Strips & comics

Gelezen: Brecht Vandenbroucke – Shady

Shady is hip. Shady Bitch is een non-binaire influencer met een manbun, die hij* als een beverstaart bovenop zijn hoofd draagt. Zijn gesoigneerde borsthaar piept exact in orde boven zijn mouwloze hemdje uit. Zijn baardje, flinke ceintuur en de witte plateauschoenen met dito kousen maken het geheel af. Je kunt ervan vinden wat je wil: wie er niets mee kan, heeft van Shady Bitch niets begrepen. Dan mag je tegen zijn hand praten: hij is duidelijk een maatje te hip, te nieuw en te all-over-the-place voor jou.

Shady leeft van aandacht. Logisch, hij is een influencer en er valt weinig te influencen als er geen publiek is. Iedereen weet: een influencer zonder publiek is een voetballer zonder benen. Tuurlijk, dan kun je alsnog met een kopbal scoren, maar hoe kom je in de zestien meter? Shady weet van wanten: hij is altijd op zoek naar manieren om te shinen. En om te zien of het werkt, zijn er de socials; daar draait het om in zijn kleine universum. Hij weet wat zijn volgelingen willen zien, omdat hij ze dat vertelt. Geen onmiddellijke like is even niet geleefd.

Shady twijfelt vaak. Dan voelt hij zich een keiharde non-fluencer, die zich zorgen maakt over zijn leven, zijn eigenheid en de basis van waar het om draait: gezien te worden. “Niemand kent me,” jammert Shady, “want ik ben steeds weer iemand anders. Elke vijf minuten een andere mood, een andere kleur, dát is mijn leven.” Maar zo gemakkelijk als hij zich zorgen maakt, zo simpel draait hij als een blad aan de boom om. Dan is hij weer de figuur om wie alles draait. Gewoon, omdat het kan.

Shady is slim verteld. Het is al snel klip en klaar dat de getalenteerde verteller Brecht Vandenbroucke (1986) via Shady de moderne sociale media, de infantilisering en vercommercialisering op de hak neemt. Of althans, dat kan de lezer er gemakkelijk in zien. Uiterlijke fratsen, identiteitsproblematiek en de leegte van Insta en Tiktok, events en luchballonnen; Vandenbroucke stelt ze niet eens subtiel aan de orde: de lezer krijgt ze recht in de snufferd geduwd, precies zoals het er in het echt aan toe gaat. Voor de gelegenheid heeft Shady een pratende beer die hem van repliek dient en hem bevraagt, als de relatieve buitenstaander; zijn tegenstrever is Basic Bitch, die Shady uitdaagt om steeds een stapje verder te gaan.

Shady lost het niet op. Hij blijft zoeken naar likes, tags, clicks en hits. Alles voor de kijkcijfers. Lukt het ene niet, dan is er een andere manier die wel slaagt. Zolang de beloning in de vorm van aandacht er maar op volgt. Uiteraard is zijn personage gechargeerd, toch is er aan het einde gelukkig iets van loutering te bespeuren: Shady gaat op zoek naar iets dat hem echt gelukkig maakt. Slaafs je verlangens volgen, dat is pas dom. Of zoals hij het handjewuivend uitroept: “Ik vecht tegen mezelf, hoe subtiel!”

Shady is heel fijn uitgewerkt. Dat begint al bij het forse formaat van het boek en de kleurrijke pagina’s die lekker in-your-face zijn. De figuren zijn een tikje vreemd, maar niet zo vreemd als die van Dieter van der Ougstraete (Dino) – al is er zeker verwantschap, net als met Frederik van den Stock (Buck, de eerste man) en nota bene Jommeke, vanwege diens kleurgebruik en de traditionele tekstballonnen met klassiek-Vlaamse stripletter.

Shady is soms ronduit naargeestig. Sommige losse eenpaginastrips – het album is opgebouwd uit episodes van verschillende lengte – lijken door de gruwelijke scènes op het hilarisch-zwarte werk van Joan Cornellà (Mon Nox & Zonzo). Als er een dame wordt aangerand en vermoord (welja), dan jaagt Shady de belagers weg om daarna snel alle aandacht op te eisen. Ook worden bi-raciale koppels in een blender geduwd om van de eenheidsworst identieke plakken te snijden.

Shady is een sterk album. Het is helemaal van nu, om het eens ouderwets te zeggen. Misschien is het voor buitenstaanders net even wat leuker dan voor intimi. Die laatste groep krijgt niet echt een rooskleurig beeld voorgezet. Bovendien zitten er helemaal geen tips in hoe je dan wel een flinke schare volgers krijgt, dus waarom zou je Shady lezen? Lezers die niet de godganse dag op Insta, Tiktok en Discord zitten, worden bijna per bladzijde bevestigd in het idee dat ze hebben: we zijn goed bezig door ons niet met die inhoudsloze nieuwlichterij bezig te houden. En daarin verschillen ze dan weer nauwelijks van Shady: “nochtans het perfecte voorbeeld van een succesverhaal”.

Brecht Vandenbroucke – Shady. Bries. 168 pagina’s hardcover. € 32,00.

*voor ieder niet-specifiek mannelijk woord kan de vrouwelijke equivalent worden gelezen, of de meervoudsverbuiging. Of X.

Strips & comics

Gelezen: Michael Allred & Steve Horton – Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams

Dat David Bowie een kleurrijke figuur was, blijkt nog maar eens uit de graphic memoir die onlangs verscheen. Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams heet het en meteen wordt duidelijk dat de makers dat hebben willen benadrukken. Letterlijk, want inkleurster Laura Allred, de echtgenote van tekenaar-van-dienst Michael Allred, heeft alles uit de kast gehaald. Het spettert en spattert dat het een aard heeft, wat nog ens extra wordt aangezet door het glanzende papier van het album. Het hoort bij Bowie, dat staat vast, al is het even wennen.

Het verhaal volgt de hele carrière van Bowie, die zeker in het begin van het album heel fragmentarisch wordt uitgewerkt. Het lijkt alsof de pagina’s steeds per stuk zijn voorgepubliceerd, bij wijze van feuilleton. Iedere bladzijde leest als een stukje van het geheel: een ontmoeting met deze of gene, een belangrijk momentje, een volgende stap. Het levert een dolle potpourri op, een optocht van bekende mensen uit het métier: Marc Bolan, Mike Jagger, Roger Daltrey, Lou Reed, Ian Hunter, Iggy Pop, de hele santekraam wordt opgevoerd.

De tekeningen lijken op die uit de Popfoto van vroeger: veel bekende koppen die lijken te zijn overgetrokken van foto’s, die kriskras op de pagina zijn gezet, voorzien van uitvoerige tekstvelden waarin wordt uitgelegd hoe alles en iedereen zich tot elkaar verhoudt. Dat is geestig, een weerzien met vroeger. Net als toen is de herkenning belangrijker dan de inhoud, want die klinkt ook in Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams als een encyclopedische feitjesoptocht:

“David vindt een nieuwe liefde, Mary Finnigan, en een nieuw thuis voor hun samen. Samen starten ze een folk club: The Beckenham Arts Lab dat al snel verhuist naar The Tree Tuns Pub. Deze keer breekt David het hart van zijn liefje wanneer hij Mary ‘Angie’ Barnett ontmoet bij het eerste optreden van King Crimson. Het klikt zo hard dat ze de rest van de nacht doorbrengen bij Tony Visconti en in de flat waar hij woont met Mary. Mary en Angie worden echter vriendinnen met als gezamenlijke hobby supporteren voor David als groupies van The Arts Lab.”

Met dit soort tekstuele hoogstandjes staat het boek vol. Het leest gemakkelijk, je sjeest door het verhaal, maar heel veel diepgang heeft het allemaal niet. Niemand is een personage, iedereen is een figurant. Wie duiding wil van ’s mans leven en werk, pakt er toch beter een serieuze biografie bij. Niets mis mee, maar des te opmerkelijker is het dat de achterflap toch een heel andere toon aanslaat. Daarin wordt gesteld dat hij “een van de meest aantrekkelijke iconen uit de moderne popcultuur” was: “zijn erfenis als muzikant is opmerkelijk en overschrijdt de grenzen van alle muziekgenres en als visual artist vaagde hij de heersende podiumcultuur weg met zijn psychedelische esthetiek, larger-than-life imago en zijn geflirt met het surrealisme.”

Tot en met het verschijnen van zijn album Diamond Dogs, uit 1974, is alles heel uitvoerig gedocumenteerd en beschreven. Voor zijn leven erna worden nog precies vijf pagina’s ingeruimd. Op de slotpagina van het verhaal zien we de Blind Prophet, het laatste alter ego van Bowie, bekend van de videoclips van Lazarus en Blackstar uit 2015. Het idee dat dit boek nog zeker 100 pagina’s uitvoerig had kunnen zijn, dringt zich op: het is niet zo dat Bowie na 1974 was uitgezongen. Bepaald niet zelfs.

Natuurlijk, Bowie was klaar met zijn alter ego Ziggy Stardust, maar Ziggy is uiteindelijk ook maar een passant gebleken. Bowie was meer dan Ziggy alleen. Bowie’s necrologieën uit 2016 sloten veel meer aan bij de flaptekst van Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams: hij was een visionair, een artiest die meer duiding verdient dan de anekdotische opsomming van deze luchtige biopic.

Michael Allred & Steve Horton – Bowie, Stardust, Rayguns & Moonage Daydreams. Silvester. 160 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Cromheecke & Letzer – Plunk! – Director’s Cut

Dat is nog eens een handzame integrale editie: van de woordloze humorstrip Plunk! verscheen onlangs een complete editie van 152 pagina’s. Kon het dikker? Nee, want dit is precies alles wat de Belgen Luc Cromheecke en Laurent Letzer bedachten tussen pakembeet 2006 en 2009, toen het merendeel van de strips in het Franse stripblad Spirou verscheen. Voor de goede orde: Cromheecke is van de tekeningen en Letzer van de grappen, al kunnen we er gevoeglijk vanuit gaan dat de heren veel samen bedachten.

Cromheecke en Letzer gaan al heel wat jaartjes samen mee: ze studeerden in de jaren tachtig aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar ze de strip bedachten rond Tom Carbon – een redelijk populaire reeks waarvan uiteindelijk zeven Nederlandstalige albums verschenen tussen 1991 en 2013, in veel verschillende uitvoeringen en bij tal van stripuitgevers.

Krantenlezers met een sterk geheugen kennen een andere creatie van de beide heren: Cromheecke en Letzer waren verantwoordelijk voor de dagstrip Taco Zip uit de Volkskrant, die verscheen tussen 1989 en 1992 – in precies 1000 stroken. Dat was bepaald geen rimpelloze toestand, want de strip had evenveel uitgesproken tegenstanders als fans. Lees in dat verband vooral deze geestige blog over Taco Zip. In Taco Zip kwam af en toe een mal tiepje langs, dat vooral werd uitgelachen door de rest. Dit was Plunk, die later een eigen reeks kreeg.

Plunk – met uitroepteken in de titel – is een buitenaards roze figuurtje met een toeterneus en grote blote voeten, waarbij de tenen die naast elkaar staan, maar boven elkaar. Op zijn kop draagt Plunk een trechter zonder oor. Van zichzelf heeft hij een niet bijster nozele oogopslag.

De strips in Director’s Cut variëren van enkele stroken tot vierpaginaverhaaltjes. Er zit geen wezenlijke lijn in het geheel; we volgen Plunk die geen baan heeft, niet in een bepaalde stad woont en verder niets uitgesprokens heeft of doet. Het vindt letterlijk overal plaats: in een bos of een vliegtuig, in de woestijn en op een tropisch eiland. Plunk is bovendien niet altijd het personage waar het om draait: soms is hij alleen maar in de buurt. En dan nog…

Al met al lastig om de strip vast te pakken: in de binnenflap staan aanbevelingen die dit onderschrijven. “Cromheecke en Letzer zijn de meesters van de bewust flauwe humor”, zeker “niet hoogdravend of filosofisch”. Goh ja, Plunk is even filosofisch als Kuifje of Roodbaard. Niet alles wat er niet is hoeft een reden te hebben: in plaats van Plunk voor het gemak in de absurdistische hoek te plaatsen, zou het eerder passen bij de strips die heel sterk spelen met conventies. Voor absurdisme is Plunk! te bewust – zoals het eerder aangehaalde citaat terecht stelt.

Een voorbeeld: Plunk en een koe schaken in een weiland. De koe gaat even op de fiets naar de boerderij om gemolken te worden, keert terug en ze maken hun schaakpartij af. Daar zit iets in van Gary Larson (The Far Side) die beesten menselijke trekken geeft.

Verderop gaan de verhaaltjes volgens het ijzeren stramien van populaire jeugdreeksen van nu, zoals Game Over: wat je mijlenver voelt aankomen, gebeurt uiteindelijk net anders dan je verwacht.

De Director’s Cut is een mooie gelegenheid om alle Plunks op een hoopje te kunnen lezen. Al die losse albums, die dan weer hier en dan weer daar verschenen, kunnen daarmee overboord. De strips zijn fris, vrolijk en gevarieerd. Deze integrale, die ook nog eens mooi is vormgegeven, is zijn investering waard: er zitten gewoon te veel goede grappen in. Het is geen humor om te lachen, dat werkt bij tekstloze strips vaak anders, maar juist om van te genieten: de kwinkslagen, de onverwachte wendingen en het enthousiasme zijn aanstekelijk. Gaandeweg voelt de lezer dat de glimlach zich op zijn wangen begint vast te zetten. Een fijn gevoel.

Cromheecke & Letzer – Plunk! – Director’s Cut. Oogachtend. 152 pagina’s. € 25,00.

Strips & comics

Gelezen: Margreet de Heer – Strip Holland strip

Strip Holland Strip heet het overzichtswerk van de eerste Stripmaker des Vaderlands, Margreet de Heer, die het ambt vervulde van 2017 tot 2020. Het album, met een titel die je moet zingen om het grapje te doorzien, bundelt alle strips en belevenissen die De Heer in die vier jaar (mee)maakte. In 160 tjokvolle pagina’s, gevat tussen prachtige schutbladen, komt de lezer te weten wat ze zoal heeft gedaan, bereikt en uitgespookt. En dat is niet mis.

Het ambt van Stripmaker des Vaderlands past intussen in een flinke traditie van dit-en-dat des Vaderlands. Er was al een Dichter des Vaderlands, een Denker des Vaderlands, en sinds een paar jaar is er een stortvloed aan primi inter pares bijgekomen: een Fotograaf, Componist, Jonge Theoloog, Dwarsdenker, Lezeres, Psycholoog, Topvrouw en dus een Stripmaker des Vaderlands.

Op 12 oktober 2017 werd de Amsterdamse stripmaker Margreet de Heer (1972) op het schild gehesen. Zij was officieel de eerste die het ambt bekleedde en deed dat tot vorig jaar. Sindsdien neemt Herman Roozen de honneurs waar. De Heer is al jaren een onvermoeibaar pleitbezorger voor strips en weet altijd slim de publiciteit te zoeken met acties en plannen. Haar te kiezen als ambassadeur van het beeldverhaal lag voor de hand.

In Strip Holland Strip heeft De Heer al haar SdV-gerelateerde werkzaamheden bij elkaar gebracht. Hoofdmoot zijn haar verstripte interviews. De Heer heeft een eigen, persoonlijke manier van interviewen. Ze gaat bij interessante figuren langs (van Lenny Kuhr tot Kenny Rubenis en van Typex tot Wasco) en werkt die gesprekken uit tot strips, als een soort livestream in beelden. Daarnaast zijn al haar tijdlijnverhalen opgenomen, strips die langs een lijn over de bladzijde meanderen. Ook is er veel aandacht voor haar Songfestival-strips die vorig jaar in de Stripglossy stonden. In dat stripblad, dat werkt met gasthoofdredacteuren, haakte De Heer aan bij het songfestival met onder meer een interview met Jeangu Macrooy – onze inzending van het festival dat er niet kwam.

Veel belangrijker zijn de pagina’s die zijn gewijd aan haar missie: strips in het onderwijs. De Heer stelde samen met Bas Schuddeboom en Willard Mans een gids samen met graphic novels voor je leeslijst, als een overzicht van 55 striptitels. Deze Graphic Novel Gids werd flink opgepikt in de media en alle artikelen staan keurig in Strip Holland Strip.

Uit het boek komt het beeld naar voren van een ijverige dame met een groot hart voor strips, die bereid is een extra stapje te zetten ter meerdere eer en glorie van het mooie medium. Hoe ver blijkt al op het omslag waar een bloot poppetje met een tekenpen rond rent. Het is de stripversie van Margreet, die ook in het echt uit de kleren ging voor aandacht en geld. Met het platte mopje ‘zij stript voor het vaderland’ zette De Heer haar crowdfunding voor dit boek kracht bij, in evakostuum.

Op het platform Voordekunst verscheen vorig jaar haar campagne om dit boek, het sluitstuk van haar ambtstermijn, te bekostigen. Zo gaat dat in de stripwereld: je werkt je drie jaar uit de naad en dan mag je ook je eigen afscheidscadeau regelen en betalen. Maar goed, zoals gezegd: de energie van De Heer kent geen grenzen en ze zette de crowdfunding op. Om het wat leuker aan te pakken, bedacht ze dat Bloto’s het verschil zouden maken: blootfoto’s van zichzelf die door collega-tekenaars worden opgefraaid. Niet ieders kopje thee, er was nogal wat gedoe en getut, maar het werd toch een succes. Haar trouwe fans legden het benodigde bedrag neer – gemiddeld zelfs bijna 85 euro per persoon, ongekend veel.

En nu het sluitstuk van vier jaar noeste arbeid op tafel ligt, kan De Heer vooral trots zijn op alles wat er bereikt is – en op het album. Strip Holland Strip is een lekker bladerboek, met name dankzij de geestige interviews en het complete verhaal van de Graphic Novel Gids. Voor de fans en voor het nageslacht.

En De Heer? Die is niet op haar lauweren gaan rusten. Ze heeft zich weer aangekleed en is op pad; mensen vertellen hoe goed, mooi, belangrijk en vrolijk strips zijn. Hoed af.

Margreet de Heer – Strip Holland strip. Personalia. 160 pagina’s hardcover. € 27,95.

Strips & comics

Gelezen: Ryan North & Albert Monteys – Slaughterhouse Five, naar Kurt Vonnegut

“Leuk dat je de strip hebt gelezen, maar ken je ook het échte boek?” Een stripliefhebber hoort het wel eens: er is een strip en een echt boek. Slaughterhouse Five van Kurt Vonnegut is een echt boek, een klassieker nota bene: een van Amerika’s beste en meest bewierookte anti-oorlogboeken. Van die roman verscheen onlangs een stripbewerking van de hand van Albert Monteys en Ryan North. De eerste tekende het verhaal en de tweede herschreef het origineel, waarbij hij het geheel omvormde tot een van de betere stripadaptaties van de laatste jaren.

Het is interessant dat North al bij verschijnen van de graphic novel aangaf hoe hij te werk ging. Zijn doel was namelijk van begin af aan om een strip te maken die las als een origineel werk, dus niet als een bewerking van een al bestaand verhaal. Hij liet Vonneguts opzet intact maar paste de verhaallijnen en de opbouw aan, naar eigen zeggen om de grafische component alle kans te geven ook een deel van het verhaal te vertellen. Dat klinkt omslachtig, maar is juist: niet alles wat je ziet hoef je nog een keer te zeggen. Het is de mazzel van een stripadaptatie, zogezegd.

En dan heb je nog het concept dat je soms in een enkele illustratie iets kan laten zien, waarvoor een romanauteur ettelijke pagina’s verbeeldingskracht nodig heeft. Een abductie van een ruimteschip? Monteys doet het in één enkele pagina, waar Vonnegut flink de tijd nam. Nadeel misschien in dit geval: de gekte van Vonnegut speelde zich voor een groot deel af in het hoofd van de lezer, die de beelden er zelf bij moest bedenken. Monteys kiest en laat het zien.

North stelt dat wie Slaughterhouse Five heeft gelezen, zich zeker zal vermaken met de bewerking ervan. Juist omdat Vonnegut zo’n unieke roman schreef (oorspronkelijk uit 1969, in het Nederlands vertaald als Slachthuis Vijf), zijn er genoeg zaken te herontdekken. Bovendien is het ook interessant de adaptatie te beoordelen op zijn merites: is het wat de lezer zich al die jaren bij de scenes heeft voorgesteld?

In een interview over zijn bewerking zei North hierover: “Als je de roman nog niet eerder las, of zelfs maar iets van Vonnegut, beloof ik dat je in de graphic novel een unieke, krachtige en vooral sympathieke en humanistische stem zult vinden die je de rest van je leven bij blijft.” Grote woorden, en klopt het?

North en Monteys hebben zich in ieder geval heel wat op de hals gehaald. Slaughterhouse Five is vanwege de absurde, gekke en springerige vertelstijl geen gemakkelijk boek om te bewerken. Het is een enorme klus om de geest van het oorspronkelijke werk te vangen, al scheelt het enorm dat Monteys een zalige tekenstijl heeft die van ieder matig verhaal iets prachtigs maakt – al is het in dit geval verre van matig, uiteraard.

Maar de tekeningen zijn niet alleen wat de graphic novel zo goed maakt: dat is met name de beheerste uitwerking van het oorspronkelijke werk. De lezer die de roman kant, ziet het; de lezer die voor het eerst kennis maakt, vermoedt het onmiddellijk. Daarvoor zijn de bijzondere tijdsprongen, de vreemde plotwendingen en standpunten te precies: alle onnavolgbare gekte van Vonnegut hebben ze overeind gehouden.

De protagonist Billy Pilgrim belandt in de Ardennen tijdens de Tweede Wereldoorlog en vertelt de lezer min of meer wat hij daar heeft meegemaakt voordat hij in Dresden terecht komt. Hij is daar werkkracht in een slachthuis, net voordat dat wordt gebombardeerd door de geallieerden. Dan is er een verhaallijn over de buitenaardse wezens van Tralfamadore die Billy oppikken en ontvoeren: tenminste, zo zou het kunnen zijn geweest.

Het is ondoenlijk om de plot van Vonneguts verhaal fatsoenlijk na te vertellen: daarvoor is het teveel meta hier en meta daar. Omdat Billy zich vaak tot de lezer richt en we pas later ontdekken dat hij bepaalde zaken allang lijkt te weten – geen spoilers hier – komt steeds meer in een ander licht te staan. Wie op basis van deze recensie nog niet zeker weet of het iets voor hem of haar is, zijn er genoeg beschrijvingen voorhanden die een poging doen het verhaal te vatten. En het grappige: iedere poging klopt min of meer.

De stripbewerking van Slaughterhouse Five is een geslaagde exercitie, met een uitmuntende choreografie die de lezer door het verhaal laat dansen: geen wals, maar een abstract ballet waarin alle mislukkingen van oorlogvoering en de feilbaarheid van de mens verscholen zit. Alleen al daarom een aanrader van jewelste – én vanwege het zalige tekenwerk, de kosmische gekte, het perfecte ritme, de lekkere dialogen en de absurde naargeestigheid die uit het verhaal spreekt.

Ryan North & Albert Monteys – Slaughterhouse Five, naar Kurt Vonnegut. Archaia. 192 pagina’s hardcover. € 24,99.

Strips & comics

Gelezen: John Porcellino – Perfect example, King Cat Classix & Map of my heart

John Porcellino is een insitituut. De Amerikaanse stripmaker, al jaren actief in het alternatieve small press circuit, is onvermoeibaar als het gaat om de uitgave van zijn charmante stripreeks King Cat. Sinds 1989 schrijft Porcellino over zijn leven in min of meer thematisch geordende hoofdstukken die hij bundelt in zwart wit boekjes op A5 formaat. Dat is altijd hetzelfde gebleven: het is ouderwets qua vorm en uitstraling, maar juist daarom zo aanstekelijk.

In King Cat kijkt hij terug op zijn jeugd, zijn puberteit en zijn leven als jongvolwassene, maar evengoed beschrijft hij zijn leven op het moment. Feitelijk beschrijft hij al sinds 1989 zijn hele leven. Hij doet dat op een eerlijke en ontwapenende manier, in een stijl die de lezer meeneemt en een tijdje laat ronddwalen in gedachten, ideeën en gevoelens.

Porcellino (1968) is een atypisch stripmaker die niet op zoek gaat naar behoeftes van lezers. Hij vertelt scenes zoals je die in een dagboek schrijft: over een autorit, een beeld dat hem is bijgebleven, een boom, vuilnisbak of winkeldeur. Zijn gedachten schrijft hij heel direct en ongefilterd op en illustreert die op een heel naïeve, uitgeklede manier. Porcellino is geen begenadigd tekenaar, wel een begenadigd verteller. Even legendarisch als onbeholpen is zijn perspectief, dat vaak voor geen meter klopt. Hij tekent wegrijdende auto’s zoals kinderen het doen, schuin van de zijkant, alsof ze op de achterwielen rijden.

Wie zich in het werk van Porcellino wil onderdompelen – en dat is beslist aan te raden – moet zich openstellen voor onaffe gedachten, voor kleine nuances, voor een beetje poëzie nu en dan. Porcellino gaat de grote levensvragen niet uit de weg, maar doet dat vanuit zo’n bijzonder en inventief vertrekpunt dat het heel behapbaar is en de lezer verrast en glimlachend achterlaat. Voor wie wil is het geweldig. Porcellino lezen is even weg zijn, even meebewegen met een unieke ziel.

Porcellino publiceerde in 2009 een graphic novelle over het leven van Henry David Thoreau (1817-1862), de vrijheidsdenker, filosoof en auteur van Walden. Niet toevallig: Thoreau ijverde voor een compleet onafhankelijk leven, zonder inmenging van instituties en overheden. Een mens kiest en beslist zelf, niemand anders. Bemoeienis van bovenaf (zoals belastingen) waren hem een gruwel.

Zo ongehoorzaam is Porcellino niet, maar zijn keuzes om zo vrij mogelijk te leven lezen we in zijn verhalen: hij heeft baantjes, maar alleen om het hoognodige te kunnen bekostigen. Porcellino en zijn vriendinnen (in de King Cat-jaren heeft hij er drie) leven sober. Porcellino wandelt, tekent en mijmert en niet veel meer. De ideeën van Thoreau vindt hij machtig interessant.

Van Porcellino verschenen tussen 2005 en 2009 drie verzamelbundels met het beste werk uit de losse nummers van King Cat. Die bundelingen, al jaren stijf uitverkocht, zijn onlangs herdrukt en weer volop beschikbaar. Perfect Example (2005), King Cat Classix (2007) en Map of My Heart (2009) geven een mooie dwarsdoosnee van Porcellino’s werk, waarbij gezegd moet worden dat King Cat Classix een verzameling is van zijn heel prille werk – dat is nog niet zo sterk als zijn latere strips. Die titel is beter voor wie gevallen is voor de schoonheid van Porcellino’s vertelstem.

Het klinkt logisch om bij het begin te beginnen, maar in het geval van Porcellino is dat niet meteen de beste keuze. Zijn latere werk is interessanter, dieper, gelaagder. Voor wie het bevalt is zijn prille werk daarna vooral interessant – toch op een ander niveau. Zijn vroege afleveringen van King Cat, verzameld in King Cat Classix, zijn innemend en herkenbaar, maar het blijft hangen in vrolijke jeugdherinneringen en gekweld pubergedrag.

Het is aan te bevelen om te beginnen met Map of my heart en daarna via The hospital suite naar From lone mountain te gaan. In die drie nieuwste verzamelbundels grijpt Porcellino evengoed terug op zijn jeugd, maar plaatst hij het in het grotere verband. Hetzelfde deed Michel Rabagliati met Paul at home, van november vorig jaar: ook Rabagliati werkt grotendeels autobiografisch, vertelt veel over zijn jeugd en bestudeerde in zijn laatste boek hoe de dingen zijn gegaan, hoe alles in elkaar grijpt, vanuit het perspectief van een vijftigjarige.

In The hospital years vertelt hij bijvoorbeeld over de kwaaltjes die hem al jarenlang achtervolgen en die uitmonden in een geestelijke en fysieke uitputtingsslag. Om de stress en ongemakken het hoofd te bieden, gaat hij mediteren en verdiept hij zich in Oosterse levenswijsheden. Geen vage toestanden, want hij blijft twijfelen en zoeken naar oplossingen dichterbij.

In het daaropvolgende From lone mountain probeert hij zijn verworven kennis en inzicht te vertalen naar de wereld om hem heen, in de hoop het grotere geheel beter te begrijpen, maar vaak komt hij niet verder dan een vriendelijke constatering dat de bomen er mooi bij staan of dat een lange autorit fraaier wordt met goede muziek op de radio. Het lijkt triviaal; je kunt ook zeggen dat Porcellino de lezer een spiegel voorhoudt: wie heeft de hele dag alleen maar complete, weloverwogen gedachten? Precies, niemand, en wie er op let zal ontdekken dat we veel meer door het leven dwarrelen dan we denken.

Met de drie herdrukken is het werk van Porcellino nu goed beschikbaar – ook hier. De striplezer voor wie het altijd om de mooie tekeningen gaat, heeft niets bij Porcellino te zoeken, maar die missen echt iets. Lezers die zich willen laten verrassen, die poëtische vriendelijkheid zoeken, zich niet laten afleiden door een perspectieffoutje hier en daar, die willen meedenken, meebewegen en meevoelen, die het leven willen zien vanuit een boeiende bubbel, die het jammer vinden als een boek uit is en daarom wat langzamer lezen.

Wat Porcellino bij de lezer in gang zet met zijn strips is ongekend. Zijn werk schenkt genoegen, voldoening en mooie gedachten. En dat is heel veel.

John Porcellino – Perfect example, Drawn & Quarterly, 132 pagina’s, € 20,99.
John Porcellino – King Cat Classix, Drawn & Quarterly, 384 pagina’s, € 23,99.
John Porcellino – Map of my heart, Drawn & Quarterly, 360 pagina’s, € 23,99.

 

Strips & comics

Gelezen: Matt Kindt & Matt Smith – Folklords

Over een aansprekende tekenstijl gesproken: de argeloze striplezer die Folklords ter hand neemt, wordt gegrepen door de heldere, gedetailleerde en perfect ingekleurde pagina’s. Matt Smith, de tekenaar van dienst, is onder meer bekend van Hellboy & The BPRD en Barbarian Lord. Samen met Matt Kindt, een stripmaker die voor deze gelegenheid zijn scenaristenpet opzette, maakte Smith het wonderlijke, fantasierijke epos Folklords, dat eerder verscheen in vijf losse deeltjes.

In Folklords volgen we Ansel, een jongeman die op de leeftijd is gekomen dat hij een queeste mag uitvoeren. Het wordt ons duidelijk gemaakt dat dat een lange traditie heeft in de gesloten middeleeuwse gemeenschap waarin Ansel is opgegroeid. Het wordt de jeugdigen voorgehouden dat deze zoektocht inzichten verschaft over de wereld om hen heen – en daarmee ook hun eigen positie in het grotere geheel. Daar komt bij dat Ansel dromen heeft die hij niet kan plaatsen: het lijkt alsof hij in de toekomst kan kijken. Hij verwacht dat de mysterieuze Folklords hem kunnen helpen met hun inzichten.

Het bosrijke dorp waar de jongeren opgroeien is benauwd, klein en in zichzelf gekeerd. Er leven elven, trollen en andere mythologische figuren, samen met mensen. Het is boers en benepen. Logisch dat de jeugd ertussenuit wil, de queeste is een ideale gelegenheid om iets van de wereld te zien. Ansel heeft de zijne al jaren in zijn hoofd: hij wil de Folklords vinden. Wie of wat dat zijn, blijft aanvankelijk ongewis, het enige dat we over hen te weten komen is dat Ansel beter niet achter deze types aan kan. Sterker, het wordt hem stellig afgeraden.

Maar er is meer loos: De gewelddadige Guild of Librarians (in dit verband moeilijk te vertalen als een club bibliotheekmedewerkers, eerder een sekte van gekapte mannen) regeert met straffe hand over de dorpelingen en wil niet dat de jongeren allerlei zoektochten ondernemen. Geen pottenkijkers, geen dwaalgedachten, geen subversieve toestanden. In plaats daarvan moet de jeugd opdrachten aannemen die de Librarians ze aanreiken. Dat voelt als spionage en controle; niks voor Ansel, die alsnog zijn eigen plan trekt. Samen met de elf Archer gaat hij op pad, op zoek naar de Folklords. Worden ze gepakt, dan hangen ze – letterlijk.

Het verhaal ontwikkelt zich daarna fraai, met ontmoetingen onderweg en verrassende inzichten over loyaliteit en vriendschap. Dan dient het slot zich aan en gebeurt er iets wat we vaker zien bij dit soort afgeronde comics: het verhaal gaat een hoek om waar alles in een compleet ander licht wordt gezet. Ineens moet de lezer de complete situatie herijken, zijn de personages anders en blijkt het aanvankelijke idee toch niet zoals gedacht. De lezer is net zo verbaasd en verrast als Ansel, die zich in dit verhaal overigens snel herpakt en er nog een positieve draai aan geeft.

De lezer voelt dat anders: die is steeds een vette worst voorgehouden en krijgt een beschuit voor zijn doorzettingsvermogen. De queeste waarover steeds wordt gesproken is geen ontdekkingstocht met rugzak en vergrootglas, maar een manier om het leven te beschouwen. En dat maakt alles met terugwerkende kracht een beetje mal: welke rol hebben de figuren dan die Ansel en Archer onderweg tegenkomen? Hoe moeten we Librarians zien? Is het de politieke elite? Is het de macht in het algemeen of juist de angst voor de macht?

Na een paar vragende blikken en wat actiemomentjes keert de rust terug en maken we een sprong in de tijd. Ergens heeft de queeste van Ansel en Archer iets in gang gezet, maar hoe alles precies in elkaar steekt, is voor de lezer om uit te vogelen. In het verhaal gaat het over broodkruimels die aanwijzingen geven, zoals in het sprookje. Aanwijzingen over hoe we alles moeten zien, hoe de wereld draait. Misschien het raadsel van het leven. Wie zal het zeggen.

Matt Kindt & Matt Smith – Folklords. Boom! 144 pagina’s. €17,95.

Strips & comics

Gelezen: Alix Garin – Vergeet-mij-niet

En ineens was daar Vergeet-mij-niet, het flinke debuut van de jonge Belgische Alix Garin. Haar graphic novel Vergeet-mij-niet verscheen dit voorjaar in het Frans, vrijwel tegelijk met de Nederlandstalige versie. Een geluk: het album is een prachtig verhaal met veel lagen. Ambitieus ook, maar Garin verstapt zich nergens en leidt de lezer door een prachtig verhaal over ouderdom, ziekte, loslaten en stevig vastpakken. Dat is zeker niet vanzelfsprekend voor een debuut.

De pagina’s hebben een bijzonder soort rust. Garin verliest zich bepaald niet in achtergronden en details en haar werk lijkt daarmee op dat van Bastien Vives. Garin tekent in snelle outlines die samen met de inkleuring kaarsrecht uit de computer komen. Vaak lijken de lijnen de kleurvlakken te volgen, wat het spannend maakt: vooral Clémence en haar oma worden er levensechter van. Belangrijk bij een verhaal dat enorm leunt op de interactie tussen de twee.

Waar de tekeningen richting Vives gaan, neigt het verhaal richting Rabaté, en dan vooral diens zalige 65+ geschiedenis Een tweede jeugd – een aanrader in hoofdletters. In beide boeken speelt de ouderdom een belangrijke rol, al is die niet per se met elkaar te vergelijken. Raakvlakken zijn er bij het ontsnappen aan de treurnis van het leven, de vlucht die leest als een roadmovie.

Vergeet-mij-niet is onverwacht mooi. Garin trekt de lezer mee het verhaal in. De aanvang is al niet mis – Clémence is met haar moeder in het bejaardentehuis, nadat oma voor de derde keer in korte tijd is ontsnapt. Dit kan zo niet langer, zegt de leiding, en dus wordt er een medicatie voorgesteld: het houdt oma rustig en haar onderdrukt haar neigingen om weg te lopen. Moeder stemt in, maar Clémence is furieus: dwangmedicatie is niet de manier om iemand te begeleiden die de weg kwijt is. Want dat staat vast, oma lijdt aan de ziekte van Alzheimer.

Het verhaal gaat nadrukkelijk niet om allerlei stadia van het ziektebeeld of hoe daarmee moet worden omgegaan. Dat blijkt al snel als Clémence daags na het voorstel tot dwangmedicatie haar oma opzoekt. Een ideetje om samen te wandelen ontaardt in een regelrechte ontvoering van oma, met een soort van instemming overigens.

Wat volgt is een roadtrip van oma en kleindochter die dan weer emotioneel is en dan weer hilarisch. Het is mooi te zien hoe gaandeweg oma meer en meer overtuigd raakt van de goede bedoelingen van Clémence, die in de tussentijd de hele onderneming maar moeilijk overeind kan houden. De politie is ingelicht, het geld is op en het eindpunt is nog een behoorlijk eindje weg. En dan is Clémence ook nog eens bezig met haar eigen leven, dat niet bepaald op de rails loopt: ze heeft lesbische gevoelens die ze vanwege allerlei pesterijen steeds heeft weggestopt. Garin verweeft die verhaallijn kundig in het geheel – het wordt er zeker niet aan de haren bijgesleept.

Met Vergeet-mij-niet heeft Garin een innemend verhaal verteld dat zeker aan het einde nog een paar mooie verrassingen in petto heeft. De plot is sterk en brengt de lezer steeds iets onverwachts en fraais. Hoewel Garin alle grote thema’s benoemd, wordt het nergens zwaar of overdadig. Uiteraard, Alzheimer is niet iets dat gaandeweg minder wordt – en dat blijkt – maar er is meer dan dwangmedicatie om met een lieve oude mevrouw om te gaan. Eentje nota bene die ook nog eens veel harder rockt dan we denken.

Alix Garin – Vergeet-mij-niet. Daedalus. 220 pagina’s hardcover. € 30,50.

Strips & comics

Gelezen: Jan Smet – Duizend bommen en castraten. Censuur in de strip

Op het achterplat van Duizend bommen en castraten worden de deuren alvast geopend: Censuur is van alle tijden en van alle plaatsen. Altijd en overal, en in alle vormen van kunst en entertainment, zijn er dingen die niet mogen. En ja, in de wereld van het beeldverhaal is dat niet anders. Goed dat iemand dat eens zegt. In dit geval stripconnaisseur Jan Smet.

Het om meerdere redenen reusachtige boekwerk Duizend bommen en castraten is indrukwekkend. Het boek is het levenswerk van Smet (1945) die al meer dan vijftig jaar bezig is met stripcensuur. Smet ging bij de samenstelling van het werk bepaald niet over één nacht ijs. Met een stalen discipline ploegde hij zich door talloze onderwerpen die ooit ten prooi vielen aan censuur: van vloeken tot seks, van de Holocaust tot drugsgebruik.

Wie met een begrip als censuur aan de slag gaat, doet er goed aan een strak raamwerk op te tuigen. Censuur chronologisch weergeven zou bijvoorbeeld een ratjetoe worden, zo werkt het nu eenmaal niet. Dat Smet kiest om per afgebakend onderwerp te werken, is helder en praktisch. Bijkomend voordeel is dat de lezer het boek niet per se van voor naar achter hoeft door te werken, maar zijn of haar onderwerpen te kiezen.

Het geschiedkundige hoofdstuk zet alles in het juiste perspectief en leest een tikkeltje droog, zoals dat hoort. Dat is beslist geen diskwalificatie. Wie geïnteresseerd is in een onderwerp als censuur en de culturele omtrek ervan, die wil geen fratsen en tierlantijnen. Smet levert precies wat gewenst wordt: lezenswaardige stukken die vanwege invalshoek en categorisering op hun plek vallen.

Opvallend is dat er in het historische relaas alle ruimte is voor een internationale blik, tot over de oceanen, maar dat het vervolg zich toch meer focust op de Franco-Belgische stripcultuur, met regelmatig een overzees uitstapje – bijvoorbeeld als de onvermijdelijke mafketel Frederic Wertham aan bod komt, de driftige psychiater die in de jaren vijftig stelde dat kinderen crimineel gedrag zouden vertonen als ze strips lazen. De tweedeling Europa en de Verenigde Staten blijft voelbaar in het boek. De verhalen over de Amerikaanse strip zijn met wat meer afstand geschreven; het voelt alsof de auteur minder zicht heeft op de context, op de situatie aldaar. Dichterbij huis voelt Smet zich meer op zijn gemak en swingt het leeswerk bij tijd en wijle.

Er is hoe dan ook veel te genieten. Hoogtepunt zijn de hoofdstukken over het voorbeeldige gedrag bij de stripbladen – Kuifje, Robbedoes – en hoe dat gaandeweg steeds wereldser werd. Het pikante hoofdstuk over seks, porno en erotiek daarentegen is voorspelbaarder, in verhaal en voorbeeld.

Wie het een en ander weet over maatschappelijke tendensen, politieke situaties en dergelijke bij ons, kan prima met het boek uit de voeten; veel voorgestelde zaken passen naadloos in hun tijdsgewricht. Het stugge van de jaren veertig en vijftig met af en toe een pikant oe-lalaatje tot de expliciete en gewelddadige jaren zeventig en tachtig, waarin ineens veel meer kon – en vooral moest kunnen. Alles komt aan bod.

Toch opmerkelijk dat Smet een jaartje of vier geleden een streep heeft getrokken. Dat is af te lezen aan de bibliografieën – die hij na ieder hoofdstuk plaatst, in plaats van allemaal tegelijk achterin: de geraadpleegde bronnen gaan tot ongeveer 2016. De nieuwste actualiteit, waarin censuur een steeds grotere rol speelt, komt niet aan bod. De huidige discussie over inclusiviteit, cancel culture, genderidentiteit en andere vormen van emancipatie laat hij onbenoemd – terwijl daar toch meer dan genoeg raakvlakken met censuur zijn. Dat er tegenwoordig met name jonge lezers zijn die aanstoot nemen aan veel strips vanwege onverholen vooroordelen en ongewenste stereotyperingen, is niet terug te vinden in Duizend bommen en castraten. Het maakt alsof censuur iets van vroeger is.

Als het bijvoorbeeld over ras gaat, dan komt Kuifje in Afrika weer langs en wordt er stilgestaan bij de klassieke beelden van negers met dikke lippen en de Fransman met zijn baguette. Alsof dat van hetzelfde laken een pak is. Dit maakt het hoofdstuk over politieke correctheid en racisme wel erg braaf en kort door de bocht – nog los van de beperkte omvang van dat deel.

Bijzonder is dan weer wel dat Smet in zijn voorwoord melding maakt van enige vorm van zelfcensuur: “sommige illustraties zouden tegenwoordig, met de toegenomen politieke correctheid, té aanstootgevend kunnen zijn”. Het is dus een keuze geweest om de precaire huidige tijd met rust te laten, net als onder meer “manga, feminisme en religie”, zoals de auteur het zelf opsomt.

Er is al veel verteld en geschreven over censuur, maar nooit zo uitvoerig als Smet heeft gedaan. Toch ligt het grote deel van zijn vorserwerk nadrukkelijk op de Franco-Belgische strip, en worden met name bekende titels en namen genoemd. Dus wel de censuur bij Pilote en A Suivre van veertig jaar geleden, maar geen Je suis Charlie; wel Lucky Luke’s grassprietje, maar geen Mohammedcartoons of Gregorius Nekschot. Keuzes, keuzes.

De aspirant-lezer moet weten dat het vooral over de geschiedenis van censuur in strips gaat. Smet hangt veel van de anekdotes op aan het taboe dat er ooit was en later werd doorbroken. Maar los daarvan is hier een huzarenstukje afgeleverd: Duizend bommen en castraten is een zeer lezenswaardige pil geworden, die beslist een plek verdient in de kast met secundaire werken. De tweede druk schijnt eraan te komen; het geeft aan dat er nood was aan een fors en gedegen overzichtswerk over censuur in het beeldverhaal. Het toch al indrukwekkende palmares van Smet is in één klap met bijna drie kilo toegenomen. Dat doen weinigen hem na.

Jan Smet – Duizend bommen en castraten. Censuur in de strip. Uitgeverij Vrijdag. 572 pagina’s hardcover. € 45,00.

Strips & comics

Gelezen: BeKa & Marko – De dag waarop… 4: hij zijn koffers achterna reisde

Het is nogal een stap die de striplezer moet zetten als die zich waagt aan één van de vier delen van de spirituele reeks De dag waarop… die sinds 2019 bij uitgeverij Daedalus verschijnt. In de reeks min of meer losstaande verhalen gaan de hoofdpersonen op zoek naar de eigen ware aard, onze identiteit en de zin van alles. En inderdaad, zo zweverig als dat klinkt zo zijn de albums. Het is Happinez all over en zo moet de lezer deze stripreeks beoordelen.

En toch, het mag zo klinken, maar de verhalen zijn veel meer dan alleen maar zenverhaaltjes over loslaten, leren voelen en het doorgronden van de eigen plaats in het grotere geheel, om maar eens een dwarsstraat te noemen. De albums zijn feitelijk raamvertellingen, waarbij een actuele gebeurtenis (die wordt genoemd in de titel) als vehikel dient om oosterse volksverhalen met de lezer te delen. Verantwoordelijk voor de prettig leesbare kost is het scenaristenduo Béka – een pseudoniem van de Franse schrijvers Bertrand Escaich en Caroline Roque, die onlangs ook al met De Blauwbloezen aan de haal gingen.

Het concept is als volgt: het vierde deel van de reeks heet De dag waarop hij zijn koffers achterna reisde. Guillaume, de hij uit de titel, gaat met zijn vriendin naar Bali voor een meditiatiereis. Eenmaal op Bali aangekomen blijken zijn koffers nog niet op het vliegveld te zijn. Terwijl de groep alvast naar het retraite-oord verkast, blijft Guillaume op de koffers wachten. En dan ontmoet hij allerlei mensen die met hem in gesprek gaan. En precies om die gesprekken gaat het in deze reeks.

Op dezelfde manier ging het in het eerste deel, De dag waarop de bus zonder haar vertrok en deel 3, De dag waarop ze niet naar Compostella ging. Alleen deel 2 is een buitenbeentje, om meerdere redenen: het verhaal is een soort vervolg op het eerste deel, maar slaat de plank conceptueel en inhoudelijk mis. Het is een pedante en vervelende aflevering waarin de hoofdpersoon zogenaamd zelf tot allerlei ontdekking komt en ongeveer in een sektarische club betweters beland. Een smetje, want de overige drie delen zijn zoveel beter, mooier, interessanter en leerrijker.

Voor wie er wat vanaf weet: de verhalen leunen sterk op de boeddhistische begrippen kensho en mujodo no taigen, respectievelijk het inzicht in je ware aard en de manier waarop je die inzichten toepast in het dagelijkse leven. De verhalen die de lezer voorgehouden krijgt, gaan over heel herkenbare situaties – zaken als ongeduld, boosheid en afgunst. Die worden benoemd en in een ander perspectief gezet, soms door een anekdote uit de oude traditie te vertellen.

De enscenering tilt de sfeer van de vertellingen op een hoger niveau. De inkleuringen van Maëla zijn exotisch en op een herkenbare manier oosters. Misschien niet meteen zoals het is, maar zoals wij denken dat het moet zijn. Dat serene maakt de lezer extra vatbaar; de vriendelijke, vloeiende tekeningen van Marko (pseudoniem van Marc Armspach) dragen bij aan het gehele welbevinden. De figuren van Marko hebben altijd iets prettigs in hun gezicht, alle scherpe kantjes zijn uit hun wezen geslepen, zo lijkt het. Soms voelt die extreme positiviteit bijna gekunsteld aan; maar dan realiseren we ons weer wat we lezen. Het gaat om de positieve kant, om het inzicht. De lezer leert immers niets van agressie, boosheid en negativiteit.

De dag waarop… is niet ieders kopje yogithee, maar meer lezers zouden het eens moeten lezen. Akkoord, het is geen Robin Hood, geen onderzeeboot en geen jonge dame die wraak neemt op de moordenaars van haar familie, maar hé: moeten alle strips dan plat vermaak en simpele kost zijn? Het is juist verfrissend om soms eens iets anders te lezen, iets anders te ontdekken en ook eens verder te kijken dan de geijkte paden. Het mooie van deze stripserie is dat het heel toegankelijk is: voor geoefende lezers en voor nieuwe. Voor mensen die interesse hebben in wijsheden en voor anderen die er eens mee willen kennismaken. En na een album snel weer aan de superhelden? Prima toch! Wie zijn wij om te oordelen?

Beka & Marko – De dag waarop… 4: hij zijn koffers achterna reisde. Daedalus. 72 pagina’s hardcover. € 19,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Yves Delitte – De grote zeeslagen 13: La Hougue

Boten, boten en nog eens boten. Wie het werk van de Belgische stripmaker Jean-Yves Delitte een beetje kent, weet dat het negen van de tien keer draait om scheepvaart. Sinds de beginjaren van deze eeuw werkt hij aan strips die zich op of nabij het water afspelen, met de nautische succesreeksen Belem en Black Crow als blikvangers. Onlangs verscheen het eerste deel van Black Beard, nog maar eens een piratenreeks waarvan de stripliefhebber intussen de ingrediënten kan dromen.

Maar in het geval van Delitte is het geen straf: als geen ander weet hij schepen in al hun glorie te tekenen. Dat doet hij niet onverdienstelijk overigens. Vanwege zijn accuratesse is hij lid van de Academie voor Kunsten en Wetenschappen van de Zee en officieel marinie-schilder. Hij draagt ​​ook het Ridderkruis in de Orde van de Kroon. Kortom, geen onbeduidende stripmaker, zogezegd.

Ook in zijn serie rond de grote zeeslagen uit de wereldgeschiedenis is het nautisch leven wat de klok slaat. Intussen zijn daar dertien delen van verschenen. De serie – getiteld De grote zeeslagen, voor alle duidelijkheid – behandelt allerlei zeeslagen, opgedeeld in vier tijdperken: de oudheid, de middeleeuwen, de nieuwe tijd (van 1492 tot 1789) en de nieuwste tijd, die na de Franse revolutie begon. Deze tijdvlakken zijn op de albumruggen aangegeven met een kleurcode.

De reeks is wisselvallig. Omdat Delitte niet tornt aan de geschiedschrijving en het nergens iets mooier maakt dan het is, moet de lezer het vaak met een verhaal doen dat niet werkelijk op gang komt. Een zeeslag zelf is nu eenmaal niet een album lang interessant. Met name de zeeslagen uit de twee eerste tijdvlakken hebben last van dat manco, want in de aanloop naar de zeeslagen zelf – die altijd worden uitgevochten vanaf driekwart van het album – gebeurt niet bijster veel. En wat er plaatsvindt is vaak veel te complex voor de tijd die Delitte ervoor neemt, of krijgt.

Neem de zeeslag bij La Hougue, waarover het dertiende album gaat. We schrijven het jaar 1688, tijdens de Negenjarige Oorlog, als Frankrijk strijdt tegen zo ongeveer heel Europa. Lodewijk XIV, de Zonnekoning, wil uitbreiden en overspeelt zijn hand. In een overmoedige bui wil hij een vazal op de Engelse troon installeren. Daartoe moet hij het Kanaal tussen Frankrijk en Engeland innemen om zo zijn troepen naar het Britse schiereiland te kunnen overbrengen. Maar hij verkijkt zich op de slagkracht van de Britten die samenspannen met de Hollanders, die ook nog een appeltje met Lodewijk te schillen hebben. Al deze context wordt tussen de regels door in dialogen en situaties verstopt.

De aanloop naar de confrontatie is zwanger van de informatie: allerlei gepruikte types lopen rond met plannetjes en zorgen, Lodewijk gedraagt zich als een verwende despoot en commandeert zijn ondergeschikten die hem niet durven tegen te spreken. Dat ze als kanonnenvoer dienen, deert ze vervolgens niet: liever dat dan de absolute vorst tegen de haren instrijken. De lezer neemt het allemaal aan.

Wat bovendien niet handig uitpakt is dat Delitte vaak kiest voor de slag zelf: het gaat om de historische omtrek en bijvoorbeeld niet over de zeelieden. Het wordt er stijf en droog van. Een persoonlijk verhaal dat buiten het strikt historische kader speelt zou de reeks een stuk aantrekkelijker maken. Dat bewees Delitte nota bene zelf in het twaalfde deel, dat over het onoverwinnelijk geachte Duitse slagschip de Bismarck handelt. In dat verhaal volgen we twee scheepslieden die het verhaal van binnenuit vertellen: het is veruit het beste verhaal van de reeks en zelfs een van de beste nautische strips die ooit verscheen.

Delitte heeft met de reeks beslist iets moois in handen, maar doet er getuige de laatste twee albums goed aan te kiezen voor een menselijker aanpak: als er een extra laag aan de verhalen wordt toegevoegd, gaan de verhalen leven en wordt de aanloop naar de slag meteen een stuk interessanter, in ieder geval voor lezers die niet uitsluitend voor de mooie schepen gaan.

Jean-Yves Delitte – De grote zeeslagen 13: La Hougue. Glénat. 48 pagina’s hardcover. € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Hans G. Kresse – Indianenreeks 3: Eer

Kenners van de klassieke strip zeggen dat het werk van Hans G. Kresse nooit is weggeweest; de jongere striplezer kent het vooral van de verhalen die opa erover vertelt. Kresse is van Eric de Noorman, maar hij deed meer. Diens indianenverhalen zijn onlangs volledig heruitgegeven in drie flinke integrales. Het derde deel, Eer, verscheen deze maand, met daarin opgenomen de verhalen De gierenjagers, De prijs van de vrijheid, De eer van een krijger en De lokroep van Quivera. Titels die tot de verbeelding spreken: het geeft een mooi inkijkje in wat de lezer te wachten staat.

En laten we wel wezen: die lezer is intussen al bejaard, al wil dat niet zeggen dat de verhalen niet een zekere schwung hebben gehouden. Jonge mensen – zeg, striplezers tot 45 jaar – kunnen zich om die reden toch met de indianenverhalen vermaken. De verstokte fan zal zeggen dat al het werk van Kresse jeugdig is gebleven, maar in het geval van deze reeks is er wat voor te zeggen. Oké, de dialogen zijn hier en daar wat onbeholpen, maar charmant is het zeker. En daarbij komt dat het westerngenre nooit werkelijk vernieuwend is geweest: altijd van dik hout en met sappige gesprekken waarin het de bedoeling lijkt zoveel mogelijk clichés op te dissen. Alleen het bezadigde tempo van de Indianenreeks is anders dan van de meeste westerns.

Inhoudelijk zijn de verhalen van Kresse bakens van beschaving en rust. Dat heeft vooral te maken met het perspectief: de verhalen worden vanuit de indiaan verteld, en wie westerns leest weet dat die mensen ingetogen en nadenkend zijn, in tegenstelling tot de losgeslagen bendes cowboys, outlaws, gringo’s en yankees die denken met drank in de mik en een pistool in de aanslag. Het was altijd het vertrekpunt van Kresse: hoe de blanken in het wilde westen zich misdroegen tegenover de beschaafde oorspronkelijke bewoners.

De pagina’s zijn opgefrist en voorzien van een nieuwe lettering. Met name dat laatste is een vooruitgang ten opzichte van de eerdere uitgaven, waarin de hoekige letters vaak door de balloons dwarrelden – al had de corpsgrootte iets flinker gemogen. De inkleuring is bijzonder, beetje apart zelfs: grote vlakken met verloopjes op de horizon, bosschages in een enkele kleur groen en alle indianen in een egale kleur oranjebruin.

De drie integraaldelen tezamen bundelen alle negen complete verhalen van Kresse’s indianenverhalen die hij maakte tussen 1973 en 1982, samen met De Lokroep van Quivera, een verhaal dat postuum verscheen en werd uitgegeven door de Stichting Hans G. Kresse. Dat laatste verhaal is in zwart wit, terwijl de rest is ingekleurd. Belangrijker is dat het niet voltooid is.

Dat het ooit toch als album verscheen en nu opnieuw is opgenomen in de reeks, laat zien hoe belangrijk men het werk van Kresse vindt. Het hoort bij de cultus die nog altijd om ’s mans werk hangt. Er is een heuse De Kresse-kring die zich ten doel stelt het werk van Kresse voor het nageslacht te bewaren.

Hans G. Kresse (1921-1992) is onlosmakelijk verbonden aan zijn bekendse creatie Eric de Noorman. Hij was daarnaast een begenadigd illustrator, die werkte voor bladen als Panorama, Margriet, Pep en Donald Duck. De oudere garde kent hem verder van de illustraties die hij maakte voor de Arendsoog-boeken. Halverwege de jaren zestig tekende hij de reeks Vidocq, een strip rond Eugène François Vidocq, de Franse evenknie van de Amerikaanse privédetective Allan Pinkerton, over wie ook talloze strips verschenen.

Voorin in de drie integrales staan Kresse-kenners Rob van Eijck en Rob van der Nol steeds kort stil bij de Indianenreeks: bekwaam, tikje droog, maar interessant genoeg vanwege het beeldmateriaal. In het derde deel gaat het tien pagina’s lang over de Unvollendete, dat vreemde Duitse woord dat kortgeleden ineens overal opdook toen het over het Suske & Wiske-verhaal De sonometer ging. In Kresse’s geval verwijst het naar het tiende album dat hij nooit afrondde. De heren kenners staan er uitvoerig bij stil.

Er valt van alles te zeggen voor en tegen de reeks. Jonge lezers zullen eerder gaan voor de nieuwe westerns – en die zijn er genoeg. Maar toch missen ze dan een bijzondere blik op het prairieleven. Kresse wist veel van de geschiedenis van de Noord-Amerikaanse Indianen en dat lees je terug. Misschien dat al die feitenkennis iets van de spanning wegnam, het zorgt er tegelijk voor dat de lezer mooie inzichten krijgt over de Apachen. Het doet hier en daar wat denken aan de contemplatieve verhaallijnen in Buddy Longway en Jonathan – twee series die niets te maken hebben met de Apachen van Kresse, maar die ook blijk geven van een verlangen om andere culturen te leren begrijpen.

Wie van westerns houdt kan niet om de Indianenreeks van Kresse heen, zoveel is duidelijk. De drie integrales zijn met zorg en toewijding samengesteld en uitgegeven, en horen thuis in iedere serieuze westernverzameling.

Hans G. Kresse – Indianenreeks 3: Eer. Arboris. 192 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Yoshiharu Tsuge – The man without talent

Biografieën zijn doorgaans flinke pillen. Wie het tot een boek over zijn of haar leven heeft geschopt verdient alle toewijding en nuancering, tot haarkloverij aan toe. Verstripte biografieën zijn in de westerse wereld een zeldzaamheid, daarvoor moet je toch in Japan zijn. De mooiste biografieën van stripauteurs (Marc Eliot’s Walt Disney, Marten Toonder van Wim Hazeu en Bob Andelman’s Will Eisner: A spirited life) zijn allemaal geschreven. Laten we het erop houden dat het een enorme klus is om alles uit te tekenen, en het boeiend te houden.

Om met het laatste te beginnen. De getekende biografie van manga-grootheid Osamu Tezuka, The Osamu Tezuka Story, a life in manga and anime, telt 914 pagina’s en staat tjokvol chronologisch opgediste anekdotes, successen en bespiegelingen. Het werk, van Toshio Ban én Tezuka Productions, is zo totaal dweperig en over de top dat het al na 200 pagina’s niet meer te pruimen is. Als je denkt dat Tezuka (1928-1989, auteur van Astro Boy, Boeddha en Dororo) eventjes niet tekent, dan doet hij andere virtuoze dingen. Hij was de mens der mensen, die in grootte zelfs King Kong angst aanjoeg. Hoofdstuk na hoofdstuk, het gaat maar door. Tenenkrommend, al weten ze er wel enorm de vaart in te houden – dat wel.

Veel boeiender, en met 854 pagina’s bijna net zo dik, is de eveneens getekende autobiografie A drifting life van Yoshihiro Tatsumi (1935-2015). Tatsumi zet zichzelf niet op de voorgrond maar laat de lezer meebeleven hoe de wereld – en met name Japan – was toen hij opgroeide. Vooral de periode net na WOII, met de nasleep van de bombardementen op Hirosjima en Nagasaki en de Japanse capitulatie, is indrukwekkend in beeld gebracht. Hoe in al die misère een eenvoudige jongeman ervoor kiest om toch zijn droom na te jagen en mangaka (stripmaker) te worden. Met vallen en opstaan, en naar eigen zeggen zelfs aan het einde van zijn leven nog niet daar waar hij had willen zijn.

In al dat geweld van aantallen pagina’s vallen de 216 bladzijden van de autobiografie van de alternatieve Japanse mangaka Yoshiharu Tsuge (1937) nogal tegen. Waarom dat is, bewijst hij met de titel al: The man without talent. Tsuge is nooit werkelijk overtuigd geweest van zijn ambities. Zijn luiheid loopt als een rode draad door het verhaal. Steeds als hij zich weer aan iets nieuws zet om in zijn levensonderhoud te voorzien, zakt hem de moed na verloop van tijd in de schoenen. De hoofdpersoon, waarin wij Tsuge kunnen lezen zonder dat de maker dat expliciteert, verkoopt stenen, fototoestellen en handelt in tweedehands gerei, dat hij opscharrelt bij oude mensen en andere handelaren.

Het verhaal is grimmig van toon. De verveling en het gebrek aan pit bij de larmoyante hoofdpersoon draagt bij aan een gevoel van algehele malaise. Alles gaat met zoveel moeite, dat het moeilijk is voor te stellen hoe iemand zo met zichzelf kan leven. Alle blikken zijn terneergeslagen, er wordt nooit eens gelachen, nergens is uitbundigheid – behalve als er eens wordt gezopen, maar dan voorvoelt de lezer de ellende van de volgende ochtend al mijlenver aankomen. En toch lijkt het soms goed te komen, misschien omdat we weten dat de hoofdpersoon goed kan tekenen en zijn vrouw er steeds op hamert om gewoon weer strips te gaan maken voor de kost. Maar nee, hij wil niet. Hij kiest voor iets anders, wat dan ook.

Dat het Tsuge zelf is die hij portretteert, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij zelf ook jarenlang in fototoestellen handelde om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast is er een nawoord van vertaler Ryan Holmberg, waarin dat nog eens wordt uiteengezet. Tsuge tekende vanaf halverwege de jaren zestig. Omdat hij zijn leven lang aan depressies lijdt en teleurgesteld is in de Japanse uitgeverswereld die uitsluitend oog heeft voor verkoopsuccessen, stopt hij voorgoed in 1987. Daarna trekt hij zich terug uit het openbare leven.

Yoshiharu Tsuge wordt gezien als een innovatieve mangaka die zich in de jaren zestig en zeventig richtte op een volwassen lezerspubliek met serieuze beeldverhalen, die tot dan toe ongekend waren in Japan. Zijn buitenissige verhalen leverde Tsuge in eigen land een cultstatus op. Zijn werk is surrealistisch, dramatisch en vooral: hij kiest steevast voor een gekwelde hoofdpersoon, iemand met ondeugd en twijfel. Tsuge voert als eerste auteur een getormenteerde held op die met zijn eigen beperkingen wordt geconfronteerd: de lezer is deelgenoot van zijn depressies, zijn tweestrijd. Niet eerder werden personages zo kwetsbaar neergezet, vooral omdat manga doorgaans plat vermaak was.

Tsuge haakt met zijn verhalen aan bij wat gekiga wordt genoemd. Gekiga is de meer literaire variant van manga waarin serieuze thema’s worden behandeld. Het is te vergelijken met het onderscheid dat wij hanteren voor strip en graphic novel. De bekendste gekiga-auteur is de eerder genoemde Tatsumi. Diens grimmige verhalen die spelen aan de onderkant van de naoorlogse Japanse samenleving zijn schrijnend en hard, ondanks de vriendelijke, karikaturale tekenstijl waarin Tatsumi ze uitwerkt.

Ondanks de cultstatus van Tsuge en zijn succes in eigen land, bleef zijn werk lange tijd onopgemerkt buiten Japan. Het baanbrekende striptijdschrift Raw, dat verscheen van 1980 tot 1991 en onder redactie stond van Maus-tekenaar Art Spiegelman, publiceerde als eerste twee korte verhalen van Tsuge. In 2004 werd Muno no Hito (De man zonder talent) in het Frans vertaald en prompt genomineerd voor de prijs van beste album op het stripfestival van Angoulême. Vorig jaar verscheen de Engelse vertaling bij New York Review Comics, de stripuitgeverij die is gelieerd aan The New York Review of Books. Het geeft aan hoe Tsuges werk met terugwerkende kracht wordt gewaardeerd, tot en met de grote, indrukwekkende overzichtstentoonstelling op het stripfestival van Angoulême in 2020 aan toe. Het laat zien hoe de serieuze manga zich door de jaren heeft ontwikkeld.

Het Canadese Drawn & Quarterly, dat ook het werk uitgeeft van vooraanstaande auteurs als Daniel Clowes, Seth, Julie Doucet en Chris Ware, is voornemens het complete oeuvre van Tsuge integraal in het Engels te bezorgen. Het eerste deel, The swamp, verscheen vorig jaar: het is een chronologische bundeling van zijn vroegste verhalen. In juli verschijnt het tweede deel, Red flowers. Het werk is grilliger dan zijn autobiografie, maar ook zeer de moeite waard.

Yoshiharu Tsuge – The man without talent, vertaling Ryan Holmberg. New York Review Comics. 240 pagina’s, hardcover. € 19,69

Strips & comics

Gelezen: Nob – Dad 7: De stille kracht

Nederland heeft iets met de familiestrip. Dat komt vooral door de Libelle en Margriet, het lijfblad van onze moeders. Achterin stonden respectievelijk Jan, Jans en de Kinderen – veruit de bekendste stripfamilie van Nederland – en de Familie Achterop, een Amerikaanse klassieker die echt veel leuker is dan we ons herinneren.

Nieuwere series hebben vaak nog familiebanden, denk aan Elsje, maar die zijn minder dwingend en minder traditioneel. Overigens, een dingetje dat al voorzichtig werd ingezet door Jan Kruis die netjes meebewoog met de tijdsgeest en af en toe een Bewust Ongehuwde Moeder opvoerde.

In Frankrijk is er een strip over een vijfpersoonshuishouden, bestaande uit vier dochters en een vader: het is de reeks Dad van de Franse stripmaker Nob (pseudoniem van Bruno Chevrier). Nob is mateloos populair in Frankrijk, door Dad en ook door Mamette, een zalige strip over een oud dametje dat nog behoorlijk bij de pinken is. Mamette is een reeks om onvoorwaardelijk van te houden: de delen die in het Nederlands verschenen zijn stuk voor stuk geweldig én worden steeds beter – wat ook niet altijd zo gaat bij series. Het is een kwestie van geduld en een beetje hoop dat de jeugdjaren van Mamette ook in het Nederlands verschijnen: Les souvenirs de Mamette hoort bij de mooiste kinderverhalen die er zijn. De verhalen zijn warm en liefdevol maar everecensie dad tngoed zielig en een beetje verdrietig; zoals het leven zelf. Konden we de uitgevers maar eens diep in de ogen kijken.

Terug naar Dad, waarvan onlangs een zevende deel verscheen: De stille kracht. In een prettige reeks eenpaginaverhaaltjes volgen we het huishouden van vier schattige stoorzendertjes en een doorpakkende huisvader, die af en toe tijd voor zichzelf wenst. De kinderen zijn lekker verschillend, niet in de laatste plaats omdat ze van vijf verschillende moeders zijn. Dat verhaalgegeven is gewoon een feit; nergens krijgen we een terugblik op de voorgaande jaren of horen of zien we iets van een van de moeders. Niet dat Dad niet met vrouwen bezig is overigens…

Dad is trouwens ook gewoon Dad, hij wordt nergens bij naam genoemd. Buiten zijn drukke bestaan als huisvader heeft hij natuurlijk nog dromen en wensen, die beginnen met een goed figuur. Althans, dat ziet hij als een voorwaarde voor een fijne toekomst, en dus sleurt hij aan halters, hangt aan optrekstangen en poseert hij bevallig voor de spiegel, uiteraard gadegeslagen door zijn pestende puberdochter, de giechelige negenjarige en de twee kleintjes die ieder voor zich gek opkijken naar hun papa.

De verhaaltjes zijn innemend, schattig en geestig. Er wordt geglimlacht, niet geschaterd. Het knappe van de reeks is het constante niveau, al is het fijn te merken dat de kinderen nu eens niet de sfeer van de verhaaltjes bepalen, maar Dad. Je zou bijna zeggen dat Dad eindelijk een beetje voor zichzelf kiest en af en toe zijn kwetsbaarheid toont. Het zou leuk zijn als hem nog eens iets overkwam: een vriendin of een leuke buurvrouw of zo.

Stel dat Dad een serie is die nog lang bij ons blijft en die net als Jan Jans en de Kinderen meegroeit met het leven: dan zou het een reeks kunnen worden die meer wordt dan de situationele grappen van de eerste zes delen. Dat Dad maatschappelijker wordt, iets meer naar buiten kijkt en iets minder leunt op de strapatsen van opgroeiende kinderen – hoe verleidelijk dat ook is. Misschien is Nob die weg al ingeslagen met dit zevende deel. Zou hij dat bedoelen met de stille kracht?

Nob – Dad 7: De stille kracht. 48 pagina’s. € 7,50.

Strips & comics

Gelezen: Jacob Phillips & Chris Condon – That Texas Blood Vol 1

Sean Phillips is een gevierd Brits stripmaker die samen met de Amerikaanse scenarist Ed Brubaker grote triomfen viert in het crime noir genre. Hun albums (Criminal, Pulp, Cruel Summer) zijn stuk voor stuk grote klasse. De scenario’s en het perfecte tekenwerk worden alom geroemd, net als de heel uitgesproken en gewaagde inkleuringen van Jacob Phillips – zoon van. Jacob kiest gerust voor roze luchten, lichtblauw gevlekte gezichten en achtergronden waarin de kleuren over elkaar zijn geplakt. Zijn stijl draagt bij aan de kracht van de verhalen.

Deze Jacob Phillips heeft meer in zijn mars. Vorig jaar tekende hij het zesdelige That Texas Blood, een comic die het best te omschrijven is als een southern crime drama. Dat betekent concreet: plat pratende Zuidelijke lowlifes, uitzichtloze situaties en veel criminaliteit. Het zijn de ingrediënten waar Brubaker en Phillips in hun reeksen ook mee werken.

Phillips tekent en kleurt in, op scenario van Chris Condon. Samen hebben ze de sfeer goed te pakken: alles lijkt uit het handboek van Brubaker en Phillips sr te komen. Dat is mooi, want dat legt de lat hoog en geeft de lezer waar voor zijn geld, maar is tegelijk een beetje jammer. Het oogt allemaal wel bijzonder identiek. Het tekenwerk van Jacob lijkt als twee druppels op dat van zijn vader; dat is nog eens niet zo storend, maar toch. Niemand kiest voor een exacte kopie. Bijzonder is wel dat het lijkt alsof Jacob Phillips niet voluit is gegaan met de inkleuring. Het is natuurgetrouwer en minder expressief.

Het verhaal zit erg strak in elkaar. Het ontwikkelt zich tergend langzaam, alles speelt zich per uur af. Randy, een jonge vent van een jaar of dertig, keert terug naar zijn geboorteplaats nadat zijn jongere broer is overleden – als dat al een reden is, dan is het een vreemde, want zijn broertje zat tot zijn nek in de duistere zaken en zijn dood is geen natuurlijke. Uiteraard wordt Randy niet met open armen ontvangen: duistere types zijn meteen alert. Komt hij om wraak te nemen?

De lokale sheriff, een rustige man van zeventig lentes die luistert naar de naam Joe Bob Coates, ontfermt zich over Randy. Joe probeert de boel in bedwang te houden en weet Randy én zijn tegenstanders te neutraliseren. Tenminste, zo lijkt het. Er zijn in het slaperige stadje teveel mensen met teveel meningen.

Zelfs in deze summiere samenvatting valt er niet te ontkomen aan een hele bult clichés. Tel er de typische diner, het verlaten meisje en de morsige hotelkamers bij op en je hebt een perfect beeld van het verhaal. Om daarmee weg te komen, moet er iets goed zitten. In That Texas Blood vinden we dat vooral in het tempo en in de rust die met name Joe en Randy uitstralen. Onderhuids broeit het, van buiten zien we er niets van terug. Dat is knap, dat houdt het verhaal gaande.

Toch voelt iedereen op zijn klompen aan dat Randy niet onverrichter zake naar huis gaat. Want ja, als niemand hem vertelt wie zijn broertje heeft vermoord, dan moet hij dat zelf uitzoeken. Of niet dan? Als de trade paper back, die de losse delen 1 tot en met 6 bundelt, eenmaal uit is, zijn er de onvermijdelijke zwaailichten en lege blikken. Met een helluva surprise, if y’all know whatter mean.

That Texas Blood is uiteindelijk een prima verhaal gebleken, een aanrader zonder meer. Het is een echte Phillips en eigenlijk ook een echte Brubaker. Misschien hebben de jonge makers deze eerste ronde nodig gehad, maar een volgende keer mogen ze iets verrassender uit de hoek komen. Deze klappen kennen we intussen, en ook al beter.

Jacob Phillips & Chris Condon – That Texas Blood Vol 1. Image. 144 pagina’s. € 15,99.