. Voor wie nog geen idee heeft: denk vooral aan het werk van Lovecraft, waarmee Moore al langer stoeit, en dus met een prettige portie verschroeiende horror.

Het tekenwerk is uit de klassieke tijd, met dunne lijnvoering en een ongemakkelijke kleurstelling, en dat geeft de serie de sfeer en de angstigheid die het nodig heeft, zeker in de eerste delen. Het is ondoenlijk om de verhaallijnen eventjes krenten-style te reconstrueren, maar dat het een trip is, daarover bestaat geen twijfel. Koppie erbij, want de transformaties zijn niet van de lucht en het bovennatuurlijke tiert welig. Als absint niet in een fles zat, dan was het Providence.

Strips & comics, Zone 5300

Gelezen: Thi Bui – The best we could do & Nhung Dam – Duizend vaders

Al wint Vietnam zes keer op rij het Eurovisie Songfestival, dan nog zal het land vooral bekend zijn om zijn bootvluchtelingen. Onlangs verschenen twee boeken van vrouwelijke auteurs met Vietnamese roots die beiden het typische, Aziatische gezinsleven van binnenuit beschrijven. Bovendien nemen ze allebei de bootvluchtelingen-generatie als vertrekpunt.
Nhung Dam, een Nederlandse met Vietnamese ouders, schreef de roman Duizend vaders, en van de Amerikaans-Vietnamese Thi Bui verscheen de aangrijpende graphic novel The Best We Could Do, die op het omslag wordt aangeprezen met de ware constatering ‘A book to break your heart and heal it’.

The Best We Could Do is een waarheidsgetrouwe geschiedschrijving van de familie Bui die uiteindelijk per boot het land ontvlucht en in Amerika beland. Het verhaal begint als Thi Bui voor het eerst moeder wordt en haar situatie vergelijkt met die van haar moeder, destijds in Vietnam. Met ontzag, dankbaarheid en veel bewondering gaat zij de wandel na van haar ouders, beginnend in het vooroorlogse Vietnam en van daar tot de eerste schreden in de Verenigde Staten met het gezin.

In een tekenstijl die zowel westers als traditioneel Aziatisch is en met veel oog voor detail is gepenseeld met een enkele steunkleur, beschrijft ze het dagelijks leven, de politieke situatie en de achtergrond van beide ouders. Met name de introverte en altijd rokende vader Bô is een klassiek karakter: trots en volhardend, maar geen goede vader voor zijn kinderen, die bang van hem zijn.

Nergens wordt het verhaal groter dan het leven, we lezen geen effectbejag, en dat maakt het echt en breekbaar. Er worden genoeg dieptepunten beschreven in het boek en het leven lacht de familie niet vaak toe, maar het verhaal grijpt je echt bij de kladden als je ineens de officiële identiteitspapieren van de familie, met foto’s, ziet. De echte Bô, de echte Má en Thi en haar zussen. Dat maakt het verhaal nog dwingender.

Door de laveren tussen toen en nu, tussen haar eigen situatie en die van haar moeder, vertelt Thi Bui niet alleen een familiegeschiedenis maar ook een  vertelling van generaties en veranderende tijden, waarmee het een groot verhaal is geworden.

Van een andere orde is de roman Duizend Vaders van Nhung Dam, die de zaken grotesker en flamboyanter aanpakt. De overeenkomsten zitten in de personages met hun identieke afkomst en aard: de stille en ontwijkende moeders, de berusting en de blikken die alles zien maar niets tonen. Daarentegen doen de gekte en absurde beschrijvingen van Dam eerder denken aan Aziatische spelshows en slice of life anime. Het lijkt een manier om aan te geven hoe het is om in een compleet nieuwe wereld terecht te komen, van een Vietnamees dorpje met vader, in een Hollandse stad zonder.

Waar het in The Beste We Could Do gaat over het samenhouden van het gezinsleven, kiest Dam er in Duizend Vaders voor om de onthechting en het vaderloze bestaan in Nederland als uitgangspunt te nemen, en de daarbij horende zoektocht naar geborgenheid en identiteit. Verwacht geen saai gepsychologiseer, want daar schrijft Dam te uitbundig voor, met de neiging om bijna uit de bocht te vliegen. Uiteindelijk overstijgt het verhaal het kleine en persoonlijke, omdat het antwoord in jezelf zit en niet in de omgeving of je roots. Ook al word je door de Chinese maffia op de hielen gezeten.

(Deze recensie verscheen eerder in Zone 5300 nummer 115, die nu in de winkels ligt)

Strips & comics

Gelezen: Kaori Ozaki – The gods lie

De zomeravonden zijn ideaal voor manga. Veel Japanse series, zeker van het slice of life genre, hebben de prettige gewoonte om in een rustig tempo eindeloos door te gaan. Waar een Europees albumverhaal het meestal na 48 of 64 pagina’s voor gezien houdt, stomen de Japanners gerust door naar het dertigvoudige.
Zo liggen er nu zes delen van Sunny van Tayio Matsumoto naast de leesstoel; toch een flinke 1350 pagina’s. Geen probleem natuurlijk, want als het mooi is, dan is het tenminste heel erg lang mooi, maar toch: even een manga’tje lezen klinkt al gauw als een tijdrovende onderschatting van de werkelijkheid.

Het was daarom een prettige verrassing toen ik onlangs in de charmante stripwinkel Inky Fingers in Oxford het one-shot The gods lie van Kaori Ozaki tegenkwam, dat aanmerkelijk korter was: ik schat ongeveer 200 pagina’s, bij gebrek aan paginanummering.
De tekenstijl van Ozaki oogt veel rustiger dan gebruikelijk bij manga, dus zonder de karikaturale expressie en schreeuwerige personages, en neigt daarmee naar de Europese strip. Alleen de speelse kaders en de filmische perspectieven verraden de traditionele afkomst.

Het is moeilijk om het verhaal te vertellen zonder iets te verklappen, dus vergeef me deze misschien wat cryptische verhandeling: Het verhaal gaat over de elfjarige Natsuru die vriendschap sluit met de even oude Rio, een meisje dat erg gesloten is. Zij leeft met een groot geheim en neemt Natsuru in vertrouwen. Als hij vervolgens op voetbalkamp gaat, besluit hij niet te gaan en bij Rio en haar broertje in te trekken. Zo proberen zij het tij te keren, maar dat gaat gruwelijk fout. Het blijkt onmogelijk om de buitenwereld te misleiden en de kinderen worden ontmaskerd. Maar zij niet alleen…

Vanwege de omvang en ongebruikelijke vaart van het verhaal is het misschien een interessant opstapje voor mensen die nieuwsgierig zijn naar manga. Het is een levendige vertelling, maar er is meer: het mooie van The gods lie is het maatschappelijke thema dat aan het verhaal ten grondslag ligt. Veel slice of life manga gaat over problemen die voortkomen uit feodaliteit, schaamte en familiedruk.
Goodnight Punpun van Inio Asano is in dit verband een heel goed voorbeeld: dit coming of age verhaal van bijna 4000 pagina’s is een geweldige inkijk in de Japanse samenleving, met al zijn gewoontes, regels en ongeschreven wetten. The gods lie pakt het wat subtieler en kleiner aan, en is daarmee als verhaal even krachtig als Punpun, maar leunt meer op een emotie en inleving. Dat maakt The gods lie een completere manga die – ook vanwege de omvang – een plekje in de kast verdient.

Strips & comics

Gelezen: Paco Roca – La casa

Wat een gelukkig toeval: de zon schijnt, de mens verplaatst zich naar buiten en de sfeer is mediterraan. Geen beter moment voor Soul Food Comics om de stripliefhebber te trakeren op het fraaie La casa van de Spanjaard Paco Roca.

Dit album, het tweede vertaalde werk van Roca in het Nederlands, speelt zich buiten af. Preciezer gezegd: in het buitenhuis van de familie Roca, als we van het autobiografische karakter van het verhaal mogen uitgaan.
Het huis waarover het hier gaat is stukje bij beetje gebouwd door de vader en omdat die een jaar geleden overleed, hebben de drie erfgenamen besloten er afstand van te doen. Het zal met alle familieherinneringen erbij verkocht worden.

En dan gebeurt het. De broers en zus komen naar het huis om het op te ruimen voor de verkoop en dan slaat de twijfel toe: zullen we het toch niet houden? Praktische afwegingen leggen het af tegen emotionele en allerlei gedachten aan vroeger duwen het idee van de verkoop steeds verder weg.

Het verhaal dat Roca vertelt is klein van zichzelf. Het is geen uitgewerkte familiegeschiedenis of generatieverhaal, maar het verslag van een lang weekend. Het is een invoelend miniatuurtje waarin een aantal veertigers iets moet bepalen. Iets wat eigenlijk te groot voor ze is, omdat er strubbelingen zijn, onuitgesproken zaken en frustraties. Maar vooral herinneringen die in de weg staan.

Het zomerse zit hem in de entourage; de zomeravonden met wijn onder de pergola, de mooie verhalen over vroeger en daarmee een vernuftig vehikel voor Roca om zijn vader voor de laatste keer toe te spreken. Bewonderend ergens, met hier en daar onbegrip en weemoed.

Roca vertelt zijn verhaal in een prettig tempo, met genoeg tijd voor nuances en stiltes, vooral tussen de beide broers. Zijn tekenwerk is rustig en de oblong pagina’s ogen vriendelijk, niet in de laatste plaats vanwege het ingetogen kleurgebruik. De keuze voor het liggende formaat komt goed tot zijn recht en -dat moet beslist gezegd- het album is tot in de puntjes verzorgd.

Wat dit verhaal mooi maakt is de rol van de vader, de afwezige: over hem komt de lezer te weten dat hij  een markante man was, tegen wil en dank, en wellicht tegen beter weten in. Hij was consistent en vasthoudend wat zorgde voor een strikt familieleven, al kan dat een gekleurde weergave van de werkelijkheid zijn geweest.

Het is een verhaal van lezen, laten rusten, een mijmering hier en daar. En laat dat nu perfect passen bij het weer van deze dagen: de zon schijnt, de mens verplaatst zich naar buiten en leest La casa.

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Claudio Nizzi – Tex Willer 7: De man van Atlanta

De westernstrip is een stug genre, dat zich al sinds het begin der dagen bedient van volhardende clichés en verhaalgegevens. Van Lucky Luke tot Blueberry, het komt vrijwel altijd op hetzelfde neer: machtspelletjes, corruptie, gedoe met indianen of outlaws die zich bezig houden met ontvoering of overvallen.

De echte westernfan – en dat zijn er veel in stripkringen – is er dol op en neemt daarbij alle wetmatigheden graag voor lief, bijna als voorwaarde, want o wee als het genre zich een uitstapje permitteert: een sci-fi western? Billy de Kid als superheld? Hell no.
Een western is accuraat, tot op zekere hoogte historisch verantwoord en heeft de klassieke vorm en inhoud: het is de reden dat een westernicoon als Tex Willer, oorspronkelijk van Italiaanse makelij, het al sinds 1948 uithoudt en onverminderd populair is.

Sinds vier jaar worden de langere verhalen van Tex Willer uitgebracht door Uitgeverij Hum in een serie albums op groot formaat en in zwart wit, zoals het hoort. De verhalen worden steeds door andere auteurs gemaakt, al is scenarist Claudio Nizzi gelukkig vaak aan boord. Zijn verhalen zitten goed in elkaar en leunen op knappe vondsten en mooie plotwendingen. Zo ook in het zevende deel, De man van Atlanta, dat vorige week verscheen.

De Texas Rangers Tex Willer en Kit Carson belanden weer in een smerig zaakje, dat deze keer te maken heeft met de ontvoering van een gevangene, voor wie ineens heel veel interesse bestaat.
De gevangene is namelijk niet zomaar iemand; het is de gevreesde kolonel Shelby, een unionist die tijdens de Burgeroorlog ongekende wreedheden beging. Hij zit onder een andere naam in de bak en zijn medestanders proberen hem te bevrijden, terwijl Tex en Kit juist worden verzocht hem voor het gerecht te slepen om zich voor zijn wandaden te verantwoorden.

Afijn, genoeg ingrediënten voor een echt pakkend verhaal, inclusief achtervolgingen per koets en paard, knokpartijen in de saloon, corrupte dienders, de bevallige miss Lola en een slotscène die van De man van Atlanta het beste deel tot dusver maakt. In het begin even alert zijn op de namen, maar daarna leest het als een trein.

Voor westernfans is dit album een must-read, het is gemakkelijk één van de fijnste spektakelstukjes van de afgelopen jaren, maar ook als introductie voor minder bevlogen wildwest-lezers is dit een voorbeeldig verhaal.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over het tekenwerk van Jordi Bernet, van wie bij Uitgeverij Hum binnenkort de complete vijfdelige reeks Torpedo-verhalen verschijnt. Ook mooi, daarover later meer, maar eerst in galop naar de stripspeciaalzaak voor De man van Atlanta.

 

 

Strips & comics

Gelezen: Kraehn & Millien – De Vliegenier 2: De leerschool

Tot voor kort was er een grote tentoonstelling in het Belgisch Stripcentrum (voorheen Centrum van het Beeldverhaal) in Brussel over de kunst van een goede cover. De les die we daar konden leren is dat een aansprekend omslag een strip maakt of breekt. Die verleidt de lezer en zorgt dat het album opvalt tussen het overweldigende aanbod.

Het tweede deel van De Vliegenier, een avonturenstrip van tekenaar Chrys Millien op scenario van Jean-Charles Kraehn, heeft een cover die er alles aan doet om onaangeraakt te blijven: een statische, sombere illustratie, een zielloze kopletter en een titel die net zo spannend is als De Buschauffeur.

En dat is zó jammer, want als er een serie is die letterlijk uit de schappen zou moeten vliegen, dan is het De Vliegenier, een avonturenstrip die speelt in de jaren twintig van de vorige eeuw. Alles klopt, en dan vooral het verhaal dat echt heel goed verteld wordt. De vaart is perfect, de dialogen sterk en de enscenering is invoelend en natuurgetrouw. Het is een album dat ze in de literaire-thrillerwereld een pageturner noemen.

Het eerste deel, Het Vertrek, verscheen vorig jaar en was een verrassing: spannend, goed geschreven en historisch accuraat. Het tweede deel is los te lezen maar is wel gebaseerd op hetzelfde verhaalgegeven: het dagboek van piloot en avonturier Tanguy La-Vie-Dure. Hoofdpersoon Josef is de jonge versie van deze markante figuur.

In De Leerschool zien we Josef en zijn broertje Mose na WO I terug als arbeiders in een Franse vliegtuigonderdelenfabriek. Josef wil graag vliegen, maar verdient te weinig om een brevet te halen, terwijl zijn vader hem vroeger heeft geleerd een vliegtuig te besturen. Maar dat was in Afrika, in deel 1; in Frankrijk heb je een papiertje nodig.

Mose heeft geld in overvloed, omdat hij zich bezighoudt met drugstransporten per motorfiets. Josef denkt er het zijne van, maar ziet toch kansen. Samen met een collega bedenkt hij een plannetje om per vliegtuig te gaan smokkelen. Er is een probleem: hij heeft geen vliegtuig, maar daar verzinnen ze wat op.

Het klinkt als een klein, rond verhaal, maar het zit vernuftig in elkaar en het is tot de laatste bladzijde spannend.
Vergeet het omslag en onthou dit verhaal. De Vliegenier verdient het.

Strips & comics

Gelezen: Hans Lijklema (samenstelling) – Incubator

Onlangs verscheen bij uitgeverij Palmslag de Engelstalige anthologie Incubator, A selection of the best comics made by art school students from around the globe. Een ronkende titel, die in de inleiding door samensteller Hans Lijklema flink wordt afgezwakt en genuanceerd.
Het gaat om werk van studenten van zeven (min of meer) stripopleidingen in Nederland (Artez en Minerva), Duitsland (Kassel en Folkwang), het Belgische Sint-Lukas, het École Européenne Supérieure de l’Image uit Frankrijk en The Center for Cartoon Studies uit de VS.

Voorin het boek, dat echt perfect is vormgegeven door de samensteller zelf, vertelt Lijklema dat het bedoeld is voor aankomend academiestudenten, die nog over de streep moeten worden getrokken, bij wijze van aanjager en eye opener: Strips doen ertoe, en je kunt er serieus werk van maken.

Curieus is het verschil dat Lijklema ziet tussen ‘traditionele striptekenaars’ en kunstacademiestudenten. Over de laatste groep zegt hij: “Most of them are not trying to make their work fit within existing comic genres, but they see the medium as an interesting opportunity to express themselves by telling stories with the help of their art”.
Alsof de klassieke striptekenaar zich niet uitdrukt door verhalen te vertellen met behulp van eigen beelden en beeldtaal. En alsof de strips die we in de anthologie zien zo wezenlijk anders zijn, want dat valt reuze mee. Of tegen, als je de lat zo hoog legt als Lijklema doet.

Wat vooral opvalt aan de bijdragen is dat het verhalende aspect ondergeschikt is aan het kunstzinnige. Het duurt tot halverwege voordat we een lezenswaardige strip aantreffen. Daarvoor is er een optocht geweest van poëtisch nihilisme, woordloze experimenteerdrift, grafisch absurdisme en onaffe gedachten. Kan goed, mag allemaal, maar nergens komt het in de buurt van the best comics zoals het omslag belooft.
Dat kan liggen aan de selectiecriteria die nergens geformuleerd zijn, maar ook aan het idee dat academiestudenten iets met het klassieke medium zouden moeten doen. Dat leunt te veel op de aanname dat je het beeldverhaal alleen kan vernieuwen door de vertelling los te laten. De bijdragen zijn geschikt voor een anthologie, als kleine proeven van bekwaamheid, maar lezen nergens als een voorzet voor een compleet album. Daar zijn ze inhoudelijk echt te mager voor: er wordt getekend en niet verteld.

En toch: het mooie van dit soort publicaties is dat we later pas zullen weten of de jonge auteurs hun weg hebben gevonden. Voor de strip – en dan ga ik gemakshalve uit van de klassieke benadering –  is het werk in Incubator niet direct een aanlokkelijk toekomstbeeld, maar dat hoeft ook niet. Die nuancering staat immers op het omslag: het zijn strips gemaakt door kunstacademiestudenten, en dat zijn niet per definitie striptekenaars.

Strips & comics

Gelezen: Daan Jippes, avonturier in strip en animatie

Ter gelegenheid van de expositie Daan Jippes, avonturier in strip en animatie in het Nederlands Stripmuseum, die afgelopen zaterdag werd geopend, verscheen een fraai en uitgebreid overzichtsboek van het werk van één van de meer begaafde en succesvolle striptekenaars van ons land: Daan Jippes, avonturier in strip en animatie.

Jippes is misschien niet bij het grote publiek bekend, maar iedereen heeft in zijn of haar leven minstens een paar van zijn Donald Duck-verhalen gelezen, of een tekenfilm gezien waaraan Jippes heeft meegewerkt, zoals de Disney-producties van Aladdin, Beauty and the Beast en Mulan.

Jippes’ werkzame leven begon in Nederland, bij de Geïllustreerde Pers, Pep en later de Nederlandse Donald Duck. In 1972 verschijnt zijn Twee voor thee, een album dat voor veel striptekenaars geldt als de heilige graal: Jippes toonde er een lijnvoering, perspectief en enscenering die tot dan toe ongezien waren. Op de expositie in het Nederlands Stripmuseum hangt een aantal fraaie originele pagina’s uit Twee voor thee, en ik kan alvast beloven dat die van de bovenste plank zijn.

In 1980 vertrekt hij naar Amerika, waar hij tot 2004 af en aan woont en werkt, dat laatste voornamelijk in animatiestudio’s. Na terugkeer in Nederland richt Jippes zich weer op het beeldverhaal en tekent een aantal albums van Havank.

Het overzichtswerk, dat werd samengesteld en geschreven door Jan-Willem de Vries, is een prettige mix van achtergrondinformatie en veel illustratiemateriaal. Vooral het tekenwerk dat Jippes maakte in zijn animatieperiode is bijzonder: dat zie je doorgaans niet. Zijn losse illustraties en korte strips uit de jaren zeventig zijn fraai en heel typisch voor zijn tijd, op het gedateerde af, al heeft dat zeker zijn charme. Ook laat het zien wat een vakman Jippes is en met welk gemak hij stijlen tot de zijne maakt. Niet voor niets wordt hij de kameleon genoemd: ook voor Asterix of Robbedoes draait hij zijn hand niet om.

De expositie is nog tot en met 29 oktober te zien in het Nederlands Stripmuseum in Groningen, waar op dit moment ook een grote tentoonstelling te zien is met het werk van Jan Kruis, de onlangs overleden schepper van Jan, Jans en de Kinderen.

Daan Jippes, avonturier in strip en animatie is in een zeer beperkte oplage verschenen als fraaie hardcover. Er is ook een reguliere uitgave met slappe kaft verkrijgbaar.

Literatuur & Poëzie, Tekeningen

Agenda: donderdag 18 mei Veiling Rijke Buit

Aanstaande donderdag, 18 mei, is de veiling van De Rijke Buit, de groepsexpositie die afgelopen weken in de bieb te zien was. Er worden dan ook drie van mijn werken geveild. Voor de serieuze kunstverzamelaar: het gaat om Ramen 7, Stad 6 en Roze wolken 4. Zoals je aan de titels kunt zien, teken ik vaker ramen, steden en wolken. De variatie zit vooral in de grootte en kleur.
Alle veilingkavels staan online op de website van veilingmeester van dienst, Richard Terborg.

De aanvang is om 19:30 in de Groninger Forum Bibliotheek. Behalve de veiling is er ook muziek, voordracht en de avond wordt geopend door Jan Mulder.

Biednummers krijg je op de avond zelf, maar je kunt vanaf nu al bij de klantenservice van de bieb terecht. Kun je er niet bij zijn, dan is het mogelijk om van tevoren een bod op tafel te leggen. Ook telefonisch bieden tijdens de veiling behoort tot de mogelijkheden. Hier lees je een uitgebreide uitleg van de procedure. Een deel van de opbrengst gaat naar een goed doel, namelijk de IMC Weekendschool in Groningen.

Leuk, spannend, gezellig: tot donderdag!

Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – A City Inside

De jonge striptekenaar Tilly Walden is nu nog een geheime aanrader. Ze is pas 21 jaar en A City Inside is al haar derde album. Met vijftig pagina’s is het aanmerkelijk dunner dan haar vorige twee, maar niet minder indrukwekkend.
In september van dit jaar verschijnen haar memoires, die ondanks haar leeftijd toch al 400 pagina’s beslaan. Walden is geen auteur die haar oeuvre laat aanwaaien, zoveel is duidelijk.

In A City Inside zien we de levenswandel van een jonge vrouw, die zich in een therapeutische of meditatieve sessie bevindt: over de entourage of aanleiding komen we als lezer niets te weten. We zien haar als een  opgroeiend meisje dat niet-alledaagse keuzes maakt in haar jonge leven. Ze laveert tussen een aards bestaan en een gevoelswereld die zich in de wolken afspeelt.

Het lijkt minder logisch dan het is. De kracht van het verhaal zit in de spaarzame tekstflarden die Walden als duiding meegeeft en die een heel heldere en begrijpelijke laag toevoegen aan de vertelling: er zit een constante logica in.

De teksten zijn bij eerste lezing poëtisch en worden naarmate het verhaal vordert steeds directer en eerlijker. Het dichterlijke zit in de rust die de woorden opleveren: het is geen album dat je er in een kwartier doorheen jast, hoewel dat – mocht je het willen – gemakkelijk lukt.

De pagina’s zijn vaak opgebouwd uit enkele tekeningen, soms uit twee of vier, maar nergens wordt het stripachtig, in de klassieke zin. Alleen de proloog (zie illustratie) en epiloog bevatten tekstballonnen en kaders. Verder is er geen kadrering, balloon of striplettering. Dat laatste zorgt ervoor dat je als lezer het gevoel hebt dan je in een schetsboek aan het bladeren bent. Het lijkt neergepend, en is daarmee heel eigen en effectief.

In dit verhaal pakt dat heel goed uit, omdat het verhaal in de jij-vorm is geschreven: er is een stem die jou vertelt wat je hebt gedaan in je leven en hoe je tot bepaalde keuzes bent gekomen; hoe je bent geworden wie je bent. De verteller spreekt de lezer bijna persoonlijk aan.

Het is moeilijk het einde te vertellen zonder iets van de verrassing te verraden, maar tegelijk weet ik niet met zekerheid of het een verrassing is. Misschien is het een constatering, of een reden.
Walden laat dat gedeelte voor de lezer en dat maakt dat het verhaal iets heeft voor iedereen: op zoveel kruispunten in je leven heb je keuzes gemaakt, en de route die je hebt bewandeld heeft je gevormd. Het zijn de wegen, paden en gangen die je loodsen door de stad die in je huist.

Strips & comics

Gelezen: Remco Polman & Wilfred Ottenheijm – Floris 2: Heer Floris vraagt erom

De meegedrukte sticker om het omslag vertelt ons dat het eerste deel van de humorserie Floris van Dondermonde, Steekt de draak, in 2015 werd bekroond met een Stripschappenning. Geen geringe prestatie voor een debuut en hoewel het album met korte verhalen beslist grappig was, kwam de prijs te snel. Helemaal nu het tweede deel uit is, want dat is stukken beter.
De karakters zijn scherper, de interactie tussen de figuren is uitgewerkter en biedt meer verhaalmogelijkheden en in de vergelijking lijkt het alsof het eerste album meer een introductie was in de wereld van Floris, terwijl in Heer Floris vraagt erom alles op zijn plaats is gevallen.

Waar je je in het eerste deel kon afvragen hoe lang het grappig is om in een soort middelnederlands te praten, weten we nu: nog héél lang. Het is een humoristisch verhaalelement dat gedoseerd is geland, net als de slimme bijrollen van joker Yorrick en Vrouwe Hadewych, die nu uitgewerkter zijn en zich beter verhouden tot Floris. Ze zijn in staat verhalen te dragen, waardoor het niet steeds over de grappige dommigheid van Floris hoeft te gaan.
Heer Floris vraagt erom is wat subtiliteit betreft al behoorlijk opgeschudt: de dames dienen de simpele Floris regelmatig van repliek, zoals mooi te lezen is in De Visserkoning. Hoogtepunt van het album is Yorricks ontmoeting met de duivel, zelfs geen Floris in zicht.

Het verschil tussen beide albums is te vatten in de uitdieping van de personages. Het duurt even voordat de onderlinge verhoudingen duidelijk zijn, maar eenmaal helder is de opvoering van een figuur al voldoende om de grap in te leiden. Zeg nu zelf: was de Kolonel niet altijd het slachtoffer van Sjors en Sjimmie? En was het niet de lol om dat mijlenver te zien aankomen? Je ziet het ook bij strookstrips zoals Johnny Hart’s Wizard of Id, dat aan het hof speelt en waar ook een gevangene aan zijn armen hangt; een leestip voor alle Floris-fans.

Ook niet onbelangrijk is het tekenwerk dat niet alleen prima in orde is, maar ook blijk geeft van grondige studie naar de riddertijd: de graal, maliënkolder, martelwerktuigen en de interieurs van de kastelen zijn uitgewerkt en natuurgetrouw. Aan alles kun je zien dat de makers vast en zeker regelmatig op het Muiderslot rondhangen. Ook het inkleurwerk is echt goed voor elkaar.
Maar vooral is ook dit deel weer hard lachen, met veel hilarische bijvangsten en knappe vondsten.

Floris zal alleen nog maar beter worden, zeker als Den Eerschte Golve van Emancipathiën het hof bereikt. Dat zou alles nog wat scherper maken. En dan bij deel 4, ergens in 2021, krijgen de makers de Stripschapsprijs.
Kan niet anders.
De Penning hebben ze al.

Strips & comics

Gelezen: Flix & Bernd Kissel – Münchhausen

In stripkringen geldt een zekere wet: als je echt alles uit je passie wil halen, dan leer je de Franse taal. Alleen dan kun je voluit genieten van al het mooie dat er is en vaak niet in het Nederlands wordt uitgegeven. Oké, met Engels kom je een eind, zeker in de comic- en mangahoek, maar toch: de Franco-Belgische stripcultuur, zoals het heet, is enorm en voor ons Nederlanders grotendeels onvertaald. Dat weet iedereen die wel eens een middagje in een Franse stripwinkel is geweest.

Waar je tot voor kort als stripliefhebber niets aan had, was kennis van de Duitse taal. Bij onze oosterburen was het Fix und Foxi, een scala aan Donald Duck-pockets, Mickey Maus en verder wat titels en series die de landsgrenzen nooit overstaken. Das war einmal, want tegenwoordig is Duitsland met een enorme inhaalslag bezig. Wie de fondslijsten en aanbiedingenfolders van de tientallen overactieve uitgeverijen ziet, schrikt zich een hoedje. Het is werkelijk niet bij te benen wat daar vertaald uitkomt én wat er bovendien aan nieuw oorspronkelijk Duitstalig werk verschijnt.

Mijn Frans is suffisant, maar niet extraordinaire, terwijl mijn Duits echt prima de luxe is. Vandaar dat ik me sinds een jaar nu ook actief op de Duitse markt begeef. Zo kocht ik onlangs in de Comix Shop in Basel een stapel strips, waarvan Münchhausen van Bernd Kissel op scenario van Flix, me bijzonder trof. Bijna helemaal zwart-wit, met mooie grijstinten, in een zwierige tekenstijl die doet denken aan Fourquemin (van het prachtige Miss Endicott) en Steven Dupré. Het ademt de sfeer van Simon Spruyts Junker.

Het verhaalgegeven van Münchhausen is bekend, van de leugen en de waarheid, en Flix geeft er een mooie draai aan. Het verhaal speelt in 1939, als Europa aan de vooravond staat van de Tweede Wereldoorlog. Op een dag wordt Sigmund Freud verzocht zich te melden in Buckingham Palace omdat daar een man wordt ondervraagd van wie wordt vermoed dat hij een spion is van Hitler. Het probleem is alleen dat de man zelf een heel ander verhaal heeft: hij is net teruggekeerd van aardbeien plukken op de maan. Aan Freud de taak de leugenaar te ontmaskeren.

Eitje, zul je zeggen, want Freud is immers de wereldvermaarde psycholoog die voor hetere vuren heeft gestaan, maar het blijkt een hele kluif. Want wat als de man nu echt de waarheid spreekt? Freud haalt alles uit de kast, terwijl de lezer de levensgeschiedenis van de aardbeienplukker volgt. Waar we achterkomen is dat zijn leven bepaald niet over rozen is gegaan en dat hij een zware last met zich meedraagt. Of zou hij zelfs daarover liegen?

Het verhaal eindigt in een bonte apotheose, waarin alles perfect samenkomt: een glimlach, een emotie of twee en het gevoel dat je echt een goed verhaal hebt gelezen.
Mocht er ooit iets vertaald worden in het Nederlands, laat het dan Münchhausen zijn. Of ga het nu alvast lezen om je Duits op te halen. Keine schlechte Idee.

Strips & comics

Gelezen: Frédéric en Julien Maffre – Stern 2: De stad van de wilden

Aan de stripserie Stern kleeft al sinds het begin hetzelfde verhaal: toen twee jaar geleden het eerste deel verscheen, was dat precies tegelijk met nog een strip over een doodgraver, Undertaker.
Waar Undertaker alle handen op elkaar kreeg, werd Stern al snel ‘die andere strip over een grafdelver’. Undertaker was gewelddadiger en meer wild dan west dankzij vanaf de heup schietende cowboys en vechtpartijen in de saloon. Zoals het altijd al gaat met westernstrips (en waar echt niks mis mee is).

Stern is anders: Elijah Stern is een bedeesde , grijzige muis zonder schietijzer, die zijn werk discreet en het liefst in stilte doet. Praten is niet zijn ding, lezen des te meer. Stern verslindt boeken en als hij op een dag besluit dat het tijd is voor een stapeltje nieuwe boeken zit er voor hem niets anders op dan naar het naburige Kansas City te gaan: daar is de boekhandel, maar daar zijn ook het lawaai, rumoer en vooral mensen die Stern het liefst mijdt.

Met gezonde tegenzin vertrekt hij op zijn ezel naar de grote stad, met een zak geld voor zijn leesvoer. Eenmaal in de vermaledijde City verliest hij in een onfortuinlijk moment zijn geld, ezel en laarzen aan een stel bandieten. Stern is vastbesloten zijn eigendommen terug te krijgen en stort zich daarmee in een moeras dat wordt bevolkt door een schietgrage grootmoeder, een stelende kunstschilder, een brute bloedworstmaker en nota bene zijn eigen vrouw, die hij jaren geleden in de drukte van de stad achterliet.

Het verhaal lijkt grotesk en overdadig, maar het is de rustige verschijning van Stern die het tempo in toom houdt, terwijl er toch genoeg geknokt, geschoten en gescholden wordt.

Dit tweede deel is veel speelser en energieker dan het eerste en dat is even wennen. Wie het omslag ziet, verwacht dat Stern is veranderd in een meedogenloze vechtjas, maar niets is minder waar. Stern wil zijn spullen terug om daarna rustig een paar boeken uit te zoeken en huiswaarts te keren. Meer niet. Dat de rest om hem heen zich zo eenvoudig verliest in drank en ruzies, is aan hen.

Stern is in alles een sympathieke held. Hij ondergaat zijn lot gelaten en ziet zijn omgeving als een optelsom van noodzakelijke kwaden. De lezer identificeert zich gemakkelijk met hem, al zal hij er niets voor laten of doen. Het is de bijzondere combinatie van het ruige dat we kennen uit het Wilde Westen met het ingetogene van een doodgraver met een gekweld-romantische inborst en een voorkeur voor de wereldliteratuur.

Het tekenwerk van Julien Maffre is nog mooier dat in het eerste deel: met name de eerste tien pagina’s, met de reis van Stern per ezel door het rurale Kansas, zijn juweeltjes. Het zijn mooie panoramische platen die prachtig zijn ingekleurd en zo aan de muur kunnen. Dat maakt Stern om te beginnen al een reeks van formaat: het inkleurwerk van Maffre is indrukwekkend en het is daarom een geluk dat Dargaud de strip op groot formaat en op stevig papier uitbrengt.

Ik vermoed dat Stern met de jaren steeds meer fans gaat krijgen en dat wij in het Nederlandse taalgebied Frankrijk achterna gaan: daar is de strip heel populair. Terecht. Heel terecht.