Strips & comics

Gelezen: Jean-Pierre Gibrat – Mattéo 5, Vijfde Periode

Mattéo van de Franse succesauteur Jean-Pierre Gibrat is een stripserie die al vanaf het eerste deel, in 2009, in de gaten wordt gehouden. De verwachtingen zijn al sinds de eerste pagina torenhoog, omdat Gibrat wordt gezien als een van de groten van de hedendaagse Franse school. Als zijn twee eerdere tweeluiken, Elke raaf pikt en Het uitstel, als opmaat gelden voor deze veel omvangrijkere reeks verhalen, dan kan het niet anders dan dat Mattéo moet worden gezien als ’s mans hoogtepunt, zijn magnum opus.

Het idee van de opmaat komt niet uit de lucht vallen: het werk van Gibrat heeft een paar pijlers die steeds terugkeren. Zijn thematiek en karakterontwikkeling zijn typisch en herkenbaar. Daarbij: zonder ordinair te klinken is Gibrat bij de meeste striplezers vooral beroemd om zijn prachtige, gracieuze vrouwen. Geen platte sekssymbolen, maar sterke vrouwen die hun eigen weg kiezen – in onze rijke taal heet het dan dat zij hun mannetje staan. Nu klinkt dat in het grotere geheel tamelijk stupide (ze bestaan echt, deze onafhankelijke, zelfdenkende vrouwen) maar weet dan dat de stripwereld nog een geweldige inhaalslag voor de boeg heeft wat betreft de verbeelding van vrouwen – het is onbegrijpelijk dat er nog steeds strips verschijnen die niets moeten hebben van de wereld van nu.

Kijk alleen al eens naar vrouwelijke superhelden, die nog veel te vaak als volkomen absurde creaturen in hoog uitgesneden badpak worden uitgebeeld: met hun wespentailles met enorme borsten en billen, die in allerlei bevallige poses knokken met het onnozele geboefte. Knullig, puberaal en iets van vroeger, maar nog steeds aanwezig.

Gelukkig wordt er vooral om gelachen door jonge striplezers; zo serieus is het allemaal niet meer, het is een kwijnend genre geworden. De jongens die het nog steeds ‘helemaal te gek’ vinden, worden ouder en kleiner in getal. De nieuwe aanwas van superheldenfans kiest voor andere idolen, met andere zeden en deugden. Sexy is onnozel.

Ook Roodhaar, de mevrouw die altijd in hesje en korte broek naast Storm rondbanjert, is niet bepaald het prototype van een zelfstandige vrouw die voor zichzelf kiest – bijvoorbeeld als het vriest dat het kraakt en ze toch aan het welzijn van de verlekkerende striplezer blijft denken. Om nog te zwijgen over de vliegtuigbabes van Romain Hugault, die niet eens een fatsoenlijke taak in het verhaal hebben, behalve een beetje parmantig rond te hangen bij hangars en vliegeniers. Je moet de ondeugende vijftigers zien die deze boeken koesteren…

Afijn, bij Gibrat dus niet dat soort vrouwen. Hoewel ze uiterlijk allemaal op elkaar lijken, zijn ze ieder voor zich daadkrachtiger dan die ontwijkende en ingetogen Mattéo, een voortdurend rokende Spaanse anarchist die steeds per ongeluk op de verkeerde plek lijkt op te duiken. Zoals in het onlangs verschenen vijfde deel van het verhaal, dat speelt in Spanje waar dan net de pleuris is uitgebroken; meer bepaald tijdens de Spaanse burgeroorlog die in dit deel woedde van september 1936 tot januari 1939 – een strijd waarin de falangisten vechten tegen de republikeinen.

Het verhaal van Mattéo begon ooit als volgt: hij leeft samen met zijn moeder in een dorpje in de Franse Pyreneeën. Hij werkt in de wijngaarden en heeft een oogje op Juliette die hem niet ziet staan. Terecht, Mattéo is niet zo’n sprankelende verschijning – ook in de latere delen wordt zijn oogopslag niet veel levenslustiger, al is het larmoyante er wel van af. In deel 1 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Als Spanjaard hoeft hij niet in het leger, maar dat is tegen het zere been van ongeveer het hele dorp. Om te bewijzen dat hij een kerel is, gaat hij toch in dienst.

De delen die volgen gaan volgens hetzelfde stramien: steeds zijn er oorlogen of markante periodes in de twintigste-eeuwse geschiedenis aanstaande – WO I, de Russische Revolutie et cetera.. En iedere keer is het Mattéo, met zijn entourage, die opduikt aan een van de zijden van het slagveld. Regelmatig veranderen de verhoudingen, verdwijnen er mensen uit het zicht en gebeuren er dingen: zo hebben Juliette en Mattéo een zoon, maar zijn elkaar uit het oog verloren. Die persoonlijke verhaallijnen zijn niet dwingend, ze gebeuren: de lezer volgt rustig.

Wat de verhalen werkelijk interessant maakt, speelt zich op een heel ander vlak af. De gesprekken die worden gevoerd en de bespiegelingen van Mattéo zijn ronduit filosofisch. Ze geven de lezer een manier om naar oorlog en strijd te kijken van binnenuit. Waar we normaal gesproken pas over een oorlog nadenken als alles achter de rug is en de geschiedschrijvers aan de slag zijn geweest, neemt Gibrat via Mattéo daar al een voorschot op. Dat is boeiend, omdat de gedachten en ideeën die worden geuit nog niet alles kunnen verdisconteren: immers, de lezer van nu weet meer dan iemand die indertijd midden in de situatie verkeert. Dat Mattéo een anarchist is, eentje van de boekenwijsheid bovendien, maakt zijn beschouwingen over het leven als strijdtoneel van macht en corruptie echt interessant.

Die beschouwende denklaag houdt de losse delen bij elkaar, maar is ook gelijk het gevaar van de reeks: het kan ontaarden, het gepraat en gedenk kan gemakkelijk de overhand krijgen. Deel 4 leek daaraan al ten prooi gevallen, gelukkig dat deel 5 weer meer plotgedreven spanning oplevert. Geen spoilers uiteraard, maar Gibrat heeft een paar knappe, historisch accurate vondsten in het verhaal verwerkt, die uit de kunst zijn.

Een niet bijster geslaagde uitruil van krijgsgevangenen en de nasleep daarvan domineren met name het tweede gedeelte van het verhaal: spannend en tegelijk weer een reden voor Mattéo om zijn wereld- en mensbeeld naar voren te brengen. Toch zal er iets moeten gebeuren met de personages: het concept van de historische gebeurtenissen vanuit het perspectief van steeds dezelfde groep mensen is sterk, maar niet eeuwig houdbaar.

Het zal nog een hele puzzel zijn om de reeks een waardig en logisch slot te bezorgen – of misschien dat het de reis ernaartoe moet zijn. Tot die tijd is Mattéo een serie met een sterk conceptueel karakter, krachtige personages en interessante vergezichten over de twintigste eeuw.

Jean-Pierre Gibrat – Mattéo 5, Vijfde Periode (september 1936 – januari 1939). Daedalus. 64 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jan Novak & Jaromir 99 – Zátopek

Er zijn Olympisch kampioenen en Olympisch kampioenen, appels en peren: een biatleet is niet te vergelijken met een shorttracker en een hoogspringer niet met een allround zwemmer., hoe succesvol ze ook zijn. Recordhouder Marit Björgen won tot nu toe 15 Olympische medailles op het onderdeel langlaufen, maar weinig mensen zullen haar naam kennen. Marianne Timmer, Alberto Tomba en Eric Heiden zijn al een stuk bekender. Gaan we verder terug in de tijd, dan worden de namen om één of andere reden legendarischer: Ard Schenk, Fanny Blankers-Koen en de Tsjech Emil Zátopek.

De hardloper Zátopek won drie gouden medailles op de Olympische Zomerspelen van 1952 in Helsinki: op de 5.000 meter, de 10.000 meter én de marathon. Vooral hoe hij vrijwel onvoorbereid de 42 kilometer en 195 meter op zijn naam schreef, is even legendarisch als onnavolgbaar. Hij deed het erbij, omdat hij dacht ‘het te snappen’. In de graphic novel Zátopek, met het curieuze onderschrift ‘When you can’t keep going, go faster’, wordt het succes van deze excentriekeling uit de doeken gedaan.

Wie 1952 en Tsjechoslowakijke bij elkaar optelt, ziet onder welke omstandigheden Zátopek groot is geworden. Nadat bij de jonge Emil was ontdekt dat hij aanleg had voor hardlopen, met name door een focus op ademhaling en onconventionele trainingsmethoden, werd hij al spoedig in het leger ‘opgenomen’. Hij kon weinig anders: daar waren alle faciliteiten en alleen daar kon men hem trainen en kneden tot een topatleet. En een communistische modelburger, uiteraard. Als Zátopek aangeeft dat hij dat niet per se wil, blijkt ineens waartoe het regime in staat is.

Lang verhaal kort, Emil Zátopek verruild zijn burgerkloffie voor een uniform en wordt ingezet als uithangbord van de communistische heilstaat. Alleen: daar heeft hij helemaal geen boodschap aan. Zijn onaangepaste gedrag is de machthebbers een doorn in het oog. Tegelijk is hij hun enige kans op succes. Tsjechoslowakije maakte nooit eerder kans op Olympisch goud.

Het verhaal wordt zelfs ronduit spannend als Zátopek eist dat zijn trainingsmaatje en goede vriend Stanislav Jungwirth ook wordt uitgezonden naar de Spelen van Helsinki. Die mag namelijk niet mee, vanwege “subversieve politieke belangstelling”. Zátopek speelt hoog spel maar laat de machthebbers geen keuze.

Zátopek is een fraaie biopic van een interessante vogel die ondanks de tijdsgeest en de omstandigheden in het voormalige Oostblok zijn eigen plan trekt. Het sportieve gedeelte is mooi uitgewerkt, maar het politieke spel is vele malen interessanter. Tekenaar Jaromir 99 (niet zijn geboortejaar, geen idee wat wel) heeft een typische, traditionele lijnvoering die teruggrijpt op de toenmalige Oostblokcultuur. Het is bonkig, met veel plooien en in een duo-toon kleurstelling: alles in in roodbruin en lichtblauw. De figuren lijken zo uit Russische muurreliëfen afkomstig.

Het enige dat af en toe wringt is de Engelse vertaling. Tsjechoslowaakse officials die de internationale pers te woord staan, praten in steenkolenengels; veel zinnen klinken onnatuurlijk en gesprekken lijken door een vertaalcomputer gehaald. Nu zal dat misschien de charme van het toenmalige Oost-Europa willen uitbeelden, het werkt niet. Je kunt eroverheen lezen, maar het kost een punt.

Zátopek is een mooi inkijkje in de Oost-Europese wereld van ooit. Het sportieve sausje dat over deze biopic is gegoten is voldoende, de spanning of Zátopek de race gaat winnen is er immers niet. Dat hij een aparte was, redt dit verhaal.

Jan Novak & Jaromir 99 – Zátopek. Self Made Hero. 200 pagina’s hardcover. € 25,95.

Strips & comics

De beste strips van 2020

Tussen alle lockdowns en winkelsluitingen door was 2020 best een goed jaar. Geen hoogvliegend geheel, maar evengoed geen teleurstellend jaar wat nieuwe strips betreft. Leuke verrassingen (Larcenets Groepstherapie) werden afgewisseld met jammere titels (het slotdeel van De gouden eeuw van Pedrosa) en zo dartelde het van januari naar december. Zoals altijd, zoals je ook kunt zien in mijn eerdere jaaroverzichten, van 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019

Behalve de sympathieke geste de leveringen aan alle stripwinkels op te schorten vanwege de verplichte, eenzijdige winkelsluitingen in Vlaanderen en het verschijnen van het gratis Striphelden versus Corona, wordt 2020 niet herinnerd als het jaar waarin veel bijzonders gebeurde. Bijvoorbeeld dat er eindelijk eens werk wordt gemaakt van het digitale stripaanbod, al is Izneo nu ook in het Nederlands beschikbaar, zij het schuchter en onder de radar. Het jaar 2020 is vooral het jaar van binnen zitten, van inhuizige vakanties en van het zoeken naar individueel vertier: feitelijk toch ideale omstandigheden om veel (strips) te lezen, zou je zeggen.

Er verschenen interessante debuten, vooral in Vlaanderen, met Thibau Vande Voordes Kever en de Koning (Oogachtend) als hoogtepunt. Meer en meer ontwikkelt Oogachtend zich als een uitgever die oog heeft voor de nieuwe lichting stripmakers. Dat is een positief punt, al hebben al die debutanten voorlopig een Belgisch paspoort.

Het hele gedoe met al die zwakke hommage-albums is gelukkig bijna verdwenen – ik zou er beter niets over zeggen om geen slapende honden wakker te maken.

Het uitgeven van fraaie integrales gaat vrolijk verder, bijna altijd met zorg en veel extra’s, om de stripliefhebber flink te verleiden. De Biddeloo-jaren van De Rode Ridder (Standaard) zijn prima guilty pleasures, de keurig vormgegeven afstofbeurt van de avonturen van Govert Suurbier (Le Lombard) met leeslint, gouddruk, mooi papier en een fraai dossier verdient een groot publiek. Peter de Wits Stampede integraal (Sherpa) is ook zeer geslaagd en wat Sherpa betreft geldt dat ook voor Chaos en evenwicht van Moebius.

Zoals ieder jaar heb ik de titels opgesplitst in een Nederlandstalige en een Engelstalige lijst. Het wijst zich vanzelf. Bij de Nederlandstalige lijst moet ik er alvast bij zeggen dat die vast niet compleet is: ik had graag meer albums gelezen, maar dat zat er niet in. Zeker in de laatste twee maanden verschenen de albums in een sneltreinvaart. Ik had De Bom graag willen lezen. En soms wacht ik omdat ik een tweeluik of trilogie liever in één keer lees (Beestenburcht, Het Beest en Keizerin Charlotte).

Bijzondere vermeldingen zijn er voor de integrales van Gilles de Geus, met name de eerste, vanwege het geweldige dossier van Ronald Grossey. Ook Tussen hemel en aarde, het laatste deel van de ondergewaardeerde reeks Mamette van Nob (Matsuoka) verdient een pluim. Het is een integere en fraaie serie die steeds sterker wordt. Dat kunnen we van Krasse Knarren (Dargaud) niet zeggen: het laatste deel viel ronduit tegen.

De top 10 is van alles wat: de onbetwiste nummer 1 is van de Vlaming Ben Gijsemans, die na zijn debuut Hubert er met Aaron nog een flinke schep bovenop doet. Het is indringend, confronterend en tegelijk prachtig verbeeld. Het verhaal doet wat met de lezer, het is een tour de force die nog lang nazindert.

Rochettes De wolf is een complete verrassing: het was nauwelijks aangekondigd, het was er ineens. En hoe: het is niets minder dan een moderne klassieker, een album dat vast nog jaren wordt aangehaald. Terecht. Hetzelfde geldt voor Moeder met kind van Lax, een auteur die zelden zwakke boeken maakt. Met deze graphic novel – in samenwerking met het Louvre – heeft hij zich overtroffen. Helaas niet bijster opgepikt, en daarom hierbij een pleidooi om het een kans te geven. Het is te goed en te knap om onopgemerkt te blijven.

NEDERLANDS

1 Ben Gijsemans – Aaron (Oogachtend)
2 Rochette – De wolf (Casterman)
3 Christian Lax – Moeder met kind (Daedalus)
4 Guarnido & Ayroles – Goud van de zwendelaar (L)
5 Olivia Burton – Een Engelsman in mijn boom (Scratch)
6 Paul Gastine & Jérome Félix – Tot de laatste (Saga Uitgaven)
7 Rothier & Brüno – Junk (Hum)
8 Paco Roca – Schat van de Black Swan (Soul Food Comics)
9 Cassegrain, Duval & Bussi – Zwarte waterlelies (Dupuis)
10 Maarten Vande Wiele – Madame Catherine (Oogachtend)

In het Engels verscheen weer genoeg moois, ook al stond het jaar overzee vooral in het teken van de onttakeling van distributiemonopolist Diamond. Nu ligt niemand er wakker van als er minder slappe aftreksels van de zoveelste reïncarnatie of reboot van Spider-Man of Batman verschijnen, maar Diamond distribueert ook de echt veel interessantere indie-comics en werk van uitgevers als Image, Boom, Fantagraphics en Drawn & Quarterly. Het is allerminst helder wat er in de VS gaat gebeuren en welke weerslag dat heeft op het comic-aanbod in Nederland. Voorlopig gaat alles in een lager tempo zo goed en zo kwaad als het gaat gewoon door.

Een goede ontwikkeling is de keuze om meer afgeronde mangaverhalen te vertalen in het Engels. Mita Ori’s Our Dining Table (Seven Seas Entertainment) is een ontdekking, net als het complete oeuvre van Inio Asano, van wie ik begin dit jaar het mooie Downfall (VIZ Media) las. Het nog steeds doorlopende verhaal The Girl from the Other Side van Nagabe blijft heel sterk, al mag het intussen stilletjes naar een apotheose toewerken, wat mij betreft.

Leuk om te ontdekken: drie van de tien Engelstalige boeken in de top 10 zijn van Britse makelij en dat hadden er gemakkelijk meer kunnen zijn: Matthew Dooley’s Flake is een wereldwijde lijstjesstrip en ook twee titels van Avery Hill gooien hoge ogen: Breakwater van Katriona Chapman en Owen Pomery’s Victory Point (net buiten de top 10; op 11, voor wat het waard is)

Het span Brubaker en Phillips maakt al jaren geweldige strip noir reeksen (Criminal), maar dit jaar verrasten ze echt met het korte en krachtige Pulp (Image). Het zou de geheide nummer 1 zijn geweest, als Katie Skelly’s Maids niet mijn pad had gekruist. Wat. Een. Verhaal. Maids is de ontdekking van het jaar: een klein boekje, met houterige tekeningen en een donkere vibe. Wie van Maids de bibberaties niet krijgt, mist een essentieel stukje in het hoofd.

ENGELS

1 Katie Skelly – Maids (Fantagraphics)
2 Ed Brubaker & Sean Phillips – Pulp (Image)
3 Matthew Dooley – Flake (Jonathan Cape)
4 Noah van Sciver – The Complete Works of Fante Bukowski (Fantagraphics)
5 Adrian Tomine – The loneliness of the long-distance cartoonist (D+Q)
6 Katriona Chapman – Breakwater (Avery Hill)
7 Inio Asano – Downfall (VIZ Media)
8 Jesse Lonergan – Hedra (Image)
9 Craig Thompson – Ginseng roots (Uncivilized books)
10 Yoshiharu Tsuge – The Swamp (D+Q)

Tot slot het allegaartje dat het jaaroverzicht volgens traditie afsluit:

Ook mooi in 2020

1. De workshop van Inio Asano tijdens het stripfestival van Angoulême, dat eind januari nog gewoon doorging (het lijkt eeuwen geleden). Asano vertelde onderkoeld en lacherig over zijn werk en vooral over zijn ambitie om een klapper te maken, zodat hij niet meer hoeft te werken. Heel onjapans, maar wel een verademing.

2. De documentaire Underpaid and Overworked: Being an Animator in Japan van The Voiceless is een pijnlijk inkijkje in het leven van de honderden anonieme mensen die dag in dag uit aan het tekenen zijn. Het is schokkend om te horen dat een jonge mangaka onomwonden zegt dat ze zich oké voelt zolang ze haar hongergevoel negeert. Pittig.

3. Het artikel van Jan Venselaar op 9e Kunst over de stand van de strip en de reuring die dat opleverde in de vaderlandse stripgremia was een ander soort hoogtepunt. Het verscheen in mei en intussen zijn er voorzichtige plannen voor een branchevereniging en een kenniscentrum in de week gelegd. Veel goede bedoelingen dus, waarmee we met een gerust hart 2021 in kunnen. Wordt vervolgd.

Strips & comics

Gelezen: Cyril Pedrosa & Roxanne Moreil – De gouden eeuw 2

In 2018 stonden de sterren nog heel anders voor Cyril Pedrosa en Roxanne Moreil. Het eerste deel van hun grootse tweeluik was verschenen en de stripminnaars buitelden over elkaar van enthousiasme en bewondering. Oké, het verhaal was nog niet af, maar de eerste helft was geweldig. De tekeningen, vaak paginagroot en in schitterende kleurstellingen, waren indrukwekkend en sprookjesachtig mooi.

En nu, twee jaar later, verschijnt het afsluitende deel en hangt de vlag er anders bij. Het verhaal, dat in het eerste deel zo machtig en in alle rust werd opgezet, is leeggelopen als een ballon. De vaart kwam er te stevig in, het verhaal ging stuiteren en de personages werden onrustig. Ze vergaloppeerden zich richting het einde.

Het werd zelfs moeilijk om de aandacht erbij te houden. En dat is jammer want de illustratieve kracht is er nog steeds en de panoramische pagina’s zijn nog even mooi als in deel 1. Van de overweldigende leeservaring van dat eerste deel was nog maar weinig over naarmate het einde in zicht kwam. Waar Pedrosa de lat hoog legde op het grafisch vlak, zakte het verhaal door zijn hoeven.

De Fransman Pedrosa (1972) begon als animator bij Disney, voordat hij zich toelegde op het beeldverhaal. Zijn animatie-achtergrond is evident – je ziet het terug in de beweeglijkheid van de figuren, maar vooral in de gekozen standpunten: Pedrosa speelt voortdurend met filmische perspectieven.

Die aanpak levert pagina’s op die allesbehalve statisch zijn: ze vloeien, swingen en laten de lezer werkelijk over de kleurrijke bladzijden dwalen. In De gouden eeuw heeft Pedrosa alle zwarte lijnen omgezet in kleur, vooral bruin, oudroze en blauw; een bewerkelijke, beproefde animatietechniek.

De manier waarop Pedrosa verschillende illustratiemethoden heeft gecombineerd is kolossaal. Hij gebruikt de krasserige scraperboard-techniek voor bomen, grasvelden en muren; voor kleding en interieurs liet hij zich inspireren door middeleeuwse kunst. Hij verwerkt motieven en patronen uit wandtapijten, miniaturen, fresco’s en glas-in-lood om het verhaal een authentieke zweem te geven.

De plot van De gouden eeuw leest als een fictieve legende met veel sprookjeselementen. Als op een dag de koning overlijdt, maakt zijn dochter Tilda zich op zijn plaats in te nemen. Het koninkrijk is er slecht aan toe; er heerst hongersnood en er is onvrede over hooggeplaatste notabelen. Tilda is voornemens het tij te keren, samen met haar getrouwen Tankred en Bertil. Maar voordat ze de daad bij het woord kan voegen, wordt ze verbannen. Tilda is vastberaden haar koninkrijk te heroveren en laat zich daarbij leiden door De Gouden Eeuw, een legende waarvan de kracht zo groot is dat die de wereld kan veranderen.

De dolende Tilda vindt in deel 2 haar momentum terug en zet de boel stevig onder druk. Er volgt een veldslag die prachtig is uitgebeeld. Maar gaandeweg beginnen er steekjes los te raken bij de vermoeide Tilda. Niet dat het aan gene zijde veel beter gesteld is met de moraal, maar een oorlog win je met rust en overzicht en niet met hysterie en dreigementen. De legende van de Gouden Eeuw speelt hierbij een rol van betekenis.

Als het verhaal na meer dan vierhonderd pagina’s uit is, blijft er een onbestemd gevoel hangen. Het uitzien naar het tweede deel omdat het eerste zo’n grafische tour de force was, is uitgelopen op een teleurstelling vanwege het warrige verhaal. Misschien had Pedrosa de rust moeten bewaren: het complete verhaal had best in drie delen gekund. De teleurstelling zit vooral in de haast waarmee uiteindelijk alles en iedereen door de gangen wordt gejaagd. Was de snelheid bedeesder geweest, dan had de lezer zich langer kunnen vergapen aan de pagina’s en had het verhaal zich als een fantasy-sprookje kunnen uitrollen naar het einde.

Cyril Pedrosa & Roxanne Moreil – De gouden eeuw 2 (slot van het tweeluik). Dupuis (Vrije Vlucht), 192 pagina’s hardcover. € 37,95.

Strips & comics

Gelezen: Matthew Dooley – Flake

Soms blijft er wel eens een graphic novel uit het zicht. Met de aantallen strips die er alleen als in het Nederlands verschijnen, is dat goed mogelijk. Wie ook nog de vinger aan de pols houdt in het Engelstalige universum, heeft er helemaal een dagtaak aan. De eindejaarslijstjes van deze en gene zijn dan verrekte handig: daar staan alleen de goede titels op. Heb je wat gemist en tref je het in een toplijst aan, dan weet je dat je het blind kunt aanschaffen.

Flake van de Brit Matthew Dooley is zo’n graphic novel die ineens in allerlei tops tien en 25 opdook. Het album, van september van dit jaar, is op de valreep zomaar een geheide favoriet: het verhaal over twee halfbroers die allebei een ijsco-business zitten is zo fraai en gevoelig dat het nog veel meer lezers verdient. Flake is het dubbel en dwars waard.

Nu heeft Matthew Dooley niet te klagen: dit debuut is de eerste graphic novel die werd bekroond met de befaamde Bollinger Everyman Wodehouse prijs voor komische fictie – even nagezocht, dat is geen kleinigheidje in Engeland. In 2016 had hij met een kortverhaal ook al de Observer’s short graphic story award gewonnen. Dooley weet wat winnen is.

Heel anders is het gesteld met Howard, de gemankeerde hoofdpersoon uit Flake. Deze sullige kruiswoordpuzzelaar is ijsverkoper die maar moeilijk vooruit te branden is. Zijn leven gaat langs ijzeren lijnen, werkelijk florissant of vrolijk is het allemaal niet. Dat wordt voor een deel veroorzaakt door zijn halfbroer Tony, die samen met een groepje snuiters de ijscobranche in de omgeving aan het overnemen is. Dat gaat op een weinig subtiele manier en Howard is met zijn kar nog de enige Galliër die weerstand biedt.

Dat heeft deels te maken met het feit dat ze halfbroers zijn, maar tegelijkertijd ook niet. Tony – die zijn maffiose naam eer aan doet – weet dat Howard er vanzelf mee ophoudt als het hem te moeilijk wordt gemaakt. Hij zegt onomwonden: als ik wil maak ik zo een einde aan je nering, maar ik wil je een kans geven. Helaas voor Tony heeft die toch buiten de veerkracht van zijn sukkelige halfbroertje gerekend.

Met mooie verwijzingen naar hun gezamenlijke familiegeschiedenis en met de inzichten die Howard op doet als hij hierover spreekt met zijn paar vrienden, weet hij het tij te keren. Hij gaat toch door met ijsverkopen en kiest niet voor het onzekere bestaan in dienst van Tony – diens ultieme voorstel om daarmee de hele ijsverkoop in het noordwesten over te nemen. Maar dan slaat de vlam in de pan. Voor Howard zit er niets anders op: of hij stopt ermee of hij bedenkt een list, al zou dat voor het eerst in zijn leven zijn.

Dooley vertelt het verhaal in een rustig tempo, met veel gevoel voor understatement. Het hele leven van Howard stelt niet veel voor. Het is niet treurig of triest, maar gewoon niet zo boeiend allemaal. En daarmee past hij prima in de entourage van het stadje Dobbiston, een onooglijk kustplaatsje met een lokaal museumpje en een café waar pubquizzen worden gehouden. In een leuke scene worden de quizteams voorgesteld: een dolle optocht van nerds, sneue types en simpelaars. Alles heel gewoon, vooral niemand die echt iets bijzonders van het leven verwacht.

Deze setting levert een gevoelig en vertederend verhaal op. De tekeningen, die veraf lijken op een minder gestileerde versie van Chris Ware, hebben niet veel om het lijf: de gezichten zijn plat, maar Dooley weet toch met een paar kleine details leven in de mensen te krijgen. Hij redt het met een wenkbrauw, een mondhoek en afhangende schouders. Dat is knap. Ronduit schitterend zijn zijn dialogen en observaties: alleen al daarvoor zouden zelfs niet-striplezers deze graphic novel met veel plezier lezen.

Dooley verrast de lezer bij tijd en wijle met geestige overzichtspagina’s van personages, midgetgolfbanen en namen van ijsjes. Hilarisch zijn de namen van verschillende ijscokarren: Walt Whipman, Good Golly Miss Lolly en Howards eigen Captain Cone – die door zijn broer ‘gemakshalve’ Commando Cornetto wordt genoemd. ‘Whatever it is, that name is done.’

Flake is een fijne graphic novel: het tempo, de stijl en vertelling zijn perfect in balans. Het is een verhaal met een trieste ondertoon, waarin veerkracht het succes bepaalt. Howard moet van ver komen, maar niets blijkt onmogelijk. Al die samenstellers van eindejaarslijstjes hebben gelijk gekregen: Flake hoort in de top 10 van 2020. Waarvan akte.

Matthew Dooley – Flake. Jonathan Cape. 176 pagina’s hardcover. € 23,00.

Strips & comics

Gelezen: Brüno & Nicolas Pothier – Junk, deel 1: Terugkeer & deel 2: Afrekening

Twee flink witte omslagen met een paar schietgrage figuren in klare lijnen; scenarist Nicholas Pothier en tekenaar Brüno maken meteen duidelijk dat Junk geen doorsnee western-tweeluik is. En dat klopt. Waar veel westerns het van de couleur locale moeten hebben en van de broeierige sfeer, kiest Brüno – net als in zijn Tyler Cross-verhalen – voor een minimale, eenvoudige aanpak. Een bos is een éénkleurige hoop driehoekjes, de saloon een kubistisch allegaartje van tafels, stoelen en trapleuningen. De kleurstellingen van Laurence Croix maken de sfeer: warmrood in het bordeel, blauwgrijs in de bergen.

Brüno tekent met een strakke hand die zo hoekig is als die van Mike Mignola (Hellboy), met het verschil dat Junk veel ruiger is opgezet: de wielen van een postkoets zijn massief, veel broeken lopen in dezelfde kleur en vorm over in de laarzen. Toch ziet het er cool uit. Brüno kent de klassiekers, de archetypen en de thema’s van het wilde westen en heeft ze kundig geabstraheerd.

Het verhaal gaat over een groep desperado’s die nog een keer bij elkaar komt om op zoek te gaan naar een schat en ondertussen ook probeert te ontdekken wie de verrader in hun midden is. Want dat dat het geval is, blijkt snel. Hank Williams, ooit de voorman van een groep outlaws roept zijn bende na vele jaren voor een allerlaatste keer bijeen. Hij vertelt ze van een schat die destijds is gezocht, maar nooit gevonden. Nu ineens weet hij waar die te vinden is. Vreemd? Ja, maar zo hebben wel meer van de groep rare trekjes.

Ze zijn met z’n zessen en zoals dat ook gebruikelijk is in games, heeft ieder personage een bepaalde kwaliteit die onderweg van pas kan komen. Dat is een leuk gegeven, maar ook wat drollig, vooral omdat de bendeleden allemaal een dagje ouder zijn geworden. Ze hebben kwaaltjes, hoesten dat het een aard heeft en rusten iets vaker en langer uit dan vroeger. Ze gaan zelfs in een postkoets op weg om de zwakkeren wat rust te gunnen.

Onderweg komen de desperado’s er steeds meer achter dat die hele schat misschien een verzinsel was. Maar wat is dan de reden dat Williams de kliek weer bij elkaar wilde hebben? Is dat misschien omdat ze vroeger zijn verraden en Williams het idee heeft dat de verrader in hun midden is?

Het verhaalgegeven is sterk en houdt de vaart er lekker in, maar het allerbeste zijn de dialogen die zo lekker in elkaar steken dat de lezer het verhaal met een flinke vaart doorvliegt. Het lijkt op Tarantino en daar is niets gelogen aan. Het zet de karakters sterk neer en dat is wat een goede western onderscheidt van de mindere.

Het knappe van Junk is dat de niet voor de hand liggende combinatie van harde actie, toffe gesprekken en ongekunstelde tekeningen zorgen voor een extreem lekker en vlot verhaal. Dat vermoedt je niet van tevoren. Wie niet hangt aan de natuurgetrouw uitgewerkte setting van het wilde westen heeft met Junk een voltreffer in handen. Een klasseverhaal dat menig realistisch getekende western met gemak naar de kroon steekt. Wie dit oppikt, heeft zijn dag gemaakt.

Brüno & Nicolas Pothier – Junk, deel 1: Terugkeer & deel 2: Afrekening. Uitgeverij HUM!, 56 pagina’s hardcover. € 18,95.

Literatuur & Poëzie

Zo vergeefs is het niet: écht waar…. beter dan Brusselmans

De eerste (lezers)recensies van mijn roman komen binnen. Daarover later meer. Nu eerst aandacht voor een bericht dat vanochtend verscheen op Facebook, van mijn uitgever (en schrijver) Hans van Willigenburg. Onder de kop ÉCHT WAAR… BETER DAN BRUSSELMANS… beschrijft hij mijn roman met een bevlogenheid die even mooi als schaamteloos is. Een uitgever die zijn eigen waar aanprijst, afijn, Hans is er zich van bewust. Maar desondanks moest hem iets van het hart, en dat treft me. Het is namelijk raak. Daarom deel ik het – even schaamteloos als assertief – zelf ook.

Hierbij:

<schaamteloze promo>
ÉCHT WAAR… BETER DAN BRUSSELMANS…

Een uitgever die een zelf zopas uitgegeven roman aanprijst, verdient misschien niet de schoonheidsprijs. Maar het moet even. Niet in de laatste plaats omdat de schrijver zelf, zo is mijn indruk, niet van het assertieve type is dat het van de daken schreeuwt, dus doe ik het in zijn plaats, in de overigens bescheiden vorm van een stukje op Facebook. De vuistdikke roman die ik uit het grauw wil tillen, heet ‘Zo vergeefs is het niet’ van Stefan Nieuwenhuis.

Het is een boek dat ik met stijgende verbazing en bewondering heb gelezen en dat mij heeft moeten veroveren, omdat ik me tijdens de eerste pagina’s dacht in een obscuur club- of roddelblaadje van een stelletje lokale dichters te bevinden dat ik weldra zou dichtslaan. Maar desondanks raakte ik allengs betoverd door de koppige manier waarop de schrijver zich in een reeks onaanzienlijke levens verdiept. En die levens met de toewijding van een precieze kantoorklerk optekent.

Eigenlijk, zo bedacht ik me na een pagina of vijftig, komt de setting van ‘Zo vergeefs is het niet’ verregaand overeen met het Gent in de romans van Herman Brusselmans, kortom, een verzameling cafés met daarin schimmige figuren die door alledaagse sores ‘worden geleefd’, in het geval van Nieuwenhuis bijna zonder uitzondering dichtersfiguren en de mensen die daar omheen hangen: uitgevers, redacteuren, kunstambtenaren.

Maar het grote verschil – en hierin vind ik Nieuwenhuis te prefereren boven de veel schrijvende Vlaming – is dat Nieuwenhuis deze levens niet met virtuoze taalgrapjes en geintjes continu belachelijk maakt, maar genadeloos inzoomt op de banale keuzes die zijn fletse personages, ondanks hun fletsheid, toch maar mooi moeten maken. En op de verschuivende loyaliteiten die daar het gevolg van zijn, ook al stellen die verschuivingen in het grote verband der dingen helemaal niets voor.

Lezen in ‘Zo vergeefs is het niet’ betekent open staan voor het gevoel dat je over volstrekt niet ter zake doende futiliteiten zit te lezen (verwaarloosbare subsidiebedragjes, matig bezochte poëziemanifestaties, bij het minste uit het lood geslagen dichter ego’s), ondertussen beseffend dat je eigen leven tegen wil en dank ook is afgeladen met dergelijke futiliteiten. En je dus, al lezend, via de opgevoerde personages getuige bent van je eigen betekenisloosheid. (Met een beetje fantasie zou je van een semi-religieuze ervaring over je non-existente plek in het heelal kunnen spreken.)

Hoewel Nieuwenhuis in een lange traditie van Hollands realisme staat, zijn type proza op zichzelf dus verre van uniek is, zou ik uiteindelijk dit stukje niet hebben geschreven als ik gaandeweg niet bevangen was door het gevoel iets heel bijzonders te lezen. Waar elke andere schrijver mijns inziens zou zijn opgehouden omdat er werkelijk geen sjeu of smaak aan de personages te ontdekken valt, lijkt hun karakterloosheid op Nieuwenhuis juist als een soort ‘dope’ te werken. Hoe magerder een kwestie of akkefietje, hoe fanatieker Nieuwenhuis er met zijn drang tot beschrijven bovenop springt en hoe breder, maar ook wranger de glimlach als je het boek dan eindelijk dichtslaat.

Een bewonderenswaardige krachttoer. Ik heb er 309 pagina’s lang van genoten!

HvW

Te bestellen via de betere boekhandel of rechtstreeks via Uitgeverij Douane

 

Strips & comics

Gelezen: Jose Luis Munuera & BeKa – Blauwbloezen 65: De Oorlogscorrespondent

De Blauwbloezen is bij uitstek een serie van beproefde recepten. De reeks die speelt ten tijde van de Amerikaanse Burgeroorlog is vooral geliefd omdat het de lezer in ieder album precies geeft wat die verwacht. Altijd het gejammer en gedoe van het onafscheidelijke duo Blutch en Chesterfield, altijd een vage reden waarom ze er desondanks toch weer samen op uit moeten. Vaak, steeds vaker de laatste jaren, wordt er een historisch feitje afgestoft om het verhaal aan op te hangen: van een hond tot een huwelijk en van evangelisten tot een zekere dame. Het tekenwerk en de opbouw van de verhalen staat al die jaren als een huis. Fans kunnen het dromen: de Blauwbloezen is een sympathieke stramienstrip.

De lezer verwacht dus geen gegoochel met namen en nummers en toch is er van alles te zien om het omslag. Ineens staan er vijf auteursnamen en zit er een sticker op die alvast waarschuwt voor een oneffenheid: de nummering loopt niet in de pas. Ook voor een buitenstaander is het verwarrend en daarom in het kort: De Blauwbloezen gaan al heel wat jaren mee, het eerste album verscheen in 1972. Aanvankelijk werden ze getekend door Salverius (tot en met nummer 4) en daarna door Lambil, steeds op scenario van Cauvin. Maar die laatste (geboren 1938) stopt ermee. In orde, zegt Lambil (geboren 1936), maar dan maken we er nog eentje samen. Dat wordt nummer 64, die om onduidelijke redenen pas volgend jaar verschijnt. De oorlogscorrespondent van hun kersverse opvolgers Munuera en BeKa is daarmee nummer 65, vast en zeker om de overgang tussen het oude en nieuwe team nummeringsgewijs logisch te laten verlopen.

Is wachten op Lambil en Cauvin dan geen optie? Nou nee, want een nieuw album van de Blauwbloezen is ongeveer net zo’n najaarlijks zekerheidje als Sint Maarten en de adventskalender. Dit jaar geen album zou een beetje kaal aanvoelen. De uitgever wijdt er zelfs de eerste pagina in het album aan en vertelt: jij, de fan, krijgt zo toch, zoals ieder jaar, een nieuw album van je helden te lezen.

Om alles voor iedereen duidelijk te maken, staat nu op het omslag: Naar Cauvin, Salverius en Lambil. Met daaronder de naam van de tekenaar van dienst, de Spanjaard Jose Luis Munuera. Samen met het Franse scenaristenduo dat schuilgaat achter het samengestelde pseudoniem BeKa (Bertrand Escaich en Caroline Rogue) schreef hij De oorlogscorrespondent, een verhaal rond een historische figuur die echt heeft bestaan. Dat ingrediënt bleef alvast behouden.

Onvermijdelijk is dat het herkenbare tekenwerk van Lambil is ingeruild voor de iets meer swingende tekenhand van Munuera. Hij heeft zich zeker verdiept in het werk van zijn voorganger, dat is te zien, maar toch is het genoeg van hemzelf. Gelukkig, bij nabootsingen valt iedere tekenaar een keertje door de mand. En daarbij: Munuera is een van de meest begaafde tekenaars van dit moment, die hoeft zich niet in allerlei bochten te wringen om te voldoen. Deze Blauwbloezen is echt fraai, met mooie overzichtstekeningen, fraaie figuren en de perfecte Lambil-paarden – dat dan weer wel. Enige dingetje is dat Blutch iets te karikaturaal wordt neergezet. Hij past niet goed tussen de rest met zijn kale kop en grote oren, als de oudere broer van Titeuf.

Het scenario zit heel lekker in elkaar en eerlijk is eerlijk: het is veruit het beste verhaal van de laatste tien jaar. Eindelijk gaat het een stapje verder dan het obligate en dat is een pijnlijke constatering. De Blauwbloezen was stilaan verworden tot een niemendal, een opeenvolging van luchtige geestigheden die maar zelden echt tot de verbeelding spraken. De onderwerpen werden steeds verder gezocht en de personages zaten klem in hun rol, wat de verhalen eendimensionaal maakten.

In De oorlogscorrespondent volgen we de figuur William Howard Russell, een even onverschrokken als flegmatieke journalist van het Britse dagblad The Times. Hij verslaat de oorlog voor het overzeese leespubliek op zo’n manier dat zowel de Noorderlingen als de Zuidelijken er bekaaid vanaf komen: het is een oorlog met alleen maar verliezers. Als dat bij beide legerleidingen bekend wordt, slaan ze de handen ineen om hem weg te krijgen. Ze werken samen om zich te ontdoen van bad press.

Blutch en Chesterfield krijgen de opdracht om Russell te bewaken tijdens zijn journalistieke werkzaamheden. Zij weten niets van de jacht op Russell en komen zo tussen twee vuren in. En dan is er nog een verhaal van een kinderweeshuis, dat ongeveer midden in de linies ligt – op meerdere vlakken.

Het mooie zit ‘m in de extra laag die er duidelijk in het verhaal is gelegd, al durfden de scenaristen het niet aan om die impliciet te laten zijn: Blutch en Chesterfield leggen elkaar uiteindelijk haarfijn uit hoe de vork in de steel zit. Blutch zegt dat Russell eigenlijk niets raars deed: hij was niet voor de ene partij of de andere, hij versloeg de oorlog op een objectieve manier. Hij kiest voor feiten, die hem niet populair maken bij mensen die die feiten onwelgevallig zijn. Afijn, de lezer heeft dan allang de link naar nu gelegd.

Toch werkt het verhaal slim en mooi naar dat einde toe en hoewel we het hier ‘maar’ over een aflevering van de Blauwbloezen hebben, is het een onverwachte treffer geworden. Voor lezers die jammeren dat alles steeds maar anders wordt, en die dus ook moeten wennen aan de nieuwe Blutch en de nieuwe Chesterfield, is dat een flinke troost.

Jose Luis Munuera & BeKa – Blauwbloezen 65: De Oorlogscorrespondent. Dupuis. 56 pagina’s. € 7,95.

Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman ligt nu in de boekhandel: Zo vergeefs is het niet

Mijn nieuwe roman is verschenen: Zo vergeefs is het niet ligt nu in de boekhandel. Vraag er vooral naar bij je lokale boekhandelaar, hij/zij kan het je binnen één dag leveren en vaak is er ook nog iets van een bezorgservice of zo. Woon je erg afgelegen, of ga je gewoon niet graag de deur uit met dit weer, dan kun je het ook bij de dikke blauwe meneer bestellen. Ook Bol levert het boek in een dag. Of zoals zij het dan zeggen: voor 23:00 besteld, morgen in huis. BESTEL METEEN.

Hier de flaptekst als teaser en daaronder een korte beschrijving van de inhoud – geschreven door mijn uitgever die het goed met me voorheeft:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.

Binnenkort volgen de eerste recensies en reacties. En niet te vergeten: het omslag, met spannende binnenflappen, is ook op meesterlijke wijze gemaakt, en wel door Typex. Wil je een grote jpg van het omslag voor je blog of site, dan vind je die hier. Je mag ‘m gebruiken onder voorwaarde van naamsvermelding © Typex. Oké?

Stefan Nieuwenhuis – Zo vergeefs is het niet.
Uitgeverij Douane. 308 pagina’s. € 19,50.
ISBN 978 949 302 0153.

Strips & comics

Gelezen: Dirk Ridder – Het allerkleinste

Ga er maar aanstaan: een reis langs de bouwstenen van alles. Stripmaker Dirk Ridder kiest niet meteen de makkelijkste weg in zijn debuutstrip Het allerkleinste. Gelukkig weet hij zich geflankeerd door Robbert Dijkgraaf, de wetenschapper die zijn bekendheid verwierf bij De Wereld Draait Door. Hun samenwerking resulteerde in een informatief beeldverhaal, waarin Dirk de aangever is en Robbert de afmaker.

De stripfiguren Dirk en Robbert gaan in Het allerkleinste op zoek naar kleine deeltjes: Dijkgraaf gaf voor DWDD University college over minuscule deeltjes zoals cellen, moleculen, atomen en zelfs nog kleiner. In de strip, gebaseerd op dat college, wandelen de twee door de wereld van kleine deeltjes: een tocht langs een aantal van de bizarste fenomenen uit de wetenschap.

Op het omslag staat dat de tocht bedoeld is voor mensen van 9 tot 99 jaar. Het taalgebruik is inderdaad geschikt voor negenjarigen, al is het voor die leeftijd nog wel een tikje hooggegrepen. Twaalfjarigen met een beetje middelbareschoolkennis kunnen de informatie prima bolwerken. Of zij het hele album met gemak uitzitten is een ander verhaal: het informatieve is zo overdadig dat de jonge lezer snakt naar een rustmomentje.

Omdat de strip is gebaseerd op een college en het dus niet moet hebben van een avontuur of plot, leest het niet als een klassiek stripalbum. En welbeschouwd is het dat ook niet: het zijn de vragen van de nieuwsgierige Dirk die de vertelling voortduwen. Af en toe zal met name de jonge lezer zich even achter de oren krabben, als Dirk het zojuist geleerde samenvat alsof daarmee alles is verklaard, bijvoorbeeld als we via het biljardste deel van een atoom en het gegeven van de lege ruimte uitkomen bij de volgende conclusie: dus ik gebruik atomen om moleculen te maken en moleculen om dingen als cellen, pizza’s en stiften te maken? Robbert: correct!

De tekeningen van Ridder zijn gedienstig: ze zijn helder en eenvoudig. De illustratieve aanpak zorgt voor een rustige paginaopmaak, die past bij het verhaal. De figuren Dirk en Robbert zitten qua uitstraling tussen die van Barbara Stok en Tom Gauld in: dunne mannetjes met bolvoetjes en vier vingers. Omdat Robbert brildragend is, zien we geen emotie of enthousiasme in zijn gezicht. Terwijl hij juist een sprekend gezicht heeft waarmee veel te doen is. Het zijn keuzes.

Met een eerdere versie van deze strip studeerde in 2018 Dirk af aan de opleiding Comic Design van de ArtEZ hogeschool in Zwolle. Het allerkleinste leverde hem de Debutanten Award 2019 van het Debutantenfonds Beeldverhaal op. Die prijs maakte het Ridder mogelijk om zijn album te perfectioneren en uit te geven. Dat het niet verschijnt bij een van de traditionele stripuitgevers maar bij New Scientist, uitgever van het gelijknamige tijdschrift, is een slimme zet. In die hoek zal het album op meer bijval kunnen rekenen – net als bij lezers van Kijk en Quest Junior. Daar waar de slimme nichtjes en neefjes rondhangen, zeg maar.

Dirk Ridder – Het allerkleinste. New Scientist. 72 pagina’s. € 14,99.

Strips & comics

Gelezen: Katie Skelly – Maids

De Amerikaanse Katie Skelly (1985) heeft met Maids een indrukwekkende horrorgeschiedenis naverteld, die je niet snel vergeet. Skelly koos het waargebeurde verhaal van de gruwelijke moordpartij die de zussen Christine en Lea Papin in 1933 pleegden en werkte dat uit in een grillige en obsessieve strip. Over het primitieve tekenwerk van Skelly is van alles te zeggen, maar wie aan de strip begint, krijgt een leeservaring voor de kiezen die nog dagenlang nazindert. Het is eigenlijk gewoon verplichte kost.

Voor het perspectief: Op 2 februari 1933 vermoordden de dienstmeisjes Christine en Lea Papin de gefortuneerde Leonie Lancelin en haar dochter Genevieve. Tijdens de moordpartij in het Franse Le Mans krabben de zussen met hun blote handen de ogen van hun slachtoffers uit. De politie vindt de toegetakelde lichamen en even later de zussen, die in elkaar verstrengeld op hun zolderkamer zitten. Christine en Lea hebben nooit een verklaring gegeven voor de moorden. De zaak heeft altijd tot de verbeelding gesproken; over de zussen werden vier toneelstukken gemaakt, zeven films, negen boeken en zelfs een hele opera. Nu is er voor het eerst een strip, en wat voor één.

Het is een verhaal om van te gruwen. Het is daarom bijzonder dat Skelly het zo ingetogen weet te vertellen: die ogenschijnlijke rust is vanaf de eerste pagina angstaanjagend. En dat is knap wat een begenadigd tekenaar is ze niet: haar figuren zijn houterig, de perspectieven op een kinderlijke manier vreemd en haar schrijfletter is zelfs onbeholpen.

En toch zijn het juist al deze primitieve, illustratieve elementen die het verhaal zo perfect aanvoelen: ook dat is onaangepast en vreemd. Het is 1931 en Christine Papin werkt bij de gegoede Franse familie Lancelin waar de moeder en dochter zich wentelen in dagelijkse ruzies. Christine heet het voor elkaar gekregen dat haar zusje Lea ook voor het gezin mag werken. Lea is even daarvoor uit een klooster ontslagen vanwege laakbaar gedrag – de terugblikken vol ingetogen sadisme zijn kalm en huiveringwekkend tegelijk.

Beide zussen laten zich gaandeweg de pesterijen van met name mevrouw Lancelin steeds minder vaak welgevallen: aanvankelijk in het geniep, later steeds opener. Het zorgt voor een verwijdering van de familie Lancelin, maar tegelijk komen de zussen steeds dichter bij elkaar. Zachtjes ziet de lezer ontstaan dat de zussen dezelfde genen delen. Het is de combinatie van afkomst, zussenliefde en uitbuiting die de situatie laat escaleren.

Het knappe van Maids is dat Skelly een complete laag aan het verhaal van de Papin zussen heeft toegevoegd: haar verteltrant is zo dwingend en stuwend, dat de lezer halverwege in ademnood raakt. Uit alle poriën van de strip gutst het klamme zweet van een naderende escalatie. Het is werkelijk ongewoon wat ze flikt. Hoe? Door de dagelijkse dingetjes te laten zien: het ontbijt, het strijken van de was, boodschappen en het dweilen van de gang. Niet even, maar pagina’s lang zien we de zussen vooral werken. Terwijl je voélt dat er iets te gebeuren staat.

Skelly geeft de lezer een ongezonde dosis sympathie voor de zussen, terwijl het niet mals is wat deze twee op hun kerfstok hebben. Het gemak waarmee de lezer bijvoorbeeld de herinnering aan Lea’s gruwelijke marteling van een kanarie voor lief neemt, omdat het nu eenmaal het huisdiertje van die gemene moeder overste is, is bijzonder. Het is de stilte die geruststelt, de onaangedane blik van Lea die daarna weer gewoon de schalen met het diner opdient. Altijd is er een figuur in de buurt die erger is, gemener. Het is het idee van onderdrukking en uitbuiting dat de lezer richting de zussen duwt.

De titel Maids suggereert nog een verhaalgegeven: Maids kan slaan op huishoudsters, maar evengoed op maagden. Het omslag hint al richting die seksuele, incestueuze connotatie doordat de zussen elkaars hand achter hun rug vasthouden. Het is interessant om te zien hoe Skelly niet kiest voor een stellingname: na de moorden was er veel te doen over de zaak, met name vanwege de vrouwelijke agressie en seksuele lading. Alle speculatie en dramatiek over deze zaak ten spijt: de zussen hebben zich altijd in stilzwijgen gehuld, gezamenlijk. Skelly eindigt heel opgeruimd met een feitelijk nawoord: de ene zus sterft in gevangenschap, de ander komt na acht jaar vrij en werkt daarna onder een valse naam jarenlang in een hotel.

Katie Skelly – Maids. Fantagraphics. 112 pagina’s hardcover. $ 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Marc Weikamp – Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen

Hoe doelgroepmarketing een mooie u-bocht kan maken: het lezersbereik van strips, beeldverhalen en graphic novels is aanzienlijk maar in het grotere geheel toch bescheiden. Wel flink groter dan dat van poëzie, dat het met een handjevol liefhebbers moet rooien. Poëtische strips, dat is dan de verkleinende trap van bereik. En als er nóg verder wordt genuanceerd, met een specifieke periode of antieke stroming, dan verzoekt men de goden om een lezerspubliek.

Marc Weikamp legde het boek Marketing voor dummies terzijde en deed exact het laatste: hij maakte Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen, een collectie van zes verstripte gedichten die gemeen hebben dat de makers ervan uit de Achterhoek komen. En dan blijkt frappant: juist door de strenge criteria is het een heel fijne en interessante collectie met grafische poëzie geworden.

Ten eerste ademt het album de Achterhoek, dat gebied dat globaal grenst aan de Overijsselse streken Salland en Twente in het noorden, de Duitse grens in het oosten en zuidoosten, de Oude IJssel in het zuidwesten en de IJssel in het westen; daar waar vroeger de veldtochten van Normaal plaatsvonden, in boerenschuren en op gerooide maisvelden in het najaar. De Achterhoek heeft iets magisch, iets boers en wijds. En het gekke: dat zit allemaal in Dichter in de Achterhoek.

Er is geen ontkomen aan de boerenrockers van Normaal en ook Weikamp laat hun voorman, Bennie Jolink, aan het woord: zijn ‘gedicht’ Oerend hard (‘Langzaam rijden dat deeien zie nooit, dat vonden zie toch maar tied verknooid’) staat keurig ingeklemd tussen Eensklaps roeken van H.C. ten Berge en Hoonte van Gerrit Achterberg.

De werkwijze van Weikamp is bijzonder: hij koos zes gedichten, teksten zo je wil, die op een of andere manier de sfeer en het gevoel van de Achterhoek verbeelden en maakte er een verstripping van in verschillende grafische stijlen. Soms levert dat een mooie spanning op, zoals bij A.C.W. Starings Herdenking, een gedicht uit 1820 over liefde, die Weikamp in het nu laat plaatsvinden, waarbij de zoete herinnering zichtbaar blijft op het scherm van een mobiele telefoon.

Bij Hoonte van Achterberg mist de toegevoegde waarde van de illustratie: wat we lezen is ongeveer wat we zien. De subtekst van Achterberg wordt verstopt in de kadrering, maar omdat de tekst integraal op de pagina’s staat, kan de lezer volstaan die te volgen. De plaatjes worden zo decor.

Als we lezen Vlak voor de ramen staat het boomtheater / insecten trekken strepen langs de ruit, dan ziet de lezer deze strepen – nota bene de beweeglijnen uit het klassieke stripidioom.

Bijzonder is dan weer de aanpak van het openingsgedicht van Willem Sluiter, een lokale dichter uit de zeventiende eeuw die de term Achterhoek als eerste muntte. Hij schreef in 1668: Waar iemand duisent vreugden soek, Mijn vreugt is in dees’ achter-hoek. De oude woorden kaatsen op illustraties van een caravan, een campingplaats, een zwembadje en een route-app op – weer – een mobiele telefoon.

De tekeningen van Weikamp zijn gestileerd. Hij laat zien meerdere technieken te beheersen, al blijft zijn hand zichtbaar. Met name de kleurstellingen van de gedichten zijn mooi en verrassend: Weikamp kiest steeds voor rustige kleuren, maximaal drie. Dat pakt sterk uit. Het zorgt ervoor dat er in de opeenvolging van de gedichten genoeg variatie zit én tegelijk een onderlinge eenheid.

Het idee van het verstrippen van gedichten, die als tekst een integraal onderdeel van het geheel zijn, pakt niet altijd goed uit. Het levert vaak doublures op: wat je leest is wat je ziet, behalve de beeldspraak die – als het goed is – ergens te ontdekken valt, zoals dat in de oorspronkelijke tekst ook gebeurt. Een simpel, illustratief voorbeeld, niet uit Weikamps werk: als een dichter zegt dat het herfst is in zijn hoofd omdat zijn geliefde vertrok, dan zien we dwarrelende blaadjes en kale bomen op de achtergrond. Terwijl hij de herfst in zijn hoofd gerust in het voorjaar kan voelen: de geliefde wacht niet tot oktober voor ze vertrekt. Dat is een valkuil die nauwelijks te ontwijken is. Ook Weikamp ontkomt er niet aan, zoals we zien bij Achterbergs strepen op de ruit.

En toch slaagt Weikamp met zijn serie verstripte gedichten op een onvermoed punt: door te kiezen voor gedichten die thematisch verwant zijn, wordt de lezer er steeds dichtbij gehouden.Wie Dichter in de Achterhoek leest vermoedt dat de gedichten in elkaar haken: de eerste zet de toon voor de tweede, enzovoort. Dat is een interessante ontdekking. Logisch misschien, omdat Weikamp op het omslag ook nog eens expliciet maakt dat het gedichten zijn die geschreven zijn in de Achterhoek, over de Achterhoek. Dan móet het wel kloppen.

Marc Weikamp – Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen. Syndikaat. 64 pagina’s hardcover. € 17,95.

Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman komt eraan: Zo vergeefs is het niet vanaf 4 november in de winkel

Het heeft even geduurd, maar begin november ligt mijn nieuwe roman in de winkel: Zo vergeefs is het niet.  De achterflap kondigt het aldus aan:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

De uitgever, niet vies van een pakkend citaat, een curieuze nuancering en een zorgvuldige overdrijving, meldt:

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.
Na het succes van zijn debuutroman Ik ben omringd door debielen en ik voel me goed (2005) komt Nieuwenhuis vijftien jaar later met een minstens zo sarcastische opvolger. Ga dat lezen!

Binnenkort lees je hier (en elders) meer over het verhaal. Voor nu volsta ik met het voorplat van de roman, dat is getekend door Typex – ongeveer de beste stripmaker van Nederland en auteur van de biografie van Andy Warhol en de Volkskrant-strip Je moeder! Op de illustratie zien we de figuren die een rol spelen in het boek: de twee heren die leunen op het woord ‘vergeefs’ zijn Leon van der Wieken (links) en Hein Heusz (rechts).

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Rochette – Altitude

Ineens is de Franse stripmaker Jean-Marc Rochette overal. Begin dit jaar verscheen zijn bekendste werk Snowpiercer opnieuw en in integrale uitvoering, vanwege de televisie-adaptatie die op Netflix te zien is. Vorige maand verraste hij met zijn schitterende graphic novel De wolf, over een schapenhoeder die de strijd aangaat met een welp (zie de recensie hier) en tegelijkertijd verscheen in het Engels Altitude, nog een graphic novel die zich in de bergen afspeelt.

Altitude is een autobiografisch klimmersrelaas dat speelt in de jaren zeventig. We volgen Jean-Marc die als rebelse tiener de schoolregels aan zijn laars lapt, zich weinig aantrekt van goed fatsoen en het liefst met een vriend gaat klimmen in het nabijgelegen berggebied. Dat geluk heeft hij: Rochette groeit op vlakbij het Massif des Écrins, het berggebied waar ook De wolf is gesitueerd.

In de vorm van een logboek worden de beklimmingen opgetekend: steeds als Jean-Marc aan een beklimming begint, staat de naam van de berg, de moeilijkheidsgraad en de hoogte bovenaan de pagina vermeld. Dat is vast interessant voor kenners, voor de striplezer vooral leuk als wetenswaardigheid: de routes worden steeds ingewikkelder en vooral gevaarlijker.

Deze manier van vertellen is niet meteen spannend en er zijn passages in het verhaal dat er niet veel meer gebeurt dan klimmen. Maar als er zich iets voordoet dat niet per se met klimmen te maken heeft (verliefdheid, ruzie of pubergedrag) worden ook de beklimmingen interessanter. Dan ziet de lezer dat bergbeklimmen zich slecht verhoudt met alledaagse fratsen. Logisch, een moment van onachtzaamheid kan fataal zijn en gaandeweg verongelukken er klimmers of keren ze niet meer terug. Het vergt veel van de jonge klimmers om gemotiveerd te blijven en door te gaan.

Anders dan de ultieme alpinisme-strip Summit of the Gods van de Japanse manga-grootmeester Jiro Taniguchi, die meer dan 1500 pagina’s wijdde aan de voorbereiding en beklimming van de Mount Everest, zijn de beklimmingen in Altitude doelen die afgevinkt moeten worden, op weg naar moeilijkere en steilere bergen. In Summit of the Gods werd alles uiterst minutieus en bijna per seconde uitgebeeld, in Altitude nemen we hooguit kennis van de zoveelste bedwinging.

Altitude is daarmee veel minder een klimstrip dan die lijkt: halverwege het verhaal, als Jean-Marc van school is en het burgerbestaan hem wacht, zien we dat hij nog niet klaar is: niet voor het echte leven en niet voor de grote bergen. Hij gaat nog naar Amerika om daar El Capitan te zien, de natte droom van iedere durfal, maar twijfelt steeds meer of de gevaren van het bergbeklimmen wel afwegen tegen een toekomst – bijvoorbeeld de toekomst als stripmaker, zijn andere passie.

Nu klinkt het als een spoiler, maar het is geen geheim dat Rochette strips is gaan maken, en niet eens onverdienstelijk. Ook zijn klimmersautobiografie is mooi van opzet en verhaal. Hij weet met enkele rake streken een complete bergpartij neer te zetten en geeft de sfeer op de hoger gelegen delen van onze aarde prachtig weer. Werkelijk talent voor koppen en anatomie heeft hij niet: het ziet er soms onbeholpen uit en dat valt vooral op als hij ineens een perfect angstig gezicht tekent. Het zit er wel in, maar lijkt er niet uit te komen. Ook daarover is hij in zijn verhaal eerlijk: hij is lui, heeft niet altijd zin om hard te werken of zijn best te doen.

Altitude is anders dan De wolf, ondanks de overenkomsten in vooral kleur en entourage. De wolf is meeslepend, Altitude is onderhoudend. Het verhaal ontwikkelt zich mooi van de jeugdige klimmer naar de laattwintiger die zich gaat toeleggen op striptekenen: die twee sporen zijn door het hele verhaal aanwezig en komen mooi samen in het eind. Vanwege het strikt autobiografische is het sluitstuk ingetogen en berustend. Het is bemoedigend om achter in het dossier een actuele foto te zien van Rochette, een zestiger met een korte witte baard en een klimmershelm.

Jean-Marc Rochette – Altitude. Self made hero. 296 pagina’s hardcover. £16.99.

Strips & comics

Gelezen: Wasco – Alles leeft

Dit mogen we gerust liefde noemen: begin dit jaar ontving Wasco, de Amsterdamse stripmaker met Groningse roots, de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn uitgever, Scratch Books, greep deze heugelijke gelegenheid aan om een kloek overzichtswerk uit te geven. Alles leeft is een prachtig vormgegeven boek van meer dan 300 pagina’s vol strips en beeldexperimenten, waarmee Wasco (pseudoniem van Henk van der Spoel, 1957) zijn underground faam verwierf.

Al vijfendertig jaar werkt Wasco onvermoeibaar aan een even indrukwekkend als buitenissig oeuvre. De jury noemde hem ‘één van de vaandeldragers van het moderne striptekenen’ en dat is terug te zien in Alles leeft. Toch is Wasco geen grote naam in de vaderlandse stripwereld. Hij heeft nagenoeg zijn hele carrière in de underground vertoeft en publiceerde een niet aflatende stroom boekjes in eigen beheer, met avonturen van Tuitel en Phiwi, Philip & George, Wanda Scott en Dotty Wervelwind. Voor stripblad Zone 5300 tekende hij jarenlang zijn Apenootjes, een Nederlandse variant op Peanuts. Pas in 2015 verscheen zijn eerste volwaardige album, Het Tuitel Complex, waarin hij een selectie uit zijn small press-uitgaven opnam.

Anders dan Het Tuitel Complex bevat Alles leeft meer afgeronde verhalen: het zijn onder meer elf complete verhalen die Wasco tekende in het kader van de zogenaamde 24 Hour Comics, een evenement dat eens per jaar plaatsvindt en waar stripmakers in 24 uur een complete strip maken. Hier is Wasco meer de verteller dan de experimentalist, meer de klassieke stripmaker dan de kunstenaar. Toch zijn er naast het elftal 24 hour comics ook genoeg pagina’s waarin Wasco naar hartenlust uitprobeert, goochelt met kaders en woorden.

Wasco wordt een tekenaarstekenaar genoemd, een stripmaker die vooral onder zijn collega’s wordt gewaardeerd. Zelf is hij niet gelukkig met die benaming, vertelde hij in een interview met NRC uit 2015. Volgens Wasco suggereert het dat hij moeilijke strips maakt, al gelooft hij wel dat ze “misschien voor fijnproevers” zijn bedoeld. Zo werkt hij zijn strips bijvoorbeeld uit op kleur of kiest hij voor een leesrichting vanuit het midden. Vaak zijn de strips en korte verhalen tekstloos en lijken ze midden in de vertelling te beginnen. Hij laat personages over de kaders van de strips lopen en negeert daarbij de zwaartekracht. Tenminste, voor wie het boek niet met de figuren laat meebewegen.

In Alles leeft vindt de lezer minder van die uitgesproken visuele experimenten; de aandacht is verschoven naar de vertelkunst van Wasco, die even grillig en romantisch als onaangepast is. Wolken uit 2009 is een dichterlijke vertelling over de elementen, gevolgd door de strip Marie Antoinette (van een jaar later) die een pastiche op jeugdstrips uit de jaren vijftig is, inclusief verhalende reuzensprongen en onwaarschijnlijke plotwendingen. Ronduit mooi is Sneeuw uit 2014 waarin Wasco op zijn sterkst is. Daar treft de lezer interessante sequenties aan die bij elkaar worden gehouden door een prikkelende, absurdistische vertelstem: “Op een keer moest ik zo vreselijk huilen (…) dat mijn zoute tranen de wolken begonnen op te lossen en het begon te regenen. En ik, ik stortte uit de hemel, maar herinnerde mij op tijd dat ik een eend ben! En zo landde ik op de oceaan alwaar ik een nieuw leven van dobberen begon”.

Achter in het album schreef Wasco – of is hij daar gewoon Henk geworden? – het essay Wat het is, een chronologisch verhaal dat hij ophakte in kleine hoofdstukjes. Het begint als een aanklacht tegen het vervelende conservatisme van het medium strip, dat maar niet loskomt van sleetse dinosaurussen als Kuifje, Suske & Wiske en Spider-Man. Gaandeweg wordt het persoonlijker en leren we over de poëtica van Wasco en gebeurtenissen uit zijn leven die veel indruk hebben gemaakt, zoals het overlijden van zijn zus in 2008. De zorgvuldige lezer ziet dit terug in zijn werk.

Alles leeft is een compleet overzichtswerk dat samen met Het Tuitel Complex een fraaie doorsnee is van het werk dat Wasco tot op heden maakte. Het is te hopen dat de ambitie en honger van Wasco niet is gestild met deze uitgave. Gelukkig belooft hij in Wat het is dat hij nog tot in den eeuwigheid 24 hour comics zal blijven maken. Verder ziet het er niet naar uit dat hij is uit-geëxperimenteerd en klaar is met vertellen.

Zelf sluit hij af met de constatering dat alles een ziel heeft en dat we er daarom zorgvuldig en netjes mee om moeten springen. Hij noemt strips en grammofoonplaten als zaken waar je zuinig op moet zijn. Met instemming zet de lezer Alles leeft in zijn boekenkast.

Wasco – Alles leeft. Scratch Books. 332 pagina’s hardcover. € 24,90