Geen categorie

Betrokkenheidsbijdrage

Tom van Noppen vindt het geweldig dat hij door collega’s wordt gezien als talentvol wethouder. Hij doet het dan ook niet slecht, met zijn 36 jaar is hij een van de jonkies in de raad. Hij is belast met, zoals hij het zelf samenvat, je huis, je buurt en je stad. Heel concreet dus. Bij Van Noppen zul je niet snel ambtelijke taal horen. Allemaal gedoe waar de mensen geen boodschap aan hebben, vindt hij. Die willen heldere verhalen over hun leefomgeving, die moet je niet lastigvallen met beleidsnotities en speerpunten. Van Noppen, ‘zonder stroppie, want dat knelt de bloedtoevoer naar de hersenen af en daardoor kan ik niet nadenken’, wil de mensen bereiken door een beetje door de knieën te gaan om zo op gelijke hoogte te kunnen communiceren. Van Noppen bedoelt het goed, hij is goed bezig.
Zijn eerste wapenfeit was de slogan ‘Je buurt, dat ben je zelf’. Doel van de slogan, die onderdeel uitmaakt van zijn plan om de mensen zelf aan de slag te laten gaan met hun leefomgeving, is de actiebereidheid van de mensen aan te wakkeren. Een heleboel mensen weten helemaal niet dat je zelf veel meer kunt bereiken dan je denkt. De overheid is er niet om je tegen te houden, maar om je ambities en dromen waar te maken. Dat een collega hem tijdens de presentatie van zijn plannen van repliek diende door te stellen dat in Nederland alles kan, maar dat de overheid het je onmogelijk maakt, schoot de toen kersverse wethouder in het verkeerde keelgat. Woest was hij. Wat straal je met zo’n opmerking uit, wilde hij weten. Zo maak je van iedere krachtige adelaar een vleugellamme dodo. Van Noppen is een rasechte vogelaar, moet u weten, en zijn taalgebruik is doorspekt van vogeltermen en op het eerste gehoor vreemde uitdrukkingen. Soms heeft hij er de lachers mee op zijn hand, soms haalt hij er onbedoeld de angel mee uit de discussie.

Van Noppen weet dat mensen het meest betrokken zijn bij hun eigen omgeving en dat zij dus als geen ander in staat zijn de pijnpunten aan te pakken. Zoiets moet de overheid niet willen doen, zegt Van Noppen daarover. Als een struikje het overzicht van een kruispunt belemmert, dan hoeft daar geen welstandscommissie voor te worden ingesteld. Dan kan dat met een belletje door een verontruste buurtbewoner geregeld worden. Althans, zo ziet Van Noppen het graag. Dat de werkelijkheid weerbarstiger is, blijkt uit de reacties die hij sindsdien op inspraakavonden en buurtvergaderingen op zich heeft zien afkomen. Pas als er drie bejaarden tussen de stoeptegels zijn verdwenen, wordt er serieus gekeken naar mogelijkheden om de kieren te dichten. Het is de jonge en ambitieuze Van Noppen een doorn in het oog, maar het onmogelijke blijkt steeds weer op een metaniveau te zitten waar geen sterveling bij kan. De buurt wil dat de verzakte stoep wordt aangepakt, de politiek geeft aan het ook te willen, maar ergens zit een kracht die het onmogelijk maakt. Dat is de grote vijand van Van Noppen.
Er zijn zekere politici – u kent er vast voorbeelden van – die zich op die momenten in het publiek scharen en samen met de bevolking diepe, diepe verontwaardiging uitspreken over het uitblijven van actie en daadkracht. Voor het oog en de media zijn ze goed bezig, maar ook zij vechten tegen de brute krachten van de oppermachtige Darth Vadertje Staat die alles verlamt en in zijn greep houdt. Deze politici doen gratuite en allesomvattende beloften, gaan er zogenaamd echt werk van maken en bij uitblijven van succes krijgt iemand anders de schuld. Meestal iemand in het hoogste nest, in dit geval onze wethouder Tom van Noppen. Die arme Tom van Noppen. Het volk keert zich af van de politiek en is boos, de politici fladderen verder naar de volgende glasbakaffaire of grondsanering en ondertussen zit Van Noppen op zijn kamer na te denken hoe het verder moet.
“Wat ik zou willen is dat er als het ware een laag bij komt. Van Europa, via Den Haag, de provincies en gemeentebesturen naar kundige burgers, die namens de buurt beslissingen mogen nemen op het gebied van woongenot en huisvesting. Alles wordt dan veel maakbaarder. We zijn de laatste jaren bezig met het opknappen van achterstandbuurten of buurten die zonder ingreep zouden afglijden tot achterstandsniveau. Veel isoleerwerk, nieuwe geveltjes en onderhoudsarme deuren. Allemaal prima, maar zijn die veranderingen ingegeven door wensen van de burger? Willen die een massieve deur, of liever eentje met een langwerpig ruitje in het midden, zoals vroeger? Ik kom bij de mensen thuis en het eerste wat ik hoor is: ‘sinds ze die deur hebben dichtgemaakt, hebben we de hele dag het licht aan in de gang. Moet je zien wat dat kost aan electriciteit. En dan hebben ze allemaal de bek vol van milieu dit en milieu dat.’ Ik denk dan: daar hadden we beter over na moeten denken. We hadden het de mensen moeten vragen, want het gaat tenslotte over hún voordeur. En tegelijkertijd denk ik: waarom zijn er überhaupt deuren zonder raampje? Het zijn de vraagstukken die het politieke spectrum zo interessant maken, al vraag ik me oprecht af of mijn collega’s ooit op dat niveau bezig zijn. Die denken: goedkoop deurtje erin, geen gedoe met glas, want dat kan alleen maar stuk.
“Nog zoiets. We hebben laatst een flat opgeknapt en de balkons verwijderd. Nou, je had ze moeten horen. Dat was een inbreuk op weet-ik-allemaal, maar toen het opgeleverd was en de slordige en groezelige gevelaanblik was ingeruild voor een strak en schoon totaalplaatje, was iedereen enthousiast. Het was een metamorfose. Die balkons hadden spijlen en je had dus vanaf de straat altijd zicht op vuilniszakken, oud papier, lege flessen. Het was een gribus, nu een pareltje in de buurt. En weet je wie met dat idee was gekomen? Een bewoner die aan de overkant van de straat woont en de hele dag naar die troep moest kijken. Dat noem ik een voorbeeld van hoe het moet.”
– “Het scheelde natuurlijk ook dat die flat sowieso al op de lijst stond om gerenoveerd te worden.”
“Dat speelde inderdaad een rol, ja. Maar feit blijft dat de buurt erop vooruit is gegaan en daar is het me allemaal om te doen.”
– “Is dit dan wel een goed voorbeeld van burgerparticipatie op wijkvernieuwingsniveau?”
“Wijkvernieuwingsniveau, alleen het woord al!”
– “Feit blijft…”
“Feit blijft dat de burger vaak tegen een muur oploopt als hij of zij iets gedaan wil krijgen.”
– “En wat als die burger een doorlopende pergola in de straat wil?”
“Dan moet dat kunnen.”
– “Dat meent u niet?”
“Tuurlijk, mits het betaalbaar en redelijk is natuurlijk. We gaan geen straten overkappen of iets dergelijks. Zover moeten we niet voor de muziek uit willen lopen. Waar het om gaat is dat de burger ergens naartoe kan met zijn vragen of grieven. Het hoeft niet altijd vanuit een probleem te zijn. Goede ideeën zijn natuurlijk van harte welkom. Punt is dat de politiek vaak niet kan weten wat er zich achter deuren of in de straat afspeelt. De grootste ergenissen komen vaak voort uit de kleinste aanleidingen. Het is zaak om die zo snel mogelijk te tackelen. En daar hebben we de mensen zelf voor nodig.”
– “Tot slot, wat is uw ideaal, als we het betrekken op het woongenot in het bijzonder en de woonomgeving in het algemeen?”
“Dat zijn de essentiële vragen. Als ik dat wist, dan schreef ik er een boek over en ging ik vervolgens op mijn lauweren rusten. Of nee, niet echt rusten natuurlijk, ik bedoel het overdrachtelijk: dan zou ik mensen gaan adviseren hoe ze de zaken het beste kunnen aanpakken. Hoe het beter kan.”
– “De vlekjes retoucheren?”
“Dat is mooi gezegd. Als u het niet erg vindt, gebruik ik die term graag om mijn plannen kracht bij te zetten.”

Plaats een reactie