Strips & comics

Gelezen: François Schuiten & Benoît Peeters – Brussel: Hoofdstad der Dromen

Even iets persoonlijks: als ik vertel dat ik graag naar Brussel ga, meestal zo’n zes keer per jaar, dan kijken met name mijn Vlaamse vrienden me een beetje vreemd aan. Ik maak een grap, toch? Bedoel je niet Brugge? Of Gent, Antwerpen desnoods?

Maar nee, het is echt Brussel; de stad waarvan ik ben gaan houden. Een bijzondere stad met verhalen, als het leven zelf. Niet altijd mooi misschien, maar zeker aangenaam: een stad die bij ieder bezoek weer iets nieuws en onontdekts prijsgeeft. En ik ben niet de enige die dat vind.

Het vermaarde duo François Schuiten en Benoît Peeters is dezelfde mening toegedaan. De twee Brusselaars staan er kort bij stil in de inleiding van hun hommage-album Brussel: Hoofdstad der Dromen, een statig, fors album over de de historie van de Belgische capitool. Op het achterplat staat het aldus: “Wie houdt van Brussel neemt er ook haar schaduwen en haar spoken bij. Brussel moet je immers elke dag opnieuw verzinnen.”

Wie het werk van Schuiten kent, weet dat Brussel – met name de architectuur en het grootstedelijke karakter – vaak een prominente rol speelt in zijn verhalen. Waar het niet letterlijk blijkt, ziet de goede lezer toch onmiskenbaar Brusselse invloeden. Neem Schuitens Blake en Mortimer-album De laatste farao, een hommage aan het werk van E.P. Jacobs dat in 2019 verscheen. In dat verhaal is professor Mortimer in Brussel omdat er een geheime kamer is ontdekt in het Justitiepaleis, meer bepaald: het werkverblijf van de eigenzinnige architect Joseph Poelaert.

Deze Poelaert komt uiteraard aan bod in Brussel: Hoofdstad der Dromen, samen met veel andere markante figuren en gebouwen die de stad hebben gevormd en gekleurd. Victor Horta is er (van het Horta-huis en het gebouw dat dienst doet als Belgisch Stripmuseum), Jules Victor Anspach (van de eens zo drukke verkeersader die intussen is veranderd in een brede, onooglijke wandelpromenade) en Charles Bruls (1837-1914), de burgemeester die de stad wilde opstuwen in de vaart der volkeren.

Voor de goede orde: Brussel: Hoofdstad der Dromen is geen stripverhaal. Het is een geïllustreerd boek over Brussel, met verhalen die per hoofdstuk worden opgediend. De teksten van Benoit Peeters zijn informatief, maar soms wat droog en formeel. Wat er onmiskenbaar uit de teksten naar voren komt, is de liefde voor de stad. Het mooie zit in het omslaan van de bladzijden: dan wordt de verraste lezer ineens getrakteerd op flinke kijkplaten, architectuur in vol ornaat en grootse vergezichten. Het boek is puik vormgegeven, waarvoor grafisch ontwerper Jack Durieux verantwoordelijk is – die zich ook al bemoeide met het eerder genoemde Blake en Mortimer-album en de fraaie, ingekleurde versie van de De koorts van urbicande uit 2020.

Het boek wordt aangeprezen als een wandeling door de stad; een typisch Schuiten-stokpaardje, net als het dromerige perspectief – vandaar de titel. De lezer moet dat laatste er zelf een beetje bij bedenken. Maar dat “bijbedenken” hoort bij de charme van de stad, die alleen de avontuurlijke bezoeker laat kennismaken met het mooie. Voor wie het niet wil zien of voor de haastige passant zal Brussel nooit een mooie, intrigerende stad worden.

François Schuiten & Benoît Peeters – Brussel: Hoofdstad der Dromen. Casterman. 128 pagina’s hardcover. € 34,99.

Strips & comics

Gelezen: Yoshiharu Tsuge – Red flowers

Red flowers is na The swamp het tweede deel van het complete overzichtswerk van de Japanner Yoshiharu Tsuge (1937). Hij wordt gezien als een innovatieve mangaka (stripmaker) die zich vanaf halverwege de jaren zestig richtte op een volwassen lezerspubliek met serieuze beeldverhalen, die tot dan toe ongekend waren in Japan. Zijn werk is surrealistisch, dramatisch en vooral: hij kiest steevast voor een gekwelde hoofdpersoon, iemand met ondeugd en twijfel. Zijn buitenissige verhalen leverde Tsuge in eigen land een cultstatus op. Met het verschijnen van het complete werk, dat uit zeven delen gaat bestaan, zijn Tsuges verhalen voor het eerst in het Engels beschikbaar.

The swamp was een eye opener, en op die ingeslagen weg gaat deel 2, Red flowers, min of meer verder: het gaf de lezer een andere kijk op manga. Tsuge haakt met zijn korte verhalen aan bij wat gekiga wordt genoemd. Gekiga is de meer literaire variant van manga waarin serieuze thema’s worden behandeld. Het is te vergelijken met het onderscheid dat wij hanteren voor strip en graphic novel. De bekendste gekiga-auteur is Yoshihiro Tatsumi, van Kitaro, Nononba en vooral zijn impossante autobiografie A drifting life – die iedere stripliefhebber zou moeten lezen.

Tatsumi’s grimmige verhalen spelen aan de onderkant van de naoorlogse Japanse samenleving en zijn schrijnend en hard, ondanks de vriendelijke, karikaturale tekenstijl waarin hij ze uitwerkt.

Daarin lijken Tatsumi en Tsuge op elkaar: ook bij Tsuge zien we weinig succesvolle types opdraven. Het zijn sukkelige figuren die zich niet verweren. Neem het openingsverhaal the wake waarin drie sujetten voor de regen schuilen en bij een oude vrouw in huis terecht komen. Zij is niet alleen: haar overleden zoon ligt opgebaard in de kamer waarin het drietal mag schuilen. In plaats van respectvol om te gaan met de situatie zijn ze giechelig, onhandig en ronduit grof. Wat de lezer ermee moet? Tsuge laat ons de slechte kant van de mens zien; zonder oordeel of iets. Alleen dat. De strips zijn onbeholpen op een charmante wijze; hij zoekt naar een manier om het onderhuidse uit te beelden. Er vallen vervreemdende stiltes, veel blijft onuitgesproken.

In dit tweede deel zijn de mensen iets gewoner dan in de allervroegste verhalen uit 1965. In Red flowers zijn de verhalen opgenomen uit 1967, en die twee jaren maken toch al veel verschil. Tsuge probeert de lezer iets minder van zich te vervreemden en dat pakt goed uit. In Red flowers zijn de dialogen en discussies heel sterk, waar de curiositeit van zijn eerste verhalen heel aansprekend waren. Het geeft al een mooi beeld hoe het werk zich ontwikkelt, iets wat we in de volgende delen hopelijk terugzien.

De mensen maken zijn korte verhalen, die variëren van acht tot dertig pagina’s, eigenaardig. Het is min of meer in de traditie van de gekiga van Tatsumi, al gaat Tsuge een stap verder: Tsuge kiest juist niet voor alledaagse situaties, maar rare slices of life. Wat de vroege verhalen bovendien zo bijzonder maakt, is dat Tsuge als eerste de getormenteerde held opvoert die met zijn eigen beperkingen wordt geconfronteerd: de lezer is deelgenoot van zijn depressies, zijn tweestrijd. Niet eerder werden personages zo kwetsbaar neergezet, vooral omdat manga doorgaans plat vermaak was.

Ondanks de cultstatus van Tsuge en zijn succes in eigen land, bleef zijn werk lange tijd onopgemerkt buiten Japan. Omdat hij zijn leven lang aan depressies lijdt en teleurgesteld is in de Japanse uitgeverswereld die uitsluitend oog heeft voor verkoopsuccessen, stopte hij voorgoed in 1987. De Japanse striplezer verloor hem daarna uit het oog.

Het baanbrekende striptijdschrift Raw, dat verscheen van 1980 tot 1991 en onder redactie stond van Maus-tekenaar Art Spiegelman, publiceerde als eerste twee korte verhalen van Tsuge. In 2004 werd Muno no Hito (De man zonder talent) in het Frans vertaald en prompt genomineerd voor de prijs van beste album op het stripfestival van Angoulême. Vorig jaar verscheen van dit autobiografische verhaal een Engelstalige vertaling bij New York Review Comics, de stripuitgeverij die is gelieerd aan The New York Review of Books. Het geeft aan hoe Tsuges werk met terugwerkende kracht wordt gewaardeerd. The man without talent is een schitterend verhaal dat met gemak alle korte verhalen van Tsuge overstijgt.

Naarmate Tsuge zich verder bekwaamt, worden de beelden soberder en tegelijk grimmiger, Tsuges figuren huiveringwekkend en morbide. De grote chronologische overzichtstentoonstelling van op het laatste stripfestival van Angoulême in 2020 was indrukwekkend en bracht deze grafische vooruitgang perfect in beeld. Het geeft niet alleen de noodzaak aan van de integrale uitgave van zijn werk, het laat ook zien hoe de serieuze volwassen manga zich door de jaren heeft ontwikkeld. Tsuge is het waard gelezen te worden.

Yoshiharu Tsuge – Red flowers, vertaling Ryan Holmberg. Drawn & Quarterly. 284 pagina’s, hardcover. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Sébastien Goethals & Phillipe Colin – Het vaderland van de gebroeders Werner

Eén van de beste graphic novels van de afgelopen jaren is De reis van Marcel Grob, een fascinerend verhaal over een jongeman uit de Elzas die bij de SS Panzerdivisie terecht komt en de nazigruwelen van dichtbij meemaakt – maar dan aan de verkeerde kant van de lijn. Dat verhaal sloeg in als een bom – voor wie het las – maar kreeg niet de aandacht en waardering waar het recht op had. Onterecht, de mengvorm van feit en fictie was perfect uitgewerkt en gaf het verhaal een meerwaarde die je zelden ziet. Superlatieven, zonder meer.

De Franse makers van De reis van Marcel Grob, tekenaar Sébastien Goethals en scenarist Phillipe Collin, trakteren de stripliefhebber opnieuw op een even sterk verhaal, dat min of meer in het verlengde ligt: Het vaderland van de gebroeders Werner.. De oorlog is voorbij en de opdeling van Duitsland is in volle gang. Het is 1956 als de oorlogswezen Konrad en Andreas Werner zich aanmelden voor werk bij de Stasi. Niet bepaald uit vrije wil, het alternatief is een heropvoedingskamp. Tegelijk blijken de twee ook niet vies van wat opportunisme: het vrijere leven dat ze wordt voorgehouden spreekt ze aan.

Na verloop worden de onafscheidelijke broers uit elkaar gehaald: de ene verkast undercover naar West-Duitsland om van daaruit de communistische heilstaat vorm te geven. Hij infiltreert uiteindelijk in de sportwereld, in het bijzonder die van het voetbal. DDR voorman Erich Honecker, beducht voor een sportieve afgang, wil alles op alles zetten om zijn landsteam te laten winnen van de grote vijand: het voetbalelftal van West-Duitsland, dat op dat moment mondiale triomfen viert met sterren als Paul Breitner, Gerd Müller en Franz Beckenbauer.

De andere broer blijft achter. Ze zien elkaar jarenlang niet. Pas als de legendarische wedstrijd op het programma staat en de DDR-delegatie in juni 1974 naar Hamburg afreist, kunnen beide broers elkaar mogelijk weer treffen. Maar dan is er buiten de superieuren gedacht: die vinden een ontmoeting veel te gevaarlijk. De Koude Oorlog was nooit stugger. Als de Werners elkaar willen zien, dan moet dat in het geniep.

Het verhaal ontwikkelt zich als een pleidooi voor loyaliteit, als een keuze tussen familiebanden en ideologie. De apotheose is schitterend en invoelend: tegen de achtergrond van een curieuze voetbalwedstrijd gaat het hard tegen hard. Er worden overwinningen gevierd die schitterend in beeld worden gebracht. Een regelrechte nagelbijter in een historisch accurate context: soms hoeft een goede strip niet meer te zijn dat exact dat. Goethals en Collin zijn een topteam dat alle lof en aandacht verdient. Verstandige striplezers kopen Het vaderland van de gebroeders Werner samen met De reis van Marcel Grob, en laten zich meevoeren en verrassen. Als combi sterk aanbevolen.

Sébastien Goethals & Phillipe Colin – Het vaderland van de gebroeders Werner. Daedalus. 152 pagina’s hardcover. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Charlot Kristensen – What we don’t talk about

What we don’t talk about is een exemplarisch verhaal over een jong stel. Adam is een schuchtere, tikje introverte jongeman en Farai is een energieke, vrolijke meid met Zimbabwaanse roots. Dat laatste is belangrijk, want het ‘what’ uit de titel slaat op de tweekleurigheid van hun relatie. Charlot Kristensen, die het verhaal schreef en tekende, lijkt als twee druppels op Farai, al wordt nergens duidelijk dat het verhaal (deels) autobiografisch is.

Het verhaal begint als de twee naar de ouders van Adam gaan. Het bezoek, dat pas plaatsvindt in jaar twee van de relatie, is een tikkeltje beladen: met name Adam ziet ertegenop. Dat blijkt onmiddellijk, omdat de moeder van Adam tamelijk dominant is. Farai leert zo een kant van haar vriend kennen, die ze nog niet eerder zag.

Al gauw blijkt dat de moeder zo haar eigen gedachten heeft over Farai en haar afkomst. Haar vooroordelen zijn ongemakkelijk en vooral pijnlijk. Als Farai Adam met de situatie confronteert – hij zit erbij en laat het gebeuren – krijgen de twee een flinke discussie. Dat is de kern van het verhaal.

Kristensen heeft in haar debuut een flink aantal pagina’s nodig om tot de kern door te dringen. In dat opzicht heeft het verhaal niet veel om het lijf: ze werkt toe naar de confrontatie, om vervolgens een punt te maken. Logisch, helder en daarmee voorspelbaar. Tegelijk maakt dat de bedoeling niet minder wezenlijk: What we don’t talk about gaat over racisme zoals die dagelijks om ons heen is, omgeven door onbegrip en tenenloperij. Onze zwartepietendiscussie in stripvorm. Er worden onwelvoeglijke opmerkingen gemaakt en zodra die benoemd en besproken worden, wordt de zaak omgekeerd: zo heb ik het niet bedoeld, jij zoekt overal racisme achter, jij bent overgevoelig. De strip werkt dit proces heel sterk uit.

De moeder van Adam wordt door Kristensen van meet af scherp afgebeeld. Haar gezicht is een constante grimas, passend bij hoe ze overkomt: ze is van de ongevoelige soort, die over weinig empathie beschikt. Ze zet haar man en haar zoon weg, bepaalt de sfeer en het discours. Alles voelt kil. Zij vindt dat haar weerwoord – je bent hier welkom, wij stellen ons huis voor je open – haar de gelegenheid verschaft om allerlei onacceptabele opmerkingen over Farai, haar ouders en haar afkomst te maken. Als Farai het niet meer pikt, komt de pieten-reflex: dat jij er iets racistisch in ziet, betekent niet dat ik racistisch ben. Sterker nog, de moeder blijkt onaagenaam verrast door die suggestie.

Adam zwijgt en kiest geen partij. Hij probeert de situatie los te zien van de keuze tussen zijn vriendin en zijn moeder – wat onmogelijk blijkt. Kristensen geeft in een prachtig slotstuk het verhaal een diepe laag die het goed kan gebruiken. Het anekdotische, particuliere van de situatie wordt in een handomdraai een wezenlijk en scherp geformuleerd statement. Dat redt de strip en daarmee het belang van het onderwerp.

What we don’t talk about is een perfect geschikt boek voor middelbare scholen. Racisme wordt op een gevoelige en integere manier besproken, met name door de discussies die Adam en Farai hebben. Dat doet Kristensen slim: het gedrag en de uitspraken van de moeder zijn de aanleiding, maar de gesprekken zonder haar bepalen de inhoud. Die kunnen als kapstok dienen om verder te praten.

Charlot Kristensen – What we don’t talk about. Avery Hill. 108 pagina’s. € 16,99.

Strips & comics

Gelezen: Wilbert van der Steen – Salto & Ubba boek 1

Wilbert van der Steen, de meermaals gelauwerde stripauteur van het tweeluik Zon / Licht, tapt met zijn gaysoap Salto & Ubba uit een heel ander vaatje. Zelf zegt hij daarover: “Een tijd geleden realiseerde ik me dat er weinig oorspronkelijk Nederlandstalige strips zijn waarin lhbtqi+ de hoofdrol spelen. En dat terwijl het zo fijn is om jezelf in een verhaal te herkennen.” Zodoende.

Het is interessant om te zien hoe Van der Steen die herkenning vormgeeft. De twee hoofdpersonen, Salto en Ubba, zijn een vriendelijk en liefhebbend stel. Salto is een tobberige bear – een stevige, behaarde man – die een burlesque performer is. Ubba is een interior designer met een elektrische cargobike – een influencer met een hipster-Stint, als het ware. Niet per se een doorsnee van de lhbtqi+-gemeenschap. Sowieso zijn alle types tamelijk extravagant en kleurrijk. Queers in een grijze trui herkennen niemand in de strip.

Misschien hoort dat bij het traject dat elders al een tijdje aan de gang is. In de VS waren de lhbtqi+-strips in eerste instantie ook gericht op zichtbaarheid, uitbundigheid en acceptatie: laten zien dat je er bent, en wie je bent, en hoe. Het waren strips met een emancipatoir laagje dat het verhaal regelmatig in de weg zat. Alles voor het idee dat strips niet per se heteronormatief hoeven te zijn.

Later werd die nadruk steeds minder en verschenen er strips waarin de hoofdpersonen nu eenmaal queer waren. Er werd niet meer bij stilgestaan: de onderwerpen veranderden van ‘hoe vertel ik het mijn ouders en hoe reageert de omgeving’ naar ‘mijn vriendin heeft een bitch van een vriendin en ik wil haar behoeden voor verdriet’ – Laura Dean keeps breaking up with me van Mariko Tamaki, bijvoorbeeld. Of de latere titels van Tillie Walden waarin de personages allemaal gay zijn, zonder dat daar zelfs maar één keer bij wordt stilgestaan. Het is, we zijn.

Bij Van der Steen zijn de figuren allemaal een tikje flamboyant, uitgesproken en bont. Dat is leuk voor het verhaal, voor het vlotte tempo van de vertelling, maar de klassieke typetjes maken de entourage meteen als die van een sitcom: de scenes zijn aan de ontbijttafel, in bed, in het café en op straat, met uitgesproken figuren die doen wat van ze verwacht wordt. Het is niet ingetogen, maar met grote gebaren. Dat is beslist geen diskwalificatie: het past bij de sfeer en maakt van Salto & Ubba een geestige soap die lekker swingt.

Salto ziet zijn inkomsten teruglopen omdat het toeristenseizoen voorbij is. Hij wil iets nieuws proberen maar weet niet wat. Hij zoekt, zoals Van der Steen het steeds noemt, een ‘project’: iets om zich in vast te bijten. Uiteindelijk dient de oplossing zich spontaan aan. Gelukkig maar, want het gemonkel van Salto kent geen grenzen. Stiekem vermoed je opzet; Salto houdt wel van een beetje extra aandacht.

Van der Steen zet Salto sterk neer. In dit deel – er komen meer boeken – zit Ubba duidelijk nog op de bijrijdersstoel: zijn tijd komt nog. Dat merk je ook in hoe het verhaal zich ontvouwt. Salto eist en krijgt veel meer aandacht dan Ubba, die hooguit af en toe een beetje mijmerend deelneemt aan het verhaal: “Lomperik. Je wilde gewoon dat ‘ie stopte. Ook al zou een project goed voor hem zijn.” Salto heeft intussen zijn eerste plannen al gesmeed: een workshop bearlesque, waarvoor hij drie totaal uiteenlopende figuren heeft weten te strikken. De workshoplessen zijn een hoogtepunt en hilarisch in beeld gebracht.

Omdat Salto en Ubba duidelijk niet uit hetzelfde hout zijn gesneden, kan Van der Steen excelleren in hun gesprekken: die zijn lekker aangezet. Daarmee heeft het iets weg van Zeep, het soapy tweeluik van Maarten vande Wiele over lust, list en lifestyle, vanwege het voortkabbelende gedoe en gemiep – helemaal als je Van der Steens cliffhanger erbij haalt: een kwaaie concullega van Salto die zijn invloedrijke vader inschakelt om Salto te gronde te richten. Alleen dat al doet uitzien naar deel 2.

Het album is de eerste titel van Van der Steens eigen uitgeverij Steenbook. Dat is een lovenswaardig initiatief, vooral vanwege de nadruk op de lhbtqi+-thematiek. Hopelijk zet deze publicatie het genre ook hier in gang; het ligt voor de hand dat er veel meer tekenaars in Nederland zijn die diversiteit in strips missen. Steenbook zou daar een mooie rol in kunnen spelen.

Dan is het wel zaak een grafisch vormgever aan te trekken, want “BOEK 1” van Salto & Ubba is karig vormgegeven: een vrij kleurloze, gecentreerde kop in een broodletter op het voorplat en een lettering binnenin die de schwung behoorlijk uit de pagina’s haalt, vooral wanneer er veel gesproken wordt – en dat terwijl er echt niets mis is met de handlettering van Van der Steen. Op de achterkant staan de samenvatting en aanbevelingen gecentreerd onder elkaar, zonder lucht of opmaak. Het oogt allemaal wat knullig.

En dat is echt jammer, want deze strip verdient het om opgepakt te worden. En dan is uitstraling alles. Desondanks kan Salto & Ubba gemakkelijk uitgroeien tot een publiekslieveling, vooral als het tempo flink hoog blijft, liefst met twee of drie boeken per jaar. Deze twee heren moeten in de schijnwerpers blijven – iets waar Salto zich vast in kan vinden.

Wilbert van der Steen – Salto & Ubba boek 1. Steenbook. 88 pagina’s. € 16,95.

Strips & comics

Gelezen: Charles Burns – Daedalus 2

Anderhalf jaar na het eerste deel verscheen onlangs deel 2 van Charles Burns’ nieuwe stripreeks Daedalus. Dat zegt wat over de vaart, en rechtvaardigt de niet overdeeld gunstige meningen na het eerste deel: het verhaal kwam wat langzaam op gang en het idee dat het een langer vervolgverhaal werd liet sommige striplezers toch wat aarzelend achter. Hoe lang gaat dit duren? Waar beginnen we aan?

Er zijn meer nevelen, en dat gaat dan over het verhaal. Daedalus is een echte Burns, zoveel is intussen duidelijk: het vervreemdende verhaal lijkt nergens wat het is én is nergens wat het lijkt te zijn. Eigenlijk werkt het pas echt als je je aan het idee overgeeft dat je niet alles gaat snappen, wie alles beredeneert heeft geen leuke middag met Burns. Neem de personages, die in het tweede deel al iets meer inhoud krijgen: over de introverte hobbyfilmer en tekenaar Brian komen we al iets meer te weten. Hij woont samen met zijn alcoholische, meelijwekkende moeder die hem gemakkelijk in verlegenheid brengt, helemaal tegenover zijn vrienden. Dat hij zich terugtrekt, is al iets aannemelijker geworden met haar introductie.

Brian heeft een crush op Laurie maar heeft geen idee hoe hij dat moet uitspelen. Laurie voelt zich tot Brian aangetrokken maar weet niet wat ze met hem aan moet. De vrienden draaien om elkaar als de planeten in een sterrenstelsel. Veel is terloops, maar omdat alles zo spaarzaam wordt gebracht heb je als lezer snel het idee dat ongeveer alles ertoe doet: op die manier vertraagt Burns de leeservaring. Zoveel is er nu ook weer niet te lezen.

En meer nog dan deel 1 is deel 2 een rechtlijnig verhaal: er wordt aan de film van Brian gewerkt en de vrienden zijn met elkaar bezig. Als draadje loopt er een beeldend element door de strip: een cocon, waarvan vast en zeker later duidelijker wordt wat het er doet. Veel meer is het niet: de 64 pagina’s zijn met een half uurtje wel doorgenomen. En wat overblijft is een aanloopje naar het volgende deel, het euvel waar ook De Rode Ridder mee te maken heeft. De lezer kan nog niets plaatsen, zit met vragen en moet wachten.

Als Daedalus als een comic was uitgegeven dan was het helderder geweest. Los van het feit dat de pagina’s zijn opgezet als een comic (met drie stroken boven elkaar) weet de lezer vanwege de verschijningsvorm wat hem te wachten staat. Nu zijn de boeken werkelijk perfect uitgegeven, met een linnen rug en een mooie harde kaft, maar zijn het veel minder flinke episodes zoals de striplezer gewend is. Echte cliffhangers zitten er bovendien niet in.

De vergelijking met Black Hole ligt voor de hand: het is de stripreeks die Burns in twaalf comic-delen publiceerde tussen 1995 en 2005, én die daarna compleet verscheen als hardcover, ook in het Nederlands als Zwart Gat. Eigenlijk is het vooral een vraag waarom Burns niet gewoon een compleet verhaal heeft gemaakt om die in één keer te publiceren. Uiteindelijk wachten we dan net zo lang, maar kunnen ons in ieder geval echt onderdompelen.

Dit alles laat onverlet dat Daedalus een lekkere brok horror en suspense schenkt aan de lezer. Omdat Burns voor jongvolwassenen kiest heeft het bovendien een fijne vibe, die herkenbaar is.

Charles Burns – Daedalus 2. Concerto Books. 64 pagina’s hardcover. € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Baptiste Bouthier & Héloïse Chochois – De dag dat de wereld kantelde

Op 11 september 2001 kantelde ons wereldbeeld. De journalist Baptiste Bouthier schreef het verhaal van de wereld na de aanvallen op de Twin Towers en de stripmaker Héloïse Chochois goot het in een gemakkelijk leesbare strip, waarmee het Franse duo slim aanhaakte bij de twintigste herdenking van de aanval op de “vrije wereld, de westerse beschaving, Amerika en zijn bondgenoten”, enzovoort. Hun strip is een ideale, historisch verantwoorde instapper voor met name jonge mensen.

De bijzondere beeldspraak -van het kantelen- komt van de Franse tiener Juliette, die in de strip de afgelopen twintig jaar voor ons heeft samengevat. Zij vertelt welke impact de aanvallen destijds op haar hadden, maar vooral wat er daarna in de wereld veranderde. Ze deelt alle gebeurtenissen als een relatieve buitenstaander, met een zus die toevallig in New York woont.

Het verhaal, dat een heel rustig verteltempo kent, begint vrijwel gelijk bij de iconische beelden van de vliegtuigen die de Twin Towers in vliegen. Alle momenten van die dag, uitentreuren herhaald en herdacht op iedere elfde september sinds 2001, passeren de revue: sommige plaatjes herken je van foto’s of van de beelden, alles is bekend. Twintig jaar klinkt lang, maar het staat de lezer vast nog helder voor de geest.

Om die reden mag je aannemen dat dit album vooral is bedoeld voor jonge lezers: zij die ervan weten, maar pas na de beginjaren 2000 zijn geboren. En meteen gezegd: voor die doelgroep is de strip erg geschikt. Ze legt namelijk feitelijk, kort en krachtig uit hoe alles zo is gekomen, met Afghanistan, met Irak, met IS en Al Qaida, met Osama Bin Laden, de Patriot Act, Snowden en Bush. Na het lezen van De dag dat de wereld kantelde ken je alle belangrijke gebeurtenissen, namen en verbanden. Ideaal voor 12- tot 16-jarigen, zonder meer.

Voor de oudere lezer is het allemaal gesneden koek: geen nieuwe feiten, geen brisante stellingname of iets van dien aard. Natuurlijk, er wordt wel een nootje gekraakt als het gaat om de verregaande maatregelen die de regering-Bush nam om de eigen bevolking te kunnen controleren of hoe ze de wereld met de Irak-oorlog opzadelde, maar ach, dat weten we intussen ook wel. En hoewel Bouthier een gerenommeerd journalist is die meer over dit onderwerp publiceerde, heeft hij er duidelijk voor gekozen om niet de diepte in te gaan, maar om een zo compleet mogelijk beeld te schetsen binnen de 144 pagina’s van het verhaal.

Toch zou je willen dat de makers wat meer hadden stilgestaan bij de lessen die we kunnen trekken. Er zijn wel wat voorzichtige aanzetjes maar die blijven een beetje hangen: alle tijdelijke maatregelen die destijds voor onze ‘veiligheid’ werden getroffen en die je gemakkelijk kan zien als inperking van onze vrijheden, zijn nog altijd gaande: de Patriot Act en de equivalenten in andere landen, zoals het Franse Vigipirate-plan, waarover het in De dag dat de wereld kantelde gaat. Het stilzwijgende doorgaan van al controlemechanieken is kwalijk; met enige regelmaat duiken er schandalen op die in het verlengde ervan liggen. Het is interessante materie om op in te gaan, maar dat wordt nagelaten – al wordt klokkenluider Edward Snowden meermaals genoemd.

De tekeningen van Héloíse Chouchois zijn gedienstig maar niet overtuigend. Aanslagpleger Mohammed Atta is nog een beetje herkenbaar, de rest is gewoon een horde koppies: het zou een voetbalelftal kunnen zijn. Ook Bush en zijn trawanten zijn maar met moeite te herkennen. Geeft het? Niet echt. De plaatjes, om het oneerbieding te zeggen, volgen gewoon de tekst. Dus als er staat dat ‘aasgieren’ Rumsfeld en Cheney Bush souffleren en hem een oorlog inrommelen, dan geloven we dat die twee figuurtjes de haviken Rumsfeld en Cheney zijn.

Dit album had allerlei gedaanten kunnen aannemen. De keuze is gevallen op een evenwichtige, tikje saaie opsomming van zaken en gebeurtenissen, verteld door een tiener die niet weet wat ze overal van moet vinden. Dat is een interessante insteek voor een album voor leeftijdgenoten: dit boek had een uitgekiende marketing verdiend. Daarom hierbij de voorzet dat De dag dat de wereld kantelde een prima titel is voor het midedlbare onderwijs. Laat leerlingen deze strip maar eens lezen, en ga er dan over in gesprek.

Baptiste Bouthier & Héloïse Chochois – De dag dat de wereld kantelde. Standaard uitgeverij. 144 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Cloudscape comics – Welcome to Mina’s

Voor de avontuurlijke striplezer is het crowdfunding-platform Kickstarter een bron van plezier. Comics, bundelingen van webstrips, graphic novels en anthologieën: alles wordt er aan de lopende band gepresenteerd, met veel liefde en toewijding. Wie de portokosten voor lief neemt, ontdekt echte pareltjes in het aanbod. Een aanbod dat bovendien diverser en interessanter is dan je verwacht.

Een prettige bijkomstigheid is daarom dat alle strips die via Kickstarter worden aangeboden ook altijd een digitale variant hebben – voor wie exorbitante verzendkosten wil vermijden. Voor een paar dollar ben je er vaak al bij.

Met name bundelingen met werk van verschillende jonge stripmakers zijn vaak uit de kunst. De afgelopen maanden alleen al werden er prachtprojecten gelanceerd met strips rond autisme, depressies, coming outs, racisme en transseksualiteit: actuele onderwerpen die worden verbeeld door jonge makers die dicht op het onderwerp zitten. Stuk voor stuk heel sterk, een groot publiek meer dan waard.

Neem Welcome to Mina’s, a diner themed anthology set in Vancouver: een bundeling korte strips over ‘leven, liefde en eten’, dat speelt in een fictief restaurant in Canada, uitgegeven door Cloudscape Comics uit Vancouver. Door alle verhalen in Mina’s te laten spelen, met steeds andere personages, haken de gebeurtenissen min of meer in elkaar. Zo ontstaat er een reeks verhalen die beginnen in de aanvangsjaren van het restaurant, in 1919, tot nu.

Het jaar 1919 is niet zomaar gekozen. In de bijdrage van Emily Lampson komen we te weten dat er in dat jaar een wet werd aangenomen die het voor blanke Canadezen onmogelijk maakte om in bedrijven te werken die worden gerund door Aziaten. Zo ook het familiebedrijf Mina’s, een populaire diner. Hoewel Mina’s fictief is, zijn veel beschreven gebeurtenissen accuraat. Sommige stripmakers hebben hun eigen ervaringen aan het boek toegevoegd,anderen werden geïnspireerd door momenten in de geschiedenis van Vancouver. Dit boek gaat over etnische diversiteit en vertegenwoordigt alle lagen van de bevolking, van alle leeftijden, leden van de LHBTQI+-gemeenschap en mensen met een handicap.

De anthologie leest prettig, de volgorde en opbouw maakt dat de verhalen elkaar logisch opvolgen, essentieel bij een thematische aanpak. Het gekozen thema past perfect: nergens is het geforceerd of te ver doordacht. In Welcome to Mina’s staan vriendelijke verhalen met een menselijke maat. Dat is de grootste winst van deze anthologie, die de kleine zaken benoemt en de grote maatschappelijke tendensen van deze tijd terugbrengt tot kleinmenselijke proporties.

Zie bijvoorbeeld het aangrijpende verhaal Helping hands van scenarist Oliver McTavish-Wisden en tekenaar Matthew Nielsen: een jonge vrouw komt in gesprek met een oude dame in een rolstoel. Samen gaan ze naar Mina’s voor een kop koffie en daar blijkt dat de oude vrouw haar al kent, als vrijwilliger van de voedselvoorziening waar ze op aangewezen is. Het gesprek dat zich tussen de twee ontvouwt is ronduit ontroerend. En zo staan er meer korte slices of life in deze bundeling.

Cloudscape is niet alleen uitgever, maar feitelijk een stripmakerscollectief in Vancouver. Met meer dan honderd actieve leden bestrijkt Cloudscape een groot gedeelte van de stripgemeenschap in British Columbia. Het merendeel van de boeken dat ze uitgeeft, wordt via crowdfunding gefinancierd: het geld vloeit terug in de kas om meer publicatie mogelijk te maken en om jonge stripmakers te ondersteunen. Uit het aanbod blijkt vooral dat Cloudscape inzet op inhoudelijke boeken die wat vertellen, met onderwerpen over mens, maatschappij en dergelijke. Dat is tot daaraan toe, maar de meeste titels zijn ook nog eens integer, informatief en sterk. Dat is het voordeel van een collectief: door samen te werken worden de resultaten beter. Het is iets waar jonge stripmakers in Nederland en Vlaanderen ook over kunnen nadenken: zoek elkaar op, werk samen en leer van elkaar.

Diverse auteurs – Welcome to Mina’s. Cloudscape Comics. 140 pagina’s. $20. Bestel hier: https://www.cloudscapecomics.com/store-2/

Strips & comics

Gelezen: Lucas Harari – De laatste zomerroos

Het gaat veel kanten op in en mét De laatste zomerroos van de Franse acteur en stripmaker Lucas Harari. In zijn net verschenen graphic novel laat Harari zien waartoe hij is staat is en wat zijn makkes zijn. Voor de lezer slaat de balans overigens ruimschoots door naar de positieve kant: het verhaal is een sterke detective, al is er geen ontkomen aan het onhandige tekenwerk van Harari.

Om met dat laatste te beginnen. Harari (1990) zal nooit de beste tekenaar worden en het valt in hem te prijzen dat hij zich ondanks zijn beperkte grafische kwaliteiten toch vol overgave stort op een knap verhaal – de wil om te vertellen is duidelijk de diesel die hem voortstuwt. En dat pakt goed uit.

Net als in zijn eerste graphic novel, De Magneet die in 2019 in het Nederlands verscheen, leunt Harari op de Atoomstijl en de strakke sfeer van de jaren vijftig en zestig. Zijn tekeningen hebben veel weg van het vroegere werk van Torres en Benoit (plus ietsje van Burns), al swingt het wat minder. Harari’s pagina’s ogen statischer. Toch maakt hij al behoorlijke sprongen, want De Magneet was een stuk stijver en linialiger dan De laatste zomerroos. In vergelijking met zijn vorige album is het vooral het zomerse kleurgebruik dat het verschil maakt.

Een goede redacteur – eentje met kennis van anatomie en proporties – zou Harari over de knie leggen: als Leonard, de hoofdpersoon van de geschiedenis, met een weekendtas rondloopt, dan verandert het ding binnen een pagina van een flinke tas in een kindermaatje; sigaretten zweven tussen vingers met vreemde schaduwen en als iemand een slok neemt van zijn rum, dan vliegt het glas bijna over de kop – een glas dat de ene keer een flinke bel is en op dezelfde pagina als borrelglaasje in de hand balanceert; autobanden lijken aan de carrosserie vast te zitten, en zo voort. Het ziet er mal uit, en vooral: het valt op.

Leonard, een knaap met schrijversaspiraties en een baantje in een wasserette, ontmoet zijn geslaagde neef die hem vraagt een maandje op zijn strandhuis te passen. Daar buitelt Leonard van de ene ontwikkeling in de andere. Zijn buren zijn vreemd, de jongeren met wie hij optrekt gedragen zich onaangepast en er is een inspecteur die rondscharrelt, op zoek naar bewijs voor een eerder gepleegde misdaad in het verder slaperige kustplaatsje. Leonard staat erbij en kijkt ernaar. Tenminste, zo lijkt het, want gaandeweg bemoeit hij zich met alles en iedereen. Hetzelfde gebeurde al in De Magneet: daar voerde Harari ook al een hele horde onbekenden op die gaandeweg allemaal wat met elkaar te maken kregen.

Harari neemt de tijd en dat is prettig. Het verhaal krijgt zo alle ruimte om lekker onder de huid te kruipen. Het zomerse weer geeft het geheel iets sensueels, wat prima past. Harari voegt er nog een zonnige laag aan toe, door liedteksten over pagina’s te laten lopen. Onwillekeurig gaat de lezer op zoek naar een clue of hint, maar dat is toch niet zo voor de hand liggend als je zou verwachten. Ronduit koddig wordt het als Harari een hele pagina opoffert aan een jazzy dansje van Leonard, nota bene op Time of the season van The Zombies: een prachtig nummer dat zich niet werkelijk leent voor de afgebeelde disco-twist-shuffle. Zo lijkt Harari wel vaker een scene naar zijn hand te willen zetten door het heel klassiek uit te werken. Net zo misplaatst is een driftig getekende woordenwisseling tussen twee jonge vrouwen: het oogt heel anders dan het klinkt.

Het exotische, zonnige van het verhaal komt goed tot zijn recht in het grote formaat van het album. Het is bijna onbehoorlijk fors, met een linnen rug en alles: op dat vlak is niet bespaard. Het zorgt ervoor dat de korrelige inkleuring goed tot zijn recht komt. De tekstloze pagina’s worden op dit formaat prima kijkplaten. Maar ook hier geldt: het lijkt alsof Harari het erom doet.

Het plot zit snor. Het is klassiek vanwege de archetypische figuren: Leonards neef, de commissaris, de jongeren en hoe zij zich tot elkaar verhouden, de buurman, de dorpsbewoners. Iedereen heeft zijn of haar plaats in het verhaal en een herkenbare rol. Desondanks is het voor de lezer nog een leuke puzzel om uit te vinden hoe de vork in de steel zit en hoe alles uiteindelijk past.

Met De laatste zomerroos is Harari nog niet binnen. Zijn tekenwerk is daarvoor gewoon te slordig. Verhalend heeft hij een grote sprong gemaakt en dat stemt mild: wie op zoek is naar een broeierig verhaal, met genoeg haakjes en speurdersgenot, zit zeker goed. Om in één ruk uit te lezen.

Lucas Harari – De laatste zomerroos. Scratch Books. 188 pagina’s hardcover. € 29,90.

Strips & comics

Gelezen: Thomas von Kummant & Benjamin von Eckartsberg – Gung Ho

Om maar meteen met het jammere te beginnen: deel 5 is verschenen en het spektakelstuk Gung Ho is klaar. Zes jaar geleden verscheen het eerste deel van het dystopische apocalyps-theater en sindsdien hebben tekenaar Von Kummant en scenarist Von Eckartsberg er alles aan gedaan om de lezer erbij te houden. En hoewel alles klopt en het complete verhaal leest als een wervelwind, is het toch zonde dat het over is.

Gung Ho zit zó goed in elkaar: stel je een wereld voor waarin plukjes mensen zich in ommuurde kolonies ophouden. In een voortdurende staat van overleven proberen ze aan de witte dood te ontkomen. Deze witte dood, zo heet ook het vijfde afsluitende deel van de reeks, bestaat uit zogenaamde rippers: wrede dieren die lijken op watervlugge ijsberen met de kop van een scherpgetande aap. Zij jagen, liggen altijd op de loer en ontzien niemand.

Gung Ho speelt in Kolonie nummer 16, een haast onneembare vesting waar iedereen met wapens rondloopt. Buiten de muren komen de mensen zelden, alleen als er bevoorrading op komst is of als de kust veilig lijkt. En zo zijn er elders meer kolonies, die allemaal min of meer worden aangestuurd door een centraal orgaan – maar hoe en wat precies, dat blijft onbenoemd. Als de trein met wapens, benzine en voedsel wordt aangevallen, breekt de pleuris uit. Want waarom zouden de rippers dat doen? Of is hier iets anders aan de hand? In de vijf delen is dat de fraaie constante: er is altijd stress, gedoe, spanning en angst. En er zijn vragen die de lezer scherp houden.

Maar er is meer: feitelijk is Gung Ho een verhaal over generaties. Waar de oude garde de samenleving volgens oude lijnen probeert vol te houden, loopt de jeugd over van hormonen en branie. Dat zorgt voor ingewikkelde situaties die gaandeweg escaleren, vooral als blijkt dat een hooggeplaatste meneer niet met zijn fikken van een meisje kan afblijven. De jongeman die daarover zijn beklag doet, wordt als zondebok opgeofferd door de ouderen en uit de kolonie gezet. Het zet de situatie op scherp: de ouderen bedrijven een smerig politiek spelletje, de jongeren eisen verandering en keren zich tegen de heersende klasse, die toevallig ook vaak de ouders zijn.

In een heerlijke tekenstijl, die toch aanvankelijk een beetje wennen is, wordt het verhaal met veel vaart verteld. Von Kummant tekent zonder outlines; zijn kleurgebruik leunt sterk tegen 3d-tekenfilmwerk aan. Hij werkt veel met stoffen, grains, texturen: het geeft de strip een soort hyperrealistische uitstraling, hoewel het zeker geen fotografisch overtrekwerkje is. Alles ziet er gelikt, strak en toch onheilspellend genoeg uit.

Wie een paar extra euro’s te besteden heeft, krijgt een flinke box waarin vijf limited editions passen: achterin die speciale edities wordt een kijkje in de keuken gegund en zien we hoe Von Kummant zijn tekenwerk aanpakt. Interessant, al kun je je afvragen waarom dat in ieder deel opnieuw wordt getoond. Maar los daarvan: het is heerlijke eye candy en het is gewoon luxe. Bij die limited editions zitten steeds ex librissen waarvan de eerste en laatste zijn gesigneerd door de auteurs. En zo zitten er meer extraatjes bij de luxe boeken. Zoveel, dat ze niet samen met de vijf delen in de luxe foedraal passen – tenminste, als je ze daarna nog uit de box wil krijgen. Nog eens: alleen overdadige luxe natuurlijk, dus geen klachten.

De uitgever wil nog wel eens stunten met eerdere delen (drie met korting, of zoiets) dus hou het in de gaten. Zij die de volle mep hebben betaald, weten het: Gung Ho was al goed, werd steeds beter en eindigt met een knal. Het idee dat het zes jaar geleden al werd ontvangen als een topreeks, en dat al die tijd is gebleven, maakt het des te beter. En toch ook een beetje met het jammere idee dat het nu echt uit is.

Thomas von Kummant & Benjamin von Eckartsberg – Gung Ho. Silvester. Vijf delen, hardcover. 104 pagina’s per deel. € 24,95. Ook in limited edition met dossier en (gesigneerd) ex libris, 120 pagina’s. € 39,95.

Strips & comics

Gelezen: Efa & Salva Rubio – Django, vonken en vuur

Django Reinhardt (1910-1953) wordt maar moeilijk een mens van vlees en bloed in de halve biografie Django, vonken en vuur van het duo Efa (tekeningen) en Salva Rubio (scenario). De jonge Django uit het eerste deel van het verhaal is een driftige knaap die geestig en brutaal uit de hoek kan komen, maar de lezer krijgt niet echt het idee dat hij werkelijk (zo) bestaan heeft. Daarvoor wordt er tussen de regels al teveel met het joch gedweept: hij kan wel eens een grote worden, zo is hij nu eenmaal, Django is een bijzondere, hij heeft temperament, en zo verder.

Makkelijk praten, want achteraf zag je alles natuurlijk al mijlenver aankomen. Maar dat is de taak van een biografie niet: die neemt de lezer mee en loopt niet te veel vooruit. Het lijkt erop alsof Efa (pseudoniem van Ricard Efa) en Robio met dit album vooral wilden laten zien hoe geweldig Django was, in al zijn eenvoudige grootsheid. Dat begint al met het hoogdravende voorwoord van Thomas Dutronc, jazzmuzikant en zoon van Jacques Dutronc (luister vooral eens naar diens Il est cinq heures!) en Francoise Hardy. Zoon Thomas stelt dat Django – altijd alleen de voornaam – de enige Europese muzikant is die de Amerikaanse jazz heeft beïnvloed. Tjaaaa, en dan moet het verhaal zelf nog beginnen.

De lezer krijgt bij aanvang onmiddellijk de bevalling voor zijn kiezen, vooral om de entourage te duiden. Het verhaal van de jonge Django begint pas echt goed als hij een banjo krijgt en het instrument leert bespelen, tot zijn vingertjes bloeden. Kort daarna speelt hij alleen nog maar met volwassenen: zo goed was hij dus meteen al. Tenminste, dat nemen we uiteraard gewoon aan.

Hij wordt ouder en met de jaren komen de meisjes, de verantwoordelijkheden en de zorgen. Die worden – het is algemeen bekend – veel erger als er brand uitbreekt in de woonwagen waarin Django ligt te slapen. Gelukkig weet hij met een heroïsche stripduik de brandhaard net op tijd te ontvluchten.

Niet het smakelijkste deel van het boek, en des te uitvoeriger, betreft de operatie aan Django’s hand die nooit meer hetzelfde zal zijn. Een mooi in beeld gebracht moment is als Django zelf het verband lospeutert en wordt geconfronteerd met zijn nieuwe speelhand: de pink en ringvinger staan stevig uit het lood en kunnen geen snaar tegen een fret drukken. Wij denken teleurstelling, maar Django ziet iets anders: hij ziet mogelijkheden om weer te spelen.

Geen banjo in het vervolg, dat vindt hij te moeilijk. Hij gaat aan de slag met een gitaar en de rest is geschiedenis. Letterlijk, want na nog een innemend slotakkoord houdt de biografie van Django hier gewoon op. Het achterplat vermeldt dit al: dit album is het verhaal van zijn jeugd die aan de mythe vooraf ging. Akkoord, maar het blijft een heel vreemde keuze. Want feitelijk was zijn jeugd nu ook weer niet zó vreselijk bepalend voor zijn carrière. Het is niet dat hij met Duke Ellington speelde omdat hij was geboren in een woonwagen, om maar wat te noemen. Uiteraard, hij was een zigeuner, het werd oorlog, met armoede, discriminatie en gedoe, maar uiteindelijk was de brand en zijn misvormde hand het enige ter zake doende – althans in dit verhaal.

Er zijn lezers die van biografieën houden en binnen die categorie zijn er types die de jonge jaren steevast overslaan: die beginnen pas bij het hoofdstuk van de doorbraak, om het leven vanaf dan te volgen. Hun motief: de eerste paar hoofdstukken zijn vooral ijdel en curieus omdat de bronnen, vaak vleiend en uit de inner circle, nauwelijks te verifiëren zijn. In Django, vonken en vuur merk je dat ook een beetje: de kroegverhalen zijn wat aangezet, de familie en vrienden zijn geromantiseerde karakters en minder mensen van vlees en bloed. Het is meer ‘zo kan het zijn geweest’ dan ‘zo was het’.

Maar toch zitten er een paar heel mooie, rake passages in het verhaal dat vooral fraai in kleur is gezet. Met name de scene waarin de jonge Django Perles de cristal op zijn banjo speelt en een groepje onberispelijk geklede, betweterige muzikanten in hun hemd zet, is prachtig. Niet dat het Django, met zijn grote zwarte ogen, meteen heel sympathiek maakt: Efa en Rubio hebben hem niet aardig uitgebeeld, wel volhardend en alert.

Het blijft een opmerkelijke keuze om enerzijds Django te bewieroken als de belangrijkste jazzmuzikant van zijn tijd, maar feitelijk te stoppen met het verhaal als die fase nog moet aanbreken. Het voelt als de Rolo-reclame waarin het jongetje wel de olifant mag pesten, maar nooit een oplawaai terugkrijgt.

Efa & Salva Rubio – Django, vonken en vuur. Dupuis/Vrije Vlucht. 88 pagina’s hardcover. € 24,99.

Strips & comics

Gelezen: José-Luis Munuera (naar Herman Melville) – De klerk Bartleby, een verhaal van Wall Street

Als de graphic novel De klerk Bartleby iets duidelijk maakt is dat José-Luis Munuera gerust vaker een literair one shot mag maken. Zijn seriewerk zoals De Campbells en bijdragen aan De Blauwbloezen en Zwendel zijn prima, maar met Bartleby laat hij echt zien wat hij waard is. Munuera weet de sfeer te scheppen die past bij de negentiende eeuwse novelle van Herman Melville. Hij geeft het verhaal grafische meerwaarde: zijn keuzes zijn ijzersterk, het verteltempo uit de kunst. Het getuigt van veel vertellersinstinct om een verhaal – het origineel heeft amper zeventig bladzijden – zo scherp en direct uit te werken in een graphic novel van evenveel strippagina’s.

Melville, de geestelijk vader van de romanklassieker Moby Dick, schreef Bartleby, the Scrivener: A Story of Wall Street in 1853. Onder literaire types geldt de novelle Bartleby als hoogtepunt, noemen het zelfs aansprekender dan Moby Dick. Dat heeft vooral te maken met de vragen die het oproept: waar staat het personage Bartleby voor? Is hij de saboteur van het bureaucratische regime? Een passieve vrijheidsstrijder? Een libertariër, anarchist, dromer? Of vertegenwoordigt hij de wensgedachte van iedere kantoorklerk door op te staan tegen de sleur van alledag en eenvoudigweg orders te weigeren? Melville heeft zich er nooit over uitgesproken, en ook Munuera neemt in zijn verstripping geen stelling in. Dat maakt het bij tijd en wijle een tikje absurd, op een Kafkaëske manier.

Op de beginpagina’s van de graphic novel wordt David Henry Thoreau aangehaald, intussen de hippe, vaak aangehaalde autoriteit op het gebied van burgerlijke ongehoorzaamheid en vrije wil. Daarna neemt het verhaal een subtiele wending. Op een griffiekantoor in Wall Street is mankracht nodig en zo komt Bartleby op de burelen terecht. Aanvankelijk werkt hij minutieus en zorgvuldig: er is niets op hem aan te merken, behalve dat hij zich naast de werkzaamheden zelden uitspreekt of zelfs maar deelneemt aan collegiale plichtplegingen. Dat loopt pas echt in het oog als hij op een dag weigert het werk van zijn collega’s te controleren. ‘Ik doe het liever niet’ klinkt het en daarmee is de toon gezet: dat hij het liever niet doet betekent dat het dus niet gebeurt. Wat zijn meerdere ook probeert: Bartleby blijft herhalen dat hij het liever niet doet, tot vervelens toe. Wel verschijnt hij iedere dag op zijn werk, misschien overnacht hij zelfs op kantoor – die suggestie wordt gedaan.

Met zijn meerdere, de niet bij naam genoemde baas die ook als ik-verteller optreedt, is ook iets aan de hand: hij weet niet wat hij met Bartleby moet beginnen, terwijl hij hem eenvoudig kan ontslaan vanwege werkweigering. Zo lijken er gaandeweg twee vormen van weigering langs elkaar te lopen in het verhaal. De oplossingen die de baas bedenkt om ‘netjes’ van Bartleby af te komen zijn vreemd. Hier lijkt Melville het personage van Bartleby te willen duiden. Als hij een saboteur is, een vrijheidsstrijder, een anarchist, of wat ook; is dit dan de manier waarop de maatschappij met zo’n antisociale figuur om gaat? Waarom is de baas niet strenger, rechtlijniger? Het is een valse vorm van barmhartigheid, van mededogen, die de boel ophoudt.

Het lijkt dat iemand die niet voldoet aan de regels, zelfs als die binnen een werksfeer tot je takenpakket behoren, zo buitensporig is, dat er geen manier is om die tot de orde te roepen. Aan het einde heerst er vooral vertwijfeling. Wie was deze Bartleby? Of beter: wat was hij? Een vluchtige schaduw? De laatste vrije man? Een brief aan een overledene, of gericht aan de arme mensheid? Waarom heeft hij iedereen een rad voor ogen gedraaid – inclusief de lezer?

Bartleby zet je aan het denken en daarin schuilt de kracht van de stripadaptatie van Munuera: in 67 ingetogen strippagina’s, waar de tekst niet bepaald dik over de bladzijden is gesmeerd, weet hij een sfeer neer te zetten die de lezer net genoeg houvast geeft om door te lezen. Waarom dingen gebeuren zoals ze gebeuren lijkt niet langer relevant, door de stille Bartleby die de situatie naar zijn hand zet door simpelweg te weigeren. De hulpeloze gesprekken, de uitzichtloosheid van de situatie die steeds verder verergert, de oplossingen die geen hout snijden: De klerk Bartleby is een strip die zindert en die alle aanbevelingen meer dan waard is.

Om meerdere redenen verdient Munuera alle lof. Hij koos een ijzersterk verhaal uit de literaire canon, maakte er een perfecte en sfeervolle stripbewerking van en voegde daarmee een fraaie laag toe aan het origineel, samen met de inkleuringen van Sedyas. Dit verdient navolging: al die getalenteerde tekenaars die in arren moede steeds weer teruggrijpen op het standaardrepertoire moeten op z’n minst gewezen worden op al die literaire pareltjes die voor het oprapen liggen. Munuera laat zien hoe het kan en mag het voor altijd blijven doen. Met het tragische Bartleby leverde hij een hoogtepunt af.

José-Luis Munuera (naar Herman Melville) – De klerk Bartleby, een verhaal van Wall Street. Standaard Uitgeverij. 72 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Fabien Grolleau & Jeremie Royer – Audubon, On the Wings of the World

Tot en met 8 januari is er in het Haarlemse Teyler Museum werk te zien van de even beroemde als excentrieke Amerikaanse jager, natuurliefhebber en vogelaar John James Audubon (1785-1851). Op de expositie Vogelpracht, Een vlucht door Teylers vogelcollectie kunnen bezoekers schitterende pagina’s bewonderen van Audubons magnum opus The Birds of America, een verzameling imposante tekeningen van exotische vogels in allerlei poses. Natuuronderzoekers zijn lyrisch over het boek omdat het veel vogels laat zien die uitgestorven zijn; het is een verslag van een natuur die ooit was.

Het boek, waarvan wordt aangenomen dat er nog slechts 119 van bestaan, is aangemerkt als het duurste boek ter wereld: in 2002 werd het door een Quatarese sjeik voor 7,8 miljoen euro op een veiling gekocht. In 2010 ging er nog een schepje bovenop: op een veiling van Sotheby’s ging een exemplaar van de hand voor een slordige 8,7 miljoen euro.

Over het leven en werk van Audubon is genoeg geschreven en verteld. Over dat hij onaangepast was, egoïstisch, en eerzuchtig, ronduit obsessief handelde. Veel fans had hij bij leven en welzijn niet. Toen het boek Birds of America uiteindelijk verscheen in 1833 werden er maar zeer weinig exemplaren verkocht. Logisch, in alles was het boek de overtreffende trap: duur, fors en voor een select gezelschap. Vooral de omvang spreekt boekdelen: het zogenaamde dubbel-olifantformaat is enorm. Als het boek is opengeslagen, meet het maar liefst 1 meter 28 bij 1 meter 94. Dat het Teylers Museum een exemplaar bezit, komt door de visionaire blik van de toenmalige directeur Martinus van Marum (1750-1837). Hij bestaalde destijds 2243 gulden voor het boek dat nu wordt tentoongesteld – iedere dag een andere pagina.

Voor iets minder dan twintig euro kan de geïntereseerde striplezer zich verdiepen in deze curieuze natuurvorser. In Audubon, On the Wings of the World nemen scenarist Fabien Grolleau en tekenaar Jérémie Royer de lezer meer in de betoverende wereld van vogelspotten, jagen en tekenen. Minutieus vertellen ze over de werkwijze van Audubon, zijn grillen en zijn frustraties. Deze biopic is fascinerend en pijnlijk tegelijk: nu we weten wat Audubon heeft betekend voor natuuronderzoek en geschiedschrijving is het mooi te lezen dat hij destijds de handen maar met moeite op elkaar kreeg.

Het duo Grolleau en Royer kennen de Nederlandse striplezers wellicht van Darwin, de reis met de HMS Beagle, dat in 2019 bij Soul Food Comics verscheen. De tekenstijl en zelfs het verhalende aspect verschillen weinig van elkaar: in beide gevallen nemen de auteurs de lezer mee ‘op reis’ met een centrale plaats voor het personage waarbij historische feiten worden verweven met het geromantiseerde levensverhaal. Dat werkt prima: waar Darwin bekender is en daarmee aansprekender is voor grote groepen lezers, is het verhaal van Audubon interessanter. Bij Darwin worden grote sprongen gemaakt en beslaat de reis van de HMS Beagle maar een relatief kleine periode in ’s mans leven, terwijl Audubons verhaal bijna zijn hele werkzame leven omvat.

De mystieke laag in Audubon, On the Wings of the World is fraai. De jager vertoeft veel in gebieden van oorspronkelijke bewoners, waar andere mores gelden en anders naar de natuur wordt gekeken. Die inhoudelijk toevoeging maakt het nóg boeiender en gelaagder. Audubons ongeduld en jaagzucht – er worden nogal wat vogels afgeknald, ook heel zeldzame – stuit de lokale bevolking meer dan eens tegen de borst.

Tekenaar Royer heeft flink geput uit het werk van Audubon. Wie op internet zoekt naar The Birds of America komt bijvoorbeeld op deze informatieve site terecht, waar alle oorspronkelijke beeldmateriaal ruim voorhanden is. Het is mooi te zien hoe Royer soms heel subtiel vogelplaten in zijn pagina’s verwerkt. Aan het einde van het verhaal – als Audubon op zijn sterfbed ligt – pakt hij echt uit. Het slot van het verhaal is prachtig, met iets van loutering, inkeer en medemenselijkheid. Rijkelijk te laat, maar dat hoort bij de man, die eeuwen later nog herinnerd wordt en bewonderd door vogelliefhebbers, Americana-adepten en museumbezoekers.

Fabien Grolleau & Jeremie Royer – Audubon, On the Wings of the World. Nobrow. 184 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Nury & Brüno – De man die Chris Kyle doodde

Het span Nury en Brüno is voor veel striplezers een kwaliteitsmerk. Hun hardboiled misdaadserie Tyler Cross is sterk en tekenaar Brüno verraste vorig jaar nog met het prima western-tweeluik Junk, op scenario van Pothier. De boog kan niet altijd gespannen staan, bewijzen de twee met het matige De man die Chris Kyle doodde. Het eerste album van het tweedelige verhaal is intussen verschenen, deel 2 volgt in september: grafisch blijft het duidelijk achter bij eerder genoemde titels, maar vooral de verhalende uitwerking is zwak.

Chris Kyle (1974 – 2013) was een voormalige scherpschutter van de Navy Seals. Hij heeft de twijfelachtige eer degene te zijn met de meeste ‘kills’ op zijn naam in de hele militaire geschiedenis van Amerika. Officiële aantallen zeggen 160 mensen, maar het zijn er onbevestigd rond de 255. Het leverde hem de dubieuze bijnaam ‘De legende’ op. In de inleiding van het eerste deel van het tweeluik De man die Chris Kyle doodde lezen we: “Chris Kyle had een bijna bovennatuurlijke aanleg om anderen te doden (…) als hij eenmaal thuis was, zonder vijanden om te doden, voelde Chris Kyle de drang om nieuwe te zoeken.”

Om het allemaal nog wat Amerikaanser te maken, lezen we onomwonden: “Chris gaf publiekelijk toe dat hij in 2005 met zijn wapens onder de arm naar New Orleans vertrok, om in de nasleep van orkaan Katrina te vechten tegen plunderaars en de bevolking te beschermen. Vanaf de top van de Superdrome schoot hij maar liefst dertig plunderaars dood. Later doodde hij twee personen die zijn F350 pickup truck probeerden te stelen.”

Zo iemand is een held in Amerika. Hij handelde volgens een logica die het voor hem eenvoudig maakte: ik bescherm mijn mensen, iedereen die hen iets wil aandoen, is een vijand en kan dus worden doodgeschoten. Een handig vertrekpunt als je steeds wordt uitgezonden naar Irak: één en al vijandigheid natuurlijk.

In De man die Chris Kyle doodde volgen we de voorgeschiedenis en de nasleep van de moord op deze patriot. Scenarist Nury koos ervoor om het hele verhaal minutieus uit de doeken te doen, dus met een forse inleiding, een levensverhaal en veel letterlijke verslagen van televisie-interviews, met name afgenomen door het intussen gevallen Fox-icoon Bill O’Reilly. Dan zien we pagina’s lang talking heads, die zelfs niet eens opnieuw getekend zijn. Kyle, met zijn ringbaardje en pet, waaronder zijn ogen niet zichtbaar zijn, lijkt niet te bewegen. Zijn hoofd steeds een beetje schuin. Het levert zes identieke bladzijden op: je leest er zo doorheen, maar het had interessanter uitgebeeld moeten worden. Dit is lui knip- en plakwerk.

Kyle’s heroïsche verhalen worden afgewisseld met die van een blowende nietsnut met ptss. Het is de 25-jarige ex-marinier Eddie Ray Routh, die nog bij zijn moeder woont en die volgens zijn militaire dossier nooit aan enig gevecht heeft deelgenomen. Alsof het er daarna nog toe doet, lezen we: “Hij heeft nooit iemand gedood tijdens zijn loopbaan in het marine corps.” Zo’n laf type, dus. Dat hij later de man is die Chris Kyle doodde, lijkt na zo’n introductie een abc’tje. Dat ptss een veelvoorkomend probleem is onder veteranen wordt wel aangestipt, maar sneeuwt volledig onder. In de rechtszaak tegen Routh wordt de suggestie niet eens in behandeling genomen, volledig ontkent zelfs.

C’est le ton qui fait la musique. In De man die Chris Kyle doodde is de balans niet in orde. Het vertrekpunt is ronduit vreemd. Het bedenkelijke palmares van Chris Kyle staat in zijn geheel niet ter discussie. Ter vergelijking: Derf Backderfs Kent State, ook een strip met een journalistieke insteek maar dan over de fatale schietpartij van de Nationale Garde in 1970, heeft veel overeenkomsten met De man die Chris Kyle doodde. Dat ligt deels aan de grafische uitwerking, maar vooral aan het accurate vorserswerk. Alles klopt, zo is het gegaan.

Maar waar Backderf zich professioneel distantieert en zoveel mogelijk verschillende kanten belicht – hoewel hij uiteraard vertelt in goed en kwaad – slaan Nury en Brüno een hele stap over. Immers: de moord op Chris Kyle zou nooit zo’n groot nieuws zijn geweest als hij niet de meeste militaire moorden op zijn naam zou hebben. En juist over dat aspect gaat het niet werkelijk. Die afstand tot dat deel van het verhaal is vreemd, wrang bijna.

Ergens wordt losjes vermeld dat de film die is gebaseerd op Kyle’s leven, American Sniper van regisseur Clint Eastwood, een groot commercieel succes was in de VS. Daarbuiten deed film niet veel, “waarschijnlijk omdat de oorlog in Irak in de rest van de wereld niet populair is”. Daar zit ‘m de crux: voor heel veel mensen is Chris Kyle helemaal geen held en is het gedweep eerder stuitend dan logisch.

Een bepalende rol hierin heeft zijn vrouw, de geslepen Tany Kyle, die zich als patriottische vrouw-van laat gelden. Na Kyle’s dood vraagt ze om rust voor haar gezin, en tegelijkertijd stort ze zich in een publicitair offensief om haar boek American Wife, Love, War, Fait and Renewal te promoten. Ook hier de eindeloze pagina’s met identieke talking heads en de eenzijdige perspectivische keuzes van de makers. Ronduit vreemd wordt het als er uitvoerig wordt stilgestaan bij de voordelen van het geavanceerde wapentuig van TrackingPoint (Extreme weapons for an extreme world), een bedrijf waarin de Kyle’s een financieel belang hebben.

Eddie Ray Routh wordt veroordeeld tot levenslang, zonder kans om vervroegd vrij te komen. Over hem komt de lezer nauwelijks iets te weten. Het maakt van De man die Chris Kyle doodde een vreemd, eenzijdig verhaal: het gaat duidelijk niet om die man, maar vooral om de familie Kyle, hun status en belangen, en het idee dat een goed iemand met wapens goed is en een slecht iemand met wapens slecht. Veel Amerikanen zullen instemmend knikken.

Nury & Brüno – De man die Chris Kyle doodde. Uitgeverij Hum. twee delen, hardcover. Deel 1: 80 pagina’s, deel 2: 96 pagina’s. € 19,95 per deel.

Strips & comics

De Nieuwe Garde: maak kennis met de volgende generatie stripmakers

Vanaf deze week ligt er een speciaal striptijdschrift in de stripwinkels in Nederland en Vlaanderen. Een vreemde eend, want het betreft geen eerste nummer, of een 0-nummer. Het is een eenmalig stripblad met werk van jonge stripmakers, met de titel Nieuwe Garde. Het tijdschrift staat niet op zich, maar in de aftrap van een groot project voor meer zichtbaarheid en bekendheid van jonge tekenaars uit Nederland en België. Het tijdschrift is er om iets veel groters aan te kondigen: dit najaar verschijnt namelijk de Nieuwe Garde anthologie. Dat wordt een flinke bloemlezing met werk van meer dan zestig stripmakers. Nieuw, fris, divers, aanstormend, geef het een naam: alles is van toepassing.

Nieuwe Garde is een project van de 9e Kunst, een online platform voor het beeldverhaal dat ijvert voor de waardering, zichtbaarheid en kennisverbreding van strips en graphic novels. Op www.9ekunst.nl verschijnen artikelen, recensies en beschouwingen over strips, maar ook over het stripklimaat, het vakgebied, de boekenwereld, het aanbod, marketing en meer.

De 9e Kunst richt zich niet uitsluitend op ingewijden, vakgenoten en liefhebbers van het beeldverhaal, maar ook zij die er zijdelings mee te maken hebben, onder wie boekhandelaren, onderwijsgevenden, beleidsbepalers, cultuurprogrammeurs én nieuwe lezers. Voor hen wil de 9e Kunst een vraagbaak zijn op het gebied van beeldverhalen.

Met het Nieuwe Garde project zet de 9e Kunst zich in voor nieuwe stripmakers. Al jaren klinkt de noodkreet dat de stripwereld vergrijst, dat er te weinig nieuwe lezers bijkomen en dat het voortbestaan van de toch al kleine Nederlandstalige stripwereld hierdoor onzeker is. Nieuwe stripmakers krijgen maar mondjesmaat voet aan de grond en daardoor zijn ze te weinig zichtbaar voor het grote publiek. Voor de 9e Kunst reden om dit tij te keren.

Bij de 9e Kunst werken veel verschillende mensen: jong en oud, dames en heren, wetenschappers, journalisten en liefhebbers, manga-verslinders, eerstedrukverzamelaars en webtoonlezers, van 22 tot 64 jaar. Die diversiteit levert veel interessante inzichten op. Tegelijk blijkt ook hoe gescheiden de werelden zijn. Het is daarom belangrijk zichtbaarder te worden voor elkaar. Dat was het vertrekpunt: een fysiek boek met werk van tekenaars die zich voornamelijk manifesteren op het internet of in het small press circuit.

Voor het recruteren van jonge stripmakers riep 9e Kunst de hulp in van de verschillende strip- en illustratie-opleidingen in Nederland en Vlaanderen: ArtEZ in Zwolle, St. Joost in Breda, Willem de Kooning in Rotterdam, LUCA in Brussel en Sint-Lukas in Gent. De aanmeldingsmail werd ook gedeeld op online communities, in Discord- en appgroepen. Het leverde bijna tachtig aanmeldingen op, met portfolio’s en stripwerk.

Naast de enorme respons viel nog iets op: de rijkdom aan stijlen, genres en het unieke stemgeluid van een nieuwe generatie. De manier waarop jonge makers met het medium omgaan is heel anders dan de oudere stripliefhebber zal verwachten. Hun onderwerpen zijn veel persoonlijker en actueler, het gaat minder om avonturen en helden. Er is een duidelijke breuk met de klassieke strip, die gericht is op actie en spanning. Dus nee, er zitten geen vliegtuigstrips tussen, geen avonturen die zich afspelen in de Tweede Wereldoorlog of op de prairie. De strips zijn geëngageerd, persoonlijk en grafisch sterk. Maar even goed zijn er vrolijke en grappige strips bij, op klassieke leest geschoeid.

In het tijdschrift, dat wordt verspreid in stripwinkels in Nederland en Vlaanderen, is alvast een dwarsdoorsnede te lezen van wat de Nieuwe Garde zal brengen. In het blad staan strips van Karin Blaauwijkel, Mélanie Corre, Hanne Dewachter, Dido Drachman, Valentijn Hamel, Sabrina Kooijmans, Melanie Kranenburg, Bob op ’t Land, Tim Layae, Charlotte Pasveer, Lode Peeters, Emma Ringelding, Hugo Seriese, Indi Vos en Sarah San van der Wagt. De prachtige cover is van Helene Lespagnard. Wommol maakte een uitneembaar miniboekje in het hart van het blad. En omdat 9e Kunst in beginsel een journalistieke website is, staat er ook een aantal interessante artikelen in, zoals een geïllustreerd verslag van Aimée de Jongh over het maakproces van Dagen van Zand.

En zijn strips nog steeds vooral voor mannen en jongens? Niet als je kijkt naar de diverse samenstelling van de Nieuwe Garde, met zestig procent vrouwen en een flinke groep lhtbqi+-makers. Je zou bijna denken dat de strip veel geëmancipeerder en veelzijdiger is dan al die jaren leek. Hopelijk ontdekt het publiek dat ook.

Diverse auteurs – Nieuwe Garde. Stichting 9e Kunst. 48 pagina’s. € 3,95.