Strips & comics

Gelezen: Wilbert van der Steen – Salto & Ubba boek 1

Wilbert van der Steen, de meermaals gelauwerde stripauteur van het tweeluik Zon / Licht, tapt met zijn gaysoap Salto & Ubba uit een heel ander vaatje. Zelf zegt hij daarover: “Een tijd geleden realiseerde ik me dat er weinig oorspronkelijk Nederlandstalige strips zijn waarin lhbtqi+ de hoofdrol spelen. En dat terwijl het zo fijn is om jezelf in een verhaal te herkennen.” Zodoende.

Het is interessant om te zien hoe Van der Steen die herkenning vormgeeft. De twee hoofdpersonen, Salto en Ubba, zijn een vriendelijk en liefhebbend stel. Salto is een tobberige bear – een stevige, behaarde man – die een burlesque performer is. Ubba is een interior designer met een elektrische cargobike – een influencer met een hipster-Stint, als het ware. Niet per se een doorsnee van de lhbtqi+-gemeenschap. Sowieso zijn alle types tamelijk extravagant en kleurrijk. Queers in een grijze trui herkennen niemand in de strip.

Misschien hoort dat bij het traject dat elders al een tijdje aan de gang is. In de VS waren de lhbtqi+-strips in eerste instantie ook gericht op zichtbaarheid, uitbundigheid en acceptatie: laten zien dat je er bent, en wie je bent, en hoe. Het waren strips met een emancipatoir laagje dat het verhaal regelmatig in de weg zat. Alles voor het idee dat strips niet per se heteronormatief hoeven te zijn.

Later werd die nadruk steeds minder en verschenen er strips waarin de hoofdpersonen nu eenmaal queer waren. Er werd niet meer bij stilgestaan: de onderwerpen veranderden van ‘hoe vertel ik het mijn ouders en hoe reageert de omgeving’ naar ‘mijn vriendin heeft een bitch van een vriendin en ik wil haar behoeden voor verdriet’ – Laura Dean keeps breaking up with me van Mariko Tamaki, bijvoorbeeld. Of de latere titels van Tillie Walden waarin de personages allemaal gay zijn, zonder dat daar zelfs maar één keer bij wordt stilgestaan. Het is, we zijn.

Bij Van der Steen zijn de figuren allemaal een tikje flamboyant, uitgesproken en bont. Dat is leuk voor het verhaal, voor het vlotte tempo van de vertelling, maar de klassieke typetjes maken de entourage meteen als die van een sitcom: de scenes zijn aan de ontbijttafel, in bed, in het café en op straat, met uitgesproken figuren die doen wat van ze verwacht wordt. Het is niet ingetogen, maar met grote gebaren. Dat is beslist geen diskwalificatie: het past bij de sfeer en maakt van Salto & Ubba een geestige soap die lekker swingt.

Salto ziet zijn inkomsten teruglopen omdat het toeristenseizoen voorbij is. Hij wil iets nieuws proberen maar weet niet wat. Hij zoekt, zoals Van der Steen het steeds noemt, een ‘project’: iets om zich in vast te bijten. Uiteindelijk dient de oplossing zich spontaan aan. Gelukkig maar, want het gemonkel van Salto kent geen grenzen. Stiekem vermoed je opzet; Salto houdt wel van een beetje extra aandacht.

Van der Steen zet Salto sterk neer. In dit deel – er komen meer boeken – zit Ubba duidelijk nog op de bijrijdersstoel: zijn tijd komt nog. Dat merk je ook in hoe het verhaal zich ontvouwt. Salto eist en krijgt veel meer aandacht dan Ubba, die hooguit af en toe een beetje mijmerend deelneemt aan het verhaal: “Lomperik. Je wilde gewoon dat ‘ie stopte. Ook al zou een project goed voor hem zijn.” Salto heeft intussen zijn eerste plannen al gesmeed: een workshop bearlesque, waarvoor hij drie totaal uiteenlopende figuren heeft weten te strikken. De workshoplessen zijn een hoogtepunt en hilarisch in beeld gebracht.

Omdat Salto en Ubba duidelijk niet uit hetzelfde hout zijn gesneden, kan Van der Steen excelleren in hun gesprekken: die zijn lekker aangezet. Daarmee heeft het iets weg van Zeep, het soapy tweeluik van Maarten vande Wiele over lust, list en lifestyle, vanwege het voortkabbelende gedoe en gemiep – helemaal als je Van der Steens cliffhanger erbij haalt: een kwaaie concullega van Salto die zijn invloedrijke vader inschakelt om Salto te gronde te richten. Alleen dat al doet uitzien naar deel 2.

Het album is de eerste titel van Van der Steens eigen uitgeverij Steenbook. Dat is een lovenswaardig initiatief, vooral vanwege de nadruk op de lhbtqi+-thematiek. Hopelijk zet deze publicatie het genre ook hier in gang; het ligt voor de hand dat er veel meer tekenaars in Nederland zijn die diversiteit in strips missen. Steenbook zou daar een mooie rol in kunnen spelen.

Dan is het wel zaak een grafisch vormgever aan te trekken, want “BOEK 1” van Salto & Ubba is karig vormgegeven: een vrij kleurloze, gecentreerde kop in een broodletter op het voorplat en een lettering binnenin die de schwung behoorlijk uit de pagina’s haalt, vooral wanneer er veel gesproken wordt – en dat terwijl er echt niets mis is met de handlettering van Van der Steen. Op de achterkant staan de samenvatting en aanbevelingen gecentreerd onder elkaar, zonder lucht of opmaak. Het oogt allemaal wat knullig.

En dat is echt jammer, want deze strip verdient het om opgepakt te worden. En dan is uitstraling alles. Desondanks kan Salto & Ubba gemakkelijk uitgroeien tot een publiekslieveling, vooral als het tempo flink hoog blijft, liefst met twee of drie boeken per jaar. Deze twee heren moeten in de schijnwerpers blijven – iets waar Salto zich vast in kan vinden.

Wilbert van der Steen – Salto & Ubba boek 1. Steenbook. 88 pagina’s. € 16,95.

Strips & comics

Gelezen: Charles Burns – Daedalus 2

Anderhalf jaar na het eerste deel verscheen onlangs deel 2 van Charles Burns’ nieuwe stripreeks Daedalus. Dat zegt wat over de vaart, en rechtvaardigt de niet overdeeld gunstige meningen na het eerste deel: het verhaal kwam wat langzaam op gang en het idee dat het een langer vervolgverhaal werd liet sommige striplezers toch wat aarzelend achter. Hoe lang gaat dit duren? Waar beginnen we aan?

Er zijn meer nevelen, en dat gaat dan over het verhaal. Daedalus is een echte Burns, zoveel is intussen duidelijk: het vervreemdende verhaal lijkt nergens wat het is én is nergens wat het lijkt te zijn. Eigenlijk werkt het pas echt als je je aan het idee overgeeft dat je niet alles gaat snappen, wie alles beredeneert heeft geen leuke middag met Burns. Neem de personages, die in het tweede deel al iets meer inhoud krijgen: over de introverte hobbyfilmer en tekenaar Brian komen we al iets meer te weten. Hij woont samen met zijn alcoholische, meelijwekkende moeder die hem gemakkelijk in verlegenheid brengt, helemaal tegenover zijn vrienden. Dat hij zich terugtrekt, is al iets aannemelijker geworden met haar introductie.

Brian heeft een crush op Laurie maar heeft geen idee hoe hij dat moet uitspelen. Laurie voelt zich tot Brian aangetrokken maar weet niet wat ze met hem aan moet. De vrienden draaien om elkaar als de planeten in een sterrenstelsel. Veel is terloops, maar omdat alles zo spaarzaam wordt gebracht heb je als lezer snel het idee dat ongeveer alles ertoe doet: op die manier vertraagt Burns de leeservaring. Zoveel is er nu ook weer niet te lezen.

En meer nog dan deel 1 is deel 2 een rechtlijnig verhaal: er wordt aan de film van Brian gewerkt en de vrienden zijn met elkaar bezig. Als draadje loopt er een beeldend element door de strip: een cocon, waarvan vast en zeker later duidelijker wordt wat het er doet. Veel meer is het niet: de 64 pagina’s zijn met een half uurtje wel doorgenomen. En wat overblijft is een aanloopje naar het volgende deel, het euvel waar ook De Rode Ridder mee te maken heeft. De lezer kan nog niets plaatsen, zit met vragen en moet wachten.

Als Daedalus als een comic was uitgegeven dan was het helderder geweest. Los van het feit dat de pagina’s zijn opgezet als een comic (met drie stroken boven elkaar) weet de lezer vanwege de verschijningsvorm wat hem te wachten staat. Nu zijn de boeken werkelijk perfect uitgegeven, met een linnen rug en een mooie harde kaft, maar zijn het veel minder flinke episodes zoals de striplezer gewend is. Echte cliffhangers zitten er bovendien niet in.

De vergelijking met Black Hole ligt voor de hand: het is de stripreeks die Burns in twaalf comic-delen publiceerde tussen 1995 en 2005, én die daarna compleet verscheen als hardcover, ook in het Nederlands als Zwart Gat. Eigenlijk is het vooral een vraag waarom Burns niet gewoon een compleet verhaal heeft gemaakt om die in één keer te publiceren. Uiteindelijk wachten we dan net zo lang, maar kunnen ons in ieder geval echt onderdompelen.

Dit alles laat onverlet dat Daedalus een lekkere brok horror en suspense schenkt aan de lezer. Omdat Burns voor jongvolwassenen kiest heeft het bovendien een fijne vibe, die herkenbaar is.

Charles Burns – Daedalus 2. Concerto Books. 64 pagina’s hardcover. € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Baptiste Bouthier & Héloïse Chochois – De dag dat de wereld kantelde

Op 11 september 2001 kantelde ons wereldbeeld. De journalist Baptiste Bouthier schreef het verhaal van de wereld na de aanvallen op de Twin Towers en de stripmaker Héloïse Chochois goot het in een gemakkelijk leesbare strip, waarmee het Franse duo slim aanhaakte bij de twintigste herdenking van de aanval op de “vrije wereld, de westerse beschaving, Amerika en zijn bondgenoten”, enzovoort. Hun strip is een ideale, historisch verantwoorde instapper voor met name jonge mensen.

De bijzondere beeldspraak -van het kantelen- komt van de Franse tiener Juliette, die in de strip de afgelopen twintig jaar voor ons heeft samengevat. Zij vertelt welke impact de aanvallen destijds op haar hadden, maar vooral wat er daarna in de wereld veranderde. Ze deelt alle gebeurtenissen als een relatieve buitenstaander, met een zus die toevallig in New York woont.

Het verhaal, dat een heel rustig verteltempo kent, begint vrijwel gelijk bij de iconische beelden van de vliegtuigen die de Twin Towers in vliegen. Alle momenten van die dag, uitentreuren herhaald en herdacht op iedere elfde september sinds 2001, passeren de revue: sommige plaatjes herken je van foto’s of van de beelden, alles is bekend. Twintig jaar klinkt lang, maar het staat de lezer vast nog helder voor de geest.

Om die reden mag je aannemen dat dit album vooral is bedoeld voor jonge lezers: zij die ervan weten, maar pas na de beginjaren 2000 zijn geboren. En meteen gezegd: voor die doelgroep is de strip erg geschikt. Ze legt namelijk feitelijk, kort en krachtig uit hoe alles zo is gekomen, met Afghanistan, met Irak, met IS en Al Qaida, met Osama Bin Laden, de Patriot Act, Snowden en Bush. Na het lezen van De dag dat de wereld kantelde ken je alle belangrijke gebeurtenissen, namen en verbanden. Ideaal voor 12- tot 16-jarigen, zonder meer.

Voor de oudere lezer is het allemaal gesneden koek: geen nieuwe feiten, geen brisante stellingname of iets van dien aard. Natuurlijk, er wordt wel een nootje gekraakt als het gaat om de verregaande maatregelen die de regering-Bush nam om de eigen bevolking te kunnen controleren of hoe ze de wereld met de Irak-oorlog opzadelde, maar ach, dat weten we intussen ook wel. En hoewel Bouthier een gerenommeerd journalist is die meer over dit onderwerp publiceerde, heeft hij er duidelijk voor gekozen om niet de diepte in te gaan, maar om een zo compleet mogelijk beeld te schetsen binnen de 144 pagina’s van het verhaal.

Toch zou je willen dat de makers wat meer hadden stilgestaan bij de lessen die we kunnen trekken. Er zijn wel wat voorzichtige aanzetjes maar die blijven een beetje hangen: alle tijdelijke maatregelen die destijds voor onze ‘veiligheid’ werden getroffen en die je gemakkelijk kan zien als inperking van onze vrijheden, zijn nog altijd gaande: de Patriot Act en de equivalenten in andere landen, zoals het Franse Vigipirate-plan, waarover het in De dag dat de wereld kantelde gaat. Het stilzwijgende doorgaan van al controlemechanieken is kwalijk; met enige regelmaat duiken er schandalen op die in het verlengde ervan liggen. Het is interessante materie om op in te gaan, maar dat wordt nagelaten – al wordt klokkenluider Edward Snowden meermaals genoemd.

De tekeningen van Héloíse Chouchois zijn gedienstig maar niet overtuigend. Aanslagpleger Mohammed Atta is nog een beetje herkenbaar, de rest is gewoon een horde koppies: het zou een voetbalelftal kunnen zijn. Ook Bush en zijn trawanten zijn maar met moeite te herkennen. Geeft het? Niet echt. De plaatjes, om het oneerbieding te zeggen, volgen gewoon de tekst. Dus als er staat dat ‘aasgieren’ Rumsfeld en Cheney Bush souffleren en hem een oorlog inrommelen, dan geloven we dat die twee figuurtjes de haviken Rumsfeld en Cheney zijn.

Dit album had allerlei gedaanten kunnen aannemen. De keuze is gevallen op een evenwichtige, tikje saaie opsomming van zaken en gebeurtenissen, verteld door een tiener die niet weet wat ze overal van moet vinden. Dat is een interessante insteek voor een album voor leeftijdgenoten: dit boek had een uitgekiende marketing verdiend. Daarom hierbij de voorzet dat De dag dat de wereld kantelde een prima titel is voor het midedlbare onderwijs. Laat leerlingen deze strip maar eens lezen, en ga er dan over in gesprek.

Baptiste Bouthier & Héloïse Chochois – De dag dat de wereld kantelde. Standaard uitgeverij. 144 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Cloudscape comics – Welcome to Mina’s

Voor de avontuurlijke striplezer is het crowdfunding-platform Kickstarter een bron van plezier. Comics, bundelingen van webstrips, graphic novels en anthologieën: alles wordt er aan de lopende band gepresenteerd, met veel liefde en toewijding. Wie de portokosten voor lief neemt, ontdekt echte pareltjes in het aanbod. Een aanbod dat bovendien diverser en interessanter is dan je verwacht.

Een prettige bijkomstigheid is daarom dat alle strips die via Kickstarter worden aangeboden ook altijd een digitale variant hebben – voor wie exorbitante verzendkosten wil vermijden. Voor een paar dollar ben je er vaak al bij.

Met name bundelingen met werk van verschillende jonge stripmakers zijn vaak uit de kunst. De afgelopen maanden alleen al werden er prachtprojecten gelanceerd met strips rond autisme, depressies, coming outs, racisme en transseksualiteit: actuele onderwerpen die worden verbeeld door jonge makers die dicht op het onderwerp zitten. Stuk voor stuk heel sterk, een groot publiek meer dan waard.

Neem Welcome to Mina’s, a diner themed anthology set in Vancouver: een bundeling korte strips over ‘leven, liefde en eten’, dat speelt in een fictief restaurant in Canada, uitgegeven door Cloudscape Comics uit Vancouver. Door alle verhalen in Mina’s te laten spelen, met steeds andere personages, haken de gebeurtenissen min of meer in elkaar. Zo ontstaat er een reeks verhalen die beginnen in de aanvangsjaren van het restaurant, in 1919, tot nu.

Het jaar 1919 is niet zomaar gekozen. In de bijdrage van Emily Lampson komen we te weten dat er in dat jaar een wet werd aangenomen die het voor blanke Canadezen onmogelijk maakte om in bedrijven te werken die worden gerund door Aziaten. Zo ook het familiebedrijf Mina’s, een populaire diner. Hoewel Mina’s fictief is, zijn veel beschreven gebeurtenissen accuraat. Sommige stripmakers hebben hun eigen ervaringen aan het boek toegevoegd,anderen werden geïnspireerd door momenten in de geschiedenis van Vancouver. Dit boek gaat over etnische diversiteit en vertegenwoordigt alle lagen van de bevolking, van alle leeftijden, leden van de LHBTQI+-gemeenschap en mensen met een handicap.

De anthologie leest prettig, de volgorde en opbouw maakt dat de verhalen elkaar logisch opvolgen, essentieel bij een thematische aanpak. Het gekozen thema past perfect: nergens is het geforceerd of te ver doordacht. In Welcome to Mina’s staan vriendelijke verhalen met een menselijke maat. Dat is de grootste winst van deze anthologie, die de kleine zaken benoemt en de grote maatschappelijke tendensen van deze tijd terugbrengt tot kleinmenselijke proporties.

Zie bijvoorbeeld het aangrijpende verhaal Helping hands van scenarist Oliver McTavish-Wisden en tekenaar Matthew Nielsen: een jonge vrouw komt in gesprek met een oude dame in een rolstoel. Samen gaan ze naar Mina’s voor een kop koffie en daar blijkt dat de oude vrouw haar al kent, als vrijwilliger van de voedselvoorziening waar ze op aangewezen is. Het gesprek dat zich tussen de twee ontvouwt is ronduit ontroerend. En zo staan er meer korte slices of life in deze bundeling.

Cloudscape is niet alleen uitgever, maar feitelijk een stripmakerscollectief in Vancouver. Met meer dan honderd actieve leden bestrijkt Cloudscape een groot gedeelte van de stripgemeenschap in British Columbia. Het merendeel van de boeken dat ze uitgeeft, wordt via crowdfunding gefinancierd: het geld vloeit terug in de kas om meer publicatie mogelijk te maken en om jonge stripmakers te ondersteunen. Uit het aanbod blijkt vooral dat Cloudscape inzet op inhoudelijke boeken die wat vertellen, met onderwerpen over mens, maatschappij en dergelijke. Dat is tot daaraan toe, maar de meeste titels zijn ook nog eens integer, informatief en sterk. Dat is het voordeel van een collectief: door samen te werken worden de resultaten beter. Het is iets waar jonge stripmakers in Nederland en Vlaanderen ook over kunnen nadenken: zoek elkaar op, werk samen en leer van elkaar.

Diverse auteurs – Welcome to Mina’s. Cloudscape Comics. 140 pagina’s. $20. Bestel hier: https://www.cloudscapecomics.com/store-2/

Strips & comics

Gelezen: Lucas Harari – De laatste zomerroos

Het gaat veel kanten op in en mét De laatste zomerroos van de Franse acteur en stripmaker Lucas Harari. In zijn net verschenen graphic novel laat Harari zien waartoe hij is staat is en wat zijn makkes zijn. Voor de lezer slaat de balans overigens ruimschoots door naar de positieve kant: het verhaal is een sterke detective, al is er geen ontkomen aan het onhandige tekenwerk van Harari.

Om met dat laatste te beginnen. Harari (1990) zal nooit de beste tekenaar worden en het valt in hem te prijzen dat hij zich ondanks zijn beperkte grafische kwaliteiten toch vol overgave stort op een knap verhaal – de wil om te vertellen is duidelijk de diesel die hem voortstuwt. En dat pakt goed uit.

Net als in zijn eerste graphic novel, De Magneet die in 2019 in het Nederlands verscheen, leunt Harari op de Atoomstijl en de strakke sfeer van de jaren vijftig en zestig. Zijn tekeningen hebben veel weg van het vroegere werk van Torres en Benoit (plus ietsje van Burns), al swingt het wat minder. Harari’s pagina’s ogen statischer. Toch maakt hij al behoorlijke sprongen, want De Magneet was een stuk stijver en linialiger dan De laatste zomerroos. In vergelijking met zijn vorige album is het vooral het zomerse kleurgebruik dat het verschil maakt.

Een goede redacteur – eentje met kennis van anatomie en proporties – zou Harari over de knie leggen: als Leonard, de hoofdpersoon van de geschiedenis, met een weekendtas rondloopt, dan verandert het ding binnen een pagina van een flinke tas in een kindermaatje; sigaretten zweven tussen vingers met vreemde schaduwen en als iemand een slok neemt van zijn rum, dan vliegt het glas bijna over de kop – een glas dat de ene keer een flinke bel is en op dezelfde pagina als borrelglaasje in de hand balanceert; autobanden lijken aan de carrosserie vast te zitten, en zo voort. Het ziet er mal uit, en vooral: het valt op.

Leonard, een knaap met schrijversaspiraties en een baantje in een wasserette, ontmoet zijn geslaagde neef die hem vraagt een maandje op zijn strandhuis te passen. Daar buitelt Leonard van de ene ontwikkeling in de andere. Zijn buren zijn vreemd, de jongeren met wie hij optrekt gedragen zich onaangepast en er is een inspecteur die rondscharrelt, op zoek naar bewijs voor een eerder gepleegde misdaad in het verder slaperige kustplaatsje. Leonard staat erbij en kijkt ernaar. Tenminste, zo lijkt het, want gaandeweg bemoeit hij zich met alles en iedereen. Hetzelfde gebeurde al in De Magneet: daar voerde Harari ook al een hele horde onbekenden op die gaandeweg allemaal wat met elkaar te maken kregen.

Harari neemt de tijd en dat is prettig. Het verhaal krijgt zo alle ruimte om lekker onder de huid te kruipen. Het zomerse weer geeft het geheel iets sensueels, wat prima past. Harari voegt er nog een zonnige laag aan toe, door liedteksten over pagina’s te laten lopen. Onwillekeurig gaat de lezer op zoek naar een clue of hint, maar dat is toch niet zo voor de hand liggend als je zou verwachten. Ronduit koddig wordt het als Harari een hele pagina opoffert aan een jazzy dansje van Leonard, nota bene op Time of the season van The Zombies: een prachtig nummer dat zich niet werkelijk leent voor de afgebeelde disco-twist-shuffle. Zo lijkt Harari wel vaker een scene naar zijn hand te willen zetten door het heel klassiek uit te werken. Net zo misplaatst is een driftig getekende woordenwisseling tussen twee jonge vrouwen: het oogt heel anders dan het klinkt.

Het exotische, zonnige van het verhaal komt goed tot zijn recht in het grote formaat van het album. Het is bijna onbehoorlijk fors, met een linnen rug en alles: op dat vlak is niet bespaard. Het zorgt ervoor dat de korrelige inkleuring goed tot zijn recht komt. De tekstloze pagina’s worden op dit formaat prima kijkplaten. Maar ook hier geldt: het lijkt alsof Harari het erom doet.

Het plot zit snor. Het is klassiek vanwege de archetypische figuren: Leonards neef, de commissaris, de jongeren en hoe zij zich tot elkaar verhouden, de buurman, de dorpsbewoners. Iedereen heeft zijn of haar plaats in het verhaal en een herkenbare rol. Desondanks is het voor de lezer nog een leuke puzzel om uit te vinden hoe de vork in de steel zit en hoe alles uiteindelijk past.

Met De laatste zomerroos is Harari nog niet binnen. Zijn tekenwerk is daarvoor gewoon te slordig. Verhalend heeft hij een grote sprong gemaakt en dat stemt mild: wie op zoek is naar een broeierig verhaal, met genoeg haakjes en speurdersgenot, zit zeker goed. Om in één ruk uit te lezen.

Lucas Harari – De laatste zomerroos. Scratch Books. 188 pagina’s hardcover. € 29,90.

Strips & comics

Gelezen: Thomas von Kummant & Benjamin von Eckartsberg – Gung Ho

Om maar meteen met het jammere te beginnen: deel 5 is verschenen en het spektakelstuk Gung Ho is klaar. Zes jaar geleden verscheen het eerste deel van het dystopische apocalyps-theater en sindsdien hebben tekenaar Von Kummant en scenarist Von Eckartsberg er alles aan gedaan om de lezer erbij te houden. En hoewel alles klopt en het complete verhaal leest als een wervelwind, is het toch zonde dat het over is.

Gung Ho zit zó goed in elkaar: stel je een wereld voor waarin plukjes mensen zich in ommuurde kolonies ophouden. In een voortdurende staat van overleven proberen ze aan de witte dood te ontkomen. Deze witte dood, zo heet ook het vijfde afsluitende deel van de reeks, bestaat uit zogenaamde rippers: wrede dieren die lijken op watervlugge ijsberen met de kop van een scherpgetande aap. Zij jagen, liggen altijd op de loer en ontzien niemand.

Gung Ho speelt in Kolonie nummer 16, een haast onneembare vesting waar iedereen met wapens rondloopt. Buiten de muren komen de mensen zelden, alleen als er bevoorrading op komst is of als de kust veilig lijkt. En zo zijn er elders meer kolonies, die allemaal min of meer worden aangestuurd door een centraal orgaan – maar hoe en wat precies, dat blijft onbenoemd. Als de trein met wapens, benzine en voedsel wordt aangevallen, breekt de pleuris uit. Want waarom zouden de rippers dat doen? Of is hier iets anders aan de hand? In de vijf delen is dat de fraaie constante: er is altijd stress, gedoe, spanning en angst. En er zijn vragen die de lezer scherp houden.

Maar er is meer: feitelijk is Gung Ho een verhaal over generaties. Waar de oude garde de samenleving volgens oude lijnen probeert vol te houden, loopt de jeugd over van hormonen en branie. Dat zorgt voor ingewikkelde situaties die gaandeweg escaleren, vooral als blijkt dat een hooggeplaatste meneer niet met zijn fikken van een meisje kan afblijven. De jongeman die daarover zijn beklag doet, wordt als zondebok opgeofferd door de ouderen en uit de kolonie gezet. Het zet de situatie op scherp: de ouderen bedrijven een smerig politiek spelletje, de jongeren eisen verandering en keren zich tegen de heersende klasse, die toevallig ook vaak de ouders zijn.

In een heerlijke tekenstijl, die toch aanvankelijk een beetje wennen is, wordt het verhaal met veel vaart verteld. Von Kummant tekent zonder outlines; zijn kleurgebruik leunt sterk tegen 3d-tekenfilmwerk aan. Hij werkt veel met stoffen, grains, texturen: het geeft de strip een soort hyperrealistische uitstraling, hoewel het zeker geen fotografisch overtrekwerkje is. Alles ziet er gelikt, strak en toch onheilspellend genoeg uit.

Wie een paar extra euro’s te besteden heeft, krijgt een flinke box waarin vijf limited editions passen: achterin die speciale edities wordt een kijkje in de keuken gegund en zien we hoe Von Kummant zijn tekenwerk aanpakt. Interessant, al kun je je afvragen waarom dat in ieder deel opnieuw wordt getoond. Maar los daarvan: het is heerlijke eye candy en het is gewoon luxe. Bij die limited editions zitten steeds ex librissen waarvan de eerste en laatste zijn gesigneerd door de auteurs. En zo zitten er meer extraatjes bij de luxe boeken. Zoveel, dat ze niet samen met de vijf delen in de luxe foedraal passen – tenminste, als je ze daarna nog uit de box wil krijgen. Nog eens: alleen overdadige luxe natuurlijk, dus geen klachten.

De uitgever wil nog wel eens stunten met eerdere delen (drie met korting, of zoiets) dus hou het in de gaten. Zij die de volle mep hebben betaald, weten het: Gung Ho was al goed, werd steeds beter en eindigt met een knal. Het idee dat het zes jaar geleden al werd ontvangen als een topreeks, en dat al die tijd is gebleven, maakt het des te beter. En toch ook een beetje met het jammere idee dat het nu echt uit is.

Thomas von Kummant & Benjamin von Eckartsberg – Gung Ho. Silvester. Vijf delen, hardcover. 104 pagina’s per deel. € 24,95. Ook in limited edition met dossier en (gesigneerd) ex libris, 120 pagina’s. € 39,95.

Strips & comics

Gelezen: Efa & Salva Rubio – Django, vonken en vuur

Django Reinhardt (1910-1953) wordt maar moeilijk een mens van vlees en bloed in de halve biografie Django, vonken en vuur van het duo Efa (tekeningen) en Salva Rubio (scenario). De jonge Django uit het eerste deel van het verhaal is een driftige knaap die geestig en brutaal uit de hoek kan komen, maar de lezer krijgt niet echt het idee dat hij werkelijk (zo) bestaan heeft. Daarvoor wordt er tussen de regels al teveel met het joch gedweept: hij kan wel eens een grote worden, zo is hij nu eenmaal, Django is een bijzondere, hij heeft temperament, en zo verder.

Makkelijk praten, want achteraf zag je alles natuurlijk al mijlenver aankomen. Maar dat is de taak van een biografie niet: die neemt de lezer mee en loopt niet te veel vooruit. Het lijkt erop alsof Efa (pseudoniem van Ricard Efa) en Robio met dit album vooral wilden laten zien hoe geweldig Django was, in al zijn eenvoudige grootsheid. Dat begint al met het hoogdravende voorwoord van Thomas Dutronc, jazzmuzikant en zoon van Jacques Dutronc (luister vooral eens naar diens Il est cinq heures!) en Francoise Hardy. Zoon Thomas stelt dat Django – altijd alleen de voornaam – de enige Europese muzikant is die de Amerikaanse jazz heeft beïnvloed. Tjaaaa, en dan moet het verhaal zelf nog beginnen.

De lezer krijgt bij aanvang onmiddellijk de bevalling voor zijn kiezen, vooral om de entourage te duiden. Het verhaal van de jonge Django begint pas echt goed als hij een banjo krijgt en het instrument leert bespelen, tot zijn vingertjes bloeden. Kort daarna speelt hij alleen nog maar met volwassenen: zo goed was hij dus meteen al. Tenminste, dat nemen we uiteraard gewoon aan.

Hij wordt ouder en met de jaren komen de meisjes, de verantwoordelijkheden en de zorgen. Die worden – het is algemeen bekend – veel erger als er brand uitbreekt in de woonwagen waarin Django ligt te slapen. Gelukkig weet hij met een heroïsche stripduik de brandhaard net op tijd te ontvluchten.

Niet het smakelijkste deel van het boek, en des te uitvoeriger, betreft de operatie aan Django’s hand die nooit meer hetzelfde zal zijn. Een mooi in beeld gebracht moment is als Django zelf het verband lospeutert en wordt geconfronteerd met zijn nieuwe speelhand: de pink en ringvinger staan stevig uit het lood en kunnen geen snaar tegen een fret drukken. Wij denken teleurstelling, maar Django ziet iets anders: hij ziet mogelijkheden om weer te spelen.

Geen banjo in het vervolg, dat vindt hij te moeilijk. Hij gaat aan de slag met een gitaar en de rest is geschiedenis. Letterlijk, want na nog een innemend slotakkoord houdt de biografie van Django hier gewoon op. Het achterplat vermeldt dit al: dit album is het verhaal van zijn jeugd die aan de mythe vooraf ging. Akkoord, maar het blijft een heel vreemde keuze. Want feitelijk was zijn jeugd nu ook weer niet zó vreselijk bepalend voor zijn carrière. Het is niet dat hij met Duke Ellington speelde omdat hij was geboren in een woonwagen, om maar wat te noemen. Uiteraard, hij was een zigeuner, het werd oorlog, met armoede, discriminatie en gedoe, maar uiteindelijk was de brand en zijn misvormde hand het enige ter zake doende – althans in dit verhaal.

Er zijn lezers die van biografieën houden en binnen die categorie zijn er types die de jonge jaren steevast overslaan: die beginnen pas bij het hoofdstuk van de doorbraak, om het leven vanaf dan te volgen. Hun motief: de eerste paar hoofdstukken zijn vooral ijdel en curieus omdat de bronnen, vaak vleiend en uit de inner circle, nauwelijks te verifiëren zijn. In Django, vonken en vuur merk je dat ook een beetje: de kroegverhalen zijn wat aangezet, de familie en vrienden zijn geromantiseerde karakters en minder mensen van vlees en bloed. Het is meer ‘zo kan het zijn geweest’ dan ‘zo was het’.

Maar toch zitten er een paar heel mooie, rake passages in het verhaal dat vooral fraai in kleur is gezet. Met name de scene waarin de jonge Django Perles de cristal op zijn banjo speelt en een groepje onberispelijk geklede, betweterige muzikanten in hun hemd zet, is prachtig. Niet dat het Django, met zijn grote zwarte ogen, meteen heel sympathiek maakt: Efa en Rubio hebben hem niet aardig uitgebeeld, wel volhardend en alert.

Het blijft een opmerkelijke keuze om enerzijds Django te bewieroken als de belangrijkste jazzmuzikant van zijn tijd, maar feitelijk te stoppen met het verhaal als die fase nog moet aanbreken. Het voelt als de Rolo-reclame waarin het jongetje wel de olifant mag pesten, maar nooit een oplawaai terugkrijgt.

Efa & Salva Rubio – Django, vonken en vuur. Dupuis/Vrije Vlucht. 88 pagina’s hardcover. € 24,99.

Strips & comics

Gelezen: José-Luis Munuera (naar Herman Melville) – De klerk Bartleby, een verhaal van Wall Street

Als de graphic novel De klerk Bartleby iets duidelijk maakt is dat José-Luis Munuera gerust vaker een literair one shot mag maken. Zijn seriewerk zoals De Campbells en bijdragen aan De Blauwbloezen en Zwendel zijn prima, maar met Bartleby laat hij echt zien wat hij waard is. Munuera weet de sfeer te scheppen die past bij de negentiende eeuwse novelle van Herman Melville. Hij geeft het verhaal grafische meerwaarde: zijn keuzes zijn ijzersterk, het verteltempo uit de kunst. Het getuigt van veel vertellersinstinct om een verhaal – het origineel heeft amper zeventig bladzijden – zo scherp en direct uit te werken in een graphic novel van evenveel strippagina’s.

Melville, de geestelijk vader van de romanklassieker Moby Dick, schreef Bartleby, the Scrivener: A Story of Wall Street in 1853. Onder literaire types geldt de novelle Bartleby als hoogtepunt, noemen het zelfs aansprekender dan Moby Dick. Dat heeft vooral te maken met de vragen die het oproept: waar staat het personage Bartleby voor? Is hij de saboteur van het bureaucratische regime? Een passieve vrijheidsstrijder? Een libertariër, anarchist, dromer? Of vertegenwoordigt hij de wensgedachte van iedere kantoorklerk door op te staan tegen de sleur van alledag en eenvoudigweg orders te weigeren? Melville heeft zich er nooit over uitgesproken, en ook Munuera neemt in zijn verstripping geen stelling in. Dat maakt het bij tijd en wijle een tikje absurd, op een Kafkaëske manier.

Op de beginpagina’s van de graphic novel wordt David Henry Thoreau aangehaald, intussen de hippe, vaak aangehaalde autoriteit op het gebied van burgerlijke ongehoorzaamheid en vrije wil. Daarna neemt het verhaal een subtiele wending. Op een griffiekantoor in Wall Street is mankracht nodig en zo komt Bartleby op de burelen terecht. Aanvankelijk werkt hij minutieus en zorgvuldig: er is niets op hem aan te merken, behalve dat hij zich naast de werkzaamheden zelden uitspreekt of zelfs maar deelneemt aan collegiale plichtplegingen. Dat loopt pas echt in het oog als hij op een dag weigert het werk van zijn collega’s te controleren. ‘Ik doe het liever niet’ klinkt het en daarmee is de toon gezet: dat hij het liever niet doet betekent dat het dus niet gebeurt. Wat zijn meerdere ook probeert: Bartleby blijft herhalen dat hij het liever niet doet, tot vervelens toe. Wel verschijnt hij iedere dag op zijn werk, misschien overnacht hij zelfs op kantoor – die suggestie wordt gedaan.

Met zijn meerdere, de niet bij naam genoemde baas die ook als ik-verteller optreedt, is ook iets aan de hand: hij weet niet wat hij met Bartleby moet beginnen, terwijl hij hem eenvoudig kan ontslaan vanwege werkweigering. Zo lijken er gaandeweg twee vormen van weigering langs elkaar te lopen in het verhaal. De oplossingen die de baas bedenkt om ‘netjes’ van Bartleby af te komen zijn vreemd. Hier lijkt Melville het personage van Bartleby te willen duiden. Als hij een saboteur is, een vrijheidsstrijder, een anarchist, of wat ook; is dit dan de manier waarop de maatschappij met zo’n antisociale figuur om gaat? Waarom is de baas niet strenger, rechtlijniger? Het is een valse vorm van barmhartigheid, van mededogen, die de boel ophoudt.

Het lijkt dat iemand die niet voldoet aan de regels, zelfs als die binnen een werksfeer tot je takenpakket behoren, zo buitensporig is, dat er geen manier is om die tot de orde te roepen. Aan het einde heerst er vooral vertwijfeling. Wie was deze Bartleby? Of beter: wat was hij? Een vluchtige schaduw? De laatste vrije man? Een brief aan een overledene, of gericht aan de arme mensheid? Waarom heeft hij iedereen een rad voor ogen gedraaid – inclusief de lezer?

Bartleby zet je aan het denken en daarin schuilt de kracht van de stripadaptatie van Munuera: in 67 ingetogen strippagina’s, waar de tekst niet bepaald dik over de bladzijden is gesmeerd, weet hij een sfeer neer te zetten die de lezer net genoeg houvast geeft om door te lezen. Waarom dingen gebeuren zoals ze gebeuren lijkt niet langer relevant, door de stille Bartleby die de situatie naar zijn hand zet door simpelweg te weigeren. De hulpeloze gesprekken, de uitzichtloosheid van de situatie die steeds verder verergert, de oplossingen die geen hout snijden: De klerk Bartleby is een strip die zindert en die alle aanbevelingen meer dan waard is.

Om meerdere redenen verdient Munuera alle lof. Hij koos een ijzersterk verhaal uit de literaire canon, maakte er een perfecte en sfeervolle stripbewerking van en voegde daarmee een fraaie laag toe aan het origineel, samen met de inkleuringen van Sedyas. Dit verdient navolging: al die getalenteerde tekenaars die in arren moede steeds weer teruggrijpen op het standaardrepertoire moeten op z’n minst gewezen worden op al die literaire pareltjes die voor het oprapen liggen. Munuera laat zien hoe het kan en mag het voor altijd blijven doen. Met het tragische Bartleby leverde hij een hoogtepunt af.

José-Luis Munuera (naar Herman Melville) – De klerk Bartleby, een verhaal van Wall Street. Standaard Uitgeverij. 72 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Fabien Grolleau & Jeremie Royer – Audubon, On the Wings of the World

Tot en met 8 januari is er in het Haarlemse Teyler Museum werk te zien van de even beroemde als excentrieke Amerikaanse jager, natuurliefhebber en vogelaar John James Audubon (1785-1851). Op de expositie Vogelpracht, Een vlucht door Teylers vogelcollectie kunnen bezoekers schitterende pagina’s bewonderen van Audubons magnum opus The Birds of America, een verzameling imposante tekeningen van exotische vogels in allerlei poses. Natuuronderzoekers zijn lyrisch over het boek omdat het veel vogels laat zien die uitgestorven zijn; het is een verslag van een natuur die ooit was.

Het boek, waarvan wordt aangenomen dat er nog slechts 119 van bestaan, is aangemerkt als het duurste boek ter wereld: in 2002 werd het door een Quatarese sjeik voor 7,8 miljoen euro op een veiling gekocht. In 2010 ging er nog een schepje bovenop: op een veiling van Sotheby’s ging een exemplaar van de hand voor een slordige 8,7 miljoen euro.

Over het leven en werk van Audubon is genoeg geschreven en verteld. Over dat hij onaangepast was, egoïstisch, en eerzuchtig, ronduit obsessief handelde. Veel fans had hij bij leven en welzijn niet. Toen het boek Birds of America uiteindelijk verscheen in 1833 werden er maar zeer weinig exemplaren verkocht. Logisch, in alles was het boek de overtreffende trap: duur, fors en voor een select gezelschap. Vooral de omvang spreekt boekdelen: het zogenaamde dubbel-olifantformaat is enorm. Als het boek is opengeslagen, meet het maar liefst 1 meter 28 bij 1 meter 94. Dat het Teylers Museum een exemplaar bezit, komt door de visionaire blik van de toenmalige directeur Martinus van Marum (1750-1837). Hij bestaalde destijds 2243 gulden voor het boek dat nu wordt tentoongesteld – iedere dag een andere pagina.

Voor iets minder dan twintig euro kan de geïntereseerde striplezer zich verdiepen in deze curieuze natuurvorser. In Audubon, On the Wings of the World nemen scenarist Fabien Grolleau en tekenaar Jérémie Royer de lezer meer in de betoverende wereld van vogelspotten, jagen en tekenen. Minutieus vertellen ze over de werkwijze van Audubon, zijn grillen en zijn frustraties. Deze biopic is fascinerend en pijnlijk tegelijk: nu we weten wat Audubon heeft betekend voor natuuronderzoek en geschiedschrijving is het mooi te lezen dat hij destijds de handen maar met moeite op elkaar kreeg.

Het duo Grolleau en Royer kennen de Nederlandse striplezers wellicht van Darwin, de reis met de HMS Beagle, dat in 2019 bij Soul Food Comics verscheen. De tekenstijl en zelfs het verhalende aspect verschillen weinig van elkaar: in beide gevallen nemen de auteurs de lezer mee ‘op reis’ met een centrale plaats voor het personage waarbij historische feiten worden verweven met het geromantiseerde levensverhaal. Dat werkt prima: waar Darwin bekender is en daarmee aansprekender is voor grote groepen lezers, is het verhaal van Audubon interessanter. Bij Darwin worden grote sprongen gemaakt en beslaat de reis van de HMS Beagle maar een relatief kleine periode in ’s mans leven, terwijl Audubons verhaal bijna zijn hele werkzame leven omvat.

De mystieke laag in Audubon, On the Wings of the World is fraai. De jager vertoeft veel in gebieden van oorspronkelijke bewoners, waar andere mores gelden en anders naar de natuur wordt gekeken. Die inhoudelijk toevoeging maakt het nóg boeiender en gelaagder. Audubons ongeduld en jaagzucht – er worden nogal wat vogels afgeknald, ook heel zeldzame – stuit de lokale bevolking meer dan eens tegen de borst.

Tekenaar Royer heeft flink geput uit het werk van Audubon. Wie op internet zoekt naar The Birds of America komt bijvoorbeeld op deze informatieve site terecht, waar alle oorspronkelijke beeldmateriaal ruim voorhanden is. Het is mooi te zien hoe Royer soms heel subtiel vogelplaten in zijn pagina’s verwerkt. Aan het einde van het verhaal – als Audubon op zijn sterfbed ligt – pakt hij echt uit. Het slot van het verhaal is prachtig, met iets van loutering, inkeer en medemenselijkheid. Rijkelijk te laat, maar dat hoort bij de man, die eeuwen later nog herinnerd wordt en bewonderd door vogelliefhebbers, Americana-adepten en museumbezoekers.

Fabien Grolleau & Jeremie Royer – Audubon, On the Wings of the World. Nobrow. 184 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Nury & Brüno – De man die Chris Kyle doodde

Het span Nury en Brüno is voor veel striplezers een kwaliteitsmerk. Hun hardboiled misdaadserie Tyler Cross is sterk en tekenaar Brüno verraste vorig jaar nog met het prima western-tweeluik Junk, op scenario van Pothier. De boog kan niet altijd gespannen staan, bewijzen de twee met het matige De man die Chris Kyle doodde. Het eerste album van het tweedelige verhaal is intussen verschenen, deel 2 volgt in september: grafisch blijft het duidelijk achter bij eerder genoemde titels, maar vooral de verhalende uitwerking is zwak.

Chris Kyle (1974 – 2013) was een voormalige scherpschutter van de Navy Seals. Hij heeft de twijfelachtige eer degene te zijn met de meeste ‘kills’ op zijn naam in de hele militaire geschiedenis van Amerika. Officiële aantallen zeggen 160 mensen, maar het zijn er onbevestigd rond de 255. Het leverde hem de dubieuze bijnaam ‘De legende’ op. In de inleiding van het eerste deel van het tweeluik De man die Chris Kyle doodde lezen we: “Chris Kyle had een bijna bovennatuurlijke aanleg om anderen te doden (…) als hij eenmaal thuis was, zonder vijanden om te doden, voelde Chris Kyle de drang om nieuwe te zoeken.”

Om het allemaal nog wat Amerikaanser te maken, lezen we onomwonden: “Chris gaf publiekelijk toe dat hij in 2005 met zijn wapens onder de arm naar New Orleans vertrok, om in de nasleep van orkaan Katrina te vechten tegen plunderaars en de bevolking te beschermen. Vanaf de top van de Superdrome schoot hij maar liefst dertig plunderaars dood. Later doodde hij twee personen die zijn F350 pickup truck probeerden te stelen.”

Zo iemand is een held in Amerika. Hij handelde volgens een logica die het voor hem eenvoudig maakte: ik bescherm mijn mensen, iedereen die hen iets wil aandoen, is een vijand en kan dus worden doodgeschoten. Een handig vertrekpunt als je steeds wordt uitgezonden naar Irak: één en al vijandigheid natuurlijk.

In De man die Chris Kyle doodde volgen we de voorgeschiedenis en de nasleep van de moord op deze patriot. Scenarist Nury koos ervoor om het hele verhaal minutieus uit de doeken te doen, dus met een forse inleiding, een levensverhaal en veel letterlijke verslagen van televisie-interviews, met name afgenomen door het intussen gevallen Fox-icoon Bill O’Reilly. Dan zien we pagina’s lang talking heads, die zelfs niet eens opnieuw getekend zijn. Kyle, met zijn ringbaardje en pet, waaronder zijn ogen niet zichtbaar zijn, lijkt niet te bewegen. Zijn hoofd steeds een beetje schuin. Het levert zes identieke bladzijden op: je leest er zo doorheen, maar het had interessanter uitgebeeld moeten worden. Dit is lui knip- en plakwerk.

Kyle’s heroïsche verhalen worden afgewisseld met die van een blowende nietsnut met ptss. Het is de 25-jarige ex-marinier Eddie Ray Routh, die nog bij zijn moeder woont en die volgens zijn militaire dossier nooit aan enig gevecht heeft deelgenomen. Alsof het er daarna nog toe doet, lezen we: “Hij heeft nooit iemand gedood tijdens zijn loopbaan in het marine corps.” Zo’n laf type, dus. Dat hij later de man is die Chris Kyle doodde, lijkt na zo’n introductie een abc’tje. Dat ptss een veelvoorkomend probleem is onder veteranen wordt wel aangestipt, maar sneeuwt volledig onder. In de rechtszaak tegen Routh wordt de suggestie niet eens in behandeling genomen, volledig ontkent zelfs.

C’est le ton qui fait la musique. In De man die Chris Kyle doodde is de balans niet in orde. Het vertrekpunt is ronduit vreemd. Het bedenkelijke palmares van Chris Kyle staat in zijn geheel niet ter discussie. Ter vergelijking: Derf Backderfs Kent State, ook een strip met een journalistieke insteek maar dan over de fatale schietpartij van de Nationale Garde in 1970, heeft veel overeenkomsten met De man die Chris Kyle doodde. Dat ligt deels aan de grafische uitwerking, maar vooral aan het accurate vorserswerk. Alles klopt, zo is het gegaan.

Maar waar Backderf zich professioneel distantieert en zoveel mogelijk verschillende kanten belicht – hoewel hij uiteraard vertelt in goed en kwaad – slaan Nury en Brüno een hele stap over. Immers: de moord op Chris Kyle zou nooit zo’n groot nieuws zijn geweest als hij niet de meeste militaire moorden op zijn naam zou hebben. En juist over dat aspect gaat het niet werkelijk. Die afstand tot dat deel van het verhaal is vreemd, wrang bijna.

Ergens wordt losjes vermeld dat de film die is gebaseerd op Kyle’s leven, American Sniper van regisseur Clint Eastwood, een groot commercieel succes was in de VS. Daarbuiten deed film niet veel, “waarschijnlijk omdat de oorlog in Irak in de rest van de wereld niet populair is”. Daar zit ‘m de crux: voor heel veel mensen is Chris Kyle helemaal geen held en is het gedweep eerder stuitend dan logisch.

Een bepalende rol hierin heeft zijn vrouw, de geslepen Tany Kyle, die zich als patriottische vrouw-van laat gelden. Na Kyle’s dood vraagt ze om rust voor haar gezin, en tegelijkertijd stort ze zich in een publicitair offensief om haar boek American Wife, Love, War, Fait and Renewal te promoten. Ook hier de eindeloze pagina’s met identieke talking heads en de eenzijdige perspectivische keuzes van de makers. Ronduit vreemd wordt het als er uitvoerig wordt stilgestaan bij de voordelen van het geavanceerde wapentuig van TrackingPoint (Extreme weapons for an extreme world), een bedrijf waarin de Kyle’s een financieel belang hebben.

Eddie Ray Routh wordt veroordeeld tot levenslang, zonder kans om vervroegd vrij te komen. Over hem komt de lezer nauwelijks iets te weten. Het maakt van De man die Chris Kyle doodde een vreemd, eenzijdig verhaal: het gaat duidelijk niet om die man, maar vooral om de familie Kyle, hun status en belangen, en het idee dat een goed iemand met wapens goed is en een slecht iemand met wapens slecht. Veel Amerikanen zullen instemmend knikken.

Nury & Brüno – De man die Chris Kyle doodde. Uitgeverij Hum. twee delen, hardcover. Deel 1: 80 pagina’s, deel 2: 96 pagina’s. € 19,95 per deel.

Strips & comics

De Nieuwe Garde: maak kennis met de volgende generatie stripmakers

Vanaf deze week ligt er een speciaal striptijdschrift in de stripwinkels in Nederland en Vlaanderen. Een vreemde eend, want het betreft geen eerste nummer, of een 0-nummer. Het is een eenmalig stripblad met werk van jonge stripmakers, met de titel Nieuwe Garde. Het tijdschrift staat niet op zich, maar in de aftrap van een groot project voor meer zichtbaarheid en bekendheid van jonge tekenaars uit Nederland en België. Het tijdschrift is er om iets veel groters aan te kondigen: dit najaar verschijnt namelijk de Nieuwe Garde anthologie. Dat wordt een flinke bloemlezing met werk van meer dan zestig stripmakers. Nieuw, fris, divers, aanstormend, geef het een naam: alles is van toepassing.

Nieuwe Garde is een project van de 9e Kunst, een online platform voor het beeldverhaal dat ijvert voor de waardering, zichtbaarheid en kennisverbreding van strips en graphic novels. Op www.9ekunst.nl verschijnen artikelen, recensies en beschouwingen over strips, maar ook over het stripklimaat, het vakgebied, de boekenwereld, het aanbod, marketing en meer.

De 9e Kunst richt zich niet uitsluitend op ingewijden, vakgenoten en liefhebbers van het beeldverhaal, maar ook zij die er zijdelings mee te maken hebben, onder wie boekhandelaren, onderwijsgevenden, beleidsbepalers, cultuurprogrammeurs én nieuwe lezers. Voor hen wil de 9e Kunst een vraagbaak zijn op het gebied van beeldverhalen.

Met het Nieuwe Garde project zet de 9e Kunst zich in voor nieuwe stripmakers. Al jaren klinkt de noodkreet dat de stripwereld vergrijst, dat er te weinig nieuwe lezers bijkomen en dat het voortbestaan van de toch al kleine Nederlandstalige stripwereld hierdoor onzeker is. Nieuwe stripmakers krijgen maar mondjesmaat voet aan de grond en daardoor zijn ze te weinig zichtbaar voor het grote publiek. Voor de 9e Kunst reden om dit tij te keren.

Bij de 9e Kunst werken veel verschillende mensen: jong en oud, dames en heren, wetenschappers, journalisten en liefhebbers, manga-verslinders, eerstedrukverzamelaars en webtoonlezers, van 22 tot 64 jaar. Die diversiteit levert veel interessante inzichten op. Tegelijk blijkt ook hoe gescheiden de werelden zijn. Het is daarom belangrijk zichtbaarder te worden voor elkaar. Dat was het vertrekpunt: een fysiek boek met werk van tekenaars die zich voornamelijk manifesteren op het internet of in het small press circuit.

Voor het recruteren van jonge stripmakers riep 9e Kunst de hulp in van de verschillende strip- en illustratie-opleidingen in Nederland en Vlaanderen: ArtEZ in Zwolle, St. Joost in Breda, Willem de Kooning in Rotterdam, LUCA in Brussel en Sint-Lukas in Gent. De aanmeldingsmail werd ook gedeeld op online communities, in Discord- en appgroepen. Het leverde bijna tachtig aanmeldingen op, met portfolio’s en stripwerk.

Naast de enorme respons viel nog iets op: de rijkdom aan stijlen, genres en het unieke stemgeluid van een nieuwe generatie. De manier waarop jonge makers met het medium omgaan is heel anders dan de oudere stripliefhebber zal verwachten. Hun onderwerpen zijn veel persoonlijker en actueler, het gaat minder om avonturen en helden. Er is een duidelijke breuk met de klassieke strip, die gericht is op actie en spanning. Dus nee, er zitten geen vliegtuigstrips tussen, geen avonturen die zich afspelen in de Tweede Wereldoorlog of op de prairie. De strips zijn geëngageerd, persoonlijk en grafisch sterk. Maar even goed zijn er vrolijke en grappige strips bij, op klassieke leest geschoeid.

In het tijdschrift, dat wordt verspreid in stripwinkels in Nederland en Vlaanderen, is alvast een dwarsdoorsnede te lezen van wat de Nieuwe Garde zal brengen. In het blad staan strips van Karin Blaauwijkel, Mélanie Corre, Hanne Dewachter, Dido Drachman, Valentijn Hamel, Sabrina Kooijmans, Melanie Kranenburg, Bob op ’t Land, Tim Layae, Charlotte Pasveer, Lode Peeters, Emma Ringelding, Hugo Seriese, Indi Vos en Sarah San van der Wagt. De prachtige cover is van Helene Lespagnard. Wommol maakte een uitneembaar miniboekje in het hart van het blad. En omdat 9e Kunst in beginsel een journalistieke website is, staat er ook een aantal interessante artikelen in, zoals een geïllustreerd verslag van Aimée de Jongh over het maakproces van Dagen van Zand.

En zijn strips nog steeds vooral voor mannen en jongens? Niet als je kijkt naar de diverse samenstelling van de Nieuwe Garde, met zestig procent vrouwen en een flinke groep lhtbqi+-makers. Je zou bijna denken dat de strip veel geëmancipeerder en veelzijdiger is dan al die jaren leek. Hopelijk ontdekt het publiek dat ook.

Diverse auteurs – Nieuwe Garde. Stichting 9e Kunst. 48 pagina’s. € 3,95.

 

Strips & comics

Gelezen: Nicolas Malfin – Cézembre

Cézembre is een eiland voor de Bretonse kust, vlakbij de kunstplaats Saint-Malo. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het vanwege de strategische ligging een perfecte verdedigingslinie van de Duitse bezetter die er gelegerd was. In het striptweeluik met dezelfde titel volgt de lezer de inwoners van Saint-Malo, met name de jonge geliefden Ewan en Francoise.

Deze twee ingrediënten vat Cézembre in één zwaai samen: liefde in tijden van oorlog. En er is ook het onvermijdelijke verzet tegen de bezetter, verraad, vriendschap en verdriet. Het klassieke verhaal, met een Duitse strijdmacht die naarmate de geschiedenis vordert steeds wanhopiger en roekelozer wordt.

De Franse stripmaker Nicolas Malfin (1971) tekende en schreef het verhaal en bediende zich van allerlei authentieke gebeurtenissen uit de bittere geschiedenis van Saint-Malo, dat niet bepaald gespaard bleef tijdens WO II. Dat is geen aanname: achterin beide albums wordt uitvoerig stilgestaan bij de historische context. De twee dossiers zijn uitmuntend, met interessant beeldmateriaal en leeswaardige artikelen. Dat maakt de twee Cézembre-delen extra interessant.

Toch is het die accuratesse die het verhaal soms in weg zit: omdat Malfin naast het werkelijke verloop van de oorlog ook nog het leven van een groot aantal mensen beschrijft, moet hij soms kunstgrepen uithalen om alles verteld te krijgen: met name de bombardementen van de Amerikanen in deel 2 lijken bijna onophoudelijk, omdat we die vanuit meerdere situaties meemaken. Francoise, Ewan, de bewoners die gevangen worden gehouden in de stad D’Aleth en de gewiekste overloper Bastien Fenec bewegen zich door dezelfde omgeving, maar bezien alles vanuit een ander perspectief.

Het is de verdienste van Malfin dat alles goed te volgen is, al krijgt het verhaalverloop soms iets buitelends. Dat wordt versterkt doordat de lezer al heel snel door heeft dat sommige personages hoe dan ook zullen overleven omdat ze het verhaal te veel dragen. Die spoelen dan uitgeput aan, kruipen door het oog van de naald en worden op miraculeuze wijze gespaard tijdens een heftig bombardement.

Malfin heeft de figuren goed in de vingers, hun mimiek is heel sterk uitgebeeld. Een trotse figuur als Papy, stoere zeeman met staartje, wordt heel kwetsbaar als eindelijk het besef indaalt dat hij al veel familie en vrienden is kwijtgeraakt, zijn strijdbaarheid ten spijt. Dat zijn van die kleine momenten in het verhaal waar de gebeurtenissen echt impact krijgen. Zo zijn er meer situaties die Malfin perfect aanvoelt.

Dat zit ‘m ook in andere details: in de albums is gekozen om de Duitse teksten “tweetalig” op te voeren: eerst in het Duits en daaronder gecursiveerd in het Nederlands– bij wijze van ondertiteling. Dat pakt onverwacht goed uit, het draagt bij aan de vijandige sfeer en de typisch Germaanse nijdigheid die er voelbaar van wordt.

De mise-en-scène is klassiek. Malfin vergaloppeert zich niet aan flitsende camerastandpunten, overdadige actiescènes en zwierige kaders. Zijn kleurgebruik past bij het verhaal: hij gebruikt het palet van een serene kustplaats, die sterker is dan de oorlog die er woedt. Een kapotgeschoten stad wordt grauw en grijs, Saint-Malo blijft azuurblauw en lichtgroen vanwege de zee. De zonsondergang waarmee het verhaal eindigt, zorgt subiet voor hoop op een beter toekomst.

Nicolas Malfin – Cézembre. Silvester, twee delen. Deel 1: 80 pagina’s, deel 2: 88 pagina’s, hardcover. € 24,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Wauter Mannaert – Yasmina 2: Honger als een konijn

Wauter Mannaert heeft de vaart er flink in. Na een zeer succesvolle lancering in 2019 van Yasmina en de aardappeleters, die prompt de Willy Vandersteenprijs won voor beste jeugdalbum, zag de uitgever wat Mannaert zelf al had bedacht: Yasmina is een interessante figuur voor een eigen serie. Het meisje is een bevlogen hobbykok, met een voorliefde voor tuinieren, duurzaamheid en alle biologisch-dynamische buzzwords die het vandaag de dag goed doen. De juffrouw heeft verfijnde smaakpapillen en een hart voor de natuur, zogezegd.

Na De aardappeleters volgde er dus een eerste deel van de serie Yasmina. Mannaert (1978) liet met Het geheim van de chef zien dat Yasmina prima geschikt is voor verantwoorde verhalen over onze aarde – gezien vanonder een koksmuts – zonder dat het er te dik bovenop ligt. De strip leest niet als een pamflet; ze is zeker geen betweterig typje dat iedereen de les leest – al krijgt de oudere generatie er regelmatig van langs.

Toch begint het tweede deel, Honger als een konijn!, met een politiek statement. Er is geen plan(eet) B, precies zoals de slogan van de Partij voor de Dieren. Misschien dat Mannaert en zijn Vlaamse uitgever zich daar niet bewust van waren, maar tegelijk: wat boeit het? Het is een waarheid als een koe.

In dit verhaal zijn er twee prominente lijntjes: in het ene krijgt Yasmina het aan de stok met de opwarm-koningin van de schoolkeuken, mevrouw Beulings, en in het volkstuintjescomplex heerst er een ware konijnenplaag. En de vader van Yasmina wordt verliefd, dat ook. En zo zijn er nog een paar verhaallijntjes waarvan je je kunt afvragen of die allemaal bij elkaar passen en moeten: het is alsof Mannaert bang is dat hij zijn leuke ideetjes vergeet als hij ze niet meteen in het verhaal inpast.

Dit tweede deel is geen afgerond verhaal, het eindigt met het klassieke Wordt vervolgd…. De bedoeling dus, daarmee wordt het een soort eco-soap, maar voor jonge lezers die een compleet verhaal verwachten toch wat vreemd. Iets minder hooi op de vork en het past prima in één album. Veel blijft nu hangen. Aan de andere kant: Mannaert heeft de sokken er flink in, dus wie weet dat we na de zomer al het vervolg kunnen lezen.

Ondanks de snelheid zien de pagina’s er beslist niet als haastwerk uit. Het swingt en het ontbreken van de stijve kaders doet wonderen: Mannaert weet de ruimte goed te gebruiken. Het levert vaart op en dat past goed bij het verhaal. De mimiek van Yasmina, vooral als zij boos of verongelijkt is, zijn treffend en stoer.

Yasmina is een succes, zoveel is duidelijk. Er lijkt zelfs een voorzichtig voorschot genomen te worden op een kinderkookboek met de stoere jeugdkok. Achterin het album staan een paar striprecepten. Niet nieuw, wel leuk vanwege de keuze: Yasmina maakt een Japanse lunch – een bentobox met onigiri. Het ziet eruit als kleien met rijst, dus succes verzekerd. Masterchefwaardig? Mwoa. Yasmina een leuke toevoeging voor het junior striplandschap? Jazeker!

Wauter Mannaert – Yasmina 2: Honger als een konijn. Dargaud. 48 pagina’s. € 7,50

Strips & comics

Gelezen: Flix – Robbedoes in Berlijn

Het concept van de Robbedoes door…-reeks is intussen beproefd. Al tien jaar laat uitgeverij Dupuis tekenaars en scenaristen aan het werk gaan met de piccolo en zijn entourage. Sinds een paar jaar gaan ze daarbij ook buiten hun eigen straatje op zoek naar auteurs, met bijvoorbeeld Hanco Kolk die als Nederlander een album mocht maken. Iets soortgelijks gebeurde twee jaar geleden bij onze oosterburen: De Duitse tekenaar Flix tekende Spirou in Berlin, een Robbedoes-adaptatie die in eerste instantie alleen in het Duits verscheen, met veel succes overigens. Intussen is er eindelijk een Franse en Nederlandse vertaling. Terecht, want Flix is een begenadigd verteller en zijn stijl past opvallend goed bij Robbedoes. Dat is meteen zichtbaar.

Robbedoes in Berlijn is een heel mooie toevoeging van de buitenreeks. Flix, in Nederland bekend van de albums Munchhausen en Freud en Don Quichot, heeft met Robbedoes in Berlijn een spannend en historisch interessant album afgeleverd. Het verhaal speelt namelijk in 1989 en voor wie nog niet weet dat dat het Wende-jaar was, laat de omslagillustratie er geen misverstand over bestaan: de muur tussen Oost en West is er prominent aanwezig. Dat gegeven zorgt meteen voor een goed gevulde lijst ingrediënten en een omgeving die tot de verbeelding spreekt.

Wat de Robbedoes door…-reeks zo boeiend maakt is dat er van tevoren geen al te grote eisen worden gesteld aan de opmaak en dergelijke. Zo kan iedere auteur zijn (of haar, als het ooit zover komt) stempel drukken op de uitstraling. Voor Robbedoes in Berlijn is gekozen om de lettering van het Duitse origineel aan te houden en dat past mooi bij het verhaal. Iets minder is de wat aarzelend getekende voorplaat: de bibberige Trabant en het schetsmatige van het geheel, in combinatie met de ingetogen kleuren, maken het niet een bijster aansprekende cover. Vooral als je ziet hoe strak en perfect ingekleurd sommige binnenpagina’s zijn.

Flix (pseudoniem van Felix Görmann) heeft goed naar zijn illustere voorgangers gekeken en zich vooral verdiept in QRN op Bretzelburg dat immers ook in Duitsland speelde. Hij heeft een verhaal getekend én geschreven met veel humor, vaart, spionage en een vleugje Ostalgie. De Oost-Duitse Stasi heeft de graaf van Rommelgem ontvoerd en Robbedoes en Kwabbernoot zijn vastberaden hem te bevrijden. Zij worden daarbij geholpen door Momo, een geraffineerde intrigante van de vredesbeweging. De geromantiseerde Stasi is natuurlijk niet mals, er wordt zelfs gemarteld, maar uiteraard trekken de helden aan het langste eind, zoals het de klassieke reeks betaamt.

Flix’ tekenwerk is hier ronduit filmisch en fraai. Er is werkelijk geen saaie pagina te vinden in het album, met als hoogtepunt de ondergrondse achtervolgingsscène waarin nota bene een orang oetan een hoofdrol opeist. Uiteraard ontbrekende cameo’s en verwijzingen niet. Die horen bij het subgenre van het hommage-album als zeezout in caramelijs: als je er geen erg in hebt, merk je er niets van. Het is vooral leuk voor de ingewijde lezer, al is Flix erg direct en legt hij het er nogal dik bovenop. Kniesorengelul, het Berlijnse avontuur van Robbedoes en Kwabbernoot is een feestje en gemakkelijk een van de aantrekkelijkste Robbedoes door…-verhalen wat de actie en vaart betreft. Waarvan akte.

Flix – Robbedoes in Berlijn. Dupuis. 64 pagina’s. € 10,50.

Strips & comics

Gelezen: Pierre Alary – Don Vega

Nóg maar een keertje Zorro dan. Omdat we intussen écht niet meer weten waarover we nog verhalen moeten bedenken. Het lijkt alsof een bepaald deel van de stripgemeenschap voorgoed de vernieuwing heeft afgezworen. Nooit meer iets nieuws, nooit meer iets anders: vanaf nu herhalen we alles net zo lang tot de structuur en het reliëf voorgoed is weggeërodeerd. We zijn al een aardig eindje op weg, met alle westerns, piratenstrips en zeeslagen. Agatha Christie, HG Wells en Sherlock Holmes zijn ook al uitgewrongen. En aan dit rijtje kunnen we Zorro toevoegen. Met de opmerking dat Don Vega geen slechte strips is. Alleen….. een keertje iets anders is toch niet teveel gevraagd?

Het verhaal van Don Vega is weer zo klassiek als wat: een horde keuterboertjes die onder de knoet zit van een rijke en meedogenloze blanke grootgrondbezitter, die met allerlei slinkse truukjes zoveel mogelijk bezit probeert te vergaren. Dat lukt hem verbazend goed omdat hij het tij mee heeft: in 1849 is het Mexicaanse gezag in rap tempo zijn invloed aan het verliezen in de grensstreek, van wat nu Amerika is. Ze zijn Texas al kwijt en Alta California is aan beurt om te vallen. Kortom: wetteloosheid en een wisseling van de wacht. Daar kun je goed van profiteren. Immers, afspraken die je met de ene maakt, zijn niets meer waard als er nieuwe machthebbers zijn. Of als je zelf bij de machthebbers gaat horen.

Het cliché-abc van een goede western derhalve. En dan voegen we nog een paar goudklompjes aan het geheel toe en hop, alle ingrediënten zitten in de stoofpot. De boef in dit geheel heet Gomez, met zijn onsympathieke rechterhand Borrow die de vuile zaakjes opknapt. Gomez heeft al heel wat grond toegeëigend waaronder het gebied dat ooit toebehoorde aan de familie van Don Vega, een viriele knaap die in Madrid leefde en daar naar de militaire academie ging.

De boeren worden massaal onder druk gezet om hun grond te verkopen, zeg maar: af te staan voor een habbekrats. Ze zijn ten einde raad en grijpen terug op het oeroude verhaal van El Zorro, de man die de machthebbers ooit op de knieën dwong. Wanhopige boertjes verkleden zich als Zorro en willen zo een daad stellen, maar zonder veel impact. Dat verandert als Don Vega zich ermee gaat bemoeien…

Alary is niet van gisteren. Dat bewees hij al met de robuuste detectivestrip Silas Corey, ook al een genre dat behoorlijk afgedraaid is. Hij is een vaardige tekenaar met een perfecte cameravoering: de pagina’s zijn een en al actie, de figuren acteren levensecht, al heeft hij zijn voorkeuren: de held en de slechterik heeft hij goed in de vingers, de wanhoop van de boeren gaat hem wat minder af. Maar dat zijn de finesses: het is om Alary dat deze strip gemakkelijk boven de middelmaat uitsteekt – want ook in sleetse genres heb je sterren en mindere goden. Sterker, zijn prettige kleurenpalet en de bijzondere toevoeging van plakrasters en moirépatronen maken Don Vega stiekem toch heel fraai.

En ja, dan is het nog een keer Zorro, nog een keer alle westernclichés op een hoopje, maar als het dan zo lekker wordt gebracht als Alary doet, dan mag het. Tenminste, precies nog één keer. Nu is het genoeg geweest. Zorro mag zijn cape aan de wilgen hangen.

Pierre Alary – Don Vega. Standaard Uitgeverij. 96 pagina’s hardcover. € 19,95.