Geen categorie

De explosie naderhand was een geschenk uit de hemel

Een jongeman uit Veendam met blond achterovergekamd stekelhaar komt naast me zitten. Aan zijn linker ringvinger draagt hij een dikke zegelring met de inscriptie ´Geen smaak, 1980 tot nu´. Zijn rugzak heeft hij in het bagagerek gelegd en daar lag de Metro die hij nu in zijn handen heeft. ´Zo hee´, roept hij in het wilde weg. Een tel later zie ik tegen wie hij het heeft. Een blond niemendalletje dat bij een draaibar werkt ploft recht tegenover mijn onrustige buurman op het bankje. ´Moet je zien man´. Ze kijkt maar heeft niet zoveel met auto’s.
‘Ja, maar deze is wel erg gaaf,’ vindt de jongen. De trein zet zich in gang en hij blijft kreten slaken. Misschien is dit de eerste krant die hij ooit heeft gelezen. Misschien weet hij niet eens wat hij eigenlijk aan het lezen is. Dat hij denkt: wat een gek boek eigenlijk.
Hij leest een stukje voor over een man die voor meer dan twintigduizend euro aan ondergoed van waslijnen heeft gestolen en sluit af met de opmerking dat er ook eetbare slipjes zijn die je niet in de was kunt doen. Het meisje maakt de kleurplaat voor ‘m af: die slipjes hoeven niet gewassen te worden. De Veendammer moet hard lachen en herhaalt het woord slipjes nog twee keer, voordat we een overweg passeren. Hij strekt zijn nek, gooit zijn wenkbrauwen tegen zijn haarlijn en vraagt zich hardop af wat dan nou weer was. Gelukkig reageert zijn reisgenote niet. Waar hij het vandaan haalt is me een raadsel, maar ineens hoor ik ‘m vertellen dat Veendam 40.000 inwoners heeft en als het meisje zegt dat ze dat nooit had verwacht, voegt hij eraan toe dat bijna niemand dat weet. Daarna noemt hij meer dan tien plaatsen die kleiner zijn dan Veendam. Alleen, zo weet hij, Emmen is groter, zelfs nog groter dan Leeuwarden. Het zijn de uitersten van zijn leefwereld en het moet hem dan ook bijzonder opwinden dat hij een kaartje naar Zoetermeer heeft.
Het barmeisje haalt haar mp3-spelertje uit haar tas en doet alvast een oortje in. Alsof de jongen vermoedt dat ze haar interesse aan het verliezen is, begint hij weer uit de krant voor te lezen. Dan zwaait de deur van onze stiltecoupé open en er komen twee jongens binnen. Ze herkennen hem en beginnen luid door de ruimte te schreeuwen. Mijn ergerlijke buurman schreeuwt vrolijk terug en zegt dat hij het supergezellig vindt. De jongens zijn vooral moe en zakken in hun jas weg. Omdat het meisje de gelegenheid heeft aangegrepen om beide dopjes in haar oren te stoppen, pakt mijn buurman zijn mobiel. Tijd voor een racespelletje, dat bromt en piept.
Dan horen we via de intercom dat er iemand door de trein wandelt met koffie, thee, frisdranken en versnaperingen. Natuurlijk herhaalt de boerenzoon alle woorden en maakt hij een grap door verslapingen te zeggen, iets dat door niemand wordt opgemerkt behalve door mij. Omdat de railtender ieder moment binnen kan stappen, polst de drukzak zijn vrienden of ze niet ook allemaal koffie met een stroopwafel willen. ‘Allemaal een stroopwafel?’ vraagt hij tien keer. ‘Stroopwafel? Gevulde koek dan? Ja? Gevulde koek? Gevulde koek liever dan een stroopwafel? Echt? Mag hoor. Gevulde koek, stroopwafel, het mag allemaal. Wat je wilt. Ik neem in ieder geval en stroopwafel, maar als jullie een gevulde koek willen, mag zo hoor. In gevulde koeken zitten vaak erwten, wist je dat? Daarom wil ik liever een stroopwafel. Maar waar blijft die gast eigenlijk? Zo lang is deze trein toch niet? Straks zijn de stroopwafels op. Moet ik ook een gevulde koek. Lijkt me niks. Ik heb echt zin in een stroopwafel. Zo’n grote.’
Eindelijk komt de railtender onze stiltecoupé binnen. Het is een lange student met een veel te grote broek. Op zijn rug draagt hij een duikfles met koffie en thee, die hij via een slangetje aan zijn zij bedient. Nog voordat de jongen bij ‘onze’ vierzitter is aangekomen, heeft de boer al een paar keer geroepen dat hij ook zo’n ding op zijn rug wil. Niemand wil weten waarom, iedereen gelooft hem.
Een poos later heeft iedereen een gevulde koek en koffie. De jongen zegt dat de vulling op snot lijkt, volgens hem veroorzaakt door de erwten, ‘want had ik al verteld dat ze erwten in de gevulde koeken doen?’
Het geslurp en gesmak gaat door merg en been. Dan tettert de conducteur door de coupé dat er bij het volgende station in alle windrichtingen kan worden overgestapt. Ik besluit te vertrekken naar een ander compartiment. Dan maar geen stiltecoupé; dan maar het gangbare rumoer van een gewone. Ik sta in het gangpad en wacht tot de sliert uitstappers zich in beweging zet. Net voor ik weg mag, hoor ik nog een keer het stemgeluid van de Veendammer. ‘Die rookzones op het station, dat vind ik nou echt belachelijk!’ Het verbaast me niets.

Plaats een reactie