Strips & comics

Gelezen: Rob Guillory – Farmhand

Wie Farmhand probeert uit te leggen, verliest zich al snel in details om het niet al te vreemd te maken. De Amerikaanse comicserie, van schrijver-tekenaar Rob Guillory die bekendheid verwierf met het groteske en hilarische Chew, is een kruising tussen horror en humor, met iets van de actualiteit, interplanetaire business en subversieve Artificial Intelligence. Dan is het ook nog een familiekroniek, een misdaadverhaal en is de suspense nooit ver weg. Voila, Farmhand is het allemaal.

Het verhaal speelt zich af in Freetown, Louisiana, op de geavanceerde boerderij van Jedidiah Jenkins, een gesoigneerde redneck op leeftijd met Hulk Hogan-snor die er een bijzonder werkveld op nahoudt. In plaats van gewassen of dieren, houdt hij zich bezig met de kweek van ledematen en organen. Dat gebeurt met alle vanzelfsprekendheid en dat ziet ook zijn zoon Ezechiël, die na een afwezigheid van een lange tijd met zijn jonge gezin naar het boerenbedrijf terugkeert. Wat hij tegelijk merkt, is dat ongeveer iedereen achter het geheim van Jedidiah aan zit. Zo ook Thorn, Jedidiahs voormalige zakenpartner, die het veredelde zaad voor zijn eigen zaak heeft ingezet. Gevaar ligt op de loer, al gebeurt (nog) niets in het openbaar.

Het leuke van de serie is dat het ondanks de thematiek een heel lichtvoetig verhaal is. Dat heeft voor een deel te maken met de rustige figuur van Jedidiah die geen blijk geeft van stress of malheur. Het tempo is precies goed, vooral in de tweede trade paper back, die de losse deeltjes van 6 tot en met 10 verzamelt. De spanning- en horrorelementen zijn goed gedoseerd: er hangt een prettige dreiging boven het verhaal, die de lezer er goed bij houdt.

De tekeningen van Guillory zijn lekker grillig en hebben het hoekige van street art, gecombineerd met een vleugje fifties atoomstijl. Maar vooral zijn ze cartoonesk wat zeker bijdraagt aan de fijne balans tussen humor en spanning. De futuristische boerderij is geestig verbeeld. Ondanks de serieuze zaken die er plaatsvinden, is het geen gesloten bolwerk met hoge hekken en schrikdraad. Sowieso hangt er geen onverdraaglijke agressieve sfeer in het verhaal, ondanks dat er genoeg gebeurt dat het daglicht niet werkelijk kan verdragen. Het is er een beetje, in een fijne balans met de rest.

De cliffhanger waarmee de tweede trade paper back wordt afgesloten, maakt nieuwsgierig naar het vervolg dat inmiddels is opgestart. Echte fanaten volgen de serie in de losse deeltjes: Farmhand 11 verschijnt op 20 november en is het eerste nummer van de derde story arch (iedere trade paper back, kortweg TPB, heeft en min of meer afgeronde verhaallijn).

Farmhand is een succesverhaal: de reeks verkoopt goed in de Verenigde Staten en daarbuiten, de lezers en critici zijn enthousiast en er zijn plannen voor een Farmhand-televisieserie. Guillory, die al een immense fanbase heeft vanwege Farmhand’s voorganger Chew, heeft weer raakgeschoten: Farmhand is veel van alles en ook nog eens in een perfecte combinatie. Dat is knap.

Rob Guillory – Farmhand, Image, twee TPB’s verschenen: deel 1 Reap what was sown (15,99) en deel 2 Thorne in the Flesh (18,99), 144 pagina’s per deel.

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel

Dit zong al een tijdje rond in de wereld van stripliefhebbers. Als scenarist Régis Loisel, van Magasin Général, Peter Pan en Op zoek naar de tijdvogel, zich ergens in stort, is het nooit halfslachtig. En als de kompaan met wie hij aan de slag gaat Olivier Pont is, die zich onlangs nog van zijn experimentele kant liet zien in het kolderieke Losse eindjes, maar zijn naam vooral vestigde met het wonderschone Over de grenzen van de tijd, dan weet de liefhebber genoeg: dit gaat vuurwerk opleveren.

Isabel is het eerste deel van de reeks Een godverdomse klootzak, een serietitel die nooit werkelijk went (los van het feit dat godverdoms geen Nederlands is). De klootzak in kwestie is een man van wie slechts een foto bewaard is gebleven. Die foto is in het bezit van Max, een viriele jongeman die net zijn moeder heeft verloren en op onderzoek gaat naar zijn vader in de jungle van Brazilië. Max heeft twee foto’s bij zich waarop zijn moeder staat, steeds met een ander heerschap. Als een lichtzinnige detective stort hij zich in een zoektocht naar de beide mannen, in de hoop zijn pa terug te vinden.

Die Braziliaanse bush is niet bepaald een frisse plek om op zoek te gaan naar medestanders. Max komt al snel in de problemen en moet vluchten met de stomme dochter van een eenvoudige fixer die bij een hinderlaag om het leven komt. Tegelijkertijd raken twee jonge verpleegsters, die Max onderweg tegenkomt, verzeild in een smerig zaakje: dat van vrouwenuitbuiting en moord. En dan zijn we pas in het eerste deel van het verhaal.

Daar zit een angeltje. Loisel kennen we van het recente negenluik Magasin Général dat oorspronkelijk was ingezet als een trilogie. Steeds kwamen er lijntjes en personages bij, en daarmee album na album. Van Een godverdomse klootzak is nog niet bekend hoever de ambitie reikt. Mocht het diezelfde kant uitgaan, dan heeft de lezer nog veel te verwachten. De tomeloze vaart en onmiddellijke actie belooft in ieder geval veel goeds.

In dit verband is het heerlijk om de verhaalhaakjes te ontdekken: de subtiele vooruitwijzingen, waar Loisel een handje van heeft. Als de twee verpleegsters hun werk hebben gedaan op de bouwplaats van een onbehouwen voorman en ze hem op de hoogte brengen van Max en zijn zoektocht naar zijn vader, zien we diezelfde figuur even later uit het raam staren, met naast hem een paar fotolijstjes die er duidelijk niet voor niets staan.

Het tekenwerk van Olivier Pont is prachtig. Hij kan prima uit de voeten met de situering van het verhaal. De pagina’s van het forse album zijn heerlijk onstuimig en panoramisch van opzet. Het ongerepte van de natuur en het ruige van de bush zijn duidelijk aan hem besteed. Ook inkleurder Francois Lapièrre voelt er zich met zijn accentrijke maar donkere kleurpalet als een vis in het water. Slechts winnaars, en daar kunnen we de lezer ook gerust toe rekenen. Een godverdomse klootzak kan met zo’n openingsalbum tot grote hoogte stijgen. Het is vast te veel gevraagd om nu al meteen een tweede deel te eisen. Aan de andere kant: wie de smulpaap een zalige entrée voorzet, moet niet te lang met het hoofdgerecht treuzelen.

Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel. Blloan. 88 pagina’s, € 9,95. Ook in hardcover: € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven

Philippe Berthet is een vakman die vele kunsten verstaat. Zijn tekenwerk is al jaren consistent en herkenbaar; het is strak en feilloos, met een voorliefde voor de jaren zestig en zeventig. Genoeg lezers zullen vooral zijn latere werk klinisch vinden. Dat komt vooral door zijn vrij emotieloze lijnvoering, die evenwel goed past bij het soort verhalen dat hij vertelt. Zo ook bij De kunst van het sterven, dat onlangs verscheen als derde deel van de nieuwe reeks ‘kwalitatief hoogstaande oneshots’ die uitgeverij Arboris op de markt brengt onder zijn imprint XL. Deze albums zijn forser van omvang en grootte en zijn even verrassend als onvoorspelbaar. Kwaliteit is immers een moeilijk te definiëren keuzemechaniek: de drie titels die nu zijn verschenen zijn totaal verschillend. Overeenkomstig is dat ze het alle drie goed doen op groot formaat.

Maar toch, De kunst van het sterven heeft beslist kwaliteit. Om te beginnen is het centrale plot kraakhelder: er is iemand overleden, men vermoedt zelfmoord, maar dat is nog maar de vraag. Als dan ook nog een aantal rare figuren opduiken die zich onhandig ophouden in de nabije omgeving van het slachtoffer, dan weet je wel hoe laat het is. En laat de Parijse politieman Phillipe Martin nu precies hetzelfde vermoeden hebben. Het draait namelijk allemaal om een zwendel waarbij kunst in het geding is. Vandaar de titel, die aanvankelijk veel mysterieuzer klonk dan uiteindelijk blijkt. Wie graag een lekkere whodunnit leest, en daarbij ook op zoek wil naar de waaromvraag, heeft hier een fijne kluif aan.

Twee zaken vallen onmiddellijk op, te beginnen met de positieve: het kleurgebruik is ronduit spectaculair. Er zit een gewassen structuur in de kleuren die ze heel dreigend maken, perfect passend bij de venijnige pen van Berthet. Het maakt de grote pagina’s van de XL-reeks extra de moeite waard, ook al zit er een geweldige vaart in het verhaal waardoor de lezer het misschien bij eerste lezing niet direct waarneemt. Ook dat tempo is een kwaliteit, de actie verslapt nergens.

Wat daarentegen in negatieve zin opvalt is dat Berthet moeite heeft om emoties over te brengen. In De kunst van het sterven zijn sommige scenes zo onbeholpen dat het storend is. In de eerste van drie plaatjes: waarom wilde je me spreken? Ik moet je iets vertellen over de dood van Emma. Hop, tranen in plaatje twee. Daar krijgen we Emma niet mee terug. Stilte op plaatje drie: dan weet meneer Martin het ook even niet meer. Zo zijn er meer gesprekken die wat vreemd aandoen, en dat ligt vooral aan de verstilde mimiek van de personages. Ze communiceren niet maar praten monotoon voor zich uit. Het had allemaal wat echter, menselijker gemogen.

Aan de andere kant: gedraag je maar eens welwillend naar de lezer als je achterna wordt gezeten door een bende vol getatoeëerde latino’s die je op het spoor zijn. Dan kun je maar beter net doen alsof het je allemaal niets doet. (Tipje van de sluier: dat laat Phillipe Martin inderdaad volledig koud). De slotscène in de stadse omgeving van Barcelona heeft genoeg spanning om de aandacht erbij te houden, ook al is dan lang en breed duidelijk hoe de vork in de steel zit. Dat de kwade genius in zijn laatste moment als vrij mens nog snel even alles opbiecht en paginabreed uit de doeken doet, is niet werkelijk nodig. Maar het past wel in het geheel: dat van een lekkere B-film met de goeie en de slechterik en een heleboel momentjes die misschien wat meer diepgang hadden mogen hebben.

Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven. Arboris. 72 pagina’s. € 8,95. Ook verkrijgbaar als hardcover: € 18,95.

Strips & comics

Gelezen: Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a Book Thief

In de zwarte komedie Memoirs of a book thief worden de literaire pretenties van een dolle horde Parijse artistiekelingen op een genadeloze manier gefileerd. Als de matte en gesjeesde rechtenstudent Daniel Brodin op een keerpunt in zijn leven is aanbeland, flikt hij een waar kunststukje op een rumoerige dichtersbijeenkomst: hij draagt een gedicht voor dat niet van hem is, maar van een of andere onbekende Italiaanse poet maudit. Zijn vertaling, uit het hoofd – dat dan weer wel – zorgt voor de onmiddellijke acceptatie van Brodin in de gemeenschap. Wat volgt is een periode van omhoogvallen en drankgelag, maar ook van twijfel en gevaar: een van de aanwezigen herkende het existentialistische gedicht La Cagna del pastore toevallig wél en laat Brodin bungelen “omdat hem die aanblik zo bevalt”.

Niet bekend met de mores van de literaire scene bluft Brodin zich een slag in de rondte. Zijn entourage is zeer te spreken over zijn inbreng, Brodin is de frisse wind die het literaire Parijs in de jaren vijftig zo node miste. Als hij in complete dronkenschap murmelt dat ze de Eiffeltoren moeten uitzetten omdat het licht hem pijn aan de ogen doet, zien zijn medestanders daarin een groter doel: het omverwerpen van de heersende mening, op weg naar een avantgardistische toekomst.

Zo buitelen de scenes over elkaar: Brodin trekt in bij een groep revolutionaire bohémiens die inbreken vanuit levenskunstige motieven. Een baan is nu eenmaal onverenigbaar met het artistieke bestaan dat ze ambiëren (maar dat verder nergens uit blijkt). Brodin, die altijd al boeken stal voor de kick ervan, kan zich prima vinden in die kliek.

Hij ontmoet er een rijk meisje dat de thuissituatie ontvlucht omdat haar vader een rechtse conservatief is die niets moet hebben van luie kunstenaars en poseurs als Sartre. Zij trekt bij Brodin in, maar raakt gaandeweg verveeld omdat ook Brodin zich steeds verder van zijn omgeving vervreemdt.

Het scenario van de Italiaan Allesandro Tota waaiert gaandeweg alle kanten op. Het is een opeenvolging van anekdotes die met dunne draadjes aan elkaar zijn verbonden. Dat maakt het vermakelijk op de korte termijn, maar zorgt er ook voor dat het verhaal ons uiteindelijk nergens naartoe brengt. Brodin raakt niet bekeerd of begeesterd, keert niet op zijn schreden terug. Hij wil nog steeds een literair auteur worden, maar dat was al zijn idee aan het begin van de geschiedenis.

Toch is Memoirs of a book thief een geweldige leeservaring. De personages, die Fransman Pierre van Hove met veel gevoel voor emotie neerzet, passen perfect in het tijdsgewricht. De cafés zijn echte Parijzer uitspanningen uit de jaren vijftig, aan alles is te zien dat Van Hove zich goed heeft gedocumenteerd. Tegelijk is zijn tekenwerk gedienstig aan het verhaal. Van Hove kiest niet voor bijzondere perspectieven en uitgewerkte panorama’s, maar houdt het zelfs opvallen rustig: de pagina-opmaak is eenvoudig en klassiek.

Memoirs of a book thief is een aanrader omdat het literaire wereldje er zo zalig op de hak wordt genomen. Alle zelfingenomenheid, pretenties en opdringerige ismen met hun dweperige gevolg, het wordt genadeloos gefileerd door een buitenstaander die met open armen wordt binnengehaald als de… ja, wat eigenlijk? Brodin weet het zelf niet eens.

In die dwaasheid zit het plezier van deze graphic novel. Dat het een anekdotisch sfeerverslag is, zonder al te veel verhalende diepgang, is nergens een bezwaar. In dat opzicht sluit het perfect aan bij de verhalen die Brodin hoort in het café: die gaan ook nergens heen, maar klinken voor het moment zelf machtig interessant.

Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a Book Thief. SelfMadeHero. 176 pagina’s hardcover. € 18,99.

Strips & comics

Gelezen: Maarten Vande Wiele – Zeep 2

Exact twee jaar na deel 1 verscheen onlangs de afsluitende, tweede episode van Zeep, de graphic soap novel van Maarten vande Wiele. Eindelijk komen de lezers te weten hoe het afloopt met Kenneth, Barbra en het wankele Castelson Imperium, waar haviken en profiteurs omheen zwermen als wespen bij een picknicktafel. Want wat is nu de rol van Todd? Hoe gevaarlijk is Rachella Kabuki nog na al die jaren? En hoe staat het met de gezondheid van moeder?

Zoals dat hoort hangt Zeep aan elkaar van cliffhangers en intriges. Om één tipje van de sluier op te lichten: het gaat niet goed met moeder. Het gaat zelfs zo slecht dat Ken, die veel brozer is dan hij zich voordoet, het imperium tijdelijk aan Barbra overdraagt: “Ik weet dat ik veel van je vraag, maar moeder heeft me nodig en jij bent de enige aan wie ik mijn levenswerk toevertrouw”. Maar o wee, nu Barbra de touwtjes in handen heeft ruiken haar tegenstanders bloed. Lukt het ze om via Barbra het hele Castelson-merk te gronde te richten? En kan zij niet in de val worden meegesleurd?

Vlaming Maarten vande Wiele werkt al bijna twintig jaar aan een eigenzinnig oeuvre dat herkenbaar is uit duizenden. Zijn tekenwerk is joyeus en is geïnspireerd op design, pop-art en lagere kunsten. Hij gebruikt grote kleurvlakken, een heel swingende lijnvoering en oud-modieuze figuren en voorwerpen. Kijk alleen al naar het omslag van deel 2 en geniet van de mobiele bloktelefoon van lang geleden. Zijn glamoureuze Paris-albums zijn net als Zeep vol bling en schijn. De verhalen zijn lichtvoetig, maar niet plat: daarvoor zijn de figuren te geraffineerd en duister. Dat hij zijn groteske pagina’s heeft opgezet met een roze steunkleur is hooguit een afleidingsmanoeuvre.

Een sterk punt van Vande Wiele zijn diens zalige dialogen. Wie er het plezier van inziet, moet enkele scenes zeker eens hardop voorlezen. De personages schmieren, zuigen, drammen en dreinen dat het een aard heeft. Er is geen middelmatig figuur te vinden, iedereen moet het hebben van valse beloften, grote gebaren en leugens om bestwil. Het klinkt als amateurtoneel met te dik aangezette stemverheffingen voor het dramatische effect. Show, don’t tell? Ben je gek, je showt het én je laat het vooral horen!

Eigenlijk is Barbra nog de gewoonste van het stel: soms ziet de lezer haar kijken en peinzen, alsof ze nog niet gewend is aan hoe het eraan toegaat in de wereld van multinationals, familiebedrijven en de zeepbusiness. Dat klopt voor een deel, al zal ze nooit van haar plaatsje opstaan. Er is genoeg wat haar hongerig, geduldig en bij de les houdt.

De personages zijn stuk voor stuk gemodelleerd naar de Amerikaanse soaps uit de jaren tachtig en negentig, zoals Dallas en vooral Dynasty. Achter in het boek, bij de bedankjes, is Vande Wiele openhartig en lief: “[Ik wil] vooral mijn moeder [bedanken], die in 1986 een 9-jarig jongetje liet kijken naar Dynasty en hem Barbie poppen cadeau gaf. Daarmee is iets in gang gezet dat nooit meer stopt. Dynasty is het geschenk dat blijft geven.”

De tijdgeest van de eindjaren tachtig zien we terug in de kleding, in de interieurs maar evengoed in de verhaallijnen: er zit veel oude romantiek bij, voor de gevoeliger ziel zelfs genoeg om nostalgisch van te worden. Het dweepzieke gedrag van Rachella Kabuki bijvoorbeeld sleept zich voort: de stuurse trut met haar vileine babbels blijft maar door-emmeren. Een moderne mens zou haar een schop onder de bips geven: kind, ga een ander vervelen! Maar wie zich de tv-soaps van vroeger voor de geest haalt weet hoe lang alles uitgemolken werd. Hoeveel maanden was Sue Ellen niet de risee op de ranch in Dallas? En hoe lang kon JR zijn gang niet gaan? Dat specifieke tempo zit heerlijk in Zeep verwerkt. Een kunst, die heel gemakkelijk genegeerd kan worden maar die essentieel is voor een goede pastiche. Vande Wiele is duidelijk niet over één nacht ijs gegaan, Zeep is grondig op alle vlakken.

Je zou willen dat er een studio Vande Wiele bestaat, waardoor Zeep met het tempo van een Kiekeboe of Urbanus kan verschijnen. Dat zou het genre geweldig goed doen; Zeep hoort de lezer om de haverklap te bereiken. De zalige intriges en de nukkige personages met hun streken zijn het ideale leesvoer voor veel meer dan deze twee geweldige albums. Wie weet, voor nu kan iedereen zonder meer naar de winkel om snel deze twee Zepen aan te schaffen.

Maarten Vande Wiele – Zeep 2. Oogachtend. 168 pagina’s, €17,50.

Strips & comics

Gelezen: Tatána Rubásová & Jindrich Janícek – Een wonderlijke expeditie van robots

Sommige strips raken helaas niet in het zicht van de liefhebber. Het kan zijn dat de uitgever ze geruisloos in de markt zet of dat de albums niet opvallen in het geweld van de enorme aantallen strips die er wekelijks verschijnen – helemaal nu, met veertig tot zeventig titels per week.

In het geval van Een wonderlijke expeditie van robots, van het Tsjechische duo Taťána Rubášová en Jindřich Janíček, is het een combinatie van factoren. De strippurist zal ten eerste zeggen dat het geen echte strip is, omdat er per pagina slechts een grote illustratie is, met daaronder de tekst zoals we gewend zijn van de Bommelstripverhalen. Geen kaders, geen balloons en dan ook nog eens opgezet in een bijzondere kleurstelling, met vreemde robots die uiterlijk weinig sprankelen. Al die zaken bij elkaar opgeteld zal de toevallige passant in de (strip)boekhandel niet meteen over de streep trekken.

Jammer? Jazeker, want Een wonderlijke expeditie van robots is het geestige verhaal van Jacob en Willem, twee robots die op expeditie gaan om de raadselen van hun bestaan te ontdekken. Iets wat zij overigens denken te vinden bovenop de overblijfselen van óns bestaan, dat van de mens. Niet dat zij dat weten of zelfs maar bevroeden: de lezer ziet veel meer in de inventieve tekeningen dan de beide robotjes. Dat maakt hun zoektocht en eindeloze discussie klunzig en humoristisch.

Het geestige zit vooral in de menselijke trekjes van beide expeditieleden: hoewel ze machinaal zijn, denken ze tot op zekere hoogte als mensen. In het geval van Jacob zit zijn denkvermogen in een Pede-ef, Willem zweert bij een Doc. De beide figuren houden er daardoor zo hun eigen ideeën op na en dat uit zich in eindeloze gesprekken over de te volgen koers. Ze blijken onverbeterlijke zemelaars.

Er wordt geen reden gegeven waarom uitgerekend deze twee figuren aan elkaar gekoppeld zijn, want een echt team is het niet. Om het minste of geringste (al valt dat te bezien in het licht van het geheel) raken de robots uit hun evenwicht: zo komen alle essentiële levensvragen één voor één langs. Taťána Rubášová verpakt dat opvallend lichtvoetig: nergens lijkt de theorie er aan de haren bijgesleept of wordt het zware kost.

Het boek wordt gebracht als een strip voor 10+. Dat is een keuze, al geeft het de geïnteresseerde lezer misschien nog een reden om het te laten liggen. Het is namelijk evengoed voor volwassenen. Uiteindelijk is het vooral een keuze voor het tekenwerk van Jindřich Janíček dat je aanspreekt of niet: het lijkt gesteendrukt of gezeefd (in ieder geval ruikt het boek exact naar dergelijk handwerk), met overlappende kleuren die tezamen een mooie waaier opleveren. Het zijn de kleuren die je aantreft in de alternatieve concertposter- en zinecultuur. Een wonderlijke expeditie van robots zou niet opvallen op een smallpress beurs of zinefest.

En zo is de cirkel rond: het valt niet op omdat het enerzijds te opvallend en anders is, anderzijds is het feitelijk een veel traditioneler (strip)boek dan je zou verwachten. Wat Willem en Jacob nodig hebben, is een wonderlijke marketing van robots.

Taťána Rubášová & Jindřich Janíček – Een wonderlijke expeditie van robots. Uitgeverij Boycott. 96 pagina’s. € 17,50.

Strips & comics

Gelezen: Aurélie Neyret & Joris Chamblain – Het dagboek van Cerise 1: De stenen dierentuin

In de week waarin Raina Telgemeiers graphic novel Guts het best verkochte boek in de Verenigde Staten werd (ruim boven de nieuwste Stephen King, om maar iets te noemen), verschenen in Nederland de eerste twee delen van Het dagboek van Cerise, een prima strip voor dezelfde doelgroep: lezers vanaf negen jaar. Dat is bemoedigend, omdat er de laatste tijd nogal dramatisch wordt gedaan over het lezen van strips. Kinderen zouden beter “gewone” boeken lezen, klonk het na de aanbevelingen van de Raad voor Cultuur onlangs om ook strips toe te laten binnen schoolprogramma’s. Nog steeds zijn er grote mensen die denken dat strips je niet kunnen geven wat Thomas Rosenboom en Stijn Streuvels je wel bezorgen (behalve een afkeer van lezen als je dertien bent).

De Raad formuleerde het slim: als kinderen strips willen lezen, laat ze dat vooral doen. Anders gezegd, waarom zouden we lezen beperken tot literatuur? Neil Cohn, cognitiewetenschapper en striptheoreticus verbonden aan de universiteit van Tilburg, meldde zich onlangs op Twitter met een interessant en wetenschappelijk onderbouwd draadje over dit fenomeen. Zijn conclusie ging viraal: strips lezen is lezen.

Terug naar Cerise. Kinderen van 9 tot 13 hebben geluk, want wat de Franse jeugd al meer dan vijf jaar weet, is nu eindelijk in Nederland doorgedrongen: Het dagboek van Cerise is een ontzettend leuke, mooie, lieve, grappige en ontroerende stripreeks. Cerise is een meisje van tien dat een dagboek bijhoudt omdat ze later schrijver wil worden. Alles wat ze met haar vriendinnen Lindsey en Erica meemaakt, schrijft ze op. In de strip wordt dit afgewisseld met het verslag van de belevenissen zelf.

In De stenen dierentuin, dat tegelijk verschijnt met deel 2, Het boek van Hector, ontdekken Cerise en haar vriendinnen een zonderlinge figuur in het bos, die ze meneer Vraagteken noemen. Het is een oude man die met potten verf loopt te zeulen en die steeds op onverklaarbare wijze verdwijnt. Na een tijdje ontdekken de drie een hoge muur in het bos, precies op de plaats waar ooit een dierentuin was. De meisjes weten daar uiteraard niets van maar hun ouders wel. Dan wordt ook duidelijk wie de oude man is en wat hij daar doet. Met hulp van de drie – en een heleboel andere kinderen – helpen ze hem zijn droom te verwezenlijken. Het is poëtisch, een tikje naïef en tegelijk bijzonder sfeervol gebracht.

Het fraaie tekenwerk van Aurélie Neyret past precies bij de hybridevorm van de dagboekstrip. Ze gebruikt geen kaders, waardoor Cerises dagboekaantekeningen op een vloeiende manier in de paginaopmaak passen. Het zorgt er meteen voor dat het verhaal heerlijk soepel leest, niet in de laatste plaats doordat de vertaling heel goed in elkaar steekt: we lezen echt een tienjarige, al is het wel een wijsneus. Als Cerise het heeft over haar vriendinnetje Lindsey, dan roemt ze haar eenvoud en oprechtheid. Dat klinkt wat fors voor een tienjarige.

Mooi van deze Lindsey is dat ze fotograaf wil worden. Haar foto’s komen ook terug in het boek, waardoor er een interessant vertelperspectief aan het geheel wordt toegevoegd. Dit alles maken de avonturen van Cerise, waarvan er in het Frans al vijf albums verschenen, slim en doordacht.

De stenen dierentuin lijkt in meerdere opzichten op het werk van Frank Pé, met name zijn Ragebol-albums vanwege de thematiek en de fraaie dieren. Ook heeft het iets weg van het werk van Lorena Alvarez, toevallig ook een illustratrice die de overstap van kinderboeken naar kinderstrips maakte. Neyret heeft een aansprekende stijl, die nog eens wordt ondersteund door een passende, zonnige inkleuring.

Je zou wensen dat veel kinderen kennis maken met Het dagboek van Cerise, vanwege het verhaal, de mooie mengvorm van strip en dagboek en omdat het een vriendelijke en spannende leeservaring is. Om al die redenen zou het ‘gewoon’ in de kinderboekwinkel verkrijgbaar moeten zijn en in de boekhandel – en dan vooral niet bij de strips maar bij de jeugdboeken. Alleen zo krijgt het een kans van slagen: de in zichzelf gekeerde stripwereld met zijn hoogdrempelige stripspeciaalzaken weet Cerises doelgroep niet te bereiken. Als we iets hebben geleerd van de successen van Raina Telgemeier dan is het wel om vooral te kiezen voor de reguliere kanalen, waar jonge lezers hun ontdekkingen doen. Cerise verdient hetzelfde succes.

Aurélie Neyret & Joris Chamblain – Het dagboek van Cerise 1: De stenen dierentuin. Silvester. 80 pagina’s. € 9,95. Ook in hardcover: € 19,95. De twee hardcovers zijn ook in een kennismakingspakket beschikbaar voor € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop de bus zonder haar vertrok

Een verder lege omslagillustratie toont een schuchtere jonge vrouw, die naar de titel van het album lijkt te kijken: de dag waarop de bus zonder haar vertrok. De dame die alleen achterblijft heet Clementien, een vroege dertiger die op zoek is naar het Geluk. Ze is een exponent van de Happinez-generatie, die haar heil zoekt in yoga, meditatie en hogere doelen nastreeft als antwoord op ongeveer alle existentiële vragen van het Leven.

Eigenlijk is Clementien een beetje een oenige lieverd, die met haar goede bedoelingen al snel de sympathie van de lezer verovert. Als ze besluit om een weekendje met een groep op yoga-retraite te gaan, hebben we haar al vergeefs zien mediteren. Terwijl ze uit alle macht haar gedachten probeert weg te drukken door aan een vorm te denken, eindigt ze met het levendige beeld van een amandelcroissant in haar hoofd. Daarna verslaapt ze zich en is ze te laat voor de zonnegroet. Zo iemand.

Als de bus op vrijdagmiddag vertrekt heeft ze zich moeten haasten en is ze vergeten om naar de wc te gaan. Bij de eerste tussenstop gaat ze alsnog, maar als ze eenmaal op de parkeerplaats terugkomt, is de bus zonder haar verder gegaan. Clementien is gestrand bij Antoine, een zachtaardige man met een zalvende oogopslag. Deze Antoine stelt Clementien op haar gemak met een aantal zen-geïnspireerde verhaaltjes. Clementien blijft het weekend logeren en samen hebben ze inspirerende gesprekken over het leven, zingeving en antwoorden. Alles is in harmonie en gebeurt met aandacht.

Dit kan eenvoudig ontsporen in oeverloos geouwehoer, maar gelukkig blijft het daar precies ver genoeg vandaan. Het is net geen zijige leuterpraat, net niet quasi-filosofisch of obscuur. Dat mag worden bijgeschreven op het conto van scenarist BeKa die een knappe balans heeft gevonden tussen spiritualiteit en een innemend verhaal dat ook leuk is voor mensen die niet iedere donderdagavond in een bikram iglo zitten te zweten. De verhalen die Antoine vertelt en die Clementien inzicht in haar levenswandel verschaffen zijn bovendien heel goed gekozen. En het leuke vooral: ze zijn makkelijk te onthouden en na te vertellen. Het zijn waarheden waar je wat mee kunt.

De tekeningen van MARKO – met allemaal hoofdletters, hoe on-zen is dat? – zijn vriendelijk en passen goed bij de rust van de vertelling. Hetzelfde geldt voor de inkleuringen van Maëla Cosson. Hoewel het geen genre op zich is, zou dit gemakkelijk de blauwdruk van een hedendaagse, Westerse spirituele strip kunnen zijn.

De flaptekst kan je gemakkelijk huiverig maken, maar toch is De dag waarop de bus zonder haar vertrok stiekem een heel aardig album. Het is in ieder geval tien keer beter dan het vervolg dat tegelijkertijd verscheen: aan deel 2, De dag waarop ze haar vlucht nam, is namelijk echt van alles mis.

De eerder sympathieke figuren zijn vervelende betweters geworden, inclusief Clementien. Ze zijn stuk voor stuk types die zich buiten de maatschappij bevinden en die alleen maar zogenaamde harmonie en medestand treffen. De lezer krijgt een optocht van blije kwezels voor zijn kiezen met wie het eenvoudig niet identificeren is. Gaandeweg roept het verhaal zoveel weerstand op dat de lol van het lezen je vergaat. Het gaat ineens over Light Warriors, succesvolle figuren die het ideale leven hebben ontdekt. Clementien hoeft alleen nog maar te bedenken wat voor haar het ideaal is: “ik moet in mijn hoofd een beeld prenten van het leven dat ik wil leiden en dat beeld mag ik dan niet meer loslaten, wat er ook gebeurt. Mijn geluk hangt ervan af.” Nou, succes meid. Ik vond je leuker toen de bus zonder je vertrok.

Het verschil tussen beide albums vinden we vooral terug in de ontwikkeling van Clementien. Zij begon als innemend en onbeholpen, en eindigde een paar essentiële antwoorden rijker. Het was een mooi proces, dat de lezer gemakkelijk kon meevoelen. De succesverhalen van al die zogenaamde verlichte zielen uit deel 2 staan mijlenver van de lezer af. Ze raken nergens aan een gevoel van herkenning. Het zou gemakkelijk een soort sciencefiction kunnen zijn.

Overigens is het geen enkel probleem om alleen deel 1 te lezen. Dat verhaal is afgerond en interessant van zichzelf. Completisten en mensen die niet gewaarschuwd zijn kopen deel 2 erbij en zullen vast tot dezelfde conclusie komen. Het zij zo. Toch kunnen we eerlijk zijn: zó existentieel is het allemaal nu ook weer niet.

BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop de bus zonder haar vertrok. Daedalus. 72 pagina’s hardcover. € 20,50.

BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop ze haar vlucht nam. Daedalus. 72 pagina’s hardcover. € 20,50.

Strips & comics

Gelezen: 60 jaar Rode Ridder

De Rode Ridder, een van de oerfiguren uit het universum van Willy Vandersteen, is een man van vele gezichten. Dit jaar wordt gevierd dat hij zestig jaar geleden bedacht werd, zoals dat bij stripfiguren heet: Johan is immers nog net zo oud als toen zijn avonturen begonnen in 1959. Voor de uitgever reden om eens flink uit te pakken, met een zestal integrale bundels van de eerste zesendertig albums, een unieke remake van een klassieker én de reguliere serie die zonder spoortje van slijtage voortdendert.

Van de integrale bundels zijn er intussen vier verschenen, telkens voorzien van een goed gedocumenteerd dossier als bescheiden extraatje van een pagina of twaalf. Voorin de bundelingen, bij het colofon, wordt nog even stilgestaan bij de redactionele keuzes die gemaakt zijn: alle verhalen zijn met hun originele belettering opgenomen, zoals ze destijds in de eerste albums uit de reeks verschenen. In het kader van de authenticiteit en originaliteit van met name de eerste paar verhalen valt te billijken dat het niet opnieuw geletterd is. De af en toe onbeholpen lettering past mooi bij de sfeer en de ouderdom van de strips. Maar dat er vanwege diezelfde authenticiteit ook is gekozen om de spelfouten gewoon te laten staan, is wat kras. In een paar gevallen had er met een beetje Photoshop-werk best wat aan de in het oog lopende fouten gedaan kunnen worden.

Klein bier voor de echte liefhebber, die geniet van het gedateerde taalgebruik en vooral van de vertellende voortgang: door het hele verhaal blijven de acteurs geduldig en uitvoerig doorpraten. Als Johan iets ontdekt dan bespiegelt hij deze vondst uitvoerig en hardop, zodat de lezer niets zelf hoeft uit te vinden. Ook tijdens koene zwaardgevechten praten ze dat het een aard heeft. Het zogenaamde show don’t tell-pricipe was duidelijk van nadien. Het hoort bij de charmes van de strips van toen.

Wat de verhalen daarnaast zo genietbaar maken zijn de terugkerende visuele elementen. Een onguur type op de voorgrond dat schalks over zijn schouder kijkt, is een spion of een verrader. Een man die met gesloten ogen aan het einde van zijn latijn is, heeft altijd nog een paar belangrijke aanwijzingen in petto. Vechtpartijen en worstelingen volgen eenzelfde procedé en de naarling is meer dan eens gekleed in een lang gewaad met een gezicht bedekkende kap. Wie de oude verhalen uit de integrale bundelingen leest, houdt van zulke houvast. Het geeft de verhalen een klassieke zweem.

De thematiek is groots en meeslepend. Knapper en beknopter dan het achterop de boeken wordt uitgelegd is niet mogelijk: Onvermoeibaar trekt Johan, de Rode Ridder, ten strijde tegen schurken,m monsters, heksen, tovenaars, wrede tirannen en boosaardige machten. Een strijd die hij ondanks de felle tegenstand, steeds met glans weet te winnen.

De lezer die hier een goed gevoel bij heeft, zal zich zeker geen buil vallen aan de flinke bundels. Wie er eentje wil proberen, moet weten dat de verhalen uit de vierde integrale zich in Engeland afspelen aan het hof van Arthur. In het derde deel zwerft Johan door Europa, van Griekenland tot Noorwegen, in de tweede integrale zit de Rode Ridder voornamelijk in het verre Oosten. Kies je eigen voorkeur.

Zoals vaker is het dossier van het eerste deel het interessantst. Het handelt over de begindagen, de zaken die van invloed waren op het ontstaan van de serie en de situatie op de studio van Vandersteen. In het tweede deel gaat het over de grafische ontwikkelingen, zoals de haardracht van Johan “met zijn karakteristieke opkrullende nekhaar” en de kleding, schilden en wapens. Vanaf deel drie wordt de informatie iets minder aansprekend en gaat het voornamelijk over de personeelswisselingen op de studio. Interessant vanuit historisch perspectief, maar vooral gericht op de echte liefhebber.

Wie in dit diamanten jubeljaar alleen over de eerste zesendertig delen spreekt, doet de Rode Ridder tekort. De serie bestaat namelijk nog steeds en in volle glorie: deze maand verscheen nota bene deel 263, De vervloekte talisman. Inmiddels heeft de Rode Ridder zijn gesoigneerde nekhaar ingewisseld voor blonde manen, maar de heroïek is er niet minder om geworden. Anders gezegd: de verhalen van tekenaar Fabio Bono en scenarist Marc Legendre, die de reeks vanaf nummer 250 onder hun gezamenlijk hoede namen, zijn erg sterk, met overkoepelende verhaallijnen die ronduit spannend zijn en de vaart er goed inhouden.

Van de serie verschijnen vier delen per jaar, die achter elkaar lezen als een soort riddersoap. In de min of meer doorlopende verhalen, met af en toe een stapje opzij, leren we vooral Johans metgezel Allis steeds beter kennen: aanvankelijk als een drieste jonge vrouw die het opneemt tegen de eeuwige schurk Malfrat. Samen met Johan bindt deze uitverkorene de strijd aan, eentje die uiteraard gevoerd wordt om grote gebaren als goed en kwaad, eerlijk ridderschap en goedertierenheid. Johans doel van de eerste reeks die liep van 250 tot en met 257 is om Allis naar Merlijn in Camelot te brengen. Spannend, spannend: van deze zeven delen zou een heerlijke integrale gemaakt moeten worden.

Vanaf deel 258 zijn de verhalen weer min of meer losstaand, al zijn Johan en Allis altijd onderweg naar hun lotsbestemming. Daarbij leren de twee elkaar steeds beter kennen, want ze houden er allebei nogal wat geheimen op na. In De vervloekte talisman lezen we bijvoorbeeld dat het verleden van Johan bepaald niet brandschoon is geweest. Het knappe van de serie zit in de details, want dat wij iets te weten komen over de geschiedenis van Johan is niet toevallig: dat draadje zal in de nabije toekomst vast essentieel blijken. Het zijn deze cliffhangers en opzetjes die van de nieuwe Rode Ridders een sterke reeks maken.

Om de festiviteiten van nog meer glans te voorzien, verschijnt er in oktober een eenmalige bijzondere editie van het klassieke album De toverspiegel, nummer 58 uit de reeks, voor de gelegenheid van de hand van stripmaker Patrick Cornelis. Dat verhaal uit 1973, destijds getekend door Karel Biddeloo, is voor veel Rode Ridder aficionado’s een markant en bijzonder album. Zo maakten de lezer voor het eerst kennis met de fee Galaxa, die daarna nog vaak zal terugkeren.

In Vlaanderen, waar de Rode Ridder een uitbundige en trouwe fanschare heeft, zijn er eind september zelfs kasteelfeesten en exposities aan de strip gewijd. Het zegt iets over de populariteit van de strip. Niemand is te laat: instappen is eenvoudig en de nieuwste reeks aan te bevelen.

Willy Vandersteen Studio – De Rode Ridder integraal: De eerste avonturen, deel 1 – 4 (van 6). Standaard Uitgeverij. 236 pagina’s, hardcover. € 34,99 per deel.

Fabio Bono & Marc Legendre – De Rode Ridder 263: De vervloekte talisman. Standaard Uitgeverij. 32 pagina’s. € 6,50.

Willy Vandersteen, Karel Biddeloo & Patrick Cornelis – De toverspiegel. Standaard Uitgeverij. 40 pagina’s. € 6,99.

Strips & comics

Gelezen: Frantz Duchazeau – Lomax, Collectors of Folk Songs

De weinig specifiek geformuleerde titel van deze graphic novel is bedrieglijk. Die zou gemakkelijk het idee kunnen geven dat Lomax, Collectors of Folk Songs een grafische biografie is van vader John en zoon Alan Lomax, de twee belangrijkste Amerikaanse etno-musicologen van de vorige eeuw. Dat is niet het geval: in Lomax, Collectors of Folk Songs lezen we over een korte periode in de jaren dertig, waarin vader en zoon hun baanbrekende werk feitelijk aanvangen. Het verhaal leest als een opeenvolging van markante scènes en gebeurtenissen.

Een blurb van Martin Scorsese op het achterflap maakt duidelijk hoe belangrijk John en met name Alan Lomax zijn geweest voor de (muziek)geschiedenis van de Verenigde Staten: “John and Alan Lomax were doing one of the most important things anyone could do. They were preserving the past before it dissapeared forever.” Samen namen ze duizenden uren aan traditionele muziek op; liederen die vaak al niet meer werden doorgegeven, maar die dankzij hen bewaard zijn gebleven.

Gewapend met voor die tijd behoorlijk geavanceerde opname-apparatuur en wax cilinders gingen vader en zoon op pad in de zuidelijke staten, op zoek naar met name zwarte Amerikanen die nog kennis hadden van de oude blues, de liederen die werden gezongen en gespeeld op plantages. Onderweg ontmoetten ze genoeg scepsis en weerstand: de segregatie was bij lange niet verdwenen en de oude generatie zwarte Amerikanen had niet veel op met die twee blanken die ineens voor de deur stonden. Met een raar verzoek nota bene.

Met doorzettingsvermogen en overtuigingskracht wist zoon Lomax hun goede bedoelingen duidelijk te maken. Maar zodra de zwarte gemeenschap eindelijk sympathiek tegenover de beide heren stond, dienden zich andere problemen aan: de lokale blanke bevolking, met de klassieke, horkerige plantagehouder en de sheriff vooraan, vond het beter voor de sfeer dat beide heren hun boeltje pakten en opkrasten. Aandacht voor ‘die marginale, primitieve muziek’ was verdacht. In die entourage deden vader en zoon hun werk.

De zwartwitte inkttekeningen van Fransman Frantz Duchazeau passen perfect in het tijdsbeeld van de jaren dertig. De zwierige lijnen volgen de slobberige hemdsmouwen en klassieke hoeden. Duchazeau is op zijn plaats in dit tijdperk: na Lomax, dat hij al in 2011 tekende, werkte hij aan Blackface Banjo, een strip over racistische minstrelen-revues. In het Nederlands verscheen van zijn hand tot op heden alleen Gilgamesh (2007).

Lomax, Collectors of folks songs is een interessante graphic novel, maar beslist geen allesomvattende biografie of zelfs maar een strip die pretendeert een bepaald thema volledig uit te werken. Hoewel het een behoorlijke periode beslaat en enkele belangrijke ontmoetingen worden aangehaald, blijft het verhaal het idee van een momentopname hebben: dat wordt vooral duidelijk als vader Lomax wordt opgenomen in het ziekenhuis en zijn zoon er voor een poos alleen voor staat. Die onderbreking dient het verhaal nergens. Het is een raadsel waarom die keuze is gemaakt, zeker gezien de geweldige anekdotes en verhalen die er bekend zijn over het baanbrekende werk van Lomax. Wie The man who recorded the world heeft gelezen, de uitmuntende Lomax-biografie van John Szwed, weet zo een aantal veel boeiender situaties aan te halen die deze graphic novel op een hoger plan hadden getild.

Is deze strip daarmee door het ijs gezakt? Nee, want het geeft een mooi tijdsbeeld en laat prachtig zien onder welke omstandigheden vader en zoon hun werk deden. De scene waarin O’Patterin zijn liedjes terughoort die net zijn opgenomen is alles waard. Of het bezoekje dat ze brengen aan de gevangenis van Louisiana waar op dat moment Lead Belly opgesloten zit: ze krijgen het voor elkaar dat hij een aantal worksongs op zijn gitaar speelt, liederen die plantagearbeiders zongen tijdens hun zware arbeid.

Zo zitten er genoeg mooie momenten in Lomax, Collectors of Folk Songs. De echte folkfanaat en bluesfan vindt de 120 pagina’s vast te beperkt, maar ook zij zullen zich vermaken met deze fijne graphic novel die toch meer is dan een levenswandel in sneltreinvaart.

Frantz Duchazeau – Lomax, Collectors of Folk Songs. Self Made Hero. 120 pagina’s. € 20,95.

Strips & comics

Gelezen: Hayden Sherman, Adam Glass & Olivia Cuartero-Briggs – Mary Shelley Monster Hunter

Het verhaal van Frankenstein is al zo vaak afgestoft en weer tot leven gebracht dat de figuur bijna permanent onder de mensen is. Meestal is het Frankenstein die in het middelpunt staat, of een van zijn creaties, in de vijfdelige comicserie Mary Shelley Monster Hunter is het de schrijfster zelf: Mary Wollstonecraft Godwin, die dan nog niet is getrouwd met de pompeuze windbuil Percy Bysshe Shelley.

Mary, die aanvankelijk een tikje dociel achter haar beroemde wederhelft aanhobbelt, ontwikkelt zich in het verhaal razendsnel als een pittige tante die het heft in handen neemt. In historisch perspectief logisch: ze was de dochter van feministe Mary Wollstonecraft en pas negentien ten tijde van dit verhaal.

Percy, Mary en een groepje vrienden onder wie de dichter Lord Byron reizen in de herfst van 1816 naar Genève, waar zij na enige omzwervingen terecht komen in het kasteel van Frankenstein. Het is er griezelig en macaber, zoals het hoort. Daar doet Mary een ontdekking die alles overhoop haalt: de mysterieuze gastheer is helemaal niet wie ze verwachten. Sterker nog, het blijkt dokter Victoria Frankenstein, een chirurg die doden tot leven wil wekken.

Deze Victoria is een vreemde. Ze is bijvoorbeeld eerder van een hoog aangeschreven artsenopleiding gestuurd omdat ze daar als vrouw helemaal niet mocht komen. Twee jaar lang bleef ze, verkleed als man, onopgemerkt. Uiteraard is ze gekwetst en daarom wil ze wraak nemen op de misogyne horde die haar het studeren heeft belet. Voor Mary, die een feministische opvoeding genoot, koren op de molen. Victoria wil een man die ze aan haar wil kan onderwerpen om op die manier deuren voor haar kan openen die nu gesloten blijven. Samen gaan ze aan de slag, waarna ze met enig succes een man ontwikkelen: Adam.

Mary Shelley Monster Hunter is een heel aantrekkelijke comic. Het verhaal en de dialogen zijn sterk, de spanning is goed gedoseerd maar vooral het tekenwerk is buitengewoon: Hayden Sherman, die eerder de hoekige, dystopische strooptocht The Few maakte, heeft een kunststukje geleverd. Zijn werk lijkt op dat van Tyler Jenkins (Peter Panzerfaust, Snow Blind) en Gary Brown (The Massive Ninth Wave): zij delen een krachtige, directe lijnvoering en een schetsmatige aanpak. Sherman tekent op een kubistische manier die prachtige pagina-layouts oplevert. De huizen en interieurs zijn ronduit schitterend en geven een mooi beeld van de beginjaren van de negentiende eeuwse glorie, zowel de volle als vergane.

Het complete verhaal is nauwelijks honderd pagina’s en toch uitgesmeerd over vijf comicdeeltjes van ieder 32 pagina’s. Dat betekent dat er steeds een behoorlijk aantal pagina’s ‘verloren’ gaan aan reclame van andere lopende comicseries. Geen groot bezwaar, het gebeurt in alle losse comics, maar Aftershock heeft er een handje van om het behoorlijk op te rekken. Dit verhaal had prima in vier delen gekund en dan was er alsnog genoeg plek geweest voor teasers en tipjes.

Vanwege de sfeervolle, expressieve pagina’s en de krachtige inkleuringen verdient dit verhaal een mooie bundeling. De bijzondere, feministische invalshoek en de zuigende spanning maakt van Mary Shelley Monster Hunter een verhaal dat thuishoort in de kast van elke rechtgeaarde Frankenstein-liefhebber.

Hayden Sherman, Adam Glass & Olivia Cuartero-Briggs – Mary Shelley Monster Hunter. Aftershock. Vijf delen van 32 pagina’s. € 4,39 per deel. Trade paperback volgt.

Strips & comics

Gelezen: Ingrid Chabbert & Carole Maurel – Waves

Het valt niet mee om het prachtige Waves in woorden te vangen. Het autobiografische verhaal van de hand van de Franse kinderboeken- en stripschrijver Ingrid Chabbert is broos en kwetsbaar tot in de vezels aan toe. Daarmee is meteen de kracht van het boek verteld: Waves is zo mooi en exact verwoord dat iedere poging het te omschrijven feitelijk een stap terug is.

Maar toch: in Waves ontmoeten we een jong lesbisch stel dat na jaren proberen eindelijk zwanger is. De vreugde en het blije ongeloof strijden om voorrang en onmiddellijk leeft de lezer mee met de twee. Tenminste, met enig voorbehoud, vanwege de raadselachtige openingsscène van het boek die een nachtmerrie blijkt te zijn.

Snel daarna heeft tekenaar Carole Maurel, van het wonderschone Luisa: Now and Then, in haar snelle, trefzekere stijl de lezer alweer ontvoerd naar de wereld van rompertjes, echo’s en pril geluk. En dan gebeurt er iets dat alle voorspoed in één veeg voorgoed laat verdwijnen.

Het heeft Chabbert jaren gekost om het verlies van haar ongeboren kindje te verwerken. Steeds opnieuw probeerde ze de gedachten en herinneringen te ordenen, maar evenzoveel keer strandden die pogingen. Een zo belangrijk en ingrijpend verhaal vertellen, dat ook nog eens het eigen verdriet overstijgt, is een hele opgave, zo gaf ze in interviews toe. Totdat ze het beeldende en visueel krachtige stripwerk van Maurel onder ogen kreeg. In de samenwerking viel alles op zijn plaats.

Het resultaat is een bijzonder ontroerend en aangrijpend verhaal dat na het overdonderende verlies vooral gaat over het terugvinden van hoop, van intimiteit en iets van berusting. Deze herontdekkingstocht wordt deels verteld als verslag van de dagelijksheid en voor een belangrijk deel ook in de vorm van inlevende beeldspraak. Dat maakt van Waves een universeel verslag van rouwverwerking. Niet dat alles in orde is aan het einde van het verhaal, maar er is een begin gemaakt. Kleine sprankjes hoop steken daar de kop weer op.

Het is overigens bijzonder dat een zo belangrijk en persoonlijk verhaal kon worden teruggebracht tot slechts 86 pagina’s. Het knappe is dat het niets tekort komt, de geschiedenis wordt bepaald niet afgeraffeld. Chabbert en Maurel hebben juist gekozen om veel bij de lezer te laten: veel blijft onuitgesproken en is tegelijk zo intens voelbaar dat de lezer de verbindingen zelf maakt. Zo wordt het een intuïtief verhaal met handvatten en dat is precies wat nodig is om het particuliere van de vertelling te overstijgen.

In die opzet slagen Chabbert en Maurel met glans. Wie het droog houdt bij Waves is geen mens. Steeds opnieuw en gevat in de kleine alledaagsheid wordt het verlies, de pijn en de woede voorzichtig neergelegd bij de lezer. Nooit in your face: in de zwartste momenten kiest het duo voor mooie, krachtige beelden die meer tonen dan er verteld kan worden. Zo komt er dichter naar het einde steeds een beetje meer kleur terug in de tekeningen van Maurel; een voorbeeld van hoe subtiel de lezer wordt bejegend.

Waves is een strip waarin verlies en liefde meer hebben dan alleen een overeenkomstige klank. Het is een verhaal waarbij het ene niet zonder het andere kan bestaan, hoe pijnlijk dit ook is. Ronduit schitterend.

Ingrid Chabbert & Carole Maurel – Waves. Archaia Press. 96 pagina’s hardcover. € 13,99.

Strips & comics

Gelezen: Johan Neefjes – De puinhopen van Sari, vol. 1

Dit gaat leuk worden: het eerste deel van de trilogie De puinhopen van Sari van de Nederlandse Japan-adept Johan Neefjes verscheen deze zomer en het wachten op de volgende delen duurt nu al te lang. Neefjes is erin geslaagd om zoveel lekkere verhaallijnen op te zetten dat dit drieluik alleen maar kan slagen.

Aan alles is af te zien dat Neefjes in zijn element is. In de binnenflap wordt dat nog eens slim opgesomd. De Puinhopen van Sari bevat alles wat Neefjes fascineert: de Japanse jongerencultuur, kaiju (reuzenmonsters zoals Godzilla) en super sentai, de Japanse live-action series vol superhelden en special effects. Het geeft meteen een goed beeld van wat de lezer te wachten staat.

Sari is een jong meisje dat samenwoont met haar vader die brandweerman is. Hun huishouden is een chaos, Sari is op zichzelf aangewezen en rent zich een slag in de rondte om alles voor elkaar te krijgen. Veel rust is haar niet gegund: op school wordt ze achterna gezeten door twee vreemde meisjes die liedjes over haar zingen en alsof het nog niet genoeg is wordt het stadje waarin ze woont om de haverklap opgeschrikt door aanvallen van groteske monsters, die met elkaar vechten en een bende achterlaten.

Waarom dit allemaal gebeurt en waarom het zich lijkt te concentreren rond Sari, is nog niet duidelijk, maar dat alles met elkaar verband houdt, des te meer. De vertelling zit eenvoudig te slim in elkaar om al die losse eindjes toevallig te laten zijn.

Omdat het pas het eerste van drie delen is, zit het verhaal nog in de opstartfase. Neefjes is er alvast in geslaagd om een zalige exposé op te zetten: hoewel het heel snel leest en de 104 pagina’s in een rap tempo door de vingers glijden, leg je het openingsdeel niet onvoldaan opzij. Dat komt vooral door de humoristische ondertoon en de innemendheid van de goedgebekte en tikje driftige Sari.

Neefjes heeft geen moeite de sfeer van Japan in zijn strips te vangen. Dat bewees hij al met zijn mooie one-shot Yurei, dat vorig jaar verscheen. Hoewel dat duidelijk in een ander stijlregister is getekend, namelijk expressiever, zwieriger en met de schwung van sumi-e, heeft hij ook in Sari snel de toon te pakken. Sari is een dartele spring-in-‘t-veld, gestoken in een traditioneel Japans schooluniformpje. Haar gezichtsuitdrukkingen staan steevast in de overtreffende trap en ook haar houdingen passen naadloos in de Japanse manga-traditie, ondanks het feit dat Neefjes met een veel dikkere lijn werkt dan vrijwel alles wat uit Japan de oversteek maakt.

En juist om dat Neefjes er zo gemakkelijk in slaagt om van Sari een echt Japans verhaal te maken, wringen de teksten af en toe. ’s Morgens vermoedt Sari dat het weer een latertje is geworden, in de middagpauze vraagt ze zich letterlijk af wat de pot schaft en als twee monsters de brug vernielen, is alles helemaal naar z’n mallemoer. Het ís Nederlands, maar misschien té Nederlands voor Sari.

De puinhopen van Sari kan maar zo een strip worden die veel meer lezers aanspreekt dan alleen het Japan-georiënteerde smaldeel van de stripliefhebbers. Het heeft te veel positieve punten om niet voor veel meer soorten lezers aansprekend te zijn. Te vroeg om op basis van één enkel deel conclusies te trekken, maar als dit zo blijft dan hebben we een winnaar in ons midden. Dus kom op met dat tweede en derde deel, Neefjes! Neem je verantwoordelijkheid voor de lezers die willen weten hoe het verder gaat. Hataraki tsuzukeru.

Johan Neefjes – De puinhopen van Sari, vol. 1. Hanabi Publishers. 104 pagina’s. € 14,95

Strips & comics

Gelezen: Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree

In alle opzichten is Ghost Tree, de vierdelige comic van het Amerikaanse duo Bobby Curnow (scenario) en Simon Gane (tekeningen) een succes. Aanvankelijk in alle bescheidenheid uitgebracht, werd het onmiddellijk opgepikt en de hemel in geprezen. Intussen is van het eerste comicdeeltje al een vierde druk verschenen: dat gebeurt zelden.

Het afsluitende deel verscheen eind juli en daarmee is het verhaal afgerond. Alle loftuitingen blijken 100 procent terecht: Ghost Tree is een magnifiek verteld relaas over liefde, verlies en een bijzondere kijk op het leven, tot voorbij de dood. Centraal in het verhaal staat een boom die als poort fungeert voor overleden zielen die zo contact houden met het aardse.

Deze beschrijving past gemakkelijk op een horror- of suspense-verhaal, maar niets is minder waar. Ghost Tree leunt voor een deel op de Japanse cultuur van yokai (bovenaardse wezens) en yurei (geesten), het verhaal zelf blijft tamelijk nuchter. Uiteindelijk gaat het niet om de geesten zelf, maar wat zij hoofdpersoon Brandt leren over het leven.

Het verhaal begint in het nabije verleden als de tienjarige Brandt door zijn opa wordt meegenomen in het bos naast het huis van zijn familie. Als ze bij een oude boom zijn aangekomen vraagt zijn grootvader hem om twee gunsten. De eerste is om voluit te genieten van zijn jeugd. De tweede is bijzonder: kom nog eens naar deze plaats terug, bij deze boom, precies tien jaar nadat ik ben overleden.

Het verhaal maakt een sprong en de lezer ziet een geraakte, volwassen Brandt: zijn relatie loopt stroef en hij grijpt de belofte aan zijn opa aan om de situatie te ontvluchten. Eenmaal bij de boom ontmoet hij zijn opa weer, of althans: diens geest. Die legt hem uit wat al eeuwen een geheim is in de familie: zij kunnen geesten zien en met hen communiceren. Dan ontmoet hij de geest van Arami, zijn grote jeugdliefde. Zij brengt Brandt aan het twijfelen. Waarom blijft hij niet in het bos, bij de geesten en bij haar? De wereld van nu brengt hem immers zo weinig en hier kan hij zich nuttig maken.

Ghost Tree ontwikkelt zich als een melancholisch en traag schouwspel, waarin de hoofdpersoon zich verliest in keuzes die niet werkelijk keuzes zijn. Hij heeft spijt, maar waarvan? Hoe kunnen de gesprekken die hij met geesten heeft teruggrijpen op zijn eigen leven? Wat kunnen zij voor hem betekenen? Zijn opa weet dat Brandt niets te winnen heeft, maar zijn boodschap lijkt geen vat op hem te hebben. Uiteindelijk moet Brandt toch echt zelf tot de conclusie komen.

Ghost Tree is een prachtige vertelling, die pijnlijk en eerlijk is. Niemand kan zomaar weglopen voor de problemen in het leven, ook Brandt niet. Een bijzondere rol in het verhaal is weggelegd voor zijn oma, die spaarzaam spreekt en dan nog vooral in waarheden. Zij doorziet veel, maar laat tegelijk veel in het ongewisse. Met haar typische rust en waardigheid  geeft zij Ghost Tree een nog nadrukkelijker Japans tintje.

De gedetailleerde, fijngevoelige tekeningen van Simon Gane (They’re not like us) zijn ronduit fraai. Hoewel ze overduidelijk een Japanse inslag hebben, is het beslist geen manga. De pagina-indeling is klassiek westers en ook de verhaalopbouw is op onze leest geschoeid. Stripscenarist Bobby Cornuw, nota bene tot voor kort verantwoordelijk voor de verhalen van Teenage Mutant Hero Turles en My Little Pony, heeft zichzelf op de kaart gezet als begenadigd verteller. Vooral zijn rustige tempo is uit de kunst: ook hier treffen we de invloeden van Japanse tekenaars aan, zoals Taniguchi, die geldt als de meester van het temporiseren.

Ghost Tree is een verhaal dat langzaam komt en lang blijft. Een verhaal van deze geringe omvang die tegelijk zo krachtig is, verdient alle lof, aandacht en drukken. In oktober komt het in één album op de markt, tot die tijd zullen avonturiers het via de importkanalen moeten aanschaffen. Het is al die moeite meer dan waard.

Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree. IDW Publishing. 4 delen à 32 pagina’s. $3.99 per deel. TPB verschijnt in oktober 2019.

Strips & comics

Gelezen: Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York

De eerste pagina van Gabrielle Bells verhalenbundel Cecil & Jordan in New York speelt in het nu. Gabrielle neemt met haar oom en proeflezer Larry de verhalen uit de bundel door. Zelf is ze niet gelukkig met de zachte dwang die haar uitgever uitoefende om het album opnieuw uit te geven: oorpronkelijk verscheen het al in 2009. Bell vindt het gedateerd en pretentieus. Toch stemt ze in en voegt er 48 pagina’s met her en der gepubliceerd werk aan toe. De uitgever gelukkig: pas in februari 2020 verschijnt Bells nieuwe graphic memoir, Inappropriate. Deze uitgebreide verzameling korte verhalen moet het leespubliek alvast hongerig maken.

Een geslaagd idee, want hoewel er in het oeuvre van Bell geen zwakke titels te vinden zijn, geldt Cecil & Jordan in New York als de beste manier om in te stappen in de boeiende wereld van de Amerikaanse stripmaker: wie deze verhalen waardeert, heeft een mooie inhaalslag in het verschiet, met titels als Everything is flammable, The voyeurs en Truth is fragmentary.

Hoewel Bell haar verhalen deels fictief noemt, is het genoeg autobiografisch en uit haar eigen leven gegrepen. En dat is, zacht gezegd, geen geplaveide weg van uitsluitend hoogtepunten. Bell heeft er geen moeite mee zichzelf als outcast neer te zetten: ze komt uit een gebroken gezin, met een labiele moeder die zich heeft teruggetrokken en als een soort nomade in het noorden van Californië leeft, zoals Bell uitgebreid vertelt in Everything is flammable uit 2017.

Wat uit een aantal van de korte verhalen uit Cecil & Jordan in New York blijkt, is dat Bell zichzelf vooral ziet als een tiener en een jonge vrouw die weinig initiatief toont en de omstandigheden gelaten accepteert, zoals ze laat zien in I feel nothing. Vooral die berusting is bovenliggend; een betrokken lezer zou wensen dat ze wat meer lef toont en zich minder laat meeslepen in de situatie. In Hit me, een kort verhaal over haar schooljaren, slaat ze voor het eerst van zich af: het leest zowat als een totale triomf.

De beste verhalen uit Cecil & Jordan in New York zijn de meer experimentele: in Helpless en vooral My affliction zijn de verhaalgegevens zo vreemd en is Bells vertelstem zo bijzonder dat het knap is dat ze de lezer erbij kan houden. In My affliction is de hoofdpersoon gevangen door een reus, vindt ze een hond en gaat ze op zoek naar geborgenheid bij een psychiater. Alles haakt in elkaar, maar is tegelijkertijd zo willekeurig, dat er zelfs een klassieke slottune aan te pas komt, een tragisch riedeltje op een mondharmonica. Daardoor eindigt het verhaal in betrekkelijke harmonie.

Ook het titelverhaal heeft iets magisch in de vertelling: Cecil weet niet wat het leven in de grote stad haar zal brengen en verandert op straat in een rode stoel. Zo komt ze bij iemand in huis te staan. In zijn afwezigheid leest ze zijn boeken, zet ze koffie en gaat ze in bad. Het anekdotische is bijzonder, maar wie goed leest, ziet wat Bell wil vertellen: uiteindelijk gaan haar verhalen over hechten en loslaten, over verzoeken en weglopen. Bell is altijd op zoek naar het plekje in jezelf, daar waar je je op je gemak voelt.

De verhalen van Bell zijn uniek en onweerstaanbaar. In Cecil & Jordan in New York geven ze de nieuwe lezer alle kans om Bell te leren kennen. Eenmaal geraakt en veroverd, is Everything is flammable een leeservaring van de buitencategorie.

Gabrielle Bell – Cecil & Jordan in New York. Drawn and Quarterly. 160 pagina’s. $19,95.