Strips & comics

Gelezen: Tillie Walden – Clementine, book One

Met Clementine gooit de Amerikaanse succesauteur Tillie Walden het over een compleet andere boeg. Van Walden, bekend van onder meer haar coming-out-verhaal Spinning en de fraaie roadcomic Are you listening, verscheen onlangs het eerste deel van een drieluik, een afgeleide comic van Walking Dead. Van intieme, gevoelige gender-issues naar zombies en de apocalyps, het is niet niks. Toch weet Walden er een eigen stempel op te drukken, al zal het voor de meeste fans even wennen zijn: de sprong is groot, misschien zelfs te groot – afgaande op dit eerste deel.

In Clementine volgen we een tienermeisje dat onderweg is. Af en toe slaat ze wat zombies van zich af, verder weten we niet veel over haar. In dat opzicht helpt het niet als je Robert Kirkman’s Walking Dead hebt gelezen. Deze Clementine is namelijk niet afkomstig uit de hoofdreeks maar is afgeleid van de Walking Dead Telltale-game, een geflopt spelconcept waarbij de speler zich door allerlei filmpjes moet worstelen, met een minimaal uitgewerkt point-and-click mechaniek voor de interactie. Hoewel het een rare keuze is, is het op zich niet erg: fans van Walking Dead weten wat ze ongeveer te wachten staat, fans van Walden hoeven niet eerst door Kirkman’s oeuvre heen om van start te gaan.

Na wat omzwervingen komt Clementine de naïeve Amish-jongen Amos tegen. Met hem gaat ze naar Vermont. Nog eens: geen idee waarom, het zal later vast duidelijk worden. Zij ontmoeten een groepje jongeren en samen gaan ze boven op een berg wonen. Of overleven, het is maar hoe je ernaar kijkt. Waar het op neerkomt is dat alle leden van het groepje worstelen met iets uit het verleden, en voor zover dat nog niet besproken is: met het leven in het algemeen. Hier komt de stem van Walden het beste tot haar recht. De spaarzame gesprekken die de jongeren hebben houden het verhaal gaande, met minimale emotie en introspectie. Bijzonder, want het Walking Dead universum laat doorgaans weinig ruimte voor verfijning en gevoel.

De lijn van dit eerste deel zit ‘m vooral in de ontwikkeling van Clementine. Zij weigert zich te hechten aan iets of iemand, trekt een muur rond zich op. Maar in een situatie waarbij de jongeren zo dicht op elkaar leven, is dat bijna niet mogelijk. In dat verband is het personage van Ricca een gouden greep – zij is de meest Walden-achtige en de minst humeurige van het stel. Zij gaat het gesprek af en toe aan, zorgt voor de inhoudelijke afwisseling die het verhaal temporiseert. Ricca is menselijk, waar de rest net zo boos is als oninteressant.

De pest met een eerste deel van drie is dat er misschien nog een heel interessante verhaallijn uit de hoed wordt getoverd, maar dan zou je daar op z’n minst nu alvast een paar draadjes van moeten terugzien. Het verhaal is vooral een soort survival-spel waarbij de lezer maar moeilijk sympathie kan opbrengen voor de personages. Het lijkt allemaal niet zo nodig te hoeven. Voorbeeld: het stormt, het huis stort in, ze bouwen een nieuw huis (met een hoop gedoe en gedram) en dan is dat ook weer voorbij. Er ontwikkelt zich bijna niets tussen de figuren, vooral omdat ze elkaar zomaar zijn tegengekomen en daar zonder reden met elkaar zitten opgescheept. Als je een eerste deel van drie uitbrengt, dan moet de lezer na de laatste pagina’s toch meteen door willen lezen? Dat is nu niet echt aan de hand. De personages zijn daarvoor te willekeurig, er is te veel zomaar.

De tekeningen van Walden passen goed in de wereld van Walking Dead, en dat is best verbazend. Omdat ze snel tekent en zich niet verliest in details, maar juist heel schetsmatig blijft in achtergronden, pakt het goed uit. Het is gruizig. Wat eraan bijdraagt is dat het zwart wit is gebleven. De keerzijde is dat de personages gaandeweg steeds meer op elkaar gaan lijken, vooral in de koude maanden, als iedereen met mutsen en dikke jassen rondloopt. Wat je dan ontdekt is dat het verhaal feitelijk (nog) flinterdun is: het maakt werkelijk niet uit wie wat zegt en waarom.

Clementine zou in beginsel een interessant verhaal kunnen worden, bijvoorbeeld in lijn van Waldens beste graphic novel, On a Sunbeam. Ook daar volgt de lezer een groep jongeren, maar is er veel meer ontwikkeling gaande. Op dit moment staat Clementine daar nog mijlenver van af. Maar misschien pakt Walden echt uit in het tweede deel, dat overigens pas in juni 2023 in de winkel ligt. Ook dat had echt beter gekund.

Tillie Walden – Clementine, book One. Image. 256 pagina’s. $ 13,49.

Strips & comics

Jean-Jacques Sempé – Het geheim van Raoul Taburin

Het geheim van de fietsenmaker Raoul Taburin is niet echt een geheim voor de lezer. Na de introductie van het schattige, klassieke Franse dorpje, Saint-Céron, met zijn vlijtige middenstand in een omgeving van rust en landerigheid, staan we stil bij de fietsenmaker in het dorpje: Raoul Taburin. Hij weet alles van fietsen, repareert iedere piep of knars, maar kan zelf niet fietsen. Het lukt hem niet. Hij krijgt het niet gedaan: “Raoul Taburin (had) de grootste moeite om de geheimzinnige machten te bedwingen van de middelpuntvliedende kracht, de aantrekkingskracht van het aarde en de wetten van de zwaartekracht.”

De jonge Raoul plooide zich in allerlei bochten om maar niet te hoeven fietsen, iets wat hem uiteindelijk opvallend gemakkelijk afgaat. In het dorp heeft niemand ooit iets door, zelfs niet toen hij nota bene fietsenmaker werd. Maar toch, leven met zo’n geheim gaat niemand in de kouwe kleren zitten.

Het fraaie van de vertelling zit in deze discrepantie: wat de lezer wel weet, weten de dorpelingen niet. Het levert een mild-ironisch geheel op, waarbij het vriendelijke, zachtaardige van het dorp mooi afsteekt tegenover de innerlijke worsteling van de fietsenmaker. Alle gebeurtenissen die zich in en om het dorp afspelen, staan in het tegen van die strijd. Taburin, altijd op zijn hoede, wordt verrast door de aardige portretfotograaf die zich in het dorpje vestigt. Deze Hervé Figougne wordt zijn beste vriend, al blijft ook voor hem het geheim geheim. Tot de dag dat Figougne Taburin voorstelt om een heroïsche actiefoto te maken, op twee wielen welteverstaan. Taburin kan er echt niet meer onderuit.

Jean-Jacques Sempé, de Franse illustrator en stripmaker die onlangs op 89-jarige leeftijd overleed, schreef en tekende Raoul Taburin in 1995. Niet veel van zijn werk werd eerder in het Nederlands vertaald: tussen 1961 en 2009 verschenen bijna dertig eigen titels en een heleboel verhalen van anderen met zijn illustraties, waarvan Le Petit Nicholas (op scenario van René Goscinny) tot het Franse erfgoed behoort. Af en toe verscheen er een verzameld werk in het Nederlands, dan een willekeurig boek, maar nooit werd zijn oeuvre opgepakt. Dat uitgeverij Oevers nu de handschoen oppakt is te prijzen. Intussen is er een tweede druk verschenen, binnen twee maanden, dus de voortekenen zijn goed.

De vertaling van Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen is heel fraai, soms op het onnederlandse af. Dan kiezen ze voor buitenissige oplossingen of lopen de zinnen raar op een grappige, aanstekelijke manier. Sempé heeft een paar geestige taligheden in zijn verhaal verpakt en die komen ook in de vertaling goed tot hun recht. De lokale middenstanders bijvoorbeeld hebben allemaal zaken die de dorpelingen met hun eigennaam benoemen: de plakjes worst van de slager Auguste Frognard heten frognards en de brillen van de opticien heten bifailles, naar Frédéric Bifaille. Zo heten de fietsen van Taburin uiteraard taburin.

Het geheim van Raoul Taburin is een prima kennismaking met het werk van Sempé. Sempé-liefhebbers halen uit dit vriendelijke verhaal hoop voor de nabije toekomst: dat het succes van dit boek het werk van Sempé eindelijk voluit en voor een groot publiek beschikbaar kan worden. Volgend voorjaar verschijnt bij Oevers het mooie Marcellin Caillou van Sempé, dus er wordt aan gewerkt. Hulde.

Jean-Jacques Sempé – Het geheim van Raoul Taburin. Uitgeverij Oevers. 96 pagina’s hardcover. € 22,50.

Strips & comics

Gelezen: Xavier Chimits & Jacques Martin – De auto’s van Lefranc

De auto’s van Lefranc is een fraai naslagwerkje, zoals die eens in de zoveel tijd verschijnt – vertaald en wel, uit het Frans. Wie heeft rondgewandeld op het stripfestival van Angoulême weet hoe dol de Franse zijn op dit soort gethematiseerde boeken. Daar verschijnen ze aan de lopende band: vaak forse en flink geprijsde albums met prachtige inkijkjes, schetsen, dossiermateriaal en dergelijke. Volledig gericht op fans en liefhebbers, die het soort boeken kopen bij wijze van blikvangers van hun verzameling.

Zo is het ook met het net verschenen De auto’s van Lefranc. Ben je fan van de klassieke avonturen van Lefranc door de Franse stripmaker Jacques Martin (1921-2010), dan hoort dit boek in je kast. Martin, die samen met Hergé en E.P. Jacobs wordt gerekend tot de grote drie van de zogenoemde Brusselse School, is vooral bekend van zijn Romeinse stripreeks Alex – keistatisch en stijf, maar in de jaren vijftig razendpopulair onder lezers van stripblad Kuifje. Vanaf 1952 verschenen in datzelfde blad de avonturen van Lefranc, een journalist-detective die altijd strak in het pak de criminaliteit te lijf ging. Strips tjokvol tekst, met één en al spanning: een typische weekbladstrip uit die jaren.

Dat Alex en Lefranc een trouwe fanschare hebben, komt omdat er nog altijd albums verschijnen van de beide heren. Weliswaar getekend en geschreven door anderen, maar toch: de antieke strip houdt het hoofd onvermoeid boven water. In het geval van Alex is dat wonderlijk, bij Lefranc minder: de verhalen zijn heel goed te pruimen. Het album Het Ares-schandaal dat een paar maanden geleden verscheen was bijvoorbeeld een prima uurtje verpozen – voor de klassiek geïnteresseerde stripliefhebber uiteraard.

De auto’s van Lefranc opent met een heerlijk onmatig voorwoord van de voorzitter van het Franse Automobiel Museum. Het bevat een overdaad aan bijvoeglijke naamwoorden en is een staaltje glorificatie waar je u tegen zegt: “Lefranc was detective, wreker en ontdekkingsreiziger. Hij bestreed het onrecht en redde zelfs de planeet! En dat deed hij telkens aan het stuur van een auto…” Verderop lezen we zelfs “dat niet alle striptekenaars zich ervan bewust zijn dat ze het voorrecht – of beter: de verantwoordelijkheid – hebben om de geest van de lezer te vormen”. Marin, die had dat allemaal natuurlijk wel in de smiezen.

Maar daarna daalt het stof en duiken we in de archieven van stripblad Kuifje. Aan de hand van fraaie tekeningen van klassieke auto’s lezen we welke rol de auto had in het werk van Martin. Dit zijn de mooiste 28 pagina’s uit het boek. Het verhaal is volledig, interessant maar een tikje droog opgeschreven. Belangrijker: het getoonde originele beeldmateriaal is soms werkelijk prachtig, vooral waar er gekozen werd voor originelen die niet zijn opgeschoond. De instructies, afmetingen en dergelijke in de kantlijn maken het nóg fraaier, nog echter. Beetje lezen, beetje bladeren, beetje kijken: er zit een aandachtig soort rust in dit soort boeken en in dit geval is het niet anders. De auto’s van Lefranc doet wat het belooft: de liefhebber van strips en auto’s een genoeglijke tijd geven.

Het tweede deel van het boek is van een ander slag: daarin wordt per album stilgestaan bij de auto’s die erin te zien zijn. Van het eerste deel uit 1952, de geweldige en aanbevelenswaardige stripklassieker Het sein staat op rood, tot en met het eerdergenoemde Het Ares-schandaal van dit jaar. Kort gezegd: per album een inleidend tekstje met daarbij een aantal plaatjes uit het boek, waarin de automodellen getoond worden, voorzien van de merknaam en het type. Dus van de Ferrari 250 MM Berlinetta, de Simca Aronde 9 en Chrysler Saratoga uit deel 1, tot de Alfa Romeo Guilietta, de Facel Vega HK500 en de klassieke Panhart & Levassor type X14 Torpedo uit het meest recente verhaal. Leuk en aardig, ook een beetje veel allemaal.

Het boek sluit af met een niet eerder gepubliceerd verhaal van de huidge Lefranc-makers Roger Seiter en Régric, De Route des Vins Rally, waarin Lefranc nog geen tien pagina’s nodig heeft om het geboefte uit te schakelen.

De auto’s van Lefranc is niet het ultieme bladerboek voor Lefranc- en Martin-liefhebbers geworden. Het eerste deel is perfect toegesneden op de wensen van de veeleisende liefhebber, met mooi, origineel illustratiewerk en interessante achtergrondinformatie. De visuele opsomming van alle auto’s die ooit een rol speelden in de albums is wat minder sterk: het is uiteindelijk te weinig verrassend of spectaculair. De echte fan, de completist, de autoliefhebber en de nostalgicus kopen dit boek blind. Anderen kunnen zich beter eerst eens aan een paar Lefranc-titels zetten, wie weet dat de vonk overslaat.

Xavier Chimits & Jacques Martin – De auto’s van Lefranc. Casterman. 112 pagina’s hardcover. € 29,99.

Strips & comics

Patrick Jusseaume, Olivier Mangin & Jean-Laurent Truc – Non-Retour: Algerije, Juli 1962

Het album Non-Retour: Algerije, Juli 1962 lijkt een onderdeel van iets veel groters. Van een afstandje beschouwd zien we een groep mensen op een vliegveld. Er heerst een opgefokte sfeer, het heeft niet het uitbundige van een vakantie. Deze mensen worden op het vliegtuig gezet, weg van Algerije waar zij als voormalige kolonisators en handlangers niet meer welkom zijn. Het is 1962 en in maart van dat jaar trokken de Fransen zich terug en zegevierden de Algerijnse onafhankelijkheidsbewegingen. Nu de Algerijnse Oorlog voorbij is, wordt er orde op zaken gesteld, met repatriëringsvluchten als gevolg.

Feitelijk gaat dit verhaal over één van die vluchten – het is gebaseerd op de jeugdherinneringen van de scenarist Jean-Laurent Truc. In het boek zou je Laurent in hem kunnen terugzien: een aan strips verslingerd jongetje dat het liefst Buck Danny leest. Die stripklassieker blijft in het verhaal steeds terugkeren, tot in de slotscène aan toe. Laurent reist met zijn moeder en zijn broertjes en zusjes. Verder zit er een rare mengelmoes aan types in het vliegtuig: een agent van de inlichtingendienst, een spion, een kolonel van geheime koloniale leger OAS en nog een hoop bange en opgeluchte burgers die eindelijk weg kunnen. En dan zijn er nog vreemde figuren, zoals een clichématig zwetende man en een iets te chique vrouw die zich aan de familie van Laurent opdringt: de ideale dekmantel voor wat dan ook, zou je denken.

Als deze kleurrijke poppenkast eenmaal het luchtruim kiest is er aan alle kanten rumoer en gedoe. Ook de bemanning is nerveus en dat zorgt voor een fijne, broeierige sfeer die het in dit soort avonturenstrips altijd goed doet. Het wordt nog spannender als de autoriteiten het vliegtuig tot landen dwingen, precies in een gebied waar geen van de passagiers graag wil zijn. Of wel? Voor de meeste Fransen is dit gesneden koek, voor hun is Algerije lang een open zenuw geweest. Zij weten waar het naartoe gaat. Voor ons is het nog even uitvogelen waaraan zoal wordt gerefereerd.

Waarin het verhaal een onderdeel lijkt van iets groters, komt doordat veel in de uitlegstand wordt verteld. Waarom zaken zijn zoals ze zijn, wordt meegedeeld, vooral in de richting van de jonge Laurent. Die manier van een verhaal vertellen is niet altijd een aanbeveling, maar voor de lezer, met name als die niet meteen alle feiten rond de Algerijnse burgeroorlog paraat heeft, is het voor deze keer handig. Opvallend is dat veel wordt gebracht alsof de personages al een paar albums meegaan. In dat opzicht is dit een herkenbare albumformule die zou passen in doorlopende reeksen als Largo Winch en Tango: de lezer begint bij een willekeurige gebeurtenis, volgt het verhaal en heeft aan het einde weer meer informatie opgedaan voor een volgende aflevering.

Dat zou kunnen betekenen dat Non-Retour: Algerije, Juli 1962 niet echt een afgerond verhaal is. Ergens klopt het, vooral omdat het zomaar begint zonder duiding. Wie zijn deze mensen? Waarom volgen we ze? Het is wat toevallig, al zorgt het er ook voor dat we achter iedere koffer en potentieel gevaar zien. Dat en het frisse, maar werkelijk traditionele tekenwerk zorgt ervoor dat het verhaal onderhoudend is. Hoogtepunt van het verhaal is het broeierige kleurgebruik, dat de sfeer perfect weet te vangen. Het maakt van Non-Retour: Algerije, Juli 1962 een even fraai als verrassend album: een genoeglijke drie kwartier. Of een bijzondere keuze om te vertalen, zo kan je het ook zien.

Patrick Jusseaume, Olivier Mangin & Jean-Laurent Truc – Non-Retour: Algerije, Juli 1962. Silvester. 76 pagina’s hardcover, met stofomslag. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Chris Condon & Jacob Phillips – That Texas Blood Volume 2

Zelden met zulke hoge verwachtingen begonnen aan het tweede complete story arc van een comic. Het eerste verhaal van de Texaanse misdaadcomic That Texas Blood, van het wervelende duo Chris Condon en Jacob Phillips, legde de lat meteen hoog. Voor de lezer met een korte aandachtsspanne: dit verhaal is nóg beter, nóg broeieriger en zit nóg sterker in elkaar. Als de heren in dit tempo doorgaan en met deze intensiteit, dan kan de verwende crime-comiclezer nog veel verwachten – en waarom zouden ze niet?

Het is slim dat Condon en Phillips hebben gekozen voor Texas in de titel. Intussen lijkt er namelijk een heel nieuw subgenre te zijn ontstaan, het zogenaamde Texas mysterie: donker, uitzichtloos, eigengereid en agressief. Het is een beeld dat zorgvuldig gecultiveerd wordt in de media, waar het godvrezende en primitieve Texas vaak als een Trumpiaans hell hole wordt afgeschilderd. In Ambrose County is het niet anders. Het is een uitgestrekt landelijk gebied, met weinig perspectief en af en toe een hallucinante ontwikkeling die de boel kortstondig op scherp zet. In deel 1, dat net als deel 2 geen aparte titel heeft, werd dat perfect ingezet. De lezer had na een paar intriges, leugens en schietpartijen alles helder voor de geest. Geen plek om lang te blijven.

In Ambrose is een man die alles weet en iedereen kent: Joe Bob werkt op het politiebureau en omdat hij al op leeftijd is, doet hij het wat rustiger aan. Die rust doet hem minder goed dan hij zou willen, want er zijn een aantal zaken uit zijn verleden die hem blijven achtervolgen. In deze tweede aflevering van That Texas Blood vertelt hij een van die verhalen aan een jongere collega: dat van een vermist meisje, haar vermoorde broertje en twee mannen waarvan ze destijds vermoedden dat ze bij een sekte hoorden.

In iets meer dan 150 pagina’s wordt het verhaal op een bloedstollende manier naverteld: hoe er een tamelijk dwingende privédetective bij hen aanklopt met belastende informatie over een zonderlinge figuur die in de buurt woont en die er vreemde gewoonten op nahoudt. De agenten van dienst, onder wie een jonge Joe Bob, laten het met rust: ze kunnen onmogelijk alles en iedereen gaan onderzoeken als iemand ongevraagd om actie verzoekt. En toch laat het Joe Bob niet los, vooral omdat hij het ontvoerde meisje persoonlijk kent. Er is bovendien geen tijd te verliezen.

Phillips* heeft de karakterkop van Joe Bob perfect in de vingers: die is verweerd, geraakt en menselijk. We zien zijn verdriet en onmacht terug in zijn ouder wordende lijf. Die emotie weet Condon mooi te vangen in het verhaal. Door slim heen en weer te springen tussen vroeger en nu worden de gruwelijke herinneringen levendiger en heviger; in gesprek met zijn collega probeert Joe Bob zijn wandel na al die jaren nog eens na te gaan. Waarom koos hij voor de dingen die hij deed? Hoe werkt het in het hoofd van een agent als het hem persoonlijk raakt? En is dat niet onvermijdelijk in een gat als Ambrose – waar iedereen elkaar kent?

Dit tweede deel van That Texas Blood is een aanrader voor een warme zomeravond. Het eerste deel is nu zelfs maar een tientje (vast niet overal, dus doe je best!) waarmee twee avondjes Texas in het verschiet liggen. Ons voordeel: de betrekkelijke rust van ons balkon of achtertuin. En koud afdouchen als het je echt te veel wordt.

Chris Condon & Jacob Phillips – That Texas Blood Volume 2 – Image. 176 pagina’s. $16.95.

* altijd moet Jacob Phillips horen dat hij de zoon van Sean Phillips is, de stripmaker die furore maakt met Ed Brubaker in het strip noir genre (Fade Out, Criminal, Kill or be killed). Jacob kleurde een aantal van hun albums in, maar staat nu op eigen benen: als tekenaar en als inkleurder.

Strips & comics

Gelezen: Jeffrey Brown – Loved and Lost: A Relationship Trilogy

Jeffrey Brown brak in 2002 door met een intieme graphic memoir over zijn eigen late tienerjaren. In Clumsy beschrijft hij hoe onhandig hij dingen aanpakt, hoe eigenzinnig hij een concept als liefde uitvogelt en hoe hij steeds alles zo ver overanalyseert dat alle spontaniteit uit zijn handelen wegebt. Clumsy sloeg niet in als een bom, daarvoor zag het er voor de goegemeente niet mooi genoeg uit: wie het blokkige boekje oppakte zag vooral snel getekende pagina’s in zwart wit, niet zo strak uitgewerkt, vaak in zes schetsmatige plaatjes per pagina en vooral slordig geschreven.

Zijn tekeningen waren van hetzelfde laken een pak. Handen waren haakjes aan het einde van staken en als het donker werd in de strip streepte hij gewoon de tekening door. Het leek alsof Brown haast had, dat hij bang was dat hij zijn verhaallijn zou vergeten als hij niet keihard door zou tekenen.

En dat was precies wat het was: Brown (1975) tekende indertijd voornamelijk om zijn herinneringen te vangen, om ze te bewaren voor later. Wie om die reden werkt, is meer bezig met vertellen dan tekenen. Wat zijn werk zo de moeite waard maakt, is zijn vertelstem, zijn perfecte manier om heel rustig en beheerst een situatie te ontleden. De stripliefhebbers die het als zodanig lazen, waren verkocht: hier was een rasverteller aan het woord, iemand die de intieme confrontatie met zichzelf en zijn omgeving durfde aan te gaan.

Na Clumsy verschenen Unlikely en AEIOU (An Easy Intimacy of you). De laatste titel, uit 2007, zag er wat tekenwerk betreft een stuk behapbaarder uit, al kwam het terecht in een boekje van 10 bij 15 centimeter met twee boven elkaar liggende plaatjes per pagina. Ook al niet echt je van het. Brown besteedde wel meer tijd aan zijn tekeningen, toch bleven de lelijke handjes.

Met deze drie titels had Brown zich behoorlijk in de kijker gespeeld, en niet alleen bij het avontuurlijke small press graphic novel publiek. De verhalen, die thematisch verwant zijn en gaan over kwetsbaarheid, intimiteit en liefde, zijn nu gebundeld in een dikke pil: Loved and Lost: A Relationship Trilogy bevat 608 pagina’s.Het leest als een trein. Unlikely, een ’true love story’ volgens de ondertitel, is nog steeds fantastisch. Sowieso zijn de verhalen nergens gedateerd of door het leven ingehaald.

Het is leuk te zien welke weg Brown heeft bewandeld. Na deze drie strips volgden nog Every girl is the end of the world for me (een zelfonderzoek), Little Things (het hoogtepunt uit zijn autobiografische oeuvre) en Funny misshapen body, uit 2009, waarin Brown onder meer vertelt over zijn leven als stripmaker: hier volgen we hem op comic cons en dergelijke en wordt het wat meer een dagboek. Een jaar later verschijnt nog Undeleted Scenes en daarna verandert er veel: Brown wordt vader en krijgt verantwoordelijkheid – in het echte leven, welteverstaan.

Hij gooit het vanaf dan over een andere boeg: sindsdien kennen de meeste jonge stripliefhebbers Brown als de maker van een hele reeks Darth Vader strips. Dat zijn kinderlijke verhalen over Darth Vader die een gezin heeft en een kindje opvoedt, getekend in dezelfde onbehouwen stijl van zijn eerdere werk, al is het wat gepolijster en in kleur. Het is vooral een beetje flauw en plat allemaal, met merchandise en cadeauboekjes en zo, en veel Brown-fans van het eerste uur haken af.

Maar nu ineens, zonder aanwijsbare reden, kan een hele nieuwe generatie striplezers kennis maken met het echt sterke werk van Brown. En dat moeten ze zeker doen: ook jonge stripmakers die veel beter tekenen dan Brown zullen ontdekken dat een goede strip er eentje is die je meesleept, ook al is het allemaal niet groots en indrukwekkend. Brown laat zien dat een eenvoudig verhaaltje over een jongeman die twijfelt over van alles en nog wat echt prachtig kan zijn. Hij vertelt eerlijk over hoe het is om een lange-afstandsrelatie te hebben en hoe je dat soms tot wanhoop kan drijven. Allemaal echt en zonder opsmuk.

Brown is bitterzoet en ontwapenend eerlijk, hij is lief en onaardig voor zichzelf en anderen. Hij zoekt, twijfelt en gaat door. Zijn werk zit in alledag en is daarom zo de moeite waard. Loved and Lost: A Relationship Trilogy is een perfecte introductie van zijn werk en ideaal voor wie zich een tijdje heerlijk wil onderdompelen in twijfel, pijn en romantiek. En het is echt: na vier pagina’s valt het krakkemikkige tekenwerk je al niet meer op. Sterker nog, het wordt gaandeweg charmant. Ongelooflijk.

Jeffrey Brown – Loved and Lost: A Relationship Trilogy. Top Shelf. 608 pagina’s. € 34,95

Strips & comics

Gelezen: Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis

Uiteraard zag de stripliefhebber het al een beetje aankomen. Heden verse vis werd voorgepubliceerd in stripblad Eppo en daar vielen de losse delen al in de smaak, maar eenmaal alles achter elkaar, 72 pagina’s lang: wat een plezier. Hardop schateren om de strapatsen van twee karikaturale stripmakers, je verkneukelen om het afzijdige van het sterrendom, glimlachen om de gevatte dialogen en de echt goede grappen; Heden verse vis heeft het allemaal. Gaat er dit jaar één strip mee in de handbagage, dan is het dit album.

Marc Legendre en Charel Cambré zijn twee grote namen in het Vlaamse striplandschap. Cambré (Amoras, Jump, en meer) legt een ongekede productie aan de dag en Legendre kennen we van Biebel (ooit) en nu voornamelijk als scenarist, van onder meer De Rode Ridder. In Heden verse vis spelen ze nu eens zelf de hoofdrol. De twee mannen, die elkaar voortdurend bij de achternaam noemen, zoal te doen gebruikelijk als je uit de Kempen komt, staan op een kruispunt in hun carrière. Ze willen een grote sprong maken, om voorgoed binnen te zijn, om er echt toe te doen. Voorbij met dat gepap, nu moeten er grote stappen worden gezet. Sprongen zelfs! Ze willen herkend worden en gevierd, want daar schort het nog aan.

We zien de twee in een stripwinkel wegkwijnen tijdens een slecht bezochte signeersessie – waar ze uiteindelijk bezoek krijgen van een echte stripliefhebber die ze lastigvalt en ze iets te amicaal dwingt tot allerlei kunstjes. Het is de druppel: bij een Duvel overwegen ze dan maar een viswinkel te beginnen. Vandaar de titel. Maar nee, ze willen het nog één kans geven: Legendre heeft een huisje in Spanje, daar gaan ze een meesterzet uitdokteren. Daar gaat de toekomst bepaald worden. Wat volgt is een soort slapstick roadmovie, met allerlei grappige ontmoetingen en fratsen onderweg.

Of ze een goed idee bedenken als ze eenmaal in het dorpje zijn, is niet relevant. Het reisverslag is al meer dan voldoende grappig en scherp. Ook geweldig zijn de inkijkjes in de stripwereld die het duo ons gunt: die van luie uitgevers die niets anders doen dan nog maar een keer een oud lijkje afstoffen, nog maar een luxe versie van een klassieker, nog maar eens iets proberen wat al duizend keer gedaan is of aanhaken bij het schamele succesje van een ander. Ook het subsidietraject wordt onder de loep genomen, met prachtige rollen voor cultuurbobo’s die alles heel goed voor zichzelf regelen en voor die ene auteur, die verdacht veel op stripidool Brecht Evens lijkt.

Legendre en Cambré slepen zich voort, wetend dat ze het niet meer gaan redden, behalve als ze echt iets geniaals op poten zetten. Maar geloven ze er zelf nog in? In Heden verse vis gaat het om authenticiteit in een platgeslagen, risicoloze wereld vol hotemetoten en mislukte uitgevers. Klinkt gevaarlijk, maar de twee weten er slim een draai aan te geven door zichzelf als grootste mislukkelingen neer te zetten. Ze lachen om zichzelf, vooral dat: zie ze daar nu, die twee laatvijftigers met hun obligate idealen en hun meningen over alles en iedereen.

Cambré heeft zijn meest swingende potlood gevonden en dat betaalt zich uit. De pagina’s, met name de Spaanse, zijn een genot. En hoe gek het misschien klinkt: hij heeft de twee figuurtjes perfect in de vingers. Hij een tikje opvliegend en druk, Legendre als een bedachtzame, rustige tegenpool die hem vooral heel gevat van repliek dient. Geen Laurel en Hardy, wel een gouden combi.

Het mooie nieuws is dat dit het eerste deel is van een heuse trilogie. Iets wat je overigens helemaal niet doorhebt aan het einde van dit album: de aparte anekdotische verhalen zijn losjes aan elkaar geknoopt tot een geheel, zodat de voorpublicatie in Eppo steeds smooth verliep, maar echt een rode draad of bovenliggende verhaallijn is er niet. Het gaat gewoon om twee grappige figuren, Legendre en Cambré, die er samen proberen uit te komen. Waaruit? Goh ja. Geen idee eigenlijk.

Marc Legendre & Charel Cambré – Heden verse vis. Standaard Uitgeverij. 72 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen

Guy Delisle, de Canadese succesauteur van graphic novels als Pyongyang, Gegijzeld en onlangs De papierfabriek, gooit het over een andere boeg. Het onlangs verschenen De kunst van het nietsdoen is een verzameling korte verhalen, die een andere kant van zijn vakmanschap toont. In zijn graphic novels kiest Delisle altijd voor een minimalistische aanpak: eentje van weinig lijnen, geen franje en een rustige pagina-opmaak. Het is zijn handelsmerk, zijn werk herken je uit honderden.

In De kunst van het nietsdoen zien we meer dynamiek: sommige bijdragen zijn kriebelig, gedetailleerd en eigen; andere strips passen moeiteloos in de Franse traditie, zoals het bijzondere Het verhaal van de dobberende hond. Wat al deze bijdragen laten zien is dat Delisle bepaald geen one trick pony is: dat hij koos voor een rustige en uitgebalanceerde stijl voor zijn reisverslagen (Shenzen, Birma, Pyongyang en Jeruzalem) wil niet zeggen dat hij niet meer pennetjes in zijn etui heeft. Hij zou gemakkelijk een avonturenstrip aankunnen, zelfs een Kobijn album, als dat moest. Zijn werk neigt naar dat van collega’s Trondheim en Larcenet, zij het wat ronder en lieviger.

Je zou in dat geval bijna denken dat Delisle met De kunst van het nietsdoen – de titel verwijst naar een van de strips in de bundeling, niet eens een prominente – een open sollicitatie stuurt naar iedereen die een veelzijdige tekenaar én verteller zoekt. Want meer nog dan de tekeningen verrast Delisle met zijn verhalen: soms absurd, soms prikkelend met een filosofische touch, dan weer een grappige slice of life. Alle verhalen, sommigen zijn al bijna 25 jaar oud, zijn al eens eerder verschenen, in tijdschriften en anthologieën.

Die positieve ratjetoe aan stijlen en verhalen maakt het lezen in deze bundeling alsof je in een Eppo zit te bladeren, die door één enkele auteur is volgetekend. Dat pakt goed uit: het is iedere keer weer een verrassing wat er op je pad komt. Het mooist zijn de autobiografische observaties, zoals de verhalen Vaste grond (over de zonne-eclips) en het openingverhaal Het eerste plaatje, waarin de auteur vastlegt hoe hij te werk gaat. In de tekstloze bijdragen laat Delisle vooral zien uit welke hoek hij afkomstig is: die van de animatie. Dan buitelen de mannetjes door het beeld en vloeien de handelingen in de kaders: fraai, als grafische poëzie.

De kunst van het nietsdoen is zowel geschikt voor lezers die al bekend zijn met het werk van Delisle als nieuwe lezers. De eerste groep ontdekt nieuwe, interessante aspecten van zijn werk, de tweede groep heeft een vrolijk boek te pakken om af en toe een strip uit te lezen. Of zij daarna de overstap maken naar het andere, lange werk van Delisle is geen uitgemaakte zaak, maar wel te hopen.

Guy Delisle – De kunst van het nietsdoen. Concerto Books. 152 pagina’s hardcover. € 22,99.

Strips & comics

Gelezen: Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden

Jerome Bloks is een publiekslieveling. De schlemielige privédetective met zijn Solex en koddige maniertjes draait al mee sinds 1982. Aanvankelijk vrij geruisloos, sinds deel 6 is er een stevige fanbase die de slimme verhalen van de Fransman Dodier – die dan de strips tekent én schrijft – waardeert. Een nieuw album van Bloks is altijd een zekerheidje: dat laat je niet liggen. En nog steeds trekt de serie nieuwe lezers, getuige de flinke prijzen die worden betaald voor de “moeilijke deeltjes”, zoals het in verzamelaarskringen heet: de oudere nummers die niet veel voorhanden zijn en alleen nog gevonden worden op de antiquarische markt.

Van die serie verscheen dus onlangs het 28ste deel, In goede en slechte tijden. De titel verwijst naar een vrouw die Jerome tijdens zijn rij-examen ontwaart: ze staan in vol ornaat op een viaduct en dreigt te springen. Althans, dat is wat Jerome vermoedt. Hij gaat subiet poolshoogte nemen, hoort haar verhaal aan van een mislukte bruiloft en weet haar te kalmeren. Die vrouw zet vervolgens het leven van Jerome op zijn kop.

Om het maar meteen te zeggen: het is geen goed verhaal. Het is te begrijpen, het is te volgen maar de ontwikkelingen zijn wat vreemd en ook de rol van Bloks is apart. Oké, hij is de verstrooide detective, maar hij is niet dom. En zijn vrienden vinden het allemaal maar raar wat er gebeurt, maar ze laten hem toch begaan. Zijn vriendin Babs, de stewardess die halverwege terugkeert van haar werk, is des duivels en trekt haar eigen plan. En Bloks? Die gaat zonder werkelijk iets op te lossen door met zijn zaak, die niet echt een zaak is. Dat komt omdat hij zelf een te grote rol heeft: er is geen opdrachtgever, niet iemand die hém nodig heeft.

Daarbij zijn er veel dingen die een beetje raar zijn: als de bruid haar wanhoopsdaad wil plegen heeft zij haar trouwjurk aan, die zij twee dagen later nog steeds draagt als ze bij Bloks langskomt. Ze blijft maar in die witte jurk rondlopen. Ook in de ontknoping zit een wel heel grote toevalligheid als iemand zomaar iets doet wat niemand zomaar zou doen – geen spoilers uiteraard.

Het verhaal begint nog wel spannend, met een soort dubbele nachtmerrie die in twee stadia uitkomt in het ziekenhuis waar Jerome Bloks ligt bij te komen met een steekwond in zijn buik. Daar gaat ook de nachtmerrie over: zijn vriendin Babs zwaait daarin gevaarlijk met een flink mes, net als te zien is op het omslag. Maar hoe het precies zit, is dan nog niet duidelijk. Om dat te vertellen gaat Dodier zes maanden terug in de tijd. In een verhaal dat meer dan anderhalf keer zo lang is als een vergelijkbare strip, volgen we de handel en wandel, in voor- en tegenspoed. En toch heeft Dodier aan het einde enorme tijdsprongen nodig om er een rond verhaal van te maken.

De tekeningen van Dodier zijn herkenbaar uit duizenden. Ze zijn charmant, maar af en toe ook onevenwichtig. Bloks is heel expressief, al zijn gezichtsuitdrukkingen zijn fraai en raak, maar dat geldt niet voor de bruid: haar gezicht is vlak en ze is daardoor moeilijk te peilen. Misschien de bedoeling, maar het kan echt spannender. Ze lijkt constant onder invloed, ze is te onderkoeld. Wat ook opvalt, in positieve zin, is hoe goed de inkleuringen zijn. Die zijn van de hand van Cerise – geen achternaam. Haar werk maakt dat het verhaal echt van nu is. De kleurstellingen zijn zoals 2022 is, zogezegd.

En beetje spijtig is het wel dat dit niet het verhaal is geworden, zoals Dodier ze eerder wel maakte, met De kluizenaar als voorlopig hoogtepunt. Dodier moet Bloks iets laten oplossen, de vriendelijke sul is minder geschikt om een verhaal aan op te hangen: daarvoor zijn zijn schouders te fragiel en is hij te onberekenbaar.

Alain Dodier – Jerome K. Jerome Bloks 28: In goede en slechte tijden. Dupuis. 72 pagina’s. € 8,99.

Strips & comics

Gelezen: Maxe L’Hermenier & Djet – De omgekeerde rivier

Het tweeluik De omgekeerde rivier wordt aangeprezen als een fantasy avontuur voor de jeugd, dus dat belooft wat. Op het eerste oog ziet het er heel goed uit: de tekeningen en vooral de kleuren zijn perfect in orde en scheppen meteen een sfeer van ver. Van een plaats waar besneeuwde bergen zijn, boomhuizen, kamelen en een winkel met duizend laatjes, waarin alles ligt wat je je maar kunt wensen. Tenminste, dat is wat Tomek denkt: hij bestiert de zaak en weet van alle laatjes wat erin zit. En toch, als er op een dag een meisje langskomt dat vraagt om een flesje water uit de rivier de Qjar, dan moet Tomek nee verkopen.

Het meisje vertrekt en Tomek krijgt haar niet uit zijn gedachten. Hij wil weten wat er zo bijzonder is aan het water uit de Qjar. Een oude baas weet hem te vertellen dat het een rivier is die van beneden naar boven stroomt. Het water dat uit de bron komt, helemaal op het topje aan het einde, is heel bijzonder: als je het drinkt ben je onsterfelijk. Er is een kleinigheidje: de Qjar ligt ongeveer aan de andere kant van de wereld. Dat is het begin van een mooi avontuur. Tomek vertrekt, op zoek naar de rivier maar eigenlijk naar het meisje.

Het eerste deel heet Tomek, en daarin volgen we de jongen op zijn magische zoektocht. Deel 2 heet Hannah en dat is de naam van het meisje over wie we dan al het een en ander te weten zijn gekomen in deel 1. Zo’n concept van twee perspectieven van hetzelfde verhaal is een leuk gegeven. In dit geval werkt het bijna goed: alleen in deel 2 krijgt de lezer iets te vaak opnieuw iets te zien, maar de doelgroep indachtig is dat misschien juist een bewuste keuze. Het geeft wel een mooi beeld van de twee tochten die zijn afgelegd; Hannah liep steeds een paar dagen voor Tomek uit.

Dit verhaal is niet de eerste verstripping van een roman van Jean-Claude Mourlevat, waar scenarist Maxe L’Hermenier zich aan zette. Vorig jaar verscheen het stemmige verhaal Oceaankind, met tekeningen van Stedho. Zowel de Vlaming Stedho als de tekenaar van dienst in dit tweeluik, de Fransman Djet, weet de juiste snaar te raken. Oceaankind is iets rauwer, De omgekeerde rivier is sprookjesachtiger, vooral vanwege de wonderlijke reis die de twee maken. En Djet weet hoe hij sfeer kan scheppen: het Bos der Vergetelheid is prachtig verbeeld, heel klassiek, net als de bloemenweide waar je bedwelmd raakt en daarna terecht komt in een wereld met kleine wezens, bijna zoals Alice in Wonderland.

Voor de jongere lezer – van 10 tot 14 jaar – is dit een perfecte strip, vooral omdat het verhaal goed wordt verteld en er genoeg aan de verbeelding wordt overgelaten. Daarbij is een verliefde jongen die achter een meisje aangaat altijd een fijn gegeven voor een avonturenstrip. Tel daarbij op dat Hannah een heel mooi motief heeft om water uit de rivier te bemachtigen en De omgekeerde rivier is een strip die mee mag op vakantie. Ideaal dus voor de doorgewinterde stripliefhebber die een wit voetje wil halen bij een neefje of nichtje: deze twee albums vallen zeker in goede aarde.

Maxe L’Hermenier & Djet – De omgekeerde rivier deel 1 en 2. Naar de roman van Jean-Claude Mourlevat. 72 pagina’s per deel. € 10,25.

Strips & comics

Gelezen: Typex – Moishe, zes anekdotes uit het leven van Moses Mendelsohn

Andy Warhol, Rembrandt van Rijn, dat waren nog eens namen. Hun levens werden in dikke pillen verstript door de Amsterdamse stripmaker Typex die er veel succes mee had. Deze maand verscheen het veel minder lijvige Moishe, een stemmige, gefragmenteerde levensgeschiedenis van de Berlijns-Joodse filosoof Moses Mendelsohn, die leefde van 1729 tot 1786. Na Hipparchia uit De filosoof, de hond en de bruiloft van Barbara Stok nog iemand uit de filosofenhoek die niet bij iedereen meteen een belletje laat rinkelen. Hoewel, wie de achterflap leest weet dat deze Moishe niet zomaar de eerste de beste boekgeleerde was: hij raakte bekend als de Berlijnse Socrates wiens bijdrage aan de filosofie tot op de dag van vandaag invloedrijk is.

Typex heeft in 88 pagina’s geen heel leven uit de doeken gedaan. In zes hoofdstukken, die als anekdotes om het omslag staan omschreven, wandelt de lezer langs enkele markante mijlpalen van de kleine, gebochelde tobber. Die anekdotes gaan bijvoorbeeld over zijn vertrek naar Berlijn, de liefdesverklaring aan zijn vrouw Fromet, de ontmoeting met de antisemitische koning Frederik de Grote, en zo voort. Ieder hoofdstuk wordt mooi ingeleid, met links het historische verhaal en rechts de reconstructie van dat verhaal. Dat is interessant, vooral omdat er vaker niet dan wel iets van klopt. Dan lezen we bijvoorbeeld dat Moishe de schrijver-filosoof Gotthold Ephraim Lessing nooit heeft ontmoet, terwijl er wel een beroemd schilderij van die gelegenheid bestaat.

Met de vertellende joie en vrolijke zwier die Typex eigen is, kiest hij de momenten uit het leven van Mendelsohn die hem het treffendst duiden. In het vijfde en langste deel, Het lied van de profeet, wordt het allemaal wat driftiger en grotesker. Die zogenaamde profeet is de Poolse vrijheidsdenker Abba Glosk; een stinkende, tikje obstinate man die Moishe verleidt tot allerlei gedachten die de arme Mendelsohn tot razernij drijven. Het is te lezen als een parabel, maar dan zonder al te concreet te worden. Daarvoor wordt bij tijd en wijle iets te diep in het glaasje gekeken.

De kenmerkende paginavormgeving van Typex past goed. Hij laat iemand van boven naar beneden over de pagina wandelen, zodat de tekstballonnen op een speelse manier een monoloog vormen. Brecht Evens en Cyril Pedrosa doen dat ook graag. Hij vangt langdurige sequenties op één pagina. Dan ziet de lezer de doorsnede van een huis, waar Moishe linksonder hartelijk welkom wordt geheten, dan achter de gastheer de trap op loopt, tot in de eetkamer waar wordt gegeten en daarna de laatste trap naar de zolder. Het mooie van de tekening en de leesrichting: het is volkomen logisch om niet op zolder te beginnen. Typex hanteert een duidelijke vormtaal, hij maakt geen zoekplaten. De pagina’s hebben geen strikte kaders, maar bijvoorbeeld zwierige ornamenten, klassieke pilaren of priëlen die iets van een stripkadervorm suggereren.

Moishe is geen volledige levensgeschiedenis zoals bijvoorbeeld De filosoof, de hond en de bruiloft van Barbara Stok dat wel is. Dat pretendeert het overigens niet te zijn, maar zorgt er wel voor dat we misschien minder leren over wie Mendelsohn nu echt was. Het nawoord van Inka Bertz van het Joods Museum Berlijn levert al meer informatie over zijn leven, plus over de beweegredenen en keuzes van Typex zelf. Ze zegt: “Typex richt zich vooral op de man zelf en de dramatische situaties en omstandigheden waarin hij zich bevond. Typex maakt gebruik van stijlvormen uit de 18de eeuw, van zijn eigen artistieke diversiteit en zijn zucht naar humor en het groteske, om zo een nieuw beeld van de grote filosoof van de Verlichting te scheppen.”

Dit boek verscheen ter gelegenheid van tentoonstelling “We dreamt of nothing but Enlightment” Moses Mendelsohn, die nog tot 11 september 2022 te zien is in het Jüdisches Museum Berlin. Het werd tegelijk in het Nederlands, Engels en Duits uitgebracht.

Typex – Moishe, zes anekdotes uit het leven van Moses Mendelsohn. Scratch Books i.s.m. Jüdisches Museum Berlin. 88 pagina’s hardcover. € 24,00.

Strips & comics

Gelezen: Bob op ’t Land – 24/7

Natuurlijk steunen we de boekhandels, de stripwinkels en iedereen die boeken verkoopt, maar soms staat er zomaar iets geweldigs online waar we zonder tussenkomst van de detailhandel kennis van kunnen nemen. Zoals 24/7, een “semi-quasi-autobiografische” strip van Bob op ’t Land. Iedere week zet de stripmaker uit Deventer een deel van zijn besognes op Instagram (@boboptland) en het is ronduit hilarisch, lekker Hollands, snel en met een perfecte timing. Het is zo goed dat je steeds denkt: damn, dit is voor iedereen leuk. Een allemansvriend die een dikke hit kan worden, de meezinger voor de goegemeente.

In 24/7 maken we kennis met Bob, die zichzelf aldus introduceert: “In 2017 was ik net afgestudeerd aan de Kunstacademie. Na zes jaar lang intens te hebben gefocust op de abstracte diepgang en dramatiek van mijn innerlijkste zielenroerselen, stond ik plots voor een veel concretere uitdaging: hoe ga ik hier in godsnaam geld mee verdienen?”

Vanwege de ernst van de situatie besluit Bob het antwoord eventjes te parkeren. De tijdelijke oplossing van het probleem dient zich namelijk vrij eenvoudig aan. In zijn geval is dat een dynamische bijbaan met uitdagende uren op een schitterende locatie. Anders gezegd: achter de kassa van een 24-uurs pompstation met broodjeszaak aan de rand van de snelweg. Vanaf daar haakt de lezer aan en zien we Bob zich manmoedig door de misère ploeteren, met zijn grootse dromen en ideeën.

Hij begint vol enthousiasme, terwijl hij alles onderschat. Weinig idyllisch, noemt hij het zelf. In een heerlijke tekenstijl die perfect bij de snelle online omgeving past, lopen we met de bediende mee. Op ’t Land keek goed naar zijn Franse voorbeeld Lewis Trondheim (ineens zien we dan een cameo van Kobijn, ter bevestiging) en een beetje naar Manu Larcenet. Hun snelheid en trefzekerheid is bij Op ’t Land in goede handen, met dezelfde schwung en bravoure. Het zorgt voor een vertrouwde aanblik: de lezer is onmiddellijk op zijn plaats en midden in het verhaal.

Bob en zijn collega’s van het pompstation moeten zich veel laten welgevallen. Aanvankelijk verzanden ze niet in neerslachtigheid, maar gaan ze volop in de aanval: met een labelmaker maken ze nieuwe naambadges (“Vandaag heet ik Sjoekel-Bert en jij?” “Lactaaf”). Maar dat blijft niet voortduren. Hij probeert een paar random masterplannen, voordat hij een echt masterplan lanceert: een kleine stap voor de mensheid, maar een grote stap voor Bob op ’t Land.

Wat het mooi maakt is dat Bob af en toe een terloopse bespiegeling op het leven loslaat, die raak is. Dan filosofeert hij kort over de mensen die hij ziet of de plek die het pompstation inneemt in het grotere geheel. Hij duidt zijn collega’s zonder vilein te worden; hij laat ze zelf het gat graven. Wie al twaalf jaar geen stap verder komt, moet misschien wat minder breed gaan zitten. En zo worstelt de protagonist met zichzelf: wat als hij wordt als Jasper? Dat hij er ook na een dozijn jaren dienstverband nog steeds met een prijstang rondloopt?

24/7 is een zeldzaam genoegen: zo’n strip waarvan de nieuwe aflevering niet snel genoeg kan komen en die altijd te kort is. Daar is een remedie voor. 24/7 zou perfect passen in albumformaat, in een reeks die flink op gang gehouden moet worden. Dus niet anderhalf jaar tussen deel 1 en 2, maar echt tempo tempo. Misschien lopen we nu vooruit op het Mastermasterplan, maar je moet groot willen denken om verder te komen. Zoals Bob het stelt: van een pompstation naar “een mokersaaie maar betaalde tekening over gebrekkige fietspaden in Oost-Nederland” lijkt niets, maar is al een flinke stap. Hoog tijd voor de volgende.

Bob op ’t Land – 24/7. Te volgen via Instagram: @boboptland.

Strips & comics

Gelezen: Joris Mertens – Bleekwater

Wie Beatrice las, het overrompelende debuut van de Vlaamse illustrator Joris Mertens, weet waar het bij hem om gaat. Hij kan als geen ander stadsgezichten tekenen; prachtige panorama’s van steden met de vergane grandeur uit de eindjaren vijftig en zestig, het liefst schuin van boven, met straten en pleinen vol reclameletters en klassieke architectuur. Mertens liet de lezer dwalen door buurten met opgeprikte chique, liet de lezer toe in heerlijke grand cafés waar de tijd stil stond – en hij wist er bovendien een prachtig tekstloos verhaal aan toe te voegen.

Drie jaar na Beatrice is Mertens terug, ditmaal met een graphic novel mét tekst: In Bleekwater kiest hij andermaal voor een grote stad als decor. De hoofdrol is deze keer weggelegd voor François, een stomerij-koerier die met zijn auto schoon wasgoed bij de klanten bezorgt. Of zoals het in het boek heet: François werkt bij de droogkuis en brengt met zijn camion leveringen tot bij de deur. Want laat er geen misverstand over bestaan: Bleekwater is een op en top Belgisch boek, waarin de couleur locale en de dialogen perfect in balans zijn. Ter vergelijking, een verhaal over Amsterdam uit de jaren dertig kan ook niet zonder een flinke lik Bargoens.

François is een typetje. Hij lijkt altijd onderweg in het leven, heeft iets van een constante onrust over zich. De enkele keren dat wij hem zien met een vriendelijke oogopslag is als hij hardop droomt van het winnen van de lotto. Hij speelt al zijn halve leven mee, met steeds dezelfde rij getallen, en weet zeker dat hem op een dag het goede zal overkomen. Dan koopt hij een huisje voor de kioskmevrouw Maryvonne en haar dochtertje, op wie François verkikkerd is.

Als François niet werkt, dwaalt hij rond door de stad. Hij pakt een pintje hier, knoopt een gesprekje aan daar, zit een film uit in een vrijwel lege bioscoop, en zo gaan de dagen voorbij. Hij is een solist, iemand voor wie het sociale leven de vorm heeft van een rondgang. In de tussentijd laat Mertens de verblufte lezer alle hoeken van de stad zien. De avondscènes, met de straatverlichting en de neonreclames, zijn schitterend, vooral omdat het altijd regent. De straten zijn nat en weerkaatsen het nachtleven.

Op een dag als alle andere wordt François tijdens een bezorgritje geconfronteerd met een situatie die even onverwacht is als het winnen van de lotto. In een split second neemt hij een besluit. Vanaf dan staat zijn leven op z’n kop. Gaat alles dan toch goed komen? Voor iemand die het onverwachte geluk binnen handbereik heeft, is hij weinig ontspannen. Met nog een paar pagina’s te gaan, loodst Mertens ons naar een spannende ontknoping.

Bleekwater is een graphic novel met een bonus. Als het bij het kabbelende leventje van François was gebleven, was het al een heerlijke leeservaring geweest: de entourage, de omgeving, de stadse aangezichten, alles is zo mooi uitgewerkt en sfeervol. Soms hoeft een verhaal alleen maar zacht en handzaam te zijn, als een anekdotische geschiedenis van een kleine man in een grote stad – en hoe ze elkaar in evenwicht houden. Dat is Bleekwater voor driekwart. Met het sluitstuk springt Mertens ineens over op een heel ander verhaal, waarmee hij het voorgaande deel effectief dramatiseert. Het is een boek dat een geluidje geeft als je het uitgelezen sluit: wow.

Joris Mertens – Bleekwater. Oogachtend. 152 pagina’s hardcover. € 28,00.

Strips & comics

Gelezen: Joe Ollmann – Fictional Father

Het was heerlijk, het was fantastisch, je zou willen dat je de pagina’s van Fictional Father van Joe Ollmann kon blijven omslaan, zonder dat je bij de laatste pagina aanbelandde. Zoals Jezus, die maar brood bleef breken en vissen uit de mand bleef halen. Het blijft bij een goede 200 bladzijden, maar wie tot daar is gekomen, heeft genoten van een tragisch, gekweld levensverhaal en van een vertelling die vanwege spot, humor en vaart echt iets bijzonder is. Ollmann kan vertellen, dat bewijst hij voluit.

Het verhaal is ingenieus. Caleb is een veertiger met een trage tred en weinig ambitie. Hij vult zijn dagen met schilderen, nadenken over zijn toekomst en verder niet veel. Hij worstelde met een alcoholverslaving en heeft een moeizame relatie met een steward – iets wat niet heel lekker ligt in de familie. Caleb is ook de zoon van een van de beroemdste striptekenaars van de wereld; zijn vader is namelijk niemand minder dan Jimmy Wyatt, de schepper van de legendarische krantenstrip Sonny Side Up, waarin een vader en een zoon de hoofdrol spelen. Sonny Side Up is een mierzoete feelgoodstrip die Jimmy Wyatt de bijnaam Everybody’s Dad oplevert. Hij verdient miljoenen aan de strip en merchandise, wat hem onuitstaanbaar en tiranniek maakt. Zijn familie is lucht, want laat dat gezegd zijn: Sonny Side Up is bedácht, het is zéker niet eigen familie. Aan één Hank Ketcham (schepper van de strip Dennis the Menace en vader van diezelfde Dennis) hebben we meer dan genoeg – dit verhaal zou gebaseerd zijn op het leven van Dennis, van wie bekend is dat die een zeer slechte verstandhouding had met zijn vader.

Het verhaal opent met een zo pijnlijke anekdote dat de toon meteen is gezet: op een prestigieuze prijsuitreiking vertelt Jimmy Wyatt dat er een ‘special little person’ is zonder wie hij niet kan werken. De zesjarige Caleb glimt van oor tot oor, tot zijn vader niet hem maar zijn secretaresse op het podium erbij roept. Zijn moeder die naast haar zoon zit, negeert hem opzichtig, terwijl haar man de lachers op zijn hand heeft en de gevierde paljas uithangt. Zo verloopt het leven van de jonge knaap: hij wordt genegeerd, hij is tot last. (“Wat moet hij hier nou? Ik heb verdomme een deadline, zoals altijd!”)

Dat Caleb in zijn tienerjaren ontspoort is logisch. Hij wordt onderhouden, faalt in elke poging die hij doet om iets van zijn leven te maken (“Ik herinner me jouw hang gliding periode nog goed”) en blijft alleen aan de fles plakken. Zijn hele misère is de schuld van hem, van Everybody’s Dad. De innerlijke kwelling is door Ollmann zo geweldig neergezet dat de lezer geen medelijden krijgt, zelfs geen klein beetje, maar toch wil weten hoe Caleb het verder rooit. Als hij een beetje succes heeft met zijn schilderijen, raakt het de lezer niet echt. Daar lijkt het Ollmann niet om te doen. Er zijn vast ergere dingen.

De tekeningen van Ollmann zijn niet hemelbestormend. De indeling van zijn pagina’s, ook op plaatjesniveau, is soms charmant onbeholpen. Soms leunen de figuren om te hoek omwille van de tekstballonnen, dat idee. Maar het maakt echt allemaal niet uit: door de magische vertelstem van Ollmann blijf je doorlezen. Al zijn observaties zijn zo raak, zo treffend, dat lees je niet vaak. Peter Bagge had het vroeger met Buddy, al leest dat nu gedateerd. Gabrielle Bell kan ook mooi ingetogen en pijnlijk vertellen, maar zij heeft iets geks over zich – Ollmann is juist heel down to earth. Caleb is gewoon een mislukking die zichzelf niet aan zijn kraag omhoog kan trekken. Daar horen geen grootste vergezichten bij.

Speciale aandacht is er voor Calebs moeder, een getormenteerde vrouw met een gelooid gezicht, een symmetrisch kapsel als Beatrix en grote zonnebrillen. Zij is koud en afstandelijk, zoals zij vindt dat hoort bij de vrouw-van. Pas als haar man op late leeftijd overlijdt, komt ze los. Dan blijkt pas wat ze allemaal heeft moeten doorstaan. Ze deelt haar gekwelde herinneringen met Caleb, die nooit op enig mededogen van haar kant heeft mogen rekenen. Dat zet hun relatie ook weer op scherp: heeft hij toch liever die waardeloze moeder die hem negeerde en ontkende, of deze ontketende kenau die zich aan zijn zijde schaart om haar verdriet te kanaliseren? Arme Caleb is te bescheten om zelfs als volwassen man voor zichzelf op te komen. Het levert prachtige scenes op.

Fictional Father is een juweel van een graphic novel. Terecht, maar evengoed uit het niets, werd het onlangs als eerste strip ooit genomineerd voor de prestigieuze Canadese Governor General’s Literary Awards, een literaire prijs voor oorspronkelijk Canadees werk. Mooi voor een boek waarin de hoofdpersoon eigenlijk gewoon zichzelf probeert te zijn, terwijl zijn omgeving iemand anders van hem heeft gemaakt. Caleb is alles tegen wil en dank. Hij zou graag iets of iemand willen zijn die hij nooit wordt. Schilder? De opvolger van zijn vader? Gewoon iemand anders? Je helpt het hem ergens hopen, maar je geeft hem geen schijn van kans.

Joe Ollmann – Fictional Father. Drawn & Quarterly. 212 pagina’s. € 23,00.

Strips & comics

Gelezen: R. Kikuo Johnson – No one else

Voor Charlene komt alles op een hoopje. De gescheiden moeder is voltijds verpleegster. Ze werkt zich – nog woonachtig in haar ouderlijk huis – een slag in de rondte en zorgt ondertussen voor haar zoon Brandon, een knaap van een jaar of tien, en haar zieke vader. Het verhaal neemt zijn aanvang als de oude man thuis verongelukt en overlijdt. In een ogenschijnlijk eenvoudige tekenstijl, die onmiddellijk doet denken aan het werk van Adrian Tomine en van Hartley Lin, vanwege de rust en de spaarzaam uitgewerkte pagina’s, vertelt Johnson het verloop van de gebeurtenissen die erop volgen.

Voor Charlene betekent het overlijden van haar vader een nieuw hoofdstuk in haar leven: vanwege de mantelzorg werd ze geleefd, ze heeft heel even het gevoel dat ze nu zelf mag gaan leven. IJdele hoop, want ze heeft een zoon om voor te zorgen en haar werk is ook niet ineens van haar schouders afgegleden. Sterker nog, we zien haar de misère wegduwen door zich vol op haar werk te storten. Ze tikt de hele dag op haar laptop en zelfs tijdens de uitstrooiing van de as van haar vader zit ze nog op haar telefoon te klungelen.

Er is meer. Na het noodlottige ongeval komt ook haar flierefluitende broer Robbie ineens opduiken. Hij is muzikant die het tot dan toe moest hebben van gigs en schnabbels. Met z’n drietjes rooien ze het vanaf dan, meer of minder. In een onbarmhartige setting, waar het met name Charlene vaak boven het hoofd groeit, ontwaren we tedere momenten; het zijn de kleinmenselijke zaken die de drie gaande houden. Voor Brandon gaat het dan om zijn poes Batman, die ‘m gesmeerd is.

Wat het vooral oplevert is dat de lezer met de personages meebeweegt, wankelt eigenlijk. De flarden vormen het geheel, en het geheel wordt gevormd door die ene gebeurtenis – Charlene zegt onomwonden dat haar leven zeven jaar lang on hold heeft gestaan door de zorg voor haar vader en dat ze nu niet weet hoe het verder moet.

De oblong pagina’s zijn opgezet in zwart-wit met een enkele grijswaarde die achtergronden accentueert. Johnson heeft daar goed gekeken naar zijn voorgangers, zoals Clowes en Seth die met achtergronden weergeven in vlakken – een vorm die iemand als Bastien Vives heeft gesublimeerd. Johnson is van de klassieke stijl; het is herkenbaar en vertrouwd. Af en toe gebruikt hij een oranje steunkleur, al is er geen lijn in die toepassing te ontdekken: het is vuur, de avondzon, een herinnering en viezigheid op een kleed.

No one else speelt net als zijn vorige graphic novel Night Fisher op Maui, het Hawaiiaanse eiland waar Johnson woont. Verhalend zijn de twee graphic novels verwant. Het zijn in beide gevallen momentopnames met veel losse draadjes. Situaties worden gelaten en later weer opgepakt, alles begint waar het eindigt: zomaar ergens.

Dat maakt het werk van Johnson intrigerend maar ook wat vluchtig. Hij geeft je het gevoel dat er veel meer achter steekt, dat je zelf mag toevoegen. Soms voelt het als een abstract kunstwerk dat je niet begrijpt maar waar je toch maar een mening over vormt. Sommige lezers zullen daar iets hoopvols in ontdekken, anderen zouden iets meer houvast willen: dat is het wankele evenwicht waar Night Fisher strandde en waar No one else slaagt.

De twee graphic novels van Johnson zijn geen allemansvrienden. Het is grafisch zeker interessant, maar niet vernieuwend. Zijn vertelstem is rustig, afwachtend bijna, en dat is mooi. No one else is misschien zo’n verhaal dat de ene keer goed valt en de andere keer verzandt. Ideaal voor mensen die nog wel eens een boek een tweede keer lezen, dus.

R. Kikuo Johnson – No one else. Fantagraphics. 104 pagina’s. € 20,99.