Strips & comics

Gelezen: Hans G. Kresse – Indianenreeks 3: Eer

Kenners van de klassieke strip zeggen dat het werk van Hans G. Kresse nooit is weggeweest; de jongere striplezer kent het vooral van de verhalen die opa erover vertelt. Kresse is van Eric de Noorman, maar hij deed meer. Diens indianenverhalen zijn onlangs volledig heruitgegeven in drie flinke integrales. Het derde deel, Eer, verscheen deze maand, met daarin opgenomen de verhalen De gierenjagers, De prijs van de vrijheid, De eer van een krijger en De lokroep van Quivera. Titels die tot de verbeelding spreken: het geeft een mooi inkijkje in wat de lezer te wachten staat.

En laten we wel wezen: die lezer is intussen al bejaard, al wil dat niet zeggen dat de verhalen niet een zekere schwung hebben gehouden. Jonge mensen – zeg, striplezers tot 45 jaar – kunnen zich om die reden toch met de indianenverhalen vermaken. De verstokte fan zal zeggen dat al het werk van Kresse jeugdig is gebleven, maar in het geval van deze reeks is er wat voor te zeggen. Oké, de dialogen zijn hier en daar wat onbeholpen, maar charmant is het zeker. En daarbij komt dat het westerngenre nooit werkelijk vernieuwend is geweest: altijd van dik hout en met sappige gesprekken waarin het de bedoeling lijkt zoveel mogelijk clichés op te dissen. Alleen het bezadigde tempo van de Indianenreeks is anders dan van de meeste westerns.

Inhoudelijk zijn de verhalen van Kresse bakens van beschaving en rust. Dat heeft vooral te maken met het perspectief: de verhalen worden vanuit de indiaan verteld, en wie westerns leest weet dat die mensen ingetogen en nadenkend zijn, in tegenstelling tot de losgeslagen bendes cowboys, outlaws, gringo’s en yankees die denken met drank in de mik en een pistool in de aanslag. Het was altijd het vertrekpunt van Kresse: hoe de blanken in het wilde westen zich misdroegen tegenover de beschaafde oorspronkelijke bewoners.

De pagina’s zijn opgefrist en voorzien van een nieuwe lettering. Met name dat laatste is een vooruitgang ten opzichte van de eerdere uitgaven, waarin de hoekige letters vaak door de balloons dwarrelden – al had de corpsgrootte iets flinker gemogen. De inkleuring is bijzonder, beetje apart zelfs: grote vlakken met verloopjes op de horizon, bosschages in een enkele kleur groen en alle indianen in een egale kleur oranjebruin.

De drie integraaldelen tezamen bundelen alle negen complete verhalen van Kresse’s indianenverhalen die hij maakte tussen 1973 en 1982, samen met De Lokroep van Quivera, een verhaal dat postuum verscheen en werd uitgegeven door de Stichting Hans G. Kresse. Dat laatste verhaal is in zwart wit, terwijl de rest is ingekleurd. Belangrijker is dat het niet voltooid is.

Dat het ooit toch als album verscheen en nu opnieuw is opgenomen in de reeks, laat zien hoe belangrijk men het werk van Kresse vindt. Het hoort bij de cultus die nog altijd om ’s mans werk hangt. Er is een heuse De Kresse-kring die zich ten doel stelt het werk van Kresse voor het nageslacht te bewaren.

Hans G. Kresse (1921-1992) is onlosmakelijk verbonden aan zijn bekendse creatie Eric de Noorman. Hij was daarnaast een begenadigd illustrator, die werkte voor bladen als Panorama, Margriet, Pep en Donald Duck. De oudere garde kent hem verder van de illustraties die hij maakte voor de Arendsoog-boeken. Halverwege de jaren zestig tekende hij de reeks Vidocq, een strip rond Eugène François Vidocq, de Franse evenknie van de Amerikaanse privédetective Allan Pinkerton, over wie ook talloze strips verschenen.

Voorin in de drie integrales staan Kresse-kenners Rob van Eijck en Rob van der Nol steeds kort stil bij de Indianenreeks: bekwaam, tikje droog, maar interessant genoeg vanwege het beeldmateriaal. In het derde deel gaat het tien pagina’s lang over de Unvollendete, dat vreemde Duitse woord dat kortgeleden ineens overal opdook toen het over het Suske & Wiske-verhaal De sonometer ging. In Kresse’s geval verwijst het naar het tiende album dat hij nooit afrondde. De heren kenners staan er uitvoerig bij stil.

Er valt van alles te zeggen voor en tegen de reeks. Jonge lezers zullen eerder gaan voor de nieuwe westerns – en die zijn er genoeg. Maar toch missen ze dan een bijzondere blik op het prairieleven. Kresse wist veel van de geschiedenis van de Noord-Amerikaanse Indianen en dat lees je terug. Misschien dat al die feitenkennis iets van de spanning wegnam, het zorgt er tegelijk voor dat de lezer mooie inzichten krijgt over de Apachen. Het doet hier en daar wat denken aan de contemplatieve verhaallijnen in Buddy Longway en Jonathan – twee series die niets te maken hebben met de Apachen van Kresse, maar die ook blijk geven van een verlangen om andere culturen te leren begrijpen.

Wie van westerns houdt kan niet om de Indianenreeks van Kresse heen, zoveel is duidelijk. De drie integrales zijn met zorg en toewijding samengesteld en uitgegeven, en horen thuis in iedere serieuze westernverzameling.

Hans G. Kresse – Indianenreeks 3: Eer. Arboris. 192 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Yoshiharu Tsuge – The man without talent

Biografieën zijn doorgaans flinke pillen. Wie het tot een boek over zijn of haar leven heeft geschopt verdient alle toewijding en nuancering, tot haarkloverij aan toe. Verstripte biografieën zijn in de westerse wereld een zeldzaamheid, daarvoor moet je toch in Japan zijn. De mooiste biografieën van stripauteurs (Marc Eliot’s Walt Disney, Marten Toonder van Wim Hazeu en Bob Andelman’s Will Eisner: A spirited life) zijn allemaal geschreven. Laten we het erop houden dat het een enorme klus is om alles uit te tekenen, en het boeiend te houden.

Om met het laatste te beginnen. De getekende biografie van manga-grootheid Osamu Tezuka, The Osamu Tezuka Story, a life in manga and anime, telt 914 pagina’s en staat tjokvol chronologisch opgediste anekdotes, successen en bespiegelingen. Het werk, van Toshio Ban én Tezuka Productions, is zo totaal dweperig en over de top dat het al na 200 pagina’s niet meer te pruimen is. Als je denkt dat Tezuka (1928-1989, auteur van Astro Boy, Boeddha en Dororo) eventjes niet tekent, dan doet hij andere virtuoze dingen. Hij was de mens der mensen, die in grootte zelfs King Kong angst aanjoeg. Hoofdstuk na hoofdstuk, het gaat maar door. Tenenkrommend, al weten ze er wel enorm de vaart in te houden – dat wel.

Veel boeiender, en met 854 pagina’s bijna net zo dik, is de eveneens getekende autobiografie A drifting life van Yoshihiro Tatsumi (1935-2015). Tatsumi zet zichzelf niet op de voorgrond maar laat de lezer meebeleven hoe de wereld – en met name Japan – was toen hij opgroeide. Vooral de periode net na WOII, met de nasleep van de bombardementen op Hirosjima en Nagasaki en de Japanse capitulatie, is indrukwekkend in beeld gebracht. Hoe in al die misère een eenvoudige jongeman ervoor kiest om toch zijn droom na te jagen en mangaka (stripmaker) te worden. Met vallen en opstaan, en naar eigen zeggen zelfs aan het einde van zijn leven nog niet daar waar hij had willen zijn.

In al dat geweld van aantallen pagina’s vallen de 216 bladzijden van de autobiografie van de alternatieve Japanse mangaka Yoshiharu Tsuge (1937) nogal tegen. Waarom dat is, bewijst hij met de titel al: The man without talent. Tsuge is nooit werkelijk overtuigd geweest van zijn ambities. Zijn luiheid loopt als een rode draad door het verhaal. Steeds als hij zich weer aan iets nieuws zet om in zijn levensonderhoud te voorzien, zakt hem de moed na verloop van tijd in de schoenen. De hoofdpersoon, waarin wij Tsuge kunnen lezen zonder dat de maker dat expliciteert, verkoopt stenen, fototoestellen en handelt in tweedehands gerei, dat hij opscharrelt bij oude mensen en andere handelaren.

Het verhaal is grimmig van toon. De verveling en het gebrek aan pit bij de larmoyante hoofdpersoon draagt bij aan een gevoel van algehele malaise. Alles gaat met zoveel moeite, dat het moeilijk is voor te stellen hoe iemand zo met zichzelf kan leven. Alle blikken zijn terneergeslagen, er wordt nooit eens gelachen, nergens is uitbundigheid – behalve als er eens wordt gezopen, maar dan voorvoelt de lezer de ellende van de volgende ochtend al mijlenver aankomen. En toch lijkt het soms goed te komen, misschien omdat we weten dat de hoofdpersoon goed kan tekenen en zijn vrouw er steeds op hamert om gewoon weer strips te gaan maken voor de kost. Maar nee, hij wil niet. Hij kiest voor iets anders, wat dan ook.

Dat het Tsuge zelf is die hij portretteert, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij zelf ook jarenlang in fototoestellen handelde om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast is er een nawoord van vertaler Ryan Holmberg, waarin dat nog eens wordt uiteengezet. Tsuge tekende vanaf halverwege de jaren zestig. Omdat hij zijn leven lang aan depressies lijdt en teleurgesteld is in de Japanse uitgeverswereld die uitsluitend oog heeft voor verkoopsuccessen, stopt hij voorgoed in 1987. Daarna trekt hij zich terug uit het openbare leven.

Yoshiharu Tsuge wordt gezien als een innovatieve mangaka die zich in de jaren zestig en zeventig richtte op een volwassen lezerspubliek met serieuze beeldverhalen, die tot dan toe ongekend waren in Japan. Zijn buitenissige verhalen leverde Tsuge in eigen land een cultstatus op. Zijn werk is surrealistisch, dramatisch en vooral: hij kiest steevast voor een gekwelde hoofdpersoon, iemand met ondeugd en twijfel. Tsuge voert als eerste auteur een getormenteerde held op die met zijn eigen beperkingen wordt geconfronteerd: de lezer is deelgenoot van zijn depressies, zijn tweestrijd. Niet eerder werden personages zo kwetsbaar neergezet, vooral omdat manga doorgaans plat vermaak was.

Tsuge haakt met zijn verhalen aan bij wat gekiga wordt genoemd. Gekiga is de meer literaire variant van manga waarin serieuze thema’s worden behandeld. Het is te vergelijken met het onderscheid dat wij hanteren voor strip en graphic novel. De bekendste gekiga-auteur is de eerder genoemde Tatsumi. Diens grimmige verhalen die spelen aan de onderkant van de naoorlogse Japanse samenleving zijn schrijnend en hard, ondanks de vriendelijke, karikaturale tekenstijl waarin Tatsumi ze uitwerkt.

Ondanks de cultstatus van Tsuge en zijn succes in eigen land, bleef zijn werk lange tijd onopgemerkt buiten Japan. Het baanbrekende striptijdschrift Raw, dat verscheen van 1980 tot 1991 en onder redactie stond van Maus-tekenaar Art Spiegelman, publiceerde als eerste twee korte verhalen van Tsuge. In 2004 werd Muno no Hito (De man zonder talent) in het Frans vertaald en prompt genomineerd voor de prijs van beste album op het stripfestival van Angoulême. Vorig jaar verscheen de Engelse vertaling bij New York Review Comics, de stripuitgeverij die is gelieerd aan The New York Review of Books. Het geeft aan hoe Tsuges werk met terugwerkende kracht wordt gewaardeerd, tot en met de grote, indrukwekkende overzichtstentoonstelling op het stripfestival van Angoulême in 2020 aan toe. Het laat zien hoe de serieuze manga zich door de jaren heeft ontwikkeld.

Het Canadese Drawn & Quarterly, dat ook het werk uitgeeft van vooraanstaande auteurs als Daniel Clowes, Seth, Julie Doucet en Chris Ware, is voornemens het complete oeuvre van Tsuge integraal in het Engels te bezorgen. Het eerste deel, The swamp, verscheen vorig jaar: het is een chronologische bundeling van zijn vroegste verhalen. In juli verschijnt het tweede deel, Red flowers. Het werk is grilliger dan zijn autobiografie, maar ook zeer de moeite waard.

Yoshiharu Tsuge – The man without talent, vertaling Ryan Holmberg. New York Review Comics. 240 pagina’s, hardcover. € 19,69

Strips & comics

Gelezen: Nob – Dad 7: De stille kracht

Nederland heeft iets met de familiestrip. Dat komt vooral door de Libelle en Margriet, het lijfblad van onze moeders. Achterin stonden respectievelijk Jan, Jans en de Kinderen – veruit de bekendste stripfamilie van Nederland – en de Familie Achterop, een Amerikaanse klassieker die echt veel leuker is dan we ons herinneren.

Nieuwere series hebben vaak nog familiebanden, denk aan Elsje, maar die zijn minder dwingend en minder traditioneel. Overigens, een dingetje dat al voorzichtig werd ingezet door Jan Kruis die netjes meebewoog met de tijdsgeest en af en toe een Bewust Ongehuwde Moeder opvoerde.

In Frankrijk is er een strip over een vijfpersoonshuishouden, bestaande uit vier dochters en een vader: het is de reeks Dad van de Franse stripmaker Nob (pseudoniem van Bruno Chevrier). Nob is mateloos populair in Frankrijk, door Dad en ook door Mamette, een zalige strip over een oud dametje dat nog behoorlijk bij de pinken is. Mamette is een reeks om onvoorwaardelijk van te houden: de delen die in het Nederlands verschenen zijn stuk voor stuk geweldig én worden steeds beter – wat ook niet altijd zo gaat bij series. Het is een kwestie van geduld en een beetje hoop dat de jeugdjaren van Mamette ook in het Nederlands verschijnen: Les souvenirs de Mamette hoort bij de mooiste kinderverhalen die er zijn. De verhalen zijn warm en liefdevol maar everecensie dad tngoed zielig en een beetje verdrietig; zoals het leven zelf. Konden we de uitgevers maar eens diep in de ogen kijken.

Terug naar Dad, waarvan onlangs een zevende deel verscheen: De stille kracht. In een prettige reeks eenpaginaverhaaltjes volgen we het huishouden van vier schattige stoorzendertjes en een doorpakkende huisvader, die af en toe tijd voor zichzelf wenst. De kinderen zijn lekker verschillend, niet in de laatste plaats omdat ze van vijf verschillende moeders zijn. Dat verhaalgegeven is gewoon een feit; nergens krijgen we een terugblik op de voorgaande jaren of horen of zien we iets van een van de moeders. Niet dat Dad niet met vrouwen bezig is overigens…

Dad is trouwens ook gewoon Dad, hij wordt nergens bij naam genoemd. Buiten zijn drukke bestaan als huisvader heeft hij natuurlijk nog dromen en wensen, die beginnen met een goed figuur. Althans, dat ziet hij als een voorwaarde voor een fijne toekomst, en dus sleurt hij aan halters, hangt aan optrekstangen en poseert hij bevallig voor de spiegel, uiteraard gadegeslagen door zijn pestende puberdochter, de giechelige negenjarige en de twee kleintjes die ieder voor zich gek opkijken naar hun papa.

De verhaaltjes zijn innemend, schattig en geestig. Er wordt geglimlacht, niet geschaterd. Het knappe van de reeks is het constante niveau, al is het fijn te merken dat de kinderen nu eens niet de sfeer van de verhaaltjes bepalen, maar Dad. Je zou bijna zeggen dat Dad eindelijk een beetje voor zichzelf kiest en af en toe zijn kwetsbaarheid toont. Het zou leuk zijn als hem nog eens iets overkwam: een vriendin of een leuke buurvrouw of zo.

Stel dat Dad een serie is die nog lang bij ons blijft en die net als Jan Jans en de Kinderen meegroeit met het leven: dan zou het een reeks kunnen worden die meer wordt dan de situationele grappen van de eerste zes delen. Dat Dad maatschappelijker wordt, iets meer naar buiten kijkt en iets minder leunt op de strapatsen van opgroeiende kinderen – hoe verleidelijk dat ook is. Misschien is Nob die weg al ingeslagen met dit zevende deel. Zou hij dat bedoelen met de stille kracht?

Nob – Dad 7: De stille kracht. 48 pagina’s. € 7,50.

Strips & comics

Gelezen: Jacob Phillips & Chris Condon – That Texas Blood Vol 1

Sean Phillips is een gevierd Brits stripmaker die samen met de Amerikaanse scenarist Ed Brubaker grote triomfen viert in het crime noir genre. Hun albums (Criminal, Pulp, Cruel Summer) zijn stuk voor stuk grote klasse. De scenario’s en het perfecte tekenwerk worden alom geroemd, net als de heel uitgesproken en gewaagde inkleuringen van Jacob Phillips – zoon van. Jacob kiest gerust voor roze luchten, lichtblauw gevlekte gezichten en achtergronden waarin de kleuren over elkaar zijn geplakt. Zijn stijl draagt bij aan de kracht van de verhalen.

Deze Jacob Phillips heeft meer in zijn mars. Vorig jaar tekende hij het zesdelige That Texas Blood, een comic die het best te omschrijven is als een southern crime drama. Dat betekent concreet: plat pratende Zuidelijke lowlifes, uitzichtloze situaties en veel criminaliteit. Het zijn de ingrediënten waar Brubaker en Phillips in hun reeksen ook mee werken.

Phillips tekent en kleurt in, op scenario van Chris Condon. Samen hebben ze de sfeer goed te pakken: alles lijkt uit het handboek van Brubaker en Phillips sr te komen. Dat is mooi, want dat legt de lat hoog en geeft de lezer waar voor zijn geld, maar is tegelijk een beetje jammer. Het oogt allemaal wel bijzonder identiek. Het tekenwerk van Jacob lijkt als twee druppels op dat van zijn vader; dat is nog eens niet zo storend, maar toch. Niemand kiest voor een exacte kopie. Bijzonder is wel dat het lijkt alsof Jacob Phillips niet voluit is gegaan met de inkleuring. Het is natuurgetrouwer en minder expressief.

Het verhaal zit erg strak in elkaar. Het ontwikkelt zich tergend langzaam, alles speelt zich per uur af. Randy, een jonge vent van een jaar of dertig, keert terug naar zijn geboorteplaats nadat zijn jongere broer is overleden – als dat al een reden is, dan is het een vreemde, want zijn broertje zat tot zijn nek in de duistere zaken en zijn dood is geen natuurlijke. Uiteraard wordt Randy niet met open armen ontvangen: duistere types zijn meteen alert. Komt hij om wraak te nemen?

De lokale sheriff, een rustige man van zeventig lentes die luistert naar de naam Joe Bob Coates, ontfermt zich over Randy. Joe probeert de boel in bedwang te houden en weet Randy én zijn tegenstanders te neutraliseren. Tenminste, zo lijkt het. Er zijn in het slaperige stadje teveel mensen met teveel meningen.

Zelfs in deze summiere samenvatting valt er niet te ontkomen aan een hele bult clichés. Tel er de typische diner, het verlaten meisje en de morsige hotelkamers bij op en je hebt een perfect beeld van het verhaal. Om daarmee weg te komen, moet er iets goed zitten. In That Texas Blood vinden we dat vooral in het tempo en in de rust die met name Joe en Randy uitstralen. Onderhuids broeit het, van buiten zien we er niets van terug. Dat is knap, dat houdt het verhaal gaande.

Toch voelt iedereen op zijn klompen aan dat Randy niet onverrichter zake naar huis gaat. Want ja, als niemand hem vertelt wie zijn broertje heeft vermoord, dan moet hij dat zelf uitzoeken. Of niet dan? Als de trade paper back, die de losse delen 1 tot en met 6 bundelt, eenmaal uit is, zijn er de onvermijdelijke zwaailichten en lege blikken. Met een helluva surprise, if y’all know whatter mean.

That Texas Blood is uiteindelijk een prima verhaal gebleken, een aanrader zonder meer. Het is een echte Phillips en eigenlijk ook een echte Brubaker. Misschien hebben de jonge makers deze eerste ronde nodig gehad, maar een volgende keer mogen ze iets verrassender uit de hoek komen. Deze klappen kennen we intussen, en ook al beter.

Jacob Phillips & Chris Condon – That Texas Blood Vol 1. Image. 144 pagina’s. € 15,99.

Strips & comics

Gelezen: Michel Rabagliati – Paul at Home

Het is eigenlijk ongelooflijk dat het innemende en ijzersterke stripwerk van de Franse Canadees Michel Rabagliati niet meer in het Nederlands verschijnt. In 2004 en 2007 verschenen de eerste twee titels uit zijn semi-autobiografische Paul-verhalen, Pauls vakantiebaantje en Paul op het platteland. Rabagliati tekende rustig voort maar nooit meer raakte zijn albums vertaald, en nu zijn nieuwste graphic novel Paul at home uit is, blijkt nog eens hoe jammer dat is.

Natuurlijk, je kunt alles gewoon in het Engels lezen, zoals je dan altijd hoort, maar even belangrijk is een andert argument waarom de Paul-verhalen het vertalen waard zijn: de strips zijn vanwege Rabagliati’s prettige vertelstem en toegankelijke tekenwerk heel geschikt voor geïnteresseerden die eens een strip willen lezen, maar niet weten wat. Anders gezegd: zijn albums, met een vriendelijke melancholische inslag, kunnen ongeoefende lezers inwijden in het beeldverhaal. Lees dit beslist niet als een diskwalificatie: de Paul-verhalen zijn heel sterk, knap en gevoelig. Het is vooral het ogenschijnlijke gemak waarmee Rabagliati zijn verhalen vertelt én tekent die ze geschikt maakt voor een groot publiek van striplezers en niet-striplezers.

Paul at home is Rabagliati’s negende titel in de reeks rond zijn alter ego Paul Rifiorati, een stripmaker die intussen 51 jaar oud is. Het complete plaatje: zijn vrouw is net bij hem weg, zijn negentienjarige dochter vliegt uit en de zorg voor zijn eenzame moeder wordt steeds ingewikkelder. Paul is bij wijle bozig – op mobiele telefoons, op zijn buurman, het lettertype van de bewegwijzering op de snelweg en wat al niet meer. Paul knarst in zijn slaap en snurkt dat het een aard heeft. Hij vervloekt de medisch specialisten die hij ziet om allerlei ouderdomsklachten te voorkomen – niet in de laatste plaats omdat die figuren hem klauwen met geld kosten. Samengevat, Paul is niet te benijden.

Waar een ander kiest voor een klaagzang op het leven, gaat Rabagliati op zoek naar de kleine lichtpuntjes, de dingen die wel lukken. Dat gaat met moeite, maar juist die vergeefse zoektocht is zo vriendelijk in beeld gebracht, dat de lezer Paul in de armen sluit en zijn gesakker voor lief neemt.

In eerdere delen was Paul een stuk jonger. Rabagliati heeft een flinke sprong in de tijd gemaakt en dat zie je terug in de thematiek. Waar trivialere zaken als jeugdliefdes en vriendschappen in eerdere delen centraal stonden, lijken nu de grote vragen van het leven aan de beurt: zijn eenzaamheid, zijn familiebanden en zijn lichamelijke aftakeling – in een even innemende als hilarische scene moet Paul zich in een apparaat tegen apneu hijsen voordat hij gaat slapen. Later krijgt hij een ingewikkeld bit dat zijn kaken op slot zet en het snurken moet tegengaan. Als hij in de nacht erna zijn ipad in de opnamestand laat ‘meeslapen’ hoort hij de volgende ochtend dat het niet geholpen heeft. Weer 2300 dollar weggegooid. En voor wat? En voor wie?

De lezer volgt het allemaal zonder moeite: Rabagliati weet zijn verhaal perfect op te bouwen. Paul gaat boodschappen doen, hij maakt een datingprofiel aan, hij geeft les op een school voor moeilijke jongeren en hij wil het bad in zijn achtertuin zomerklaar maken, om er in oktober achter te komen dat het toch niet gelukt is, ondanks de liters chemicaliën die hij ervoor kocht. Het leven sleept zich voort, met een lach voor de lezer en een traan voor Paul én de lezer.

Over tranen gesproken: Pauls moeder speelt een bijzondere rol in het geheel. Zij is oud en der dagen zat. Het is niet per se haar wens om het licht uit te doen die Paul verdriet doet, de zorgvuldige lezer ziet vooral dat zijn eenzaamheid erg op die van zijn moeder is gaan lijken.

Er is bijzonder hoe Rabagliati de sores van Paul uitwerkt: er zit een zekere mate van rust in. De stemming van het verhaal is die van Paul en hoewel niet al te zonnig, is het zeker niet treurig. Rabagliati gebruikt een paar mooie metaforen die hij in het verhaal verwerkt: bijvoorbeeld de zieke boom in zijn achtertuin. De ene helft wordt nog even gespaard, maar de wond blijkt te groot en uiteindelijk moet de hele boom weg – in etappes, zodat Paul eraan kan wennen. Het heeft iets troostrijks zoals het getekend wordt.

Deze negende Paul-titel is niet te vergelijken met zijn eerdere titels. Deze keer is Rabagliati eerlijker, emotioneler en rijper. Grote thema’s als het ouderschap, aftakeling, eenzaamheid, ziekte en dood worden allemaal met een opvallende lichtheid uitgebeeld en verwoord. Dat is ronduit knap.

In de slotscene graaft Paul een gat in de achtertuin. Hij plant een klein kersenboompje dat hij van zijn Italiaanse buurman Tonio kreeg. Met een paar jaar zal daar een flinke boom staan. Zo een als hij had. Paul heeft iets om naar uit te kijken.

Michel Rabagliati – Paul at Home. Drawn & Quarterly. 204 pagina’s. € 20,09.

Strips & comics

Gelezen: Umi Sakurai – A Man and His Cat

De spanningsboog kan niet altijd gespannen zijn. Soms is het tijd voor verstrooiing en dan is het fijn om naar Japan te kijken: er zijn talloze mangatitels die lekker weglezen en die prima te bingen zijn. De keuze in vertaalde manga voor dergelijke gelegenheden is enorm – overigens altijd in het Engels, manga wordt zelden tot nooit in het Nederlands vertaald.

Vanwege het enorme en heel diverse aanbod is niet alles meteen geslaagd. Daarom is een aanbeveling van de Japanse bond van boekhandelmedewerkers iets waar je mee voor de dag kan komen: de koddige reeks A man and his cat van Umi Sakurai viel deze bijzondere eer te beurt. De eerste twee delen zijn intussen verschenen, nieuwe delen komen met een flinke vaart op ons af: in februari deel 3 en in mei deel 4. Leuk om het bij te houden, al zit er op voorhand een addertje onder het gras: omdat het een succes is in Japan, kunnen we er gevoeglijk vanuit gaan dat de reeks jaren en jaren wordt uitgemolken. Dit kan maar zo een serie van dertig delen worden, met ieder jaar vijf delen. Weer een halve meter in je kast. Typisch manga.

In A man and his cat gebeurt niet zoveel. Dat is de charme en het grappige ervan. Een man van een jaar of veertig die steevast onberispelijk gekleed is, ene Kana, gaat op zoek naar een huisdier voor gezelschap en vindt een rare kat in een winkel. Raar, omdat de kat niet past in zijn omgeving: Fukumaru, zoals de kat heet, is een typische, overtrokken manga-creatie met grote ogen en een rare kop. Het beest lijkt in de verkeerde strip beland, omdat de rest van de mensen en dieren redelijk natuurgetrouw zijn uitgewerkt. Dat is één.

De korte hoofdstukjes waar de reeks uit bestaat – ieder boek heeft er vijftien, plus wat extra pagina’s – gaan over eten, een kattenbak, speelgoedjes en alleen zijn. Het si allemaal van een betrekkelijke futiliteit, maar evengoed herkenbaar voor kattenbezitters. Fukumaru’s eigenaar verdiept zich zelfs grondig in de psyche van zijn huisdier door allerlei literatuur te raadplegen, hij neemt het houden van een huisdier werkelijk serieus. Minutieus wordt alles uit de doeken gedaan, ieder detail krijgt alle ruimte om te landen. Dat is twee.

Fukumaru denkt en “spreekt” in een katachtige taal. Hij vindt bijvoorbeeld alle aandacht die hij krijgt ‘purrrrrfect’. Zijn baasje noemt hij ‘Mew’ wat uiteraard ideaal is voor een kat en zo dartelt het verhaal van rechts naar links. De tekeningen van Sakurai zijn schattig en rustig – voor Japanse begrippen. Fukumaru wordt afgebeeld als een soort knuffelbeest en zijn baasje ziet alles altijd met dezelfde grijns aan. Niets lijkt de man van zijn humeur te kunnen brengen. Het is allemaal nogal hetzelfde, vooral omdat er verder niet veel gebeurt in hun beide levens. Dat is drie.

En wat maakt deze vreemde serie nu zo geestig? Het is de combinatie van factoren; het totaalplaatje, zo je wilt. Het wordt de lezer in de openingsscène van deel 1 meteen duidelijk dat Fukumaru weinig vertrouwen heeft in een vrolijke en onbezorgde toekomst. De mensen willen een lieve kitten, geen bol monster met een gekke kop. En dan komt het tóch goed. De lezer – die van de spanningsboog – denkt er nog even het zijne van, maar leest toch door. En dan gebeurt het: dat doorlezen is plezierig, het is grappig, het is aandoenlijk, het is schattig, het is zoals je een soap kijkt of een showbizzprogramma. Precies wat iemand soms nodig heeft.

Is het een topper? Niet per se als je de verhaallijnen volgt, maar de Japanse boekhandelmedewerkers kunnen er niet collectief naast zitten. A man and his cat is zeker iets bijzonders. Het is verstrooiing op een vrolijke manier. Meer niet. Maar ook niet minder.

Umi Sakurai – A Man and His Cat. Square Enix Manga. 2 delen verschenen, deel 3 verschijnt op 23 februari. 144 pagina’s per deel. € 12,99.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Pierre Gibrat – Mattéo 5, Vijfde Periode

Mattéo van de Franse succesauteur Jean-Pierre Gibrat is een stripserie die al vanaf het eerste deel, in 2009, in de gaten wordt gehouden. De verwachtingen zijn al sinds de eerste pagina torenhoog, omdat Gibrat wordt gezien als een van de groten van de hedendaagse Franse school. Als zijn twee eerdere tweeluiken, Elke raaf pikt en Het uitstel, als opmaat gelden voor deze veel omvangrijkere reeks verhalen, dan kan het niet anders dan dat Mattéo moet worden gezien als ’s mans hoogtepunt, zijn magnum opus.

Het idee van de opmaat komt niet uit de lucht vallen: het werk van Gibrat heeft een paar pijlers die steeds terugkeren. Zijn thematiek en karakterontwikkeling zijn typisch en herkenbaar. Daarbij: zonder ordinair te klinken is Gibrat bij de meeste striplezers vooral beroemd om zijn prachtige, gracieuze vrouwen. Geen platte sekssymbolen, maar sterke vrouwen die hun eigen weg kiezen – in onze rijke taal heet het dan dat zij hun mannetje staan. Nu klinkt dat in het grotere geheel tamelijk stupide (ze bestaan echt, deze onafhankelijke, zelfdenkende vrouwen) maar weet dan dat de stripwereld nog een geweldige inhaalslag voor de boeg heeft wat betreft de verbeelding van vrouwen – het is onbegrijpelijk dat er nog steeds strips verschijnen die niets moeten hebben van de wereld van nu.

Kijk alleen al eens naar vrouwelijke superhelden, die nog veel te vaak als volkomen absurde creaturen in hoog uitgesneden badpak worden uitgebeeld: met hun wespentailles met enorme borsten en billen, die in allerlei bevallige poses knokken met het onnozele geboefte. Knullig, puberaal en iets van vroeger, maar nog steeds aanwezig.

Gelukkig wordt er vooral om gelachen door jonge striplezers; zo serieus is het allemaal niet meer, het is een kwijnend genre geworden. De jongens die het nog steeds ‘helemaal te gek’ vinden, worden ouder en kleiner in getal. De nieuwe aanwas van superheldenfans kiest voor andere idolen, met andere zeden en deugden. Sexy is onnozel.

Ook Roodhaar, de mevrouw die altijd in hesje en korte broek naast Storm rondbanjert, is niet bepaald het prototype van een zelfstandige vrouw die voor zichzelf kiest – bijvoorbeeld als het vriest dat het kraakt en ze toch aan het welzijn van de verlekkerende striplezer blijft denken. Om nog te zwijgen over de vliegtuigbabes van Romain Hugault, die niet eens een fatsoenlijke taak in het verhaal hebben, behalve een beetje parmantig rond te hangen bij hangars en vliegeniers. Je moet de ondeugende vijftigers zien die deze boeken koesteren…

Afijn, bij Gibrat dus niet dat soort vrouwen. Hoewel ze uiterlijk allemaal op elkaar lijken, zijn ze ieder voor zich daadkrachtiger dan die ontwijkende en ingetogen Mattéo, een voortdurend rokende Spaanse anarchist die steeds per ongeluk op de verkeerde plek lijkt op te duiken. Zoals in het onlangs verschenen vijfde deel van het verhaal, dat speelt in Spanje waar dan net de pleuris is uitgebroken; meer bepaald tijdens de Spaanse burgeroorlog die in dit deel woedde van september 1936 tot januari 1939 – een strijd waarin de falangisten vechten tegen de republikeinen.

Het verhaal van Mattéo begon ooit als volgt: hij leeft samen met zijn moeder in een dorpje in de Franse Pyreneeën. Hij werkt in de wijngaarden en heeft een oogje op Juliette die hem niet ziet staan. Terecht, Mattéo is niet zo’n sprankelende verschijning – ook in de latere delen wordt zijn oogopslag niet veel levenslustiger, al is het larmoyante er wel van af. In deel 1 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Als Spanjaard hoeft hij niet in het leger, maar dat is tegen het zere been van ongeveer het hele dorp. Om te bewijzen dat hij een kerel is, gaat hij toch in dienst.

De delen die volgen gaan volgens hetzelfde stramien: steeds zijn er oorlogen of markante periodes in de twintigste-eeuwse geschiedenis aanstaande – WO I, de Russische Revolutie et cetera.. En iedere keer is het Mattéo, met zijn entourage, die opduikt aan een van de zijden van het slagveld. Regelmatig veranderen de verhoudingen, verdwijnen er mensen uit het zicht en gebeuren er dingen: zo hebben Juliette en Mattéo een zoon, maar zijn elkaar uit het oog verloren. Die persoonlijke verhaallijnen zijn niet dwingend, ze gebeuren: de lezer volgt rustig.

Wat de verhalen werkelijk interessant maakt, speelt zich op een heel ander vlak af. De gesprekken die worden gevoerd en de bespiegelingen van Mattéo zijn ronduit filosofisch. Ze geven de lezer een manier om naar oorlog en strijd te kijken van binnenuit. Waar we normaal gesproken pas over een oorlog nadenken als alles achter de rug is en de geschiedschrijvers aan de slag zijn geweest, neemt Gibrat via Mattéo daar al een voorschot op. Dat is boeiend, omdat de gedachten en ideeën die worden geuit nog niet alles kunnen verdisconteren: immers, de lezer van nu weet meer dan iemand die indertijd midden in de situatie verkeert. Dat Mattéo een anarchist is, eentje van de boekenwijsheid bovendien, maakt zijn beschouwingen over het leven als strijdtoneel van macht en corruptie echt interessant.

Die beschouwende denklaag houdt de losse delen bij elkaar, maar is ook gelijk het gevaar van de reeks: het kan ontaarden, het gepraat en gedenk kan gemakkelijk de overhand krijgen. Deel 4 leek daaraan al ten prooi gevallen, gelukkig dat deel 5 weer meer plotgedreven spanning oplevert. Geen spoilers uiteraard, maar Gibrat heeft een paar knappe, historisch accurate vondsten in het verhaal verwerkt, die uit de kunst zijn.

Een niet bijster geslaagde uitruil van krijgsgevangenen en de nasleep daarvan domineren met name het tweede gedeelte van het verhaal: spannend en tegelijk weer een reden voor Mattéo om zijn wereld- en mensbeeld naar voren te brengen. Toch zal er iets moeten gebeuren met de personages: het concept van de historische gebeurtenissen vanuit het perspectief van steeds dezelfde groep mensen is sterk, maar niet eeuwig houdbaar.

Het zal nog een hele puzzel zijn om de reeks een waardig en logisch slot te bezorgen – of misschien dat het de reis ernaartoe moet zijn. Tot die tijd is Mattéo een serie met een sterk conceptueel karakter, krachtige personages en interessante vergezichten over de twintigste eeuw.

Jean-Pierre Gibrat – Mattéo 5, Vijfde Periode (september 1936 – januari 1939). Daedalus. 64 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jan Novak & Jaromir 99 – Zátopek

Er zijn Olympisch kampioenen en Olympisch kampioenen, appels en peren: een biatleet is niet te vergelijken met een shorttracker en een hoogspringer niet met een allround zwemmer., hoe succesvol ze ook zijn. Recordhouder Marit Björgen won tot nu toe 15 Olympische medailles op het onderdeel langlaufen, maar weinig mensen zullen haar naam kennen. Marianne Timmer, Alberto Tomba en Eric Heiden zijn al een stuk bekender. Gaan we verder terug in de tijd, dan worden de namen om één of andere reden legendarischer: Ard Schenk, Fanny Blankers-Koen en de Tsjech Emil Zátopek.

De hardloper Zátopek won drie gouden medailles op de Olympische Zomerspelen van 1952 in Helsinki: op de 5.000 meter, de 10.000 meter én de marathon. Vooral hoe hij vrijwel onvoorbereid de 42 kilometer en 195 meter op zijn naam schreef, is even legendarisch als onnavolgbaar. Hij deed het erbij, omdat hij dacht ‘het te snappen’. In de graphic novel Zátopek, met het curieuze onderschrift ‘When you can’t keep going, go faster’, wordt het succes van deze excentriekeling uit de doeken gedaan.

Wie 1952 en Tsjechoslowakijke bij elkaar optelt, ziet onder welke omstandigheden Zátopek groot is geworden. Nadat bij de jonge Emil was ontdekt dat hij aanleg had voor hardlopen, met name door een focus op ademhaling en onconventionele trainingsmethoden, werd hij al spoedig in het leger ‘opgenomen’. Hij kon weinig anders: daar waren alle faciliteiten en alleen daar kon men hem trainen en kneden tot een topatleet. En een communistische modelburger, uiteraard. Als Zátopek aangeeft dat hij dat niet per se wil, blijkt ineens waartoe het regime in staat is.

Lang verhaal kort, Emil Zátopek verruild zijn burgerkloffie voor een uniform en wordt ingezet als uithangbord van de communistische heilstaat. Alleen: daar heeft hij helemaal geen boodschap aan. Zijn onaangepaste gedrag is de machthebbers een doorn in het oog. Tegelijk is hij hun enige kans op succes. Tsjechoslowakije maakte nooit eerder kans op Olympisch goud.

Het verhaal wordt zelfs ronduit spannend als Zátopek eist dat zijn trainingsmaatje en goede vriend Stanislav Jungwirth ook wordt uitgezonden naar de Spelen van Helsinki. Die mag namelijk niet mee, vanwege “subversieve politieke belangstelling”. Zátopek speelt hoog spel maar laat de machthebbers geen keuze.

Zátopek is een fraaie biopic van een interessante vogel die ondanks de tijdsgeest en de omstandigheden in het voormalige Oostblok zijn eigen plan trekt. Het sportieve gedeelte is mooi uitgewerkt, maar het politieke spel is vele malen interessanter. Tekenaar Jaromir 99 (niet zijn geboortejaar, geen idee wat wel) heeft een typische, traditionele lijnvoering die teruggrijpt op de toenmalige Oostblokcultuur. Het is bonkig, met veel plooien en in een duo-toon kleurstelling: alles in in roodbruin en lichtblauw. De figuren lijken zo uit Russische muurreliëfen afkomstig.

Het enige dat af en toe wringt is de Engelse vertaling. Tsjechoslowaakse officials die de internationale pers te woord staan, praten in steenkolenengels; veel zinnen klinken onnatuurlijk en gesprekken lijken door een vertaalcomputer gehaald. Nu zal dat misschien de charme van het toenmalige Oost-Europa willen uitbeelden, het werkt niet. Je kunt eroverheen lezen, maar het kost een punt.

Zátopek is een mooi inkijkje in de Oost-Europese wereld van ooit. Het sportieve sausje dat over deze biopic is gegoten is voldoende, de spanning of Zátopek de race gaat winnen is er immers niet. Dat hij een aparte was, redt dit verhaal.

Jan Novak & Jaromir 99 – Zátopek. Self Made Hero. 200 pagina’s hardcover. € 25,95.

Strips & comics

De beste strips van 2020

Tussen alle lockdowns en winkelsluitingen door was 2020 best een goed jaar. Geen hoogvliegend geheel, maar evengoed geen teleurstellend jaar wat nieuwe strips betreft. Leuke verrassingen (Larcenets Groepstherapie) werden afgewisseld met jammere titels (het slotdeel van De gouden eeuw van Pedrosa) en zo dartelde het van januari naar december. Zoals altijd, zoals je ook kunt zien in mijn eerdere jaaroverzichten, van 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019

Behalve de sympathieke geste de leveringen aan alle stripwinkels op te schorten vanwege de verplichte, eenzijdige winkelsluitingen in Vlaanderen en het verschijnen van het gratis Striphelden versus Corona, wordt 2020 niet herinnerd als het jaar waarin veel bijzonders gebeurde. Bijvoorbeeld dat er eindelijk eens werk wordt gemaakt van het digitale stripaanbod, al is Izneo nu ook in het Nederlands beschikbaar, zij het schuchter en onder de radar. Het jaar 2020 is vooral het jaar van binnen zitten, van inhuizige vakanties en van het zoeken naar individueel vertier: feitelijk toch ideale omstandigheden om veel (strips) te lezen, zou je zeggen.

Er verschenen interessante debuten, vooral in Vlaanderen, met Thibau Vande Voordes Kever en de Koning (Oogachtend) als hoogtepunt. Meer en meer ontwikkelt Oogachtend zich als een uitgever die oog heeft voor de nieuwe lichting stripmakers. Dat is een positief punt, al hebben al die debutanten voorlopig een Belgisch paspoort.

Het hele gedoe met al die zwakke hommage-albums is gelukkig bijna verdwenen – ik zou er beter niets over zeggen om geen slapende honden wakker te maken.

Het uitgeven van fraaie integrales gaat vrolijk verder, bijna altijd met zorg en veel extra’s, om de stripliefhebber flink te verleiden. De Biddeloo-jaren van De Rode Ridder (Standaard) zijn prima guilty pleasures, de keurig vormgegeven afstofbeurt van de avonturen van Govert Suurbier (Le Lombard) met leeslint, gouddruk, mooi papier en een fraai dossier verdient een groot publiek. Peter de Wits Stampede integraal (Sherpa) is ook zeer geslaagd en wat Sherpa betreft geldt dat ook voor Chaos en evenwicht van Moebius.

Zoals ieder jaar heb ik de titels opgesplitst in een Nederlandstalige en een Engelstalige lijst. Het wijst zich vanzelf. Bij de Nederlandstalige lijst moet ik er alvast bij zeggen dat die vast niet compleet is: ik had graag meer albums gelezen, maar dat zat er niet in. Zeker in de laatste twee maanden verschenen de albums in een sneltreinvaart. Ik had De Bom graag willen lezen. En soms wacht ik omdat ik een tweeluik of trilogie liever in één keer lees (Beestenburcht, Het Beest en Keizerin Charlotte).

Bijzondere vermeldingen zijn er voor de integrales van Gilles de Geus, met name de eerste, vanwege het geweldige dossier van Ronald Grossey. Ook Tussen hemel en aarde, het laatste deel van de ondergewaardeerde reeks Mamette van Nob (Matsuoka) verdient een pluim. Het is een integere en fraaie serie die steeds sterker wordt. Dat kunnen we van Krasse Knarren (Dargaud) niet zeggen: het laatste deel viel ronduit tegen.

De top 10 is van alles wat: de onbetwiste nummer 1 is van de Vlaming Ben Gijsemans, die na zijn debuut Hubert er met Aaron nog een flinke schep bovenop doet. Het is indringend, confronterend en tegelijk prachtig verbeeld. Het verhaal doet wat met de lezer, het is een tour de force die nog lang nazindert.

Rochettes De wolf is een complete verrassing: het was nauwelijks aangekondigd, het was er ineens. En hoe: het is niets minder dan een moderne klassieker, een album dat vast nog jaren wordt aangehaald. Terecht. Hetzelfde geldt voor Moeder met kind van Lax, een auteur die zelden zwakke boeken maakt. Met deze graphic novel – in samenwerking met het Louvre – heeft hij zich overtroffen. Helaas niet bijster opgepikt, en daarom hierbij een pleidooi om het een kans te geven. Het is te goed en te knap om onopgemerkt te blijven.

NEDERLANDS

1 Ben Gijsemans – Aaron (Oogachtend)
2 Rochette – De wolf (Casterman)
3 Christian Lax – Moeder met kind (Daedalus)
4 Guarnido & Ayroles – Goud van de zwendelaar (L)
5 Olivia Burton – Een Engelsman in mijn boom (Scratch)
6 Paul Gastine & Jérome Félix – Tot de laatste (Saga Uitgaven)
7 Rothier & Brüno – Junk (Hum)
8 Paco Roca – Schat van de Black Swan (Soul Food Comics)
9 Cassegrain, Duval & Bussi – Zwarte waterlelies (Dupuis)
10 Maarten Vande Wiele – Madame Catherine (Oogachtend)

In het Engels verscheen weer genoeg moois, ook al stond het jaar overzee vooral in het teken van de onttakeling van distributiemonopolist Diamond. Nu ligt niemand er wakker van als er minder slappe aftreksels van de zoveelste reïncarnatie of reboot van Spider-Man of Batman verschijnen, maar Diamond distribueert ook de echt veel interessantere indie-comics en werk van uitgevers als Image, Boom, Fantagraphics en Drawn & Quarterly. Het is allerminst helder wat er in de VS gaat gebeuren en welke weerslag dat heeft op het comic-aanbod in Nederland. Voorlopig gaat alles in een lager tempo zo goed en zo kwaad als het gaat gewoon door.

Een goede ontwikkeling is de keuze om meer afgeronde mangaverhalen te vertalen in het Engels. Mita Ori’s Our Dining Table (Seven Seas Entertainment) is een ontdekking, net als het complete oeuvre van Inio Asano, van wie ik begin dit jaar het mooie Downfall (VIZ Media) las. Het nog steeds doorlopende verhaal The Girl from the Other Side van Nagabe blijft heel sterk, al mag het intussen stilletjes naar een apotheose toewerken, wat mij betreft.

Leuk om te ontdekken: drie van de tien Engelstalige boeken in de top 10 zijn van Britse makelij en dat hadden er gemakkelijk meer kunnen zijn: Matthew Dooley’s Flake is een wereldwijde lijstjesstrip en ook twee titels van Avery Hill gooien hoge ogen: Breakwater van Katriona Chapman en Owen Pomery’s Victory Point (net buiten de top 10; op 11, voor wat het waard is)

Het span Brubaker en Phillips maakt al jaren geweldige strip noir reeksen (Criminal), maar dit jaar verrasten ze echt met het korte en krachtige Pulp (Image). Het zou de geheide nummer 1 zijn geweest, als Katie Skelly’s Maids niet mijn pad had gekruist. Wat. Een. Verhaal. Maids is de ontdekking van het jaar: een klein boekje, met houterige tekeningen en een donkere vibe. Wie van Maids de bibberaties niet krijgt, mist een essentieel stukje in het hoofd.

ENGELS

1 Katie Skelly – Maids (Fantagraphics)
2 Ed Brubaker & Sean Phillips – Pulp (Image)
3 Matthew Dooley – Flake (Jonathan Cape)
4 Noah van Sciver – The Complete Works of Fante Bukowski (Fantagraphics)
5 Adrian Tomine – The loneliness of the long-distance cartoonist (D+Q)
6 Katriona Chapman – Breakwater (Avery Hill)
7 Inio Asano – Downfall (VIZ Media)
8 Jesse Lonergan – Hedra (Image)
9 Craig Thompson – Ginseng roots (Uncivilized books)
10 Yoshiharu Tsuge – The Swamp (D+Q)

Tot slot het allegaartje dat het jaaroverzicht volgens traditie afsluit:

Ook mooi in 2020

1. De workshop van Inio Asano tijdens het stripfestival van Angoulême, dat eind januari nog gewoon doorging (het lijkt eeuwen geleden). Asano vertelde onderkoeld en lacherig over zijn werk en vooral over zijn ambitie om een klapper te maken, zodat hij niet meer hoeft te werken. Heel onjapans, maar wel een verademing.

2. De documentaire Underpaid and Overworked: Being an Animator in Japan van The Voiceless is een pijnlijk inkijkje in het leven van de honderden anonieme mensen die dag in dag uit aan het tekenen zijn. Het is schokkend om te horen dat een jonge mangaka onomwonden zegt dat ze zich oké voelt zolang ze haar hongergevoel negeert. Pittig.

3. Het artikel van Jan Venselaar op 9e Kunst over de stand van de strip en de reuring die dat opleverde in de vaderlandse stripgremia was een ander soort hoogtepunt. Het verscheen in mei en intussen zijn er voorzichtige plannen voor een branchevereniging en een kenniscentrum in de week gelegd. Veel goede bedoelingen dus, waarmee we met een gerust hart 2021 in kunnen. Wordt vervolgd.

Strips & comics

Gelezen: Cyril Pedrosa & Roxanne Moreil – De gouden eeuw 2

In 2018 stonden de sterren nog heel anders voor Cyril Pedrosa en Roxanne Moreil. Het eerste deel van hun grootse tweeluik was verschenen en de stripminnaars buitelden over elkaar van enthousiasme en bewondering. Oké, het verhaal was nog niet af, maar de eerste helft was geweldig. De tekeningen, vaak paginagroot en in schitterende kleurstellingen, waren indrukwekkend en sprookjesachtig mooi.

En nu, twee jaar later, verschijnt het afsluitende deel en hangt de vlag er anders bij. Het verhaal, dat in het eerste deel zo machtig en in alle rust werd opgezet, is leeggelopen als een ballon. De vaart kwam er te stevig in, het verhaal ging stuiteren en de personages werden onrustig. Ze vergaloppeerden zich richting het einde.

Het werd zelfs moeilijk om de aandacht erbij te houden. En dat is jammer want de illustratieve kracht is er nog steeds en de panoramische pagina’s zijn nog even mooi als in deel 1. Van de overweldigende leeservaring van dat eerste deel was nog maar weinig over naarmate het einde in zicht kwam. Waar Pedrosa de lat hoog legde op het grafisch vlak, zakte het verhaal door zijn hoeven.

De Fransman Pedrosa (1972) begon als animator bij Disney, voordat hij zich toelegde op het beeldverhaal. Zijn animatie-achtergrond is evident – je ziet het terug in de beweeglijkheid van de figuren, maar vooral in de gekozen standpunten: Pedrosa speelt voortdurend met filmische perspectieven.

Die aanpak levert pagina’s op die allesbehalve statisch zijn: ze vloeien, swingen en laten de lezer werkelijk over de kleurrijke bladzijden dwalen. In De gouden eeuw heeft Pedrosa alle zwarte lijnen omgezet in kleur, vooral bruin, oudroze en blauw; een bewerkelijke, beproefde animatietechniek.

De manier waarop Pedrosa verschillende illustratiemethoden heeft gecombineerd is kolossaal. Hij gebruikt de krasserige scraperboard-techniek voor bomen, grasvelden en muren; voor kleding en interieurs liet hij zich inspireren door middeleeuwse kunst. Hij verwerkt motieven en patronen uit wandtapijten, miniaturen, fresco’s en glas-in-lood om het verhaal een authentieke zweem te geven.

De plot van De gouden eeuw leest als een fictieve legende met veel sprookjeselementen. Als op een dag de koning overlijdt, maakt zijn dochter Tilda zich op zijn plaats in te nemen. Het koninkrijk is er slecht aan toe; er heerst hongersnood en er is onvrede over hooggeplaatste notabelen. Tilda is voornemens het tij te keren, samen met haar getrouwen Tankred en Bertil. Maar voordat ze de daad bij het woord kan voegen, wordt ze verbannen. Tilda is vastberaden haar koninkrijk te heroveren en laat zich daarbij leiden door De Gouden Eeuw, een legende waarvan de kracht zo groot is dat die de wereld kan veranderen.

De dolende Tilda vindt in deel 2 haar momentum terug en zet de boel stevig onder druk. Er volgt een veldslag die prachtig is uitgebeeld. Maar gaandeweg beginnen er steekjes los te raken bij de vermoeide Tilda. Niet dat het aan gene zijde veel beter gesteld is met de moraal, maar een oorlog win je met rust en overzicht en niet met hysterie en dreigementen. De legende van de Gouden Eeuw speelt hierbij een rol van betekenis.

Als het verhaal na meer dan vierhonderd pagina’s uit is, blijft er een onbestemd gevoel hangen. Het uitzien naar het tweede deel omdat het eerste zo’n grafische tour de force was, is uitgelopen op een teleurstelling vanwege het warrige verhaal. Misschien had Pedrosa de rust moeten bewaren: het complete verhaal had best in drie delen gekund. De teleurstelling zit vooral in de haast waarmee uiteindelijk alles en iedereen door de gangen wordt gejaagd. Was de snelheid bedeesder geweest, dan had de lezer zich langer kunnen vergapen aan de pagina’s en had het verhaal zich als een fantasy-sprookje kunnen uitrollen naar het einde.

Cyril Pedrosa & Roxanne Moreil – De gouden eeuw 2 (slot van het tweeluik). Dupuis (Vrije Vlucht), 192 pagina’s hardcover. € 37,95.

Strips & comics

Gelezen: Matthew Dooley – Flake

Soms blijft er wel eens een graphic novel uit het zicht. Met de aantallen strips die er alleen als in het Nederlands verschijnen, is dat goed mogelijk. Wie ook nog de vinger aan de pols houdt in het Engelstalige universum, heeft er helemaal een dagtaak aan. De eindejaarslijstjes van deze en gene zijn dan verrekte handig: daar staan alleen de goede titels op. Heb je wat gemist en tref je het in een toplijst aan, dan weet je dat je het blind kunt aanschaffen.

Flake van de Brit Matthew Dooley is zo’n graphic novel die ineens in allerlei tops tien en 25 opdook. Het album, van september van dit jaar, is op de valreep zomaar een geheide favoriet: het verhaal over twee halfbroers die allebei een ijsco-business zitten is zo fraai en gevoelig dat het nog veel meer lezers verdient. Flake is het dubbel en dwars waard.

Nu heeft Matthew Dooley niet te klagen: dit debuut is de eerste graphic novel die werd bekroond met de befaamde Bollinger Everyman Wodehouse prijs voor komische fictie – even nagezocht, dat is geen kleinigheidje in Engeland. In 2016 had hij met een kortverhaal ook al de Observer’s short graphic story award gewonnen. Dooley weet wat winnen is.

Heel anders is het gesteld met Howard, de gemankeerde hoofdpersoon uit Flake. Deze sullige kruiswoordpuzzelaar is ijsverkoper die maar moeilijk vooruit te branden is. Zijn leven gaat langs ijzeren lijnen, werkelijk florissant of vrolijk is het allemaal niet. Dat wordt voor een deel veroorzaakt door zijn halfbroer Tony, die samen met een groepje snuiters de ijscobranche in de omgeving aan het overnemen is. Dat gaat op een weinig subtiele manier en Howard is met zijn kar nog de enige Galliër die weerstand biedt.

Dat heeft deels te maken met het feit dat ze halfbroers zijn, maar tegelijkertijd ook niet. Tony – die zijn maffiose naam eer aan doet – weet dat Howard er vanzelf mee ophoudt als het hem te moeilijk wordt gemaakt. Hij zegt onomwonden: als ik wil maak ik zo een einde aan je nering, maar ik wil je een kans geven. Helaas voor Tony heeft die toch buiten de veerkracht van zijn sukkelige halfbroertje gerekend.

Met mooie verwijzingen naar hun gezamenlijke familiegeschiedenis en met de inzichten die Howard op doet als hij hierover spreekt met zijn paar vrienden, weet hij het tij te keren. Hij gaat toch door met ijsverkopen en kiest niet voor het onzekere bestaan in dienst van Tony – diens ultieme voorstel om daarmee de hele ijsverkoop in het noordwesten over te nemen. Maar dan slaat de vlam in de pan. Voor Howard zit er niets anders op: of hij stopt ermee of hij bedenkt een list, al zou dat voor het eerst in zijn leven zijn.

Dooley vertelt het verhaal in een rustig tempo, met veel gevoel voor understatement. Het hele leven van Howard stelt niet veel voor. Het is niet treurig of triest, maar gewoon niet zo boeiend allemaal. En daarmee past hij prima in de entourage van het stadje Dobbiston, een onooglijk kustplaatsje met een lokaal museumpje en een café waar pubquizzen worden gehouden. In een leuke scene worden de quizteams voorgesteld: een dolle optocht van nerds, sneue types en simpelaars. Alles heel gewoon, vooral niemand die echt iets bijzonders van het leven verwacht.

Deze setting levert een gevoelig en vertederend verhaal op. De tekeningen, die veraf lijken op een minder gestileerde versie van Chris Ware, hebben niet veel om het lijf: de gezichten zijn plat, maar Dooley weet toch met een paar kleine details leven in de mensen te krijgen. Hij redt het met een wenkbrauw, een mondhoek en afhangende schouders. Dat is knap. Ronduit schitterend zijn zijn dialogen en observaties: alleen al daarvoor zouden zelfs niet-striplezers deze graphic novel met veel plezier lezen.

Dooley verrast de lezer bij tijd en wijle met geestige overzichtspagina’s van personages, midgetgolfbanen en namen van ijsjes. Hilarisch zijn de namen van verschillende ijscokarren: Walt Whipman, Good Golly Miss Lolly en Howards eigen Captain Cone – die door zijn broer ‘gemakshalve’ Commando Cornetto wordt genoemd. ‘Whatever it is, that name is done.’

Flake is een fijne graphic novel: het tempo, de stijl en vertelling zijn perfect in balans. Het is een verhaal met een trieste ondertoon, waarin veerkracht het succes bepaalt. Howard moet van ver komen, maar niets blijkt onmogelijk. Al die samenstellers van eindejaarslijstjes hebben gelijk gekregen: Flake hoort in de top 10 van 2020. Waarvan akte.

Matthew Dooley – Flake. Jonathan Cape. 176 pagina’s hardcover. € 23,00.

Strips & comics

Gelezen: Brüno & Nicolas Pothier – Junk, deel 1: Terugkeer & deel 2: Afrekening

Twee flink witte omslagen met een paar schietgrage figuren in klare lijnen; scenarist Nicholas Pothier en tekenaar Brüno maken meteen duidelijk dat Junk geen doorsnee western-tweeluik is. En dat klopt. Waar veel westerns het van de couleur locale moeten hebben en van de broeierige sfeer, kiest Brüno – net als in zijn Tyler Cross-verhalen – voor een minimale, eenvoudige aanpak. Een bos is een éénkleurige hoop driehoekjes, de saloon een kubistisch allegaartje van tafels, stoelen en trapleuningen. De kleurstellingen van Laurence Croix maken de sfeer: warmrood in het bordeel, blauwgrijs in de bergen.

Brüno tekent met een strakke hand die zo hoekig is als die van Mike Mignola (Hellboy), met het verschil dat Junk veel ruiger is opgezet: de wielen van een postkoets zijn massief, veel broeken lopen in dezelfde kleur en vorm over in de laarzen. Toch ziet het er cool uit. Brüno kent de klassiekers, de archetypen en de thema’s van het wilde westen en heeft ze kundig geabstraheerd.

Het verhaal gaat over een groep desperado’s die nog een keer bij elkaar komt om op zoek te gaan naar een schat en ondertussen ook probeert te ontdekken wie de verrader in hun midden is. Want dat dat het geval is, blijkt snel. Hank Williams, ooit de voorman van een groep outlaws roept zijn bende na vele jaren voor een allerlaatste keer bijeen. Hij vertelt ze van een schat die destijds is gezocht, maar nooit gevonden. Nu ineens weet hij waar die te vinden is. Vreemd? Ja, maar zo hebben wel meer van de groep rare trekjes.

Ze zijn met z’n zessen en zoals dat ook gebruikelijk is in games, heeft ieder personage een bepaalde kwaliteit die onderweg van pas kan komen. Dat is een leuk gegeven, maar ook wat drollig, vooral omdat de bendeleden allemaal een dagje ouder zijn geworden. Ze hebben kwaaltjes, hoesten dat het een aard heeft en rusten iets vaker en langer uit dan vroeger. Ze gaan zelfs in een postkoets op weg om de zwakkeren wat rust te gunnen.

Onderweg komen de desperado’s er steeds meer achter dat die hele schat misschien een verzinsel was. Maar wat is dan de reden dat Williams de kliek weer bij elkaar wilde hebben? Is dat misschien omdat ze vroeger zijn verraden en Williams het idee heeft dat de verrader in hun midden is?

Het verhaalgegeven is sterk en houdt de vaart er lekker in, maar het allerbeste zijn de dialogen die zo lekker in elkaar steken dat de lezer het verhaal met een flinke vaart doorvliegt. Het lijkt op Tarantino en daar is niets gelogen aan. Het zet de karakters sterk neer en dat is wat een goede western onderscheidt van de mindere.

Het knappe van Junk is dat de niet voor de hand liggende combinatie van harde actie, toffe gesprekken en ongekunstelde tekeningen zorgen voor een extreem lekker en vlot verhaal. Dat vermoedt je niet van tevoren. Wie niet hangt aan de natuurgetrouw uitgewerkte setting van het wilde westen heeft met Junk een voltreffer in handen. Een klasseverhaal dat menig realistisch getekende western met gemak naar de kroon steekt. Wie dit oppikt, heeft zijn dag gemaakt.

Brüno & Nicolas Pothier – Junk, deel 1: Terugkeer & deel 2: Afrekening. Uitgeverij HUM!, 56 pagina’s hardcover. € 18,95.

Literatuur & Poëzie

Zo vergeefs is het niet: écht waar…. beter dan Brusselmans

De eerste (lezers)recensies van mijn roman komen binnen. Daarover later meer. Nu eerst aandacht voor een bericht dat vanochtend verscheen op Facebook, van mijn uitgever (en schrijver) Hans van Willigenburg. Onder de kop ÉCHT WAAR… BETER DAN BRUSSELMANS… beschrijft hij mijn roman met een bevlogenheid die even mooi als schaamteloos is. Een uitgever die zijn eigen waar aanprijst, afijn, Hans is er zich van bewust. Maar desondanks moest hem iets van het hart, en dat treft me. Het is namelijk raak. Daarom deel ik het – even schaamteloos als assertief – zelf ook.

Hierbij:

<schaamteloze promo>
ÉCHT WAAR… BETER DAN BRUSSELMANS…

Een uitgever die een zelf zopas uitgegeven roman aanprijst, verdient misschien niet de schoonheidsprijs. Maar het moet even. Niet in de laatste plaats omdat de schrijver zelf, zo is mijn indruk, niet van het assertieve type is dat het van de daken schreeuwt, dus doe ik het in zijn plaats, in de overigens bescheiden vorm van een stukje op Facebook. De vuistdikke roman die ik uit het grauw wil tillen, heet ‘Zo vergeefs is het niet’ van Stefan Nieuwenhuis.

Het is een boek dat ik met stijgende verbazing en bewondering heb gelezen en dat mij heeft moeten veroveren, omdat ik me tijdens de eerste pagina’s dacht in een obscuur club- of roddelblaadje van een stelletje lokale dichters te bevinden dat ik weldra zou dichtslaan. Maar desondanks raakte ik allengs betoverd door de koppige manier waarop de schrijver zich in een reeks onaanzienlijke levens verdiept. En die levens met de toewijding van een precieze kantoorklerk optekent.

Eigenlijk, zo bedacht ik me na een pagina of vijftig, komt de setting van ‘Zo vergeefs is het niet’ verregaand overeen met het Gent in de romans van Herman Brusselmans, kortom, een verzameling cafés met daarin schimmige figuren die door alledaagse sores ‘worden geleefd’, in het geval van Nieuwenhuis bijna zonder uitzondering dichtersfiguren en de mensen die daar omheen hangen: uitgevers, redacteuren, kunstambtenaren.

Maar het grote verschil – en hierin vind ik Nieuwenhuis te prefereren boven de veel schrijvende Vlaming – is dat Nieuwenhuis deze levens niet met virtuoze taalgrapjes en geintjes continu belachelijk maakt, maar genadeloos inzoomt op de banale keuzes die zijn fletse personages, ondanks hun fletsheid, toch maar mooi moeten maken. En op de verschuivende loyaliteiten die daar het gevolg van zijn, ook al stellen die verschuivingen in het grote verband der dingen helemaal niets voor.

Lezen in ‘Zo vergeefs is het niet’ betekent open staan voor het gevoel dat je over volstrekt niet ter zake doende futiliteiten zit te lezen (verwaarloosbare subsidiebedragjes, matig bezochte poëziemanifestaties, bij het minste uit het lood geslagen dichter ego’s), ondertussen beseffend dat je eigen leven tegen wil en dank ook is afgeladen met dergelijke futiliteiten. En je dus, al lezend, via de opgevoerde personages getuige bent van je eigen betekenisloosheid. (Met een beetje fantasie zou je van een semi-religieuze ervaring over je non-existente plek in het heelal kunnen spreken.)

Hoewel Nieuwenhuis in een lange traditie van Hollands realisme staat, zijn type proza op zichzelf dus verre van uniek is, zou ik uiteindelijk dit stukje niet hebben geschreven als ik gaandeweg niet bevangen was door het gevoel iets heel bijzonders te lezen. Waar elke andere schrijver mijns inziens zou zijn opgehouden omdat er werkelijk geen sjeu of smaak aan de personages te ontdekken valt, lijkt hun karakterloosheid op Nieuwenhuis juist als een soort ‘dope’ te werken. Hoe magerder een kwestie of akkefietje, hoe fanatieker Nieuwenhuis er met zijn drang tot beschrijven bovenop springt en hoe breder, maar ook wranger de glimlach als je het boek dan eindelijk dichtslaat.

Een bewonderenswaardige krachttoer. Ik heb er 309 pagina’s lang van genoten!

HvW

Te bestellen via de betere boekhandel of rechtstreeks via Uitgeverij Douane

 

Strips & comics

Gelezen: Jose Luis Munuera & BeKa – Blauwbloezen 65: De Oorlogscorrespondent

De Blauwbloezen is bij uitstek een serie van beproefde recepten. De reeks die speelt ten tijde van de Amerikaanse Burgeroorlog is vooral geliefd omdat het de lezer in ieder album precies geeft wat die verwacht. Altijd het gejammer en gedoe van het onafscheidelijke duo Blutch en Chesterfield, altijd een vage reden waarom ze er desondanks toch weer samen op uit moeten. Vaak, steeds vaker de laatste jaren, wordt er een historisch feitje afgestoft om het verhaal aan op te hangen: van een hond tot een huwelijk en van evangelisten tot een zekere dame. Het tekenwerk en de opbouw van de verhalen staat al die jaren als een huis. Fans kunnen het dromen: de Blauwbloezen is een sympathieke stramienstrip.

De lezer verwacht dus geen gegoochel met namen en nummers en toch is er van alles te zien om het omslag. Ineens staan er vijf auteursnamen en zit er een sticker op die alvast waarschuwt voor een oneffenheid: de nummering loopt niet in de pas. Ook voor een buitenstaander is het verwarrend en daarom in het kort: De Blauwbloezen gaan al heel wat jaren mee, het eerste album verscheen in 1972. Aanvankelijk werden ze getekend door Salverius (tot en met nummer 4) en daarna door Lambil, steeds op scenario van Cauvin. Maar die laatste (geboren 1938) stopt ermee. In orde, zegt Lambil (geboren 1936), maar dan maken we er nog eentje samen. Dat wordt nummer 64, die om onduidelijke redenen pas volgend jaar verschijnt. De oorlogscorrespondent van hun kersverse opvolgers Munuera en BeKa is daarmee nummer 65, vast en zeker om de overgang tussen het oude en nieuwe team nummeringsgewijs logisch te laten verlopen.

Is wachten op Lambil en Cauvin dan geen optie? Nou nee, want een nieuw album van de Blauwbloezen is ongeveer net zo’n najaarlijks zekerheidje als Sint Maarten en de adventskalender. Dit jaar geen album zou een beetje kaal aanvoelen. De uitgever wijdt er zelfs de eerste pagina in het album aan en vertelt: jij, de fan, krijgt zo toch, zoals ieder jaar, een nieuw album van je helden te lezen.

Om alles voor iedereen duidelijk te maken, staat nu op het omslag: Naar Cauvin, Salverius en Lambil. Met daaronder de naam van de tekenaar van dienst, de Spanjaard Jose Luis Munuera. Samen met het Franse scenaristenduo dat schuilgaat achter het samengestelde pseudoniem BeKa (Bertrand Escaich en Caroline Rogue) schreef hij De oorlogscorrespondent, een verhaal rond een historische figuur die echt heeft bestaan. Dat ingrediënt bleef alvast behouden.

Onvermijdelijk is dat het herkenbare tekenwerk van Lambil is ingeruild voor de iets meer swingende tekenhand van Munuera. Hij heeft zich zeker verdiept in het werk van zijn voorganger, dat is te zien, maar toch is het genoeg van hemzelf. Gelukkig, bij nabootsingen valt iedere tekenaar een keertje door de mand. En daarbij: Munuera is een van de meest begaafde tekenaars van dit moment, die hoeft zich niet in allerlei bochten te wringen om te voldoen. Deze Blauwbloezen is echt fraai, met mooie overzichtstekeningen, fraaie figuren en de perfecte Lambil-paarden – dat dan weer wel. Enige dingetje is dat Blutch iets te karikaturaal wordt neergezet. Hij past niet goed tussen de rest met zijn kale kop en grote oren, als de oudere broer van Titeuf.

Het scenario zit heel lekker in elkaar en eerlijk is eerlijk: het is veruit het beste verhaal van de laatste tien jaar. Eindelijk gaat het een stapje verder dan het obligate en dat is een pijnlijke constatering. De Blauwbloezen was stilaan verworden tot een niemendal, een opeenvolging van luchtige geestigheden die maar zelden echt tot de verbeelding spraken. De onderwerpen werden steeds verder gezocht en de personages zaten klem in hun rol, wat de verhalen eendimensionaal maakten.

In De oorlogscorrespondent volgen we de figuur William Howard Russell, een even onverschrokken als flegmatieke journalist van het Britse dagblad The Times. Hij verslaat de oorlog voor het overzeese leespubliek op zo’n manier dat zowel de Noorderlingen als de Zuidelijken er bekaaid vanaf komen: het is een oorlog met alleen maar verliezers. Als dat bij beide legerleidingen bekend wordt, slaan ze de handen ineen om hem weg te krijgen. Ze werken samen om zich te ontdoen van bad press.

Blutch en Chesterfield krijgen de opdracht om Russell te bewaken tijdens zijn journalistieke werkzaamheden. Zij weten niets van de jacht op Russell en komen zo tussen twee vuren in. En dan is er nog een verhaal van een kinderweeshuis, dat ongeveer midden in de linies ligt – op meerdere vlakken.

Het mooie zit ‘m in de extra laag die er duidelijk in het verhaal is gelegd, al durfden de scenaristen het niet aan om die impliciet te laten zijn: Blutch en Chesterfield leggen elkaar uiteindelijk haarfijn uit hoe de vork in de steel zit. Blutch zegt dat Russell eigenlijk niets raars deed: hij was niet voor de ene partij of de andere, hij versloeg de oorlog op een objectieve manier. Hij kiest voor feiten, die hem niet populair maken bij mensen die die feiten onwelgevallig zijn. Afijn, de lezer heeft dan allang de link naar nu gelegd.

Toch werkt het verhaal slim en mooi naar dat einde toe en hoewel we het hier ‘maar’ over een aflevering van de Blauwbloezen hebben, is het een onverwachte treffer geworden. Voor lezers die jammeren dat alles steeds maar anders wordt, en die dus ook moeten wennen aan de nieuwe Blutch en de nieuwe Chesterfield, is dat een flinke troost.

Jose Luis Munuera & BeKa – Blauwbloezen 65: De Oorlogscorrespondent. Dupuis. 56 pagina’s. € 7,95.

Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman ligt nu in de boekhandel: Zo vergeefs is het niet

Mijn nieuwe roman is verschenen: Zo vergeefs is het niet ligt nu in de boekhandel. Vraag er vooral naar bij je lokale boekhandelaar, hij/zij kan het je binnen één dag leveren en vaak is er ook nog iets van een bezorgservice of zo. Woon je erg afgelegen, of ga je gewoon niet graag de deur uit met dit weer, dan kun je het ook bij de dikke blauwe meneer bestellen. Ook Bol levert het boek in een dag. Of zoals zij het dan zeggen: voor 23:00 besteld, morgen in huis. BESTEL METEEN.

Hier de flaptekst als teaser en daaronder een korte beschrijving van de inhoud – geschreven door mijn uitgever die het goed met me voorheeft:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.

Binnenkort volgen de eerste recensies en reacties. En niet te vergeten: het omslag, met spannende binnenflappen, is ook op meesterlijke wijze gemaakt, en wel door Typex. Wil je een grote jpg van het omslag voor je blog of site, dan vind je die hier. Je mag ‘m gebruiken onder voorwaarde van naamsvermelding © Typex. Oké?

Stefan Nieuwenhuis – Zo vergeefs is het niet.
Uitgeverij Douane. 308 pagina’s. € 19,50.
ISBN 978 949 302 0153.