Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman komt eraan: Zo vergeefs is het niet vanaf 4 november in de winkel

Het heeft even geduurd, maar begin november ligt mijn nieuwe roman in de winkel: Zo vergeefs is het niet.  De achterflap kondigt het aldus aan:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

De uitgever, niet vies van een pakkend citaat, een curieuze nuancering en een zorgvuldige overdrijving, meldt:

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.
Na het succes van zijn debuutroman Ik ben omringd door debielen en ik voel me goed (2005) komt Nieuwenhuis vijftien jaar later met een minstens zo sarcastische opvolger. Ga dat lezen!

Binnenkort lees je hier (en elders) meer over het verhaal. Voor nu volsta ik met het voorplat van de roman, dat is getekend door Typex – ongeveer de beste stripmaker van Nederland en auteur van de biografie van Andy Warhol en de Volkskrant-strip Je moeder! Op de illustratie zien we de figuren die een rol spelen in het boek: de twee heren die leunen op het woord ‘vergeefs’ zijn Leon van der Wieken (links) en Hein Heusz (rechts).

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Rochette – Altitude

Ineens is de Franse stripmaker Jean-Marc Rochette overal. Begin dit jaar verscheen zijn bekendste werk Snowpiercer opnieuw en in integrale uitvoering, vanwege de televisie-adaptatie die op Netflix te zien is. Vorige maand verraste hij met zijn schitterende graphic novel De wolf, over een schapenhoeder die de strijd aangaat met een welp (zie de recensie hier) en tegelijkertijd verscheen in het Engels Altitude, nog een graphic novel die zich in de bergen afspeelt.

Altitude is een autobiografisch klimmersrelaas dat speelt in de jaren zeventig. We volgen Jean-Marc die als rebelse tiener de schoolregels aan zijn laars lapt, zich weinig aantrekt van goed fatsoen en het liefst met een vriend gaat klimmen in het nabijgelegen berggebied. Dat geluk heeft hij: Rochette groeit op vlakbij het Massif des Écrins, het berggebied waar ook De wolf is gesitueerd.

In de vorm van een logboek worden de beklimmingen opgetekend: steeds als Jean-Marc aan een beklimming begint, staat de naam van de berg, de moeilijkheidsgraad en de hoogte bovenaan de pagina vermeld. Dat is vast interessant voor kenners, voor de striplezer vooral leuk als wetenswaardigheid: de routes worden steeds ingewikkelder en vooral gevaarlijker.

Deze manier van vertellen is niet meteen spannend en er zijn passages in het verhaal dat er niet veel meer gebeurt dan klimmen. Maar als er zich iets voordoet dat niet per se met klimmen te maken heeft (verliefdheid, ruzie of pubergedrag) worden ook de beklimmingen interessanter. Dan ziet de lezer dat bergbeklimmen zich slecht verhoudt met alledaagse fratsen. Logisch, een moment van onachtzaamheid kan fataal zijn en gaandeweg verongelukken er klimmers of keren ze niet meer terug. Het vergt veel van de jonge klimmers om gemotiveerd te blijven en door te gaan.

Anders dan de ultieme alpinisme-strip Summit of the Gods van de Japanse manga-grootmeester Jiro Taniguchi, die meer dan 1500 pagina’s wijdde aan de voorbereiding en beklimming van de Mount Everest, zijn de beklimmingen in Altitude doelen die afgevinkt moeten worden, op weg naar moeilijkere en steilere bergen. In Summit of the Gods werd alles uiterst minutieus en bijna per seconde uitgebeeld, in Altitude nemen we hooguit kennis van de zoveelste bedwinging.

Altitude is daarmee veel minder een klimstrip dan die lijkt: halverwege het verhaal, als Jean-Marc van school is en het burgerbestaan hem wacht, zien we dat hij nog niet klaar is: niet voor het echte leven en niet voor de grote bergen. Hij gaat nog naar Amerika om daar El Capitan te zien, de natte droom van iedere durfal, maar twijfelt steeds meer of de gevaren van het bergbeklimmen wel afwegen tegen een toekomst – bijvoorbeeld de toekomst als stripmaker, zijn andere passie.

Nu klinkt het als een spoiler, maar het is geen geheim dat Rochette strips is gaan maken, en niet eens onverdienstelijk. Ook zijn klimmersautobiografie is mooi van opzet en verhaal. Hij weet met enkele rake streken een complete bergpartij neer te zetten en geeft de sfeer op de hoger gelegen delen van onze aarde prachtig weer. Werkelijk talent voor koppen en anatomie heeft hij niet: het ziet er soms onbeholpen uit en dat valt vooral op als hij ineens een perfect angstig gezicht tekent. Het zit er wel in, maar lijkt er niet uit te komen. Ook daarover is hij in zijn verhaal eerlijk: hij is lui, heeft niet altijd zin om hard te werken of zijn best te doen.

Altitude is anders dan De wolf, ondanks de overenkomsten in vooral kleur en entourage. De wolf is meeslepend, Altitude is onderhoudend. Het verhaal ontwikkelt zich mooi van de jeugdige klimmer naar de laattwintiger die zich gaat toeleggen op striptekenen: die twee sporen zijn door het hele verhaal aanwezig en komen mooi samen in het eind. Vanwege het strikt autobiografische is het sluitstuk ingetogen en berustend. Het is bemoedigend om achter in het dossier een actuele foto te zien van Rochette, een zestiger met een korte witte baard en een klimmershelm.

Jean-Marc Rochette – Altitude. Self made hero. 296 pagina’s hardcover. £16.99.

Strips & comics

Gelezen: Wasco – Alles leeft

Dit mogen we gerust liefde noemen: begin dit jaar ontving Wasco, de Amsterdamse stripmaker met Groningse roots, de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn uitgever, Scratch Books, greep deze heugelijke gelegenheid aan om een kloek overzichtswerk uit te geven. Alles leeft is een prachtig vormgegeven boek van meer dan 300 pagina’s vol strips en beeldexperimenten, waarmee Wasco (pseudoniem van Henk van der Spoel, 1957) zijn underground faam verwierf.

Al vijfendertig jaar werkt Wasco onvermoeibaar aan een even indrukwekkend als buitenissig oeuvre. De jury noemde hem ‘één van de vaandeldragers van het moderne striptekenen’ en dat is terug te zien in Alles leeft. Toch is Wasco geen grote naam in de vaderlandse stripwereld. Hij heeft nagenoeg zijn hele carrière in de underground vertoeft en publiceerde een niet aflatende stroom boekjes in eigen beheer, met avonturen van Tuitel en Phiwi, Philip & George, Wanda Scott en Dotty Wervelwind. Voor stripblad Zone 5300 tekende hij jarenlang zijn Apenootjes, een Nederlandse variant op Peanuts. Pas in 2015 verscheen zijn eerste volwaardige album, Het Tuitel Complex, waarin hij een selectie uit zijn small press-uitgaven opnam.

Anders dan Het Tuitel Complex bevat Alles leeft meer afgeronde verhalen: het zijn onder meer elf complete verhalen die Wasco tekende in het kader van de zogenaamde 24 Hour Comics, een evenement dat eens per jaar plaatsvindt en waar stripmakers in 24 uur een complete strip maken. Hier is Wasco meer de verteller dan de experimentalist, meer de klassieke stripmaker dan de kunstenaar. Toch zijn er naast het elftal 24 hour comics ook genoeg pagina’s waarin Wasco naar hartenlust uitprobeert, goochelt met kaders en woorden.

Wasco wordt een tekenaarstekenaar genoemd, een stripmaker die vooral onder zijn collega’s wordt gewaardeerd. Zelf is hij niet gelukkig met die benaming, vertelde hij in een interview met NRC uit 2015. Volgens Wasco suggereert het dat hij moeilijke strips maakt, al gelooft hij wel dat ze “misschien voor fijnproevers” zijn bedoeld. Zo werkt hij zijn strips bijvoorbeeld uit op kleur of kiest hij voor een leesrichting vanuit het midden. Vaak zijn de strips en korte verhalen tekstloos en lijken ze midden in de vertelling te beginnen. Hij laat personages over de kaders van de strips lopen en negeert daarbij de zwaartekracht. Tenminste, voor wie het boek niet met de figuren laat meebewegen.

In Alles leeft vindt de lezer minder van die uitgesproken visuele experimenten; de aandacht is verschoven naar de vertelkunst van Wasco, die even grillig en romantisch als onaangepast is. Wolken uit 2009 is een dichterlijke vertelling over de elementen, gevolgd door de strip Marie Antoinette (van een jaar later) die een pastiche op jeugdstrips uit de jaren vijftig is, inclusief verhalende reuzensprongen en onwaarschijnlijke plotwendingen. Ronduit mooi is Sneeuw uit 2014 waarin Wasco op zijn sterkst is. Daar treft de lezer interessante sequenties aan die bij elkaar worden gehouden door een prikkelende, absurdistische vertelstem: “Op een keer moest ik zo vreselijk huilen (…) dat mijn zoute tranen de wolken begonnen op te lossen en het begon te regenen. En ik, ik stortte uit de hemel, maar herinnerde mij op tijd dat ik een eend ben! En zo landde ik op de oceaan alwaar ik een nieuw leven van dobberen begon”.

Achter in het album schreef Wasco – of is hij daar gewoon Henk geworden? – het essay Wat het is, een chronologisch verhaal dat hij ophakte in kleine hoofdstukjes. Het begint als een aanklacht tegen het vervelende conservatisme van het medium strip, dat maar niet loskomt van sleetse dinosaurussen als Kuifje, Suske & Wiske en Spider-Man. Gaandeweg wordt het persoonlijker en leren we over de poëtica van Wasco en gebeurtenissen uit zijn leven die veel indruk hebben gemaakt, zoals het overlijden van zijn zus in 2008. De zorgvuldige lezer ziet dit terug in zijn werk.

Alles leeft is een compleet overzichtswerk dat samen met Het Tuitel Complex een fraaie doorsnee is van het werk dat Wasco tot op heden maakte. Het is te hopen dat de ambitie en honger van Wasco niet is gestild met deze uitgave. Gelukkig belooft hij in Wat het is dat hij nog tot in den eeuwigheid 24 hour comics zal blijven maken. Verder ziet het er niet naar uit dat hij is uit-geëxperimenteerd en klaar is met vertellen.

Zelf sluit hij af met de constatering dat alles een ziel heeft en dat we er daarom zorgvuldig en netjes mee om moeten springen. Hij noemt strips en grammofoonplaten als zaken waar je zuinig op moet zijn. Met instemming zet de lezer Alles leeft in zijn boekenkast.

Wasco – Alles leeft. Scratch Books. 332 pagina’s hardcover. € 24,90

Strips & comics

Gelezen: Owen D. Pomery – Victory Point

Bij de combinatie strips en architectuur hoort de naam van Francois Schuiten, tekenaar van De duistere steden, die hij samen met scenarist Benoit Peeters maakt. In die cyclus leunen de verhalen sterk op architectonische hoogstandjes en fraaie stedelijke entourages. Maar zij zijn niet de enigen. Het afgelopen jaar verschenen twee beeldverhalen waarin ook een wezenlijke rol is weggelegd voor architectuur, met een toevallige overeenkomst als uitgangspunt.

Eind 2019 publiceerde Nobrow het bijzondere Eileen Gray, a house under the sun, van scenarist Charlotte Malterre-Barthes en stripmaker Zosia Dzierzawska. Eileen Gray (1878-1976) was een Ierse meubelontwerper en pionier binnen het architectonisch modernisme. Haar grote faam verwerft ze in 1924, als ze samen met haar partner Jean Badovici begint aan het ontwerp voor de villa E-1027 in de Zuid-Franse plaats Roquebrune-Cap-Martin. Dat huis wordt een icoon, een voorbeeld van de ware modernistische architectuur: strak en gericht op het comfort van de bewoners – geen onhandige poespas en mooidoenerij.

In Eileen Gray, a house under the sun wordt haar levensverhaal verteld in een stijl die doet denken aan Dupuy Berberian (Meneer Jean) en Carole Maurel (Luisa, Wachten op Bojangles). Er is speciale aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van villa E-1027: aan de hand daarvan wordt de esthetica van Gray verklaard en getoond. Het levert een specialistisch maar evengoed lezenswaardig verhaal op, dat vooral interessant is voor ingewijden, maar genoeg verklarend voor de geïnteresseerde leek.

Iets gelijks vinden we in het onlangs verschenen kleinood Victory Point, de tweede graphic novel van de Britse illustrator Owen D. Pomery. De titel van het boek verwijst naar een kleine Engelse kustplaats waar in 1933 een architectuur-experiment plaatsvindt. Onder leiding van de modernistische architect M.L. Schreiber wordt een begin gemaakt met het ‘hermodelleren’ van het plaatsje, met de bedoeling er een modeldorp van te maken; een voorbeeld van hoe men het nieuwe leven zag.

Vanwege de oorlog strandt dit plan in een vroege fase, er waren andere prioriteiten, en sindsdien is het onaffe dorp met haar bijzondere gebouwen een trekpleister voor architectuurstudenten. Het zogenaamde nieuwe leven is er alledaags geworden.

In het verhaal volgt de lezer de jonge boekhandelaar Ellen, die een bezoek brengt aan haar vader die in het dorp woont. Zij ontmoet oude klasgenoten die zijn achtergebleven, en haalt herinneringen op. Ze voelt zich losgezogen van haar eigen verleden en beziet alles met een zekere opluchting en melancholie. Met haar vader heeft ze gesprekken over vroeger, over haar moeder die is overleden en over het hoe het grote in het kleine schuilt. Na één dag gaat ze weer naar huis, terug naar de stad.

Pomery is een verteller die het vooral moet hebben van wat er buiten het verhaal plaatsvindt. Een blik, een gebouw, een uitzicht, blijkt veel meer te zeggen dan wat er daadwerkelijk wordt uitgesproken. Victory Point is eigenlijk een heel stil en ingetogen boekje, waarin meevoelen een belangrijk element is. Wie zich beperkt tot ballonlezen is zo klaar, maar heeft dan zeker 75% van alles gemist. Pas als je de rust neemt die de tekeningen uitademen ervaar je de sereniteit van de omgeving en daarbij komt Pomery’s architectuurachtergrond goed van pas. Zijn strak uitgewerkte gebouwen zien er schitterend uit.

Victory Point is mooi uitgegeven, maar is aan de kleine kant. Beter gezegd: het is iets breder dan A5 en dat is niet ideaal. De lettering is in een petiterig, cursief lettertype gezet en de vreemde bladspiegel is opgezet in vierkanten met grote vlakken boven en onder. Als het boek zo nadrukkelijk om een vierkante vorm vraagt, waarom is dan voor deze onhandige oplossing gekozen?

Het kleurpalet van Pomery is fraai en past bij de ingetogen vertelling. Zijn landschappen zijn prachtig, zijn figuren daarentegen af en toe anatomisch onbehouwen. Dat het niet stoort komt door zijn perfecte vertelstem, die op de goede momenten de juiste emotie zichtbaar maakt. Victory Point is geen groots en meeslepend werk, eerder het omgekeerde – strikt in positieve zin. Het is een klein momentje, een dagje, een treinreis en een paar gesprekken. En het regent een paar keer, op en top Brits.

Owen D. Pomery – Victory Point. Avery Hill. 80 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Klaas Driebergen en Hugo Klooster – Bommel Literatuurgids

Geen enkel aspect van de vaderlandse strip is zo nauwkeurig, grondig en vooral compleet gedocumenteerd als het werk van Marten Toonder en dan vooral dat rond de avonturen van Bommel en Tom Poes. De Bommelsaga, zoals de complete verzameling verhalen wordt genoemd die onder supervisie van Marten Toonder tussen 1941 en ’86 verscheen, bestaat uit 177 tekststrips. Wie de witte reeks met daarin alle verhalen naast elkaar zet, komt op een mooi aantal decimeters uit.

Maar daar is het in die jaren niet bij gebleven: naast het werk zelf verscheen er een niet aflatende stroom boeken over de strip, in al zijn facetten. Deze stapel secundaire werken steekt qua centimeters de strip zelf naar de kroon: nog ieder jaar publiceren onderzoekers, journalisten, verzamelaars, vertalers en afficionado’s boeken en artikelen over Toonder, Tom Poes en Bommel.

Onlangs werden er weer drie centimeters noest onderzoekswerk aan de secundaire bibliotheek toegevoegd: van Toonder-kenners Klaas Driebergen en Hugo Klooster verscheen de Bommel Literatuurgids. Dit fraai bezorgde werk biedt een overzicht van de grote hoeveelheid boeken en artikelen die er in een periode van tachtig jaar zijn verschenen over het Bommel-oeuvre van Marten Toonder. Het onderschrift op het voorplat, in de kleuren van Bommels jasje, luidt ‘een overzicht van tachtig jaar Bommelstudie’.

De auteurs spreken zelf van de eerste secundaire Toonderbibliografie. Zij rangschikten in het boek meer dan 3500 publicaties over de Bommelstrip, die verschenen van 1941 tot nu. Vijf uitgebreide indexen wijzen de lezer de weg in al deze literatuur. Indrukwekkend, maar tegelijkertijd nadrukkelijk geen leesboek: alle publicaties worden genoemd en per jaar gerangschikt, maar staan er zelf niet in. Logisch misschien, maar toch gemeld: wie zoveel artikelen wil publiceren heeft meer nodig dan de toch al forse 320 pagina’s*.

Een echt naslagwerk dus, en dat beseften de beide samenstellers ook. Daarom is er het een en ander aan het boek toegevoegd: een uitgebreid voorwoord van voormalig Bommel-uitgever en stripcollectionneur Hans Matla, die zijn zinnen breidt in de stijl van Toonder, en een inleiding van de samenstellers zelf. De pagina’s van het literatuuroverzicht worden verluchtigd met Bommelillustraties en citaten van Marten Toonder.

Hoewel de makers er alles aan hebben gedaan om het zo lezenswaardig mogelijk te maken, is het geen boek dat de lezer van A tot Z gaat zitten doorvlooien. Daar is de chronologische literatuurlijst uiteindelijk te droog voor – en niet als zodanig bedoeld, vooral. Toch zit er een onvermoed vrolijk overzicht in: de index van figuren. Daarin staan alle ooit vermelde figuren uit de Bommelstrip op alfabetische volgorde gezet, van Argus tot Zwarte Zwadderneel.

Voor de gemiddelde lezer, of zelfs de Bommelfan van weleer, is dit misschien een stap te ver. De Bommel Literatuurgids lijkt vooral een uitkomst voor onderzoekers, verzamelaars en de echte die-hard fanaat. Dat kan goed, maar vergis je niet in de omvang van deze fanatieke club. De Marten Toonder Verzamelaars Club, uitgever van het driemaandelijkse Toondertijd, heeft meer dan 4000 leden. Er verschijnen nog steeds – en aan de lopende band – luxe verzamelaarsedities, losse albums en overzichtswerken van en rond het werk van Toonder én er zijn vergevorderde plannen om in Groenlo een heuse Bommelwereld te bouwen: een museum annex pretpark in de beste Toonder-traditie, compleet met kasteel Bommelstein.

Reken er maar op dat er over tien jaar een addendum bij de Bommel Literatuurgids verschijnt. Het is zeker niet zo dat er met deze complete publicatie iets is afgesloten: Bommel blijft nog wel een tijdje – vooral omdat hij nooit is weggeweest.

Klaas Driebergen en Hugo Klooster – Bommel Literatuurgids. Uitgeverij Klaas Driebergen. 320 pagina’s, hardcover. € 19,99.


* Makkelijk praten: nu alle publicaties zo handig bij elkaar staan, is het wellicht een idee om deze online beschikbaar te maken, voor iedereen om te lezen. Dat zou een geweldig project zijn, in omvang én relevantie.

Strips & comics

Gelezen: Jesse Lonergan – Hedra

De lezer die aan de woordloze sci-fi comic Hedra van de Amerikaan Jesse Lonergan begint, doet dat beter niet op een onbewaakt moment. Het verhaal zet de zintuigen meteen op scherp, associaties dringen zich op. Het geheel is zo knap uitgebeeld en dwingt het lezersoog zo nauwkeurig over de pagina’s dat de leeservaring heel intens is. Hedra is grafisch gezien een hoogtepunt van dit jaar.

Bij het lezen gebeurt iets bijzonders. Vanwege, of dankzij, het gebrek aan tekst en tekstuele duiding gaat de lezer op zoek naar aanknopingspunten, naar referenties en vergelijkingen. Dat maakt de beleving persoonlijk en spannend. De verwijzing naar sciencefiction ligt voor de hand: al op het voorplat zien we immers een futuristische raket door de kadrering vliegen. 2001 A Space Odyssee is een inkopper, maar evengoed zijn er sporen van Moebius en Ravian zichtbaar, zelfs overeenkomsten met Arman en Ilva en Het raadsel van Atlantis van E.P. Jacobs zijn te ontdekken. Wie met een open blik kijkt ziet zelfs dat Lonergan gebruik maakt van zogenaamde Onklopbaar-elementen: zaken die door kaders heen over de bladzijde gaan in een volgorde die vanuit het tijdsperspectief niet kloppen.

De proloog van het verhaal lijkt in opbouw en thematiek een stripbewerking van Kooyanisqatsi, het Hopi-epos van Godfrey Reggio en Philip Glass uit 1982: in een rabiate vaart verandert de lege ruimte in een zee van ontploffingen die het ellendige einde van de beschaving inluiden. Wie het kent, hoort het repetitieve van de begeleidende muziek van Glass. Hedra begint waar Kooyanisqatsi eindigt: in het niets, op een aarde die uitgeput en leeg is. En net als de film – waarin ook niet gesproken wordt – speelt Lonergan in Hedra met vertragen en versnellen.

Hedra vertelt het verhaal van een ruimtereiziger die planeten afreist om bloemen en planten mee te nemen, om ‘thuis’ weer een ecologische structuur op te bouwen. Onderweg komt zij een mensfiguur tegen die haar intrigeert. Ze volgt hem en belandt zo in een ondergrondse wereld vol portalen, stelsels en firmamenten. Haar missie verandert in een ontdekkingsreis en toch weet ze haar aanvankelijk doel op een bepaalde manier te bereiken. Hedra is een kosmisch en hoopvol sprookje dat inzet op een beter leven op aarde.

De lezer die de tijd neemt ontdekt dat Lonergan heel inventief gebruik maakt van grafische narratieve elementen. Zo speelt hij op een interessante manier met de kaders, die hij aanvankelijk als een grid neerzet. Af en toe gebruikt hij uitsparingen en afwijkende kaderformaten om een nevenverhaal te vertellen, zoals Chris Ware (Rusty Brown, Jimmy Corrigan) dat in extremis doorvoert. Mooier wordt het bij Hedra als de kaders de achtergrond verlaten en alleen gebouwen en rotspartijen nog worden opgedeeld in keurige vierkante blokken.

Ook kleur heeft een functie. Een manier waarop Lonergan nevenverhalen toestaat, of de eenheid van tijd en plaats verandert, is met kleurgebruik. Op sommige pagina’s blijft het stramme grid van vierkante plaatjes overeind en lost hij tijdsprongen op door verschillende tinten te gebruiken, steeds vanuit paarsblauw en oranjebruin.

Hedra is een zeldzaam genoegen. Het is een strip die op zoveel punten afwijkt van wat gangbaar is, dat het des te opmerkelijker is dat het toch nog zo soepel ‘leest’. Lonergan weet dit te bereiken doordat hij een perfecte balans vindt tussen gangbare verhaalgegevens – een zoektocht, een ontmoeting, een vondst – en buitenissige sciencefiction en ondoordringbare grafische elementen. De lezer puzzelt, ontdekt en vormt zich een idee. De maker geeft precies genoeg weg – of beter: houdt het exact spannend.

Is het een apocalyptisch sprookje over hoop? Wijst het verhaal ons op onze morele aansprakelijkheid zorg te dragen voor onze aarde? Het verhaal houdt de lezer een spiegel voor en toont wat een enkeling kan bereiken. Dat is Hedra voor wie het lezen wil.

Jesse Lonergan – Hedra. Image. 48 pagina’s. $ 5,99.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Rochette – De wolf

De mens en de natuur is zo’n thema dat het vooral moet hebben van de grote gebaren. Het grootste alomtegenwoordige tegen het nietige individu, de kracht tegen het vernuft. Christophe Chabouté’s To build a fire is hier een mooi voorbeeld van: een man gaat met zijn hond van A naar B en raakt onderweg ingesneeuwd. Wat de man ook probeert om te overleven, de natuur is onbarmhartig. Ook in Taniguchi’s alpinisme-epos Summit of the Gods is het de ongelijke strijd tussen mens en natuur die te vaak wordt beslist in het nadeel van de onderliggende partij. Bergbeklimmers willen bedwingen, de ongelijke strijd in hun voordeel slechten.

Iets soortgelijks is aan de hand in De wolf van de Franse stripmaker Jean-Marc Rochette, die onlangs nog hoge ogen gooide met zijn Snowpiercer-trilogie. In De wolf gaat de norse schaapherder Gaspard de strijd aan met een wolvenjong, dat alleen overblijft nadat de herder zijn moeder heeft doodgeschoten. Het wekt de argwaan van een groep natuurwachters die hem verdenken van ongeoorloofde praktijken.

Tegenover een dorpeling biecht Gaspard zijn daad op: “Ik heb ‘m gedood, midden in het nationaal park. Het was een wolvin. Vorig seizoen heeft dat beest me 150 schapen gekocht. Het was zij of mijn kudde. Ik moest kiezen. Een prachtbeest, imposant als een koningin. Echt waar, zo’n mooi dier heb ik nog nooit gezien.”

Hier klinkt het mooie gegeven van dit verhaal. Gaspard is geen bruut, maar een man die met en in de natuur leeft. Hij wordt geportretteerd als een eenling, die winters overleeft met alleen zijn hond. Zijn strijd tegen de wolvin is ingegeven door overlevingsdrang, met de schaapskudde als zijn nering. Rochette zet dit gegeven heel krachtig neer: hij laat de lezer meewandelen met Gaspard. Zo zien we hoe het leven in de bergen is, ne leren we de krachten kennen waarmee Gaspard te maken heeft.

Die bergen zijn het Massif des Écrins. Het verhaal speelt in de vallei van de Vénéon, een bergketen vlakbij de Franse plaats Gap. Dat Rochette zelf een bergbeklimmer is, blijkt uit de accuratesse waarmee hij het grootse van de omgeving uitwerkt: in flinke kleurvlakken zet hij de streek neer, met veel grijs en blauw. Voor zijn figuren neemt hij de tijd, achtergronden doet hij in enkele trefzekere lijnen. De houdingen en bewegingen van de beesten verraden dat Rochette een observerend oog heeft: het besluipen en bespringen van de wolf, de paniek onder de schapen, het is perfect uitgebeeld. De welp, die gaande het verhaal groter en sterker wordt, oogt alert en sereen.

De wolf is een stil verhaal dat verder gaat dan mens en natuur. Rochette ontwijkt de ongelijke strijd: het gaat over het leven en over eerbied, niet over winnen of verliezen. In een zinderend slotstuk komt alles zo mooi en precies samen dat het echt emotioneel wordt. Dat hij daarvoor geen trucs nodig heeft, geeft aan hoe bijzonder deze graphic novel in elkaar steekt. Met De wolf heeft Rochette een verhaal afgeleverd dat niet alleen de schoonheid van het hooggebergte laat zien, maar ook dat van de strip.

Jean-Marc Rochette – De wolf. Casterman. 112 pagina’s hardcover. € 22,50.

Strips & comics

Gelezen: Wakame Konbu – Breasts are my favorite things in the world

Ook de allergrootste comic con ter wereld, die van San Diego, is niet aan de gevolgen van het Corona-pandemie ontkomen. Voor het eerst in haar geschiedenis speelde het complete festival zich online af, onder de veelbetekenende titel #ComicsConAtHome. Het gevoel was uiteraard anders, de prijsuitreiking van de Eisner Awards was vreemd en de uitgevers en standhouders zagen hun omzetten tot vrijwel nul gereduceerd. Niet zien is niet kopen. Het is niet anders, maar toch was er hemel en aarde bewogen om er online iets moois van te maken.

Zo konden de debatten en paneldiscussies vrij gemakkelijk naar een online omgeving worden omgezet: de talking heads en de onderwerpen hebben niet per se een live entourage nodig. Op 26 juli vond er een uitgebreide paneldiscussie plaats over manga, met als hoogtepunt de bekendmakingen van de beste mangatitels van het afgelopen jaar, waaronder beste lopende reeks en beste nieuwe serie, in allerlei leeftijdcategorieën. Allemaal leuk en aardig (de prachtige reeksen Silver Spoon en Witch Hat Atelier wonnen in de categorie Beste reeks voor tieners en het sterke The way of the House Husband in de categorie Beste reeks voor volwassenen) maar stiekem keek iedereen toch vooral naar wat er op het einde van de avond in het vat zat: de bekendmaking van de slechtste manga van het afgelopen jaar.

Leedvermaak is leuk en de vijver waaruit gevist kan worden is enorm: er verschijnt immers genoeg rare, onooglijke en wazige manga – dat hoort ongeveer bij de cultuur. Voor iedere subcultuur is er iets in mangavorm te vinden. Populair is de culinaire manga (Oishinbo, Food Wars! en de reeks over wijn, Drops of God) en manga over sport: letterlijk over iedere sport of bezigheid is een manga te vinden. Van tafeltennis en basketbal tot het bijzondere en poëtische folklorespektakel karuta in de overigens geweldige manga Chihayafuru (ook als onweerstaanbare anime te zien).

Er zijn manga over meisjes met kleine voeten, uilen, transformers en badhuizen; en alles met evenveel zorg en toewijding gemaakt. Dat daar af en toe een faliekante misser tussen zit, lijkt logisch.

De eerste drie van vijf slechte mangatitels werden met instemming begroet, al zal een enkeling vast een nóg zwakkere titel hebben gelezen. Slecht waren het zwabberende en onbegrijpelijke Inspector Z, de tergende slakkengang van Acca 13 en een manga waarvan de titel al genoeg prijsgeeft: The Slime Diaries, That time I got reincarnated as a slime.

Bij de vierde titel trokken de aanwezigen meer dan een wenkbrauw op: een panel van wijzen besloot namelijk het perfecte Downfall van Inio Asano (recensie) te bestempelen als slecht, zwak en te vermijden. De argumenten waren weinig overtuigend en leken voornamelijk ingegeven door het onderwerp van het verhaal: de ondergang van de moderne Japanse manga-industrie waar het alleen nog draait om kopieergedrag, snel succes en geld verdienen.

De vijfde titel was dan weer een compleet logische: het wonderlijke en zelden vertoonde Breasts are my favorite things in the world van Wakame Konbu, die en paar jaar geleden al voorzichtig blijk gaf van een curieuze voorkeur met Dreaming Prima Girl – voor een idee google je eenvoudig de titel. Wat Breasts are my favorite things in the world zo gek en uniek maakt is dat de man geen enkele rol speelt in de strip. De liefhebberij is puur feminien, zogezegd: het meisje met de grote borsten wordt bewierookt door een vriendinnetje dat (ocharme) niet vooraan stond bij de verdeling van de grotere cupmaten.

Chiaki is geobsedeerd door de grote borsten van haar vriendin Harumi. In de eerste tankobon (trade paper back, verzameling) wordt niet duidelijk gemaakt waarom dat is. Ze is niet verliefd, alleen op een ongezonde manier gefocust. Raar is dat de fors bedeelde Harumi alles over haar kant laat gaan. Als Chiaki totaal overstuur roept dat Harumi haar borsten op haar hoofd moet leggen (A breast stand) dan doet ze dan maar. Later passen ze elkaars bh en ook daar is de hysterie niet van de lucht. Het gaat nog verder als ze moeder-en-kind spelen, een grote wens van Chiaki. Hier houden we het maar bij. Het is raar, onbeholpen en vooral: het slaat nergens op. Echt nergens op.

Zoals gezegd verschijnen er wel meer dolle en gekke manga’s, maar die worden zelden vertaald in het Engels. Waarom uitgerekend deze totaal absurde titel keurig is uitgebracht – met zicht op een tweede bundeling – is een van de onnavolgbare raadselen van de industrie. In dat opzicht is Asano’s Downfall nog mild: Breasts are my favorite things in the world zal het succes niet worden en bakken geld zal het ook niet opbrengen. Dat maakt ronduit vreemd dat wij er kennis van kunnen nemen.

Maar wat vooral blijft hangen – pun intended – is dat deze frats even ‘slecht’ is gewaardeerd als het prachtige Downfall. Dat is pas echt bijzonder. Misschien heeft de jury iets te lang onder de borsten van Harumi gezeten.

Wakame Konbu – Breasts are my favorite things in the world 1. Little, Brown & Company. 144 pagina’s. 11,99.

Strips & comics

Gelezen: AJ Dungo – In golven

“Toegegeven, ik ben niet de meest aangewezen persoon om je veel over surfen te leren. Ik ben zelf ook maar een overenthousiaste toerist. Ik heb het verhaal van het surfen niet geschreven maar de personages die erin meespelen liggen me wel. Wat we met elkaar gemeen hebben: de obsessie voor de perfecte golf, een diepe eerbied voor de oceaan en een gebroken hart.”

Zo begint de Amerikaanse illustrator AJ Dungo zijn zinderende graphic novel In golven, die over veel meer gaat dan de surfsport. Het gaat evengoed over liefde, over afscheid en over het leven, waarbij het surfen, de zee en de golven nu eens niet als al te clichématige metaforen worden aangewend.

Eigenlijk bestaat In golven uit meerdere verhalen, die op zich niet eens kunstig in elkaar zijn verweven. Dungo is grafisch stellig in het aangeven waar de ene geschiedenis zich ophoudt en waar de andere. Hij doet dat met kleurstellingen: oudbruin voor de geschiedenis, het groenblauw van de omslag voor het heden. In het historische gedeelte vertelt hij het verhaal over het ontstaan van de surfsport op Hawaï, waarbij hij twee belangrijke figuren uitlicht: Duke Kahanamoku, een drievoudig Olympisch zwemkampioen (1890-1968) die zich later toelegde op het surfen, en Tom Blake (1902-1994), een surffanaat pur sang die aan de wieg stond van het holle board – de surfplank zoals wij die nu kennen.

In het groenblauwe deel vertelt Dungo zijn eigen verhaal en dat van zijn vriendin Kristen. Zij is idolaat van sport, vooral basketbal en surfen, maar treft het ongeluk: door een ziekte moet haar been worden afgezet. En dat blijkt het begin van het einde; ze komt er nooit meer bovenop. Overigens uitsluitend in fysiek opzicht, want mentaal is ze sterk, weerbaar en vol levenslust, wat de actuele delen uit In golven heel dramatisch en gevoelig maken.

De combinatie van beide verhalen is bijzonder, omdat de verbinding vrijwel ontbreekt. Dat zal aan de ontstaansgeschiedenis hebben gelegen. Het was aanvankelijk bedoeld als een grafisch afstudeerproject over Blake, waaraan Dungo later nog het levensverhaal van Kahanamoku toevoegde. Het was in dezelfde tijd dat zijn vriendin te horen kreeg dat ze ongeneeslijk ziek was en zo besloot Dungo er nóg een laag aan toe te voegen, naar de uitdrukkelijke laatste wens van zijn vriendin.

Wat het oplevert is een graphic novel die in het gunstigste geval af en toe de focus van het naderende onheil verlegt naar een goed gedocumenteerde geschiedkundige verhandeling. De lezer die op zoek gaat naar gedeelde motieven, thema’s en overeenkomsten raakt hier al snel het spoor bijster. Het verhaal van Kristen staat op zichzelf. Het zorgt ervoor dat de lezer het verhaal – de beeldspraak is onvermijdelijk – in golven aangereikt krijgt en beleeft: de vrij emotieloze verhandelingen over vroeger en de actuele gebeurtenissen haken niet in elkaar, maar lijken toevallig. Ze helpen elkaar bovendien niet. Het is alsof iemand ontdekt dat op twee zenders tegelijk iets over hetzelfde onderwerp te zien is en heen en weer zapt om zo weinig mogelijk te missen.

Is dat vervelend? Nee, want Dungo weet beide werelden goed te doseren. Wat daarbij helpt is dat hij zich bedient van vrij lege pagina’s die grafisch sterk en uitdagend zijn. De lezer temporiseert vanzelf en zo krijgt het vertelde de ruimte om te groeien. Concreet: ook de historische persoonsbeschrijvingen hebben een invoelende laag. De negativiteit waarmee de visionair Blake te maken krijgt als hij zijn lichtgewicht surfplank aan de wereld presenteert is bijvoorbeeld tergend. Anders dan we nu vermoeden werd die noviteit hem aanvankelijk niet in dank afgenomen.

In golven is een bijzonder verhaal dat speelt met de manier van vertellen, van beleven en van voelen. Uiteindelijk weet Dungo alle lijntjes even met elkaar te verbinden als hij stelt dat de zee laat zien hoe de gebeurtenissen van ons bestaan zich aandienen. Wat het leven brengt, van geluk tot het verdriet, van erkenning tot afgunst: alles komt in golven. Fraai.

AJ Dungo – In golven. Casterman. 376 pagina’s. € 29,95

Strips & comics

Gelezen: Bastien Vivès & Martin Quenehen – Nationale feestdag

Het is opvallend en ergens logisch dat stripliefhebbers die nog nooit een album van de Fransman Bastien Vivès lazen, toch een duidelijk mening over zijn werk hebben: het spreekt ze niet aan, vooral als ze het vluchtig doorbladeren. Opvallend omdat de verhalen van Vivès (1984) doorgaans erg goed en gedegen in elkaar steken, logisch omdat zijn uitgeklede tekenstijl en lege pagina’s er op het eerste oog vrij saai en dor uitzien.

Dat laatste is schijn, en onterecht, want juist de uitgepuurde, minimalistische aanpak van Vivès pakt de lezer bij de kladden – als die eenmaal aan het lezen gaat. Zo ook in zijn nieuwe graphic novel, Nationale feestdag – in het Frans getiteld Quatorze Juillet. Het vernuftige van Vivès’ stijl zit in wat hij weglaat, en dat is ongeveer alles wat er niet werkelijk toe doet: alleen de personages en zaken die de sfeer bepalen houdt hij over. Een dialoog tussen twee mensen levert daardoor een vrijwel uitgestorven pagina op met figuren en tekstvelden. Striplezers die gaan voor de mooie plaatjes, kunnen thuisblijven.

En ook daar neemt Vivès de lezers-van-de-eerste-indruk beet, want de lijnen die hij zet zijn zo trefzeker, sturend en stuwend dat hij de lezer opzadelt met een niet vaak vertoonde focus: wie Nationale feestdag heeft gelezen, heeft letterlijk ieder lijntje opgemerkt.

Dat pakt overigens niet altijd goed uit: in verhalen met veel onderhuidse emotie en subtekst moet de lezer vanwege de summiere grafische houvast te veel raden en voor waar aannemen, zoals bij het ingetogen Zie mij het geval was. Te vaak kon de lezer alle kanten op: kijkt ze nu zwoel, bang of onverschillig? Het mooie Mijn zus leunde al meer op de vertelling waardoor het beslist meeslepender was. Met Nationale feestdag heeft Vivès de hulp ingeroepen van scenarist Martin Quenehen. Samen schotelen zij de lezer een boeiende en actuele thriller voor, met genoeg spanning en finesse om door te blijven lezen. Ook al draagt de hoofdpersoon vaak een zonnebril, we hoeven ons niet af te vragen hoe hij zich voelt – het verhaal is leidend, dus mag Vivès volstaan met een enkele gelaatstrek.

Het verhaal speelt in het dorpje Saint-Jean-Le-Monestier waar men in afwachting is van de festiviteiten rond de veertiende juli, de Franse feestdag. We volgen de serieuze, streberige jonge agent Jimmy Girard, die er niet helemaal gerust op is met al die terroristische aanslagen en de hordes buitenlanders die voor onrust zorgen onder de lokale bevolking. Maar bij Girard geen lede ogen, hij raakt er juist kordater en energieker van.

Girard komt tijdens een controle de Parijse schilder Vincent Louyot tegen, die met zijn jonge dochter Lisa de grote stad is ontvlucht om op adem te komen van de gebeurtenissen die zijn leven voorgoed hebben veranderd: zijn vrouw is bij een terroristische aanslag om het leven gekomen. Girard voelt zich verbonden met de man en diens verdriet, omdat hij kortgeleden zijn eigen vader heeft verloren. Hij neemt Louyot – die een frappante gelijkenis vertoont met Michel Houellebecq – onder zijn hoede en zoekt hem af en toe op. Dan blijkt Louyot zich in zaken te steken die bepaald niet in de haak zijn en raakt Girard betrokken in een smerige affaire die hem bijna boven het hoofd groeit – nota bene in zijn vrije tijd, dus zonder uniform en bevoegdheden.

Opvallend is hoe ongefilterd de gesprekken zijn: de flinke meningen over buitenlanders, bootvluchtelingen en criminelen vliegen je om de oren, van zowel bewoners als dienders. In een tijd waarin we regelmatig lezen hoe agenten in besloten groepsapps straffeloos tekeer gaan, is Nationale feestdag bijna té natuurgetrouw. Het zorgt voor een sfeer van dreiging, van een ongemakkelijk gevoel en de hoop dat deze veertiende juli rustig en zonder gedoe kan plaatsvinden. Vivès en Quenehen hebben met de keuze voor een actuele insteek goed gekozen: uiteindelijk is dit een verhaal over gedragingen, goed en fout, van mensen die op zoek zijn naar antwoorden op de vragen van de complexe, huidige samenleving.

Nationale feestdag is meer rechttoe-rechtaan dan de eerdere titels van Vivès. De dochter van Louyot heeft een wat vreemde bijrol, voor wie zich andere verhalen van Vivès voor de geest haalt, waarin jonge meisjes er vaak zijn om de hoofden op hol te brengen. Dat ligt in dit geval aan de onverzettelijkheid van Jimmy Girard – een handige eigenschap voor een agent, maar misschien niet direct voor een personage dat dit verhaal had kunnen gebruiken: iemand met iets meer emotie en diepgang dan de afgemeten realist die Girard is.

Bastien Vivès & Martin Quenehen – Nationale feestdag. Casterman. 256 pagina’s hardcover, € 24,95

Strips & comics

Gelezen: Craig Thompson – Ginseng Roots

Ergens voelt het alsof een auteur, als die eenmaal het succes van een bestseller heeft meegemaakt, daarna altijd schaduwrijke boeken blijft maken. Zijn oeuvre zal immers worden opgehangen aan dat ene grote werk en de rest zal steeds worden vergeleken. De Amerikaanse stripmaker Craig Thompson (1975) overkwam het: in 2003 verraste hij de wereld met het mooie Blankets dat in het Nederlands verscheen als Een deken van sneeuw. Het verhaal over zijn streng-gelovige jeugd bracht lezers wereldwijd in vervoering. Het is een van de weinige strips die bijna standaard in het assortiment van een serieuze boekhandel te vinden is. Amper 28 en dan al zo gevierd, dat is weinig stripmakers gegeven.

Een jaar na zijn succes verscheen het reisverslag Carnet de Voyage en het duurde tot 2011 voor er weer een serieus, omvangrijk werk verscheen. Dat was Habibi, een verhaal dat speelt in het Midden-Oosten en gebaseerd is op oude fabels van daar. Vier jaar later gooide hij het over een andere boeg met het weinig pretentieuze Ruimtekruimels, een kinderstrip dat verhalend en illustratief achterbleef bij waartoe Thompson is staat is. Alles leuk en aardig, maar Craig Thompson bleef die ene van Blankets. Dat verander je niet zomaar.

En ineens was er vorig jaar het eerste deel van Ginseng Roots. Het is net als Blankets een autobiografisch verhaal, deze keer over de streek waar Thompson opgroeide en waar ongeveer de gehele wereldproductie van de ginsengwortel vandaan kwam: Marathon, Wisconsin, waar de samenstelling van de aarde zo gunstig was voor het gewas dat de Chinezen de oogsten op bestelling inkochten. Hoe dat gebeurde doet Thompson uitgebreid uit de doeken, het verhaal kent veel lagen.

In eerste instantie leren we Craig en zijn broertje Phil kennen; twee jongens uit een streng gelovig gezin van born again Christians, dat maatschappelijk gezien onder aan de ladder bungelt. Om geld te verdienen helpen ze de lokale ginsengboeren met het wieden van onkruid. Ze verdienen een dollar per uur, wat als goud aanvoelt voor de jongens want van dat geld kopen ze comics. Veel comics. Als ze later voor drie dollar per uur stenen gaan rapen – die van het land moeten om te voorkomen dat die de machines beschadigen – is het hek helemaal van de dam: de comics komen met dozen tegelijk huize-Thompson binnen. Het broertjesgedeelte van Ginseng Roots is vertederend en maakt inzichtelijk hoe hard hun leven was. Andere kinderen haalden hun neus op voor het zware werk.

Het verhaal is opgehangen aan de herinneringen van Craig en Phil. In de strip gaan ze als volwassen mannen op bezoek bij de boeren die ze als kind leerde kennen. Ze spreken over het werk, de economie en hoe de wortelproductie steeds verder afnam. In deze verhalende laag neemt Thompson de lezer mee in de dynamiek van de streek, en hoe de ginsengteelt sommige landbouwers schatrijk maakten.

Thompson neemt daarnaast ook uitgebreid de tijd en ruimte om een historisch kader te schetsen. Deel 5 uit de comicreeks is bijna in zijn geheel een geschiedkundige verhandeling, net als een flink gedeelte van deel 3. Deze encyclopedische passages zijn wat afstandelijker en hebben een hoge informatiedichtheid: Thompson lijkt geen detail te willen overslaan. Op zich prima, maar omdat Ginseng Roots als losse comics wordt gepubliceerd, waar tussentijd overheen gaat, mis je het jeugdige elan van Craig en Phil in die delen.

Dat Thompson ervoor koos om het verhaal op te delen in een serie van twaalf comics, deed aanvankelijk wat wenkbrauwen fronsen. Het is ongemakkelijk en niet van nu: de lezer moet de hele tijd naar de winkel voor een nieuw deeltje en van bingelezen (of zelfs gewoon lekker doorlezen) is geen sprake. En als we alles bij elkaar optellen kost het de liefhebber meer dan zeventig dollar – om over de onvoordelige dollar-euro-conversie nog maar te zwijgen. Daarbij komt dat de pagina’s zo mooi zijn opgemaakt en uitgevoerd, met zoveel oog voor detail, dat het geringe comicformaat bijna afbreuk doet aan de genietmate.

Anderzijds, de boekjes zijn stuk voor stuk kleine kunstwerkjes, met mooie schutbladen en toffe extraatjes achterin. Plus: twaalf mooie omslagen zijn er meer dan één. Of er een complete versie gaat verschijnen is nog niet duidelijk: al een tijdje circuleert er op Amazon een plaatje van een “deel 1” maar verdere informatie ontbreekt, ook bij de uitgever die zich over een bundeling in stilzwijgen hult. Bovendien zijn de losse delen hier goed verkrijgbaar, bij de stripspeciaalzaak en ontwikkelde boekhandel: geen zorgen dat je iets mist. De uitgever biedt zelfs een abonnementenservice, ook voor overzeese lezers, mét een bewaarbox als extra stimulans.

In de schaduw van het grootse Blankets ontstaat hier stukje bij beetje een verhaal dat een soortgelijke impact kan hebben – moet krijgen, liever nog. Ginseng Roots is meeslepend, machtig interessant en heeft nu al de uitstraling van een nieuw hoogtepunt in het werk van Thompson. Waar het in ieder geval met kop en schouders boven Blankets uitsteekt is in de perfecte, speelse pagina-opmaak en het vloeiende en ingenieuze van de vertelling. Eigenlijk is Ginseng Roots al op veel vlakken verder uitontwikkeld, wat logisch is. Iedere tekenaar leert bij in zeventien jaar tijd.

En nu gebeurt wat er altijd gebeurt: toch die vergelijking, toch op zoek naar het licht van het grote werk. Boeken staan op zichzelf, ook moderne klassiekers als Blankets én Ginseng Roots, al duurt het nog even voordat we die laatste op dat voetstuk kunnen plaatsen.

Craig Thompson – Ginseng Roots. Uncivilized Books. 12 delen à 32 pagina’s. $5.00, vanaf deel 3 $6.00.

Strips & comics

Gelezen: Faith Erin Hicks – One Year at Ellsmere

Met weinig bombarie vernamen Nederlandse stripliefhebbers onlangs dat er een nieuw stripblad op de markt komt. Altijd goed nieuws, sympathiek bovendien als het wordt aangekondigd als een stripblad voor de jeugd. In een sterk vergrijzend en met sprongen ouder wordend striplandschap is iedere stimulans om de aanwas van onderaf te bevorderen welkom. Jump, het blad in kwestie, bedient de jeugd van 7 tot 12 jaar, dat globaal samenvalt met de jonge lezersgroep van Donald Duck en – voor de volledigheid – van outsiderstripblad Brul.

Voor wie naar de middelbare school gaat en strips wil blijven lezen, is er niets. Er zijn geen stripbladen voor jongeren van 13 tot 17, behalve de Tina voor meisjes. Na de Donald Duck moeten ze de sprong maar nemen naar de Eppo, die gericht is op veertigplussers – zeg maar de generatie die in de jaren tachtig de Eppo als pubers lazen. Nederlandstalige manga is er niet of nauwelijks. Geïnteresseerde jongeren moeten wachten tot ze de Engelstalige uitgaven kunnen lezen, en zelfs dan blijft begrijpend lezen een behoorlijke inspanning – niet bevorderlijk voor iets wat ontspannend hoort te zijn, en tot je twaalfde altijd was. De enkeling die verder kijkt in het eigen taalgebied, mag aanhaken bij de oude garde stripliefhebbers die zich steeds meer verliest in de zoveelste westernserie met een vrouw in de hoofdrol, iets met straaljagers of een sf-epos dat zich vreugdeloos in alle zevenentwintig windrichtingen beweegt.

In landen als Duitsland en Frankrijk zien we dat de mangaverkopen in de leeftijdscategorie 12-17 jaar enorm is. In Frankrijk bestaat meer dan veertig procent van alle stripverkopen uit manga, gekocht door jongeren. In Duitsland is de opmars van manga enorm. In beide landen verschijnen de reeksen in de landstaal, wat voor een klein taalgebied als het Nederlandse niet haalbaar is gebleken. Maar wat in Nederland voor manga geldt, geldt voor letterlijk alle strips voor 13 tot 17 jaar: ook Engelstalige young adult comics worden genegeerd, evenals de Nederlandse stripmakers die zich richten op de YA-markt, zoals Coco Ouwerkerk, Renee Rienties en Marissa Delbressine. Hun werk wordt vaak meteen in het Engels gemaakt en uitgegeven, omdat hun markt vooral niet Nederlandstalig lijkt te zijn.

Als het dan toch gebeurt (zoals een poos geleden met een vertaling van het heel goede Giant Days) dan wordt het zo plompverloren in de markt gedonderd dat geen jongere er weet van heeft – en het daardoor in dat geval blijft steken bij het eerste deel. Een makkelijk verkrijgbaar stripblad met een goede mix van manga, Amerikaanse strips als Giant Days, Avatar en Lumberjanes en strips van eigen bodem zou deuren kunnen openen en nieuwe lezers kunnen bereiken en vasthouden, maar het lijkt alsof consumenten van 13 tot 17 niet interessant zijn. Daarin zouden Nederlandse jongeren dan ineens heel anders zijn dan hun Franse, Duitse, Spaanse en Amerikaanse leeftijdsgenoten. Je vermoedt dat hier in het geniep heel veel onderzoek naar is gedaan, maar zeker weten doen we het niet.

Het spijtige is dat de strips die gemaakt worden voor de middelbaarscholierendoelgroep juist zo perfect bij hun persoonlijke leefwereld aansluiten: de onderwerpen zijn zaken waarmee de pubers te maken hebben, zoals vriendschap, persoonlijke ontwikkeling en relaties. De strips verhouden zich echt met de lezers – veel meer dan de strips voor volwassenen bijvoorbeeld, zeker als je kijkt naar de klassieke avonturenverhalen met piraten, cowboys, racewagens en ruimteschepen, dat ongeveer 75% van het complete aanbod vertegenwoordigt.

Neem het onlangs verschenen One Year at Ellsmere van de Canadese stripmaker Faith Erin Hicks, die op het omslag wordt opgevoerd als New York Times-Bestselling Artist. De veertienjarige Juniper heeft een beurs gekregen voor een jaar op de prestigieuze Ellsmere Academy. Al gauw merkt ze dat het leven op de campus niet over rozen gaat, vooral niet nadat ze pestkop Emily op haar nummer heeft gezet. Juniper en haar roommate Cassie proberen de pesterijen te negeren, maar er is geen ontkomen aan.

De strip, die in gewijzigde vorm al eerder verscheen als War at Ellsmere, is een achtbaan van emoties, drama en intriges, precies zoals het hoort. Hicks tekent vlot en het verhaal leest als een trein. Het gaat zelfs zo snel en vloeiend dat de 166 pagina’s eigenlijk te weinig zijn: de ontknoping, met een vleugje magie, is nogal plotseling en rondt het verhaal razendsnel af. Het voelt als het eerste gedeelte van iets veel groters en vooral iets wat niet te lang op zich moet laten wachten. Dat laatste aspect is typisch voor een strip voor deze leeftijd: het heeft iets consumptiefs, iets waar je snel meer van wil lezen, precies waaraan manga zo nadrukkelijk appelleert.

Zou een dertienjarige van hier uit de voeten kunnen met One Year at Ellsmere? In grote lijnen wel, al zitten er hier en daar wat scherpe opmerkingen tussendoor die misschien gemist gaan worden, evenals subtiele ironie – die dan moet worden afgeleid uit de gezichtsuitdrukkingen en houdingen. Het blijft lastig, al zal de positieve geest opmerken dat de jongere die iets boven zijn of haar macht leest de grootste stappen zet. In termen van thema, plot en personages is het een helder en rechtlijnig verhaal, dat goed in elkaar steekt.

Mooier zou zijn als een strip als dit lekker kan worden gelezen zonder omhaal of Google Translate. Het is jammer dat Nederlandse jongeren stripverhalen niet op dezelfde manier kunnen beleven als hun leeftijdsgenoten in andere landen. Dat klinkt dramatisch, maar het verwaarlozen van een zo belangrijke leesgroep zie je terug in de demografie van de Nederlandse striplezer. Er is een flink gat tussen jonge kinderen en volwassenen, dat maar niet wordt overbrugd. In dat opzicht is de naam Jump voor een jeugdblad logisch: bereid je maar vast voor, want als het je bevalt moet je een grote sprong maken. Het is de enige manier om strips te kunnen blijven lezen.

Faith Erin Hicks – One Year at Ellsmere. First Second. 166 pagina’s. € 13,80

Strips & comics

Gelezen: Eric Stoffel, Serge Scotto & Samuel Wambre (naar Marcel Pagnol) – De Pestlijders

Hoe reageert een gemeenschap op een dodelijk pandemie dat zich ineens openbaart? Curieuze vraag in deze tijden van corona, maar we zijn beslist niet uniek. In de achttiende eeuw raasde de pest over Europa, waaronder de zuidkust van Frankrijk. In De pestlijders, naar een nooit voltooid verhaal van de Franse romancier en cineast Marcel Pagnol, zien we hoe Marseille kopje onder gaat en hoe een groep wijkbewoners de handen ineen slaat, onder leiding van een markante dokter.

Het merendeel van de Pagnol-verhalen speelt in een uitgesproken gemoedelijk decor, dat van de lommerrijke Provence, waar altijd de zon schijnt. Op de eerste paar pagina’s van deel 1 zien we nog iets van de typische entourage, maar dat verandert zodra het slechte nieuws de stedelingen bereikt. Men moet serieus rekening houden met een pandemie van ongekende omvang. De zon zal er niet minder om gaan schijnen, toch verandert er subiet iets in het kleurpalet van Samuel Wambre, die met dit tweeluik zijn eerste bijdrage levert aan de Pagnol bibliotheek: hij wisselt de uitgelaten kleuren voor donkere, onheilspellende tinten. Alleen binnenshuis lijkt de pleuris nog geen vat op de fleur te krijgen.

De pestlijders speelt in het jaar 1720, de tijd de horigen, geestelijken en welgestelden. Als men in de havenstad Marseille enkele gevallen van de pest worden vermoed, gaat het snel mis. De dodelijke epidemie verspreid zich razendsnel onder de bevolking die lijdzaam toeziet hoe hele stadsdelen uitsterven. De gerespecteerde dokter Pankration, een man met lang wit haar en een baard, bedenkt een list: hij roept de wijkbewoners bij elkaar en besluit zich terug te trekken binnen de wijkmuren.

Door zelfvoorzienend te worden en te teren op wat er bij aanvang van de zelfgekozen lockdown voorhanden is, hopen de lieden de pest te vermijden. Om niet in de gaten te lopen, moeten ze zich muisstil gedragen. Niemand mag weten dat ze er zijn.

Het klinkt jongensboekachtig – zoiets als de hele Tweede Wereldoorlog in een hut in het bos wonen – maar Pagnol weet er in het verhaal genoeg spannende elementen aan toe te voegen. Uiteindelijk wordt het onhoudbaar: de stadsraad besluit om wijk voor wijk plat te branden om zo de ziekte in de kiem te smoren. Dan wordt er nog een keer naar Pankration gekeken: dokter, verzin een list.

Pagnol nam in De pestlijders alle gelegenheid om overlevingsstrategieën te koppelen aan primaire menselijke reacties. Uiteraard zijn er lieden die niet willen meedoen en mensen die zich op andere bakens richten – ook hier wordt het Rooms Katholieke geloof weer ongenadig weggezet als een nietsontziend, egoïstisch gremium. Het verhaal blijkt vooral een oefening in samenwerken en geloven in het goede van de mens. Voor wie wil is er genoeg te verwijzen naar hoe wij met corona omgaan.

Helaas is het tekenwerk ondermaats. Wambre houdt er een vreemde manier van werken op na: het ziet eruit alsof hij naderhand alle outlines met een zwarte viltstift heeft overtrokken. Vast een digitale manier van werken, maar het pakt hoe dan ook niet voordelig uit. Gezichten zijn vaak teruggebracht tot stipjes en streepjes, mensfiguren worden amorf en emoties leunen zwaar op de inkleuring. Bovendien ontbreekt iedere dynamiek waardoor de pagina’s statisch en plat lijken. Het heeft weg van een haastklus, de Pagnolverhalen onwaardig.

Gelukkig is de vertelling meeslepend genoeg om niet steeds bij de grafische knulligheid te hoeven stilstaan, al dient zich dan het volgende euvel aan: de vertelstem – die van de vierkante tekstkaders – heeft een eigen, moeilijk leesbaar lettertype dat oogt alsof het een geschreven verslag betreft. Ook deze keuze heeft iets vreemds, het ís namelijk geen verslaglegging achteraf. Het font zorgt er vooral voor dat de lezer de spanning niet kan bijhouden: steeds als de alwetende aan het woord is, moeten de ogen in varifocus-stand.

Juist omdat de Pagnol-bibiotheek zo’n hoog niveau heeft en de verhalen zo perfect worden bezorgd, mag er een harde noot worden gekraakt. Verhalend is De pestlijders top, in lijn van Jean van Florette, maar grafisch is het deze keer achtergebleven.

Eric Stoffel, Serge Scotto & Samuel Wambre (naar Marcel Pagnol) – De Pestlijders. Saga Uitgaven. Twee delen van respectievelijk 72 en 68 pagina’s, hardcover. € 24,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Willy Vandersteen Studio – De Rode Ridder integraal: De Biddeloo-jaren, deel 1 en 2

Vorig jaar werd nog uitbundig gevierd dat de Rode Ridder, een van de oercreaties van Willy Vandersteen, zestig jaar bestond. In 1959 was het Vandersteen zelf die de verhalen rond de koene ridder Johan bedacht en tekende. Binnen een paar jaar werden er hulptroepen ingevlogen omdat Vandersteen het vrij snel had gezien met de ridderverhalen, zo lazen we in de dossiers. Vanaf deel 37, De wilde jacht, werd het team versterkt met de jonge Karel Biddeloo, die zich daarna zou ontpoppen als de dragende auteur van de reeks.

Een van de blikvangers van het diamanten jubeljaar 2019 was de statige zesdelige integrale reeks met daarin de eerste 36 delen van de Rode Ridder. Die perfecte uitgaven, steeds met een interessant achtergronddossier, smaakten duidelijk naar meer en daarom is sinds begin dit jaar een vervolg aan gegeven. Na de integrale bezorging van De eerste avonturen – die strekken van 1959 tot 1967 – zit er nu een zevendelige integrale reeks in het vat, getiteld De Biddeloo-jaren, die begint als Karel Biddeloo (1943-2004) zich met de reeks gaat bemoeien.

Aanvankelijk inkt Biddeloo de verhalen die Vandersteen hem aandraagt, in ieder geval de zes titels uit de eerste integrale, met daarin opgenomen de nummers 37 tot en met 42. In de tweede integrale neemt Biddeloo het stokje helemaal over, behalve het deel 43, waar Vandersteen nog het scenario voor schreef. Vanaf nummer 44 schrijft en tekent Biddeloo de avonturen, die hij vanaf dan meer naar zijn hand zet.

Boeiend is het dossierartikel uit de eerste integrale waarin melding wordt gemaakt dat Vandersteen eigenlijk geen zin meer heeft in de ridderverhalen. Hij is uitgekeken op koning Arthur en zijn gevolg. Het is om die reden dat hij in de delen 40 en 41, respectievelijk De barst in de ronde tafel en De laatste droom, er min of meer een einde aan breit. Arthur en Guenevere overleven het niet en Merlijn de tovenaar vertrekt schielijk naar elders.

Het mag een geluk heten dat Biddeloo met een aantal slimme plotwendingen en met het opvoeren van vroegere figuren een paar interessante verhaallijnen wist uit te werken. Zo bleef de serie behouden. Hij introduceert Parcifal, de zoon van Arthur, en vinden Johan en Lancelot Merlijn terug. En dan beginnen de sword-and-sorcery-verhalen uit de tweede integrale.

De verhalen van de Rode Ridder hebben een onmiskenbare charme. Waren de eerste avonturen af en toe onbeholpen en onwaarschijnlijk, in de Biddeloo-jaren zijn ze veel consistenter en beslist spannender. Het is onderhoudend op een antieke manier: het doet denken aan de zondagmiddagse zwartwitfilms die begin jaren tachtig werden uitgezonden op de Duitse ARD: klassieke piratenfilms, westerns en dergelijke. Traag, meeslepend en sterk leunend op de sfeer en het gevoel. Het is niet te ontkennen dat het gedateerd is maar dat hindert de goede verhalen niet.

Sterker, instappers kunnen zonder problemen met de Biddeloo-jaren beginnen. Wie de eerste integrale op zijn merites weet te beoordelen, kan met een gerust hart achttien centimeter in de boekenkast vrijmaken: iedereen die ooit wel eens een Rode Ridder heeft gelezen, snapt welke kant Biddeloo zijn ridder op stuurt. Het wordt magischer, met geesten en tegenstanders die boven de velden zweven en zich tonen in alles behalve mensgedaanten. Vandaar het onderschrift ‘Sword and Sorcery’, een subgenre uit de fantasy waarin tovenarij en gevechten tussen goed en kwaad een prominente rol spelen, al is dat in de eerste twee Biddeloo-integralen nog niet zo prominent als later.

Het gaat te ver om alle verhalen stuk voor stuk te bespreken. Opvallend is dat het dossier, dat voorin de boeken is opgenomen, van alle verhalen een korte samenvatting geeft. Misschien handig bij wijze van naslagwerk achteraf, geen aanbeveling om alles van tevoren door te lezen. Als er dan toch een paar hoogtepunten moeten worden genoemd, dan zijn dat de spannende belegering in Drie huurlingen en het eerdergenoemde heroïsche tweeluik De barst in de ronde tafel en De laatste droom. Daarin komen de onvervalste ridderidealen en standvastigheid zo mooi tot uitdrukking dat het sluitstuk van die geschiedenis extra impact heeft.

Waar de eerste integrales, met de blauwe rug, nog voor de nostalgische fijnproever was, daar zijn de grijze Biddeloo-integrales interessanter voor de reguliere stripliefhebber – als die bestaat. De verhalen zijn kundiger, spannender en hebben met de fantasy-elementen iets extra’s te pakken: een fijne dreiging, de perfecte strijd tussen Goed en Kwaad en een klassieke held die alle ridderlijke idealen in zich verenigt. Voorwaarts, brave lezer, er is nog een heel universum te ontdekken.

Willy Vandersteen Studio – De Rode Ridder integraal: De Biddeloo-jaren, deel 1 en 2 (van 7). Standaard Uitgeverij. 236 pagina’s, hardcover. € 34,99 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Stéphane Betbeder & Djief – Dangerous Liaisons, hoe het begon

In 1782 verscheen de “schandalige” brievenroman Les Liaisons Dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos, 206 jaar later werd deze erotische aristocratengeschiedenis verfilmd met Uma Thurman in een zinderende hoofdrol, en sinds 2018 verschijnt een verstript drieluik, dat het verhaal van de onweerstaanbare graaf Vicomte Sébastien de Valmont vertelt. Onlangs verscheen het afsluitende derde deel, De ondergang van de minnaars.

Wie de drie delen achter elkaar leest, weet waarom dit verhaal tot de klassiekers van de Europese literatuur wordt gerekend: de zeggingskracht, de charme, het onweerstaanbare van het aristocratische milieu, met al de achterbakse kift, nijd en jaloezie is indrukwekkend en zalig om te lezen. Maar het zijn vooral de personages die perfect getypecast zijn. Alles klopt, en alles is even indrukwekkend in beeld gebracht door de Canadese stripmaker Djief (pseudoniem van Jean-François Bergeron).

Wat in de strip vooral opvalt is dat het uiterlijke vertoon perfect in balans is met de scabreuze ondertoon die door het hele verhaal voelbaar is. We zien een en al voorkomendheid, met een geheven vingertje als er eens voor de beurt gesproken wordt of als er een onwelvoeglijke opmerking wordt gemaakt, en tegelijkertijd wordt er ongegeneerd geflirt, geschaakt en gescharreld – om het netjes te zeggen. Daarover gesproken: alles blijft keurig binnen de lijntjes: de lezer wordt nergens getrakteerd op expliciete pornografie of zelfs maar uitbundige seks. Veel blijft suggestie, en dat past mooi in de onberispelijke entourage.

Deel 1 heet Hoop en ijdelheid, het vervolg heet Liefde en tegengif: zo weten we precies hoe de hazen lopen. Maar belangrijker nog is de ondertitel Hoe het begon. Anders dan in het oerverhaal heeft scenarist Stéphane Betbeder ervoor gekozen om het verhaal vóór het verhaal te beginnen, dus al in de prille jeugd van Sébastien. Zo krijgen de figuren meer achtergrond en diepgang. Een voordelige keuze, voor wie de oorspronkelijke brievenroman ‘nog altijd een keer moet lezen’.

Vorig jaar verscheen het eerste deel van Keizerin Charlotte, een strip over Charlotte van België, de aartshertogin van Oostenrijk en keizerin van Mexico, die met veel klaroengeschal de eindejaarslijstjes aanvoerde. Er zijn veel overeenkomsten, toch lijkt het alsof Dangeous Liaisons onterecht onder de radar is gebleven. Misschien dat de gemiddelde striplezer bij de titel denkt aan die andere Franse rakker van het geniepige, markies de Sade. Jammer, omdat de verstripte trilogie veel meer richting Keizerin Charlotte neigt. Ter overweging.

In het eerste deel van de stripversie van Dangerous Liaisons bewegen we vanaf de vroege jaren mee met Sébastien de Valmont, een cholerisch jongetje met veel kwaaltjes dat wordt bemoederd en zonder toekomstperspectief wordt grootgebracht. Hij hoeft niet in het leger, zal geen directeur worden of geestelijke. De lezer ziet het meelijwekkend aan, tot hij zich ontwikkeld als ongenaakbare casanova, die hooggeplaatste vrouwenharten op hol brengt. Het boeit hem maar weinig, tot er een dame zijn pad kruist die niet gevoelig blijkt voor zijn avances. Deze markiezin Isabelle de Merteuil wordt zijn project, of is het precies omgekeerd?

In het tweede deel – het fraaiste – volgen we vooral het leven van Isabelle en de beproevingen die ze met haar moeder moest doorstaan. Het geeft een perfect beeld van het leven der aristocratie in de achttiende eeuw. Betbeder weet alle spelletjes inzichtelijk te maken: het schmieren, besodemieteren van alles en iedereen, het op en top manipuleren van de omgeving; in Dangerous Liaisons wordt het tot kunst verheven. Isabelle is een intrigante, niets minder, en daarmee het perfecte tegenwicht voor Sébastien.

Het slotdeel, De ondergang van de minnaars, koppelt de beide delen. Hier zijn Sébastien en Isabelle uit het licht van hun spiegels getreden en richten ze zich op elkaar. In hedendaagse termen: ze zijn een setje dat nog steeds aan alle kanten wordt belaagd, door opdringerige types en het onvermijdelijke trio haat, afgunst en wellust. Een ook onderling blijft er wantrouwen en wrijving, al wordt het dan nergens hedendaags: het vormelijke en onberispelijke van de nahoofse entourage houdt alles keurig in de plooi.

De stripversie heeft duidelijk gekozen voor een verhaal dat minder leunt op ophef en erotiek van Choderlos de Laclos. Het gaat eerder om het spel van aantrekken en afstoten, van de psychologische spelletjes in een omgeving die zwanger is van achterdocht en valse aanblikken. Dat maakt dit drieluik interessant en vooral fraai: de tekeningen en het scenario zorgen voor een historisch perspectief waarin het heerlijk ronddwalen is. Los van de Engelse titel (why?) is Dangerous Liaisons een stripbewerking die beklijft en die de zinderende lezer verrukt achterlaat.

Stéphane Betbeder & Djief – Dangerous Liaisons, hoe het begon 3 – De ondergang van de minnaars (Deel 1: Hoop en ijdelheid, deel 2: Liefde en tegengif) 56 pagina’s per deel, hardcover. € 17,95.