Strips & comics

Gelezen: P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar

Een steeds weer onverwacht genoegen, dat is de Poezenkrant. Het “onregelmatig” verschijnende periodiek van grafisch vormgever, chroniqueur en “directeur” Piet Schreuders verschijnt sinds 1974 en is derhalve toe aan haar 45ste “jaargang”. De aanhalingtekens zijn niet zelfgekozen: zo staat de informatie vermeld op het omslag van de nieuwe PoKra, een dubbelnummer met twee omslagen. Aan de ene kant een reguliere Poezenkrant, op de andere kant staat een van de bekendste strippoezen ter wereld. Felix the Cat, de klassieke creatie van Pat Sullivan, heeft in 2019 namelijk de respectabele leeftijd van honderd jaar bereikt. Reden voor een flinke Poezenkrant-bijlage.

In Nederland zijn er twee vooraanstaande strippoezen. Behalve Tom Poes is dat Heinz, de nukkige kat van het duo Eddie de Jong en René Windig. Die laatste is een groot fan van Felix the Cat en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de 80 pagina’s forse bijlage van de Poezenkrant. Als extraatje bij het nummer is een inlegvel met een reproductie op ware grootte van een originele Felix-strip uit 1927 bijgevoegd. Vandaar dat de PoKra deze keer is verpakt in een krokant plasticje.

Wie de Poezenkrant niet kent, heeft weinig aan de volgende uitleg, al ligt die toch vlak bij de waarheid: het gaat in de PoKra maar zijdelings over poezen zelf. Het is geen vakblad of hobbytijdschrift. Je zoekt er vergeefs naar borstelinstructies, radiatormandjes of informatie over wormkuren en niesziekte. Eerder zoekt de redactie naar bijdragen waarin de poes een rol speelt. Een oude reclame met een poes of serviesgoed, filmbeelden, uithangborden; zodra er een poes op staat is het geschikt. Het plezier van de PoKra is dat al deze bijdragen en worden voorzien van een gedetailleerd, uiterst serieus en daardoor hilarisch commentaar. En vergeet vooral de geestige bijdragen van literaire poezenbezitters niet. In dubbelnummer 65-66 staan er twee: van Lodewijk Wiener en Jean Pierre Rawie. De laatste vertelt in een smakelijk stuk over zijn viervoeter die er op een dag tussenuit piept.

Leuk is dat ook de lezers actief zijn: zij sturen foto’s in, voorzien van geestige onderschriften. Dat zij de PoKra serieus nemen, blijkt uit de vele necrologieën die in het blad staan. Het heeft wat weg van Achterwerk in de Kast, maar dan voor volwassenen met een bepaald huisdier: een zeker slag mensen, met een specifiek soort humor, die allemaal in een fraai vormgegeven bubbel samen komen. De PoKra heeft cachet. Als je de naam op een feestje laat vallen en iemand kent het, dan is dat altijd voluit. Het is een vriendenmaker, als je daar op uit bent.

Terug naar Felix the Cat en René Windig. In de flinke bijlage wordt begonnen met ‘een stukje geschiedenis’: het ontstaan van het figuurtje, zijn kenmerkende loopje, de studio waarin alles plaatsvond, met prachtig historisch beeldmateriaal, en een uitgebreid overzicht van alle Felix-filmpjes, voorzien van verschijningsdata. Uiteraard wordt er stilgestaan bij de fraai aankondigingsposters die destijds verschenen, maar ook bij de muziek van de cartoons, waarvan een aantal pagina’s bladmuziek is opgenomen. De artikelen van Windig zijn lekker geschreven, met veel kennis van zaken en een beetje branie: de perfecte mix die past bij de Poezenkrant én bij Felix.

Met recht uiteraard, want waar Schreuders en de zijnen in excelleren is het vermogen om overal perfect gereproduceerd beeldmateriaal bij te vinden. Het lijkt alsof ze toegang hebben tot de schatkamers die voor gewone stervelingen gesloten blijven. De Felix-bijlage is een sieraad: ook voor de lezer die niet direct alles hoeft te weten over Felix the Cat – en wie is dat niet – is er zoveel fraais te zien en te lezen dat hij uiteindelijk meer zal weten over Felix dan over bijvoorbeeld de Deltawerken, Philips, prinses Beatrix of de provincie Utrecht. En dan hebben we het over een figuurtje uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Hoogtepunten zijn de pagina’s met relletjes en controverse: over gemanipuleerde foto’s, vervalste onderschriften, leugens en stereotyperingen, én de pagina’s met reclames waarin Felix in voorkomt – al dan niet geautoriseerd. Het is eye candy uit de grootste pot.

De nieuwe Poezenkrant is er eentje voor de stripliefhebber: de liefde en zorgvuldigheid waarmee Felix the Cat wordt gefeliciteerd is ronduit fantastisch. Alvast, voor wie het de eerste kennismaking met PoKra is: smaakt dit naar meer, dan is er nog een wereld te ontdekken. Piet Schreuders maakt ook al jaren het liefhebbersblad Furore, met misschien wat minder poezen, maar met evenveel vrolijkheid en panache.

P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar. Uitgever P. Schreuders. 100 pagina’s. 10,00.

Strips & comics

Gelezen: Willem – De nieuwe avonturen van de kunst

Als het in de Boekenweek over dwarsdenkers gaat, dan is het verleidelijk om ook eens in de stripwereld te kijken naar auteurs die dat predikaat verdienen. Het blijkt een hachelijke onderneming omdat dwarsdenken een zekere mate van persoonlijk engagement veronderstelt. Stripauteurs spreken zelden anders dan via hun personages, en daarin verschillen ze niet eens zo veel met literaire auteurs. Als er dan toch een naam moet komen, dan is Willem een geschikte kandidaat.

Cartoonist en stripmaker Willem (pseudoniem van Bernhard Holtrop, 1941) is eerder een dwarsdoener dan een dwarsdenker. Zijn indrukwekkende biografie die intussen een halve eeuw beslaat, ronkt van de heftige gebeurtenissen. Vanaf halverwege de jaren zestig roerde hij zich al flink in het linkse, anarchistische milieu. Hij tekende voor Provo, Hitweek, Aloha en liet zich niet onbetuigd. Bedenkelijke faam verwierf hij door koningin Juliana als dame van lichte zeden af te beelden. Het zorgde subiet voor een rechtzaak en zijn ‘doorbraak’ bij het grote publiek. Ineens wist iedereen wie deze Willem was. Hij werd niet veroordeeld, maar vertrok desalniettemin naar Frankrijk, waar hij sinds 1968 woont en succes viert als cartoonist. Zijn statuur is die van vileine, tegendraadse auteur met uitgesproken, zwartgallige meningen die vrijwel altijd het establishment slachtofferen.

Willem stond in 2015 op een vreemde manier in de schijnwerpers doordat hij aan de aanslag bij Charlie Hebdo ontsnapte: hij was onderweg naar de redactievergadering maar kwam te laat. Wie een jaar later Willems oeuvre-expositie in het Nederlands Stripmuseum bezocht, herinnert zich vast de waarschuwingen bij de entree: niet geschikt voor kinderen en mensen met een zwakke maag. Wat de bezoeker zag, was een doorsnee van zijn werk; bepaald niet mainstream of aansprekend voor de gemiddelde (strip)lezer. Willem duwt zijn lezer bij voorkeur over de rand, recht in het ongemak, de vuiligheid, de drek. Iedereen moet eraan geloven: wie boos wordt, is hypocriet. En daarbij geldt het adagium van Charlie Hebdo als vertrekpunt: fuck you.

Het is daarom des te plezierig om te ontdekken dat het nieuwe boek van Willem er eentje is dat uit een heel ander vaatje tapt. Wie met enig voorbehoud begint te lezen is na een paar pagina’s al om, vast blij verrast: in De nieuwe avonturen van de kunst zet Willem zich aan honderd levensverhalen van kunstenaars en kunststromingen. Hoewel de geportretteerden en hun entourage nog steeds onheus worden neergezet, is het minder om te schokken. Alles staat in het kader van de vertellingen, van het grotere geheel. Op die manier herschept hij anderhalve eeuw kunstgeschiedenis: alles wordt net even anders bekeken en beschreven. Wie denkt te weten hoe de vork in de steel zit, doet er goed aan even te zien hoe Willem het beschrijft. Het kán maar zet anders zijn…

Willems tekeningen zijn nog steeds op een charmante manier onbeholpen: zijn tekstballonnen zijn in verhouding veel te groot, de figuurtjes zijn onaf en handen tekenen doet hij liever niet. Maar toch zijn de verhaaltjes, steeds een of twee pagina’s lang, innemend en vooral erg geestig.

Willem kiest zijn kunstenaars zorgvuldig: van iconen, ook uit de popmuziek en filmwereld (Yoko Ono, Keith Moon, Marilyn Monroe en Colonel Tom Parker), tot minder bekende kunstenaars. Van die laatste categorie zijn het voornamelijk dwarse types van de laatste vijftig jaar, van wie de goegemeente stelde dat hun werk geen kunst was. Die frase komt dan ook meer dan eens in de verhaaltjes terug. Het zijn de tegendraadse kunstenaars met wie Willem zich verwant voelt: Tracy Emin, Pjotr Pawlenski, Arnaud Labelle-Rojoux, Günter Brus en Jean Dubuffet.

De nieuwe avonturen van de kunst is bijna een onwillems boek geworden. Het is mild, spitsvondig en op een aardige manier scherp. Dat moet hij zelf ook hebben gedacht, daarom koos hij voor een omslag met Adolf Hitler – en Jezus Christus op de achterflap. Dat toch een heleboel mensen zich ongemakkelijk voelen om een boek met diens tronie te moeten afrekenen. Het zal ze leren. Een klassieke dwarsdoener verliest nooit zijn streken.

Willem – De nieuwe avonturen van de kunst. Concerto Books. 160 pagina’s hardcover. 26,99.

Strips & comics

Gelezen: Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub

De Gevoelige Mannenclub is het album van Michiel van de Pol waarvan je wist dat die er ooit zou komen. Door de jaren heen waren de heren al een paar keer in allerlei smallpress boekjes verschenen. Nu zijn ze er echt, in een flinke graphic novel die twee belangrijke peilers van het werk van Van de Pol verenigt: zijn grafische gekte en vooral de heerlijke, mateloze kletsverhalen van zijn personages.

Het verhaal begint op z’n Van de Pols. Een lullige scene ontaard in een premisse die niet verklaard wordt: van het ene op het andere moment besluit Vera zich uit te kleden en voortaan naakt door het leven te gaan. Haar verbouwereerde echtgenoot Harry ziet het aan en weet even niet wat hij moet zeggen. In ieder geval blijft het verwarde bezoek niet lang en gaat Vera daarna in haar niksie de straat op. En daar zit Harry.

Laat het aan Van de Pol over om met een vergezochte maar passende oplossing te komen: Harry neemt contact op met de Gevoelige Mannenclub, een gezelschapje van drie heren dat bestaat bij de gratie van God-mag-weten-wat. Aldus is hun introductie: De Gevoelige Mannenclub kent sinds haar oprichting belangrijke regels en tradities, zoals het begroetingsritueel waarbij de heren lekker met de blote basten tegen elkaar aan butsen, waarna ze elkaar de ruimte geven om hun gevoelens van dat moment te etaleren. Daarbij is een stukje dansexpressie bijvoorbeeld heel goed mogelijk. Vervolgens worden elkaars prostaten betast bij wijze van controle; een ‘verre van fris karweitje’ dat niet zelden ontaard in een gebroederlijke stoeipartij, zoals alleen mannen dat kunnen.

Vera is intussen de vreemde dokter Cagliari tegen het blote lijf gelopen. Hij ziet potentie in haar. Cagliari houdt Vera voor dat ze midden in haar seksuele opleving zit en dat haar assertieve grondhouding hem enorm aanspreekt. En of ze even met hem mee wil naar zijn laboratorium, waar hij mannen houdt en allerlei experimenten voorbereid. Voor een kopje koffie, uiteraard.

Wie bij voorgaande alinea de wenkbrauwen fronst, moet erop beducht zijn dat die frons het voorhoofd niet meer verlaat tijdens het lezen van De Gevoelige Mannenclub. De gekte houdt aan. Knap aan het verhaal is hoe logisch al die nonsens lijkt. Van de Pol brengt het met een gemak en vanzelfsprekendheid die weinig vertellers gegeven is.

Wat iedere graphic novel van Van De Pol genietbaar maakt zijn de monologen en gesprekken die zo oeverloos en banaal zijn dat ze lachwekkend worden. Dat heeft alles te maken met zijn perfecte timing. Van de Pol gebruikt zogenaamde stilteplaatjes, waarin men even lijkt te pauzeren, te reflecteren desnoods. De combinatie van een serieuze benadering van complete onzin is subliem uitgewerkt. De manier waarop Harry wordt opgenomen in de club en de plannen die gesmeed worden zijn zo aandoenlijk dat je ergens hoopt dat ze slagen: om te zien hoe verrast de heren zelf zijn door hun onvermoede daadkracht.

Er zit vaak een grafisch kantelpunt in het werk van Van de Pol. Het lijkt alsof hij na verloop van tijd per se uit de band wil springen, alsof hij het nodig vindt om het klassieke stripidioom vaarwel te zeggen en zich over te geven aan een onbedwingbare zin in dwaze experimenteerdrift. Dan veranderen de pagina’s in kijkplaten vol grillige vormen. In De Gevoelige Mannenclub komen die pagina’s regelmatig terug: ze laten een reusachtige Vera zien, die zich als het ware achter het kadergrid bevindt.

In het geval van De Gevoelige Mannenclub pakt dat goed uit: deze grafische afwisseling past prima in het verhaal. Sterker, het zet de verschillen tussen Vera en dokter Cagliari enerzijds en Harry met de gevoelige mannen anderzijds krachtiger neer. Harry en de zijnen dwalen maar wat, zijn niet werkelijk in staat iets te bereiken en houden elkaar vooral gezelschap. Ze beplakken elkaar met complimenteuze post-it papiertjes, gaan sjoelen en doen een stilte-retraite (“Noem het een stukje zijns-oriëntatie. Harry moet afdalen in zijn eigen ik om zo te ontdekken wat essentieel voor hem is”). Daar past een rustige bladspiegel bij, met gewone stripkadertjes. Hier zijn de vier klungels de stellende trap.

Bij Vera en Cagliari gebeurt alles in de vergrotende trap. Vera is om te beginnen reusachtig, met aderen als kabels en handen die meerdere mannen kunnen fijnknijpen. Zie ook het doel van dokter Cagliari: hij wil van de emotionele en kwetsbare Vera de meanest modderfokking bad-ass bitch maken. De dokter is verdwaasd, zijn denkbeelden zijn ronduit onbenullig. Zijn enige doel lijkt alles en iedereen te willen overtreffen.

In Spotters, Van de Pols vorige graphic novel uit 2016, was er al sprake van zo’n kantelpunt: ook daar experimenteerde hij met paginagrote illustraties, droomachtige sequenties en vreemde toestanden. In dat verhaal wordt een geliefde getroffen door kanker en zet Van de Pol de grillige afwisseling in om emoties uit te beelden. Dat werkte prachtig. In De Gevoelige Mannenclub is het minder dwingend; het is vooral een manier om de kolder van dokter Cagliari uit te beelden en die af te zetten tegenover de lulligheid van de mannenclub.

Wie een helder plot verwacht komt bedrogen uit. Het verhaal komt abrupt ten einde, met een gelukkige Cagliari (nemen we aan) en een paar montere mannen die uiteindelijk in alles wel iets positiefs ontdekken. Wie wil, ziet er een metafoor in voor de onmacht die de gewone man ervaart als die zich geconfronteerd ziet met zaken waar hij niet tegenop kan, maar dat is vast te ver gezocht. Van de Pol wil vooral zijn enthousiasme voor gewone figuren overbrengen. En daarbij: misschien dat de gekte van Cagliari helemaal niet zo ver van ons af staat. Wie de kans krijgt streeft zijn idealen na. Zo werkt het nu eenmaal, Harry.

Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub. Scratch. 112 pagina’s, 24,90.

Strips & comics

Gelezen: Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1 – Vliegtuigtaxi

Eind jaren zestig van de vorige eeuw zag het Nederlandstalige stripbladenlandschap er overzichtelijk uit. Er waren vier spelers. In Nederland had je Pep en Sjors, en vanuit België werd het kwartet gecompleteerd door Robbedoes en Kuifje. In 1975 werden Pep en Sjors samengevoegd en ontstond Eppo. Striplezers werden langs die lijnen herkend. In Eppo was er een goede mix van realistische actiestrips, zoals Storm, Stef Ardoba en Steven Severijn, en humorstips, voornamelijk van eigen bodem én van een aanstormende, jonge garde: Peter de Wit, Hanco Kolk, Evert Geradts, Wilbert Plijnaar. In Nederland was Eppo het populairst.

In de van oorsprong Belgische Robbedoes stonden vooral strips uit het fonds van Dupuis, die meestal vertaald werden uit de Franse evenknie Spirou: De Blauwbloezen, Natasja, Jojo, Robbedoes, strips voor een voornamelijk jonger publiek. En dan was er weekblad Kuifje, het “superblad voor de jeugd van 7 tot 77 jaar”, dat zich ondanks die bekende slogan meer richtte op de wat oudere lezer: de strips waren realistisch, actiegericht en flink gewelddadiger. Toch zaten er in weekblad Kuifje, dat bestond van 1946 tot 1993, ook een paar komische strips tussen, waaronder Chlorophyl, Brammetje Bram en Maarten Milaan. En van die laatste titel verscheen onlangs de eerste van vier integrales: Vliegtuigtaxi.

De integrale bundelt het flinke aantal van elf korte verhalen, sommige stonden alleen in weekblad Kuifje en andere verschenen in de Jong Europa-reeks, Kuifjepocket of een Pep Parade-pocket. Deze integrale is een plus voor de echte liefhebber, voor het eerst zullen alle verhalen van de vriendelijke, bij tijd en wijle stuurse vliegenier compleet worden uitgegeven.

Zoals gebruikelijk bij de eerste integrale is het met het dossier dik in orde: de hele voorgeschiedenis, met schetsen en eerste aanzetjes, is aanwezig. Bovendien is het dossier lekker opgemaakt, in een klassieke stijl en kleurstelling die goed past bij de eerste verhalen, die verschenen vanaf 1967. Over kleuren gesproken: een aantal strips was oorspronkelijk voor de helft gekleurd, twee pagina’s in kleur en twee pagina’s zwart wit, om en om. Voor deze gelegenheid zijn de ongekleurde pagina’s ook van kleur voorzien, samen met een frisse letter.

Zoals dat hoort bij flapteksten meldt de uitgever vrolijk dat de verhalen nog net zo actueel zijn als toen. Over die actualiteit valt het een en ander af te dingen, maar wat zeker overeind is gebleven is het sympathieke karakter. Maarten Milaan is een vriendelijke strip, met leuke plotjes, geestige situaties en figuren, en een prettige dosis spanning. De gunfactor van de strip is groot, net als bijvoorbeeld bij Brammetje Bram – van wie al eerder twee prima integrales verschenen.

In de eerste paar verhalen komt de hoofdfiguur nog niet zo goed uit de verf. Maarten is een beetje de onnozelaar die met zijn aftandse vliegtuigje De Oude Pelikaan vracht- en zakenvluchtjes probeert te regelen, tot hilariteit van zijn spotgrage collega’s. Hij laat zich overhalen door kleine Pukkie om vooral door te zetten: deze Maarten staat nog mijlenver af van de stoere vliegenier op het omslag. Maar juist die ontwikkeling hoort bij de geneugten van een integrale bezorging.

Wie de aanzetjes uit 1967 vergelijkt met het dertig pagina’s lange verhaal De Betastraal uit 1969 ziet al een wereld van verschil: in het complete verhaal swingen de tekeningen, Godard laat zien over een levendige tekenpen te beschikken. Bovendien is het verhaal een stuk volwassener, Maarten Milaan reist dan al de wereld over. En geen smalende collega’s meer, hij is de held geworden. Eentje die bovendien zijn eigen boontjes dopt.

Dat blijkt helemaal uit het twintig pagina’s lange verhaal waarmee de eerste integrale afsluit: in Rozalientje uit mijn kinderjaren, dat in 1970 in weekblad Kuifje verscheen, is Maarten de wijze avonturier die zelfs bijzonder stuurs en uitgesproken is (“Is hij altijd zo opvliegend?” – “Meestal is het nog erger”). De solistische held lijkt hier uitontwikkeld en klaar voor het echte avontuur. Om naar uit te zien.

Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1: Vliegtuigtaxi. Arboris. 200 pagina’s, hardcover. €29,95.

Strips & comics

Gelezen: Moebius – Shortcuts & De klauwen van de engel

Het klinkt vreemd om te zeggen dat de ster van Moebius nog altijd rijzende is, maar niets is minder waar. Jean Giraud (1938), die zijn werk afwisselend ondertekende met Gir (voor bijvoorbeeld zijn westernreeksen, waaronder Blueberry) en Moebius (voor zijn meer experimentele werk), overleed immers in 2012. Sindsdien is er veel aandacht voor zijn oeuvre, dat even omvangrijk als groots is. De invloed van Giraud strekt zich uit over de hele stripwereld, sinds de vroege jaren zeventig tot ver na zijn dood.

Hij zette de standaard voor de hedendaagse westernstrip. Zijn epigonen, onder wie vaandeldrager Ralph Meyer (Undertaker), laten er geen misverstand over bestaan: zij zijn schatplichtig aan Gir. Van lijnvoering tot verhaalgegeven, alle tekenaars hebben ooit met bewondering het werk van Giraud bestudeerd. En niet alleen aan makerszijde: ook stripliefhebbers waarderen zijn westerns meer dan gewoon, getuige het succes van de luxe heruitgaven van oude Blueberry-titels in zwart-wit en op groot formaat. Uitgeverij Sherpa, verantwoordelijk voor de perfecte bezorging van deze albums, heeft goed in de smiezen dat de tekeningen van Gir op zichzelf al adembenemend zijn, met alle details, arceringen en rake lijnen. Sieraden, niets minder.

Onder zijn alias Moebius werkte Giraud aan een heel ander oeuvre, één dat beduidend minder toegankelijk is: het zijn vreemde verhalen vol curieuze plotwendingen en situaties. Het zijn stonede toestanden, vaak zonder begin en eind, waarbij de lezer zichzelf moet redden. Dat klinkt bestraffend, maar het zijn Girauds eigen woorden. Wie het in het Engels vertaalde drieluik Inside Moebius heeft gelezen, weet dat Giraud het merendeel van zijn met Moebius ondertekende werk onder invloed van hasj tekende. Hoewel hij dat gaandeweg helemaal beu werd en de hasjpijp uiteindelijk voorgoed opborg, heeft zijn middelengebruik wel gezorgd voor de bevrijding van de moderne strip. Ineens kon alles en waren er geen remmingen meer; het paste naadloos in het tijdsbeeld dat Franse stripbladen als Pilote en Metal Hurlant uitdroegen.

Over die bevrijding vertelt Dick Matena in het voorwoord van het zesde deel van Moebius Collectie, getiteld Shortcuts. Hij viel voor het onnavolgbare werk van Moebius: “(…) Dat onderdeel van zijn werk, dat schijnbaar negeren van alle wetten waaraan een goed verteld verhaal moet voldoen, heeft mij gedurende enige tijd in de jaren tachtig diepgaand beïnvloed, met als belangrijkste resultaat mijn verhalenbundel Mythen. Het was de totale vrijheid van vertellen, wars van iedere concventie toch een soort van coherent geheel te scheppen (…)”.

Het zesde deel van de intussen vermaarde Moebius Collectie spreekt in dit opzicht het meeste aan: in 128 forse pagina’s passeren 21 korte verhalen de revue, die Moebius tekende van 1971 tot 1990, met de nadruk op de jaren zeventig. Juist omdat het korte verhalen betreft, van soms een of twee pagina’s, kan de lezer in redelijke vaart kennis maken met de surrealistische wereld van de grootmeester. Na de overgave, de acceptatie van de door Matena genoemde totale vrijheid van vertellen, rest er voor de aandachtige lezer een bijzondere leeservaring, die extra impact krijgt door de haarscherpe weergave van de strips en de forse pagina’s van de Moebius Collectie.

De verhalen zijn niet chronologisch, evenmin opgehangen aan een logische onderwerpskeuze, waardoor de lezer als het ware door het brein van Moebius dwaalt: van sterk, precies arceerwerk in Absoluten isolamenta uit 1977 naar Jullie maken deel uit van het een en ander, dat in hetzelfde jaar verscheen maar compleet anders is: ruig, slordig en desalniettemin trefzeker. In het album staan een paar langere verhalen, waaronder Verlof op Pharagonescia, die het geheel van de nodige body voorzien: de korte verhalen zijn dwarrelig van inhoud, in de langere verhalen zien we ook iets van de surreële vertellende kracht van Moebius terug, evenals de ingetogen genialiteit waarmee hij later de Edena-cyclus schiep.

Tegelijk met dit zesde deel verscheen ook het vijfde uit de Moebius Collectie: De klauwen van de engel, een geïllustreerd verhaal van 72 pagina’s, ook in zwart-wit, dat hij samen met Alejandro Jodorovsky maakte. De sticker om het omslag noemt het onomwonden Sensueel Bizar Erotisch: drie kwalificaties die de lading dekken, en die het daarmee interessant maken voor een selecter gezelschap liefhebbers.

Moebius expo BruhlDe aandacht voor het werk van Moebius gaat verder dan de fraaie boekpublicaties van de Moebius Collectie. Sinds september vorig jaar is er in het Max Ernst Museum in Brühl, bij Keulen, een grote expositie gewijd aan het werk van Moebius. Aanvankelijk tot begin februari, maar de uitmuntende tentoonstelling wordt terecht met anderhalve maand verlengd. Tot 29 maart heeft iedereen nog de tijd om af te reizen. Voor wie het alsnog niet redt, biedt de flinke catalogus uitkomst: het tweetalige boek omvat al het tentoongestelde werk (én meer), voorziet het van een context, nota bene die op de expositie zelf hier en daar node gemist wordt. De catalogus (272 pagina, harde kaft voor € 49,90, ex. verzendkosten) is via de website van het museum te bestellen.

Moebius – Shortcuts. Sherpa. 128 pagina’s, hardcover. € 49,95.
Moebius – De klauwen van de engel. Sherpa. 72 pagina’s, hardcover. € 39,95.

Strips & comics

Gelezen: Jacques Lamontagne & Thierry Gloris – Wild west 1 – Calamity Jane

Er lijkt geen rem te zitten op de stortvloed aan westernstrips die er de laatste jaren over de argeloze stripliefhebber wordt uitgestort. De hernieuwde belangstelling voor het klassieke genre, dat vijf jaar geleden stilletjes werd ingezet met de succesvolle lancering van series als Undertaker, is prettig – zeker voor de fan – maar het punt van verzadiging en overdaad is aanstaande. Het eerste deel van het tweeluik met de alles zeggende titel Wild West laat zien waar de westernstrips uiteindelijk in tekort schieten: het genre heeft een heel beperkte actieradius. Herhaling ligt op de loer. Een stripliefhebber die alle westerns keurig bijhoudt, heeft alles al tig keer zien langskomen.

Het is een bekende reflex in de stripwereld: als er succes wordt geboekt met een bepaalde reeks, duiken de kopieerders zich als monniken op de formule. Twaalf jaar geleden omarmde de stripliefhebber de futuristische samenleving Aldebaran van de Braziliaanse stripmaker Leo (Antares, Betelgeuze) en werd de markt overspoeld met vooral veel matige stripseries die ongeveer hetzelfde nastreven: een toekomst met andere volkeren die maar moeilijk samenleven met de onze.

Maar waar sciencefiction en toekomstmuziek nog alle kanten op kan, is het western-gebeuren toch vrij beperkt. Er zijn maar een beperkte club helden en heldinnen, alle markante gebeurtenissen zijn intussen al genoeg keren afgestoft en opgevoerd en ook de thema’s van rechtvaardigheid, macht en liefde kennen allemaal hun wildwest-variatie. De afgelopen twee maanden verschenen onder andere Het Venijn, Lonesome, Duke en de spinoffs van Lucky Luke en Blueberry. En het eerste deel van Wild West, een tweedelige strip van Jacques Lamontagne, op scenario van Thierry Gloris.

In het verhaal staat Calamity Jane centraal. Zij is de strenge dame op het omslag. De lezer wordt bijna traditiegetrouw en onmiddellijk getrakteerd op een vreselijke moordpartij, bij wijze van proloog. Daarna verplaatst het verhaal zich naar een saloon waar de dames van plezier – die allemaal Jane heten – hun erbarmelijke werk doen. Martha Cannary werkt er als schoonmaakster. Met veel gevoel voor pathos stelt ze dat integriteit als haar enige rijkdom is. De toon is gezet, want deze Martha krijgt nogal wat voor de kiezen. Het eerste deel eindigt als deze dame zich meldt bij het leger, geraakt maar niet gebroken door de gebeurtenissen die haar hebben gevormd: kracht is ondergeschikt, wilskracht is alles. Accuraat wie de geschiedenis van Calamity Jane kent.

Er wordt van dik hout planken gezaagd. Nergens wordt de vertelling subtiel, alles wordt door een megafoon in het gezicht van de lezer getetterd. Logisch wellicht, want het waren barre tijden, maar toch. Wild West is een actiegedreven strip en daar past geen gefluister bij. Geen diskwalificatie op zich, maar ook hier wreekt zich het genre – om het maar eens in westerntermen te stellen.

Het gaat te ver om alles wat mis is aan Wild West op te hangen; het is de optelsom van de afgelopen jaren, van de karavaan aan titels die intussen voorbij is getrokken. Het tekenwerk van Lamontagne voldoet prima. Het is realistisch op een plastische manier, vooral de inkleurigen zijn dik in orde, waarmee het zeker meer dan gemiddeld scoort. Het blijft alleen qua verhaal steken: we weten het al, we hebben het al gezien, het is gesneden koek.

Jacques Lamontagne & Thierry Gloris – Wild west 1 – Calamity Jane. Dupuis. 56 pagina’s. € 8,50.

Strips & comics

Gelezen: Molly Mendoza – Skip

Skip staat voor overslaan, maar ook voor keilen, het over het water laten dansen van een platte steen tot die zinkt. Bloom, de jonge hoofdpersoon uit Molly Mendoza’s graphic novel, keilt steentjes over het meer waar hij met zijn moeder woont. Het verhaal speelt in de toekomst, ver genoeg om de entourage post-apocalyptisch te noemen. Er zijn geen anderen, alleen aan de overzijde van het meer: daar is de stad met God mag weten wat voor figuren. De moeder van Bloom vertrekt op een dag: er moeten zaken worden geregeld. Bloom blijft achter en belooft haar op de nering te passen. Dat gaat vrijwel direct mis: tijdens het keilen gooit hij per ongeluk met medaillon van zijn moeder in het meer.

Bloom gaat onder water en komt daar terecht in een fantasiewerkelijkheid: een laag in een laag in een laag. Bloom weet het niet meer, net zo min als de lezer nog enig idee heeft. Die wordt danig heen en weer geschud door de kleurrijke en uitbundige grafische hoogstandjes van de Amerikaanse Mendoza. Haar werk is flamboyant, grotesk en wordt toch nergens eng: ook als Bloom geen idee heeft waar hij is en wat hem overkomt, voelen we niet zijn angst voor het onbekende. Waarin we Bloom wel leren kennen is zijn angst om niet te doen wat van hem wordt verlangd. Hij kan maar beter snel weer teruggaan naar het meer, zodat hij kan doen wat zijn moeder hem opdroeg: zorgen dat alles op rolletjes blijft lopen in haar afwezigheid.

Bloom ontmoet een figuur met een baseball-cap, die eruit ziet als het langharige broertje van Inio Asano’s Punpun. Deze Gloopy deugt ook niet werkelijk: zijn vrienden werken en hij kan maar niet voldoen aan hun wensen en eisen. Gloopy zegt dat hij graag zelf iets wil betekenen, zelf iets wil doen, en niet alleen maar wat ze hem opdragen. In ieder geval kan Gloopy Bloom wel helpen terug te keren naar het meer. Tenminste, dat belooft hij hem.

In feite schiet het verhaal dan pas echt uit de startblokken, want pagina’s lang wordt de lezer meegevoerd in fantasiewerelden waarin het even makkelijk te raken is als uit weg te gaan. Het is bij vlagen hallucinant, absurd en fantasievol. Het knappe is dat Mendoza gaandeweg steeds meer van een verhaal in de pagina’s verwerkt: aan de hand van de gesprekken tussen Gloopy en Bloom, en met figuren die ze in de verschillende dimensies ontmoeten. Terwijl je het grilliger en gekker verwacht, wordt de vertelling steeds menselijker en tastbaarder.

Het verhaal van Skip is dat van een toegankelijke Bildungsroman, over vriendschap en verwachtingen. Gloopy en Bloom praten over hun angsten, hun zwaktes en wat ze hopen dat gaat gebeuren. Ze ontdekken elkaars sterke punten, geven complimenten en dan gebeurt iets moois: wij zien twee personages die ontdekken wie ze echt zijn. Twee adolescenten met vragen en twijfels. Dat is het moment dat Skip hartverwarmend wordt, dat de lezer in alle buitendimensionele gekte ontdekt wat er al die tijd al in gang in gezet: twee jongens willen thuiskomen en ontdekken dat ze niet hoeven terug te keren naar waar ze vandaan kwamen.

Skip is een graphic novel die even moet indalen. De overdadige pagina’s dansen en hebben weinig van een klassieke strip. Het tempo is hoog. Tenminste, als je de tekst volgt en aan de pagina’s zonder tekst voorbij gaat. Mendoza geeft van tevoren weinig houvast, het duurt een poos voordat de lezer accepteert dat er veel onuitgesproken blijft. En dan is er nog een groep lezers die het vanzelf benauwd krijgt van boeken uit de Nobrow-stal: een uitgever die nog nooit concessies heeft gedaan aan wie of wat dan ook. Nobrow is avontuur en wie dat niet aandurft, zoekt zijn heil beter elders.

Voor wie durft is Skip een prachtige ontdekkingstocht, een perfect verhaal dat je met een glimlach weglegt. Misschien zit daar de winst: het kost een hoop overredingskracht en lef om het album te omarmen, maar eenmaal over de helft en het openbaart zich aan je als een vertelling van hoop en liefde. Van het mooie zoeken en het mooiere vinden. Skip is intrigerend, fascinerend en overdadig. Lees het vooral en ga dan nog eens over de pagina’s: het is veel zo niet alles wat een (s)trip de moeite waard maakt.

Molly Mendoza – Skip. Nobrow. 168 pagina’s hardcover. €20.00.

Strips & comics

Gelezen: Christian Lax – Moeder met kind

Ze slaan opnieuw toe, Christian Lax én het Louvre. De Fransman Lax tekende een album in de reeks die het Parijse museum in 2002 in gang zette en sindsdien een aantal fraaie titels heeft voortgebracht. Het idee is dat vooraanstaande stripmakers worden uitgenodigd een verhaal te maken dat op een of andere manier gekoppeld is aan het Parijse museum. Het Louvre werkt samen met de Franse kwaliteitsuitgeverij Futuropolis en dat levert mooie albums op: Jiro Taniguchi’s Wachters van het Louvre, Cats of the Louvre van Taiyo Matsumoto en Yslaire’s De hemel boven het Louvre. Ook het pas onlangs in het Nederlands verschenen De krochten van het Vourlé van Marc-Antoine Mathieu hoort in de reeks, die nadrukkelijk eens niet educatief is opgezet om kinderen op een speelse manier te interesseren voor kunst. Het Louvre koos voor mooie verhalen, voor diepgang en klasse, gericht op volwassen striplezers. Typisch Frans, dus.

Moeder met kind van de Fransman Christian Lax, die ook het scenario voor zijn rekening nam, is een bijzonder verhaal dat het museum verbindt met Afrika, het koloniale Franse verleden, de roof van kunstschatten en een persoonlijk verhaal van een Malinese jongeman die de opdracht krijgt een uniek, eeuwenoud beeldje in veiligheid te brengen.

Alou, een twintiger die in zijn geboortestreek een zongenaamde honingjager is, wordt op een dag gemolesteerd door een groep moslimextremisten, die uit zijn op totale heerschappij in de streek. Zij zien kunst als afgoderij, zolang het niet in het teken staat van de verering van Mohammed. Alou krijgt daarom een opdracht van een oude wijze: breng een beeldje van een zwangere vrouw, Moeder met kind genaamd, naar Parijs en verenig het daar met het enig andere vergelijkbare beeld uit de Dogon-traditie. Het is de enige manier om het beeldje te beschermen, hoe curieus ook gezien het feit dat het uitgerekend de Fransen waren die ooit alle kunstschatten in Mali ontvreemdden en naar Frankrijk – het Louvre – brachten.

Alou gaat op weg, door het wetteloze Libië en komt terecht op een gammele schuit: iedereen kent de beelden van de overvolle migrantenbootjes op de Middellandse Zee. Alou redt het tot Lampedusa, weet daar te ontkomen en komt uiteindelijk als vluchteling in een provisorisch tentenkamp in Parijs terecht. Daar gaat hij op zoek naar iemand die in het Louvre werkt.

Het verhaal dat Lax vertelt is er een dat we grotendeels kennen. De vluchtelingenstromen van Afrika naar Europa zijn vaker onderwerp van strips, ook al volgen we nu meer dan alleen een jongeman: hij heeft een beeldje bij zich waarvan onomstotelijk vaststaat dat het grote culturele waarde heeft. Alleen: Alou is maar een vluchteling, wie zal hem geloven?

Het Louvre wordt er op een kunstige manier in het verhaal verweven. We volgen een gepassioneerde conservator met een voorliefde voor tribale kunst – uitgerekend. Interessant zijn de gesprekken die hij met een collega heeft over de Afrikaanse kunstvoorwerpen. Die worden immers met alle zorg en toewijding geconserveerd, terwijl we niet omkijken naar de mensen van daar, ook niet zij die in nood zijn. Het is slechts een maatschappijkritisch zijsprongetje, want even later geeft de conservator hoog op van de technieken die het Louvre in huis heeft om de authenticiteit van kunstobjecten te kunnen beoordelen: polychromie-analyse, stratigrafie van de patina-lagen en micromulitatie om houtsoorten te kunnen vaststellen. Overigens allemaal klein bier vergeleken met de zevenentwintig meter lange deeltjesversneller die met een snelheid van dertigduizend kilometer per seconde protonenbundeltjes in het onderzoeksobject kan schieten, om zo vast te stellen uit welke chemische elementen het bestaat.

Dat klinkt klinisch en onbeholpen, maar het geeft het verhaal een mooie extra laag. Lax lijkt te willen laten zien aan de mensen in Mali dat er goed met hun verleden wordt omgesprongen in Frankrijk, ver weg van de moslimextremisten die het Afrikaanse vasteland teisteren met hun culturele vernielzucht. Alles krijgt zo keurig een reden en een motief. Behalve Alou: hij wordt alleen gezien als de figuur die alles achter zich heeft gelaten om een beeldje te redden. Zelf lijkt hij dit ook te beseffen, hij vervult alleen de taak die de oude wijze hem omdroeg. Maar toch, eenmaal in Frankrijk had hij misschien ook gehoopt op iets van medemenselijkheid.

Moeder met kind zit knap in elkaar en belicht een actueel thema vanuit meerdere perspectieven. Misschien dat de lezer moet wennen aan de treurige boodschap, fraai is het verhaal zeker. Lax laat de hoofdpersoon niet veel zeggen, des te meer laat hij zien: de gelatenheid, de uitzichtloosheid en het heroische tegen wil en dank. Alou is geen held, hij heeft een opdracht gekregen. Dat is alles.

Lax heeft opnieuw voor een zwartwitte opzet gekozen, net als in zijn vorige album Een zekere Cervantes uit 2018, met gewassen inkt en verschillende technieken. De panoramische pagina’s zijn deels uitgewerkt met houten pennetjes wat een krasserig effect oplevert: een grilligheid die past bij het onbarmhartige, ruige landschap waardoor Alou trekt. De verweerde koppen en de troosteloze blikken zijn intussen bijna een handelsmerk van Lax, die zelden vrolijke en ongedwongen figuren en thema’s kiest voor zijn verhalen.

Moeder met kind is een intrigerend verhaal dat een aandachtige lezer verdient. De chronologie en de rustige opzet, zonder veel zijpaden en afleiding, zorgen voor een ongedwongen leeservaring die de lezer daardoor in staat stelt om alles rustig tot zich te nemen. Het komt de intensiteit van de vertelling ten goede. Lax én het Louvre hebben een mooi album toegevoegd aan hun palmares.

Christian Lax – Moeder met kind. Daedalus. 144 pagina’s, hardcover. € 25,50.

Strips & comics

Internationaal poëtisch stripproject Duplex krijgt Spaanse editie

Duplex, het internationale project waarbij striptekenaars en dichters samen een grafisch gedicht maken, krijgt een Spaanstalige editie. In navolging van een Nederlands-Vlaamse editie in 2016 en een Britse in 2018 verschijnt deze zomer een album bij Ediciones Marmotilla en Alas Ediciones, met gezamenlijk werk van tien Spaanse duo’s.

Wat Duplex uniek maakt is dat het geen verstrippingen van gedichten betreft. De stripmaker werkt geen kant-en-klaar gedicht uit tot een beeldverhaal. Bij Duplex beginnen dichter en stripmaker gezamenlijk aan het proces van woord en beeld, gunnen en eisen, duwen en trekken, volgens de centrale vraag: hoe verhouden beide kunstvormen zich als ze tot elkaar veroordeeld zijn? De resultaten verrassen en laten het beste van beide werelden zien.

Dat ontstaansproces wordt uitvoerig gedocumenteerd en is een wezenlijk onderdeel van het project. Net als bij de twee eerdere edities zal ook in Spanje een expositie komen waar de toeschouwer kan zien hoe de grafische gedichten tot stand zijn gekomen: welke stappen zijn gezet, welke werkwijze is gehanteerd en op basis van welke onderlinge keuzes.

Het laatste nummer van het Spaanstalige tijdschrift Tebeosfera is in zijn geheel gewijd aan grafische poëzie, met een artikel over het Duplex-project en de plannen voor de Spaanse editie.

Aan de Spaanse Duplex werken de volgende duo’s mee (waarvan de eerste naam steeds de dichter is en de twee de stripmaker): Ana Merino en Sergio García Sánchez; Félix Castañar Pérez en Maribel Conejero; Óscar Rodríguez Martín en Marta Cartú; Fernando Llorente de la Peña en Pablo García Moral; Diego Emiliano Garrido Stratta en Lucas Miguel Carrillo Broeder; Alicia Villares Frías en Rubén Comino Zamora; Juan Luis Mora Aguilar en Sergio Arredondo Garrido; Andrea Mazas García en Gemma Pérez Herrero; Fernando Llorente Haya en Coralí Espuña Ribas; Jorge García Torrego en María Abellán Hernández.

Duplex is een project van Stefan Nieuwenhuis. Voor de Spaanse editie werkt hij samen met Enrique Del Rey Cabero van de Universiteit van Oxford en Kiko Sáez de Adana Herrero van de Universidad de Alcalá.

Meer informatie over Duplex vind je hier. Artikelen over Duplex zijn hier verzameld.

Strips & comics

Gelezen: Piero Macola – Ongedierte

Ongedierte is een strenge titel. De lezer die zich van tevoren een beeld vormt van de geschiedenis die gaat volgen, snapt dat het niet werkelijk over kruiperige beesten gaat. Het verhaal van de Italiaan Piero Macola wordt bevolkt door kleine luiden; mensen die niet veel bezitten, niet veel uitstralen en die met de dag voortgaan. De titel slaat op een scene uit het verleden van Bruno, die bij wijze van proloog wordt verteld. En toch, ergens blijft het beeld van ongedierte ook tussen de personages en de lezer in staan. Macola heeft met het droefgeestige Ongedierte een graphic novel gemaakt die niet meteen alle vragen beantwoord: veel blijft onuitgesproken, onopgelost. Het is aan de lezer om de punten te verbinden.

Sluiswachter Bruno is geen grootse figuur. Hij dagdroomt over onzichtbaarheid, om zo veilig te zijn voor mensen en zaken die hem kunnen kwetsen. Bruno is van jongsaf geraakt en in zichzelf gekeerd: een combinatie die hem een kleurloze, maar interessante figuur maakt. Met Bruno is de toon voor het verhaal gezet: het is melancholisch, verstild en bij tijd en wijle hard en meedogenloos. Angst is het motief, verpakt in teruggetrokkenheid, afstand en in het negeren van gebeurtenissen.

In een andere verhaallijn volgt de lezer ene Anton, een illegale en daarmee rechtenloze bouwvakker die het zwaar te verduren heeft en stelselmatig wordt vernederd en onder druk wordt gezet. Dan is er nog de oude dame Maria, die door haar dochter wordt geadviseerd om naar de grote stad te verhuizen na het overlijden van haar man. Maria twijfelt, de stad is haar te overweldigend, en ook Bruno ziet niets in de verhuizing, deels uit eigenbelang. Het zijn deze kleinmenselijke zaken die het verhaal op gang houden. Het maakt Ongedierte een sociale kroniek over het moderne leven, een vertelling over mensen die niet meekomen in de hedendaagse maatschappij die is gericht op snelheid en succes.

De betrekkelijke rust verandert als Anton een bedrijfsongeval krijgt en besluit te vluchten voor zijn malafide werkgevers. Hij duikt onder en wordt verzorgd door Bruno, die een vriendschapsband met de Moldaviër ontwikkelt. Het verhaal wordt zelfs nog spannend als de koppelbazen achter Anton aan gaan en hem bijna te pakken krijgen. Hier dringt de albumtitel zich alsnog op.

Macola gunt de lezer met Ongedierte een bijzondere ervaring. De rustige, in kleurpotlood opgezette pagina’s, in een weinig spectaculaire mise-en-scène, wiegen de lezer bijna in slaap. Het tempo is soms tergend, de dialogen traag, maar juist daarin schuilt de kracht van het verhaal: de wereld van Bruno is geen snelle, dynamische en overprikkelde toestand. Het zorgt ervoor dat de lezer zich gemakkelijk verbindt met de personages; hun gedrag is leidend in het verhaal. We zien hoe levens voortgaan in een traag landschap, hoe gebeurtenissen plaatsvinden en nauwelijks iets achterlaten. Door het desolate van de entourage komt die boodschap goed binnen. Macola heeft niet meteen een hoogtepunt afgeleverd, maar zijn vertelstem is toch zo uniek dat Ongedierte boven het maaiveld uitsteekt.

Piero Macola – Ongedierte. Concertobooks. 120 pagina’s hardcover. 24,99.

Strips & comics

Gelezen: Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado

Marcello is een staalarbeider met flair en poëtische trekjes. Overdag is hij een stoere kerel met pet en praatjes, maar eenmaal van zijn taken ontlast, schrijft hij gedichten en lange brieven voor zijn lief, Louisa. Samen willen ze aan de rauwe realiteit van het Engeland van begin 1900 ontsnappen door naar elders te vluchten. Omdat Marcello met een paar drankjes op zijn waffel niet kan houden in het café, komt het verrassende plannetje via via bij de familie van Louisa terecht. Zij zien natuurlijk niets in het malle idee van de twee verliefden en steken er een stokje voor, door iets in het drankje van Marcello te doen. Lang verhaal kort, onze drinkebroer wordt wakker op een boot die op weg is naar een ver oord waar aan een kanaal wordt gewerkt.

De geschiedenis van Marcello ontwikkelt zich aanvankelijk logisch maar snel. Als hij eenmaal is aangekomen in het van muggen vergeven oord, krijgt hij te horen dat hij de terugtocht zelf moet bekostigen, plus natuurlijk kost en inwoning. Vanaf dan gaat de tempo van het verhaal een paar tandjes lager. Met andere woorden: het zal nog wel even duren voor hij zijn lief weer in de armen kan sluiten. Om zijn eenzaamheid te ontvluchten, schrijft hij haar dagelijks brieven. Pech voor Marcello dat die nooit bij Louisa aankomen, maar steeds uit de postzakken worden gevist door de vrouw van een ingenieur ter plaatse.

Het gegeven met de brieven lijkt op dat van Mikael’s Giant en ook op De Post- en Liefdebezorger van Didier Quella-Guyot en Sébastien Morice, twee titels waarbij iedere graphic novel genoemd wil worden. In Eldorado voegt tekenaar Cuvillier, die het verhaal samen schreef met Ferrarini, er een mooie laag bij: niet alleen de ontmaskering van de ingenieursvrouw is er eentje waar de lezer naartoe leeft, ook de morele kracht van Marcello wordt danig op de proef gesteld. Wat komt eerst? Zo rolt het verhaal mooi naar het einde toe.

De tekeningen van Cuvillier zijn fraai in hun lichtheid: hij gebruikt een bijna etherisch kleurpalet, dat zowel exotisch als dreigend is. Dat gevoel wordt versterkt doordat de personages, die zijn uitgewerkt in zacht potlood, acteren in een vrij lege entourage. Het lijkt alsof de emotie wordt uitgelicht, de lezer wordt steeds naar de gezichten getrokken. De klassieke kadrering is uit de losse hand getrokken met bruin potlood, waardoor de gitzwarte lettering iets te nadrukkelijk op de pagina’s ligt. Misschien dat de letter ook een tint bruiner had gekund: iets wat overigens vaker voorkomt en waar best eens over nagedacht kan worden door de dames en heren opmakers. Los daarvan is Eldorado grafisch zeer overtuigend.

Eenmaal uitgelezen, sluit de lezer het album. Misschien dat hij dan pas de tekst op het achterplat leest. Dat is te hopen: zelden zo’n exacte samenvatting van ongeveer het hele boek als flaptekst gezien. Niets van spannende vragen (Zal het hem lukken? Krijgt hij de schat in handen? Kiest ze voor hem?) of lekkere aansporingen, maar een accurate verslaglegging van wat we zo-even gelezen hebben. Bijzonder, tegelijk een waarschuwing voor iedereen die met het album in de handen staat: blader gerust van tevoren, maar lees vooral de samenvatting achterop niet. Dat zou echt zonde zijn: Eldorado van Cuvillier en Ferrarini is een zinderend en koortsachtig verhaal dat een aandachtige lezer verdient.

Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado. Daedalus. 176 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros

Zoals zoveel stripseries heeft ook Lucky Luke een nevenreeks waarin tekenaars eenmalig wordt gevraagd de honneurs waar te nemen en een album te maken rond de stoere cowboy. Matthieu Bonhomme beet in 2016 het spits af met De moordenaar van Lucky Luke, een geweldig album dat de reeks meteen een vliegende start bezorgde.

Daarna volgde de totale zeperd van Guillaume Bouzard, die twee jaar geleden een broddelwerk afleverde met Jolly Jumper antwoordt niet meer. Nu is het de beurt aan Mawil, de Duitse stripmaker met een vriendelijk, herkenbaar oeuvre, van wie een jaar geleden het fraaie Oost-Duitse getuigenisverhaal Kinderland verscheen in het Nederlands.

In Mawils verhaal komt Lucky Luke in aanraking met een ene Albert Overman, de uitvinder van een slimme fiets. Waar men eerst op een hoge bi rondeed, van die klassiekers met een groot voorwiel, heeft deze Overman een veel sneller en wendbaarder fietsje uitgedokterd. Zijn tegenstanders, die van de klassieke fietsen, willen de nieuwe fiets stelen en daar komt Lucky Luke om de hoek: hij komt tussen beiden en raakt zo ongewild betrokken bij de toestand. Tot zover een vrij klassiek gegeven.

Unknown subject

De fiets moet naar San Francisco voor een wedstrijd en Lucky Luke besluit er naartoe te fietsen: alleen zo is hij er zeker van dat er niets met het karretje gebeurt. IJdele hoop natuurlijk want onderweg is er van alles aan de hand. Mawil stopt er genoeg slapstick in en een aantal subtiele verwijzingen naar het rijke oeuvre van Morris.

Bijzonder is dat in alle bewerkingen die er tot op heden verschenen Jolly Jumper altijd een sterke rol krijgt toebedeeld, waar je misschien eerder de Daltons zou verwachten: die komen in Mawils bewerking helemaal niet voor. En zo zijn er meer opvallende zaken. De Lucky Luke van Morris, met name de oude Dupuis-reeks, blinkt uit in sequenties die zo uit een tekenfilm lijken te komen: schietpartijen die worden uitgesmeerd over twee pagina’s en waarin subtiel iedere seconde wordt uitgebeeld. Dat soort scenes missen in alle bewerkingen. De steeds terugkerende grap van de schaduw van Lucky Luke blijkt onvermoeibaar. Ook Mawil heeft een leuke aanhaker op het achterplat van het album: Lucky Luke pompt de band op terwijl de schaduw vertwijfeld naar een lekke band kijkt.

In Het stalen ros vindt Jolly Jumper het maar niks dat zijn comfortabele rug wordt ingeruild voor een smal leren zadeltje. Net als in Bouzards Jolly Jumper antwoordt niet meer is Jolly hier een sikkeneurige en gekwelde viervoeter die zijn ongenoegen niet onder stoelen en banken steekt.

Er zit een geestige paradox in dit album: Mawils Lucky Luke lijkt helemaal niet. Ook Jolly Jumper is onherkenbaar, het is heel goed mogelijk dat Mawil voor het eerst paarden tekent. Mawils boeven zijn eerder lieden uit de Engelse achterbuurten uit de tijd van Sherlock Holmes dan de outlaws van de prairie. Het nachtpaars en het lichte groen van overdag heeft niets met het wilde westen van doen.

Maar Mawil schuift al deze zaken met gemak terzijde door de lezer een moordend tempo op te leggen: die suist met Lucky Luke over de prairie, in de hoogste versnelling – ook al ontbreekt die nog in het vooruitstrevende fietsontwerp van Overman. Het slotstuk is er eentje van de buitencategorie: Mawil tekent de fietswedstrijd als een waanzinnig spektakel, die op een haarlengte wordt beslist.

Het verhaal wordt er niet meteen sterker van, maar ach: wie op iedere pagina een paar grapjes, actiemomentjes en frivoliteitjes aantreft, mag niet klagen. Lezers die per se een echte Lucky Luke willen lezen, zullen zich toch eerder vermaken met de basisreeks, die veel meer leunt op het onovertroffen werk van Morris. Het stalen ros is grappig, maar staat toch iets te ver af van het origineel.

Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros. Lucky Comics. 64 pagina’s. € 8,20.

Strips & comics

Gelezen: Gazzotti & Vehlmann – Alleen, integrale van de eerste cyclus

De stripreeks Alleen van het duo Bruno Gazzotti (Kleine Robbe, Soda) en Fabien Vehlmann (Ian, Mooi Duister, Robbedoes en Kwabbernoot) gaat al wat jaren mee. Het eerste deel verscheen in 2005. Intussen zijn er elf albums verschenen van de reeks die mateloos populair is onder jongeren, met name in Frankrijk. Terecht, de verhaallijnen van Alleen zijn perfect toegesneden op lezers vanaf elf jaar. Voor wie de boot gemist heeft, is er nu een prima herkansing met de integrale van de eerste cyclus: een instapbundel van 264 pagina’s met daarin opgenomen de eerste vijf delen van de reeks.

Om eens met de afwerking te beginnen: het heeft de uitgever behaagd de integrale zo sober mogelijk op de markt te brengen, zonder Franse pagina of iets van een entrée. Wie de integrale openslaat, nota bene in een slappe kaft voor de hardcover prijs van meer dan dertig euro, begint meteen op de eerste pagina van deel 1, Spoorloos. Dat is even wennen. De rest van de albums worden onderbroken door zwarte pagina’s met een enkele illustratie.

Maar dan begint het verhaal tenminste meteen: op een dag ontdekt een groep kinderen dat iedereen uit de stad is verdwenen. Alleen zij lijken overgebleven. Nergens een spoor van volwassenen. Ouders? Foetsie. Eén van de kinderen, de tuttige Camille, gaat tevergeefs naar school. Ook daar is geen kip te bekennen. Het lijkt op Papergirls van Brian K. Vaughan en Cliff Chiang, al waren scenarist Vehlmann en tekenaar Gazzotti flink wat jaartjes eerder op het idee gekomen: een groep kinderen moet zich zien te redden in een wereld die de hunne is, maar tegelijk niet meer.

In Alleen lopen bijvoorbeeld circusdieren in het wild rond, die vreemd gedrag vertonen. En aan het einde van de eerste cyclus ontdekken de kinderen een grote zwarte toren die surrealistisch afsteekt, alsof Schuiten en Andreas even in de stad zijn langsgekomen. Er zijn allerlei mysterieuze zaken die vreemd aandoen en die voor de kinderen antwoord kunnen zijn op de belangrijke vraag: waar is iedereen in Godsnaam? En waarom zijn wij er nog wel?

De vijf kinderen die de lezer vanaf het begin volgt, ontmoeten gaandeweg steeds meer groepjes kinderen die zich meester hebben gemaakt van wijken, buurten en een verlaten pretpark. Ze wonen er in hotels en rijden rond in auto’s die zijn achtergelaten. Eigenlijk proberen al die groepjes het hoofd boven water te houden, als kleine gemeenschapjes die net als in het echt te maken krijgen met machtsprobleempjes, bazigheid en afvalligen. En dan zijn er nog een broer en zus, scary as hell omdat ze zo gewoon lijken, die nergens bij horen en hun eigen plan trekken, met pijl en boog in de aanslag.

De combinatie van het avontuurlijke – kinderen die alles zelf moeten rooien – en het mysterieuze is heel aantrekkelijk: het verhaal is zo opgebouwd dat er steeds nieuwe zaken aan het licht komen die de lezer een stapje verder brengen, een systeem waarop veel games leunen. Dit alles is gegoten in een prettige, uitgebalanceerde tekenstijl die even spannend als vriendelijk oogt. Het is als Soda, maar dan met kinderen, en voor kinderen.

Alleen is nog lang niet af. Komend jaar verschijnt deel 12, en hopelijk de integrale van de tweede cyclus: vanwege de flinke vaart van de verhalen is Alleen goed geschikt om als bundeling uitgegeven te worden. In een knappe twee uur heb je de hele cyclus gelezen, voortgestuwd door dat lekker spannende van een goede kinderserie. En voor de groten onder ons, ook nog een keertje heel prima vanwege de interessante personages, het ontrafelen van de mysteries en de look en feel van de reeks.

Gazzotti & Vehlmann – Alleen, Integrale van de 1e cyclus. Dupuis, 264 pagina’s. € 30,80.
Bevat de verhalen 1 tot en met 5: Spoorloos, De meester van de messen, De stam van de haai, De rode cairns en In het oog van de maalstroom.

Strips & comics

De beste strips van 2019

Het bijna afgelopen 2019 voelt aan als een constant stripjaar. Het stak niet onverdeeld gunstig af tegen voorgaande jaren (zie mijn eerdere jaaroverzichten, van 2014, 2015 en 2016 en 2017 en 2018), maar het waren zeker geen zwakke twaalf maanden.
Wat vooral opviel was de overtrokken aandacht voor allerlei verjaardagen die worden gevierd, alsof de stripwereld graag achterom kijkt en het niet zo op heeft met de toekomst. De overdaad aan striphelden die veertig, vijftig, zestig, zeventig en 75 jaar zijn geworden is immens – en dat zal ook in 2020 nog even doorgaan.
We vieren het met een commerciële gretigheid die verraadt dat nostalgie een steeds grotere rol vervult binnen ons striplandschap. Wat je eruit kunt afleiden is dat de strip in de tweede helft van de vorige eeuw een ongekende bloeitijd heeft beleefd (wat zo is) en dat we daar nu nog de handen voor op elkaar krijgen. Er worden maar weinig tienjarige feestjes gevierd, zogezegd. Laat staan dat we nieuwe strips van jonge stripmakers met dezelfde aandacht en toewijding tegemoet treden.

Een paar bijzonderheden waren er te noemen en te vieren: er wordt heel zachtjes een begin gemaakt met strips en graphic novels voor kinderen vanaf tien jaar. Eindelijk is er aandacht voor de leeftijdscategorie die te oud is voor Pol, Pel en Pingo, iets anders wil dan Donald Duck en verder kijkt dan het eindeloze zwaktebod van magere lachertjes als Game Over, Kid Paddle, Minions en Minecraft-baksels.
Hilda was er al even, maar speelde zich in 2019 handig in de kijker door de perfecte Netflix-adaptatie, net als Het dagboek van Cérise, dat eindelijk de oversteek heeft gemaakt van Frankrijk naar Nederland. Dan is er nota bene de ‘serieuze’ uitgeverij Querido die voorzichtige stappen zet in de markt voor jeugdige graphic novels, met de uitgave van het prachtige Jane, de vos en ik. Alles uiteraard in gang gezet vanwege het rapport van de Raad voor Cultuur over de ontlezing en wat eraan gedaan kan worden. Voor wie het heeft gemist: het lezen van strips behoort tot de aanbevelingen.

Nog een opvallend dingetje in 2019 was de tekstloze strip – even afgezien van de Game Overs en dergelijke. Ineens kwam er krachtige, woordloze statements van nota bene drie debutanten: Tremen van Pim Bos, Zwerveling van Peter van den Ende en Beatrice van Joris Mertens, met een hoofdrol voor het filmische en stuwende Beatrice, waarmee Mertens gelijk een homerun sloeg. Het is ongelofelijk hoe een tekstloos verhaal zo helder en precies verteld kan worden: het leestempo neemt af ten gunste van het kijken en het verhaal ontrolt zich voor je ogen. Zó subtiel en sterk.

In 2019 vielen sommige series op (Libertalia, Kinderen in het verzet, Zibeline, Aristophania, 40 Olifanten en Tango), vielen anderen een beetje tegen (spin off van Oorlog van de Lulu’s, Jeremiah, Arthus Trivium, Amorostasia en de uitgeklede integrale van Ragebol) en deed een derde greep precies wat er van ze verwacht werd (Rode Ridder, Undertaker, Broceliande en De vijf van Baker Street).
De integrale-aanwas bleef gestaag doorgaan, met vooral enkele grote reeksen in het verschiet. Speciale aandacht voor de twee uitgaven van Bernard Prince op groot formaat die precies de juiste emoties wisten te beroeren: mooi gerestaureerd, fors en met een goede weergave van de kleuren.

Dan naar de lijstjes, die ik zoals gebruikelijk heb opgesplitst in Nederlandstalig en Engelstalig. Twee woorden vatten het stripjaar 2019 samen: Canada first. In beide lijsten zijn het Canadezen die met de hoofdprijzen naar huis gaan. Fanny Britt en Isabelle Arsenault verrasten het afgelopen jaar met een wonderschoon verhaal over hoop en liefde, bedoeld voor kinderen vanaf tien jaar, maar even goed voor volwassenen. Alleen ongevoelige figuren haken af bij het schitterende Jane, de vos en ik: een parel die kinderen niet alleen aan het lezen en denken zet, maar ook de deuren opent naar de rijkdom aan graphic novels die voor ze in het verschiet ligt. Wat een geluk, wat een schoonheid!

Na twintig jaar rondde de Canadees Seth in 2018 zijn magnum opus Clyde Fans af. Dit jaar verscheen het bekoorlijke werk (vuistdik volgens sommige recensenten, die daarmee Trump naar de kroon te steken voor wat betreft de grootte van hun handen) waarmee alle losse delen van Palookaville eindelijk gebundeld zijn. Het werk is ronduit schitterend, met een melancholische ondertoon die perfect wordt verwoord en verbeeld. Het verhaal over twee broers die terugkijken op hun leven en de onvermijdelijke teloorgang van het ventilatorenbedrijf van hun vader zit heel knap in elkaar: het zijn elkaars tegenpolen wat een prachtig uitgebalanceerd narratief oplevert.

Terug naar de Nederlandstalige lijst die een paar mooie verrassingen kent. Keizerin Charlotte en Een godverdomse klootzak zijn twee series die veelbelovend van start gingen in 2019, terwijl de verstripte werken van Marcel Pagnol altijd van een hoog niveau zijn: Jean van Florette is een verhaal uit twee delen dat de lezer niet snel zal vergeten. Het is hoopvol, hemeltergend en ongelooflijk triest tegelijk.

Bijzonder is het tekstloze Beatrice van debutant Joris Mertens: met tekeningen waar je stil van wordt, vertelt hij een verhaal dat zich zo dwingend en fraai ontwikkelt dat het moeilijk voorstelbaar is dat er geen woord aan te pas komt, én bovendien een echte strip is.

Het achtste deel van de Kat van de Rabbijn is het beste van de hele serie. Vorig jaar was deel 7 al een feest, deze keer is Sfar nog beter op dreef. Alle hulde ook voor de vertaler, die blijk geeft het fijne taalspelletje van Sfar goed aan te voelen en dat perfect weet om te zetten in wervelend Nederlands. Waarlijke taalkunst!

Kleine overwinningen van Yvon Roy is een zeldzaam invoelende graphic novel over een jonge vader die wordt geconfronteerd met een zwaar autistisch kind en op zoek gaat naar een opvoeding die niet aanhaakt bij de reguliere medische zorgmodellen. Dus geen ingekaderde hulpverlening, volgens protocollen en stappenplannen, maar eindeloos geduld en zachte handen. Een boek over liefde, rust en soms heel kleine stapjes vooruit.

Net zo interessant als de albums die de lijst hebben gehaald, zijn de titels die er net naast grepen. Dat zijn in willekeurige volgorde (Klik op de links voor de besprekingen): Buck (Oogachtend), Dagboek van Cerise (Silvester), Puinhopen van Sari 1 (Syndikaat), Wachten op Bojangles (Dark Dragon Books), Darwin (Soul Food Comics), Sprietje (Dark Dragon Books), De Balling (Scratch), Sangre 2 (L), Libertalia (Casterman), Dino (Oogachtend), De onzichtbare man uit de HG Wells collectie (Glénat), Alac Sinner (Sherpa), Cigalon (Saga), Niet nog eens Laura (Vrijdag) en Marcel Grob (Daedalus).
En dan heb je nog de onvermijdelijke stapel van nog te lezen boeken, waar veel potentie tussen zit: De dolende God, Extases, In Hollandia Suburbia, Rusty Brown en De smokkelaar, om er een paar te noemen.

Top 10 2019 Nederlandstalig

1 Fanny Britt & Isabelle Arsenault – Jane, de vos en ik (Querido)
2 Yvon Roy – Kleine overwinningen (Daedalus)
3 Joann Sfar – Kat van de rabbijn: Amandelmandje (Dargaud)
4 Joris Mertens – Beatrice (Oogachtend)
5 Alexandre Tefenkgi, Serge Scotto & Eric Stoffel, naar Marcel Pagnol – Jean van Florette (Saga)
6 Aimée de Jongh – Taxi (Scratch)
7 Posy Simmonds – Cassandra Darke (Harmonie)
8 Fabien Nury & Matthieu Bonhomme – Keizerin Charlotte (Blloan)
9 Vittorio Giardino – Jonas Fink (Saga)
10 Régis Loisel & Oliver Pont – Een Godverdomse Klootzak 1 (Blloan)

Zoals gezegd, ook de Engelstalige top 10 heeft een Canadese nummer 1. Clyde Fans van Seth is een totaalbelevenis, een feest van beeld, tekst en thematiek. Alle losse Palookavilles achter elkaar is nog niet helf het effect van het forse leeswerk dat Seth in een kunstig foedraal bezorgde.

De nummer 1 van vorig jaar, Carole Maurel, staat nu op de tweede plaats, met het trieste maar o zo mooie Waves, over een lesbisch stel dat een kind verliest voor het geboren wordt.

Ghost Tree is een grote verrassing: de mini-serie van vier comics was een voltreffer, net als het poëtische Pope Hats van Hartley Lin, die met het zesde deel een nieuwe weg inslaat. Let op die naam: Pope Hats is een van de echte schatten van de hedendaagse stripwereld.
Op de valreep van het jaar knalde Kevin Huizenga’s River by Night nog de top 10 binnen, net als Manor Black van Colin Bunn en Tyler Crook.

Without further ado:

Top 10 2019 Engelstalig

1 Seth – Clyde Fans (D+Q)*
2 Carole Maurel & Ingrid Chabbert – Waves (Archaia)
3 Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree (IDW)
4 Hartley Lin – Pope Hats #6 (Adhouse Books)
5 Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a book thief (SelfMadeHero)
6 Kevin Huizenga – The river at night (D+Q)
7 James Sturm – Off season (D+Q)
8 Mariko Tamaki & Rosemary Valero-O’Connell – Laura Dean keeps breaking up with me (First second)
9 Lorena Alvarez – Hicotea (Nobrow)
10 Colin Bunn & Tyler Crook – Manor Black (Dark Horse)

* voor een uitgebreide beschouwing verwijs ik naar mijn interview met Seth in Stripgids #5.

Tot slot het allegaartje dat het jaaroverzicht volgens traditie afsluit:

Ook mooi in 2019

1. De geweldige ontvangst van de 9e Kunst, die in een vrolijke vaart en met een grote groep mensen in gang is gezet (en dit is pas het begin!)
2. Het fraaie Wilbert Plijnaar, Rotterdammer in Hollywood, een fijn lees- en bladerboek voor de fijnproever die er op tijd bij was, vanwege de heel beperkte oplage
3. De geestige verhaaltjes van Mamette en dan vooral dat ik niemand ken die er ook maar iets aan vindt (en hierbij alvast gezegd: wacht maar tot De souvenirs van Mamette wordt vertaald, dat is nóg veel leuker)
4. De expositie van Moebius in het Duitse Brühl was zeer de moeite waard, terwijl de exposities in Angouleme van Alex en Futuropolis tegenvielen
5. Alone van Chabouté, een leeservaring om stil van te worden

Strips & comics

Gelezen: Aline 1 – De beschaving voorbij

De Nederlandse stripbladenmarkt heeft er een nieuwe titel bij. Eentje die zich flink zal roeren als we de intenties mogen geloven die op de openingspagina van eerste nummer van Aline staan vermeld: strips maken om dromen te laten uitkomen, om de wereld om ons heen te verbeteren. Een wereld die nu nog is om moedeloos van te worden. En voorop staat groot het thema vermeld: de beschaving voorbij. We kunnen gevoeglijk aannemen dat Aline kiest voor maatschappelijke betrokkenheid als het vertrekpunt.

Mooi die activistische inslag, maar er is meer: de auteurs van het eerste nummer, een frisse mix van jong en oud, nieuw en gevestigd, hebben hun bijdragen in elkaars aanwezigheid geschreven en getekend. Daartoe zaten ze een aantal dagen in het Amsterdamse cultuurcentrum WG Kunst. Die directe aanwezigheid heeft gezorgd voor een interessante scheppende dynamiek, al betekent dat niet dat de stripmakers aan elkaars werk hebben zitten schaven of dat er allerlei crossovers in gang zijn gezet. Gelukkig maar, de Aline-makers zijn goed van zichzelf. Daarom verschillen de bijdragen enorm, van vrij tot dwingend, van uitleggen tot suggereren.

Neem Wasco, stiekem de drijvende kracht zonder titel van hoofdredacteur: in zijn bijdrage zien we Philip de Pinguin, een van zijn terugkerende figuren, in een bizar verhaal vol ontmoetingen en vragen. Hier en daar worden eens wat zaken aangestipt, maar een werkelijk verband met de wereld om ons heen of onze beschaving heeft het niet. Desondanks is het vermakelijk.

Het engagement is veel directer zichtbaar bij de jonge garde. Bij Anne Staal gaat het nadrukkelijk over hoe onze aarde naar de gallemiezen gaat (“plastic is stom!”), de grafisch interessante bijdrage van Shamisa Debroey verhaalt over de angst om alleen te zijn als de wereld vergaat en Sanne Boekel grijpt de negatieve aspecten van de toerisme-industrie bij de kladden. Bij geen van deze bijdragen valt er iets af te leiden of zelf te ontdekken: de lezer krijgt het verhaal van A tot Z verteld en verklaard. Als dat souffleren iets is van de jonge generatie, dan mag het wat scherper allemaal. Het maakt de lezer lui en dat past niet bij geëngageerde stripkunst. Geef de lezer een gevoel van betrokkenheid: iets met een prikkelende gedachte of het gevoel dat je tegen de haren in wordt gestreken.

Wie zich daaraan onttrekt is Ludwig Volbeda die met zijn vrije werk meer richting illustratie gaat dan naar de klassieke strip. Toch is zijn bijdrage, 99 voortekens, met recht een beeldverhaal. Volbeda vertelt aan de hand van fragmentarische, poëtische zinnen een verhaal dat hij met beelden ondersteunt. Zijn superfijne pentekeningen, die bijna microscopisch zijn, sturen de lezer in een bepaalde gevoelswereld die niet meteen negatief is, maar waar wel een zekere dreiging voelbaar is. Voor wie zich ervoor openstelt, zou je kunnen zeggen. De zinnen zijn ronduit fraai en laten de lezer even bezig zijn: Het water steeg op / we verstonden elkaar niet meer / de kinderen tekenden de zon steeds groter. Die boodschap schuurt en geeft de lezer gelegenheid om zelf na te denken. Wie een bijdrage wil leveren aan het bijsturen van een wereldbeeld, moet de ander ook de gelegenheid bieden iets van zichzelf erin terug te zien.

Zeker geen verloren zaak, want de thema’s van de volgende twee nummers zijn al bekend: vlees en plastic. Ook van die hangijzers waar je je engagement op los kan laten. Wanneer het tweede nummer verschijnt is nog niet bekend. Veiligheidshalve noemt de redactie de verschijningsfrequentie ‘onregelmatig’. Het doemnummer van het forse Aline ligt nu in de betere boekhandel en alle stripwinkels van Nederland voor de sympathieke prijs van 10 euro.

Typex, Ludwig Volbeda, Wasco, Jeroen Funke, Anne Staal, Charlotte Dumortier, Shamisa Debroey en Sanne Boekel – Aline 1, de beschaving voorbij. The Blue Orange, 68 pagina’s. 10,00.