Strips & comics

Gelezen: Faith Erin Hicks – One Year at Ellsmere

Met weinig bombarie vernamen Nederlandse stripliefhebbers onlangs dat er een nieuw stripblad op de markt komt. Altijd goed nieuws, sympathiek bovendien als het wordt aangekondigd als een stripblad voor de jeugd. In een sterk vergrijzend en met sprongen ouder wordend striplandschap is iedere stimulans om de aanwas van onderaf te bevorderen welkom. Jump, het blad in kwestie, bedient de jeugd van 7 tot 12 jaar, dat globaal samenvalt met de jonge lezersgroep van Donald Duck en – voor de volledigheid – van outsiderstripblad Brul.

Voor wie naar de middelbare school gaat en strips wil blijven lezen, is er niets. Er zijn geen stripbladen voor jongeren van 13 tot 17, behalve de Tina voor meisjes. Na de Donald Duck moeten ze de sprong maar nemen naar de Eppo, die gericht is op veertigplussers – zeg maar de generatie die in de jaren tachtig de Eppo als pubers lazen. Nederlandstalige manga is er niet of nauwelijks. Geïnteresseerde jongeren moeten wachten tot ze de Engelstalige uitgaven kunnen lezen, en zelfs dan blijft begrijpend lezen een behoorlijke inspanning – niet bevorderlijk voor iets wat ontspannend hoort te zijn, en tot je twaalfde altijd was. De enkeling die verder kijkt in het eigen taalgebied, mag aanhaken bij de oude garde stripliefhebbers die zich steeds meer verliest in de zoveelste westernserie met een vrouw in de hoofdrol, iets met straaljagers of een sf-epos dat zich vreugdeloos in alle zevenentwintig windrichtingen beweegt.

In landen als Duitsland en Frankrijk zien we dat de mangaverkopen in de leeftijdscategorie 12-17 jaar enorm is. In Frankrijk bestaat meer dan veertig procent van alle stripverkopen uit manga, gekocht door jongeren. In Duitsland is de opmars van manga enorm. In beide landen verschijnen de reeksen in de landstaal, wat voor een klein taalgebied als het Nederlandse niet haalbaar is gebleken. Maar wat in Nederland voor manga geldt, geldt voor letterlijk alle strips voor 13 tot 17 jaar: ook Engelstalige young adult comics worden genegeerd, evenals de Nederlandse stripmakers die zich richten op de YA-markt, zoals Coco Ouwerkerk, Renee Rienties en Marissa Delbressine. Hun werk wordt vaak meteen in het Engels gemaakt en uitgegeven, omdat hun markt vooral niet Nederlandstalig lijkt te zijn.

Als het dan toch gebeurt (zoals een poos geleden met een vertaling van het heel goede Giant Days) dan wordt het zo plompverloren in de markt gedonderd dat geen jongere er weet van heeft – en het daardoor in dat geval blijft steken bij het eerste deel. Een makkelijk verkrijgbaar stripblad met een goede mix van manga, Amerikaanse strips als Giant Days, Avatar en Lumberjanes en strips van eigen bodem zou deuren kunnen openen en nieuwe lezers kunnen bereiken en vasthouden, maar het lijkt alsof consumenten van 13 tot 17 niet interessant zijn. Daarin zouden Nederlandse jongeren dan ineens heel anders zijn dan hun Franse, Duitse, Spaanse en Amerikaanse leeftijdsgenoten. Je vermoedt dat hier in het geniep heel veel onderzoek naar is gedaan, maar zeker weten doen we het niet.

Het spijtige is dat de strips die gemaakt worden voor de middelbaarscholierendoelgroep juist zo perfect bij hun persoonlijke leefwereld aansluiten: de onderwerpen zijn zaken waarmee de pubers te maken hebben, zoals vriendschap, persoonlijke ontwikkeling en relaties. De strips verhouden zich echt met de lezers – veel meer dan de strips voor volwassenen bijvoorbeeld, zeker als je kijkt naar de klassieke avonturenverhalen met piraten, cowboys, racewagens en ruimteschepen, dat ongeveer 75% van het complete aanbod vertegenwoordigt.

Neem het onlangs verschenen One Year at Ellsmere van de Canadese stripmaker Faith Erin Hicks, die op het omslag wordt opgevoerd als New York Times-Bestselling Artist. De veertienjarige Juniper heeft een beurs gekregen voor een jaar op de prestigieuze Ellsmere Academy. Al gauw merkt ze dat het leven op de campus niet over rozen gaat, vooral niet nadat ze pestkop Emily op haar nummer heeft gezet. Juniper en haar roommate Cassie proberen de pesterijen te negeren, maar er is geen ontkomen aan.

De strip, die in gewijzigde vorm al eerder verscheen als War at Ellsmere, is een achtbaan van emoties, drama en intriges, precies zoals het hoort. Hicks tekent vlot en het verhaal leest als een trein. Het gaat zelfs zo snel en vloeiend dat de 166 pagina’s eigenlijk te weinig zijn: de ontknoping, met een vleugje magie, is nogal plotseling en rondt het verhaal razendsnel af. Het voelt als het eerste gedeelte van iets veel groters en vooral iets wat niet te lang op zich moet laten wachten. Dat laatste aspect is typisch voor een strip voor deze leeftijd: het heeft iets consumptiefs, iets waar je snel meer van wil lezen, precies waaraan manga zo nadrukkelijk appelleert.

Zou een dertienjarige van hier uit de voeten kunnen met One Year at Ellsmere? In grote lijnen wel, al zitten er hier en daar wat scherpe opmerkingen tussendoor die misschien gemist gaan worden, evenals subtiele ironie – die dan moet worden afgeleid uit de gezichtsuitdrukkingen en houdingen. Het blijft lastig, al zal de positieve geest opmerken dat de jongere die iets boven zijn of haar macht leest de grootste stappen zet. In termen van thema, plot en personages is het een helder en rechtlijnig verhaal, dat goed in elkaar steekt.

Mooier zou zijn als een strip als dit lekker kan worden gelezen zonder omhaal of Google Translate. Het is jammer dat Nederlandse jongeren stripverhalen niet op dezelfde manier kunnen beleven als hun leeftijdsgenoten in andere landen. Dat klinkt dramatisch, maar het verwaarlozen van een zo belangrijke leesgroep zie je terug in de demografie van de Nederlandse striplezer. Er is een flink gat tussen jonge kinderen en volwassenen, dat maar niet wordt overbrugd. In dat opzicht is de naam Jump voor een jeugdblad logisch: bereid je maar vast voor, want als het je bevalt moet je een grote sprong maken. Het is de enige manier om strips te kunnen blijven lezen.

Faith Erin Hicks – One Year at Ellsmere. First Second. 166 pagina’s. € 13,80

Strips & comics

Gelezen: Eric Stoffel, Serge Scotto & Samuel Wambre (naar Marcel Pagnol) – De Pestlijders

Hoe reageert een gemeenschap op een dodelijk pandemie dat zich ineens openbaart? Curieuze vraag in deze tijden van corona, maar we zijn beslist niet uniek. In de achttiende eeuw raasde de pest over Europa, waaronder de zuidkust van Frankrijk. In De pestlijders, naar een nooit voltooid verhaal van de Franse romancier en cineast Marcel Pagnol, zien we hoe Marseille kopje onder gaat en hoe een groep wijkbewoners de handen ineen slaat, onder leiding van een markante dokter.

Het merendeel van de Pagnol-verhalen speelt in een uitgesproken gemoedelijk decor, dat van de lommerrijke Provence, waar altijd de zon schijnt. Op de eerste paar pagina’s van deel 1 zien we nog iets van de typische entourage, maar dat verandert zodra het slechte nieuws de stedelingen bereikt. Men moet serieus rekening houden met een pandemie van ongekende omvang. De zon zal er niet minder om gaan schijnen, toch verandert er subiet iets in het kleurpalet van Samuel Wambre, die met dit tweeluik zijn eerste bijdrage levert aan de Pagnol bibliotheek: hij wisselt de uitgelaten kleuren voor donkere, onheilspellende tinten. Alleen binnenshuis lijkt de pleuris nog geen vat op de fleur te krijgen.

De pestlijders speelt in het jaar 1720, de tijd de horigen, geestelijken en welgestelden. Als men in de havenstad Marseille enkele gevallen van de pest worden vermoed, gaat het snel mis. De dodelijke epidemie verspreid zich razendsnel onder de bevolking die lijdzaam toeziet hoe hele stadsdelen uitsterven. De gerespecteerde dokter Pankration, een man met lang wit haar en een baard, bedenkt een list: hij roept de wijkbewoners bij elkaar en besluit zich terug te trekken binnen de wijkmuren.

Door zelfvoorzienend te worden en te teren op wat er bij aanvang van de zelfgekozen lockdown voorhanden is, hopen de lieden de pest te vermijden. Om niet in de gaten te lopen, moeten ze zich muisstil gedragen. Niemand mag weten dat ze er zijn.

Het klinkt jongensboekachtig – zoiets als de hele Tweede Wereldoorlog in een hut in het bos wonen – maar Pagnol weet er in het verhaal genoeg spannende elementen aan toe te voegen. Uiteindelijk wordt het onhoudbaar: de stadsraad besluit om wijk voor wijk plat te branden om zo de ziekte in de kiem te smoren. Dan wordt er nog een keer naar Pankration gekeken: dokter, verzin een list.

Pagnol nam in De pestlijders alle gelegenheid om overlevingsstrategieën te koppelen aan primaire menselijke reacties. Uiteraard zijn er lieden die niet willen meedoen en mensen die zich op andere bakens richten – ook hier wordt het Rooms Katholieke geloof weer ongenadig weggezet als een nietsontziend, egoïstisch gremium. Het verhaal blijkt vooral een oefening in samenwerken en geloven in het goede van de mens. Voor wie wil is er genoeg te verwijzen naar hoe wij met corona omgaan.

Helaas is het tekenwerk ondermaats. Wambre houdt er een vreemde manier van werken op na: het ziet eruit alsof hij naderhand alle outlines met een zwarte viltstift heeft overtrokken. Vast een digitale manier van werken, maar het pakt hoe dan ook niet voordelig uit. Gezichten zijn vaak teruggebracht tot stipjes en streepjes, mensfiguren worden amorf en emoties leunen zwaar op de inkleuring. Bovendien ontbreekt iedere dynamiek waardoor de pagina’s statisch en plat lijken. Het heeft weg van een haastklus, de Pagnolverhalen onwaardig.

Gelukkig is de vertelling meeslepend genoeg om niet steeds bij de grafische knulligheid te hoeven stilstaan, al dient zich dan het volgende euvel aan: de vertelstem – die van de vierkante tekstkaders – heeft een eigen, moeilijk leesbaar lettertype dat oogt alsof het een geschreven verslag betreft. Ook deze keuze heeft iets vreemds, het ís namelijk geen verslaglegging achteraf. Het font zorgt er vooral voor dat de lezer de spanning niet kan bijhouden: steeds als de alwetende aan het woord is, moeten de ogen in varifocus-stand.

Juist omdat de Pagnol-bibiotheek zo’n hoog niveau heeft en de verhalen zo perfect worden bezorgd, mag er een harde noot worden gekraakt. Verhalend is De pestlijders top, in lijn van Jean van Florette, maar grafisch is het deze keer achtergebleven.

Eric Stoffel, Serge Scotto & Samuel Wambre (naar Marcel Pagnol) – De Pestlijders. Saga Uitgaven. Twee delen van respectievelijk 72 en 68 pagina’s, hardcover. € 24,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Willy Vandersteen Studio – De Rode Ridder integraal: De Biddeloo-jaren, deel 1 en 2

Vorig jaar werd nog uitbundig gevierd dat de Rode Ridder, een van de oercreaties van Willy Vandersteen, zestig jaar bestond. In 1959 was het Vandersteen zelf die de verhalen rond de koene ridder Johan bedacht en tekende. Binnen een paar jaar werden er hulptroepen ingevlogen omdat Vandersteen het vrij snel had gezien met de ridderverhalen, zo lazen we in de dossiers. Vanaf deel 37, De wilde jacht, werd het team versterkt met de jonge Karel Biddeloo, die zich daarna zou ontpoppen als de dragende auteur van de reeks.

Een van de blikvangers van het diamanten jubeljaar 2019 was de statige zesdelige integrale reeks met daarin de eerste 36 delen van de Rode Ridder. Die perfecte uitgaven, steeds met een interessant achtergronddossier, smaakten duidelijk naar meer en daarom is sinds begin dit jaar een vervolg aan gegeven. Na de integrale bezorging van De eerste avonturen – die strekken van 1959 tot 1967 – zit er nu een zevendelige integrale reeks in het vat, getiteld De Biddeloo-jaren, die begint als Karel Biddeloo (1943-2004) zich met de reeks gaat bemoeien.

Aanvankelijk inkt Biddeloo de verhalen die Vandersteen hem aandraagt, in ieder geval de zes titels uit de eerste integrale, met daarin opgenomen de nummers 37 tot en met 42. In de tweede integrale neemt Biddeloo het stokje helemaal over, behalve het deel 43, waar Vandersteen nog het scenario voor schreef. Vanaf nummer 44 schrijft en tekent Biddeloo de avonturen, die hij vanaf dan meer naar zijn hand zet.

Boeiend is het dossierartikel uit de eerste integrale waarin melding wordt gemaakt dat Vandersteen eigenlijk geen zin meer heeft in de ridderverhalen. Hij is uitgekeken op koning Arthur en zijn gevolg. Het is om die reden dat hij in de delen 40 en 41, respectievelijk De barst in de ronde tafel en De laatste droom, er min of meer een einde aan breit. Arthur en Guenevere overleven het niet en Merlijn de tovenaar vertrekt schielijk naar elders.

Het mag een geluk heten dat Biddeloo met een aantal slimme plotwendingen en met het opvoeren van vroegere figuren een paar interessante verhaallijnen wist uit te werken. Zo bleef de serie behouden. Hij introduceert Parcifal, de zoon van Arthur, en vinden Johan en Lancelot Merlijn terug. En dan beginnen de sword-and-sorcery-verhalen uit de tweede integrale.

De verhalen van de Rode Ridder hebben een onmiskenbare charme. Waren de eerste avonturen af en toe onbeholpen en onwaarschijnlijk, in de Biddeloo-jaren zijn ze veel consistenter en beslist spannender. Het is onderhoudend op een antieke manier: het doet denken aan de zondagmiddagse zwartwitfilms die begin jaren tachtig werden uitgezonden op de Duitse ARD: klassieke piratenfilms, westerns en dergelijke. Traag, meeslepend en sterk leunend op de sfeer en het gevoel. Het is niet te ontkennen dat het gedateerd is maar dat hindert de goede verhalen niet.

Sterker, instappers kunnen zonder problemen met de Biddeloo-jaren beginnen. Wie de eerste integrale op zijn merites weet te beoordelen, kan met een gerust hart achttien centimeter in de boekenkast vrijmaken: iedereen die ooit wel eens een Rode Ridder heeft gelezen, snapt welke kant Biddeloo zijn ridder op stuurt. Het wordt magischer, met geesten en tegenstanders die boven de velden zweven en zich tonen in alles behalve mensgedaanten. Vandaar het onderschrift ‘Sword and Sorcery’, een subgenre uit de fantasy waarin tovenarij en gevechten tussen goed en kwaad een prominente rol spelen, al is dat in de eerste twee Biddeloo-integralen nog niet zo prominent als later.

Het gaat te ver om alle verhalen stuk voor stuk te bespreken. Opvallend is dat het dossier, dat voorin de boeken is opgenomen, van alle verhalen een korte samenvatting geeft. Misschien handig bij wijze van naslagwerk achteraf, geen aanbeveling om alles van tevoren door te lezen. Als er dan toch een paar hoogtepunten moeten worden genoemd, dan zijn dat de spannende belegering in Drie huurlingen en het eerdergenoemde heroïsche tweeluik De barst in de ronde tafel en De laatste droom. Daarin komen de onvervalste ridderidealen en standvastigheid zo mooi tot uitdrukking dat het sluitstuk van die geschiedenis extra impact heeft.

Waar de eerste integrales, met de blauwe rug, nog voor de nostalgische fijnproever was, daar zijn de grijze Biddeloo-integrales interessanter voor de reguliere stripliefhebber – als die bestaat. De verhalen zijn kundiger, spannender en hebben met de fantasy-elementen iets extra’s te pakken: een fijne dreiging, de perfecte strijd tussen Goed en Kwaad en een klassieke held die alle ridderlijke idealen in zich verenigt. Voorwaarts, brave lezer, er is nog een heel universum te ontdekken.

Willy Vandersteen Studio – De Rode Ridder integraal: De Biddeloo-jaren, deel 1 en 2 (van 7). Standaard Uitgeverij. 236 pagina’s, hardcover. € 34,99 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Stéphane Betbeder & Djief – Dangerous Liaisons, hoe het begon

In 1782 verscheen de “schandalige” brievenroman Les Liaisons Dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos, 206 jaar later werd deze erotische aristocratengeschiedenis verfilmd met Uma Thurman in een zinderende hoofdrol, en sinds 2018 verschijnt een verstript drieluik, dat het verhaal van de onweerstaanbare graaf Vicomte Sébastien de Valmont vertelt. Onlangs verscheen het afsluitende derde deel, De ondergang van de minnaars.

Wie de drie delen achter elkaar leest, weet waarom dit verhaal tot de klassiekers van de Europese literatuur wordt gerekend: de zeggingskracht, de charme, het onweerstaanbare van het aristocratische milieu, met al de achterbakse kift, nijd en jaloezie is indrukwekkend en zalig om te lezen. Maar het zijn vooral de personages die perfect getypecast zijn. Alles klopt, en alles is even indrukwekkend in beeld gebracht door de Canadese stripmaker Djief (pseudoniem van Jean-François Bergeron).

Wat in de strip vooral opvalt is dat het uiterlijke vertoon perfect in balans is met de scabreuze ondertoon die door het hele verhaal voelbaar is. We zien een en al voorkomendheid, met een geheven vingertje als er eens voor de beurt gesproken wordt of als er een onwelvoeglijke opmerking wordt gemaakt, en tegelijkertijd wordt er ongegeneerd geflirt, geschaakt en gescharreld – om het netjes te zeggen. Daarover gesproken: alles blijft keurig binnen de lijntjes: de lezer wordt nergens getrakteerd op expliciete pornografie of zelfs maar uitbundige seks. Veel blijft suggestie, en dat past mooi in de onberispelijke entourage.

Deel 1 heet Hoop en ijdelheid, het vervolg heet Liefde en tegengif: zo weten we precies hoe de hazen lopen. Maar belangrijker nog is de ondertitel Hoe het begon. Anders dan in het oerverhaal heeft scenarist Stéphane Betbeder ervoor gekozen om het verhaal vóór het verhaal te beginnen, dus al in de prille jeugd van Sébastien. Zo krijgen de figuren meer achtergrond en diepgang. Een voordelige keuze, voor wie de oorspronkelijke brievenroman ‘nog altijd een keer moet lezen’.

Vorig jaar verscheen het eerste deel van Keizerin Charlotte, een strip over Charlotte van België, de aartshertogin van Oostenrijk en keizerin van Mexico, die met veel klaroengeschal de eindejaarslijstjes aanvoerde. Er zijn veel overeenkomsten, toch lijkt het alsof Dangeous Liaisons onterecht onder de radar is gebleven. Misschien dat de gemiddelde striplezer bij de titel denkt aan die andere Franse rakker van het geniepige, markies de Sade. Jammer, omdat de verstripte trilogie veel meer richting Keizerin Charlotte neigt. Ter overweging.

In het eerste deel van de stripversie van Dangerous Liaisons bewegen we vanaf de vroege jaren mee met Sébastien de Valmont, een cholerisch jongetje met veel kwaaltjes dat wordt bemoederd en zonder toekomstperspectief wordt grootgebracht. Hij hoeft niet in het leger, zal geen directeur worden of geestelijke. De lezer ziet het meelijwekkend aan, tot hij zich ontwikkeld als ongenaakbare casanova, die hooggeplaatste vrouwenharten op hol brengt. Het boeit hem maar weinig, tot er een dame zijn pad kruist die niet gevoelig blijkt voor zijn avances. Deze markiezin Isabelle de Merteuil wordt zijn project, of is het precies omgekeerd?

In het tweede deel – het fraaiste – volgen we vooral het leven van Isabelle en de beproevingen die ze met haar moeder moest doorstaan. Het geeft een perfect beeld van het leven der aristocratie in de achttiende eeuw. Betbeder weet alle spelletjes inzichtelijk te maken: het schmieren, besodemieteren van alles en iedereen, het op en top manipuleren van de omgeving; in Dangerous Liaisons wordt het tot kunst verheven. Isabelle is een intrigante, niets minder, en daarmee het perfecte tegenwicht voor Sébastien.

Het slotdeel, De ondergang van de minnaars, koppelt de beide delen. Hier zijn Sébastien en Isabelle uit het licht van hun spiegels getreden en richten ze zich op elkaar. In hedendaagse termen: ze zijn een setje dat nog steeds aan alle kanten wordt belaagd, door opdringerige types en het onvermijdelijke trio haat, afgunst en wellust. Een ook onderling blijft er wantrouwen en wrijving, al wordt het dan nergens hedendaags: het vormelijke en onberispelijke van de nahoofse entourage houdt alles keurig in de plooi.

De stripversie heeft duidelijk gekozen voor een verhaal dat minder leunt op ophef en erotiek van Choderlos de Laclos. Het gaat eerder om het spel van aantrekken en afstoten, van de psychologische spelletjes in een omgeving die zwanger is van achterdocht en valse aanblikken. Dat maakt dit drieluik interessant en vooral fraai: de tekeningen en het scenario zorgen voor een historisch perspectief waarin het heerlijk ronddwalen is. Los van de Engelse titel (why?) is Dangerous Liaisons een stripbewerking die beklijft en die de zinderende lezer verrukt achterlaat.

Stéphane Betbeder & Djief – Dangerous Liaisons, hoe het begon 3 – De ondergang van de minnaars (Deel 1: Hoop en ijdelheid, deel 2: Liefde en tegengif) 56 pagina’s per deel, hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Manu Larcenet – Groepstherapie 1: de dansende ster

Drukke baas, die Franse stripmaker Manu Larcenet. Eind mei verscheen zijn Ravian-pastiche Het pantser van Jakolass en onlangs volgde alweer een nieuwe titel: het eerste deel van Groepstherapie, De dansende ster. In dat album met losse verhalen en skits grijpt Larcenet terug op zijn eigen leven, nota bene een artiestenleven in verval. Hij introduceert zich aldus: “ik ben ietwat gespannen momenteel. Ik ben namelijk een uitgespeelde artiest.” We zien een logge, lichtgeraakte tekenaar die bij het minste of geringste stilvalt en daarna in een woedeaanval uitbarst. Zijn redding is het medicijnkastje dat gaandeweg enorme proporties aanneemt, evenals zijn inname.

In Groepstherapie laat Larcenet zien hoe het is om gevierd te zijn en tegelijk tegen een enorme blokkade aan te lopen. Of althans, ooit werd hij bejubeld, dat is al even geleden. Zelfs zijn kinderen zijn blasé. Door het album gaat hij op zoek naar nieuwe verhalen, nieuwe ideeën en concepten, die tot ons komen als onaffe passages in een groter geheel: dat van een zoektocht naar het volgende succes. En steeds gaat het idee aan flarden en vliegen de snippers tekenpapier in het rond.

Zijn eerste aanzetten zijn overigens stuk voor stuk hilarisch. Bijvoorbeeld dat van de twee oermannen die voor de zoveelste dag op rij wollige mammoeten op rotswanden gaan tekenen. De ene verzucht dat hij de mammoeten beu is. “We zouden toch iets persoonlijkers kunnen tekenen? Ontreddering, vreugde, levensangst, hoop, verlangen?” om vervolgens te verzanden in een zalige dialoog over de grenzen van de realiteit en het opzetten van een narratief systeem “om de boel te laten evolueren”.

Zo rijgt Larcenet de korte scenes en verhalen aan elkaar tot een hilarisch geheel met een flinke vaart, waarin zijn kinderen, de slager en Paul Cézanne leuke bijrollen vervullen. En wat te denken van de cameo van God? Zelfs het Opperwezen kan Larcenet niet uit zijn lethargie tillen, evenmin de tips en tricks van Leonardo da Vinci.

Het album bevat losse verhalen, aanvankelijk afgewisseld met de avonturen van Jean-Jacques & Bruno, twee mannen in stropdas. De verhalen die Larcenet bedenkt – en die we te zien krijgen – tekent hij in de vorm waarin ze bedoeld zijn. Zo is er een onvervalste manga, met zinloze actie en veel bloed – precies zoals zijn zoontje het graag leest.

Alles is keurig vertaald en uitgevoerd. De swingende handlettering gaat verder dan de tekstballonnen. Frits Jonker, letteraar van dienst, heeft zich ook gebogen over de titels en hier en daar de logo’s. De pagina’s hebben vanwege de collage-opmaak en de lappen tekst iets weg van Rhaa Lovely, het absurd-cynische striptijdschrift uit de jaren tachtig. Inhoudelijk haakt het aan bij Larcenets eerdere serie Terug op aarde, dat immers ook over hem zelf ging, al was dat beduidend zachter en schattiger.

Het eerste deel van Groepstherapie eindigt in een inrichting, wat bepaald geen spoiler is. Wie dat niet al op bladzijde 1 zag aankomen heeft bovendien de titel niet begrepen. Hoewel sommige striplezers vast uitzien naar nog een Blast of nog een Brodeck, om twee van zijn recente, serieuze successen te noemen, is Larcenet met de rauwe humor van Groepstherapie echt op dreef. De dansende ster is een perfect album dat velen de zomer door helpt: de vrolijke lezer en de scheppende artiest.

Manu Larcenet – Groepstherapie 1: de dansende ster. Dargaud. 56 pagina’s hardcover. € 15,95.

Strips & comics

Gelezen: Gabrielle Bell – Inappropriate

Een nieuwe verzameling korte verhalen van de Amerikaanse stripmaker Gabrielle Bell is iets om naar uit te zien. Haar werk is van hoog niveau en eenmaal in Bells denkraam toegetreden zijn haar verhalen zeer de moeite waard. Bell vertelt over zaken en situaties die waar kunnen zijn, soms deels autobiografisch, maar die altijd een vreemde wending krijgen. Het knappe en unieke van Bell is dat ze die wendingen altijd met zoveel gemak en overtuiging opvoert dat het lijkt alsof ze het echt heeft meegemaakt. Totdat je als lezer bedenkt dat het gewoon niet mogelijk is.

Sinds het begin van deze eeuw werkt Bell gestaag aan haar oeuvre, dat oorspronkelijk begon met de in eigen beheer uitgegeven comicreeks Lucky, waarin ze haar eigen leven als vertrekpunt nam. De verhalen uit Lucky werden verzameld in de gelijknamige bundel uit 2003 en The Voyeurs uit 2012. Tussendoor verscheen Cecil and Jordan in New York, een interessante en zeer aan te bevelen collectie korte verhalen die her en der waren gepubliceerd en die vorig jaar opnieuw werd uitgebracht, uitgebreid met nieuwe verhalen.

In Lucky en The Voyeurs leren we het personage Gabrielle kennen als een onhandige tobber, een vroege twintiger met een rugzakje. Weinig lukt, veel verzand en alles gaat gepaard met een hoop misbaar en treurnis. Het fraaie is dat ze toch een sprankje hoop aan de vertellingen meegeeft: Gabrielle is geen wanhopig geval, hooguit een beetje gemankeerd.

In de kloeke, autobiografische graphic memoir Everything is flammable licht ze een tipje van de sluier op: ze komt uit een eenoudergezin, met een moeder die zich terugtrekt in de bossen van Noord-Californië en daar vooral met de bomen praat. Gabrielle en haar broertje groeien op als povere outcast in een weinig florissante omgeving. En zelfs daar leert de lezer haar niet kennen als slachtoffer. Het is hooguit een reden voor haar onaangepaste gedrag, dat tot op de dag van vandaag voortduurt.

In Inappropriate is Gabrielle inmiddels al lang en breed verhuisd naar New York, waar ze in schimmige eenkamerapartementen woont, met steeds wisselende huisgenoten. Het is allemaal niet verheven en geslaagd, maar het lukt: ze heeft een baantje als freelance docente op de academie en ze is tekenmodel. In het titelverhaal zien we Gabrielle ten voeten uit: ze is onhandig in het kwadraat wat haar charmant maakt. Er zit geen kwaad in, het hoort erbij. Ze neemt alles met een nonchalance die vermoedt dat het haar niet interesseert, al is dat een stap te ver. Het tobberige is nooit ver weg; daar worden de verhalen echt boeiend en gelaagder.

Inappropriate is niet haar beste werk. Daarvoor zijn de verhalen onderling te inwisselbaar en inconsistent. In eerdere titels ontstond gaandeweg een interessant verhaalgegeven, dat stil mee bewoog op de achtergrond, maar in Inappropriate is dat niet aanwezig. Sommige verhalen zijn ludiek, andere dromerig of anekdotisch, maar alles staat nogal op zichzelf. Ze zijn niet thematisch verwant. Dat hoéft niet, maar juist dat maakte haar eerdere albums zo onweerstaanbaar: uit losse situaties ontstond een groter geheel.

Daarbij komt: de verhalen uit Inappropriate zijn niet waar. Ze zijn bedacht voor het leuke of interessante ervan. In 1-800-CATS komt een als kat verklede man de muizen uit haar keuken verjagen, in Nocturnal Guests gaat ze in gesprek met bedmijten, in het hilarische True Facts about Bears gaat het over de verschillen tussen een ijsbeer en andere beren. Hoe het zich allemaal tot elkaar verhoudt is onduidelijk. Nog eens: geen bezwaar, het is alleen niet zoals we van Gabrielle Bell gewend zijn.

Toch past Inappropriate in het sterke repertoire van Bell. Haar vertelstem is en blijft uniek. Het is alleen niet aan te raden met dit album in te stappen. Wie wat dat betreft de chronologie respecteert heeft veel te ontdekken, te genieten en zal later ook merken dat er genoeg knappe korte verhalen in Inappropriate aanwezig zijn.

Gabrielle Bell – Inappropriate. Uncivilized Books. 140 pagina’s. 20,99.

Strips & comics

Gelezen: Noah van Sciver – The Complete Works of Fante Bukowski

Fante Bukowksi is een fluim van een vent, een drol van een kerel en een slap excuus voor alle poëten van de wereld. Zijn leven is een aaneenschakeling van mislukkingen, een teloorgang van jewelste en juist daarom is The Complete Works of Fante Bukowski een zalige leeservaring. De Amerikaanse stripmaker Noah van Sciver, die zich afgaande op zijn enorme productie bepaald niet van zijn luie kant laat zien, heeft met het levensverhaal van “de meest onderschatte dichter en schrijver alle tijden” een kunststukje geleverd.

Onlangs verscheen de bijna ongepaste joekel, geheel in de stijl van de vermaarde Library of America, waarin de drie delen van Scivers Bukowski zijn gebundeld: het titelloze eerste deel, Two en A perfect failure, samen goed voor een pil van 388 pagina’s. De uitgave, met een harde kaft, stofomslag en een boekverzorging om door een ringetje te halen, is terecht: het leven van Fante Bukowski, de mislukkeling met een gemankeerd zelfbeeld, is te mooi om niet schitterend te bezorgen.

Nu de drie los te lezen delen achter elkaar staan, zien we pas echt hoe knap de ontwikkeling in elkaar steekt: Fante heeft te schaften met zijn ouders, die hem onderhouden door iedere maand geld op zijn creditcard te zetten totdat ze erachter kom en dat Fante een hoer bezoekt – en feitelijk alleen omdat zij het naar eigen zeggen met alle belangrijke schrijvers doet. Fante ontmoet een lieve collega die ook literaire aspiraties heeft en uiteindelijk haar gedroomde succes bereikt, tot ongenoegen van Fante. En hij treft een lief kunstmeisje dat hem helpt, steunt en intussen haar eigen sores maar ternauwernood het hoofd kan bieden. Fante ziet het allemaal niet. Hij is te druk met zijn eigen beheer bokje Six Poems, waarvan hij er twintigduizend heeft laten maken; een twee keer dubbelgevouwen A4’tje met nietjes overigens. Al deze zaken lopen als rode draden door het verhaal, dat vooral leunt op anekdotiek. Van Sciver laat Bukowski steeds opnieuw mislukken, alsof het niet anders kan. Het wordt ook niet kansrijker als Fante zijn heil zoekt in het domein van de roman.

Toch heeft Fante geluk: zonder dat hij er erg in heeft wordt hem een gunst verleend door iemand van The New York Times, die toevallig dezelfde vrouw van lichte zeden frequenteert en dat graag onder de pet houdt. Eventjes mag hij het succes proeven, al verprutst hij dat subiet. De hoofdstukken in het boek zijn steeds voorzien van passende quotes en oneliners, als mantra’s van de zelfkant. Ze voorzien Fante van een passend cachet; niet per se positief, vooral niet, maar daarom des te grappiger.

Fante Bukowski is niet exemplarisch voor het overige werk van de zeer productieve Van Sciver. Hij maakte naam met zijn eigenbeheer-tijdschrift Blammo, dat met gemak een kroniek van de hedendaagse twintiger mag heten. Het zijn indringende, ontwapenende slice of life verhalen over jongeren en jongvolwassenen die niet leven in de fantasiewereld van MTV en de Kardashians. Het is pittig en af en toe sneu, maar in ieder geval net zo echt als het leven zelf.

Het werk van Van Sciver is grotendeels autobiografisch en de personages zijn altijd bezig het hoofd boven water te houden: net genoeg geld voor de huur, nergens een vangnet en geen tijd voor dromen of rust. De verhalen zijn eerlijk en hard tegelijk, met soms een sprankje hoop zonder dat het pathetisch wordt. De personages komen zo dichtbij dat je ze echt iets beters zou gunnen: weinig hedendaagse strips hebben die zeggingskracht. Deze verzamelde korte verhalen verschenen in de bundelingen Youth is wasted, Disquiet en Saint Cole, stuk voor stuk prachtige miniatuurtjes van het moderne Amerikaanse leven in verval.

Fante is van een ander laken een pak. Binnen zijn oeuvre zijn de verhalen rond de wanna-be succesdichter Fante Bukowski duidelijk een uitlaatklep voor Van Sciver. Fante is een nietsnut, een hobo en een mislukte dichter die letterlijk wacht tot de mensheid ein-de-lijk eens overtuigd raakt van zijn enorme talent. Hij is zo vol van zichzelf en ziet de wereld om hem heen zo misnoegd aan, dat het komisch wordt. Bij Fante is de gunfactor heel ver weg en stiekem hoop je dat zijn gedichtjes en romanideeën het nooit ergens zullen redden, wat overigens een vrij zekere zaak is. Dat hij Kelly Perkins heet en zich een ronkend pseudoniem aanmeet dat hij samenstelt uit Charles Bukowski en John Fante, twee ploeteraars, zegt genoeg.

The Complete Works of Fante Bukowski heeft alles in zich om een genre-klassieker te worden, een album dat niet alleen bij stripliefhebbers maar ook bij poëzielezers en literair angehaugte types in de smaak kan vallen. En bij alle jonge mensen die een toekomst zien in het schrijven en uitventen van hun gedichtjes: zij kunnen lachen om iemand die het in ieder geval niet gemaakt heeft.

Noah van Sciver – The Complete Works of Fante Bukowski. Fantagraphics. 388 blz. € 34,99.

Strips & comics

Gelezen: Ryan Andrews – This was our pact

De graphic novel This was our pact van de Amerikaan Ryan Adams viel al een paar keer in de prijzen: het werd bekroond als het 2019 Parents Magazine Best Children’s Books of the Year, en onlangs verdiende het een Eisner-nominatie voor beste jeugdstrip (10-12 jaar). Het magische verhaal over twee jongens die op ontdekkingstocht gaan en de jonge lezer van de ene verbazing in de andere meevoeren, is om meerdere redenen geslaagd. De belangrijkste? Het gaat over echte vriendschap, verpakt in een knap avontuur.

Tijdens het jaarlijkse festival ter gelegenheid van de herfstequinox laten de kinderen in het niet nader genoemde dorpje traditiegetrouw papieren lantaarns in het water varen. Dat doen ze vanwege een oude legende die zegt dat de lampionnen, als ze eenmaal uit het zich zijn verdwenen, opstijgen en in sterren veranderen. Een groepje kinderen trekt de waarheid van die legende in twijfel en besluit om de lantaarns in de rivier te volgen. Zo zullen ze erachter komen wat niemand weet.

Dat groepje jongens heeft alles goed voorbereid en zelfs een soort verbond opgericht. Ze spreken van tevoren twee zaken af: niemand gaat halverwege terug naar huis en niemand heroverweegt de beslissingen als die eenmaal genomen zijn. Dat verbond houdt maar kort stand: alleen Ben en de buitenstaander Nathaniel blijven over, tot grote teleurstelling van Ben die niet veel moeite doet om te verbergen dat hij Nathaniel geen echte vriend vindt.

Het enthousiasme van Nathaniel is allerminst geknakt. Hij wil nog steeds graag het geheim van de legende ontrafelen en weet Ben over te halen verder te gaan, achter de lantaarns aan. De twee raken zo steeds verder van huis, steeds verder tot elkaar veroordeeld. Het verhaal gaat dan snel alle kanten op, met een tomeloze Nathaniel en een weifelende Ben. Daar heeft Andrews een mooi verhaalmotief te pakken: het gaat over loyaliteit, over vriendschap en over de gevoeligheid van groepsvorming en uitsluiting. Leidend is de toegeeflijkheid van de eerlijke, vreselijk lieve Nathaniel.

De andere lijn die door het verhaal loopt is ongeleider: de tocht die beide jongens maken suist alle kanten op. Ze ontmoeten een pratende beer en een miniatuurheks, ze reizen per boot, vogel en in een rugzak en zien onderweg de mooiste plekjes. Dat is allemaal prima, omdat Andrews dit schitterend en invoelend weet te tekenen – in een expressieve blauw-paarse potloodstijl, met veel gevoel voor emotie en spanning. De twee jongens ontdekken de wereld, en niet zo’n klein beetje ook.

Maar toch lijkt Andrews zich af en toe te verliezen in groteske, fraaie plaatsen en situaties. Vooral halverwege zakt het verhaal daardoor in. De gekke heks met haar joekelse hond is zo van het pad dat het verhaal begint te dwarrelen. Het blijft er mooi en magisch uitzien, toch duurt het even voordat Andrews iedereen weer bij de les heeft. Magie kent zijn grenzen.

This was our pact is een verhaal met een hart. De nominaties en prijzen zijn terecht, al had het goed in honderd pagina’s minder kunnen worden verteld – ook al leest het als een trein. Tegelijkertijd, als het mooi is, mag het lang mooi zijn. Nathaniel zegt het in zijn kenmerkende enthousiasme als volgt: we kunnen nog eindeloos doorgaan, want er is nog een heel leven te ontdekken. Zijn beste vriend volgt.

Ryan Andrews – This was our pact. First second. 332 pagina’s. € 14,99.

Strips & comics

Gelezen: Jan Vriends – Janjaap: Manuscript

Strips zijn en blijven handwerk, maar eenmaal gedrukt is het eindresultaat toch minder persoonlijk. Het tactiele van bijvoorbeeld een smallpressboekje, dat gezeefdrukt, gevouwen en geniet is door de maker zelf, voelt toch anders dan een album met een strak boekblok in een stevige kartonnen kaft. Niets geks aan, maar toch: áls er dan eens een album verschijnt waaraan te zien, te voelen en te merken is dat de auteur een hand in het eindproduct heeft gehad, dan is dat een fraai extraatje.

Manuscript van Jan Vriends is zo’n album. Vriends, die was genomineerd voor beste jeugdstrip van 2019 voor het tweede deel van zijn successtrip Brugpieper Roos Vink, uit Tina, heeft met zijn nieuwste album een extra stap gezet: het boek is uitgevoerd als leporello – of harmonicaboek – een techniek waarbij het album in meerdere slagen zigzag is gevouwen. Handwerk, zonder meer.

De ene zijde is het verhaal, in dit geval 44 strippagina’s, en de andere kant is een doorlopende illustratie waarin we de hoofdpersonen Janjaap en Marie-José door een bos en een dorp zien wandelen. Wie het harmonicaboek helemaal uitvouwt komt uit op een wandeling van vier meter en dertig centimeter. Alles wordt keurig bijeen gehouden met een buikbandje, waarvan de afbeelding precies op die over het voorplat past.

Manuscript is een ‘echte’ Janjaap en een even ‘echte’ Jan Vriends: het verhaal is een poëtisch kleinood, vriendelijk, positief en sfeervol. Janjaap heeft een boek geschreven en wil het laten uitgeven. Het geval wil dat er zich in het dorp net een uitgeverij heeft gevestigd: Bos Boek, ook nog eens in een gloednieuw, in het oog springend gebouw.

Janjaap, aangemoedigd door zijn vriendin Marie-José en nog een horde vriendelijke mensen, brengt zijn manuscript naar de vlijtige juffrouw Anja van Bos Boek. In plaats van een bedankje krijgt hij een standaardformuliertje. Dan begint het lange wachten.

Het verhaal heeft een fijn tempo: Vriends danst van personage naar personage, en laat situaties bijna over elkaar buitelen, net als de gemoedstoestanden. Als Janjaap een beetje sip is, dan heeft hij aan een twinkelend vogeltje genoeg. Alles lijkt op het topje van ieders kunnen plaats te vinden: niks gebeurt half, behalve bij Bos Boek waar er niet werkelijk schot in de zaak lijkt te zitten. De reden daarvan is wonderlijk.

Janjaap gaat al heel wat jaartjes mee, zo leren we op de speciaal voor de gelegenheid gelanceerde website janjaap.nl. Al in 1989, 31 jaar geleden volgens de zakjapanner uit ongeveer hetzelfde periode, verscheen de eerste aflevering in het fameuze stripblad Fresco. Daarna volgden afleveringen in Zone 5300, Van Speijk en Incognito. Weer wat later, in 2004, verscheen er een album bij uitgeverij Bries: Een Avontuur van Janjaap.

Manuscript is een vrolijk verhaal over geduld en dat is heel ingenieus opgelost: als het verhaal halverwege is en de leporello in tweeën is gedeeld gaan Janjaap en Marie-José wandelen. Zo komt de lezer vanzelf op de ‘achterkant’ van de zigzag terecht. Klinkt ingewikkelder dan het is: dit filmpje laat zien hoe dat eruit ziet: als handwerk, met veel liefde en toewijding en een vleugje knutselvreugd.

Jan Vriends – Janjaap – Manuscript. Syndikaat. 44 pagina’s leporello, tweezijdig. 14,95.

Strips & comics

Gelezen: Manu Larcenet – Ravian door… – Het pantser van de Jakolass

Ravian en Laureline hebben een trouwe aanhang, die door de jaren heen niet minder of milder is geworden – hooguit ietsje ouder. Fans van het eerste uur zijn nog altijd te spreken over de sf-reeks die als sinds de eindjaren zestig mee gaat. Terecht wellicht, want er zit geen sleet op. Wie de eerste delen herleest – bijvoorbeeld in de luxe uitgave van uitgeverij Sherpa – ziet dat de verhalen nog okselfris en sterk zijn, behalve misschien een enkele seksistische opmerking, die de toorn van de hedendaagse jonge mens niet zou overleven. Maar toch, Ravian heeft niet het euvel dat andere stripseries uit de Pepjaren zestig wel hebben: dat de ouderdom het schattig maakt en dat de albums vooral leunen op nostalgie en sentiment.

Wie Het pantser van Jakolass leest zal toch af en toe denken aan die trouwe fan. Het hommageverhaal van Manu Larcenet (Blast, De dagelijkse worsteling, Donjon) neemt weliswaar een heerlijk loopje met Ravian, maar permitteert zich wel heel veel vrijheden. Ravian bijvoorbeeld, of hij die voor Ravian door gaat, is niet de stoere ruimtereiziger met de brede kaak en het geboetseerde lijf. Het is een liederlijke drinkebroer met een rode gok en een voorliefde voor poëzie waarin hij zijn alternatieve wereldbeeld uiteenzet. De complottheorietjes vliegen je bij aanvang om de oren.

Deze alcoholist heet René, lasser van beroep, en is maatschappelijk nietsnuttig. Op een avond loopt hij een vreemd gezelschap tegen het lijf dat Ravian in hem herkent. René laat zich eenvoudig overtuigen (“Ik wist het, mijn leven is al die jaren een leugen geweest!”) en vanwege een desastreus akkefietje moet het buitenaardse clubje halsoverkop vertrekken, in een vliegende Afrikaanse nachtwinkel, uiteraard mét René aan boord.

Wat zich ontwikkelt is een verhaal op twee sporen: René wordt onthaald als degene die de problemen kan oplossen, terwijl hij zelf vooral druk is om zijn nadorst te voorkomen. Uiteraard vallen de oplossingen precies goed uit.

Het pantser van de Jakolass leest als een trein, Larcenet voelt zich als een vis in het water in het universum van tekenaar Jean-Claude Mézières en scenarist Pierre Christin. Zijn uitbeelding van buitenaards werelden met gekke wezens is top en doen niet onder voor die van Mézières. Het verhaal is hilarisch(er), hier is Larcenet op z’n best. De gesprekken die René voert met de buitenaardse lieden hebben steeds een knappe dubbele laag.

Als hij zich weer druk maakt over het gemis aan alcohol en daar luid aandacht voor vraagt, denkt zijn omgeving dat hij ze beledigt of uitdaagt. Eén keer leidt dat tot een geweldige scene: als het wijntje van René per ongeluk wordt omgestoten door een enorm gedrocht, breekt de pleuris uit. De woeste René wordt op zijn plaats gezet, maar haalt onverwacht uit. Dat de interstellaire politie hem vanwege de knokpartij oppakt en op de strafplaneet Walawalla dropt, is het volgende probleem voor de dorstige René.

De traditionele fan van Ravian zal zich dan al tien keer achter de oren hebben gekrabd. Niet elk hommage-album voegt zich exact naar het origineel, zoveel is dan wel duidelijk. Maar wie zich daar niet druk over maakt – en waarom zou je? – is Het pantser van de Jakolass een heel geestig Ravian-verhaal, dat bovendien ook nog eens heel lekker getekend is, met veel subtiele verwijzingen naar andere strips.

Manu Larcenet – Ravian door… – Het pantser van de Jakolass. Dargaud. 48 pagina’s. € 8,50

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Antonio Segura – Kraken integraal

Een bebloede gast met een wapen op de lezer gericht. Naast hem, van boven naar beneden in bloedrood: KRAKEN. Wie dan nog verwacht dat het hier om een subtiel sprookje gaat, heeft zijn dekking niet op orde. Kraken van het Spaanse duo Bernet en Segura, respectievelijk tekenaar en scenarist, is een niets ontziende pulpstrip uit de jaren tachtig die speelt in de krochten van het dystopische oord Metropol.

In het openingsverhaal zien we een aantal misdadigers een putdeksel openwrikken en afdalen, op de vlucht voor de politie. Na ettelijke schotenwisselingen en bloederige achtervolgingen doemt er een volgend gevaar op. Het is een dier, daar is men het snel over eens, maar: wat voor dier? Luitenant Joe Dante, de onverschrokken held van het voorplat, mag met zijn afdeling van de Rioolpolitie gaan uitzoeken wat er gaande is. Hun tegenstander is het Kraken, een blob die zich razendsnel door de riolen beweegt en altijd achter je rug opduikt. Hoe pulpy wil je het hebben?

Een aantal van de verhalen die in deze integrale zijn opgenomen, verschenen al in de eindjaren tachtig bij een toen nog jonge uitgeverij Sherpa. De witte dood was in 1989 het eerste deel, waarin vijf verhalen werden opgenomen. Een jaar later verscheen Ratten met nog eens vier verhalen. De integrale bundelt nog eens tien extra verhalen: negentien in totaal. Daar blijft het bij: deze bundeling bevat geen dossier, wel een extraatje van twee pagina’s, waarin volgens de uitgeleide de onomatopee centraal staat: het chop-chop-chop van de Kraken.

Het omslagillustratie van De witte dood en van de integrale is dezelfde, verder verschillen de uitgaven bijna niet, behalve de computerlettering van nu tegenover de -dat moet gezegd- fraaiere handlettering van destijds. Wat in beide gevallen perfect werkt, is de manier waarop de verhalen elkaar opvolgen: geen nieuwe pagina met een header of een titelillustratie, maar een zwart kader met de titel die letterlijk volgt op het laatste plaatje van het voorgaande verhaal. Die snelheid hoort bij Kraken; de lezer krijgt geen rust, evenmin Dante en zijn gevolg.

HUM! kan overigens een potje breken bij de stripliefhebber die houdt van fraaie ruggetjes in de kast, getuige de Philemon-reeks met de rugletters die samen Atlantische Oceaan vormen. In dit geval heeft HUM! de uitgave van Kraken even hoog gemaakt als de vijfdelige Torpedo-serie, in dezelfde kleurstelling en opmaak. Logisch, die hardboiled politieverhalen zijn ook van de hand van Jordi Bernet.

De Spanjaard Bernet weet hoe je vet en vuig verhaal vormgeeft. Zijn zwartwitte tekeningen zijn onstuimig en tegelijk heel fijn gearceerd, met af en toe gewassen inktvlakken die eruit zien alsof ze met een bijna lege viltstift zijn opgezet. Dat werkt perfect in de ondergrondse entourage, van riolen en catacomben.

De samenwerking tussen de tekenaar en de schrijver staat als een huis. Ze vullen elkaar perfect aan. De verhalen van Segura zijn even vet aangezet: juist omdat ieders tegenstander een buitensporig wezen is, blijven de verhalen lekker onvoorspelbaar. De penoze is grotesk en bizar in beeld gebracht, hun ruzies verbleken bij wat er onder het oppervlak afspeelt, daar waar de Kraken heerst en vooral verwarring en verderf zaait.

Pulp verdraagt geen gepsychologiseer. Deze lekker integrale heeft vooral een aantal goede episodes en een fijne onderliggende verhaalstructuur. Geen hogere wiskunde, geen ingewikkelde plotstructuren. Goed voor een paar fijne uurtjes ondergronds genoegen. En naderhand gewoon even extra de handen wassen. Dat moet intussen geen punt meer zijn.

Jordi Bernet & Antonio Segura – Kraken integraal. Uitgeverij HUM! 168 pagina’s hardcover. € 18,95.

Strips & comics

Gelezen: Inio Asano – Downfall

Afgelopen januari gaf de Japanse mangaka Inio Asano een interessante, drukbezochte masterclass op het stripfestival van Angoulême. In de grote zaal van de schouwburg vertelde hij over zijn kunstenaarschap, zijn werkwijze en onder meer zijn baanbrekende strip Goodnight Punpun – die een hit is in Frankrijk en ook in Nederland op veel bijval kan rekenen, vanwege de Engelse uitgave die afgelopen jaar compleet verscheen.

Ook sprak Asano in zijn typische, onderkoelde manier over zijn laatste werk, Downfall, dat in maart in het Engels uitkwam. De interviewers stuurde er meteen op aan: de hoofdpersoon in Downfall leek wel verdacht veel op Asano zelf. Deze Fukazawa is net als Asano een mangaka, beiden hebben een succesvolle mangareeks afgerond en beiden moeten aan de slag – Fukazawa voelt een enorme leegte en druk van zijn omgeving. Hij wordt geacht het vorige succes minstens te evenaren, maar liever nog te overtreffen.

Fukazawa denkt daar anders over. Hij heeft het zelfs volkomen gehad met de hele nepwereld van uitgevers, vertegenwoordigers, redacteuren én lezers die met hem dwepen of hem op social media kanalen voor stront uitmaken. Het liefst zet hij er een punt achter. Niet dat hij weet wat hij aan moet met zijn leven, maar toch: weg uit deze toestand. Weg uit de industrie die zijn aanvankelijke voorliefde voor manga compleet heeft verwoest.

Dat gaat bepaald niet zachtzinnig. Hij koeioneert zijn studiocollega’s die van hem afhankelijk zijn en zet zijn relatie op het spel. Dat laatste kost hem weinig moeite: zijn vriendin is vertegenwoordiger van een uitgeverij en daarmee zijn vleesgeworden afkeer. Fukazawa zoekt zijn heil bij een jonge en mysterieuze sekswerker met wie hij een soort verhouding krijgt. Intussen doolt hij en onttrekt hij zich zoveel mogelijk aan zijn verplichtingen.

Asano heeft een voorliefde voor jonge mensen die de weg kwijt zijn. In zijn tweedelige verhalenbundel What a wonderful world portretteert hij een aantal van hen, terwijl ze op zoek zijn naar de zin van het leven, hun plaats in de maatschappij. Het zijn geen succesvolle mensen, eerder tobbende tieners en twens die nog een lange weg te gaan hebben: zij die het gevoel hebben te moeten kiezen. Een burgerbestaan of toch het roekeloze avontuur van de punkband.

Downfall heeft iets soortgelijks: Fukazawa heeft zijn mangareeks afgerond, er moet iets nieuws komen. Het benauwt hem, hij komt tot niets. Bovendien heeft de uitgeverswereld, die hij beschrijft als een gewetenloze en oppervlakkige industrie, afgedaan. Kiest hij voor een nieuwe mangareeks en haakt hij toch weer aan, of laat hij de hele boel barsten?

Asano’s figuren zijn herkenbaar uit duizenden. Zijn kracht is dat hij personages normaal kan laten lijken. Precies tot het moment dat zij acteren: dan ziet de lezer hun ware aard, de angst, de gekte en het verwijt naar de wereld. Fukuzawa is een goed voorbeeld: ogenschijnlijk onaangedaan, maar in staat om mensen pijn te doen. De lezer begrijpt hem, maar kan geen sympathie opbrengen.

De wereld waarin ze leven is ook al onverzoenlijk: Asano werkt fotorealistisch, vanuit bijzondere standpunten en hoeken. Tijdens zijn masterclass vertelde hij dat zijn studiomedewerkers 3d modellen maken van kamers, straten en huizenblokken (hij werkt niet alleen aan zijn verhalen en laat de achtergronden en decors door anderen tekenen). Zo kan hij met vervreemdende, knellende perspectieven werken. Aan de hand van zijn outer space sciencefiction verhaal Dead Dead Demons Dededede Destruction liet hij zien hoe computers het tekenwerk voorbereiden. Ook in Downfall pakt dat heel beklemmend uit: met name Fukazawa’s appartement is benauwend en daardoor dreigend. Asano weet de omgeving zo te laten meevoelen met het personage.

Het hele interview voorafgaand aan de masterclass bleef Asano om de hete brij draaien. Was Fukuzawa op hem gebaseerd of niet? Zijn antwoorden waren vermakelijk: als iedereen gewoon zijn werk bleef kopen, dan hoefde hij niet na te denken over een nieuwe mangareeks, dus in dat geval: nee, dan was het niet op hem gebaseerd. Toen de interviewer zijn zoveelste poging zag stranden, zei Asano toch dat het mogelijk is, dat het kan, maar niet hoeft.

Autobiografisch of niet, Downfall is van zichzelf een krachtig statement. Eén die bijna onjapans stevig is, als het gaat om de kritiek die eruit spreekt. De mangaindustrie is verdorven en holt zichzelf uit, ze is alleen nog gericht op verkoopsuccessen. Alles lijkt op elkaar, iedereen wil de volgende hit. Artistieke kwaliteiten doen er niet meer toe. Dat vindt Fukazawa, maar Asano evenzeer. Dáár was hij dat weer wel heel helder over.

Inio Asano – Downfall. VIZ Media. 240 pagina’s. € 12,99.

Strips & comics

Gelezen: Reinhard Kleist – Knock-Out!

Als het aan Emile Griffith had gelegen, was hij de geschiedenis ingegaan als een succesvolle en gepassioneerde ontwerper van dameshoeden. Het liep helaas anders. Griffith (1938-2013) liet zich op jonge leeftijd overhalen door zijn baas om te gaan boksen en werd zelfs wereldkampioen. Toch zal hij voornamelijk worden herinnerd als de bokser die in 1962 zijn tegenstander Benny Paret in de ring dood sloeg.

In Knock-Out! tekent de Duitse stripbiograaf Reinhard Kleist (die eerder de levens van Johnny Cash, Fidel Castro en Nick Cave verstripte) het leven van de markante Griffith, de succesvolle zwarte bokser die homoseksueel was. Dat laatste was een geheim, hoewel Griffith niet voorzichtig was – hij liet zich in het uitgaansleven niet onbetuigd. In aanloop naar hun derde onderlinge partij lopen de gemoederen hoog op. De Cubaan Paret beschimpt Griffith vanwege zijn voorkeur voor mannen en dan gaan ze de ring in.

Tijdens het gevecht dat is te zien op Youtube gaat Griffith nota bene voor het eerst neer, aan het eind van de zesde ronde. Hij herstelt zich en drijft Paret in ronde twaalf in de hoek. Na zestien opeenvolgende uppercuts met rechts en een barrage aan stoten op het hoofd, zakt Paret via de touwen ineen. Kleist geeft deze laatste tellen van de bokswedstrijd prachtig weer, hoewel Paret nooit meer hersteld. De grote schande is dat scheidsrechter Ruby Goldstein niet eerder ingreep; naderhand wordt hij uit de wind gehouden. Griffith daarentegen wordt constant op de fatale laatste ronde aangesproken, tot bedreigingen aan toe.

Kleist geeft de twijfel en het verdriet van Griffith krachtig weer door hem op latere leeftijd te laten praten met Paret. Op deze manier beleeft de lezer alles opnieuw, maar dan met commentaar van zowel Griffith als Paret. Tekenend en schrijnend tegelijk is het citaat van Griffith: ‘Hoe vreemd is dat … Ik dood een man en de meeste mensen begrijpen dat en vergeven me dat. Hou ik daarentegen van een man, dan is dat in de ogen van velen een doodzonde en word ik tot een slecht mens gebombardeerd. Ik ben dan niet in de gevangenis beland, maar ik heb wel bijna mijn hele leven opgesloten gezeten.’

Griffith wordt geportretteerd als een eenvoudige, naïeve jongeman, die niet opgewassen is tegen de druk van buitenaf. Hij wil hoeden ontwerpen, tafeltennissen en bij zijn moeder zijn, maar wordt opgejut om te gaan boksen. Na de fatale partij blijft hij -als kampioen- doorvechten, maar de vreugde is voorgoed uit het spel verdwenen. Als publieke figuur probeert Griffith zich staande te houden, hij wil vooral aardig en sympathiek gevonden worden. Dat breekt hem gaandeweg op: hij is een geraakte ziel in een entourage die hem niet met rust wil laten.

Anders dan de eerdergenoemde Castro, Cave en Cash is Griffith niet meteen een naam die bij iedereen een belletje laat rinkelen. Het is dan ook de vraag of de lezer van tevoren niet wat meer informatie moet hebben over wie hij was en waarom zijn leven wordt verteld. Het lijkt alsof Kleist zich dit ook heeft afgevraagd, want de opzet van de graphic novel is anders dan we van hem gewend zijn: Griffith kijkt terug op zijn eigen leven wat het voor Kleist mogelijk maakt om de gebeurtenissen van context te voorzien. In die opzet slaagt hij.

Opvallend is dat de lijnvoering van Kleist vrijer en zwieriger is dan anders. In combinatie met de contrastrijke pagina-opzet in zwart wit wint het verhaal enorm aan kracht. De jaren vijftig en zestig komen zo perfect tot hun recht. Hier laat Kleist zien de tijdgeest en de tragiek van het verhaal perfect aan te voelen: de eerste pagina’s, die spelen in het donker en in de regen, zetten het verhaal meteen op scherp.

Achterin het boek is een uitvoerig dossier opgenomen over boksende homo’s en lesbo’s, met een lijstje klinkende namen van vechters van toen en nu. Grote omissie: de Braziliaanse MMA-vechter Amanda Nunes, die in 2016 UFC-wereldkampioen werd in het bantamgewicht en dat kunststukje twee jaar later met overmacht herhaalde in het vedergewicht. Geen andere vrouwelijke bokser heeft twee UFC-titels in twee gewichtsklassen.

Reinhard Kleist – Knock-Out! Scratch Books. 160 pagina’s hardcover. € 24,95

Strips & comics

Gelezen: Hanco Kolk en Peter de Wit – Gilles de Geus, de eerste integrale

Gilles de Geus zou je een moderne klassieker kunnen noemen. Het eerste optreden van de geestige geus in stripblad Eppo dateert uit 1983. In de twintig jaren dat de stripreeks bestond verschenen er tien albums, waarvan eentje een nulnummer is. Dat album, De Struikrover, kwam pas in 2001, toen stripmakers Hanco Kolk en Peter de Wit al aan hun laatste geuzenverhaal waren begonnen.

Integrales respecteren doorgaans de publicatiechronologie en dus begint de eerste bundeling van de complete Gilles met De Struikrover: korte verhalen van twee tot vijf pagina’s met een hoog slapstickgehalte. De eerste van drie integrales bevat verder de reguliere albums 1 en 2, De Spaanse Furie en Storm over Dubbeldam.

Geen integrale zonder dossier, waarmee het feest doorgaans begint. In de stortvloed aan integrales valt daar de eerste schifting. Sommige reeksen hebben nauwelijks of geen dossiers, anderen pakken uit en geven de integrale zo onmiddellijke meerwaarde. Gilles hoort zonder twijfel in de laatste categorie thuis. Een zalige veertig pagina’s tjokvol schetsen, studies, opzetjes en foto’s larderen een lekker leesbaar verslag van de prille dagen van Gilles de Geus, maar evengoed die van Arnhemmer Hanco Kolk die de reeks begin jaren tachtig opzette voor stripblad Eppo, met een beetje hulp van Wilbert Plijnaar.

Het dossier, geschreven door Ronald Grossey, is uitvoerig en geeft een goed beeld van hoe het eraan toeging op de redactie van Eppo. Nu is dat al uitentreuren gedocumenteerd in De Jaren Eppo van Ger Apeldoorn en het nodige kwam ook al aan bod in de vorig jaar verschenen biografie van Wilbert Plijnaar, Een Rotterdammer in Hollywood, maar toch: Grossey heeft veel nieuwe feiten en smeuïge anekdotes boven tafel gekregen. Vooral het plezier spat van de pagina’s, waar geen hoekje onbenut is gelaten: er is genoeg te zien en te genieten, in ieder geval voor de Eppolezers van toen.

Het portret van de jonge Hanco dat uit het dossier naar voren komt, is sympathiek: dat van een zachte rebel, die zijn heil zoekt in bandjes (en er weer uitvliegt als hij verliefd wordt op de zangeres) en bij stripbladen als de Omelet, waarover hij het volgende zegt: het waren onleesbare, onbegrijpelijke strips. “De onleesbaarheid kwalificeerde je als Eigen Stijl, de onbegrijpelijkheid als Persoonlijke Visie.” Voordat hij zich aan Gilles de Geus zette -en alles wat erop volgde- heeft hij volop geëxperimenteerd en gezocht naar zijn eigen vorm en plek.

Wie vluchtig door het album bladert ziet waarmee de opmaker heeft geworsteld: de vroege verhalen van Gilles de Geus waren dan eens vierkant, dan in een formaat waarbij de hoogte niet in overeenstemming is met de breedte. Een charmant ratjetoe, kortom. Het is fraai opgelost met ornamenten die boven en onder de strips geplaatst zijn: alles om ervoor te zorgen dat de strips maximaal leesbaar zijn en in een groter geheel passen.

De verhalen uit De Struikrover zijn op zich leuk, die van De Spaanse Furie zijn met sprongen grappiger. Gilles krijgt gaandeweg wat meer status en diepgang – al klinkt dat laatste wat raar. De verhalen staan minder op zichzelf, maar maken meer deel uit van een wereld, zoals Kolk het zelf verklaart.

In De Struikrover, als hij nog een brede kin met een kuiltje heeft, is Gilles ronduit stuntelig en trekt hij vaak aan het kortste eind. Later, in De Spaanse Furie, kan hij schijnen vanwege de aanwezigheid van de drollige Spanjolen, die hem in knulligheid met gemak overtreffen. Het zorgt voor de perfecte balans in de verhaaltjes, die vooral leunen op spitsvondige dialogen. Met titels als De schrik van het moeras, Een genie, Drijfzand en Struikroven in de herfst krijgen we een goed beeld van de grappen die ons worden voorgeschoteld.

Bij het laatste album van deze integrale komt Peter de Wit de gelederen versterken: in Storm over Dubbeldam staan twee langere verhalen, waarvan het titelverhaal de uitmuntende, legendarische scene bevat waarin Gilles ’s nachts naar de poort van het slot moet zwemmen en steeds wordt teruggeroepen. Onmiskenbare slapstick, maar ingekaderd in een groter geheel. Het tweede verhaal, De zustertorens, bevat evenveel explosies als pagina’s en is gebaseerd op historische feiten, zoals we in de meeste verhalen terugzien: misschien niet volledig accuraat, maar wel voldoende om de suggestie van de zeventiende eeuw te wekken. In de hiernavolgende albums worden de historische feiten veel nauwgezetter gevolgd en uitgewerkt.

Met de historische achtergrond en het feit dat afstand wordt genomen van de korte gagstips, komt Gilles in een nieuwe fase terecht: hij is minder de koddige fratsenmaker die moet struikroven over aan zijn geld te komen, maar wordt een echte geus die zich aansluit bij de admiraal, Leo en de rest om het Alva en de Spanjolen moeilijk te maken. Vanaf integrale twee zal dat de hoofdmoot zijn.

Deze eerste integrale is precies wat je ervan kunt verwachten: vertier, nostalgie en een dossier dat je met gemak in de goede stemming brengt. Niets op aan te merken, dit is zoals de Eppogeneratie Gilles het liefst heeft. Vanaf nu worden de verhalen scherper en knapper, maar de kiem van alle plezier is in deze eerste paar albums gelegd. Dat maakt deze integrale onmisbaar.

Hanco Kolk en Peter de Wit – Gilles de Geus, de eerste integrale. Matsuoka. 256 pagina’s hardcover. € 34,99.

Strips & comics

Gelezen: Mita Ori – Our Dining Table

In de zoete manga Our Dining Table volgt de jonge lezer de 23-jarige Yutaka, een kantoorbediende met een eenzaam verleden en een twijfelende oogopslag. Als hij in een park een knulletje ontmoet dat hem brutaal tegemoet treedt, verschijnt er voor het eerst een glimlach op zijn gezicht. Samen eten ze onigiri, de traditionele hartige kleefrijstballetjes die Yutaka zelf heeft gemaakt. Dit jongetje heet Tane en is aan de aandacht van zijn grotere broer Minoru ontsnapt. Die is niet te spreken als hij de twee op het parkbankje aantreft. Maar toch, in die eerste ontmoeting tussen Yutaka en Minoru gebeurt er iets…

In de dagen die erop volgen, kan Yutaka zijn aandacht maar moeilijk bij zijn werk houden. Hij komt Tane en Minoru bij toeval weer tegen en vooral het ventje wil niets liever dat Yutaka hem leert zulke lekkere onigiri te maken. Het is Tane die de beide jongemannen bij elkaar brengt, door zijn kinderlijke enthousiasme ondubbelzinnig uit te spelen. Yutaka gaat op het aanbod in en leert ze de perfecte onigiri maken. Vanaf dan eten ze steeds vaker samen. Langzaam ziet de lezer iets ontstaan.

Manga is het Japanse equivalent van wat wij strip noemen. Het is daarom logisch dat manga niet één soort verhalen betreft. Voor letterlijk iedere niche is er intussen een variant: van culinaire manga tot de zogenaamde mecha (over robotachtigen zoals Transformers) en manga over economie, elke denkbare sport of hobby en natuurlijk over puberale liefdesperikelen – de bekende manga van meisjes met grote ogen. Our Dining Table valt binnen het BL-genre, waarbij BL staat voor Boys’ Love: homoseksuele strips over twee mannen die zijn geschreven door vrouwen en nadrukkelijk bedoeld voor een vrouwelijke leespopulatie.

Dat klinkt in eerste instantie vreemd: Boys’ Love is beslist geen reguliere homo-manga, die Bara wordt genoemd. Het lijkt er meer op dat de man in het Boys’ Love genre als zacht lustobject wordt gebruikt: in Our Dining Table zijn de twee hoofdpersonen rustige, bedeesde en gewone jongemannen, van wie de ene nota bene een altijd aanwezig klein broertje heeft. Het is schattig, innemend en romantisch. Het wordt nergens plat of erotisch.

Ook opvallend is bijvoorbeeld dat er nauwelijks vrouwen in Our Dining Table voorkomen. Geen moeders, geen vriendinnen en de ene vrouwelijke collega wordt zoveel mogelijk met rust gelaten. Niet de moeite waard. De moeder van Tane en Minoru is overleden, hun vader is een onmachtige volwassene wiens rol steeds uitgesprokener wordt. Alle verhoudingen passen naadloos: Mita Ori brengt de zwijmelende lezer op een heerlijk tempo naar een perfect en zalig emotioneel einde.

Our Dining Table is een one-shot: met 240 pagina’s is het verhaal over en uit. Dat is ongebruikelijk. Niet zelden gaan mangaseries eindeloos door en blijven de verhaallijnen zich opstapelen. Alleen al daarom is deze BL manga een aanrader. De karakters zijn sterk uitgewerkt en hoewel het over twee mannen gaat, is de echte verhaallijn veel meer gericht op -excusez le mot- de universele liefde. Zoet ja, maar op een fijne manier. Meer zoals een halveliterpot Häagen-Dazs Macadamia Nut Brittle comfort food is.

Mita Ori – Our Dining Table. Seven Seas Entertainment. 240 pagina’s. 13,95.