Strips & comics

Gelezen: Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis

Uiteraard zag de stripliefhebber het al een beetje aankomen. Heden verse vis werd voorgepubliceerd in stripblad Eppo en daar vielen de losse delen al in de smaak, maar eenmaal alles achter elkaar, 72 pagina’s lang: wat een plezier. Hardop schateren om de strapatsen van twee karikaturale stripmakers, je verkneukelen om het afzijdige van het sterrendom, glimlachen om de gevatte dialogen en de echt goede grappen; Heden verse vis heeft het allemaal. Gaat er dit jaar één strip mee in de handbagage, dan is het dit album.

Marc Legendre en Charel Cambré zijn twee grote namen in het Vlaamse striplandschap. Cambré (Amoras, Jump, en meer) legt een ongekede productie aan de dag en Legendre kennen we van Biebel (ooit) en nu voornamelijk als scenarist, van onder meer De Rode Ridder. In Heden verse vis spelen ze nu eens zelf de hoofdrol. De twee mannen, die elkaar voortdurend bij de achternaam noemen, zoal te doen gebruikelijk als je uit de Kempen komt, staan op een kruispunt in hun carrière. Ze willen een grote sprong maken, om voorgoed binnen te zijn, om er echt toe te doen. Voorbij met dat gepap, nu moeten er grote stappen worden gezet. Sprongen zelfs! Ze willen herkend worden en gevierd, want daar schort het nog aan.

We zien de twee in een stripwinkel wegkwijnen tijdens een slecht bezochte signeersessie – waar ze uiteindelijk bezoek krijgen van een echte stripliefhebber die ze lastigvalt en ze iets te amicaal dwingt tot allerlei kunstjes. Het is de druppel: bij een Duvel overwegen ze dan maar een viswinkel te beginnen. Vandaar de titel. Maar nee, ze willen het nog één kans geven: Legendre heeft een huisje in Spanje, daar gaan ze een meesterzet uitdokteren. Daar gaat de toekomst bepaald worden. Wat volgt is een soort slapstick roadmovie, met allerlei grappige ontmoetingen en fratsen onderweg.

Of ze een goed idee bedenken als ze eenmaal in het dorpje zijn, is niet relevant. Het reisverslag is al meer dan voldoende grappig en scherp. Ook geweldig zijn de inkijkjes in de stripwereld die het duo ons gunt: die van luie uitgevers die niets anders doen dan nog maar een keer een oud lijkje afstoffen, nog maar een luxe versie van een klassieker, nog maar eens iets proberen wat al duizend keer gedaan is of aanhaken bij het schamele succesje van een ander. Ook het subsidietraject wordt onder de loep genomen, met prachtige rollen voor cultuurbobo’s die alles heel goed voor zichzelf regelen en voor die ene auteur, die verdacht veel op stripidool Brecht Evens lijkt.

Legendre en Cambré slepen zich voort, wetend dat ze het niet meer gaan redden, behalve als ze echt iets geniaals op poten zetten. Maar geloven ze er zelf nog in? In Heden verse vis gaat het om authenticiteit in een platgeslagen, risicoloze wereld vol hotemetoten en mislukte uitgevers. Klinkt gevaarlijk, maar de twee weten er slim een draai aan te geven door zichzelf als grootste mislukkelingen neer te zetten. Ze lachen om zichzelf, vooral dat: zie ze daar nu, die twee laatvijftigers met hun obligate idealen en hun meningen over alles en iedereen.

Cambré heeft zijn meest swingende potlood gevonden en dat betaalt zich uit. De pagina’s, met name de Spaanse, zijn een genot. En hoe gek het misschien klinkt: hij heeft de twee figuurtjes perfect in de vingers. Hij een tikje opvliegend en druk, Legendre als een bedachtzame, rustige tegenpool die hem vooral heel gevat van repliek dient. Geen Laurel en Hardy, wel een gouden combi.

Het mooie nieuws is dat dit het eerste deel is van een heuse trilogie. Iets wat je overigens helemaal niet doorhebt aan het einde van dit album: de aparte anekdotische verhalen zijn losjes aan elkaar geknoopt tot een geheel, zodat de voorpublicatie in Eppo steeds smooth verliep, maar echt een rode draad of bovenliggende verhaallijn is er niet. Het gaat gewoon om twee grappige figuren, Legendre en Cambré, die er samen proberen uit te komen. Waaruit? Goh ja. Geen idee eigenlijk.

Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis. Standaard Uitgeverij. 72 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen

Guy Delisle, de Canadese succesauteur van graphic novels als Pyongyang, Gegijzeld en onlangs De papierfabriek, gooit het over een andere boeg. Het onlangs verschenen De kunst van het nietsdoen is een verzameling korte verhalen, die een andere kant van zijn vakmanschap toont. In zijn graphic novels kiest Delisle altijd voor een minimalistische aanpak: eentje van weinig lijnen, geen franje en een rustige pagina-opmaak. Het is zijn handelsmerk, zijn werk herken je uit honderden.

In De kunst van het nietsdoen zien we meer dynamiek: sommige bijdragen zijn kriebelig, gedetailleerd en eigen; andere strips passen moeiteloos in de Franse traditie, zoals het bijzondere Het verhaal van de dobberende hond. Wat al deze bijdragen laten zien is dat Delisle bepaald geen one trick pony is: dat hij koos voor een rustige en uitgebalanceerde stijl voor zijn reisverslagen (Shenzen, Birma, Pyongyang en Jeruzalem) wil niet zeggen dat hij niet meer pennetjes in zijn etui heeft. Hij zou gemakkelijk een avonturenstrip aankunnen, zelfs een Kobijn album, als dat moest. Zijn werk neigt naar dat van collega’s Trondheim en Larcenet, zij het wat ronder en lieviger.

Je zou in dat geval bijna denken dat Delisle met De kunst van het nietsdoen – de titel verwijst naar een van de strips in de bundeling, niet eens een prominente – een open sollicitatie stuurt naar iedereen die een veelzijdige tekenaar én verteller zoekt. Want meer nog dan de tekeningen verrast Delisle met zijn verhalen: soms absurd, soms prikkelend met een filosofische touch, dan weer een grappige slice of life. Alle verhalen, sommigen zijn al bijna 25 jaar oud, zijn al eens eerder verschenen, in tijdschriften en anthologieën.

Die positieve ratjetoe aan stijlen en verhalen maakt het lezen in deze bundeling alsof je in een Eppo zit te bladeren, die door één enkele auteur is volgetekend. Dat pakt goed uit: het is iedere keer weer een verrassing wat er op je pad komt. Het mooist zijn de autobiografische observaties, zoals de verhalen Vaste grond (over de zonne-eclips) en het openingverhaal Het eerste plaatje, waarin de auteur vastlegt hoe hij te werk gaat. In de tekstloze bijdragen laat Delisle vooral zien uit welke hoek hij afkomstig is: die van de animatie. Dan buitelen de mannetjes door het beeld en vloeien de handelingen in de kaders: fraai, als grafische poëzie.

De kunst van het nietsdoen is zowel geschikt voor lezers die al bekend zijn met het werk van Delisle als nieuwe lezers. De eerste groep ontdekt nieuwe, interessante aspecten van zijn werk, de tweede groep heeft een vrolijk boek te pakken om af en toe een strip uit te lezen. Of zij daarna de overstap maken naar het andere, lange werk van Delisle is geen uitgemaakte zaak, maar wel te hopen.

Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen. Concerto Books. 152 pagina’s hardcover. € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden

Jerome Bloks is een publiekslieveling. De schlemielige privédetective met zijn Solex en koddige maniertjes draait al mee sinds 1982. Aanvankelijk vrij geruisloos, sinds deel 6 is er een stevige fanbase die de slimme verhalen van de Fransman Dodier – die dan de strips tekent én schrijft – waardeert. Een nieuw album van Bloks is altijd een zekerheidje: dat laat je niet liggen. En nog steeds trekt de serie nieuwe lezers, getuige de flinke prijzen die worden betaald voor de “moeilijke deeltjes”, zoals het in verzamelaarskringen heet: de oudere nummers die niet veel voorhanden zijn en alleen nog gevonden worden op de antiquarische markt.

Van die serie verscheen dus onlangs het 28ste deel, In goede en slechte tijden. De titel verwijst naar een vrouw die Jerome tijdens zijn rij-examen ontwaart: ze staan in vol ornaat op een viaduct en dreigt te springen. Althans, dat is wat Jerome vermoedt. Hij gaat subiet poolshoogte nemen, hoort haar verhaal aan van een mislukte bruiloft en weet haar te kalmeren. Die vrouw zet vervolgens het leven van Jerome op zijn kop.

Om het maar meteen te zeggen: het is geen goed verhaal. Het is te begrijpen, het is te volgen maar de ontwikkelingen zijn wat vreemd en ook de rol van Bloks is apart. Oké, hij is de verstrooide detective, maar hij is niet dom. En zijn vrienden vinden het allemaal maar raar wat er gebeurt, maar ze laten hem toch begaan. Zijn vriendin Babs, de stewardess die halverwege terugkeert van haar werk, is des duivels en trekt haar eigen plan. En Bloks? Die gaat zonder werkelijk iets op te lossen door met zijn zaak, die niet echt een zaak is. Dat komt omdat hij zelf een te grote rol heeft: er is geen opdrachtgever, niet iemand die hém nodig heeft.

Daarbij zijn er veel dingen die een beetje raar zijn: als de bruid haar wanhoopsdaad wil plegen heeft zij haar trouwjurk aan, die zij twee dagen later nog steeds draagt als ze bij Bloks langskomt. Ze blijft maar in die witte jurk rondlopen. Ook in de ontknoping zit een wel heel grote toevalligheid als iemand zomaar iets doet wat niemand zomaar zou doen – geen spoilers uiteraard.

Het verhaal begint nog wel spannend, met een soort dubbele nachtmerrie die in twee stadia uitkomt in het ziekenhuis waar Jerome Bloks ligt bij te komen met een steekwond in zijn buik. Daar gaat ook de nachtmerrie over: zijn vriendin Babs zwaait daarin gevaarlijk met een flink mes, net als te zien is op het omslag. Maar hoe het precies zit, is dan nog niet duidelijk. Om dat te vertellen gaat Dodier zes maanden terug in de tijd. In een verhaal dat meer dan anderhalf keer zo lang is als een vergelijkbare strip, volgen we de handel en wandel, in voor- en tegenspoed. En toch heeft Dodier aan het einde enorme tijdsprongen nodig om er een rond verhaal van te maken.

De tekeningen van Dodier zijn herkenbaar uit duizenden. Ze zijn charmant, maar af en toe ook onevenwichtig. Bloks is heel expressief, al zijn gezichtsuitdrukkingen zijn fraai en raak, maar dat geldt niet voor de bruid: haar gezicht is vlak en ze is daardoor moeilijk te peilen. Misschien de bedoeling, maar het kan echt spannender. Ze lijkt constant onder invloed, ze is te onderkoeld. Wat ook opvalt, in positieve zin, is hoe goed de inkleuringen zijn. Die zijn van de hand van Cerise – geen achternaam. Haar werk maakt dat het verhaal echt van nu is. De kleurstellingen zijn zoals 2022 is, zogezegd.

En beetje spijtig is het wel dat dit niet het verhaal is geworden, zoals Dodier ze eerder wel maakte, met De kluizenaar als voorlopig hoogtepunt. Dodier moet Bloks iets laten oplossen, de vriendelijke sul is minder geschikt om een verhaal aan op te hangen: daarvoor zijn zijn schouders te fragiel en is hij te onberekenbaar.

Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden. Dupuis. 72 pagina’s. € 8,99.

Strips & comics

Gelezen: Maxe L’Hermenier & Djet – De omgekeerde rivier

Het tweeluik De omgekeerde rivier wordt aangeprezen als een fantasy avontuur voor de jeugd, dus dat belooft wat. Op het eerste oog ziet het er heel goed uit: de tekeningen en vooral de kleuren zijn perfect in orde en scheppen meteen een sfeer van ver. Van een plaats waar besneeuwde bergen zijn, boomhuizen, kamelen en een winkel met duizend laatjes, waarin alles ligt wat je je maar kunt wensen. Tenminste, dat is wat Tomek denkt: hij bestiert de zaak en weet van alle laatjes wat erin zit. En toch, als er op een dag een meisje langskomt dat vraagt om een flesje water uit de rivier de Qjar, dan moet Tomek nee verkopen.

Het meisje vertrekt en Tomek krijgt haar niet uit zijn gedachten. Hij wil weten wat er zo bijzonder is aan het water uit de Qjar. Een oude baas weet hem te vertellen dat het een rivier is die van beneden naar boven stroomt. Het water dat uit de bron komt, helemaal op het topje aan het einde, is heel bijzonder: als je het drinkt ben je onsterfelijk. Er is een kleinigheidje: de Qjar ligt ongeveer aan de andere kant van de wereld. Dat is het begin van een mooi avontuur. Tomek vertrekt, op zoek naar de rivier maar eigenlijk naar het meisje.

Het eerste deel heet Tomek, en daarin volgen we de jongen op zijn magische zoektocht. Deel 2 heet Hannah en dat is de naam van het meisje over wie we dan al het een en ander te weten zijn gekomen in deel 1. Zo’n concept van twee perspectieven van hetzelfde verhaal is een leuk gegeven. In dit geval werkt het bijna goed: alleen in deel 2 krijgt de lezer iets te vaak opnieuw iets te zien, maar de doelgroep indachtig is dat misschien juist een bewuste keuze. Het geeft wel een mooi beeld van de twee tochten die zijn afgelegd; Hannah liep steeds een paar dagen voor Tomek uit.

Dit verhaal is niet de eerste verstripping van een roman van Jean-Claude Mourlevat, waar scenarist Maxe L’Hermenier zich aan zette. Vorig jaar verscheen het stemmige verhaal Oceaankind, met tekeningen van Stedho. Zowel de Vlaming Stedho als de tekenaar van dienst in dit tweeluik, de Fransman Djet, weet de juiste snaar te raken. Oceaankind is iets rauwer, De omgekeerde rivier is sprookjesachtiger, vooral vanwege de wonderlijke reis die de twee maken. En Djet weet hoe hij sfeer kan scheppen: het Bos der Vergetelheid is prachtig verbeeld, heel klassiek, net als de bloemenweide waar je bedwelmd raakt en daarna terecht komt in een wereld met kleine wezens, bijna zoals Alice in Wonderland.

Voor de jongere lezer – van 10 tot 14 jaar – is dit een perfecte strip, vooral omdat het verhaal goed wordt verteld en er genoeg aan de verbeelding wordt overgelaten. Daarbij is een verliefde jongen die achter een meisje aangaat altijd een fijn gegeven voor een avonturenstrip. Tel daarbij op dat Hannah een heel mooi motief heeft om water uit de rivier te bemachtigen en De omgekeerde rivier is een strip die mee mag op vakantie. Ideaal dus voor de doorgewinterde stripliefhebber die een wit voetje wil halen bij een neefje of nichtje: deze twee albums vallen zeker in goede aarde.

Maxe L’Hermenier & Djet – De omgekeerde rivier deel 1 en 2. Naar de roman van Jean-Claude Mourlevat. 72 pagina’s per deel. € 10,25.

Strips & comics

Gelezen: Typex – Moishe, zes anekdotes uit het leven van Moses Mendelsohn

Andy Warhol, Rembrandt van Rijn, dat waren nog eens namen. Hun levens werden in dikke pillen verstript door de Amsterdamse stripmaker Typex die er veel succes mee had. Deze maand verscheen het veel minder lijvige Moishe, een stemmige, gefragmenteerde levensgeschiedenis van de Berlijns-Joodse filosoof Moses Mendelsohn, die leefde van 1729 tot 1786. Na Hipparchia uit De filosoof, de hond en de bruiloft van Barbara Stok nog iemand uit de filosofenhoek die niet bij iedereen meteen een belletje laat rinkelen. Hoewel, wie de achterflap leest weet dat deze Moishe niet zomaar de eerste de beste boekgeleerde was: hij raakte bekend als de Berlijnse Socrates wiens bijdrage aan de filosofie tot op de dag van vandaag invloedrijk is.

Typex heeft in 88 pagina’s geen heel leven uit de doeken gedaan. In zes hoofdstukken, die als anekdotes om het omslag staan omschreven, wandelt de lezer langs enkele markante mijlpalen van de kleine, gebochelde tobber. Die anekdotes gaan bijvoorbeeld over zijn vertrek naar Berlijn, de liefdesverklaring aan zijn vrouw Fromet, de ontmoeting met de antisemitische koning Frederik de Grote, en zo voort. Ieder hoofdstuk wordt mooi ingeleid, met links het historische verhaal en rechts de reconstructie van dat verhaal. Dat is interessant, vooral omdat er vaker niet dan wel iets van klopt. Dan lezen we bijvoorbeeld dat Moishe de schrijver-filosoof Gotthold Ephraim Lessing nooit heeft ontmoet, terwijl er wel een beroemd schilderij van die gelegenheid bestaat.

Met de vertellende joie en vrolijke zwier die Typex eigen is, kiest hij de momenten uit het leven van Mendelsohn die hem het treffendst duiden. In het vijfde en langste deel, Het lied van de profeet, wordt het allemaal wat driftiger en grotesker. Die zogenaamde profeet is de Poolse vrijheidsdenker Abba Glosk; een stinkende, tikje obstinate man die Moishe verleidt tot allerlei gedachten die de arme Mendelsohn tot razernij drijven. Het is te lezen als een parabel, maar dan zonder al te concreet te worden. Daarvoor wordt bij tijd en wijle iets te diep in het glaasje gekeken.

De kenmerkende paginavormgeving van Typex past goed. Hij laat iemand van boven naar beneden over de pagina wandelen, zodat de tekstballonnen op een speelse manier een monoloog vormen. Brecht Evens en Cyril Pedrosa doen dat ook graag. Hij vangt langdurige sequenties op één pagina. Dan ziet de lezer de doorsnede van een huis, waar Moishe linksonder hartelijk welkom wordt geheten, dan achter de gastheer de trap op loopt, tot in de eetkamer waar wordt gegeten en daarna de laatste trap naar de zolder. Het mooie van de tekening en de leesrichting: het is volkomen logisch om niet op zolder te beginnen. Typex hanteert een duidelijke vormtaal, hij maakt geen zoekplaten. De pagina’s hebben geen strikte kaders, maar bijvoorbeeld zwierige ornamenten, klassieke pilaren of priëlen die iets van een stripkadervorm suggereren.

Moishe is geen volledige levensgeschiedenis zoals bijvoorbeeld De filosoof, de hond en de bruiloft van Barbara Stok dat wel is. Dat pretendeert het overigens niet te zijn, maar zorgt er wel voor dat we misschien minder leren over wie Mendelsohn nu echt was. Het nawoord van Inka Bertz van het Joods Museum Berlijn levert al meer informatie over zijn leven, plus over de beweegredenen en keuzes van Typex zelf. Ze zegt: “Typex richt zich vooral op de man zelf en de dramatische situaties en omstandigheden waarin hij zich bevond. Typex maakt gebruik van stijlvormen uit de 18de eeuw, van zijn eigen artistieke diversiteit en zijn zucht naar humor en het groteske, om zo een nieuw beeld van de grote filosoof van de Verlichting te scheppen.”

Dit boek verscheen ter gelegenheid van tentoonstelling “We dreamt of nothing but Enlightment” Moses Mendelsohn, die nog tot 11 september 2022 te zien is in het Jüdisches Museum Berlin. Het werd tegelijk in het Nederlands, Engels en Duits uitgebracht.

Typex – Moishe, zes anekdotes uit het leven van Moses Mendelsohn. Scratch Books i.s.m. Jüdisches Museum Berlin. 88 pagina’s hardcover. € 24,00.

Strips & comics

Gelezen: Bob op ’t Land – 24/7

Natuurlijk steunen we de boekhandels, de stripwinkels en iedereen die boeken verkoopt, maar soms staat er zomaar iets geweldigs online waar we zonder tussenkomst van de detailhandel kennis van kunnen nemen. Zoals 24/7, een “semi-quasi-autobiografische” strip van Bob op ’t Land. Iedere week zet de stripmaker uit Deventer een deel van zijn besognes op Instagram (@boboptland) en het is ronduit hilarisch, lekker Hollands, snel en met een perfecte timing. Het is zo goed dat je steeds denkt: damn, dit is voor iedereen leuk. Een allemansvriend die een dikke hit kan worden, de meezinger voor de goegemeente.

In 24/7 maken we kennis met Bob, die zichzelf aldus introduceert: “In 2017 was ik net afgestudeerd aan de Kunstacademie. Na zes jaar lang intens te hebben gefocust op de abstracte diepgang en dramatiek van mijn innerlijkste zielenroerselen, stond ik plots voor een veel concretere uitdaging: hoe ga ik hier in godsnaam geld mee verdienen?”

Vanwege de ernst van de situatie besluit Bob het antwoord eventjes te parkeren. De tijdelijke oplossing van het probleem dient zich namelijk vrij eenvoudig aan. In zijn geval is dat een dynamische bijbaan met uitdagende uren op een schitterende locatie. Anders gezegd: achter de kassa van een 24-uurs pompstation met broodjeszaak aan de rand van de snelweg. Vanaf daar haakt de lezer aan en zien we Bob zich manmoedig door de misère ploeteren, met zijn grootse dromen en ideeën.

Hij begint vol enthousiasme, terwijl hij alles onderschat. Weinig idyllisch, noemt hij het zelf. In een heerlijke tekenstijl die perfect bij de snelle online omgeving past, lopen we met de bediende mee. Op ’t Land keek goed naar zijn Franse voorbeeld Lewis Trondheim (ineens zien we dan een cameo van Kobijn, ter bevestiging) en een beetje naar Manu Larcenet. Hun snelheid en trefzekerheid is bij Op ’t Land in goede handen, met dezelfde schwung en bravoure. Het zorgt voor een vertrouwde aanblik: de lezer is onmiddellijk op zijn plaats en midden in het verhaal.

Bob en zijn collega’s van het pompstation moeten zich veel laten welgevallen. Aanvankelijk verzanden ze niet in neerslachtigheid, maar gaan ze volop in de aanval: met een labelmaker maken ze nieuwe naambadges (“Vandaag heet ik Sjoekel-Bert en jij?” “Lactaaf”). Maar dat blijft niet voortduren. Hij probeert een paar random masterplannen, voordat hij een echt masterplan lanceert: een kleine stap voor de mensheid, maar een grote stap voor Bob op ’t Land.

Wat het mooi maakt is dat Bob af en toe een terloopse bespiegeling op het leven loslaat, die raak is. Dan filosofeert hij kort over de mensen die hij ziet of de plek die het pompstation inneemt in het grotere geheel. Hij duidt zijn collega’s zonder vilein te worden; hij laat ze zelf het gat graven. Wie al twaalf jaar geen stap verder komt, moet misschien wat minder breed gaan zitten. En zo worstelt de protagonist met zichzelf: wat als hij wordt als Jasper? Dat hij er ook na een dozijn jaren dienstverband nog steeds met een prijstang rondloopt?

24/7 is een zeldzaam genoegen: zo’n strip waarvan de nieuwe aflevering niet snel genoeg kan komen en die altijd te kort is. Daar is een remedie voor. 24/7 zou perfect passen in albumformaat, in een reeks die flink op gang gehouden moet worden. Dus niet anderhalf jaar tussen deel 1 en 2, maar echt tempo tempo. Misschien lopen we nu vooruit op het Mastermasterplan, maar je moet groot willen denken om verder te komen. Zoals Bob het stelt: van een pompstation naar “een mokersaaie maar betaalde tekening over gebrekkige fietspaden in Oost-Nederland” lijkt niets, maar is al een flinke stap. Hoog tijd voor de volgende.

Bob op ’t Land – 24/7. Te volgen via Instagram: @boboptland.

Strips & comics

Gelezen: Joris Mertens – Bleekwater

Wie Beatrice las, het overrompelende debuut van de Vlaamse illustrator Joris Mertens, weet waar het bij hem om gaat. Hij kan als geen ander stadsgezichten tekenen; prachtige panorama’s van steden met de vergane grandeur uit de eindjaren vijftig en zestig, het liefst schuin van boven, met straten en pleinen vol reclameletters en klassieke architectuur. Mertens liet de lezer dwalen door buurten met opgeprikte chique, liet de lezer toe in heerlijke grand cafés waar de tijd stil stond – en hij wist er bovendien een prachtig tekstloos verhaal aan toe te voegen.

Drie jaar na Beatrice is Mertens terug, ditmaal met een graphic novel mét tekst: In Bleekwater kiest hij andermaal voor een grote stad als decor. De hoofdrol is deze keer weggelegd voor François, een stomerij-koerier die met zijn auto schoon wasgoed bij de klanten bezorgt. Of zoals het in het boek heet: François werkt bij de droogkuis en brengt met zijn camion leveringen tot bij de deur. Want laat er geen misverstand over bestaan: Bleekwater is een op en top Belgisch boek, waarin de couleur locale en de dialogen perfect in balans zijn. Ter vergelijking, een verhaal over Amsterdam uit de jaren dertig kan ook niet zonder een flinke lik Bargoens.

François is een typetje. Hij lijkt altijd onderweg in het leven, heeft iets van een constante onrust over zich. De enkele keren dat wij hem zien met een vriendelijke oogopslag is als hij hardop droomt van het winnen van de lotto. Hij speelt al zijn halve leven mee, met steeds dezelfde rij getallen, en weet zeker dat hem op een dag het goede zal overkomen. Dan koopt hij een huisje voor de kioskmevrouw Maryvonne en haar dochtertje, op wie François verkikkerd is.

Als François niet werkt, dwaalt hij rond door de stad. Hij pakt een pintje hier, knoopt een gesprekje aan daar, zit een film uit in een vrijwel lege bioscoop, en zo gaan de dagen voorbij. Hij is een solist, iemand voor wie het sociale leven de vorm heeft van een rondgang. In de tussentijd laat Mertens de verblufte lezer alle hoeken van de stad zien. De avondscènes, met de straatverlichting en de neonreclames, zijn schitterend, vooral omdat het altijd regent. De straten zijn nat en weerkaatsen het nachtleven.

Op een dag als alle andere wordt François tijdens een bezorgritje geconfronteerd met een situatie die even onverwacht is als het winnen van de lotto. In een split second neemt hij een besluit. Vanaf dan staat zijn leven op z’n kop. Gaat alles dan toch goed komen? Voor iemand die het onverwachte geluk binnen handbereik heeft, is hij weinig ontspannen. Met nog een paar pagina’s te gaan, loodst Mertens ons naar een spannende ontknoping.

Bleekwater is een graphic novel met een bonus. Als het bij het kabbelende leventje van François was gebleven, was het al een heerlijke leeservaring geweest: de entourage, de omgeving, de stadse aangezichten, alles is zo mooi uitgewerkt en sfeervol. Soms hoeft een verhaal alleen maar zacht en handzaam te zijn, als een anekdotische geschiedenis van een kleine man in een grote stad – en hoe ze elkaar in evenwicht houden. Dat is Bleekwater voor driekwart. Met het sluitstuk springt Mertens ineens over op een heel ander verhaal, waarmee hij het voorgaande deel effectief dramatiseert. Het is een boek dat een geluidje geeft als je het uitgelezen sluit: wow.

Joris Mertens – Bleekwater. Oogachtend. 152 pagina’s hardcover. € 28,00.

Strips & comics

Gelezen: Joe Ollmann – Fictional Father

Het was heerlijk, het was fantastisch, je zou willen dat je de pagina’s van Fictional Father van Joe Ollmann kon blijven omslaan, zonder dat je bij de laatste pagina aanbelandde. Zoals Jezus, die maar brood bleef breken en vissen uit de mand bleef halen. Het blijft bij een goede 200 bladzijden, maar wie tot daar is gekomen, heeft genoten van een tragisch, gekweld levensverhaal en van een vertelling die vanwege spot, humor en vaart echt iets bijzonder is. Ollmann kan vertellen, dat bewijst hij voluit.

Het verhaal is ingenieus. Caleb is een veertiger met een trage tred en weinig ambitie. Hij vult zijn dagen met schilderen, nadenken over zijn toekomst en verder niet veel. Hij worstelde met een alcoholverslaving en heeft een moeizame relatie met een steward – iets wat niet heel lekker ligt in de familie. Caleb is ook de zoon van een van de beroemdste striptekenaars van de wereld; zijn vader is namelijk niemand minder dan Jimmy Wyatt, de schepper van de legendarische krantenstrip Sonny Side Up, waarin een vader en een zoon de hoofdrol spelen. Sonny Side Up is een mierzoete feelgoodstrip die Jimmy Wyatt de bijnaam Everybody’s Dad oplevert. Hij verdient miljoenen aan de strip en merchandise, wat hem onuitstaanbaar en tiranniek maakt. Zijn familie is lucht, want laat dat gezegd zijn: Sonny Side Up is bedácht, het is zéker niet eigen familie. Aan één Hank Ketcham (schepper van de strip Dennis the Menace en vader van diezelfde Dennis) hebben we meer dan genoeg – dit verhaal zou gebaseerd zijn op het leven van Dennis, van wie bekend is dat die een zeer slechte verstandhouding had met zijn vader.

Het verhaal opent met een zo pijnlijke anekdote dat de toon meteen is gezet: op een prestigieuze prijsuitreiking vertelt Jimmy Wyatt dat er een ‘special little person’ is zonder wie hij niet kan werken. De zesjarige Caleb glimt van oor tot oor, tot zijn vader niet hem maar zijn secretaresse op het podium erbij roept. Zijn moeder die naast haar zoon zit, negeert hem opzichtig, terwijl haar man de lachers op zijn hand heeft en de gevierde paljas uithangt. Zo verloopt het leven van de jonge knaap: hij wordt genegeerd, hij is tot last. (“Wat moet hij hier nou? Ik heb verdomme een deadline, zoals altijd!”)

Dat Caleb in zijn tienerjaren ontspoort is logisch. Hij wordt onderhouden, faalt in elke poging die hij doet om iets van zijn leven te maken (“Ik herinner me jouw hang gliding periode nog goed”) en blijft alleen aan de fles plakken. Zijn hele misère is de schuld van hem, van Everybody’s Dad. De innerlijke kwelling is door Ollmann zo geweldig neergezet dat de lezer geen medelijden krijgt, zelfs geen klein beetje, maar toch wil weten hoe Caleb het verder rooit. Als hij een beetje succes heeft met zijn schilderijen, raakt het de lezer niet echt. Daar lijkt het Ollmann niet om te doen. Er zijn vast ergere dingen.

De tekeningen van Ollmann zijn niet hemelbestormend. De indeling van zijn pagina’s, ook op plaatjesniveau, is soms charmant onbeholpen. Soms leunen de figuren om te hoek omwille van de tekstballonnen, dat idee. Maar het maakt echt allemaal niet uit: door de magische vertelstem van Ollmann blijf je doorlezen. Al zijn observaties zijn zo raak, zo treffend, dat lees je niet vaak. Peter Bagge had het vroeger met Buddy, al leest dat nu gedateerd. Gabrielle Bell kan ook mooi ingetogen en pijnlijk vertellen, maar zij heeft iets geks over zich – Ollmann is juist heel down to earth. Caleb is gewoon een mislukking die zichzelf niet aan zijn kraag omhoog kan trekken. Daar horen geen grootste vergezichten bij.

Speciale aandacht is er voor Calebs moeder, een getormenteerde vrouw met een gelooid gezicht, een symmetrisch kapsel als Beatrix en grote zonnebrillen. Zij is koud en afstandelijk, zoals zij vindt dat hoort bij de vrouw-van. Pas als haar man op late leeftijd overlijdt, komt ze los. Dan blijkt pas wat ze allemaal heeft moeten doorstaan. Ze deelt haar gekwelde herinneringen met Caleb, die nooit op enig mededogen van haar kant heeft mogen rekenen. Dat zet hun relatie ook weer op scherp: heeft hij toch liever die waardeloze moeder die hem negeerde en ontkende, of deze ontketende kenau die zich aan zijn zijde schaart om haar verdriet te kanaliseren? Arme Caleb is te bescheten om zelfs als volwassen man voor zichzelf op te komen. Het levert prachtige scenes op.

Fictional Father is een juweel van een graphic novel. Terecht, maar evengoed uit het niets, werd het onlangs als eerste strip ooit genomineerd voor de prestigieuze Canadese Governor General’s Literary Awards, een literaire prijs voor oorspronkelijk Canadees werk. Mooi voor een boek waarin de hoofdpersoon eigenlijk gewoon zichzelf probeert te zijn, terwijl zijn omgeving iemand anders van hem heeft gemaakt. Caleb is alles tegen wil en dank. Hij zou graag iets of iemand willen zijn die hij nooit wordt. Schilder? De opvolger van zijn vader? Gewoon iemand anders? Je helpt het hem ergens hopen, maar je geeft hem geen schijn van kans.

Joe Ollmann – Fictional Father. Drawn & Quarterly. 212 pagina’s. € 23,00.

Strips & comics

Gelezen: R. Kikuo Johnson – No one else

Voor Charlene komt alles op een hoopje. De gescheiden moeder is voltijds verpleegster. Ze werkt zich – nog woonachtig in haar ouderlijk huis – een slag in de rondte en zorgt ondertussen voor haar zoon Brandon, een knaap van een jaar of tien, en haar zieke vader. Het verhaal neemt zijn aanvang als de oude man thuis verongelukt en overlijdt. In een ogenschijnlijk eenvoudige tekenstijl, die onmiddellijk doet denken aan het werk van Adrian Tomine en van Hartley Lin, vanwege de rust en de spaarzaam uitgewerkte pagina’s, vertelt Johnson het verloop van de gebeurtenissen die erop volgen.

Voor Charlene betekent het overlijden van haar vader een nieuw hoofdstuk in haar leven: vanwege de mantelzorg werd ze geleefd, ze heeft heel even het gevoel dat ze nu zelf mag gaan leven. IJdele hoop, want ze heeft een zoon om voor te zorgen en haar werk is ook niet ineens van haar schouders afgegleden. Sterker nog, we zien haar de misère wegduwen door zich vol op haar werk te storten. Ze tikt de hele dag op haar laptop en zelfs tijdens de uitstrooiing van de as van haar vader zit ze nog op haar telefoon te klungelen.

Er is meer. Na het noodlottige ongeval komt ook haar flierefluitende broer Robbie ineens opduiken. Hij is muzikant die het tot dan toe moest hebben van gigs en schnabbels. Met z’n drietjes rooien ze het vanaf dan, meer of minder. In een onbarmhartige setting, waar het met name Charlene vaak boven het hoofd groeit, ontwaren we tedere momenten; het zijn de kleinmenselijke zaken die de drie gaande houden. Voor Brandon gaat het dan om zijn poes Batman, die ‘m gesmeerd is.

Wat het vooral oplevert is dat de lezer met de personages meebeweegt, wankelt eigenlijk. De flarden vormen het geheel, en het geheel wordt gevormd door die ene gebeurtenis – Charlene zegt onomwonden dat haar leven zeven jaar lang on hold heeft gestaan door de zorg voor haar vader en dat ze nu niet weet hoe het verder moet.

De oblong pagina’s zijn opgezet in zwart-wit met een enkele grijswaarde die achtergronden accentueert. Johnson heeft daar goed gekeken naar zijn voorgangers, zoals Clowes en Seth die met achtergronden weergeven in vlakken – een vorm die iemand als Bastien Vives heeft gesublimeerd. Johnson is van de klassieke stijl; het is herkenbaar en vertrouwd. Af en toe gebruikt hij een oranje steunkleur, al is er geen lijn in die toepassing te ontdekken: het is vuur, de avondzon, een herinnering en viezigheid op een kleed.

No one else speelt net als zijn vorige graphic novel Night Fisher op Maui, het Hawaiiaanse eiland waar Johnson woont. Verhalend zijn de twee graphic novels verwant. Het zijn in beide gevallen momentopnames met veel losse draadjes. Situaties worden gelaten en later weer opgepakt, alles begint waar het eindigt: zomaar ergens.

Dat maakt het werk van Johnson intrigerend maar ook wat vluchtig. Hij geeft je het gevoel dat er veel meer achter steekt, dat je zelf mag toevoegen. Soms voelt het als een abstract kunstwerk dat je niet begrijpt maar waar je toch maar een mening over vormt. Sommige lezers zullen daar iets hoopvols in ontdekken, anderen zouden iets meer houvast willen: dat is het wankele evenwicht waar Night Fisher strandde en waar No one else slaagt.

De twee graphic novels van Johnson zijn geen allemansvrienden. Het is grafisch zeker interessant, maar niet vernieuwend. Zijn vertelstem is rustig, afwachtend bijna, en dat is mooi. No one else is misschien zo’n verhaal dat de ene keer goed valt en de andere keer verzandt. Ideaal voor mensen die nog wel eens een boek een tweede keer lezen, dus.

R. Kikuo Johnson – No one else. Fantagraphics. 104 pagina’s. € 20,99.

Van Speijk

Expositie van tekeningen bij Plaza Sportiva in Euroborg

In de maand maart hangen een aantal van mijn tekeningen in de exporuimte tegenover de ingang van Plaza Sportiva, in de Euroborg. Het zijn drie grote werken, van 70 bij 50. Moeilijke keuze: het werden huizen, ramen en wolken. Die geven een mooi beeld van hoe mijn tekeningen zijn.

Niet al mijn werk is zo groot: ik maak ook veel tekeningen op 20 bij 20, of 20 bij 30. Leuker wordt het bij afwijkende formaten, maar die laten zich lastig inlijsten voor op exposities.

Ik maak de meeste tekeningen met oost-indische inkt en acrylverf, zodat de kleuren altijd goed blijven. Ik werk met een pennetje, inkleuren doe ik met een kwastpen. Soms werk ik met stiften en pigment liners op karton. Omdat ik met pigmentrijke verf werk, is het mooi om het werk in een baklijst op te hangen, dus zonder vensterglas. Baklijsten – waar de tekening dus verdiept in ligt – zijn bovendien heel geschikt voor vreemde formaten.

Ik teken voor mijn ontspanning: nooit met haast, nooit met meer ambitie dan alleen het hele oppervlak te vullen. Het werkt heel goed in combinatie met podcasts of muziek luisteren. Aan een tekening van 70 bij 50 werk ik ongeveer acht uur, bij voorkeur ’s avonds.

Geïnspireerd? Zelf ook een idee voor een tekening? Laat even een berichtje achter! Ik heb al vaker tekeningen in opdracht gemaakt. De reacties zijn altijd positief: het heeft iets vriendelijks, iets vrolijks.

Klik vooral op de plaatjes, voor een flinke uitvergroting.

Strips & comics

Gelezen: R.O. Blechman – On the one hand / on the other hand

Alles oogt fraai aan hoe Fantagraphics het werk van de Amerikaanse animator, illustrator, kinderboekenschrijver, stripmaker en romancier R.O. Blechman (1930) onlangs uitbracht: On the one hand / on the other hand is een mooi verzorgd boek dat van twee kanten gelezen kan worden. Aan de ene kant ’the art & graphic stories’ en aan de andere kant ’the writing, published and unpublished’. Samengevat is de art een aantal mooie, illustratieve covers van het tijdschrift Story; daarna beginnen de strips die soms ene paar pagina’s lang zijn, maar meestal één of twee. De strips zijn min of meer per onderwerp gegroepeerd. De toon wordt meteen gezet in het begin, als het gaat over literatorenlevens.

Blechman heeft een vrolijke, licht absurde manier van vertellen. Hij laat zijn figuren met veel theatraal gebaar acteren, in mooie, gedragen spreektaal, die weliswaar ouderwets aandoet, maar steeds precies op zijn plaats is. Een mooi voorbeeld is The Cake. In dat verhaal verkoopt Tsjechov, die dan een student geneeskunde is, een kort verhaal aan een tijdschrift, zodat hij geld heeft om een taart te kopen voor zijn moeders verjaardag. De oude mevrouw is er bepaald niet van gediend en laat dat op een heerlijke onderkoelde manier merken. Als Anton vertelt hoe hij aan het geld is gekomen verzucht ze: What kind of a living does a writer make? Ze richt zich tot haar zoon, duwt de taart van zich vandaan en zegt zonder een spier te vertrekken: “I’m allergic to chocolate, Anton. Take it back, get a refund like a nice boy. And don’t let me hear any nonsense about short stories.”

Verderop legt Blechman uit waar Goethe de inspiratie vond voor Die Marienbader Elegie en wat er gebeurt met Franz Kafka als hij er op een morgen achterkomt dat hij is veranderd in een stripfiguur. Bekende en minder bekende literatoren passeren zo de revue. Blechman danst van de middeleeuwen naar nu en weer terug; de samensteller van het boek heeft wat dat betreft goed werk geleverd.

R.O. Blechman, Oscar Robert Blechman voluit, is een grote naam. Op zijn palmares staan uiteenlopende prijzen, voor zijn illustratiewerk, graphic design en animatiefilms. Al in 2003 werd hij geëerd met een overzichtstentoonstelling van zijn werk in the Museum of Modern Art in zijn woonplaats New York. Voor de meesten is hij bekend vanwege zijn cartoons voor The New Yorker. Stripliefhebbers kennen zijn werk uit Humbug, het legendarische tijdschrift onder redactie van Harvey Kurtzman dat in 1957 en 1958 verscheen en waar Fantagraphics in 2009 een geweldige integrale-box van uitgaf. Zijn bibberige stijl inspireerde bijvoorbeeld Roz Chast; haar werk heeft hetzelfde snelle, rudimentaire lijnwerk als Blechman.

On the one hand is niet het complete overzicht van Blechmans oeuvre, maar een perfecte dwarsdoorsnede van zijn latere werk. Completisme zou onbegonnen werk zijn: al in 1953 publiceerde hij (als 23-jarige) het bewierookte The Juggler of Our Lady, en sindsdien legde hij zich toe op ongeveer alle vormen van kunst: van schrijven tot animatie en van illustratie tot strip. In 2009 verscheen bij Drawn & Quarterly het omvangrijke Talking Lines: The Graphic Stories of R.O. Blechman. Zijn werk wordt geroemd omdat hij voor commerciële tijdschriften en opdrachtgevers werkte, maar altijd werk leverde dat in een museale setting niet zou misstaan: een perfecte balans tussen commercie en artisticiteit, die bijvoorbeeld Saul Steinberg ook bezat.

Blechman lezen is van zijn werk houden: het rustige, verhalende tempo is zalig. Het is poëtisch, welbespraakt en inventief. Zijn tekeningen ondersteunen wat hij te melden heeft, zijn vertellersinstinct is uit de kunst. Soms is zijn werk illustratief en gaat het richting dat van de Franse cartoonisten André Francois en Chaval. Ook wie goed kijkt naar de cartoons en illustraties in The New Yorker ziet welke invloed Blechman heeft op de generaties na hem. On the one hand is als ene helft al voldoende reden om de andere helft erbij te nemen: zijn writings zijn artikelen, essays, korte verhalen die hij schreef vanaf de jaren zeventig. Minder urgent, sommige verhalen zijn hooguit interessant als tijdsbeeld, voor wie de context kent. De stukken leunen te veel op specifieke zaken van toen.

R.O. Blechman – On the one hand / on the other hand. Fantagraphics. 488 pagina’s. € 37,99.

Strips & comics

Gelezen: Sylvain Vallée & Mark Eacersall – Antananarivo

Een prachtig beeld: in een niet nader genoemd stadje staan twee huizen aan weerszijden van een willekeurig straatje. In het huis ter linkerzijde woont een bebaarde avonturier, een man van de wereld. Deze Joseph Seigneur heeft een huis vol artefacten, souvenirs van heroïsche reizen, exotische avonturen en oorlogsherinneringen. Joseph beziet de wereld als een speelveld, als een film waarvan hij de regisseur is. Altijd de kin omhoog, een trotse blik over wat hij allemaal bereikte. Iedere morgen staat hij op, voor weer een dag van grootsheid en gemak. Om te laten zien dat hij nog viriel en tot daden in staat is, drukt hij zich iedere morgen op in zin achtertuintje. Een man van de wereld.

Hoe anders is zijn overbuurman. Het is Amedée Petit-Jean, een gepensioneerde notaris, die niet veel meer heeft dan zijn vitrinekast met schaalmodellen en een moeizame verhouding met zijn vrouw – met wie het maar niet wil sprankelen na zijn pensionering. Amedée heeft één ding dat hem opbeurt, en dat zijn de grote verhalen van zijn overbuurman, met wie hij vele avonden doorbrengt. Dan vertelt Joseph uitvoerig over zijn heldendaden in de Oost, zijn escapades in Afrika en zijn avontuurtjes met de dames die hij onderweg ontmoette.

En dan krijgt Joseph een hartstilstand tijdens het opdrukken en sterft hij. Aan Amedée om de boel daarna af te handelen. In de zoektocht naar aanwijzingen voor nabestaanden of familie, ontdekt Amedée de ene na de andere leugen. Die Joseph was een fantast – zegt Amedées vrouw, maar daar gaat hij niet in mee. Wat volgt is een drieste reis, een zoektocht naar wie Joseph eigenlijk was. Eén ding is al snel duidelijk: hij werd niet geboren in het exotische Antananarivo – waarnaar de titel verwijst – maar in een stadje in de buurt van zijn sterfplaats, genaamd Charleville. Daar begint de zoektocht van Amedée – niet alleen naar de handel en wandel van zijn beste vriend, maar ook naar zijn eigen levensdoel. Daar lijkt het verhaal zelfs op Rabatés Een tweede jeugd.

De tekeningen van Sylvain Vallée zijn uit de kunst. Het heeft op het eerste oog veel weg van Krasse knarren van Wilfrid Lupano & Paul Cauuet. Bepaald geen slechte vergelijking, het heeft dezelfde schwung en emotie – zowel beeld als verhaal. Vallée heeft de twee hoofdfiguren perfect in de vingers: met name Amedée verandert van een gedweeë sok in een stoerdere kerel met lef en branie.

In die verandering zit een mooie twist in het verhaal: hoewel Joseph al na amper tien pagina’s het loodje legt, blijft hij het hele verhaal met Amedée optrekken. Zijn geest zit naast hem in de auto, geeft commentaar als Amedée het bijltje er bij neer wil gooien en jut hem op om terug te gaan naar een café vol oud-militairen om deze gasten de oren te wassen. Daar komen de twee zoektochten mooi samen: uiteindelijk vindt Amedée vooral zichzelf terug.

Antananarivo is een heerlijk album, een klassieke roadtrip met minder klassieke personages en motieven. Het is een onvervalst avontuur met lekkere dialogen, geestige scenes en memorabele momenten; genoeg om het voluit aan te raden.

Sylvain Vallée & Mark Eacersall – Antananarivo. Daedalus. 118 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Harmony Becker – Himawari House

Himawari House van de Amerikaanse stripmaker Harmony Becker is een bijzondere graphic novel over drie buitenlandse uitwisselstudenten die in Japan neerstrijken. Samen ervaren zij hoe het is om in een nieuwe omgeving te gedijen. De tieners hebben verschillende motieven om naar Japan te gaan. Nao is een Amerikaanse met Japanse roots, die ‘contact wil maken met haar afkomst’, terwijl de Koreaanse Hyejung en de Singaporese Tina ‘eigenlijk gewoon weg willen, eens wat anders willen meemaken’. Samen zitten ze in een studentenhuis in Tokio, het Himawari huis.

Harmony Becker lanceerde zichzelf als tekenaar van George Takei’s graphic novel They Called Us Enemy uit 2019, waarmee ze een jaar later een Eisner award won. Himawari House is haar eerste eigen titel, gebaseerd op haar webcomic, en ze laat meteen zien dat ze geen grote naam uit de entertainmentwereld nodig heeft om een geweldig boek af te leveren. Want meteen gezegd: Himawari House is een perfecte Young Adult strip, die allerlei actuele, wezenlijke zaken aankaart en tegelijk vriendelijk en innemend is. Het gaat over hechten, over tweedegeneratieproblematiek en hoe jonge mensen tegen hun ouders aankijken: in het verhaal zijn allerlei herinneringen en flashbacks opgenomen waarin de meisjes uitleggen hoe het thuis was. In het geval van Nao zien we bijvoorbeeld hoe haar ouders neerstreken in Amerika, zich daar aanpasten en tegelijk moeite deden om hun Japanse achtergrond niet uit het oog te verliezen. Nao zelf werd ‘een echte Amerikaanse, die alleen nooit een Amerikaanse werd gevonden, omdat ze hun eenmaal Japans is’.

Dit gegeven wordt mooi uitgewerkt. Het is niet meteen pijnlijk, ze ziet zich niet als slachtoffer van haar situatie, maar probeert een manier te vinden om zichzelf te positioneren. Want echt Japans is ze nu ook weer niet, ontdekt ze in Tokio. Haar huisgenootjes hebben soortgelijke verhalen, en helpen elkaar bij het verwerken van indrukken, dogma’s en culturele verschillen. In een breder perspectief gaat Himawari House over persoonlijke groei, gevat in een uitdagende ontdekkingsreis waarin de emoties soms hoog oplopen. Zware kost? In het geheel niet, want Becker zorgt voor genoeg vrolijke alledaagsheid die alles verteerbaar maken: het is niet alleen maar identiteit wat de klok slaat. Jongens bijvoorbeeld, die zijn er ook.

Een heel interessant gegeven is de manier waarop er gesproken wordt: als Nao in Japan aankomt, praten de mensen in haar omgeving Japans. Zo lezen wij het ook. Heel soms pikt ze een woordje op en ook die zien wij. Zo volgt de lezer haar op een manier die de impact van een ander land met een andere taal zichtbaar maakt. Als Hyejung Koreaans praat met haar vriendinnen, kunnen de andere twee dat niet volgen, net zo min als de lezer. Gaandeweg het verhaal leren de drie steeds beter Japans praten – een van de redenen waarom Tina en Hyejung naar Japan gingen – waarbij ook de lezer hun onderlinge begrip mee kan volgen: dan staat de Engelse vertaling onder de Japanse tekst. Interessant wordt het als de anderen Engels leren, omdat Becker er dan voor kiest om het deels fonetisch op te lossen. Hyejung heeft moeite met bepaalde klanken en dat zien we terug: Oh, whatebah! So heppi to take opp uguly unipo’m. [Oh, whatever! So happy to take off that ugly uniform.]

Wat dit vertaalgegeven oplevert is dat de lezer in eerste instantie de winkelruiten, reclameborden en posters niet kan lezen, maar na verloop van tijd wel. Becker schrijft dan: The storefronts and signs, once faceless strangers, now greet me like new friends. Every new word I learn lifts the fog around me a little more, revealling the colors and shapes of the world around me. Himawari House staat vol met dit soort prachtige observaties.

Himawari House is een graphic novel die verschillende verhaallijnen verbindt: het leven met de taalbarrières en de dagelijkse ontdekkingsreis van de drie is luchtig. De diepgang die Becker meegeeft aan het geheel maakt Himawari House echt interessant: de zoektocht naar de identiteit, ver van huis, die altijd weer bij de familie terugkomt – en die de lezer een mooi inzicht geeft in de Aziatische diaspora. Deze graphic novel gaat op een subtiele manier om met culturele identiteit en geeft voorzichtig voorzetjes naar een inclusieve wereld waarin er meer begrip is voor de ander: dat hebben we letterlijk zelf ervaren, in een verhaal waarin we niet in staat zijn alles te volgen. Heel knap!

Harmony Becker – Himawari House. First Second. 378 pagina’s. € 11,29.

Strips & comics

Gelezen: Michel Blanc-Dumont & Laurence Harlé – Jonathan Cartland 5 en 6

Jonathan Cartland is toch een beetje een aparte, zowel als serie in het western-genre en als personage. Jonathan is een introverte buitenmens, zelfs een tikkeltje mystieke figuur die zich vereenzelvigt met de lokale indianenstammen, die het zwaar te verduren hebben: ze worden verdreven, onderdrukt en uitgemoord. De mensen die dat op hun geweten hebben zijn de blanken, de imperialisten, de industriëlen die over lijken gaan om hun rijkdom te vergaren. En Jonathan heeft dezelfde huidskleur, hoewel hij een zoon van de indianen is doordat hij ooit trouwde met een inheemse: het zijn de kruiden die zoveel westerns verteerbaar maken.

Wat Jonathan Cartland ook als reeks wat afwijkend maakt is dat het veel minder gaat over de fysieke strijd – zoals bij Comanche en Blueberry – maar juist de innerlijke strijd die Jonathan voert. Cartland is een rustiger heerschap dat zich niet zomaar in ieder wespennest steekt voor persoonlijk gewin of de gunst van een mooie dame. Het fysieke staat veel minder centraal in de scenario’s van Laurence Harlé, die daar dieper op ingaat in het dossier achterin deel 6: daar lezen we een uitgebreid interview met de schrijfster.

Cartland heeft een positieve inborst met een enorm rechtvaardigheidsgevoel dat hem vaak dwarszit in het wilde westen waar de ongelikte beren en laffe honden de dienst uitmaken. Hij wil goed doen, maar ziet ook de spagaat waarin hij terecht is gekomen. In deel 5 van de reeks, De rivier van de wind, wordt hij bijvoorbeeld gewantrouwd door een vijandige indianenstam die hem gijzelt na een hinderlaag waar Cartland bij toeval in verzeild raakt.

In het spectrum zitten de verhalen rond Jonathan Cartland tussen de klasbakken Blueberry en Buddy Longway in. De eerste is de onverschrokken held die zich de positie van indianen aantrekt, zoals Cartland, en aan de andere kant Longway, de trapper die met een inheemse trouwt en het liefst met rust gelaten wordt, tot het moment dat het onrecht zich aandient. En in die mix heeft Cartland nog een vreemd trekje: heroïek is hem vreemd. Zo vlucht Cartland niet als hij wordt vastgehouden door de clan, omdat dat tegen zijn eergevoel indruist – hij was immers verbonden aan een andere indianenstam en die hebben de eer zo ongeveer uitgevonden, als je de meeste westerns mag geloven.

De twee albums die onlangs verschenen, De rivier van de wind en De vloek van het water, horen bij elkaar en vertellen een compleet verhaal dat feitelijk op twee sporen loopt: enerzijds is er de stam die wordt belaagd door een rijke Duitse industrieel die zijn droomkasteel (!) wil bouwen in hun gebied en anderzijds is er het verhaal van de frèle vrouw van diezelfde industrieel, die steeds zwakker en ongezonder wordt naarmate zij langer in het gebied is. De titels van beide albums verwijzen naar het water dat de industrieel afdamt. Hij wil een mooi meer naast zijn kasteel, om het van nog meer cachet te voorzien. Alleen zorgt hij er op die manier voor dat de indianen zo verstoken blijven van water.

Het verhaal wordt ingenieus als blijkt waarom de vrouw steeds zwakker wordt en waarom Cartland het zich zo aantrekt. Dat wordt in deel 6 mooi ontrafeld, al heeft de lezer dan al bijna anderhalf album zitten doorwerken: het tempo zit er niet bepaald in. Harlé redt het verhaal door aan het einde de zaakjes niet razendsnel samen te binden en af te hechten. Het slotstuk is mooi en verrassend.

Wat alles nog veel meer de moeite waard maakt zijn de tekeningen van Michel Blanc-Dumont, die zich gelukkig vaak verliest in fraaie natuurbeelden en panoramische vergezichten. Niet zo briljant uitgewerkt als Giraud, niet met zo’n vrije hand als Derib, maar wel met veel gevoel voor compositie en kennis van de zielenwereld van de indianencultuur. Dat we dat nu optimaal kunnen genieten, ligt ook aan de afwerking van de albums op groot formaat. Wie zich de oude reeks herinnert, met de zwart omkaderde omslagen en de beroerde inkleuring op volgezogen oostblokpapier en de zwabberende lettering, weet dat daar nog veel te winnen is. Leg de oorspronkelijke albums en de nieuwe naast elkaar en je ziet hoe werkelijke aandacht een pagina kan optillen.

Michel Blanc-Dumont & Laurence Harlé – Jonathan Cartland 5: De rivier van de wind. Sherpa. 64 pagina’s hardcover. € 29,95.
Michel Blanc-Dumont & Laurence Harlé – Jonathan Cartland 6: De vloek van het water. Sherpa. 64 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: James Albon – The Delicacy

Het is al eerder gezegd: de eindejaarslijstjes, met name die uit het Engelssprekende deel van de wereld, zijn altijd een bron van steengoede suggesties. Als de veel lezende hotemetoten met een titel komen, dan moet het wel een goed boek zijn. The Delicacy van de Engelsman James Albon (1990) werd meer dan eens getipt en terecht: het is een meeslepende graphic novel die genoeg van de gebaande paden blijft om écht spannend te blijven. Hoewel, spannend is misschien niet het goede woord, want de onvoorbereide lezer heeft geen idee wat er zich na een heel rustig begin allemaal ontwikkelt.

Twee broers, Rowan en Tulip, wonen met hun esoterische moeder ergens ver weg op een Schots eilandje. Die moeder – ze noemt zichzelf Pegasus en richt haar leven op Gaia – heeft ooit de banden met alles en iedereen verbroken en leeft er teruggetrokken en in haar eigen universum. De wereld buiten het eiland is vol verstoorde mensen, waar de beide broers beter niet naartoe gaan. Daar is immers alles nucleair vergiftigd en niet in balans met de chakra’s – sorry als ik dat verkeerd uitleg.

Rowan is de stille, hij werkt het liefst in de tuin. De uitbundige Tulip is kok in een lokale uitspanning. Het vak leerde hij van een uitgeweken Franse kok, die hem meer dan verdienstelijk leerde koken. Op een dag is er bezoek: een notaris overhandigt de beide jongens het testament van hun oom en tante, die bij een onfortuinlijk ongeval om het leven zijn gekomen. Het verhaal gaat dat hun boot is omgeslagen, ze zijn nooit gevonden. Alle bezittingen worden aan de jongens nagelaten, zoals een huis met een grote tuin in de buurt van Londen. Uitdrukkelijk tegen de zin van hun moeder verkassen de twee zuidwaarts, met een even wild als logisch idee: Rowan gaat groente en kruiden verbouwen, terwijl Tulip een restaurantje opent om de verpeste stedeling kennis te laten maken met de biologische keuken. Zo van het land op het bord.

Door hard te werken boeken de twee kleine successen, hun culinaire stekje blijft niet onopgemerkt. In vloeiende, kleurrijke tekeningen werkt Albon het verhaal uit: het is mooi te ontdekken dat het succes van de broers gepaard gaat met meer bonte kleuren; de eters zijn eerst nog buurtgenoten in gepaste kleding, gaandeweg worden ze steeds flamboyanter en grotesker, tot en met de culinaire fine fleur met hun wanstaltige gezichten en manieren. Ook Tulip verandert steeds meer; het succes stijgt hem naar het hoofd en hij wordt wilder en bezetener.

De reden van het succes zijn roodgelige paddenstoelen. Deze delicatesse komt rechtstreeks van het land van Rowan, waar ze her en der groeien. Maar wat Rowan ook doet, hij krijgt ze maar met moeite gekweekt: ze lijken vooral maar op bepaalde plaatsen te groeien. Rowan komt er niet achter, maar dat boeit zijn gastronomische broertje veel minder: hij moet meer van die paddenstoelen hebben, en wel gauw. Het is hier dat het verhaal een angstaanjagende wending neemt.

In meer dan 300 pagina’s vertelt James Albon een rustig verhaal, dat eenmaal op stoom niet meer gestopt kan worden. Zelfs naar het einde toe, als de lezer begint door te krijgen wat er aan de hand is, versnelt Albon niet. Dat is gekmakend goed: de dynamiek van beide broers, de ene zoals hij altijd al was en de andere bezeten geraakt, met op de achtergrond de moeder die haar gelijk bevestigd ziet. En dan de mensen die iets van Tulip willen: de investeerders, de potsierlijke dwazen uit de culinaire hoek. Echt, het is onmogelijk om nog met dezelfde ogen naar Top Chef, Master Chef en Chefs Table te kijken. Achter de façade schuilt geposeerde gekte en snobisme.

Het is volkomen logisch dat The Delicacy de handen van de critici op elkaar kreeg: het verhaal heeft een mooie invalshoek, schitterende personages en een perfect getimede opbouw. Omdat het aanvankelijk over gewone jongemannen gaat, die met een droom in hun rugzak naar de grote stad verkassen, leef je als lezer mee. Dat werkt nu eenmaal beter dan meeleven met een aan lager wal geraakte detective of een miljardair die een smerig spionagenetwerk op de hielen zit. En als dat ook nog eens de wereld van fine dining flinterdun wordt gefileerd, met het scherpste koksmes dat er is, dan is het dubbel genieten: al die gebakken lucht, al die opgeblazen koppen die het bittertje missen in de langoustine, ze gaan er allemaal aan.

James Albon – The Delicacy. Top Shelf. 320 pagina’s. € 22,99.