Strips & comics

Gelezen: Nicolas Malfin – Cézembre

Cézembre is een eiland voor de Bretonse kust, vlakbij de kunstplaats Saint-Malo. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het vanwege de strategische ligging een perfecte verdedigingslinie van de Duitse bezetter die er gelegerd was. In het striptweeluik met dezelfde titel volgt de lezer de inwoners van Saint-Malo, met name de jonge geliefden Ewan en Francoise.

Deze twee ingrediënten vat Cézembre in één zwaai samen: liefde in tijden van oorlog. En er is ook het onvermijdelijke verzet tegen de bezetter, verraad, vriendschap en verdriet. Het klassieke verhaal, met een Duitse strijdmacht die naarmate de geschiedenis vordert steeds wanhopiger en roekelozer wordt.

De Franse stripmaker Nicolas Malfin (1971) tekende en schreef het verhaal en bediende zich van allerlei authentieke gebeurtenissen uit de bittere geschiedenis van Saint-Malo, dat niet bepaald gespaard bleef tijdens WO II. Dat is geen aanname: achterin beide albums wordt uitvoerig stilgestaan bij de historische context. De twee dossiers zijn uitmuntend, met interessant beeldmateriaal en leeswaardige artikelen. Dat maakt de twee Cézembre-delen extra interessant.

Toch is het die accuratesse die het verhaal soms in weg zit: omdat Malfin naast het werkelijke verloop van de oorlog ook nog het leven van een groot aantal mensen beschrijft, moet hij soms kunstgrepen uithalen om alles verteld te krijgen: met name de bombardementen van de Amerikanen in deel 2 lijken bijna onophoudelijk, omdat we die vanuit meerdere situaties meemaken. Francoise, Ewan, de bewoners die gevangen worden gehouden in de stad D’Aleth en de gewiekste overloper Bastien Fenec bewegen zich door dezelfde omgeving, maar bezien alles vanuit een ander perspectief.

Het is de verdienste van Malfin dat alles goed te volgen is, al krijgt het verhaalverloop soms iets buitelends. Dat wordt versterkt doordat de lezer al heel snel door heeft dat sommige personages hoe dan ook zullen overleven omdat ze het verhaal te veel dragen. Die spoelen dan uitgeput aan, kruipen door het oog van de naald en worden op miraculeuze wijze gespaard tijdens een heftig bombardement.

Malfin heeft de figuren goed in de vingers, hun mimiek is heel sterk uitgebeeld. Een trotse figuur als Papy, stoere zeeman met staartje, wordt heel kwetsbaar als eindelijk het besef indaalt dat hij al veel familie en vrienden is kwijtgeraakt, zijn strijdbaarheid ten spijt. Dat zijn van die kleine momenten in het verhaal waar de gebeurtenissen echt impact krijgen. Zo zijn er meer situaties die Malfin perfect aanvoelt.

Dat zit ‘m ook in andere details: in de albums is gekozen om de Duitse teksten “tweetalig” op te voeren: eerst in het Duits en daaronder gecursiveerd in het Nederlands– bij wijze van ondertiteling. Dat pakt onverwacht goed uit, het draagt bij aan de vijandige sfeer en de typisch Germaanse nijdigheid die er voelbaar van wordt.

De mise-en-scène is klassiek. Malfin vergaloppeert zich niet aan flitsende camerastandpunten, overdadige actiescènes en zwierige kaders. Zijn kleurgebruik past bij het verhaal: hij gebruikt het palet van een serene kustplaats, die sterker is dan de oorlog die er woedt. Een kapotgeschoten stad wordt grauw en grijs, Saint-Malo blijft azuurblauw en lichtgroen vanwege de zee. De zonsondergang waarmee het verhaal eindigt, zorgt subiet voor hoop op een beter toekomst.

Nicolas Malfin – Cézembre. Silvester, twee delen. Deel 1: 80 pagina’s, deel 2: 88 pagina’s, hardcover. € 24,95 per deel.

Strips & comics

Gelezen: Wauter Mannaert – Yasmina 2: Honger als een konijn

Wauter Mannaert heeft de vaart er flink in. Na een zeer succesvolle lancering in 2019 van Yasmina en de aardappeleters, die prompt de Willy Vandersteenprijs won voor beste jeugdalbum, zag de uitgever wat Mannaert zelf al had bedacht: Yasmina is een interessante figuur voor een eigen serie. Het meisje is een bevlogen hobbykok, met een voorliefde voor tuinieren, duurzaamheid en alle biologisch-dynamische buzzwords die het vandaag de dag goed doen. De juffrouw heeft verfijnde smaakpapillen en een hart voor de natuur, zogezegd.

Na De aardappeleters volgde er dus een eerste deel van de serie Yasmina. Mannaert (1978) liet met Het geheim van de chef zien dat Yasmina prima geschikt is voor verantwoorde verhalen over onze aarde – gezien vanonder een koksmuts – zonder dat het er te dik bovenop ligt. De strip leest niet als een pamflet; ze is zeker geen betweterig typje dat iedereen de les leest – al krijgt de oudere generatie er regelmatig van langs.

Toch begint het tweede deel, Honger als een konijn!, met een politiek statement. Er is geen plan(eet) B, precies zoals de slogan van de Partij voor de Dieren. Misschien dat Mannaert en zijn Vlaamse uitgever zich daar niet bewust van waren, maar tegelijk: wat boeit het? Het is een waarheid als een koe.

In dit verhaal zijn er twee prominente lijntjes: in het ene krijgt Yasmina het aan de stok met de opwarm-koningin van de schoolkeuken, mevrouw Beulings, en in het volkstuintjescomplex heerst er een ware konijnenplaag. En de vader van Yasmina wordt verliefd, dat ook. En zo zijn er nog een paar verhaallijntjes waarvan je je kunt afvragen of die allemaal bij elkaar passen en moeten: het is alsof Mannaert bang is dat hij zijn leuke ideetjes vergeet als hij ze niet meteen in het verhaal inpast.

Dit tweede deel is geen afgerond verhaal, het eindigt met het klassieke Wordt vervolgd…. De bedoeling dus, daarmee wordt het een soort eco-soap, maar voor jonge lezers die een compleet verhaal verwachten toch wat vreemd. Iets minder hooi op de vork en het past prima in één album. Veel blijft nu hangen. Aan de andere kant: Mannaert heeft de sokken er flink in, dus wie weet dat we na de zomer al het vervolg kunnen lezen.

Ondanks de snelheid zien de pagina’s er beslist niet als haastwerk uit. Het swingt en het ontbreken van de stijve kaders doet wonderen: Mannaert weet de ruimte goed te gebruiken. Het levert vaart op en dat past goed bij het verhaal. De mimiek van Yasmina, vooral als zij boos of verongelijkt is, zijn treffend en stoer.

Yasmina is een succes, zoveel is duidelijk. Er lijkt zelfs een voorzichtig voorschot genomen te worden op een kinderkookboek met de stoere jeugdkok. Achterin het album staan een paar striprecepten. Niet nieuw, wel leuk vanwege de keuze: Yasmina maakt een Japanse lunch – een bentobox met onigiri. Het ziet eruit als kleien met rijst, dus succes verzekerd. Masterchefwaardig? Mwoa. Yasmina een leuke toevoeging voor het junior striplandschap? Jazeker!

Wauter Mannaert – Yasmina 2: Honger als een konijn. Dargaud. 48 pagina’s. € 7,50

Strips & comics

Gelezen: Flix – Robbedoes in Berlijn

Het concept van de Robbedoes door…-reeks is intussen beproefd. Al tien jaar laat uitgeverij Dupuis tekenaars en scenaristen aan het werk gaan met de piccolo en zijn entourage. Sinds een paar jaar gaan ze daarbij ook buiten hun eigen straatje op zoek naar auteurs, met bijvoorbeeld Hanco Kolk die als Nederlander een album mocht maken. Iets soortgelijks gebeurde twee jaar geleden bij onze oosterburen: De Duitse tekenaar Flix tekende Spirou in Berlin, een Robbedoes-adaptatie die in eerste instantie alleen in het Duits verscheen, met veel succes overigens. Intussen is er eindelijk een Franse en Nederlandse vertaling. Terecht, want Flix is een begenadigd verteller en zijn stijl past opvallend goed bij Robbedoes. Dat is meteen zichtbaar.

Robbedoes in Berlijn is een heel mooie toevoeging van de buitenreeks. Flix, in Nederland bekend van de albums Munchhausen en Freud en Don Quichot, heeft met Robbedoes in Berlijn een spannend en historisch interessant album afgeleverd. Het verhaal speelt namelijk in 1989 en voor wie nog niet weet dat dat het Wende-jaar was, laat de omslagillustratie er geen misverstand over bestaan: de muur tussen Oost en West is er prominent aanwezig. Dat gegeven zorgt meteen voor een goed gevulde lijst ingrediënten en een omgeving die tot de verbeelding spreekt.

Wat de Robbedoes door…-reeks zo boeiend maakt is dat er van tevoren geen al te grote eisen worden gesteld aan de opmaak en dergelijke. Zo kan iedere auteur zijn (of haar, als het ooit zover komt) stempel drukken op de uitstraling. Voor Robbedoes in Berlijn is gekozen om de lettering van het Duitse origineel aan te houden en dat past mooi bij het verhaal. Iets minder is de wat aarzelend getekende voorplaat: de bibberige Trabant en het schetsmatige van het geheel, in combinatie met de ingetogen kleuren, maken het niet een bijster aansprekende cover. Vooral als je ziet hoe strak en perfect ingekleurd sommige binnenpagina’s zijn.

Flix (pseudoniem van Felix Görmann) heeft goed naar zijn illustere voorgangers gekeken en zich vooral verdiept in QRN op Bretzelburg dat immers ook in Duitsland speelde. Hij heeft een verhaal getekend én geschreven met veel humor, vaart, spionage en een vleugje Ostalgie. De Oost-Duitse Stasi heeft de graaf van Rommelgem ontvoerd en Robbedoes en Kwabbernoot zijn vastberaden hem te bevrijden. Zij worden daarbij geholpen door Momo, een geraffineerde intrigante van de vredesbeweging. De geromantiseerde Stasi is natuurlijk niet mals, er wordt zelfs gemarteld, maar uiteraard trekken de helden aan het langste eind, zoals het de klassieke reeks betaamt.

Flix’ tekenwerk is hier ronduit filmisch en fraai. Er is werkelijk geen saaie pagina te vinden in het album, met als hoogtepunt de ondergrondse achtervolgingsscène waarin nota bene een orang oetan een hoofdrol opeist. Uiteraard ontbrekende cameo’s en verwijzingen niet. Die horen bij het subgenre van het hommage-album als zeezout in caramelijs: als je er geen erg in hebt, merk je er niets van. Het is vooral leuk voor de ingewijde lezer, al is Flix erg direct en legt hij het er nogal dik bovenop. Kniesorengelul, het Berlijnse avontuur van Robbedoes en Kwabbernoot is een feestje en gemakkelijk een van de aantrekkelijkste Robbedoes door…-verhalen wat de actie en vaart betreft. Waarvan akte.

Flix – Robbedoes in Berlijn. Dupuis. 64 pagina’s. € 10,50.

Strips & comics

Gelezen: Pierre Alary – Don Vega

Nóg maar een keertje Zorro dan. Omdat we intussen écht niet meer weten waarover we nog verhalen moeten bedenken. Het lijkt alsof een bepaald deel van de stripgemeenschap voorgoed de vernieuwing heeft afgezworen. Nooit meer iets nieuws, nooit meer iets anders: vanaf nu herhalen we alles net zo lang tot de structuur en het reliëf voorgoed is weggeërodeerd. We zijn al een aardig eindje op weg, met alle westerns, piratenstrips en zeeslagen. Agatha Christie, HG Wells en Sherlock Holmes zijn ook al uitgewrongen. En aan dit rijtje kunnen we Zorro toevoegen. Met de opmerking dat Don Vega geen slechte strips is. Alleen….. een keertje iets anders is toch niet teveel gevraagd?

Het verhaal van Don Vega is weer zo klassiek als wat: een horde keuterboertjes die onder de knoet zit van een rijke en meedogenloze blanke grootgrondbezitter, die met allerlei slinkse truukjes zoveel mogelijk bezit probeert te vergaren. Dat lukt hem verbazend goed omdat hij het tij mee heeft: in 1849 is het Mexicaanse gezag in rap tempo zijn invloed aan het verliezen in de grensstreek, van wat nu Amerika is. Ze zijn Texas al kwijt en Alta California is aan beurt om te vallen. Kortom: wetteloosheid en een wisseling van de wacht. Daar kun je goed van profiteren. Immers, afspraken die je met de ene maakt, zijn niets meer waard als er nieuwe machthebbers zijn. Of als je zelf bij de machthebbers gaat horen.

Het cliché-abc van een goede western derhalve. En dan voegen we nog een paar goudklompjes aan het geheel toe en hop, alle ingrediënten zitten in de stoofpot. De boef in dit geheel heet Gomez, met zijn onsympathieke rechterhand Borrow die de vuile zaakjes opknapt. Gomez heeft al heel wat grond toegeëigend waaronder het gebied dat ooit toebehoorde aan de familie van Don Vega, een viriele knaap die in Madrid leefde en daar naar de militaire academie ging.

De boeren worden massaal onder druk gezet om hun grond te verkopen, zeg maar: af te staan voor een habbekrats. Ze zijn ten einde raad en grijpen terug op het oeroude verhaal van El Zorro, de man die de machthebbers ooit op de knieën dwong. Wanhopige boertjes verkleden zich als Zorro en willen zo een daad stellen, maar zonder veel impact. Dat verandert als Don Vega zich ermee gaat bemoeien…

Alary is niet van gisteren. Dat bewees hij al met de robuuste detectivestrip Silas Corey, ook al een genre dat behoorlijk afgedraaid is. Hij is een vaardige tekenaar met een perfecte cameravoering: de pagina’s zijn een en al actie, de figuren acteren levensecht, al heeft hij zijn voorkeuren: de held en de slechterik heeft hij goed in de vingers, de wanhoop van de boeren gaat hem wat minder af. Maar dat zijn de finesses: het is om Alary dat deze strip gemakkelijk boven de middelmaat uitsteekt – want ook in sleetse genres heb je sterren en mindere goden. Sterker, zijn prettige kleurenpalet en de bijzondere toevoeging van plakrasters en moirépatronen maken Don Vega stiekem toch heel fraai.

En ja, dan is het nog een keer Zorro, nog een keer alle westernclichés op een hoopje, maar als het dan zo lekker wordt gebracht als Alary doet, dan mag het. Tenminste, precies nog één keer. Nu is het genoeg geweest. Zorro mag zijn cape aan de wilgen hangen.

Pierre Alary – Don Vega. Standaard Uitgeverij. 96 pagina’s hardcover. € 19,95.

 

Strips & comics

Gelezen: Mark Schalken e.a. – De vleesvrije stad

Een wereld zonder uitbuiting van dieren, zonder bio-industrie; hoe ziet die eruit? Zeventien stripmakers waagden zich aan een toekomstvoorspelling in De vleesvrije stad, een bundeling strips die vooruit kijkt. Dat gebeurt op een bijzondere manier. Iedere stripmaker heeft een jaar toegewezen gekregen, het geheel omvat tien jaar vanaf nu. Gus Moystad trapt af in 2021, Eva Hilhorst doet 2029. Het essay van Mark Schalken, dat aanvankelijk alles in gang zette, staat voor 2030 en Typex neemt 2084 voor zijn rekening, bij wijze van epiloog.

In zijn voorwoord vertelt initiatiefnemer Schalken hoe dit boek er is gekomen: omdat een lezing over de uitbuiting van dieren niet doorging, vanwege corona. “Daarom benaderde ik verwante tekenaars en schrijvers”, zo stelt hij, en er volgde een tekenproject. Het boek is daar het resultaat van. De groep tekenaars is een interessante mix van nieuwe(re) namen en de usual suspects, om het eens oneerbiedig te zeggen: het lijkt alsof er een groepje geëngageerde stripmakers bestaat dat elkaar steeds vindt zodra er strips-met-een-noodzaak worden verlangd.

De tien verhalen in het boek zijn grafisch gezien verschillend genoeg om het een interessant geheel te laten zijn. Dat maakt titels als deze steeds de moeite waard. Sommige bijdragen zijn experimenteel, zoals van Gus Moystad, Bob Mollema, Timon Vader en Leyla Ali – de laatste illustreerde een kortverhaal en gebruikte het kenmerkende stripidioom mondjesmaat. Heel traditioneel – dus met tekstballonnen en kaders – is bijvoorbeeld het werk van B. Carrot, Hedy Tjin en Typex. Er wordt genoeg geëxperimenteerd en naar mengvormen gezocht, zoals vaker het geval bij graphic journalism.

De verschillen op grafisch gebied zijn spannend, terwijl er op de inhoud hier en daar wat valt af te dingen. Omdat het allemaal urgent, wezenlijk en geëngageerd is, krijgt de lezer nogal wat voor de kiezen. Veel bijdragen leunen vooral sterk op wat er verteld moet worden: het is de noodzaak en die is niet erg luchtig. Die strips zijn meer vormgegeven meningen en feitenopsommingen, waarbij het beeldverhaal hooguit het vehikel is: die van ‘multidisciplinair beeldmaker’ Nina Mathijsen en schrijver Aetzel Griffioen is bijvoorbeeld een activistisch verhaal met plaatjes eromheen, net als de strip van Merel Barends. Aan de andere kant is de goed gedoseerde reportagestrip van B. Carrot over een boerengezin dat stopt met intensieve melkveehouderij heel invoelend en sterk. Die is samen met De burger van je dromen van Moystad de beste bijdrage uit het boek.

Waar het op neerkomt: daar waar het engagement de boventoon voert, neemt de strip een onderdanige vorm aan – eerst het praatje en dan het plaatje. Veel bijdragen hebben een belerende toon, die niet meteen vervelend is, maar wel de neiging heeft om eenvormig te worden. De lezer wordt door het verhaal getrokken, leert van alles bij maar hoeft niets zelf te bedenken of af te leiden. Eigenlijk doet alleen Typex een stapje opzij. Hij zocht naar metonymia, naar krachtige beelden buiten het discours, en vond die in een viering van saamhorigheid, waarbij vrije keuzes en idealen voor mens en dier centraal staan. Hij geeft de lezer iets uitdagends om te ontdekken, om zelf mee aan de slag te gaan. Dat is spannend.

Het boek ziet er perfect uit. Het is fors, met een opvallende, afgelijmde blote rug waarbij de roodkleurige garing van de katernen mooi zichtbaar is. Op het voorplat, dat meer oogt als een poster dan een boekcover, zijn kleine varkenssnoetjes in een glanslaagje aangebracht. Het grote formaat geeft de tekenaars genoeg ruimte om uit te pakken. Het is een keuze om daarbij de bladspiegel vrijwel zonder witmarges aan te houden: sommige bijdrage knallen in het gezicht van de lezer, wat overigens mogelijk gemaakt wordt door de eerder genoemde manier van garen. Het boek kan zonder moeite helemaal worden opengeslagen; sommige spreads worden op die manier bijna kijkplaten. Een heel sterke keuze – met een rode draad als subtiel detail.

De vleesvrije stad is een interessant project, experiment zo je wilt. Het laat zien hoe de wereld ten goede kan veranderen, als een plaats zonder bio-industrie en zonder dierenleed. Door betrokken stripmakers te benaderen, heeft Schalken zijn doel bereikt: op een fraaie manier aandacht op te eisen voor dit wezenlijke vraagstuk. Of de strip als medium zijn meerwaarde heeft kunnen laten zien, is een tweede. Daarvoor zijn de bijdragen toch teveel op de inhoud gaan leunen: liever een heldere mening dat een interessante grafische vertaalslag. Wat in dit geval toch een keuze is die te waarderen valt.

Mark Schalken e.a. – De vleesvrije stad. Het Huis van Betekenis. 96 blz. € 22,50. devleesvrijestad.nl

 

Strips & comics

Gelezen: Mathieu Bonhomme – Wanted Lucky Luke

Het concept van Lucky Luke is nog lang niet uitgewerkt. Iedere keer als er weer een album verschijnt, blijkt hoe sterk het is, zoals een paar maanden geleden nog de maatschappijkritische Een cowboy tussen het katoen, over racisme op de prairie. Lucky Luke kan even gemakkelijk luchtig zijn (over een fietstransport, over Jolly Jumper die niet meer kan praten) als serieuzer van toon en onderwerp. In het nieuwe album, Wanted Lucky Luke, voert luchtigheid de boventoon, hoewel er wel wat op af te dingen valt.

In Wanted Lucky Luke van de getalenteerde Franse stripmaker Matthieu Bonhomme (1973, Keizerin Charlotte, Esteban) schiet onze vrije jongen een groepje dames te hulp als zij worden belegerd door een horde indianen. Luke redt het drietal uit hun benarde positie, ze hebben zich verschanst onder hun huifkar, en besluit dan na enige bedenkingen de dames naar de nabijgelegen stad te escorteren. Tot zover geen vuiltje aan de lucht. Dit is gesneden koek voor Luke, ware het niet dat er onderweg van alles gebeurt, waaronder een weerzien met een oude bekende – een vastigheidje in hommage-albums. Het idee achter de titel is goed gevonden maar wordt uiteindelijk toch een beetje uit de hoge hoed getoverd in de slotpagina’s. Maar dan heeft de lezer er wel een leuk en onderhoudend verhaal opzitten.

Wanted Lucky Luke is geen reguliere aflevering van Lucky Luke. Dus niet nummer 74 en ook geen deel uit De nieuwe avonturen van Lucky Luke. Anders dan spinoff-series als Robbedoes door… is het ook niet genummerd. Dit album moeten we zien als een deel uit de serie losse uitstapjes; Bonhomme deed dit al eerder met het sterkere De moordenaar van Lucky Luke. Het mooie aan deze losse opzet is dat iedere tekenaar die met Luke aan de slag gaat zijn eigen stempel op het uiterlijk mag drukken. Niet alleen op de figuren, maar ook bijvoorbeeld het omslag: dat van Wanted Lucky Luke is net zo fraai als van Bonhommes eerste; de coveropmaak van Het stalen ros van de Duitse stripmaker Mawil zag er bijvoorbeeld heel klassiek Duits uit, met een kenmerkend tekstlogo in frisse kleuren.

Het kleurgebruik in Wanted Lucky Luke is uit de kunst. Bonhomme, die naast het scenario en de tekeningen ook de inkleuring erbij doet, heeft zijn palet perfect uitgebalanceerd. De kleuren dragen het verhaal: hij legt dreiging in de pagina’s door harde kleuren te gebruiken en sust de lezer bijna in slaap als die met de personages door de woestijn trekt op zoek naar water: de zachte, zanderige kleuren met de bleke lucht maken dorstig.

Net als in De moordenaar van Lucky Luke speelt Bonhomme verrassend en sterk met zijn decoupage. De filmische perspectieven zijn even speels als logisch: het lezersoog vloeit over de pagina’s, de actiescenes zijn net zo sterk als de dialoogsequenties. Bonhomme is een heel sterke beeldverteller, hij voelt de traditie van Morris bovendien prima aan.

Alles koek en ei? Nou, op het verhaal zelf valt wat af te dingen. Uiteraard, het is maar een Lucky Luke en als we op iedere slak zout leggen, mogen we straks niks meer, maar toch: de drie dames uit het verhaal, die overigens prima hun mannetje staan als het erop aan komt, worden wel erg stereotiep uitgebeeld. Ze zijn de hulpbehoevende vrouwtjes die niet zonder een stoere cowboy kunnen, op wie ze ook nog alle drie verliefd worden. Als een stel onnozele bakvissen strijden ze om de gunsten van de lucky one.

In de grote lijn van het verhaal lijkt het Bonhomme heel goed uit te komen dat het drie vrouwen zijn en niet drie mannen. De interactie en de spanning was in het laatste geval zeker anders geweest. Het geëmmer en getreuzel, de halfslachtige beslissingen: die waren er allemaal niet geweest als Luke drie heren op sleeptouw had moeten nemen – wat overigens moeiteloos had gekund, zoveel rol hebben de dames niet.

En daar komen we uit bij ‘toch wel een dingetje’. Dit verhaal is heel duidelijk opgehangen aan het klassieke beeld van de vrouw: bangig, tikje hysterisch, onderdanig en niet werkelijk overtuigd van eigen kunne. Dergelijke genderstereotyperingen zijn nog springlevend in de op oude leest geschoeide stripwereld. Maar toch kunnen de actuele discussies hierover maar moeilijk iemand zijn ontgaan: het leeft, bijvoorbeeld in de film- en televisiewereld. Anders gezegd: er wordt tegenwoordig zo uitgebreid over gesproken, dat ook stripmakers hun verantwoordelijkheid gerust mogen nemen.

Het is bijzonder dat uitgerekend de hoogblonde kinderheld Jommeke ons hierop moet wijzen: in het hilarische Jommeke in de knel én de penarie van Jelle de Beule en Thijs de Cloedt komen de held en zijn vriendje de Miekes ophalen om op avontuur te gaan. De meisjes gaan niet mee. De scene is te mooi om in dit verband niet te laten zien:

Terug naar het Wilde Westen en de argumenten die uiteraard worden opgeworpen om te rechtvaardigen dat de vrouwen van toen heel anders waren dan die van nu. En dat het daarom logisch is dat we ze nu nog steeds zo uitbeelden. En dat we het allemaal niet zo stellig moeten zien, als een stelletje zeikerds, omdat het maar een stripverhaaltje is. Al die bebaarde argumenten bestaan al zo lang dat het tijd wordt om de tondeuse in die nonsens te zetten. Niets te nadele van Luke, die doet ook gewoon zijn best, maar het zou een mooi beginnetje zijn als er iets van benul indaalt. We zouden toch niet willen dat de cowboy voor altijd poor blijft?

Mathieu Bonhomme – Wanted Lucky Luke. Lucky Comics. 72 pagina’s. € 8,99

Strips & comics

Gelezen: Mikaël – Bootblack

Bootblacks, dat zijn schoenpoetsers. De schoenpoetser uit Bootblack van de Frans-Canadese stripmaker Mikaël (1974) is de armeluis Al Chrysler, die ter wereld kwam in New York als zoon van immigranten. Ooit heette hij Altenberg Ferguson, maar die naam laat hij vallen omdat die hem dwars zit. Zijn vader noemde hem zo, zodat de jonge knaap nooit zou vergeten waar zijn wortels liggen. Voor een gastje van veertien die moet krabbelen om te overleven, is al die poespas lood om oud ijzer. Chrysler, dat klinkt tenminste Amerikaans en stoer.

Al zwerft op straat en gaat schoenen poetsen. Zo overleeft hij de moeilijke jaren waarin het verhaal speelt: 1935-1945. Mikaël leverde in 2018 al een prachtige album af, Giant, waar Bootblack in zekere zin een vervolg op is. Hoewel de personages anders zijn, leert de lezer aan de hand van beide boeken de stad New York kennen: vanaf de beurskrach in 1929 tot de Tweede Wereldoorlog.

De sfeer dat uit het verhaal spreekt is magistraal. Mikaël weet de entourage en de omgeving perfect te vangen, vooral op detailniveau. Uiteraard, de wolkenkrabbers ontbreken niet, net als de appartementenblokken, maar de schoonheid zit in de uithangborden, de plakaten aan de muur, de etalages en het onvervalste straatleven. Het spaarzame, ingetogen kleurgebruik past precies en is een lust voor het oog: goudbruin voor de stad, groengrijs voor de oorlog, waarin Al verzeild raakt.

Het verhaal heeft veel klassieke elementen: een sloeber, een mooi meisje – nota bene eentje met een ondraaglijk geheim – en vrienden die heulen met de lokale penoze. Al beweegt zich behendig, hij heeft andere plannen, maar weet niet uit de problemen te blijven. Als hij oud genoeg is gaat hij in het leger, wat betekent: naar Europa, vechten tegen de Duitsers. Hij wil even uit de wind om bij terugkomst een nieuw bestaan op te bouwen in New York – hoe gek dat ook klinkt.

Bootblack is als verhaal niet zo sterk als Giant. Mikaël heeft net een paar kunstgrepen te veel nodig om zijn tweede verhaal rond te krijgen. Het idee dat iemand precies op een gegeven moment ergens is, om het verhaal exact die mooie laag mee te geven, is net wat minder overtuigend dan de geschiedenis van Giant. Tegelijkertijd is Bootblack ingenieus opgezet en uitgebeeld: hoewel er om de haverklap van plaats en tijd wordt gewisseld, vergist de lezer zich nergens. Mikaël bewijst daarmee over vertellersinstinct te beschikken.

Stilistisch staat Mikaël heel hoog op de ladder. Zijn personages leven, ondanks dat ze soms tegen de clichés aanschurken. Dat laatste geldt niet voor Maggie Beauford, het mooie meisje en de dochter van de groenteboer. Zij is schitterend neergezet. Terwijl ze er alles aan doet om haar dromen waar te maken, wordt ze tegengewerkt door de omstandigheden die hemeltergend zijn. Haar gekwelde oogopslag, haar opgehouden waardigheid; het is prachtig om te zien, en pijnlijk tegelijk.

Een ander personage dat Mikaël in de vingers heeft is de stad New York. Hij schetst het beeld van een onbarmhartige metropool, een plek waar de kleine man vermorzeld wordt en waar niet wordt gewacht op achterblijvers. Het New York van Mikaël ademt nergens iets van grandeur, het is een stad in bloei en verval tegelijk: de gebouwen groeien bijkans de hemel in en zorgen voor enorme schaduwen, waaraan niet te ontkomen is.

Voor wie sfeer, vaart en een goed verhaal zoekt, is Bootblack zeker een album om ter hand te nemen. Het flinke formaat van het album draagt bij aan de leeservaring: het geeft alle ruimte voor de goed gedocumenteerde platen van de metropool én voor een invoelend verhaal van een jongeman die op zichzelf is aangewezen en die elk stapje vooruit moet bekopen met een dreun terug. Magnifiek.

Mikaël – Bootblack. Standaard Uitgeverij. 128 pagina’s hardcover. € 24,95.

Strips & comics

Gelezen: Brecht Vandenbroucke – Shady

Shady is hip. Shady Bitch is een non-binaire influencer met een manbun, die hij* als een beverstaart bovenop zijn hoofd draagt. Zijn gesoigneerde borsthaar piept exact in orde boven zijn mouwloze hemdje uit. Zijn baardje, flinke ceintuur en de witte plateauschoenen met dito kousen maken het geheel af. Je kunt ervan vinden wat je wil: wie er niets mee kan, heeft van Shady Bitch niets begrepen. Dan mag je tegen zijn hand praten: hij is duidelijk een maatje te hip, te nieuw en te all-over-the-place voor jou.

Shady leeft van aandacht. Logisch, hij is een influencer en er valt weinig te influencen als er geen publiek is. Iedereen weet: een influencer zonder publiek is een voetballer zonder benen. Tuurlijk, dan kun je alsnog met een kopbal scoren, maar hoe kom je in de zestien meter? Shady weet van wanten: hij is altijd op zoek naar manieren om te shinen. En om te zien of het werkt, zijn er de socials; daar draait het om in zijn kleine universum. Hij weet wat zijn volgelingen willen zien, omdat hij ze dat vertelt. Geen onmiddellijke like is even niet geleefd.

Shady twijfelt vaak. Dan voelt hij zich een keiharde non-fluencer, die zich zorgen maakt over zijn leven, zijn eigenheid en de basis van waar het om draait: gezien te worden. “Niemand kent me,” jammert Shady, “want ik ben steeds weer iemand anders. Elke vijf minuten een andere mood, een andere kleur, dát is mijn leven.” Maar zo gemakkelijk als hij zich zorgen maakt, zo simpel draait hij als een blad aan de boom om. Dan is hij weer de figuur om wie alles draait. Gewoon, omdat het kan.

Shady is slim verteld. Het is al snel klip en klaar dat de getalenteerde verteller Brecht Vandenbroucke (1986) via Shady de moderne sociale media, de infantilisering en vercommercialisering op de hak neemt. Of althans, dat kan de lezer er gemakkelijk in zien. Uiterlijke fratsen, identiteitsproblematiek en de leegte van Insta en Tiktok, events en luchballonnen; Vandenbroucke stelt ze niet eens subtiel aan de orde: de lezer krijgt ze recht in de snufferd geduwd, precies zoals het er in het echt aan toe gaat. Voor de gelegenheid heeft Shady een pratende beer die hem van repliek dient en hem bevraagt, als de relatieve buitenstaander; zijn tegenstrever is Basic Bitch, die Shady uitdaagt om steeds een stapje verder te gaan.

Shady lost het niet op. Hij blijft zoeken naar likes, tags, clicks en hits. Alles voor de kijkcijfers. Lukt het ene niet, dan is er een andere manier die wel slaagt. Zolang de beloning in de vorm van aandacht er maar op volgt. Uiteraard is zijn personage gechargeerd, toch is er aan het einde gelukkig iets van loutering te bespeuren: Shady gaat op zoek naar iets dat hem echt gelukkig maakt. Slaafs je verlangens volgen, dat is pas dom. Of zoals hij het handjewuivend uitroept: “Ik vecht tegen mezelf, hoe subtiel!”

Shady is heel fijn uitgewerkt. Dat begint al bij het forse formaat van het boek en de kleurrijke pagina’s die lekker in-your-face zijn. De figuren zijn een tikje vreemd, maar niet zo vreemd als die van Dieter van der Ougstraete (Dino) – al is er zeker verwantschap, net als met Frederik van den Stock (Buck, de eerste man) en nota bene Jommeke, vanwege diens kleurgebruik en de traditionele tekstballonnen met klassiek-Vlaamse stripletter.

Shady is soms ronduit naargeestig. Sommige losse eenpaginastrips – het album is opgebouwd uit episodes van verschillende lengte – lijken door de gruwelijke scènes op het hilarisch-zwarte werk van Joan Cornellà (Mon Nox & Zonzo). Als er een dame wordt aangerand en vermoord (welja), dan jaagt Shady de belagers weg om daarna snel alle aandacht op te eisen. Ook worden bi-raciale koppels in een blender geduwd om van de eenheidsworst identieke plakken te snijden.

Shady is een sterk album. Het is helemaal van nu, om het eens ouderwets te zeggen. Misschien is het voor buitenstaanders net even wat leuker dan voor intimi. Die laatste groep krijgt niet echt een rooskleurig beeld voorgezet. Bovendien zitten er helemaal geen tips in hoe je dan wel een flinke schare volgers krijgt, dus waarom zou je Shady lezen? Lezers die niet de godganse dag op Insta, Tiktok en Discord zitten, worden bijna per bladzijde bevestigd in het idee dat ze hebben: we zijn goed bezig door ons niet met die inhoudsloze nieuwlichterij bezig te houden. En daarin verschillen ze dan weer nauwelijks van Shady: “nochtans het perfecte voorbeeld van een succesverhaal”.

Brecht Vandenbroucke – Shady. Bries. 168 pagina’s hardcover. € 32,00.

*voor ieder niet-specifiek mannelijk woord kan de vrouwelijke equivalent worden gelezen, of de meervoudsverbuiging. Of X.

Strips & comics

Gelezen: Michael Allred & Steve Horton – Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams

Dat David Bowie een kleurrijke figuur was, blijkt nog maar eens uit de graphic memoir die onlangs verscheen. Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams heet het en meteen wordt duidelijk dat de makers dat hebben willen benadrukken. Letterlijk, want inkleurster Laura Allred, de echtgenote van tekenaar-van-dienst Michael Allred, heeft alles uit de kast gehaald. Het spettert en spattert dat het een aard heeft, wat nog ens extra wordt aangezet door het glanzende papier van het album. Het hoort bij Bowie, dat staat vast, al is het even wennen.

Het verhaal volgt de hele carrière van Bowie, die zeker in het begin van het album heel fragmentarisch wordt uitgewerkt. Het lijkt alsof de pagina’s steeds per stuk zijn voorgepubliceerd, bij wijze van feuilleton. Iedere bladzijde leest als een stukje van het geheel: een ontmoeting met deze of gene, een belangrijk momentje, een volgende stap. Het levert een dolle potpourri op, een optocht van bekende mensen uit het métier: Marc Bolan, Mike Jagger, Roger Daltrey, Lou Reed, Ian Hunter, Iggy Pop, de hele santekraam wordt opgevoerd.

De tekeningen lijken op die uit de Popfoto van vroeger: veel bekende koppen die lijken te zijn overgetrokken van foto’s, die kriskras op de pagina zijn gezet, voorzien van uitvoerige tekstvelden waarin wordt uitgelegd hoe alles en iedereen zich tot elkaar verhoudt. Dat is geestig, een weerzien met vroeger. Net als toen is de herkenning belangrijker dan de inhoud, want die klinkt ook in Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams als een encyclopedische feitjesoptocht:

“David vindt een nieuwe liefde, Mary Finnigan, en een nieuw thuis voor hun samen. Samen starten ze een folk club: The Beckenham Arts Lab dat al snel verhuist naar The Tree Tuns Pub. Deze keer breekt David het hart van zijn liefje wanneer hij Mary ‘Angie’ Barnett ontmoet bij het eerste optreden van King Crimson. Het klikt zo hard dat ze de rest van de nacht doorbrengen bij Tony Visconti en in de flat waar hij woont met Mary. Mary en Angie worden echter vriendinnen met als gezamenlijke hobby supporteren voor David als groupies van The Arts Lab.”

Met dit soort tekstuele hoogstandjes staat het boek vol. Het leest gemakkelijk, je sjeest door het verhaal, maar heel veel diepgang heeft het allemaal niet. Niemand is een personage, iedereen is een figurant. Wie duiding wil van ’s mans leven en werk, pakt er toch beter een serieuze biografie bij. Niets mis mee, maar des te opmerkelijker is het dat de achterflap toch een heel andere toon aanslaat. Daarin wordt gesteld dat hij “een van de meest aantrekkelijke iconen uit de moderne popcultuur” was: “zijn erfenis als muzikant is opmerkelijk en overschrijdt de grenzen van alle muziekgenres en als visual artist vaagde hij de heersende podiumcultuur weg met zijn psychedelische esthetiek, larger-than-life imago en zijn geflirt met het surrealisme.”

Tot en met het verschijnen van zijn album Diamond Dogs, uit 1974, is alles heel uitvoerig gedocumenteerd en beschreven. Voor zijn leven erna worden nog precies vijf pagina’s ingeruimd. Op de slotpagina van het verhaal zien we de Blind Prophet, het laatste alter ego van Bowie, bekend van de videoclips van Lazarus en Blackstar uit 2015. Het idee dat dit boek nog zeker 100 pagina’s uitvoerig had kunnen zijn, dringt zich op: het is niet zo dat Bowie na 1974 was uitgezongen. Bepaald niet zelfs.

Natuurlijk, Bowie was klaar met zijn alter ego Ziggy Stardust, maar Ziggy is uiteindelijk ook maar een passant gebleken. Bowie was meer dan Ziggy alleen. Bowie’s necrologieën uit 2016 sloten veel meer aan bij de flaptekst van Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams: hij was een visionair, een artiest die meer duiding verdient dan de anekdotische opsomming van deze luchtige biopic.

Michael Allred & Steve Horton – Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams. Silvester. 160 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Cromheecke & Letzer – Plunk! – Director’s Cut

Dat is nog eens een handzame integrale editie: van de woordloze humorstrip Plunk! verscheen onlangs een complete editie van 152 pagina’s. Kon het dikker? Nee, want dit is precies alles wat de Belgen Luc Cromheecke en Laurent Letzer bedachten tussen pakembeet 2006 en 2009, toen het merendeel van de strips in het Franse stripblad Spirou verscheen. Voor de goede orde: Cromheecke is van de tekeningen en Letzer van de grappen, al kunnen we er gevoeglijk vanuit gaan dat de heren veel samen bedachten.

Cromheecke en Letzer gaan al heel wat jaartjes samen mee: ze studeerden in de jaren tachtig aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar ze de strip bedachten rond Tom Carbon – een redelijk populaire reeks waarvan uiteindelijk zeven Nederlandstalige albums verschenen tussen 1991 en 2013, in veel verschillende uitvoeringen en bij tal van stripuitgevers.

Krantenlezers met een sterk geheugen kennen een andere creatie van de beide heren: Cromheecke en Letzer waren verantwoordelijk voor de dagstrip Taco Zip uit de Volkskrant, die verscheen tussen 1989 en 1992 – in precies 1000 stroken. Dat was bepaald geen rimpelloze toestand, want de strip had evenveel uitgesproken tegenstanders als fans. Lees in dat verband vooral deze geestige blog over Taco Zip. In Taco Zip kwam af en toe een mal tiepje langs, dat vooral werd uitgelachen door de rest. Dit was Plunk, die later een eigen reeks kreeg.

Plunk – met uitroepteken in de titel – is een buitenaards roze figuurtje met een toeterneus en grote blote voeten, waarbij de tenen die naast elkaar staan, maar boven elkaar. Op zijn kop draagt Plunk een trechter zonder oor. Van zichzelf heeft hij een niet bijster nozele oogopslag.

De strips in Director’s Cut variëren van enkele stroken tot vierpaginaverhaaltjes. Er zit geen wezenlijke lijn in het geheel; we volgen Plunk die geen baan heeft, niet in een bepaalde stad woont en verder niets uitgesprokens heeft of doet. Het vindt letterlijk overal plaats: in een bos of een vliegtuig, in de woestijn en op een tropisch eiland. Plunk is bovendien niet altijd het personage waar het om draait: soms is hij alleen maar in de buurt. En dan nog…

Al met al lastig om de strip vast te pakken: in de binnenflap staan aanbevelingen die dit onderschrijven. “Cromheecke en Letzer zijn de meesters van de bewust flauwe humor”, zeker “niet hoogdravend of filosofisch”. Goh ja, Plunk is even filosofisch als Kuifje of Roodbaard. Niet alles wat er niet is hoeft een reden te hebben: in plaats van Plunk voor het gemak in de absurdistische hoek te plaatsen, zou het eerder passen bij de strips die heel sterk spelen met conventies. Voor absurdisme is Plunk! te bewust – zoals het eerder aangehaalde citaat terecht stelt.

Een voorbeeld: Plunk en een koe schaken in een weiland. De koe gaat even op de fiets naar de boerderij om gemolken te worden, keert terug en ze maken hun schaakpartij af. Daar zit iets in van Gary Larson (The Far Side) die beesten menselijke trekken geeft.

Verderop gaan de verhaaltjes volgens het ijzeren stramien van populaire jeugdreeksen van nu, zoals Game Over: wat je mijlenver voelt aankomen, gebeurt uiteindelijk net anders dan je verwacht.

De Director’s Cut is een mooie gelegenheid om alle Plunks op een hoopje te kunnen lezen. Al die losse albums, die dan weer hier en dan weer daar verschenen, kunnen daarmee overboord. De strips zijn fris, vrolijk en gevarieerd. Deze integrale, die ook nog eens mooi is vormgegeven, is zijn investering waard: er zitten gewoon te veel goede grappen in. Het is geen humor om te lachen, dat werkt bij tekstloze strips vaak anders, maar juist om van te genieten: de kwinkslagen, de onverwachte wendingen en het enthousiasme zijn aanstekelijk. Gaandeweg voelt de lezer dat de glimlach zich op zijn wangen begint vast te zetten. Een fijn gevoel.

Cromheecke & Letzer – Plunk! – Director’s Cut. Oogachtend. 152 pagina’s. € 25,00.

Strips & comics

Gelezen: Margreet de Heer – Strip Holland strip

Strip Holland Strip heet het overzichtswerk van de eerste Stripmaker des Vaderlands, Margreet de Heer, die het ambt vervulde van 2017 tot 2020. Het album, met een titel die je moet zingen om het grapje te doorzien, bundelt alle strips en belevenissen die De Heer in die vier jaar (mee)maakte. In 160 tjokvolle pagina’s, gevat tussen prachtige schutbladen, komt de lezer te weten wat ze zoal heeft gedaan, bereikt en uitgespookt. En dat is niet mis.

Het ambt van Stripmaker des Vaderlands past intussen in een flinke traditie van dit-en-dat des Vaderlands. Er was al een Dichter des Vaderlands, een Denker des Vaderlands, en sinds een paar jaar is er een stortvloed aan primi inter pares bijgekomen: een Fotograaf, Componist, Jonge Theoloog, Dwarsdenker, Lezeres, Psycholoog, Topvrouw en dus een Stripmaker des Vaderlands.

Op 12 oktober 2017 werd de Amsterdamse stripmaker Margreet de Heer (1972) op het schild gehesen. Zij was officieel de eerste die het ambt bekleedde en deed dat tot vorig jaar. Sindsdien neemt Herman Roozen de honneurs waar. De Heer is al jaren een onvermoeibaar pleitbezorger voor strips en weet altijd slim de publiciteit te zoeken met acties en plannen. Haar te kiezen als ambassadeur van het beeldverhaal lag voor de hand.

In Strip Holland Strip heeft De Heer al haar SdV-gerelateerde werkzaamheden bij elkaar gebracht. Hoofdmoot zijn haar verstripte interviews. De Heer heeft een eigen, persoonlijke manier van interviewen. Ze gaat bij interessante figuren langs (van Lenny Kuhr tot Kenny Rubenis en van Typex tot Wasco) en werkt die gesprekken uit tot strips, als een soort livestream in beelden. Daarnaast zijn al haar tijdlijnverhalen opgenomen, strips die langs een lijn over de bladzijde meanderen. Ook is er veel aandacht voor haar Songfestival-strips die vorig jaar in de Stripglossy stonden. In dat stripblad, dat werkt met gasthoofdredacteuren, haakte De Heer aan bij het songfestival met onder meer een interview met Jeangu Macrooy – onze inzending van het festival dat er niet kwam.

Veel belangrijker zijn de pagina’s die zijn gewijd aan haar missie: strips in het onderwijs. De Heer stelde samen met Bas Schuddeboom en Willard Mans een gids samen met graphic novels voor je leeslijst, als een overzicht van 55 striptitels. Deze Graphic Novel Gids werd flink opgepikt in de media en alle artikelen staan keurig in Strip Holland Strip.

Uit het boek komt het beeld naar voren van een ijverige dame met een groot hart voor strips, die bereid is een extra stapje te zetten ter meerdere eer en glorie van het mooie medium. Hoe ver blijkt al op het omslag waar een bloot poppetje met een tekenpen rond rent. Het is de stripversie van Margreet, die ook in het echt uit de kleren ging voor aandacht en geld. Met het platte mopje ‘zij stript voor het vaderland’ zette De Heer haar crowdfunding voor dit boek kracht bij, in evakostuum.

Op het platform Voordekunst verscheen vorig jaar haar campagne om dit boek, het sluitstuk van haar ambtstermijn, te bekostigen. Zo gaat dat in de stripwereld: je werkt je drie jaar uit de naad en dan mag je ook je eigen afscheidscadeau regelen en betalen. Maar goed, zoals gezegd: de energie van De Heer kent geen grenzen en ze zette de crowdfunding op. Om het wat leuker aan te pakken, bedacht ze dat Bloto’s het verschil zouden maken: blootfoto’s van zichzelf die door collega-tekenaars worden opgefraaid. Niet ieders kopje thee, er was nogal wat gedoe en getut, maar het werd toch een succes. Haar trouwe fans legden het benodigde bedrag neer – gemiddeld zelfs bijna 85 euro per persoon, ongekend veel.

En nu het sluitstuk van vier jaar noeste arbeid op tafel ligt, kan De Heer vooral trots zijn op alles wat er bereikt is – en op het album. Strip Holland Strip is een lekker bladerboek, met name dankzij de geestige interviews en het complete verhaal van de Graphic Novel Gids. Voor de fans en voor het nageslacht.

En De Heer? Die is niet op haar lauweren gaan rusten. Ze heeft zich weer aangekleed en is op pad; mensen vertellen hoe goed, mooi, belangrijk en vrolijk strips zijn. Hoed af.

Margreet de Heer – Strip Holland strip. Personalia. 160 pagina’s hardcover. € 27,95.

Strips & comics

Gelezen: Ryan North & Albert Monteys – Slaughterhouse Five, naar Kurt Vonnegut

“Leuk dat je de strip hebt gelezen, maar ken je ook het échte boek?” Een stripliefhebber hoort het wel eens: er is een strip en een echt boek. Slaughterhouse Five van Kurt Vonnegut is een echt boek, een klassieker nota bene: een van Amerika’s beste en meest bewierookte anti-oorlogboeken. Van die roman verscheen onlangs een stripbewerking van de hand van Albert Monteys en Ryan North. De eerste tekende het verhaal en de tweede herschreef het origineel, waarbij hij het geheel omvormde tot een van de betere stripadaptaties van de laatste jaren.

Het is interessant dat North al bij verschijnen van de graphic novel aangaf hoe hij te werk ging. Zijn doel was namelijk van begin af aan om een strip te maken die las als een origineel werk, dus niet als een bewerking van een al bestaand verhaal. Hij liet Vonneguts opzet intact maar paste de verhaallijnen en de opbouw aan, naar eigen zeggen om de grafische component alle kans te geven ook een deel van het verhaal te vertellen. Dat klinkt omslachtig, maar is juist: niet alles wat je ziet hoef je nog een keer te zeggen. Het is de mazzel van een stripadaptatie, zogezegd.

En dan heb je nog het concept dat je soms in een enkele illustratie iets kan laten zien, waarvoor een romanauteur ettelijke pagina’s verbeeldingskracht nodig heeft. Een abductie van een ruimteschip? Monteys doet het in één enkele pagina, waar Vonnegut flink de tijd nam. Nadeel misschien in dit geval: de gekte van Vonnegut speelde zich voor een groot deel af in het hoofd van de lezer, die de beelden er zelf bij moest bedenken. Monteys kiest en laat het zien.

North stelt dat wie Slaughterhouse Five heeft gelezen, zich zeker zal vermaken met de bewerking ervan. Juist omdat Vonnegut zo’n unieke roman schreef (oorspronkelijk uit 1969, in het Nederlands vertaald als Slachthuis Vijf), zijn er genoeg zaken te herontdekken. Bovendien is het ook interessant de adaptatie te beoordelen op zijn merites: is het wat de lezer zich al die jaren bij de scenes heeft voorgesteld?

In een interview over zijn bewerking zei North hierover: “Als je de roman nog niet eerder las, of zelfs maar iets van Vonnegut, beloof ik dat je in de graphic novel een unieke, krachtige en vooral sympathieke en humanistische stem zult vinden die je de rest van je leven bij blijft.” Grote woorden, en klopt het?

North en Monteys hebben zich in ieder geval heel wat op de hals gehaald. Slaughterhouse Five is vanwege de absurde, gekke en springerige vertelstijl geen gemakkelijk boek om te bewerken. Het is een enorme klus om de geest van het oorspronkelijke werk te vangen, al scheelt het enorm dat Monteys een zalige tekenstijl heeft die van ieder matig verhaal iets prachtigs maakt – al is het in dit geval verre van matig, uiteraard.

Maar de tekeningen zijn niet alleen wat de graphic novel zo goed maakt: dat is met name de beheerste uitwerking van het oorspronkelijke werk. De lezer die de roman kant, ziet het; de lezer die voor het eerst kennis maakt, vermoedt het onmiddellijk. Daarvoor zijn de bijzondere tijdsprongen, de vreemde plotwendingen en standpunten te precies: alle onnavolgbare gekte van Vonnegut hebben ze overeind gehouden.

De protagonist Billy Pilgrim belandt in de Ardennen tijdens de Tweede Wereldoorlog en vertelt de lezer min of meer wat hij daar heeft meegemaakt voordat hij in Dresden terecht komt. Hij is daar werkkracht in een slachthuis, net voordat dat wordt gebombardeerd door de geallieerden. Dan is er een verhaallijn over de buitenaardse wezens van Tralfamadore die Billy oppikken en ontvoeren: tenminste, zo zou het kunnen zijn geweest.

Het is ondoenlijk om de plot van Vonneguts verhaal fatsoenlijk na te vertellen: daarvoor is het teveel meta hier en meta daar. Omdat Billy zich vaak tot de lezer richt en we pas later ontdekken dat hij bepaalde zaken allang lijkt te weten – geen spoilers hier – komt steeds meer in een ander licht te staan. Wie op basis van deze recensie nog niet zeker weet of het iets voor hem of haar is, zijn er genoeg beschrijvingen voorhanden die een poging doen het verhaal te vatten. En het grappige: iedere poging klopt min of meer.

De stripbewerking van Slaughterhouse Five is een geslaagde exercitie, met een uitmuntende choreografie die de lezer door het verhaal laat dansen: geen wals, maar een abstract ballet waarin alle mislukkingen van oorlogvoering en de feilbaarheid van de mens verscholen zit. Alleen al daarom een aanrader van jewelste – én vanwege het zalige tekenwerk, de kosmische gekte, het perfecte ritme, de lekkere dialogen en de absurde naargeestigheid die uit het verhaal spreekt.

Ryan North & Albert Monteys – Slaughterhouse Five, naar Kurt Vonnegut. Archaia. 192 pagina’s hardcover. € 24,99.

Strips & comics

Gelezen: John Porcellino – Perfect example, King Cat Classix & Map of my heart

John Porcellino is een insitituut. De Amerikaanse stripmaker, al jaren actief in het alternatieve small press circuit, is onvermoeibaar als het gaat om de uitgave van zijn charmante stripreeks King Cat. Sinds 1989 schrijft Porcellino over zijn leven in min of meer thematisch geordende hoofdstukken die hij bundelt in zwart wit boekjes op A5 formaat. Dat is altijd hetzelfde gebleven: het is ouderwets qua vorm en uitstraling, maar juist daarom zo aanstekelijk.

In King Cat kijkt hij terug op zijn jeugd, zijn puberteit en zijn leven als jongvolwassene, maar evengoed beschrijft hij zijn leven op het moment. Feitelijk beschrijft hij al sinds 1989 zijn hele leven. Hij doet dat op een eerlijke en ontwapenende manier, in een stijl die de lezer meeneemt en een tijdje laat ronddwalen in gedachten, ideeën en gevoelens.

Porcellino (1968) is een atypisch stripmaker die niet op zoek gaat naar behoeftes van lezers. Hij vertelt scenes zoals je die in een dagboek schrijft: over een autorit, een beeld dat hem is bijgebleven, een boom, vuilnisbak of winkeldeur. Zijn gedachten schrijft hij heel direct en ongefilterd op en illustreert die op een heel naïeve, uitgeklede manier. Porcellino is geen begenadigd tekenaar, wel een begenadigd verteller. Even legendarisch als onbeholpen is zijn perspectief, dat vaak voor geen meter klopt. Hij tekent wegrijdende auto’s zoals kinderen het doen, schuin van de zijkant, alsof ze op de achterwielen rijden.

Wie zich in het werk van Porcellino wil onderdompelen – en dat is beslist aan te raden – moet zich openstellen voor onaffe gedachten, voor kleine nuances, voor een beetje poëzie nu en dan. Porcellino gaat de grote levensvragen niet uit de weg, maar doet dat vanuit zo’n bijzonder en inventief vertrekpunt dat het heel behapbaar is en de lezer verrast en glimlachend achterlaat. Voor wie wil is het geweldig. Porcellino lezen is even weg zijn, even meebewegen met een unieke ziel.

Porcellino publiceerde in 2009 een graphic novelle over het leven van Henry David Thoreau (1817-1862), de vrijheidsdenker, filosoof en auteur van Walden. Niet toevallig: Thoreau ijverde voor een compleet onafhankelijk leven, zonder inmenging van instituties en overheden. Een mens kiest en beslist zelf, niemand anders. Bemoeienis van bovenaf (zoals belastingen) waren hem een gruwel.

Zo ongehoorzaam is Porcellino niet, maar zijn keuzes om zo vrij mogelijk te leven lezen we in zijn verhalen: hij heeft baantjes, maar alleen om het hoognodige te kunnen bekostigen. Porcellino en zijn vriendinnen (in de King Cat-jaren heeft hij er drie) leven sober. Porcellino wandelt, tekent en mijmert en niet veel meer. De ideeën van Thoreau vindt hij machtig interessant.

Van Porcellino verschenen tussen 2005 en 2009 drie verzamelbundels met het beste werk uit de losse nummers van King Cat. Die bundelingen, al jaren stijf uitverkocht, zijn onlangs herdrukt en weer volop beschikbaar. Perfect Example (2005), King Cat Classix (2007) en Map of My Heart (2009) geven een mooie dwarsdoosnee van Porcellino’s werk, waarbij gezegd moet worden dat King Cat Classix een verzameling is van zijn heel prille werk – dat is nog niet zo sterk als zijn latere strips. Die titel is beter voor wie gevallen is voor de schoonheid van Porcellino’s vertelstem.

Het klinkt logisch om bij het begin te beginnen, maar in het geval van Porcellino is dat niet meteen de beste keuze. Zijn latere werk is interessanter, dieper, gelaagder. Voor wie het bevalt is zijn prille werk daarna vooral interessant – toch op een ander niveau. Zijn vroege afleveringen van King Cat, verzameld in King Cat Classix, zijn innemend en herkenbaar, maar het blijft hangen in vrolijke jeugdherinneringen en gekweld pubergedrag.

Het is aan te bevelen om te beginnen met Map of my heart en daarna via The hospital suite naar From lone mountain te gaan. In die drie nieuwste verzamelbundels grijpt Porcellino evengoed terug op zijn jeugd, maar plaatst hij het in het grotere verband. Hetzelfde deed Michel Rabagliati met Paul at home, van november vorig jaar: ook Rabagliati werkt grotendeels autobiografisch, vertelt veel over zijn jeugd en bestudeerde in zijn laatste boek hoe de dingen zijn gegaan, hoe alles in elkaar grijpt, vanuit het perspectief van een vijftigjarige.

In The hospital years vertelt hij bijvoorbeeld over de kwaaltjes die hem al jarenlang achtervolgen en die uitmonden in een geestelijke en fysieke uitputtingsslag. Om de stress en ongemakken het hoofd te bieden, gaat hij mediteren en verdiept hij zich in Oosterse levenswijsheden. Geen vage toestanden, want hij blijft twijfelen en zoeken naar oplossingen dichterbij.

In het daaropvolgende From lone mountain probeert hij zijn verworven kennis en inzicht te vertalen naar de wereld om hem heen, in de hoop het grotere geheel beter te begrijpen, maar vaak komt hij niet verder dan een vriendelijke constatering dat de bomen er mooi bij staan of dat een lange autorit fraaier wordt met goede muziek op de radio. Het lijkt triviaal; je kunt ook zeggen dat Porcellino de lezer een spiegel voorhoudt: wie heeft de hele dag alleen maar complete, weloverwogen gedachten? Precies, niemand, en wie er op let zal ontdekken dat we veel meer door het leven dwarrelen dan we denken.

Met de drie herdrukken is het werk van Porcellino nu goed beschikbaar – ook hier. De striplezer voor wie het altijd om de mooie tekeningen gaat, heeft niets bij Porcellino te zoeken, maar die missen echt iets. Lezers die zich willen laten verrassen, die poëtische vriendelijkheid zoeken, zich niet laten afleiden door een perspectieffoutje hier en daar, die willen meedenken, meebewegen en meevoelen, die het leven willen zien vanuit een boeiende bubbel, die het jammer vinden als een boek uit is en daarom wat langzamer lezen.

Wat Porcellino bij de lezer in gang zet met zijn strips is ongekend. Zijn werk schenkt genoegen, voldoening en mooie gedachten. En dat is heel veel.

John Porcellino – Perfect example, Drawn & Quarterly, 132 pagina’s, € 20,99.
John Porcellino – King Cat Classix, Drawn & Quarterly, 384 pagina’s, € 23,99.
John Porcellino – Map of my heart, Drawn & Quarterly, 360 pagina’s, € 23,99.

 

Strips & comics

Gelezen: Matt Kindt & Matt Smith – Folklords

Over een aansprekende tekenstijl gesproken: de argeloze striplezer die Folklords ter hand neemt, wordt gegrepen door de heldere, gedetailleerde en perfect ingekleurde pagina’s. Matt Smith, de tekenaar van dienst, is onder meer bekend van Hellboy & The BPRD en Barbarian Lord. Samen met Matt Kindt, een stripmaker die voor deze gelegenheid zijn scenaristenpet opzette, maakte Smith het wonderlijke, fantasierijke epos Folklords, dat eerder verscheen in vijf losse deeltjes.

In Folklords volgen we Ansel, een jongeman die op de leeftijd is gekomen dat hij een queeste mag uitvoeren. Het wordt ons duidelijk gemaakt dat dat een lange traditie heeft in de gesloten middeleeuwse gemeenschap waarin Ansel is opgegroeid. Het wordt de jeugdigen voorgehouden dat deze zoektocht inzichten verschaft over de wereld om hen heen – en daarmee ook hun eigen positie in het grotere geheel. Daar komt bij dat Ansel dromen heeft die hij niet kan plaatsen: het lijkt alsof hij in de toekomst kan kijken. Hij verwacht dat de mysterieuze Folklords hem kunnen helpen met hun inzichten.

Het bosrijke dorp waar de jongeren opgroeien is benauwd, klein en in zichzelf gekeerd. Er leven elven, trollen en andere mythologische figuren, samen met mensen. Het is boers en benepen. Logisch dat de jeugd ertussenuit wil, de queeste is een ideale gelegenheid om iets van de wereld te zien. Ansel heeft de zijne al jaren in zijn hoofd: hij wil de Folklords vinden. Wie of wat dat zijn, blijft aanvankelijk ongewis, het enige dat we over hen te weten komen is dat Ansel beter niet achter deze types aan kan. Sterker, het wordt hem stellig afgeraden.

Maar er is meer loos: De gewelddadige Guild of Librarians (in dit verband moeilijk te vertalen als een club bibliotheekmedewerkers, eerder een sekte van gekapte mannen) regeert met straffe hand over de dorpelingen en wil niet dat de jongeren allerlei zoektochten ondernemen. Geen pottenkijkers, geen dwaalgedachten, geen subversieve toestanden. In plaats daarvan moet de jeugd opdrachten aannemen die de Librarians ze aanreiken. Dat voelt als spionage en controle; niks voor Ansel, die alsnog zijn eigen plan trekt. Samen met de elf Archer gaat hij op pad, op zoek naar de Folklords. Worden ze gepakt, dan hangen ze – letterlijk.

Het verhaal ontwikkelt zich daarna fraai, met ontmoetingen onderweg en verrassende inzichten over loyaliteit en vriendschap. Dan dient het slot zich aan en gebeurt er iets wat we vaker zien bij dit soort afgeronde comics: het verhaal gaat een hoek om waar alles in een compleet ander licht wordt gezet. Ineens moet de lezer de complete situatie herijken, zijn de personages anders en blijkt het aanvankelijke idee toch niet zoals gedacht. De lezer is net zo verbaasd en verrast als Ansel, die zich in dit verhaal overigens snel herpakt en er nog een positieve draai aan geeft.

De lezer voelt dat anders: die is steeds een vette worst voorgehouden en krijgt een beschuit voor zijn doorzettingsvermogen. De queeste waarover steeds wordt gesproken is geen ontdekkingstocht met rugzak en vergrootglas, maar een manier om het leven te beschouwen. En dat maakt alles met terugwerkende kracht een beetje mal: welke rol hebben de figuren dan die Ansel en Archer onderweg tegenkomen? Hoe moeten we Librarians zien? Is het de politieke elite? Is het de macht in het algemeen of juist de angst voor de macht?

Na een paar vragende blikken en wat actiemomentjes keert de rust terug en maken we een sprong in de tijd. Ergens heeft de queeste van Ansel en Archer iets in gang gezet, maar hoe alles precies in elkaar steekt, is voor de lezer om uit te vogelen. In het verhaal gaat het over broodkruimels die aanwijzingen geven, zoals in het sprookje. Aanwijzingen over hoe we alles moeten zien, hoe de wereld draait. Misschien het raadsel van het leven. Wie zal het zeggen.

Matt Kindt & Matt Smith – Folklords. Boom! 144 pagina’s. €17,95.

Strips & comics

Gelezen: Alix Garin – Vergeet-mij-niet

En ineens was daar Vergeet-mij-niet, het flinke debuut van de jonge Belgische Alix Garin. Haar graphic novel Vergeet-mij-niet verscheen dit voorjaar in het Frans, vrijwel tegelijk met de Nederlandstalige versie. Een geluk: het album is een prachtig verhaal met veel lagen. Ambitieus ook, maar Garin verstapt zich nergens en leidt de lezer door een prachtig verhaal over ouderdom, ziekte, loslaten en stevig vastpakken. Dat is zeker niet vanzelfsprekend voor een debuut.

De pagina’s hebben een bijzonder soort rust. Garin verliest zich bepaald niet in achtergronden en details en haar werk lijkt daarmee op dat van Bastien Vives. Garin tekent in snelle outlines die samen met de inkleuring kaarsrecht uit de computer komen. Vaak lijken de lijnen de kleurvlakken te volgen, wat het spannend maakt: vooral Clémence en haar oma worden er levensechter van. Belangrijk bij een verhaal dat enorm leunt op de interactie tussen de twee.

Waar de tekeningen richting Vives gaan, neigt het verhaal richting Rabaté, en dan vooral diens zalige 65+ geschiedenis Een tweede jeugd – een aanrader in hoofdletters. In beide boeken speelt de ouderdom een belangrijke rol, al is die niet per se met elkaar te vergelijken. Raakvlakken zijn er bij het ontsnappen aan de treurnis van het leven, de vlucht die leest als een roadmovie.

Vergeet-mij-niet is onverwacht mooi. Garin trekt de lezer mee het verhaal in. De aanvang is al niet mis – Clémence is met haar moeder in het bejaardentehuis, nadat oma voor de derde keer in korte tijd is ontsnapt. Dit kan zo niet langer, zegt de leiding, en dus wordt er een medicatie voorgesteld: het houdt oma rustig en haar onderdrukt haar neigingen om weg te lopen. Moeder stemt in, maar Clémence is furieus: dwangmedicatie is niet de manier om iemand te begeleiden die de weg kwijt is. Want dat staat vast, oma lijdt aan de ziekte van Alzheimer.

Het verhaal gaat nadrukkelijk niet om allerlei stadia van het ziektebeeld of hoe daarmee moet worden omgegaan. Dat blijkt al snel als Clémence daags na het voorstel tot dwangmedicatie haar oma opzoekt. Een ideetje om samen te wandelen ontaardt in een regelrechte ontvoering van oma, met een soort van instemming overigens.

Wat volgt is een roadtrip van oma en kleindochter die dan weer emotioneel is en dan weer hilarisch. Het is mooi te zien hoe gaandeweg oma meer en meer overtuigd raakt van de goede bedoelingen van Clémence, die in de tussentijd de hele onderneming maar moeilijk overeind kan houden. De politie is ingelicht, het geld is op en het eindpunt is nog een behoorlijk eindje weg. En dan is Clémence ook nog eens bezig met haar eigen leven, dat niet bepaald op de rails loopt: ze heeft lesbische gevoelens die ze vanwege allerlei pesterijen steeds heeft weggestopt. Garin verweeft die verhaallijn kundig in het geheel – het wordt er zeker niet aan de haren bijgesleept.

Met Vergeet-mij-niet heeft Garin een innemend verhaal verteld dat zeker aan het einde nog een paar mooie verrassingen in petto heeft. De plot is sterk en brengt de lezer steeds iets onverwachts en fraais. Hoewel Garin alle grote thema’s benoemd, wordt het nergens zwaar of overdadig. Uiteraard, Alzheimer is niet iets dat gaandeweg minder wordt – en dat blijkt – maar er is meer dan dwangmedicatie om met een lieve oude mevrouw om te gaan. Eentje nota bene die ook nog eens veel harder rockt dan we denken.

Alix Garin – Vergeet-mij-niet. Daedalus. 220 pagina’s hardcover. € 30,50.