Strips & comics

Gelezen: Lucie Bryon – Thieves

Aan bijzondere invalshoeken geen gebrek in Thieves, het flink gehypte debuut van de Franse stripmaker Lucie Bryon. Thieves speelt op de middelbare school waar de opvallende Ella een oogje heeft op Madeline, een nogal vreemde eend die zich doorgaans afzijdig houdt. Ella kan eindeloos over Madeleine dagdromen en dat doet ze dan ook volop. Ella’s bestie Leslie hoort het allemaal onbewogen aan. Dan gaan Leslie en Ella naar een feestje en zet Ella het op een zuipen. Ze wordt de volgende dag wakker met allerlei gestolen spullen in haar kamer. Waar komen die vandaan? Ella heeft geen idee.

Wat Ella ook niet weet is dat die spullen van Madeleine zijn, het feestje was nota bene bij haar thuis. Leslie is op de avond zo slim geweest om Madeline te zeggen dat Ella naar huis is gegaan omdat ze zich niet lekker voelde. Madeleine, dat weten we dan ook, heeft een oogje op Ella en zoekt haar de volgende ochtend op. Probleempje, want Ella heeft nog al die gestolen spullen in huis. Hoe zou Madeleine daarop reageren?

Het is geen spoiler, want het boek heet Thieves, de flaptekst is er helder over en daarom: Madeleine blijkt een dwangmatige dief te zijn. Ze steelt voor de kick. Sterker nog, alle spullen die Ella heeft meegenomen waren niet eens van Madeleine. Dan bedenken ze een plan: ze gaan het jatgoed terugbrengen naar de rechtmatige eigenaar, stiekem en zonder dat iemand daarachter komt.

Het klinkt wat vreemd allemaal en misschien zelfs oninteressant, maar toch weet Bryon er een geweldig goed verhaal van te maken. Misschien niet direct, maar gaandeweg vallen de stukjes op hun plaats en worden met name de personages steeds sterker, liever en innemender. De twee meisjes overwinnen hun angsten, voor elkaar en voor de wereld om hen heen – en dat is mooi om te lezen.

Want ja, het moge duidelijk zijn: dit is een queer strip. Ella en Madeleine zijn twee meisjes. En eerlijk gezegd is dat helemaal niet zo belangrijk voor het verhaal. Bryon maakt er bijvoorbeeld nergens een punt van. Alles is gewoon, normaal, zoals het is, en dat is eigenlijk met mooiste van Thieves. Te vaak wordt er in een queer strip nog wat plek ingeruimd voor een afwijzend familielid, een moeilijke oma of een pesterige bully, om ook dat dingetje nog even aan te stippen. Soms dik in orde, maar vaak ook er aan de haren bijgesleept. Het is een zegen dat Thieves gewoon een goede strip is over twee interessante en ingewikkelde personages, die je gaandeweg in je hart sluit. De vrolijke kop van Ella, met haar immense oren, en het mysterieuze gezicht van Madeleine dat wordt gevormd door haar bril: het is even wennen, maar dan val je ervoor.

Bryon tekent in een heel toegankelijke euro-shojo-mangastijl (shojo = meisje, jonge vrouw). Dat zal de reden zijn dat Thieves het zo goed doet: dit spreekt jongeren aan, zoals oude stripmensen dan zeggen. Er wordt veel gepraat, veel getwijfeld en veel over gevoel nagedacht, en ook nog eens op een mooie manier. Geen van de personages is dwingend of kortaf. Ze gunnen elkaar alle ruimte om zich te ontwikkelen, Ella en Madeleine voorop. En dat beklijft. De pagina’s zijn rustig opgebouwd, en met een enkele steunkleur bijna rustgevend.

Thieves is wat onderwerp betreft een vreemd verhaal. Jatten en terugbrengen is een beetje onhandig misschien, maar wie verder kijkt ziet in het plot een vehikel om de jongeren te laten spreken en denken. Daarin slaagt Bryon voluit. En daarbij weet ze er ook nog een heel mooi, inlevend verhaal van te maken voor stripliefhebbers die hun horizon willen verleggen. Thieves is een strip die terecht de handen op elkaar krijgt.

Lucie Bryon – Thieves. Nobrow. 208 pagina’s. vanaf € 18,95.

Strips & comics

Gelezen: Trish Forstner & Tony Fleecs – Bastaards

Bastaards is een bijzondere strip, een beetje een vreemde ook. Dat begint al meteen op het heel grijze omslag. Daar staat een blurb uit Forbes: “wat kun je verwachten als je Silence of the Lambs kruist met All dogs go to Heaven? Wel, dan krijg je Bastaards”. Curieus, en dan niet zozeer omdat er een Amerikaans zakentijdschrift als autoriteit wordt opgevoerd, maar omdat er gevoeglijk vanuit wordt gegaan dat we allemaal All Dogs go to Heaven nog wel kennen. Deze animatiefilm uit 1989 is niet echt een vanzelfsprekende referentie. Het is in ieder geval niet de klassieker die ons op het spoor moet brengen van de bedoeling van deze quote: dat Bastaards een harde thriller is met zielige hondjes in de hoofdrol. In dat verband heeft het schrikachtige hondenkoppie op het omslag meer zeggingskracht.

Dat hondje is Sophia en zij belandt in een huis waar veel meer honden wonen. Het is er een rare toestand, met vreemde regels. En het lijkt alsof Sophia van alles is vergeten en daarin blijkt ze niet de enige. Het baasje is een psychopaat, die er vreemde zaken op nahoudt. Sophia vertrouwt het allemaal niet en krijgt steeds meer honden aan haar zijde. Samen gaan ze op onderzoek uit en ontdekken allerlei gruwelijkheden. Het gaat van kwaad tot erger, maar steeds wint de nieuwsgierigheid het van de angst. Overigens zijn niet alle honden gecharmeerd van Sophia’s geneus. Er ontstaat gedoe onder de viervoeters en dan barst de bom.

Bastaards is een hybride genrestrip, die slaagt in zijn opzet: de honden zijn speels, opgewekt en schattig, maar dragen een geweldig lot met zich mee. De angst voor het baasje, en het onbekende, zorgt voor een lekker thriller-effect. Het is spannend, tot het baasje te ver gaat: dan wordt het gruwelijk. De ontknoping is er eentje met veel duizelingwekkende kanten, zoals dat vaak het geval is bij relatief korte comics – Bastaards verscheen in vijf deeltjes, die hier als hoofdstukken zijn aangegeven. Alles wordt zorgvuldig opgebouwd en met een knal uitgeluid. Dat is bij dit verhaal niet anders.

Fleecs en Forstner kennen elkaar van de My Little Pony-strips. Zo kleurrijk en opgedoft is Bastaards niet, maar er zijn wat zaken die in beide strips voorkomen: de dieren zijn vetter getekend dan de achtergronden, waardoor ze soms op plakplaatjes lijken. En ook de ogen en de uidrukkingen van de honden zouden van een Pony kunnen zijn. Geen punt, dat maakt het thriller-effect van Bastaards alleen maar sterker.

Toch een puntje is dat Bastaards tot het standaard Europese stripalbumformaat is uitvergroot. Het oorspronkelijke comic-formaat is terug te zien aan hoe opgeblazen de pagina’s aanvoelen. Met name de lettering is ineens fors, alsof het een grootletterboek betreft. Niets mis met een leesbare letter, maar ook in het leesgevoel gebeurt er het een en ander: want meer dan in de comic valt hier op dat er soms niet veel tekst op de pagina’s staat. Ook grafisch wint de strip niets met de uitvergroting. Waarom niet is gekozen voor een comicformaat is niet duidelijk. Nu is het een vrij zwaar album, vanwege het gekozen papier, en geeft de slappe kaft weinig houvast. Wat overigens ineens wel goed uitpakt is de grijze strook in de vouw van het binnenwerk: omdat een comic een andere verhouding heeft dan een klassiek Europees album moest er nog wat aan de breedte worden gesleuteld.

Bastaards is niet hartveroverend, zoals het op het achterplat van het album wordt genoemd. Het is wel een onderhoudende, spannende thriller, waarin genoeg haakjes worden uitgegooid om als lezer aan te blijven hangen. Het is bepaald geen strip die je gemakkelijk kunt wegleggen: oppakken is uitlezen. En dat is een verdienste.

Trish Forstner & Tony Fleecs – Bastaards. Menlu. 152 pagina’s. € 21,99.

Strips & comics

Gelezen: Philippe Xavier & Matz – De slang en de coyote

Net als de collectie Vrije Vlucht van Dupuis is de collectie Getekend van Le Lombard een kwaliteitsmerk: de meeste albums uit deze reeksen zijn erg goed. Van de twee reeksen is Getekend de meest klassieke. Het zijn sterke rechttoe-rechtaan avonturenstrips, in de typische genres die daarbij horen. Actie, achtervolgingen, dreiging, maffiose praktijken en afrekeningen. De slang en de coyote is precies dat. Nog beter wordt het als je weet dat het duo Xavier en Matz achter het verhaal zitten. Al een paar jaar maken zij veruit de beste actiestip van dit moment, Tango.

De slang en de coyote lijkt ook nog eens behoorlijk op Tango. Dit verhaal en de reeks spelen allebei in broeierige contreien, met veel gele luchten en zanderige weggetjes. En beide hoofdpersonen lijken ook nog eens op elkaar. In De slang en de coyote is de rol van Tango weggelegd voor Joe, een typische stripfiguur-met-een-verleden. En hij wordt niet met rust gelaten, want er is een US marshall die hem zo eens in de zoveel tijd opspoort om te kijken of alles nog goed gaat. Waarom? Dat heeft met zijn verleden te maken en omdat Joe in zijn eentje in een camper door de woestijn trekt, heeft de lezer geen idee.

Of toch wel. Om maar meteen met de zwakste schakel in het plot te beginnen: in het begin krijgt de lezer de hele voorgeschiedenis van Joe van A tot Z voorgeschoteld, omdat Joe een kleine coyote vindt die hij in zijn camper meeneemt. Voor de gezelligheid, en dus ook om dat beest alles te vertellen wat de lezer moet weten. Om het nog krasser te maken: de coyote – Joe denkt dat het een hondje is – reageert op ieder stukje verhaal met een infantiel ‘wif’ of ‘woewoef’ of ‘wiiiioef’. Zelden zoiets gelezen. Daar had iedere andere kunstgreep beter uitgepakt.

Maar als snel verplaatst het verhaal zich van de babbelzieke Joe en zijn hondje naar een scene aan het strand die de ernst van de situatie benadrukt. Joe is namelijk niet zomaar voor een paar onderwereldfiguren op de vlucht: het is de maffia, waarvan hij vroeger een onderdeel van uitmaakte. Joe is gaan praten en dat wordt hem niet in dank afgenomen – om het eens voorzichtig te stellen. Die US marshall is er om Joe in de gaten te houden, want ze hebben hem nodig voor een zaak. Hij is een kroongetuige die de hele boel achter slot en grendel kan gooien, maar dan moet hij wel blijven leven. Logisch dat de ene club hem wil omleggen terwijl de andere club hem in veiligheid wil brengen. Maar goed, dat heeft Joe dus allemaal al aan die hond vertelt: laat mij maar lekker rond rijden. Mij krijgen ze niet klein. Wif wif.

Het verhaal ontwikkelt zich zoals het bij Tango gaat: gestaag, maar niet gejaagd. Joe is niet voor een kleintje vervaart en dat levert smeuïge scènes op. Scenarist Matz weet genoeg slimmigheidjes in het plot te verwerken om het verhaal op gang te houden: een vriendin uit het milieu duikt op, een dochter, twee vrienden van vroeger, alles wordt steeds ingenieuzer en daarmee beter. Aan het tekenwerk van Xavier is echt iets aan te merken. Hij is intussen de tekenaar-par-excellence van de hardboiled desert crime geworden. Hij is de blauwdrukker van het genre.

Eenmaal bij de laatste veertig pagina’s van het boek aanbeland, is het onmogelijk om het nog weg te leggen. Alles wat we weten komt er samen; dan mag de lezer zich in een comfortabele stoel naar het slot van het verhaal laten voeren. Dan zijn we het vreemde begin al lang en breed vergeten. De slang en de coyote is een lekker maffiaverhaal, een ontsnappingsdrama, een sixties roadstory, een Amerikaanse crime noir, zo’n avonturenstrip die niet teleurstelt. Ook al wordt er net iets te veel gewift.

Philippe Xavier & Matz – De slang en de coyote. Le Lombard (Getekend reeks). 144 pagina’s hardcover. € 27,50.

Strips & comics

Nederlandse strips op Quai des Bulles, St. Malo

In het weekend van vrijdag 7 tot en met zondag 9 oktober jongstleden vond voor de 41ste keer het stripfestival Quai des Bulles plaats in de Franse kustplaats Saint-Malo. Het sympathieke festival, dat op Angoulême na het grootste stripevenement van Frankrijk is, had dit jaar flink ruimte gemaakt voor het Nederlandse beeldverhaal. Ons land was aanwezig met een grote expositie, een publieksgesprek en live-tekenen op het festival en in de binnenstad van Saint-Malo.

In opdracht van de Nederlandse ambassade in Parijs en het Letterenfonds was ik de curator van het project. Met een delegatie van twaalf auteurs, bestaande uit gearriveerde namen én jonge talenten, was Nederland prominent vertegenwoordigd. Het festival trok 36 duizend bezoekers.

De reacties waren unaniem positief en mooier nog: de nieuwe generatie stripmakers heeft voet aan de grond gekregen, met dank aan de Nederlandse ambassade. Op de website van de 9e Kunst vind je een uitgebreid verslag, met onderaan een flinke fotogalerie. LEES HET HIER.

Strips & comics

Gelezen: Michel Chevereau & Jack Marini – De pin-up van de B-24, integrale editie

Laat je niet misleiden door de pikante titel, want hoewel De pin-up van de B-24 oogt als een stoere vliegtuigstrip met schone dames, is dit gelukkig andere koek. Oké, de clichés zijn niet van de lucht, met drie mooie verpleegsters en drie stoere vliegeniers, maar het verhaal heeft meer om het lijf dan een beetje vliegen en verlekkeren. Nog eens: gelukkig maar.

De B-24 is een bommenwerper die aan het einde van WO II crasht in de woestijn van Noord-Afrika. Glenn Baxter is naar zijn weten de enige overlevende en jaren later is hij min of meer bij toeval weer in Libië. Daar stuit hij op het wrak en ontdekt er van alles over het verleden. In een slim verteld verhaal vliegen we terug naar vroeger en wordt het hele verhaal nog eens naverteld: hoe de drie vliegeniers de drie dames tegenkwamen, wat er zich allemaal afspeelde tussen de zes en hoe de bommenwerper er een rol in kreeg.

De pin-up van de B-24 is een zogenaamde nose art tekening, zoals die in vroeger tijden op veel vliegtuigneuzen terecht kwamen. Maar deze pin-up is iets bijzonders: het is samengesteld uit de drie meisjes, vandaar de wat onhandige naam Ali-La-Can, van Alice, Lana en Candy. Deze Ali-La-Can wordt even beroemd als verguisd, omdat het vaak de enige kist is die heelhuids van de luchtslagen terugkeert. Zou het met de illustratie te maken hebben? Laten we zeggen dat het bijgeloof de piloten niet vreemd is. Maar er is meer dan bijgeloof en dat is iets dat jaren later pas gaat broeien, vooral bij Glenn.

Tekenaar Chevereau en scenarist Manini maakten eerder de prima vliegtuigstrip Onder een loden hemel, ook een verhaal dat verder kijkt dan alleen maar vliegtuigen en heroïek. Dat is een aanbeveling om deze integrale editie zeker ook te lezen. Maar let even op: tegelijk met deze integrale reeks, waarin beide delen worden gebundeld, verschijnt ook het losse eerste deel – met exact dezelfde omslag. Het tweede deel, dat dus nu ook al in de integrale is te lezen, verschijnt pas in november. Wonderlijk, vooral omdat het complete verhaal echt in één keer gelezen moet worden.

In het boek is duidelijk te zien waar het eerste deel stopt en het tweede begint: het verhaal wordt daar namelijk onderbroken door een achtergronddossier over nose art en de historische verantwoording van de strip. Allemaal leuk en aardig, maar wie alleen deel 1 leest en nog een maand of twee moet wachten, begrijpt niets van het verhaal. Eerlijk gezegd: deel 1 is een rare ratjetoe van dramatische verhaallijnen en motiefjes. Pas wie aan het tweede deel toekomt, ziet alles duidelijk worden. En meer: het ingenieuze van het verhaal wordt ineens zichtbaar.

Ook zichtbaar is de hoge kwaliteit van de tekeningen. De pagina-opmaak is nergens over de top, maar zeker fraai: het gaat niet om de exacte weergave van ieder vliegwiel en iedere propellor, maar om het gevoel van de oorlog en de herinnering. De koppen zijn traditioneel – hoekige mannenkaken en volle vrouwenlijnen – en nergens too much. Het is allemaal netjes afgemeten en in orde, al is het zeker niet zo oubollig als Tanguy, Laverdure en Buck Danny.

De pin-up van de B-24 is een echt klassiek avonturenverhaal, met veel verklarende gesprekken, veel abc’tjes en met personages die zich maar niet uit hun knellende clichépakjes kunnen bevrijden. Verwacht geen enorme diepgang, maar wel een sterk verhaal met een plot dat echt knap in elkaar steekt. In filmtermen gezegd: het is geen arthouse, maar als blockbuster is het een prima verleider. Wie het uit heeft, weet zeker dat hij iets goeds gelezen heeft. Zonder meer.

Michel Chevereau & Jack Marini – De pin-up van de B-24, integrale editie. Daedalus. 120 pagina’s hardcover. € 34,95.

Strips & comics

Gelezen: Tom Gauld – Revenge of the librarians

Het is verleidelijk om een recensie van de nieuwe stripbundel van Tom Gauld overdadig te larderen met voorbeelden*. Om over zijn werk te spreken als er niet een heleboel van zijn stroken te lezen zijn, is tamelijk onzinnig. Waarom? Omdat het zo duidelijk is dat na vijf voorbeelden iedere lezer meteen naar de winkel gaat om de overige 150 stroken ook te lezen. Nog mooier is het dat Gauld in zijn nieuwe bundeling, de vierde in dit oblong formaat, zich helemaal op het boek als vertrekpunt heeft gestort. Het is daarmee gemakkelijk de ultieme strip voor boekenliefhebbers. Ideaal voor een paar avondjes genieten: je jast het er niet achter elkaar doorheen. Zijn strips zijn chocoladeboontjes, af en toe een paar, geen handen vol.

De meeste stroken uit Revenge of the librarians verschenen in de boekenbijlage van The Guardian. Iedere week ‘een nieuwe Gauld’ is goed te doen. Werkt het in een bundeling ook? Jazeker, want het knappe van zijn werk zit ‘m in de veelzijdigheid. Wie de hele bundel uitleest, heeft nog steeds het vermoeden dat Gauld pas aan het oppervlak van zijn kunnen heeft getekend. Gemakkelijk gesteld, eerlijk gezegd, want hij bewijst al jaren over een heel diverse en vaardige geest te beschikken die hem in staat stelt over ieder onderwerp onwaarschijnlijk veel invalshoeken te fabriceren. Literatuur en wetenschap zijn Gaulds favorieten, dat is intussen wel doorgedrongen.

Met zijn curieuze stokpoppetjes, die toch opvallend veel schwung en uitstraling hebben, heeft Gauld een ideale vorm te pakken, vergelijkbaar met de swingende figuurtjes van Maaike Hartjes. Een poppetje met een halfzachte kromming in het midden is toch onmiskenbaar een getergde figuur; iemand die tegen beter weten in kinderen probeert te overtuigen dat lezen leuk is, heeft een houding die iets van trots verraadt maar even gemakkelijk bij het eerste zuchtje tegenspraak knakt. Gauld is de maximaalste minimalist van de stripwereld.

Is Revenge of the librarians goed? Ja, maar even goed als zijn eerdere bundelingen. De kwaliteit is constant, het is zoals Neil Gaiman in een glorieuze blurb zegt: Tom Gauld is altijd grappig, maar dan grappig op een manier waardoor je je slimmer voelt. Dat klopt. Bij Gauld gniffel je om de situatie, niet om de mensen die erin afgebeeld worden. Die dienen hooguit de grap, ze zijn nergens het lijdende voorwerp.

Waar toch een ontwikkeling in schuilt is Gaulds kleurgebruik, vooral bij strips van een enkel plaatje. Zijn kleuren neigen dan steeds meer naar het palet van Chris Ware: zachte tinten die een hele gevoelslaag toevoegen: een beetje sentimenteel en melancholisch. Het kan toeval zijn, of aan het onderwerp liggen, maar het werkt.

Tom Gauld – Revenge of the librarians. Canongate Books. 160 pagina’s hardcover. Vanaf € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – Clementine, book One

Met Clementine gooit de Amerikaanse succesauteur Tillie Walden het over een compleet andere boeg. Van Walden, bekend van onder meer haar coming-out-verhaal Spinning en de fraaie roadcomic Are you listening, verscheen onlangs het eerste deel van een drieluik, een afgeleide comic van Walking Dead. Van intieme, gevoelige gender-issues naar zombies en de apocalyps, het is niet niks. Toch weet Walden er een eigen stempel op te drukken, al zal het voor de meeste fans even wennen zijn: de sprong is groot, misschien zelfs te groot – afgaande op dit eerste deel.

In Clementine volgen we een tienermeisje dat onderweg is. Af en toe slaat ze wat zombies van zich af, verder weten we niet veel over haar. In dat opzicht helpt het niet als je Robert Kirkman’s Walking Dead hebt gelezen. Deze Clementine is namelijk niet afkomstig uit de hoofdreeks maar is afgeleid van de Walking Dead Telltale-game, een geflopt spelconcept waarbij de speler zich door allerlei filmpjes moet worstelen, met een minimaal uitgewerkt point-and-click mechaniek voor de interactie. Hoewel het een rare keuze is, is het op zich niet erg: fans van Walking Dead weten wat ze ongeveer te wachten staat, fans van Walden hoeven niet eerst door Kirkman’s oeuvre heen om van start te gaan.

Na wat omzwervingen komt Clementine de naïeve Amish-jongen Amos tegen. Met hem gaat ze naar Vermont. Nog eens: geen idee waarom, het zal later vast duidelijk worden. Zij ontmoeten een groepje jongeren en samen gaan ze boven op een berg wonen. Of overleven, het is maar hoe je ernaar kijkt. Waar het op neerkomt is dat alle leden van het groepje worstelen met iets uit het verleden, en voor zover dat nog niet besproken is: met het leven in het algemeen. Hier komt de stem van Walden het beste tot haar recht. De spaarzame gesprekken die de jongeren hebben houden het verhaal gaande, met minimale emotie en introspectie. Bijzonder, want het Walking Dead universum laat doorgaans weinig ruimte voor verfijning en gevoel.

De lijn van dit eerste deel zit ‘m vooral in de ontwikkeling van Clementine. Zij weigert zich te hechten aan iets of iemand, trekt een muur rond zich op. Maar in een situatie waarbij de jongeren zo dicht op elkaar leven, is dat bijna niet mogelijk. In dat verband is het personage van Ricca een gouden greep – zij is de meest Walden-achtige en de minst humeurige van het stel. Zij gaat het gesprek af en toe aan, zorgt voor de inhoudelijke afwisseling die het verhaal temporiseert. Ricca is menselijk, waar de rest net zo boos is als oninteressant.

De pest met een eerste deel van drie is dat er misschien nog een heel interessante verhaallijn uit de hoed wordt getoverd, maar dan zou je daar op z’n minst nu alvast een paar draadjes van moeten terugzien. Het verhaal is vooral een soort survival-spel waarbij de lezer maar moeilijk sympathie kan opbrengen voor de personages. Het lijkt allemaal niet zo nodig te hoeven. Voorbeeld: het stormt, het huis stort in, ze bouwen een nieuw huis (met een hoop gedoe en gedram) en dan is dat ook weer voorbij. Er ontwikkelt zich bijna niets tussen de figuren, vooral omdat ze elkaar zomaar zijn tegengekomen en daar zonder reden met elkaar zitten opgescheept. Als je een eerste deel van drie uitbrengt, dan moet de lezer na de laatste pagina’s toch meteen door willen lezen? Dat is nu niet echt aan de hand. De personages zijn daarvoor te willekeurig, er is te veel zomaar.

De tekeningen van Walden passen goed in de wereld van Walking Dead, en dat is best verbazend. Omdat ze snel tekent en zich niet verliest in details, maar juist heel schetsmatig blijft in achtergronden, pakt het goed uit. Het is gruizig. Wat eraan bijdraagt is dat het zwart wit is gebleven. De keerzijde is dat de personages gaandeweg steeds meer op elkaar gaan lijken, vooral in de koude maanden, als iedereen met mutsen en dikke jassen rondloopt. Wat je dan ontdekt is dat het verhaal feitelijk (nog) flinterdun is: het maakt werkelijk niet uit wie wat zegt en waarom.

Clementine zou in beginsel een interessant verhaal kunnen worden, bijvoorbeeld in lijn van Waldens beste graphic novel, On a Sunbeam. Ook daar volgt de lezer een groep jongeren, maar is er veel meer ontwikkeling gaande. Op dit moment staat Clementine daar nog mijlenver van af. Maar misschien pakt Walden echt uit in het tweede deel, dat overigens pas in juni 2023 in de winkel ligt. Ook dat had echt beter gekund.

Tillie Walden – Clementine, book One. Image. 256 pagina’s. $ 13,49.

Strips & comics

Jean-Jacques Sempé – Het geheim van Raoul Taburin

Het geheim van de fietsenmaker Raoul Taburin is niet echt een geheim voor de lezer. Na de introductie van het schattige, klassieke Franse dorpje, Saint-Céron, met zijn vlijtige middenstand in een omgeving van rust en landerigheid, staan we stil bij de fietsenmaker in het dorpje: Raoul Taburin. Hij weet alles van fietsen, repareert iedere piep of knars, maar kan zelf niet fietsen. Het lukt hem niet. Hij krijgt het niet gedaan: “Raoul Taburin (had) de grootste moeite om de geheimzinnige machten te bedwingen van de middelpuntvliedende kracht, de aantrekkingskracht van het aarde en de wetten van de zwaartekracht.”

De jonge Raoul plooide zich in allerlei bochten om maar niet te hoeven fietsen, iets wat hem uiteindelijk opvallend gemakkelijk afgaat. In het dorp heeft niemand ooit iets door, zelfs niet toen hij nota bene fietsenmaker werd. Maar toch, leven met zo’n geheim gaat niemand in de kouwe kleren zitten.

Het fraaie van de vertelling zit in deze discrepantie: wat de lezer wel weet, weten de dorpelingen niet. Het levert een mild-ironisch geheel op, waarbij het vriendelijke, zachtaardige van het dorp mooi afsteekt tegenover de innerlijke worsteling van de fietsenmaker. Alle gebeurtenissen die zich in en om het dorp afspelen, staan in het tegen van die strijd. Taburin, altijd op zijn hoede, wordt verrast door de aardige portretfotograaf die zich in het dorpje vestigt. Deze Hervé Figougne wordt zijn beste vriend, al blijft ook voor hem het geheim geheim. Tot de dag dat Figougne Taburin voorstelt om een heroïsche actiefoto te maken, op twee wielen welteverstaan. Taburin kan er echt niet meer onderuit.

Jean-Jacques Sempé, de Franse illustrator en stripmaker die onlangs op 89-jarige leeftijd overleed, schreef en tekende Raoul Taburin in 1995. Niet veel van zijn werk werd eerder in het Nederlands vertaald: tussen 1961 en 2009 verschenen bijna dertig eigen titels en een heleboel verhalen van anderen met zijn illustraties, waarvan Le Petit Nicholas (op scenario van René Goscinny) tot het Franse erfgoed behoort. Af en toe verscheen er een verzameld werk in het Nederlands, dan een willekeurig boek, maar nooit werd zijn oeuvre opgepakt. Dat uitgeverij Oevers nu de handschoen oppakt is te prijzen. Intussen is er een tweede druk verschenen, binnen twee maanden, dus de voortekenen zijn goed.

De vertaling van Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen is heel fraai, soms op het onnederlandse af. Dan kiezen ze voor buitenissige oplossingen of lopen de zinnen raar op een grappige, aanstekelijke manier. Sempé heeft een paar geestige taligheden in zijn verhaal verpakt en die komen ook in de vertaling goed tot hun recht. De lokale middenstanders bijvoorbeeld hebben allemaal zaken die de dorpelingen met hun eigennaam benoemen: de plakjes worst van de slager Auguste Frognard heten frognards en de brillen van de opticien heten bifailles, naar Frédéric Bifaille. Zo heten de fietsen van Taburin uiteraard taburin.

Het geheim van Raoul Taburin is een prima kennismaking met het werk van Sempé. Sempé-liefhebbers halen uit dit vriendelijke verhaal hoop voor de nabije toekomst: dat het succes van dit boek het werk van Sempé eindelijk voluit en voor een groot publiek beschikbaar kan worden. Volgend voorjaar verschijnt bij Oevers het mooie Marcellin Caillou van Sempé, dus er wordt aan gewerkt. Hulde.

Jean-Jacques Sempé – Het geheim van Raoul Taburin. Uitgeverij Oevers. 96 pagina’s hardcover. € 22,50.

Strips & comics

Gelezen: Xavier Chimits & Jacques Martin – De auto’s van Lefranc

De auto’s van Lefranc is een fraai naslagwerkje, zoals die eens in de zoveel tijd verschijnt – vertaald en wel, uit het Frans. Wie heeft rondgewandeld op het stripfestival van Angoulême weet hoe dol de Franse zijn op dit soort gethematiseerde boeken. Daar verschijnen ze aan de lopende band: vaak forse en flink geprijsde albums met prachtige inkijkjes, schetsen, dossiermateriaal en dergelijke. Volledig gericht op fans en liefhebbers, die het soort boeken kopen bij wijze van blikvangers van hun verzameling.

Zo is het ook met het net verschenen De auto’s van Lefranc. Ben je fan van de klassieke avonturen van Lefranc door de Franse stripmaker Jacques Martin (1921-2010), dan hoort dit boek in je kast. Martin, die samen met Hergé en E.P. Jacobs wordt gerekend tot de grote drie van de zogenoemde Brusselse School, is vooral bekend van zijn Romeinse stripreeks Alex – keistatisch en stijf, maar in de jaren vijftig razendpopulair onder lezers van stripblad Kuifje. Vanaf 1952 verschenen in datzelfde blad de avonturen van Lefranc, een journalist-detective die altijd strak in het pak de criminaliteit te lijf ging. Strips tjokvol tekst, met één en al spanning: een typische weekbladstrip uit die jaren.

Dat Alex en Lefranc een trouwe fanschare hebben, komt omdat er nog altijd albums verschijnen van de beide heren. Weliswaar getekend en geschreven door anderen, maar toch: de antieke strip houdt het hoofd onvermoeid boven water. In het geval van Alex is dat wonderlijk, bij Lefranc minder: de verhalen zijn heel goed te pruimen. Het album Het Ares-schandaal dat een paar maanden geleden verscheen was bijvoorbeeld een prima uurtje verpozen – voor de klassiek geïnteresseerde stripliefhebber uiteraard.

De auto’s van Lefranc opent met een heerlijk onmatig voorwoord van de voorzitter van het Franse Automobiel Museum. Het bevat een overdaad aan bijvoeglijke naamwoorden en is een staaltje glorificatie waar je u tegen zegt: “Lefranc was detective, wreker en ontdekkingsreiziger. Hij bestreed het onrecht en redde zelfs de planeet! En dat deed hij telkens aan het stuur van een auto…” Verderop lezen we zelfs “dat niet alle striptekenaars zich ervan bewust zijn dat ze het voorrecht – of beter: de verantwoordelijkheid – hebben om de geest van de lezer te vormen”. Marin, die had dat allemaal natuurlijk wel in de smiezen.

Maar daarna daalt het stof en duiken we in de archieven van stripblad Kuifje. Aan de hand van fraaie tekeningen van klassieke auto’s lezen we welke rol de auto had in het werk van Martin. Dit zijn de mooiste 28 pagina’s uit het boek. Het verhaal is volledig, interessant maar een tikje droog opgeschreven. Belangrijker: het getoonde originele beeldmateriaal is soms werkelijk prachtig, vooral waar er gekozen werd voor originelen die niet zijn opgeschoond. De instructies, afmetingen en dergelijke in de kantlijn maken het nóg fraaier, nog echter. Beetje lezen, beetje bladeren, beetje kijken: er zit een aandachtig soort rust in dit soort boeken en in dit geval is het niet anders. De auto’s van Lefranc doet wat het belooft: de liefhebber van strips en auto’s een genoeglijke tijd geven.

Het tweede deel van het boek is van een ander slag: daarin wordt per album stilgestaan bij de auto’s die erin te zien zijn. Van het eerste deel uit 1952, de geweldige en aanbevelenswaardige stripklassieker Het sein staat op rood, tot en met het eerdergenoemde Het Ares-schandaal van dit jaar. Kort gezegd: per album een inleidend tekstje met daarbij een aantal plaatjes uit het boek, waarin de automodellen getoond worden, voorzien van de merknaam en het type. Dus van de Ferrari 250 MM Berlinetta, de Simca Aronde 9 en Chrysler Saratoga uit deel 1, tot de Alfa Romeo Guilietta, de Facel Vega HK500 en de klassieke Panhart & Levassor type X14 Torpedo uit het meest recente verhaal. Leuk en aardig, ook een beetje veel allemaal.

Het boek sluit af met een niet eerder gepubliceerd verhaal van de huidge Lefranc-makers Roger Seiter en Régric, De Route des Vins Rally, waarin Lefranc nog geen tien pagina’s nodig heeft om het geboefte uit te schakelen.

De auto’s van Lefranc is niet het ultieme bladerboek voor Lefranc- en Martin-liefhebbers geworden. Het eerste deel is perfect toegesneden op de wensen van de veeleisende liefhebber, met mooi, origineel illustratiewerk en interessante achtergrondinformatie. De visuele opsomming van alle auto’s die ooit een rol speelden in de albums is wat minder sterk: het is uiteindelijk te weinig verrassend of spectaculair. De echte fan, de completist, de autoliefhebber en de nostalgicus kopen dit boek blind. Anderen kunnen zich beter eerst eens aan een paar Lefranc-titels zetten, wie weet dat de vonk overslaat.

Xavier Chimits & Jacques Martin – De auto’s van Lefranc. Casterman. 112 pagina’s hardcover. € 29,99.

Strips & comics

Patrick Jusseaume, Olivier Mangin & Jean-Laurent Truc – Non-Retour: Algerije, Juli 1962

Het album Non-Retour: Algerije, Juli 1962 lijkt een onderdeel van iets veel groters. Van een afstandje beschouwd zien we een groep mensen op een vliegveld. Er heerst een opgefokte sfeer, het heeft niet het uitbundige van een vakantie. Deze mensen worden op het vliegtuig gezet, weg van Algerije waar zij als voormalige kolonisators en handlangers niet meer welkom zijn. Het is 1962 en in maart van dat jaar trokken de Fransen zich terug en zegevierden de Algerijnse onafhankelijkheidsbewegingen. Nu de Algerijnse Oorlog voorbij is, wordt er orde op zaken gesteld, met repatriëringsvluchten als gevolg.

Feitelijk gaat dit verhaal over één van die vluchten – het is gebaseerd op de jeugdherinneringen van de scenarist Jean-Laurent Truc. In het boek zou je Laurent in hem kunnen terugzien: een aan strips verslingerd jongetje dat het liefst Buck Danny leest. Die stripklassieker blijft in het verhaal steeds terugkeren, tot in de slotscène aan toe. Laurent reist met zijn moeder en zijn broertjes en zusjes. Verder zit er een rare mengelmoes aan types in het vliegtuig: een agent van de inlichtingendienst, een spion, een kolonel van geheime koloniale leger OAS en nog een hoop bange en opgeluchte burgers die eindelijk weg kunnen. En dan zijn er nog vreemde figuren, zoals een clichématig zwetende man en een iets te chique vrouw die zich aan de familie van Laurent opdringt: de ideale dekmantel voor wat dan ook, zou je denken.

Als deze kleurrijke poppenkast eenmaal het luchtruim kiest is er aan alle kanten rumoer en gedoe. Ook de bemanning is nerveus en dat zorgt voor een fijne, broeierige sfeer die het in dit soort avonturenstrips altijd goed doet. Het wordt nog spannender als de autoriteiten het vliegtuig tot landen dwingen, precies in een gebied waar geen van de passagiers graag wil zijn. Of wel? Voor de meeste Fransen is dit gesneden koek, voor hun is Algerije lang een open zenuw geweest. Zij weten waar het naartoe gaat. Voor ons is het nog even uitvogelen waaraan zoal wordt gerefereerd.

Waarin het verhaal een onderdeel lijkt van iets groters, komt doordat veel in de uitlegstand wordt verteld. Waarom zaken zijn zoals ze zijn, wordt meegedeeld, vooral in de richting van de jonge Laurent. Die manier van een verhaal vertellen is niet altijd een aanbeveling, maar voor de lezer, met name als die niet meteen alle feiten rond de Algerijnse burgeroorlog paraat heeft, is het voor deze keer handig. Opvallend is dat veel wordt gebracht alsof de personages al een paar albums meegaan. In dat opzicht is dit een herkenbare albumformule die zou passen in doorlopende reeksen als Largo Winch en Tango: de lezer begint bij een willekeurige gebeurtenis, volgt het verhaal en heeft aan het einde weer meer informatie opgedaan voor een volgende aflevering.

Dat zou kunnen betekenen dat Non-Retour: Algerije, Juli 1962 niet echt een afgerond verhaal is. Ergens klopt het, vooral omdat het zomaar begint zonder duiding. Wie zijn deze mensen? Waarom volgen we ze? Het is wat toevallig, al zorgt het er ook voor dat we achter iedere koffer en potentieel gevaar zien. Dat en het frisse, maar werkelijk traditionele tekenwerk zorgt ervoor dat het verhaal onderhoudend is. Hoogtepunt van het verhaal is het broeierige kleurgebruik, dat de sfeer perfect weet te vangen. Het maakt van Non-Retour: Algerije, Juli 1962 een even fraai als verrassend album: een genoeglijke drie kwartier. Of een bijzondere keuze om te vertalen, zo kan je het ook zien.

Patrick Jusseaume, Olivier Mangin & Jean-Laurent Truc – Non-Retour: Algerije, Juli 1962. Silvester. 76 pagina’s hardcover, met stofomslag. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Chris Condon & Jacob Phillips – That Texas Blood Volume 2

Zelden met zulke hoge verwachtingen begonnen aan het tweede complete story arc van een comic. Het eerste verhaal van de Texaanse misdaadcomic That Texas Blood, van het wervelende duo Chris Condon en Jacob Phillips, legde de lat meteen hoog. Voor de lezer met een korte aandachtsspanne: dit verhaal is nóg beter, nóg broeieriger en zit nóg sterker in elkaar. Als de heren in dit tempo doorgaan en met deze intensiteit, dan kan de verwende crime-comiclezer nog veel verwachten – en waarom zouden ze niet?

Het is slim dat Condon en Phillips hebben gekozen voor Texas in de titel. Intussen lijkt er namelijk een heel nieuw subgenre te zijn ontstaan, het zogenaamde Texas mysterie: donker, uitzichtloos, eigengereid en agressief. Het is een beeld dat zorgvuldig gecultiveerd wordt in de media, waar het godvrezende en primitieve Texas vaak als een Trumpiaans hell hole wordt afgeschilderd. In Ambrose County is het niet anders. Het is een uitgestrekt landelijk gebied, met weinig perspectief en af en toe een hallucinante ontwikkeling die de boel kortstondig op scherp zet. In deel 1, dat net als deel 2 geen aparte titel heeft, werd dat perfect ingezet. De lezer had na een paar intriges, leugens en schietpartijen alles helder voor de geest. Geen plek om lang te blijven.

In Ambrose is een man die alles weet en iedereen kent: Joe Bob werkt op het politiebureau en omdat hij al op leeftijd is, doet hij het wat rustiger aan. Die rust doet hem minder goed dan hij zou willen, want er zijn een aantal zaken uit zijn verleden die hem blijven achtervolgen. In deze tweede aflevering van That Texas Blood vertelt hij een van die verhalen aan een jongere collega: dat van een vermist meisje, haar vermoorde broertje en twee mannen waarvan ze destijds vermoedden dat ze bij een sekte hoorden.

In iets meer dan 150 pagina’s wordt het verhaal op een bloedstollende manier naverteld: hoe er een tamelijk dwingende privédetective bij hen aanklopt met belastende informatie over een zonderlinge figuur die in de buurt woont en die er vreemde gewoonten op nahoudt. De agenten van dienst, onder wie een jonge Joe Bob, laten het met rust: ze kunnen onmogelijk alles en iedereen gaan onderzoeken als iemand ongevraagd om actie verzoekt. En toch laat het Joe Bob niet los, vooral omdat hij het ontvoerde meisje persoonlijk kent. Er is bovendien geen tijd te verliezen.

Phillips* heeft de karakterkop van Joe Bob perfect in de vingers: die is verweerd, geraakt en menselijk. We zien zijn verdriet en onmacht terug in zijn ouder wordende lijf. Die emotie weet Condon mooi te vangen in het verhaal. Door slim heen en weer te springen tussen vroeger en nu worden de gruwelijke herinneringen levendiger en heviger; in gesprek met zijn collega probeert Joe Bob zijn wandel na al die jaren nog eens na te gaan. Waarom koos hij voor de dingen die hij deed? Hoe werkt het in het hoofd van een agent als het hem persoonlijk raakt? En is dat niet onvermijdelijk in een gat als Ambrose – waar iedereen elkaar kent?

Dit tweede deel van That Texas Blood is een aanrader voor een warme zomeravond. Het eerste deel is nu zelfs maar een tientje (vast niet overal, dus doe je best!) waarmee twee avondjes Texas in het verschiet liggen. Ons voordeel: de betrekkelijke rust van ons balkon of achtertuin. En koud afdouchen als het je echt te veel wordt.

Chris Condon & Jacob Phillips – That Texas Blood Volume 2 – Image. 176 pagina’s. $16.95.

* altijd moet Jacob Phillips horen dat hij de zoon van Sean Phillips is, de stripmaker die furore maakt met Ed Brubaker in het strip noir genre (Fade Out, Criminal, Kill or be killed). Jacob kleurde een aantal van hun albums in, maar staat nu op eigen benen: als tekenaar en als inkleurder.

Strips & comics

Gelezen: Jeffrey Brown – Loved and Lost: A Relationship Trilogy

Jeffrey Brown brak in 2002 door met een intieme graphic memoir over zijn eigen late tienerjaren. In Clumsy beschrijft hij hoe onhandig hij dingen aanpakt, hoe eigenzinnig hij een concept als liefde uitvogelt en hoe hij steeds alles zo ver overanalyseert dat alle spontaniteit uit zijn handelen wegebt. Clumsy sloeg niet in als een bom, daarvoor zag het er voor de goegemeente niet mooi genoeg uit: wie het blokkige boekje oppakte zag vooral snel getekende pagina’s in zwart wit, niet zo strak uitgewerkt, vaak in zes schetsmatige plaatjes per pagina en vooral slordig geschreven.

Zijn tekeningen waren van hetzelfde laken een pak. Handen waren haakjes aan het einde van staken en als het donker werd in de strip streepte hij gewoon de tekening door. Het leek alsof Brown haast had, dat hij bang was dat hij zijn verhaallijn zou vergeten als hij niet keihard door zou tekenen.

En dat was precies wat het was: Brown (1975) tekende indertijd voornamelijk om zijn herinneringen te vangen, om ze te bewaren voor later. Wie om die reden werkt, is meer bezig met vertellen dan tekenen. Wat zijn werk zo de moeite waard maakt, is zijn vertelstem, zijn perfecte manier om heel rustig en beheerst een situatie te ontleden. De stripliefhebbers die het als zodanig lazen, waren verkocht: hier was een rasverteller aan het woord, iemand die de intieme confrontatie met zichzelf en zijn omgeving durfde aan te gaan.

Na Clumsy verschenen Unlikely en AEIOU (An Easy Intimacy of you). De laatste titel, uit 2007, zag er wat tekenwerk betreft een stuk behapbaarder uit, al kwam het terecht in een boekje van 10 bij 15 centimeter met twee boven elkaar liggende plaatjes per pagina. Ook al niet echt je van het. Brown besteedde wel meer tijd aan zijn tekeningen, toch bleven de lelijke handjes.

Met deze drie titels had Brown zich behoorlijk in de kijker gespeeld, en niet alleen bij het avontuurlijke small press graphic novel publiek. De verhalen, die thematisch verwant zijn en gaan over kwetsbaarheid, intimiteit en liefde, zijn nu gebundeld in een dikke pil: Loved and Lost: A Relationship Trilogy bevat 608 pagina’s.Het leest als een trein. Unlikely, een ’true love story’ volgens de ondertitel, is nog steeds fantastisch. Sowieso zijn de verhalen nergens gedateerd of door het leven ingehaald.

Het is leuk te zien welke weg Brown heeft bewandeld. Na deze drie strips volgden nog Every girl is the end of the world for me (een zelfonderzoek), Little Things (het hoogtepunt uit zijn autobiografische oeuvre) en Funny misshapen body, uit 2009, waarin Brown onder meer vertelt over zijn leven als stripmaker: hier volgen we hem op comic cons en dergelijke en wordt het wat meer een dagboek. Een jaar later verschijnt nog Undeleted Scenes en daarna verandert er veel: Brown wordt vader en krijgt verantwoordelijkheid – in het echte leven, welteverstaan.

Hij gooit het vanaf dan over een andere boeg: sindsdien kennen de meeste jonge stripliefhebbers Brown als de maker van een hele reeks Darth Vader strips. Dat zijn kinderlijke verhalen over Darth Vader die een gezin heeft en een kindje opvoedt, getekend in dezelfde onbehouwen stijl van zijn eerdere werk, al is het wat gepolijster en in kleur. Het is vooral een beetje flauw en plat allemaal, met merchandise en cadeauboekjes en zo, en veel Brown-fans van het eerste uur haken af.

Maar nu ineens, zonder aanwijsbare reden, kan een hele nieuwe generatie striplezers kennis maken met het echt sterke werk van Brown. En dat moeten ze zeker doen: ook jonge stripmakers die veel beter tekenen dan Brown zullen ontdekken dat een goede strip er eentje is die je meesleept, ook al is het allemaal niet groots en indrukwekkend. Brown laat zien dat een eenvoudig verhaaltje over een jongeman die twijfelt over van alles en nog wat echt prachtig kan zijn. Hij vertelt eerlijk over hoe het is om een lange-afstandsrelatie te hebben en hoe je dat soms tot wanhoop kan drijven. Allemaal echt en zonder opsmuk.

Brown is bitterzoet en ontwapenend eerlijk, hij is lief en onaardig voor zichzelf en anderen. Hij zoekt, twijfelt en gaat door. Zijn werk zit in alledag en is daarom zo de moeite waard. Loved and Lost: A Relationship Trilogy is een perfecte introductie van zijn werk en ideaal voor wie zich een tijdje heerlijk wil onderdompelen in twijfel, pijn en romantiek. En het is echt: na vier pagina’s valt het krakkemikkige tekenwerk je al niet meer op. Sterker nog, het wordt gaandeweg charmant. Ongelooflijk.

Jeffrey Brown – Loved and Lost: A Relationship Trilogy. Top Shelf. 608 pagina’s. € 34,95

Strips & comics

Gelezen: Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis

Uiteraard zag de stripliefhebber het al een beetje aankomen. Heden verse vis werd voorgepubliceerd in stripblad Eppo en daar vielen de losse delen al in de smaak, maar eenmaal alles achter elkaar, 72 pagina’s lang: wat een plezier. Hardop schateren om de strapatsen van twee karikaturale stripmakers, je verkneukelen om het afzijdige van het sterrendom, glimlachen om de gevatte dialogen en de echt goede grappen; Heden verse vis heeft het allemaal. Gaat er dit jaar één strip mee in de handbagage, dan is het dit album.

Marc Legendre en Charel Cambré zijn twee grote namen in het Vlaamse striplandschap. Cambré (Amoras, Jump, en meer) legt een ongekede productie aan de dag en Legendre kennen we van Biebel (ooit) en nu voornamelijk als scenarist, van onder meer De Rode Ridder. In Heden verse vis spelen ze nu eens zelf de hoofdrol. De twee mannen, die elkaar voortdurend bij de achternaam noemen, zoal te doen gebruikelijk als je uit de Kempen komt, staan op een kruispunt in hun carrière. Ze willen een grote sprong maken, om voorgoed binnen te zijn, om er echt toe te doen. Voorbij met dat gepap, nu moeten er grote stappen worden gezet. Sprongen zelfs! Ze willen herkend worden en gevierd, want daar schort het nog aan.

We zien de twee in een stripwinkel wegkwijnen tijdens een slecht bezochte signeersessie – waar ze uiteindelijk bezoek krijgen van een echte stripliefhebber die ze lastigvalt en ze iets te amicaal dwingt tot allerlei kunstjes. Het is de druppel: bij een Duvel overwegen ze dan maar een viswinkel te beginnen. Vandaar de titel. Maar nee, ze willen het nog één kans geven: Legendre heeft een huisje in Spanje, daar gaan ze een meesterzet uitdokteren. Daar gaat de toekomst bepaald worden. Wat volgt is een soort slapstick roadmovie, met allerlei grappige ontmoetingen en fratsen onderweg.

Of ze een goed idee bedenken als ze eenmaal in het dorpje zijn, is niet relevant. Het reisverslag is al meer dan voldoende grappig en scherp. Ook geweldig zijn de inkijkjes in de stripwereld die het duo ons gunt: die van luie uitgevers die niets anders doen dan nog maar een keer een oud lijkje afstoffen, nog maar een luxe versie van een klassieker, nog maar eens iets proberen wat al duizend keer gedaan is of aanhaken bij het schamele succesje van een ander. Ook het subsidietraject wordt onder de loep genomen, met prachtige rollen voor cultuurbobo’s die alles heel goed voor zichzelf regelen en voor die ene auteur, die verdacht veel op stripidool Brecht Evens lijkt.

Legendre en Cambré slepen zich voort, wetend dat ze het niet meer gaan redden, behalve als ze echt iets geniaals op poten zetten. Maar geloven ze er zelf nog in? In Heden verse vis gaat het om authenticiteit in een platgeslagen, risicoloze wereld vol hotemetoten en mislukte uitgevers. Klinkt gevaarlijk, maar de twee weten er slim een draai aan te geven door zichzelf als grootste mislukkelingen neer te zetten. Ze lachen om zichzelf, vooral dat: zie ze daar nu, die twee laatvijftigers met hun obligate idealen en hun meningen over alles en iedereen.

Cambré heeft zijn meest swingende potlood gevonden en dat betaalt zich uit. De pagina’s, met name de Spaanse, zijn een genot. En hoe gek het misschien klinkt: hij heeft de twee figuurtjes perfect in de vingers. Hij een tikje opvliegend en druk, Legendre als een bedachtzame, rustige tegenpool die hem vooral heel gevat van repliek dient. Geen Laurel en Hardy, wel een gouden combi.

Het mooie nieuws is dat dit het eerste deel is van een heuse trilogie. Iets wat je overigens helemaal niet doorhebt aan het einde van dit album: de aparte anekdotische verhalen zijn losjes aan elkaar geknoopt tot een geheel, zodat de voorpublicatie in Eppo steeds smooth verliep, maar echt een rode draad of bovenliggende verhaallijn is er niet. Het gaat gewoon om twee grappige figuren, Legendre en Cambré, die er samen proberen uit te komen. Waaruit? Goh ja. Geen idee eigenlijk.

Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis. Standaard Uitgeverij. 72 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen

Guy Delisle, de Canadese succesauteur van graphic novels als Pyongyang, Gegijzeld en onlangs De papierfabriek, gooit het over een andere boeg. Het onlangs verschenen De kunst van het nietsdoen is een verzameling korte verhalen, die een andere kant van zijn vakmanschap toont. In zijn graphic novels kiest Delisle altijd voor een minimalistische aanpak: eentje van weinig lijnen, geen franje en een rustige pagina-opmaak. Het is zijn handelsmerk, zijn werk herken je uit honderden.

In De kunst van het nietsdoen zien we meer dynamiek: sommige bijdragen zijn kriebelig, gedetailleerd en eigen; andere strips passen moeiteloos in de Franse traditie, zoals het bijzondere Het verhaal van de dobberende hond. Wat al deze bijdragen laten zien is dat Delisle bepaald geen one trick pony is: dat hij koos voor een rustige en uitgebalanceerde stijl voor zijn reisverslagen (Shenzen, Birma, Pyongyang en Jeruzalem) wil niet zeggen dat hij niet meer pennetjes in zijn etui heeft. Hij zou gemakkelijk een avonturenstrip aankunnen, zelfs een Kobijn album, als dat moest. Zijn werk neigt naar dat van collega’s Trondheim en Larcenet, zij het wat ronder en lieviger.

Je zou in dat geval bijna denken dat Delisle met De kunst van het nietsdoen – de titel verwijst naar een van de strips in de bundeling, niet eens een prominente – een open sollicitatie stuurt naar iedereen die een veelzijdige tekenaar én verteller zoekt. Want meer nog dan de tekeningen verrast Delisle met zijn verhalen: soms absurd, soms prikkelend met een filosofische touch, dan weer een grappige slice of life. Alle verhalen, sommigen zijn al bijna 25 jaar oud, zijn al eens eerder verschenen, in tijdschriften en anthologieën.

Die positieve ratjetoe aan stijlen en verhalen maakt het lezen in deze bundeling alsof je in een Eppo zit te bladeren, die door één enkele auteur is volgetekend. Dat pakt goed uit: het is iedere keer weer een verrassing wat er op je pad komt. Het mooist zijn de autobiografische observaties, zoals de verhalen Vaste grond (over de zonne-eclips) en het openingverhaal Het eerste plaatje, waarin de auteur vastlegt hoe hij te werk gaat. In de tekstloze bijdragen laat Delisle vooral zien uit welke hoek hij afkomstig is: die van de animatie. Dan buitelen de mannetjes door het beeld en vloeien de handelingen in de kaders: fraai, als grafische poëzie.

De kunst van het nietsdoen is zowel geschikt voor lezers die al bekend zijn met het werk van Delisle als nieuwe lezers. De eerste groep ontdekt nieuwe, interessante aspecten van zijn werk, de tweede groep heeft een vrolijk boek te pakken om af en toe een strip uit te lezen. Of zij daarna de overstap maken naar het andere, lange werk van Delisle is geen uitgemaakte zaak, maar wel te hopen.

Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen. Concerto Books. 152 pagina’s hardcover. € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden

Jerome Bloks is een publiekslieveling. De schlemielige privédetective met zijn Solex en koddige maniertjes draait al mee sinds 1982. Aanvankelijk vrij geruisloos, sinds deel 6 is er een stevige fanbase die de slimme verhalen van de Fransman Dodier – die dan de strips tekent én schrijft – waardeert. Een nieuw album van Bloks is altijd een zekerheidje: dat laat je niet liggen. En nog steeds trekt de serie nieuwe lezers, getuige de flinke prijzen die worden betaald voor de “moeilijke deeltjes”, zoals het in verzamelaarskringen heet: de oudere nummers die niet veel voorhanden zijn en alleen nog gevonden worden op de antiquarische markt.

Van die serie verscheen dus onlangs het 28ste deel, In goede en slechte tijden. De titel verwijst naar een vrouw die Jerome tijdens zijn rij-examen ontwaart: ze staan in vol ornaat op een viaduct en dreigt te springen. Althans, dat is wat Jerome vermoedt. Hij gaat subiet poolshoogte nemen, hoort haar verhaal aan van een mislukte bruiloft en weet haar te kalmeren. Die vrouw zet vervolgens het leven van Jerome op zijn kop.

Om het maar meteen te zeggen: het is geen goed verhaal. Het is te begrijpen, het is te volgen maar de ontwikkelingen zijn wat vreemd en ook de rol van Bloks is apart. Oké, hij is de verstrooide detective, maar hij is niet dom. En zijn vrienden vinden het allemaal maar raar wat er gebeurt, maar ze laten hem toch begaan. Zijn vriendin Babs, de stewardess die halverwege terugkeert van haar werk, is des duivels en trekt haar eigen plan. En Bloks? Die gaat zonder werkelijk iets op te lossen door met zijn zaak, die niet echt een zaak is. Dat komt omdat hij zelf een te grote rol heeft: er is geen opdrachtgever, niet iemand die hém nodig heeft.

Daarbij zijn er veel dingen die een beetje raar zijn: als de bruid haar wanhoopsdaad wil plegen heeft zij haar trouwjurk aan, die zij twee dagen later nog steeds draagt als ze bij Bloks langskomt. Ze blijft maar in die witte jurk rondlopen. Ook in de ontknoping zit een wel heel grote toevalligheid als iemand zomaar iets doet wat niemand zomaar zou doen – geen spoilers uiteraard.

Het verhaal begint nog wel spannend, met een soort dubbele nachtmerrie die in twee stadia uitkomt in het ziekenhuis waar Jerome Bloks ligt bij te komen met een steekwond in zijn buik. Daar gaat ook de nachtmerrie over: zijn vriendin Babs zwaait daarin gevaarlijk met een flink mes, net als te zien is op het omslag. Maar hoe het precies zit, is dan nog niet duidelijk. Om dat te vertellen gaat Dodier zes maanden terug in de tijd. In een verhaal dat meer dan anderhalf keer zo lang is als een vergelijkbare strip, volgen we de handel en wandel, in voor- en tegenspoed. En toch heeft Dodier aan het einde enorme tijdsprongen nodig om er een rond verhaal van te maken.

De tekeningen van Dodier zijn herkenbaar uit duizenden. Ze zijn charmant, maar af en toe ook onevenwichtig. Bloks is heel expressief, al zijn gezichtsuitdrukkingen zijn fraai en raak, maar dat geldt niet voor de bruid: haar gezicht is vlak en ze is daardoor moeilijk te peilen. Misschien de bedoeling, maar het kan echt spannender. Ze lijkt constant onder invloed, ze is te onderkoeld. Wat ook opvalt, in positieve zin, is hoe goed de inkleuringen zijn. Die zijn van de hand van Cerise – geen achternaam. Haar werk maakt dat het verhaal echt van nu is. De kleurstellingen zijn zoals 2022 is, zogezegd.

En beetje spijtig is het wel dat dit niet het verhaal is geworden, zoals Dodier ze eerder wel maakte, met De kluizenaar als voorlopig hoogtepunt. Dodier moet Bloks iets laten oplossen, de vriendelijke sul is minder geschikt om een verhaal aan op te hangen: daarvoor zijn zijn schouders te fragiel en is hij te onberekenbaar.

Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden. Dupuis. 72 pagina’s. € 8,99.