Strips & comics

Gelezen: Molly Mendoza – Skip

Skip staat voor overslaan, maar ook voor keilen, het over het water laten dansen van een platte steen tot die zinkt. Bloom, de jonge hoofdpersoon uit Molly Mendoza’s graphic novel, keilt steentjes over het meer waar hij met zijn moeder woont. Het verhaal speelt in de toekomst, ver genoeg om de entourage post-apocalyptisch te noemen. Er zijn geen anderen, alleen aan de overzijde van het meer: daar is de stad met God mag weten wat voor figuren. De moeder van Bloom vertrekt op een dag: er moeten zaken worden geregeld. Bloom blijft achter en belooft haar op de nering te passen. Dat gaat vrijwel direct mis: tijdens het keilen gooit hij per ongeluk met medaillon van zijn moeder in het meer.

Bloom gaat onder water en komt daar terecht in een fantasiewerkelijkheid: een laag in een laag in een laag. Bloom weet het niet meer, net zo min als de lezer nog enig idee heeft. Die wordt danig heen en weer geschud door de kleurrijke en uitbundige grafische hoogstandjes van de Amerikaanse Mendoza. Haar werk is flamboyant, grotesk en wordt toch nergens eng: ook als Bloom geen idee heeft waar hij is en wat hem overkomt, voelen we niet zijn angst voor het onbekende. Waarin we Bloom wel leren kennen is zijn angst om niet te doen wat van hem wordt verlangd. Hij kan maar beter snel weer teruggaan naar het meer, zodat hij kan doen wat zijn moeder hem opdroeg: zorgen dat alles op rolletjes blijft lopen in haar afwezigheid.

Bloom ontmoet een figuur met een baseball-cap, die eruit ziet als het langharige broertje van Inio Asano’s Punpun. Deze Gloopy deugt ook niet werkelijk: zijn vrienden werken en hij kan maar niet voldoen aan hun wensen en eisen. Gloopy zegt dat hij graag zelf iets wil betekenen, zelf iets wil doen, en niet alleen maar wat ze hem opdragen. In ieder geval kan Gloopy Bloom wel helpen terug te keren naar het meer. Tenminste, dat belooft hij hem.

In feite schiet het verhaal dan pas echt uit de startblokken, want pagina’s lang wordt de lezer meegevoerd in fantasiewerelden waarin het even makkelijk te raken is als uit weg te gaan. Het is bij vlagen hallucinant, absurd en fantasievol. Het knappe is dat Mendoza gaandeweg steeds meer van een verhaal in de pagina’s verwerkt: aan de hand van de gesprekken tussen Gloopy en Bloom, en met figuren die ze in de verschillende dimensies ontmoeten. Terwijl je het grilliger en gekker verwacht, wordt de vertelling steeds menselijker en tastbaarder.

Het verhaal van Skip is dat van een toegankelijke Bildungsroman, over vriendschap en verwachtingen. Gloopy en Bloom praten over hun angsten, hun zwaktes en wat ze hopen dat gaat gebeuren. Ze ontdekken elkaars sterke punten, geven complimenten en dan gebeurt iets moois: wij zien twee personages die ontdekken wie ze echt zijn. Twee adolescenten met vragen en twijfels. Dat is het moment dat Skip hartverwarmend wordt, dat de lezer in alle buitendimensionele gekte ontdekt wat er al die tijd al in gang in gezet: twee jongens willen thuiskomen en ontdekken dat ze niet hoeven terug te keren naar waar ze vandaan kwamen.

Skip is een graphic novel die even moet indalen. De overdadige pagina’s dansen en hebben weinig van een klassieke strip. Het tempo is hoog. Tenminste, als je de tekst volgt en aan de pagina’s zonder tekst voorbij gaat. Mendoza geeft van tevoren weinig houvast, het duurt een poos voordat de lezer accepteert dat er veel onuitgesproken blijft. En dan is er nog een groep lezers die het vanzelf benauwd krijgt van boeken uit de Nobrow-stal: een uitgever die nog nooit concessies heeft gedaan aan wie of wat dan ook. Nobrow is avontuur en wie dat niet aandurft, zoekt zijn heil beter elders.

Voor wie durft is Skip een prachtige ontdekkingstocht, een perfect verhaal dat je met een glimlach weglegt. Misschien zit daar de winst: het kost een hoop overredingskracht en lef om het album te omarmen, maar eenmaal over de helft en het openbaart zich aan je als een vertelling van hoop en liefde. Van het mooie zoeken en het mooiere vinden. Skip is intrigerend, fascinerend en overdadig. Lees het vooral en ga dan nog eens over de pagina’s: het is veel zo niet alles wat een (s)trip de moeite waard maakt.

Molly Mendoza – Skip. Nobrow. 168 pagina’s hardcover. €20.00.

Strips & comics

Gelezen: Christian Lax – Moeder met kind

Ze slaan opnieuw toe, Christian Lax én het Louvre. De Fransman Lax tekende een album in de reeks die het Parijse museum in 2002 in gang zette en sindsdien een aantal fraaie titels heeft voortgebracht. Het idee is dat vooraanstaande stripmakers worden uitgenodigd een verhaal te maken dat op een of andere manier gekoppeld is aan het Parijse museum. Het Louvre werkt samen met de Franse kwaliteitsuitgeverij Futuropolis en dat levert mooie albums op: Jiro Taniguchi’s Wachters van het Louvre, Cats of the Louvre van Taiyo Matsumoto en Yslaire’s De hemel boven het Louvre. Ook het pas onlangs in het Nederlands verschenen De krochten van het Vourlé van Marc-Antoine Mathieu hoort in de reeks, die nadrukkelijk eens niet educatief is opgezet om kinderen op een speelse manier te interesseren voor kunst. Het Louvre koos voor mooie verhalen, voor diepgang en klasse, gericht op volwassen striplezers. Typisch Frans, dus.

Moeder met kind van de Fransman Christian Lax, die ook het scenario voor zijn rekening nam, is een bijzonder verhaal dat het museum verbindt met Afrika, het koloniale Franse verleden, de roof van kunstschatten en een persoonlijk verhaal van een Malinese jongeman die de opdracht krijgt een uniek, eeuwenoud beeldje in veiligheid te brengen.

Alou, een twintiger die in zijn geboortestreek een zongenaamde honingjager is, wordt op een dag gemolesteerd door een groep moslimextremisten, die uit zijn op totale heerschappij in de streek. Zij zien kunst als afgoderij, zolang het niet in het teken staat van de verering van Mohammed. Alou krijgt daarom een opdracht van een oude wijze: breng een beeldje van een zwangere vrouw, Moeder met kind genaamd, naar Parijs en verenig het daar met het enig andere vergelijkbare beeld uit de Dogon-traditie. Het is de enige manier om het beeldje te beschermen, hoe curieus ook gezien het feit dat het uitgerekend de Fransen waren die ooit alle kunstschatten in Mali ontvreemdden en naar Frankrijk – het Louvre – brachten.

Alou gaat op weg, door het wetteloze Libië en komt terecht op een gammele schuit: iedereen kent de beelden van de overvolle migrantenbootjes op de Middellandse Zee. Alou redt het tot Lampedusa, weet daar te ontkomen en komt uiteindelijk als vluchteling in een provisorisch tentenkamp in Parijs terecht. Daar gaat hij op zoek naar iemand die in het Louvre werkt.

Het verhaal dat Lax vertelt is er een dat we grotendeels kennen. De vluchtelingenstromen van Afrika naar Europa zijn vaker onderwerp van strips, ook al volgen we nu meer dan alleen een jongeman: hij heeft een beeldje bij zich waarvan onomstotelijk vaststaat dat het grote culturele waarde heeft. Alleen: Alou is maar een vluchteling, wie zal hem geloven?

Het Louvre wordt er op een kunstige manier in het verhaal verweven. We volgen een gepassioneerde conservator met een voorliefde voor tribale kunst – uitgerekend. Interessant zijn de gesprekken die hij met een collega heeft over de Afrikaanse kunstvoorwerpen. Die worden immers met alle zorg en toewijding geconserveerd, terwijl we niet omkijken naar de mensen van daar, ook niet zij die in nood zijn. Het is slechts een maatschappijkritisch zijsprongetje, want even later geeft de conservator hoog op van de technieken die het Louvre in huis heeft om de authenticiteit van kunstobjecten te kunnen beoordelen: polychromie-analyse, stratigrafie van de patina-lagen en micromulitatie om houtsoorten te kunnen vaststellen. Overigens allemaal klein bier vergeleken met de zevenentwintig meter lange deeltjesversneller die met een snelheid van dertigduizend kilometer per seconde protonenbundeltjes in het onderzoeksobject kan schieten, om zo vast te stellen uit welke chemische elementen het bestaat.

Dat klinkt klinisch en onbeholpen, maar het geeft het verhaal een mooie extra laag. Lax lijkt te willen laten zien aan de mensen in Mali dat er goed met hun verleden wordt omgesprongen in Frankrijk, ver weg van de moslimextremisten die het Afrikaanse vasteland teisteren met hun culturele vernielzucht. Alles krijgt zo keurig een reden en een motief. Behalve Alou: hij wordt alleen gezien als de figuur die alles achter zich heeft gelaten om een beeldje te redden. Zelf lijkt hij dit ook te beseffen, hij vervult alleen de taak die de oude wijze hem omdroeg. Maar toch, eenmaal in Frankrijk had hij misschien ook gehoopt op iets van medemenselijkheid.

Moeder met kind zit knap in elkaar en belicht een actueel thema vanuit meerdere perspectieven. Misschien dat de lezer moet wennen aan de treurige boodschap, fraai is het verhaal zeker. Lax laat de hoofdpersoon niet veel zeggen, des te meer laat hij zien: de gelatenheid, de uitzichtloosheid en het heroische tegen wil en dank. Alou is geen held, hij heeft een opdracht gekregen. Dat is alles.

Lax heeft opnieuw voor een zwartwitte opzet gekozen, net als in zijn vorige album Een zekere Cervantes uit 2018, met gewassen inkt en verschillende technieken. De panoramische pagina’s zijn deels uitgewerkt met houten pennetjes wat een krasserig effect oplevert: een grilligheid die past bij het onbarmhartige, ruige landschap waardoor Alou trekt. De verweerde koppen en de troosteloze blikken zijn intussen bijna een handelsmerk van Lax, die zelden vrolijke en ongedwongen figuren en thema’s kiest voor zijn verhalen.

Moeder met kind is een intrigerend verhaal dat een aandachtige lezer verdient. De chronologie en de rustige opzet, zonder veel zijpaden en afleiding, zorgen voor een ongedwongen leeservaring die de lezer daardoor in staat stelt om alles rustig tot zich te nemen. Het komt de intensiteit van de vertelling ten goede. Lax én het Louvre hebben een mooi album toegevoegd aan hun palmares.

Christian Lax – Moeder met kind. Daedalus. 144 pagina’s, hardcover. € 25,50.

Strips & comics

Internationaal poëtisch stripproject Duplex krijgt Spaanse editie

Duplex, het internationale project waarbij striptekenaars en dichters samen een grafisch gedicht maken, krijgt een Spaanstalige editie. In navolging van een Nederlands-Vlaamse editie in 2016 en een Britse in 2018 verschijnt deze zomer een album bij Ediciones Marmotilla en Alas Ediciones, met gezamenlijk werk van tien Spaanse duo’s.

Wat Duplex uniek maakt is dat het geen verstrippingen van gedichten betreft. De stripmaker werkt geen kant-en-klaar gedicht uit tot een beeldverhaal. Bij Duplex beginnen dichter en stripmaker gezamenlijk aan het proces van woord en beeld, gunnen en eisen, duwen en trekken, volgens de centrale vraag: hoe verhouden beide kunstvormen zich als ze tot elkaar veroordeeld zijn? De resultaten verrassen en laten het beste van beide werelden zien.

Dat ontstaansproces wordt uitvoerig gedocumenteerd en is een wezenlijk onderdeel van het project. Net als bij de twee eerdere edities zal ook in Spanje een expositie komen waar de toeschouwer kan zien hoe de grafische gedichten tot stand zijn gekomen: welke stappen zijn gezet, welke werkwijze is gehanteerd en op basis van welke onderlinge keuzes.

Het laatste nummer van het Spaanstalige tijdschrift Tebeosfera is in zijn geheel gewijd aan grafische poëzie, met een artikel over het Duplex-project en de plannen voor de Spaanse editie.

Aan de Spaanse Duplex werken de volgende duo’s mee (waarvan de eerste naam steeds de dichter is en de twee de stripmaker): Ana Merino en Sergio García Sánchez; Félix Castañar Pérez en Maribel Conejero; Óscar Rodríguez Martín en Marta Cartú; Fernando Llorente de la Peña en Pablo García Moral; Diego Emiliano Garrido Stratta en Lucas Miguel Carrillo Broeder; Alicia Villares Frías en Rubén Comino Zamora; Juan Luis Mora Aguilar en Sergio Arredondo Garrido; Andrea Mazas García en Gemma Pérez Herrero; Fernando Llorente Haya en Coralí Espuña Ribas; Jorge García Torrego en María Abellán Hernández.

Duplex is een project van Stefan Nieuwenhuis. Voor de Spaanse editie werkt hij samen met Enrique Del Rey Cabero van de Universiteit van Oxford en Kiko Sáez de Adana Herrero van de Universidad de Alcalá.

Meer informatie over Duplex vind je hier. Artikelen over Duplex zijn hier verzameld.

Strips & comics

Gelezen: Piero Macola – Ongedierte

Ongedierte is een strenge titel. De lezer die zich van tevoren een beeld vormt van de geschiedenis die gaat volgen, snapt dat het niet werkelijk over kruiperige beesten gaat. Het verhaal van de Italiaan Piero Macola wordt bevolkt door kleine luiden; mensen die niet veel bezitten, niet veel uitstralen en die met de dag voortgaan. De titel slaat op een scene uit het verleden van Bruno, die bij wijze van proloog wordt verteld. En toch, ergens blijft het beeld van ongedierte ook tussen de personages en de lezer in staan. Macola heeft met het droefgeestige Ongedierte een graphic novel gemaakt die niet meteen alle vragen beantwoord: veel blijft onuitgesproken, onopgelost. Het is aan de lezer om de punten te verbinden.

Sluiswachter Bruno is geen grootse figuur. Hij dagdroomt over onzichtbaarheid, om zo veilig te zijn voor mensen en zaken die hem kunnen kwetsen. Bruno is van jongsaf geraakt en in zichzelf gekeerd: een combinatie die hem een kleurloze, maar interessante figuur maakt. Met Bruno is de toon voor het verhaal gezet: het is melancholisch, verstild en bij tijd en wijle hard en meedogenloos. Angst is het motief, verpakt in teruggetrokkenheid, afstand en in het negeren van gebeurtenissen.

In een andere verhaallijn volgt de lezer ene Anton, een illegale en daarmee rechtenloze bouwvakker die het zwaar te verduren heeft en stelselmatig wordt vernederd en onder druk wordt gezet. Dan is er nog de oude dame Maria, die door haar dochter wordt geadviseerd om naar de grote stad te verhuizen na het overlijden van haar man. Maria twijfelt, de stad is haar te overweldigend, en ook Bruno ziet niets in de verhuizing, deels uit eigenbelang. Het zijn deze kleinmenselijke zaken die het verhaal op gang houden. Het maakt Ongedierte een sociale kroniek over het moderne leven, een vertelling over mensen die niet meekomen in de hedendaagse maatschappij die is gericht op snelheid en succes.

De betrekkelijke rust verandert als Anton een bedrijfsongeval krijgt en besluit te vluchten voor zijn malafide werkgevers. Hij duikt onder en wordt verzorgd door Bruno, die een vriendschapsband met de Moldaviër ontwikkelt. Het verhaal wordt zelfs nog spannend als de koppelbazen achter Anton aan gaan en hem bijna te pakken krijgen. Hier dringt de albumtitel zich alsnog op.

Macola gunt de lezer met Ongedierte een bijzondere ervaring. De rustige, in kleurpotlood opgezette pagina’s, in een weinig spectaculaire mise-en-scène, wiegen de lezer bijna in slaap. Het tempo is soms tergend, de dialogen traag, maar juist daarin schuilt de kracht van het verhaal: de wereld van Bruno is geen snelle, dynamische en overprikkelde toestand. Het zorgt ervoor dat de lezer zich gemakkelijk verbindt met de personages; hun gedrag is leidend in het verhaal. We zien hoe levens voortgaan in een traag landschap, hoe gebeurtenissen plaatsvinden en nauwelijks iets achterlaten. Door het desolate van de entourage komt die boodschap goed binnen. Macola heeft niet meteen een hoogtepunt afgeleverd, maar zijn vertelstem is toch zo uniek dat Ongedierte boven het maaiveld uitsteekt.

Piero Macola – Ongedierte. Concertobooks. 120 pagina’s hardcover. 24,99.

Strips & comics

Gelezen: Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado

Marcello is een staalarbeider met flair en poëtische trekjes. Overdag is hij een stoere kerel met pet en praatjes, maar eenmaal van zijn taken ontlast, schrijft hij gedichten en lange brieven voor zijn lief, Louisa. Samen willen ze aan de rauwe realiteit van het Engeland van begin 1900 ontsnappen door naar elders te vluchten. Omdat Marcello met een paar drankjes op zijn waffel niet kan houden in het café, komt het verrassende plannetje via via bij de familie van Louisa terecht. Zij zien natuurlijk niets in het malle idee van de twee verliefden en steken er een stokje voor, door iets in het drankje van Marcello te doen. Lang verhaal kort, onze drinkebroer wordt wakker op een boot die op weg is naar een ver oord waar aan een kanaal wordt gewerkt.

De geschiedenis van Marcello ontwikkelt zich aanvankelijk logisch maar snel. Als hij eenmaal is aangekomen in het van muggen vergeven oord, krijgt hij te horen dat hij de terugtocht zelf moet bekostigen, plus natuurlijk kost en inwoning. Vanaf dan gaat de tempo van het verhaal een paar tandjes lager. Met andere woorden: het zal nog wel even duren voor hij zijn lief weer in de armen kan sluiten. Om zijn eenzaamheid te ontvluchten, schrijft hij haar dagelijks brieven. Pech voor Marcello dat die nooit bij Louisa aankomen, maar steeds uit de postzakken worden gevist door de vrouw van een ingenieur ter plaatse.

Het gegeven met de brieven lijkt op dat van Mikael’s Giant en ook op De Post- en Liefdebezorger van Didier Quella-Guyot en Sébastien Morice, twee titels waarbij iedere graphic novel genoemd wil worden. In Eldorado voegt tekenaar Cuvillier, die het verhaal samen schreef met Ferrarini, er een mooie laag bij: niet alleen de ontmaskering van de ingenieursvrouw is er eentje waar de lezer naartoe leeft, ook de morele kracht van Marcello wordt danig op de proef gesteld. Wat komt eerst? Zo rolt het verhaal mooi naar het einde toe.

De tekeningen van Cuvillier zijn fraai in hun lichtheid: hij gebruikt een bijna etherisch kleurpalet, dat zowel exotisch als dreigend is. Dat gevoel wordt versterkt doordat de personages, die zijn uitgewerkt in zacht potlood, acteren in een vrij lege entourage. Het lijkt alsof de emotie wordt uitgelicht, de lezer wordt steeds naar de gezichten getrokken. De klassieke kadrering is uit de losse hand getrokken met bruin potlood, waardoor de gitzwarte lettering iets te nadrukkelijk op de pagina’s ligt. Misschien dat de letter ook een tint bruiner had gekund: iets wat overigens vaker voorkomt en waar best eens over nagedacht kan worden door de dames en heren opmakers. Los daarvan is Eldorado grafisch zeer overtuigend.

Eenmaal uitgelezen, sluit de lezer het album. Misschien dat hij dan pas de tekst op het achterplat leest. Dat is te hopen: zelden zo’n exacte samenvatting van ongeveer het hele boek als flaptekst gezien. Niets van spannende vragen (Zal het hem lukken? Krijgt hij de schat in handen? Kiest ze voor hem?) of lekkere aansporingen, maar een accurate verslaglegging van wat we zo-even gelezen hebben. Bijzonder, tegelijk een waarschuwing voor iedereen die met het album in de handen staat: blader gerust van tevoren, maar lees vooral de samenvatting achterop niet. Dat zou echt zonde zijn: Eldorado van Cuvillier en Ferrarini is een zinderend en koortsachtig verhaal dat een aandachtige lezer verdient.

Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado. Daedalus. 176 pagina’s hardcover. € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros

Zoals zoveel stripseries heeft ook Lucky Luke een nevenreeks waarin tekenaars eenmalig wordt gevraagd de honneurs waar te nemen en een album te maken rond de stoere cowboy. Matthieu Bonhomme beet in 2016 het spits af met De moordenaar van Lucky Luke, een geweldig album dat de reeks meteen een vliegende start bezorgde.

Daarna volgde de totale zeperd van Guillaume Bouzard, die twee jaar geleden een broddelwerk afleverde met Jolly Jumper antwoordt niet meer. Nu is het de beurt aan Mawil, de Duitse stripmaker met een vriendelijk, herkenbaar oeuvre, van wie een jaar geleden het fraaie Oost-Duitse getuigenisverhaal Kinderland verscheen in het Nederlands.

In Mawils verhaal komt Lucky Luke in aanraking met een ene Albert Overman, de uitvinder van een slimme fiets. Waar men eerst op een hoge bi rondeed, van die klassiekers met een groot voorwiel, heeft deze Overman een veel sneller en wendbaarder fietsje uitgedokterd. Zijn tegenstanders, die van de klassieke fietsen, willen de nieuwe fiets stelen en daar komt Lucky Luke om de hoek: hij komt tussen beiden en raakt zo ongewild betrokken bij de toestand. Tot zover een vrij klassiek gegeven.

Unknown subject

De fiets moet naar San Francisco voor een wedstrijd en Lucky Luke besluit er naartoe te fietsen: alleen zo is hij er zeker van dat er niets met het karretje gebeurt. IJdele hoop natuurlijk want onderweg is er van alles aan de hand. Mawil stopt er genoeg slapstick in en een aantal subtiele verwijzingen naar het rijke oeuvre van Morris.

Bijzonder is dat in alle bewerkingen die er tot op heden verschenen Jolly Jumper altijd een sterke rol krijgt toebedeeld, waar je misschien eerder de Daltons zou verwachten: die komen in Mawils bewerking helemaal niet voor. En zo zijn er meer opvallende zaken. De Lucky Luke van Morris, met name de oude Dupuis-reeks, blinkt uit in sequenties die zo uit een tekenfilm lijken te komen: schietpartijen die worden uitgesmeerd over twee pagina’s en waarin subtiel iedere seconde wordt uitgebeeld. Dat soort scenes missen in alle bewerkingen. De steeds terugkerende grap van de schaduw van Lucky Luke blijkt onvermoeibaar. Ook Mawil heeft een leuke aanhaker op het achterplat van het album: Lucky Luke pompt de band op terwijl de schaduw vertwijfeld naar een lekke band kijkt.

In Het stalen ros vindt Jolly Jumper het maar niks dat zijn comfortabele rug wordt ingeruild voor een smal leren zadeltje. Net als in Bouzards Jolly Jumper antwoordt niet meer is Jolly hier een sikkeneurige en gekwelde viervoeter die zijn ongenoegen niet onder stoelen en banken steekt.

Er zit een geestige paradox in dit album: Mawils Lucky Luke lijkt helemaal niet. Ook Jolly Jumper is onherkenbaar, het is heel goed mogelijk dat Mawil voor het eerst paarden tekent. Mawils boeven zijn eerder lieden uit de Engelse achterbuurten uit de tijd van Sherlock Holmes dan de outlaws van de prairie. Het nachtpaars en het lichte groen van overdag heeft niets met het wilde westen van doen.

Maar Mawil schuift al deze zaken met gemak terzijde door de lezer een moordend tempo op te leggen: die suist met Lucky Luke over de prairie, in de hoogste versnelling – ook al ontbreekt die nog in het vooruitstrevende fietsontwerp van Overman. Het slotstuk is er eentje van de buitencategorie: Mawil tekent de fietswedstrijd als een waanzinnig spektakel, die op een haarlengte wordt beslist.

Het verhaal wordt er niet meteen sterker van, maar ach: wie op iedere pagina een paar grapjes, actiemomentjes en frivoliteitjes aantreft, mag niet klagen. Lezers die per se een echte Lucky Luke willen lezen, zullen zich toch eerder vermaken met de basisreeks, die veel meer leunt op het onovertroffen werk van Morris. Het stalen ros is grappig, maar staat toch iets te ver af van het origineel.

Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros. Lucky Comics. 64 pagina’s. € 8,20.

Strips & comics

Gelezen: Gazzotti & Vehlmann – Alleen, integrale van de eerste cyclus

De stripreeks Alleen van het duo Bruno Gazzotti (Kleine Robbe, Soda) en Fabien Vehlmann (Ian, Mooi Duister, Robbedoes en Kwabbernoot) gaat al wat jaren mee. Het eerste deel verscheen in 2005. Intussen zijn er elf albums verschenen van de reeks die mateloos populair is onder jongeren, met name in Frankrijk. Terecht, de verhaallijnen van Alleen zijn perfect toegesneden op lezers vanaf elf jaar. Voor wie de boot gemist heeft, is er nu een prima herkansing met de integrale van de eerste cyclus: een instapbundel van 264 pagina’s met daarin opgenomen de eerste vijf delen van de reeks.

Om eens met de afwerking te beginnen: het heeft de uitgever behaagd de integrale zo sober mogelijk op de markt te brengen, zonder Franse pagina of iets van een entrée. Wie de integrale openslaat, nota bene in een slappe kaft voor de hardcover prijs van meer dan dertig euro, begint meteen op de eerste pagina van deel 1, Spoorloos. Dat is even wennen. De rest van de albums worden onderbroken door zwarte pagina’s met een enkele illustratie.

Maar dan begint het verhaal tenminste meteen: op een dag ontdekt een groep kinderen dat iedereen uit de stad is verdwenen. Alleen zij lijken overgebleven. Nergens een spoor van volwassenen. Ouders? Foetsie. Eén van de kinderen, de tuttige Camille, gaat tevergeefs naar school. Ook daar is geen kip te bekennen. Het lijkt op Papergirls van Brian K. Vaughan en Cliff Chiang, al waren scenarist Vehlmann en tekenaar Gazzotti flink wat jaartjes eerder op het idee gekomen: een groep kinderen moet zich zien te redden in een wereld die de hunne is, maar tegelijk niet meer.

In Alleen lopen bijvoorbeeld circusdieren in het wild rond, die vreemd gedrag vertonen. En aan het einde van de eerste cyclus ontdekken de kinderen een grote zwarte toren die surrealistisch afsteekt, alsof Schuiten en Andreas even in de stad zijn langsgekomen. Er zijn allerlei mysterieuze zaken die vreemd aandoen en die voor de kinderen antwoord kunnen zijn op de belangrijke vraag: waar is iedereen in Godsnaam? En waarom zijn wij er nog wel?

De vijf kinderen die de lezer vanaf het begin volgt, ontmoeten gaandeweg steeds meer groepjes kinderen die zich meester hebben gemaakt van wijken, buurten en een verlaten pretpark. Ze wonen er in hotels en rijden rond in auto’s die zijn achtergelaten. Eigenlijk proberen al die groepjes het hoofd boven water te houden, als kleine gemeenschapjes die net als in het echt te maken krijgen met machtsprobleempjes, bazigheid en afvalligen. En dan zijn er nog een broer en zus, scary as hell omdat ze zo gewoon lijken, die nergens bij horen en hun eigen plan trekken, met pijl en boog in de aanslag.

De combinatie van het avontuurlijke – kinderen die alles zelf moeten rooien – en het mysterieuze is heel aantrekkelijk: het verhaal is zo opgebouwd dat er steeds nieuwe zaken aan het licht komen die de lezer een stapje verder brengen, een systeem waarop veel games leunen. Dit alles is gegoten in een prettige, uitgebalanceerde tekenstijl die even spannend als vriendelijk oogt. Het is als Soda, maar dan met kinderen, en voor kinderen.

Alleen is nog lang niet af. Komend jaar verschijnt deel 12, en hopelijk de integrale van de tweede cyclus: vanwege de flinke vaart van de verhalen is Alleen goed geschikt om als bundeling uitgegeven te worden. In een knappe twee uur heb je de hele cyclus gelezen, voortgestuwd door dat lekker spannende van een goede kinderserie. En voor de groten onder ons, ook nog een keertje heel prima vanwege de interessante personages, het ontrafelen van de mysteries en de look en feel van de reeks.

Gazzotti & Vehlmann – Alleen, Integrale van de 1e cyclus. Dupuis, 264 pagina’s. € 30,80.
Bevat de verhalen 1 tot en met 5: Spoorloos, De meester van de messen, De stam van de haai, De rode cairns en In het oog van de maalstroom.

Strips & comics

De beste strips van 2019

Het bijna afgelopen 2019 voelt aan als een constant stripjaar. Het stak niet onverdeeld gunstig af tegen voorgaande jaren (zie mijn eerdere jaaroverzichten, van 2014, 2015 en 2016 en 2017 en 2018), maar het waren zeker geen zwakke twaalf maanden.
Wat vooral opviel was de overtrokken aandacht voor allerlei verjaardagen die worden gevierd, alsof de stripwereld graag achterom kijkt en het niet zo op heeft met de toekomst. De overdaad aan striphelden die veertig, vijftig, zestig, zeventig en 75 jaar zijn geworden is immens – en dat zal ook in 2020 nog even doorgaan.
We vieren het met een commerciële gretigheid die verraadt dat nostalgie een steeds grotere rol vervult binnen ons striplandschap. Wat je eruit kunt afleiden is dat de strip in de tweede helft van de vorige eeuw een ongekende bloeitijd heeft beleefd (wat zo is) en dat we daar nu nog de handen voor op elkaar krijgen. Er worden maar weinig tienjarige feestjes gevierd, zogezegd. Laat staan dat we nieuwe strips van jonge stripmakers met dezelfde aandacht en toewijding tegemoet treden.

Een paar bijzonderheden waren er te noemen en te vieren: er wordt heel zachtjes een begin gemaakt met strips en graphic novels voor kinderen vanaf tien jaar. Eindelijk is er aandacht voor de leeftijdscategorie die te oud is voor Pol, Pel en Pingo, iets anders wil dan Donald Duck en verder kijkt dan het eindeloze zwaktebod van magere lachertjes als Game Over, Kid Paddle, Minions en Minecraft-baksels.
Hilda was er al even, maar speelde zich in 2019 handig in de kijker door de perfecte Netflix-adaptatie, net als Het dagboek van Cérise, dat eindelijk de oversteek heeft gemaakt van Frankrijk naar Nederland. Dan is er nota bene de ‘serieuze’ uitgeverij Querido die voorzichtige stappen zet in de markt voor jeugdige graphic novels, met de uitgave van het prachtige Jane, de vos en ik. Alles uiteraard in gang gezet vanwege het rapport van de Raad voor Cultuur over de ontlezing en wat eraan gedaan kan worden. Voor wie het heeft gemist: het lezen van strips behoort tot de aanbevelingen.

Nog een opvallend dingetje in 2019 was de tekstloze strip – even afgezien van de Game Overs en dergelijke. Ineens kwam er krachtige, woordloze statements van nota bene drie debutanten: Tremen van Pim Bos, Zwerveling van Peter van den Ende en Beatrice van Joris Mertens, met een hoofdrol voor het filmische en stuwende Beatrice, waarmee Mertens gelijk een homerun sloeg. Het is ongelofelijk hoe een tekstloos verhaal zo helder en precies verteld kan worden: het leestempo neemt af ten gunste van het kijken en het verhaal ontrolt zich voor je ogen. Zó subtiel en sterk.

In 2019 vielen sommige series op (Libertalia, Kinderen in het verzet, Zibeline, Aristophania, 40 Olifanten en Tango), vielen anderen een beetje tegen (spin off van Oorlog van de Lulu’s, Jeremiah, Arthus Trivium, Amorostasia en de uitgeklede integrale van Ragebol) en deed een derde greep precies wat er van ze verwacht werd (Rode Ridder, Undertaker, Broceliande en De vijf van Baker Street).
De integrale-aanwas bleef gestaag doorgaan, met vooral enkele grote reeksen in het verschiet. Speciale aandacht voor de twee uitgaven van Bernard Prince op groot formaat die precies de juiste emoties wisten te beroeren: mooi gerestaureerd, fors en met een goede weergave van de kleuren.

Dan naar de lijstjes, die ik zoals gebruikelijk heb opgesplitst in Nederlandstalig en Engelstalig. Twee woorden vatten het stripjaar 2019 samen: Canada first. In beide lijsten zijn het Canadezen die met de hoofdprijzen naar huis gaan. Fanny Britt en Isabelle Arsenault verrasten het afgelopen jaar met een wonderschoon verhaal over hoop en liefde, bedoeld voor kinderen vanaf tien jaar, maar even goed voor volwassenen. Alleen ongevoelige figuren haken af bij het schitterende Jane, de vos en ik: een parel die kinderen niet alleen aan het lezen en denken zet, maar ook de deuren opent naar de rijkdom aan graphic novels die voor ze in het verschiet ligt. Wat een geluk, wat een schoonheid!

Na twintig jaar rondde de Canadees Seth in 2018 zijn magnum opus Clyde Fans af. Dit jaar verscheen het bekoorlijke werk (vuistdik volgens sommige recensenten, die daarmee Trump naar de kroon te steken voor wat betreft de grootte van hun handen) waarmee alle losse delen van Palookaville eindelijk gebundeld zijn. Het werk is ronduit schitterend, met een melancholische ondertoon die perfect wordt verwoord en verbeeld. Het verhaal over twee broers die terugkijken op hun leven en de onvermijdelijke teloorgang van het ventilatorenbedrijf van hun vader zit heel knap in elkaar: het zijn elkaars tegenpolen wat een prachtig uitgebalanceerd narratief oplevert.

Terug naar de Nederlandstalige lijst die een paar mooie verrassingen kent. Keizerin Charlotte en Een godverdomse klootzak zijn twee series die veelbelovend van start gingen in 2019, terwijl de verstripte werken van Marcel Pagnol altijd van een hoog niveau zijn: Jean van Florette is een verhaal uit twee delen dat de lezer niet snel zal vergeten. Het is hoopvol, hemeltergend en ongelooflijk triest tegelijk.

Bijzonder is het tekstloze Beatrice van debutant Joris Mertens: met tekeningen waar je stil van wordt, vertelt hij een verhaal dat zich zo dwingend en fraai ontwikkelt dat het moeilijk voorstelbaar is dat er geen woord aan te pas komt, én bovendien een echte strip is.

Het achtste deel van de Kat van de Rabbijn is het beste van de hele serie. Vorig jaar was deel 7 al een feest, deze keer is Sfar nog beter op dreef. Alle hulde ook voor de vertaler, die blijk geeft het fijne taalspelletje van Sfar goed aan te voelen en dat perfect weet om te zetten in wervelend Nederlands. Waarlijke taalkunst!

Kleine overwinningen van Yvon Roy is een zeldzaam invoelende graphic novel over een jonge vader die wordt geconfronteerd met een zwaar autistisch kind en op zoek gaat naar een opvoeding die niet aanhaakt bij de reguliere medische zorgmodellen. Dus geen ingekaderde hulpverlening, volgens protocollen en stappenplannen, maar eindeloos geduld en zachte handen. Een boek over liefde, rust en soms heel kleine stapjes vooruit.

Net zo interessant als de albums die de lijst hebben gehaald, zijn de titels die er net naast grepen. Dat zijn in willekeurige volgorde (Klik op de links voor de besprekingen): Buck (Oogachtend), Dagboek van Cerise (Silvester), Puinhopen van Sari 1 (Syndikaat), Wachten op Bojangles (Dark Dragon Books), Darwin (Soul Food Comics), Sprietje (Dark Dragon Books), De Balling (Scratch), Sangre 2 (L), Libertalia (Casterman), Dino (Oogachtend), De onzichtbare man uit de HG Wells collectie (Glénat), Alac Sinner (Sherpa), Cigalon (Saga), Niet nog eens Laura (Vrijdag) en Marcel Grob (Daedalus).
En dan heb je nog de onvermijdelijke stapel van nog te lezen boeken, waar veel potentie tussen zit: De dolende God, Extases, In Hollandia Suburbia, Rusty Brown en De smokkelaar, om er een paar te noemen.

Top 10 2019 Nederlandstalig

1 Fanny Britt & Isabelle Arsenault – Jane, de vos en ik (Querido)
2 Yvon Roy – Kleine overwinningen (Daedalus)
3 Joann Sfar – Kat van de rabbijn: Amandelmandje (Dargaud)
4 Joris Mertens – Beatrice (Oogachtend)
5 Alexandre Tefenkgi, Serge Scotto & Eric Stoffel, naar Marcel Pagnol – Jean van Florette (Saga)
6 Aimée de Jongh – Taxi (Scratch)
7 Posy Simmonds – Cassandra Darke (Harmonie)
8 Fabien Nury & Matthieu Bonhomme – Keizerin Charlotte (Blloan)
9 Vittorio Giardino – Jonas Fink (Saga)
10 Régis Loisel & Oliver Pont – Een Godverdomse Klootzak 1 (Blloan)

Zoals gezegd, ook de Engelstalige top 10 heeft een Canadese nummer 1. Clyde Fans van Seth is een totaalbelevenis, een feest van beeld, tekst en thematiek. Alle losse Palookavilles achter elkaar is nog niet helf het effect van het forse leeswerk dat Seth in een kunstig foedraal bezorgde.

De nummer 1 van vorig jaar, Carole Maurel, staat nu op de tweede plaats, met het trieste maar o zo mooie Waves, over een lesbisch stel dat een kind verliest voor het geboren wordt.

Ghost Tree is een grote verrassing: de mini-serie van vier comics was een voltreffer, net als het poëtische Pope Hats van Hartley Lin, die met het zesde deel een nieuwe weg inslaat. Let op die naam: Pope Hats is een van de echte schatten van de hedendaagse stripwereld.
Op de valreep van het jaar knalde Kevin Huizenga’s River by Night nog de top 10 binnen, net als Manor Black van Colin Bunn en Tyler Crook.

Without further ado:

Top 10 2019 Engelstalig

1 Seth – Clyde Fans (D+Q)*
2 Carole Maurel & Ingrid Chabbert – Waves (Archaia)
3 Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree (IDW)
4 Hartley Lin – Pope Hats #6 (Adhouse Books)
5 Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a book thief (SelfMadeHero)
6 Kevin Huizenga – The river at night (D+Q)
7 James Sturm – Off season (D+Q)
8 Mariko Tamaki & Rosemary Valero-O’Connell – Laura Dean keeps breaking up with me (First second)
9 Lorena Alvarez – Hicotea (Nobrow)
10 Colin Bunn & Tyler Crook – Manor Black (Dark Horse)

* voor een uitgebreide beschouwing verwijs ik naar mijn interview met Seth in Stripgids #5.

Tot slot het allegaartje dat het jaaroverzicht volgens traditie afsluit:

Ook mooi in 2019

1. De geweldige ontvangst van de 9e Kunst, die in een vrolijke vaart en met een grote groep mensen in gang is gezet (en dit is pas het begin!)
2. Het fraaie Wilbert Plijnaar, Rotterdammer in Hollywood, een fijn lees- en bladerboek voor de fijnproever die er op tijd bij was, vanwege de heel beperkte oplage
3. De geestige verhaaltjes van Mamette en dan vooral dat ik niemand ken die er ook maar iets aan vindt (en hierbij alvast gezegd: wacht maar tot De souvenirs van Mamette wordt vertaald, dat is nóg veel leuker)
4. De expositie van Moebius in het Duitse Brühl was zeer de moeite waard, terwijl de exposities in Angouleme van Alex en Futuropolis tegenvielen
5. Alone van Chabouté, een leeservaring om stil van te worden

Strips & comics

Gelezen: Aline 1 – De beschaving voorbij

De Nederlandse stripbladenmarkt heeft er een nieuwe titel bij. Eentje die zich flink zal roeren als we de intenties mogen geloven die op de openingspagina van eerste nummer van Aline staan vermeld: strips maken om dromen te laten uitkomen, om de wereld om ons heen te verbeteren. Een wereld die nu nog is om moedeloos van te worden. En voorop staat groot het thema vermeld: de beschaving voorbij. We kunnen gevoeglijk aannemen dat Aline kiest voor maatschappelijke betrokkenheid als het vertrekpunt.

Mooi die activistische inslag, maar er is meer: de auteurs van het eerste nummer, een frisse mix van jong en oud, nieuw en gevestigd, hebben hun bijdragen in elkaars aanwezigheid geschreven en getekend. Daartoe zaten ze een aantal dagen in het Amsterdamse cultuurcentrum WG Kunst. Die directe aanwezigheid heeft gezorgd voor een interessante scheppende dynamiek, al betekent dat niet dat de stripmakers aan elkaars werk hebben zitten schaven of dat er allerlei crossovers in gang zijn gezet. Gelukkig maar, de Aline-makers zijn goed van zichzelf. Daarom verschillen de bijdragen enorm, van vrij tot dwingend, van uitleggen tot suggereren.

Neem Wasco, stiekem de drijvende kracht zonder titel van hoofdredacteur: in zijn bijdrage zien we Philip de Pinguin, een van zijn terugkerende figuren, in een bizar verhaal vol ontmoetingen en vragen. Hier en daar worden eens wat zaken aangestipt, maar een werkelijk verband met de wereld om ons heen of onze beschaving heeft het niet. Desondanks is het vermakelijk.

Het engagement is veel directer zichtbaar bij de jonge garde. Bij Anne Staal gaat het nadrukkelijk over hoe onze aarde naar de gallemiezen gaat (“plastic is stom!”), de grafisch interessante bijdrage van Shamisa Debroey verhaalt over de angst om alleen te zijn als de wereld vergaat en Sanne Boekel grijpt de negatieve aspecten van de toerisme-industrie bij de kladden. Bij geen van deze bijdragen valt er iets af te leiden of zelf te ontdekken: de lezer krijgt het verhaal van A tot Z verteld en verklaard. Als dat souffleren iets is van de jonge generatie, dan mag het wat scherper allemaal. Het maakt de lezer lui en dat past niet bij geëngageerde stripkunst. Geef de lezer een gevoel van betrokkenheid: iets met een prikkelende gedachte of het gevoel dat je tegen de haren in wordt gestreken.

Wie zich daaraan onttrekt is Ludwig Volbeda die met zijn vrije werk meer richting illustratie gaat dan naar de klassieke strip. Toch is zijn bijdrage, 99 voortekens, met recht een beeldverhaal. Volbeda vertelt aan de hand van fragmentarische, poëtische zinnen een verhaal dat hij met beelden ondersteunt. Zijn superfijne pentekeningen, die bijna microscopisch zijn, sturen de lezer in een bepaalde gevoelswereld die niet meteen negatief is, maar waar wel een zekere dreiging voelbaar is. Voor wie zich ervoor openstelt, zou je kunnen zeggen. De zinnen zijn ronduit fraai en laten de lezer even bezig zijn: Het water steeg op / we verstonden elkaar niet meer / de kinderen tekenden de zon steeds groter. Die boodschap schuurt en geeft de lezer gelegenheid om zelf na te denken. Wie een bijdrage wil leveren aan het bijsturen van een wereldbeeld, moet de ander ook de gelegenheid bieden iets van zichzelf erin terug te zien.

Zeker geen verloren zaak, want de thema’s van de volgende twee nummers zijn al bekend: vlees en plastic. Ook van die hangijzers waar je je engagement op los kan laten. Wanneer het tweede nummer verschijnt is nog niet bekend. Veiligheidshalve noemt de redactie de verschijningsfrequentie ‘onregelmatig’. Het doemnummer van het forse Aline ligt nu in de betere boekhandel en alle stripwinkels van Nederland voor de sympathieke prijs van 10 euro.

Typex, Ludwig Volbeda, Wasco, Jeroen Funke, Anne Staal, Charlotte Dumortier, Shamisa Debroey en Sanne Boekel – Aline 1, de beschaving voorbij. The Blue Orange, 68 pagina’s. 10,00.

Strips & comics

Gelezen: Cullen Bunn, Brian Hurt & Tyler Crook – Manor Black

From the authors who gave us…. zeggen ze in de Verenigde Staten: Bunn en Crook hebben de eerste verhaallijn afgeleverd van een nieuwe horror fantasy reeks, Manor Black, nadat ze de stripwereld zeker drie jaar in hun greep hielden met het fabelachtig mooie Harrow County. Die reeks is intussen gebombardeerd als moderne horrorklassieker, een blauwdruk voor het genre voor zover het niet uitsluitend bloederig, beestachtig en buitensporig hoeft te zijn. Bunn en Crook hebben goed in de gaten dat de horrorstriplezer van tegenwoordig meer wil dan een dun verhaaltje met veel gore en guts. Ook Manor Black zit, hoewel net begonnen, nu al tjokvol met verhaallijnen, intrigerende personages en vooral: veel vragen.

Manor Black is het landhuis van Roman Black, de pater familias van een gezin dat zich vooral onledig houdt met de zwarte kunsten. In de crypte van het statige huis, waar de voorvaderen voortleven, staat een enorme erlenmeyer gevuld met bloed. Alles is voor de lezer uiteraard nog in nevelen gehuld. Wat wel duidelijk wordt is dat de zwarte kracht van de familie er deels van afhangt. En daar zit de crux: de oude Roman moet eigenlijk plaatsmaken voor de volgende generatie maar over wie dat zal zijn, twijfelt hij nog. Hij vermoedt dat zijn kinderen de boel zullen verkwanselen zodra hij zijn hielen heeft gelicht. En daar zijn aanwijzingen voor.

Een mogelijke oplossing dient zich aan als er in de buurt van het landhuis en ernstig ongeluk plaatsvindt, met een enkele overlevende. Deze jongedame, Ari, wordt achterna gezeten door een horde kwaadwillenden. Roman Black ontfermt zich over haar en ontdekt de krachten die zij bezit. Hij ziet in haar een intelligente opvolger van zijn levenswerk, en dat is tegen het zere been van zijn nageslacht.

Het verhaal ontwikkelt zich vanaf dan als een opmaat naar een heerlijke gothic horror strip. De eerste vier delen van Manor Black zijn in dat opzicht niet een afgerond verhaal, hoewel het een miniserie wordt genoemd. Iedere lezer voelt aan dat het nog niet voorbij is. Sterker: het allerlaatste plaatje zet alles zo perfect op scherp dat niemand die onverschillig weg kan leggen.

Tyler Crook lijkt geboren voor het genre: zijn tekeningen zijn zo verfijnd dat geen detail de lezer ontgaat. Hij voelt perfect aan hoe horror moet ‘klinken’. Bij het omslaan van de pagina’s schreeuwt het onheil de lezer niet tegemoet. De angst en spanning zit in details verstopt die zich pas openbaren als de lezer er is aanbeland. Bij Crook geen grotesk effectbejag, het is subtiel maar o zo krachtig uitgebeeld. Soms lijkt er zelfs sprake van ontspanning. Als de lokale politie poolshoogte neemt bij het noodlottige ongeval wordt er door de een boompje opgezet over wat voorrang krijgt: een goede maaltijd, koffie of toch iets sterkers. Maar intussen…

Uiterlijk hebben de figuren en de omgeving veel weg van Harrow County, hoewel dat verhaal een kleine eeuw eerder plaatsvond. Manor Black speelt in de jaren zeventig, maar vanwege de gothic-setting lijkt het allemaal verder weg van de gewone mensenwereld. In vergelijking met Harrow County is opvallend dat Crook voor een andere kleurstelling heeft gekozen: hij kleurt met de hand in, met waterverf, en gebruikt naast zijn kenmerkende gedempte palet veel felle kleuren, met name geel en rood.

Manor Black zal zich verder ontwikkelen als een donker familieverhaal waarin figuren vechten om de nalatenschap van een wijze oude man. Wie krijgt de beschikking over krachten die oneindig veel sterker zijn dan een mens aan kan? En welke strijd ontbrandt straks als de goeden tegen over de slechten komen te staan? Zelden zo’n sterke aanzet gezien van een verhaal: hier is zonder twijfel een nieuwe klassieker in aantocht.

Cullen Bunn, Brian Hurt & Tyler Crook – Manor Black. Dark Horse. Vier delen, 32 pagina’s per deel, $ 3,99. TPB verschijnt in het eerste kwartaal van 2020.

Strips & comics

Gelezen: Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 3 en 4

Bernard Prince is een perfect voorbeeld van een klassieke stripheld, die je met wat durf kunt vergelijken met Kuifje. Minder braaf, minder rechtlijnig, maar qua opzet van de verhalen toch te vergelijken, vooral vanwege de aanwezigheid van zijn sidekick Barney Jordan, die de rol van kapitein Haddock met verve speelt, en scheepsmaat Djinn.

Bernard Prince bevaart de wereldzeeën om het onrecht te bestrijden, om in klassieke termen te blijven. De verhalen verschenen sinds 1969 in stripblad Kuifje en zijn getekend door een jonge Hermann die later successen zou kennen als tekenaar van Jeremiah. De scenario’s zijn van de hand van Greg, een mastodont met een palmares om u tegen te zeggen: van zijn hand verschenen onder meer Comanche, Luc Orient, Bruno Brazil en van een heel andere orde: Olivier Blunder.

De albums van Bernard Prince zijn al jaren niet meer eenvoudig verkrijgbaar en dus hoog tijd voor de integrale aanpak: perfecte uitgaven, met alle zorgen omgeven en met liefde voor het beeldverhaal bezorgd in prachtige, forse albums in harde kaft. Onlangs verschenen de eerste twee delen, die niet in de maat lopen met de chronologie: uitgeverij Sherpa permitteert zich een slimmigheidje. Ze begint niet bij het begin, maar brengen eerst de integralen deel 3 en 4 uit, met daarin opgenomen de reguliere albums 5 tot en met 8.

De reden is slim en doeltreffend. De latere verhalen zijn beter dan de eerste paar. In de eerste albums zijn Hermann en met name scenarist Greg nog op zoek naar een stevige basis voor de verhalen en komen de personages nog niet volledig uit de verf, al klinkt het strenger dan het is: beroerd zijn die vroege verhalen beslist niet. Maar toch, wie eenmaal is gevallen voor de sterke titels als Brand in de oase en Verschroeide aarde zal mettertijd toch ook de integrale albums met strips uit de beginjaren van Bernard Prince aanschaffen.

Dit lijkt ingegeven door de eerdere integrales van reeksen als Luc Orient en Jonathan Cartland. Met name bij Cartland zijn de titels vanaf deel 3 echt stukken sterker dan de eerste twee. Wellicht dat dat meespeelt bij de potentiële kopers, die zich negen van de tien keer de oude verhalen nog wel herinneren en op basis daarvan besluiten de integrales in huis te halen, of niet. Want zo werkt het op de markt van de integrale: kopers zijn doorgaans niet de nieuwe, jonge lezers die eindelijk eens de klassiekers kunnen en willen lezen. Het zijn de vijftigplussers die alles al hebben en vanuit nostalgische overwegingen tot de aanschaf overgaan – met het excuus dat er zoveel mooie extra’s aan de integrales zijn toegevoegd.

Om met dat excuus te beginnen: in deel 3 wordt de lezer verwend met een aantal (aankondigings)platen en illustraties uit weekblad Kuifje, samen met een voorwoord van vertaler Tonio van Vugt, tevens hoofdredacteur van stripblad Zone 5300 en artistiek directeur van de Stripdagen Haarlem. In dat voorwoord zet Van Vugt nog eens uiteen voor wie deze integrales bedoeld zijn: de completisten die de extraatjes consumeren en de boeken verder ongelezen in de kast zetten en een heel kleine groep lezers die voor het eerst kennis maakt met de verhalen, die bovendien voor alle doelgroepen in perfecte staat zijn uitgegeven: opnieuw ingekleurd, geletterd en vertaald. Het extraatje in deel 4 is een onderhoudend interview van veertien pagina’s met Hermann door Thierry Groensteen.

De grote plus van de beide integrale delen is het formaat: de pagina’s hebben niet meer het ingedrukte effect van de oorspronkelijke uitgaven, waaronder het lijnwerk danig te lijden had. De forse pagina’s hebben meer lucht en dat zorgt voor een prettige en uitbundige leeservaring. Wie zich de grote zwart-witte Blueberry’s van Giraud voor de geest haalt, weet dat het formaat nog meer wonderen kan doen, maar eerlijk is eerlijk: het tekenwerk van de jonge Hermann was eind jaren zestig nog niet zo meeslepend dat we nu ineens ontdekken wat een vakman hij toen al was.

Wat weer wel de extra aandacht verdient is het inkleurwerk van met name de grotere vlakken, zoals graslanden, rotspartijen en woestijnvlakten. Die lijken ingekleurd met viltstift, opgezet uit kleine verticale strepen. In eerste instantie doet het wat vreemd en gekunsteld aan, maar juist die vlakken stralen enorme kracht uit. Het zijn dit soort ontdekkingen die op het conto van het formaat, het papier en de zorg van de uitgave komen.

Het aanbevelen van een integrale is een hachelijke onderneming. De completist met een nostalgische hang beslist op heel ander gronden dan de inhoudelijke en voor de striplezer die al genoeg keuze heeft, zal de flinke prijs van de integrales een obstakel zijn. Zij die zich willen laten verleiden door de mooie verhalen, kunnen met deze beide delen hun hart ophalen. Wie er eerst eentje wil proberen, kiest meteen voor het derde deel, vooral vanwege het schitterende korte verhaal De rode zon uit 1969, een pareltje dat doet denken aan het fenomenale Corpse on the Imjin van Harvey Kurtzman. In beide oorlogsverhalen staat een onvrijwillige ontmoeting tussen twee gezworen vijanden centraal, die de zinloosheid van oorlogvoering blootlegt.

Daarbij komt dat Brand in de oase een prima verhaal is, dat het wezen van de serie goed aanvoelt: Prince en consorten ontmoeten iemand in nood die hun hulp nodig heeft. Het trio gaat de uitdaging aan en raakt verzeild in een veel groter probleem dan ze had voorzien. De slimme drie-eenheid van Prince, Djinn en Jordan lost het uiteindelijk op, langs lijnen van goed en kwaad. De kracht van de verhalen schuilt erin dat ze nergens gedateerd of oubollig zijn. Van de eerdergenoemde reeksen van Greg is Bernard Prince het vlaggenschip, om precies die reden. Het maakt dat de integrale aanpak gerechtvaardigd is. Bernard Prince is het zeker waard.

Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 3 – Brand in de oase / De wet van de orkaan. Sherpa. 128 pagina’s hardcover. € 49,95.

Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 4 – Verschroeide aarde / groene vlam van de conquistador. Sherpa. 128 pagina’s. € 49,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Krings, Zidrou & Willy Vandersteen – Suske en Wiske hommage 3: De kwakkelende kwakzalver

Naast alle reguliere nieuwe albums van Suske en Wiske verschijnt er sinds 2017 jaarlijks een zogenaamd hommage-album dat wordt geschreven en getekend door een duo van buitenstaanders, dat voor de gelegenheid wordt uitgenodigd. De Nederlandse striptekenaar Gerben Valkema (Elsje) beet het spits af, samen met scenarist Yann. Hun Cromimi was een razende waterval van grappen, gebeurtenissen en gedoe. Ze wonnen er prompt de Stripschapspenning voor het beste jeugdalbum mee. Een jaar later, de hommage-albums liggen altijd slim in aanloop naar Sinterklaas in de winkel, was het de beurt aan de Vlamingen Steven Dupré en Conz, die met Boemerang een veel klassiekere versie van Sus en Wis afleverden: hun verhaal zat kundiger in elkaar, omdat het dichter bij het oorspronkelijke verhaal bleef. Cromimi was van God los, bij Boemerang zaten de makers op schoot bij meneer Vandersteen.

Het derde deel van de hommagereeks heeft een vanouds allitererende Vandersteentitel: De kwakkelende kwakzalver is getekend door Jean-Marc Krings, op scenario van Zidrou. In het verhaal is een belangrijke rol weggelegd voor meneer Willy, die zich ontpopt als een filmproducent in de Belgische hoofdstad. Maar o malheur, hij krijgt te maken met een tegenslag. Wiske heeft zoveel geknipoogd dat ze last heeft van een zeldzame ziekte die haar aangezicht heeft aangetast: ze heeft niets anders dan paralytische degeneratieve hemifaciale cnipogitis. En alsof dat nog niet genoeg is, verhaspelt Lambiek dit onmiddellijk tot pacifistische decoratieve doremifiscale cryptohippies. Dat we weten hoe de vork in de steel zit wat de grappen betreft.

Wiske moet dus worden geholpen, al is dat niet zo gemakkelijk als het lijkt: alleen in het Parijs van 1919 loopt een geneesheer rond die dit kan verhelpen. Gelukkig is er de teletijdmachine van professor Barabas, maar er blijkt meer aan de hand. Ergens in een Franse stad vindt namelijk een geheime, zeer grimmige bijeenkomst plaats. Dit is niet toevallig in Angoulême – de striphoofdstad van de wereld, waar ieder jaar het grote Franse stripfestival plaatsvindt. Aanwezig zijn alle belangrijke Franse stripfiguren die met lede ogen aanzien hoe de Belgische strip ‘hun’ markt overspoelt, “met van die lelijke boeken met slappe kaften en al die vergezochte verhalen.” Suske en Wiske zijn de boegbeelden en dus moeten die afgestopt worden. Genoeg is genoeg. Eigen helden eerst!

Eén en één is twee en zo ontspoort dit verhaal op een geestige manier: de Vlaamse kliek is onderweg naar Parijs, terwijl de strijd verhardt tegen alles wat niet zuiver Frans is. Totale kolder, allerlei Franse stripfiguren blokkeren grensovergangen en maken het figuren die niet van vreemde smetten vrij zijn onmogelijk het land binnen te komen. Yakari en Titeuf staan respectievelijk zonder tooiveer en kuif klem aan de Zwitserse grens en Corto Maltese mag de Italiaanse grens niet over. Er staan ook Fransen te posten bij de Duitse grens maar bij gebrek aan Duitse stripfiguren gebeurt daar niks.

Zo danst het verhaal alle kanten op en leven Zidrou en Krings zich kostelijk uit in nevenlijntjes, rare bijverhaaltjes en situaties die in het geheel niet passen in een klassieke Suske en Wiske. Maar juist dát is de bedoeling van de hommages, of althans: het mag.

Die vrijheid neemt Krings ook volop als het gaat om de figuren: Lambiek lijkt voor geen meter, zeker niet als hij zich in een driedelig kostuum hijst; Jerom is weer de ouderwetse holbewoner met blote bast zoals in de beginjaren en Suske herkennen we vooral aan het feit dat hij het enige jongetje is. Maar het maakt allemaal niet veel uit: wie aan het album begint is het idee van een ‘echte’ Suske en Wiske toch al snel vergeten. De lezer vermaakt zich dan volop met het curieuze van deze hele onderneming.

De kwakkelende kwakzalver is een fijn en leuk tussendoortje, in de beste zin van het woord: vanwege alle verwijzingen naar de actualiteit, de optocht van bozige Franse stripfiguren en de geestige ontwikkelingen die in een rabiate vaart voorbij trekken, is het een uurtje driest leesplezier. En zeg nu zelf, ooit willen zien hoe een kleine Galliër met zijn kop door het plafond wordt geslagen, door een gracieuze uppercut die hem zelf al zestig jaar uit alle benarde situaties redt? Jerom doet het gewoon. Ge gaat best niet lachen met het Vlaamse erfgoed hé!

Jean-Marc Krings, Zidrou & Willy Vandersteen – Suske en Wiske hommage 3: De kwakkelende kwakzalver. Standaard Uitgeverij. 48 pagina’s. € 7,99.

Strips & comics

Gelezen: Rob Guillory – Farmhand

Wie Farmhand probeert uit te leggen, verliest zich al snel in details om het niet al te vreemd te maken. De Amerikaanse comicserie, van schrijver-tekenaar Rob Guillory die bekendheid verwierf met het groteske en hilarische Chew, is een kruising tussen horror en humor, met iets van de actualiteit, interplanetaire business en subversieve Artificial Intelligence. Dan is het ook nog een familiekroniek, een misdaadverhaal en is de suspense nooit ver weg. Voila, Farmhand is het allemaal.

Het verhaal speelt zich af in Freetown, Louisiana, op de geavanceerde boerderij van Jedidiah Jenkins, een gesoigneerde redneck op leeftijd met Hulk Hogan-snor die er een bijzonder werkveld op nahoudt. In plaats van gewassen of dieren, houdt hij zich bezig met de kweek van ledematen en organen. Dat gebeurt met alle vanzelfsprekendheid en dat ziet ook zijn zoon Ezechiël, die na een afwezigheid van een lange tijd met zijn jonge gezin naar het boerenbedrijf terugkeert. Wat hij tegelijk merkt, is dat ongeveer iedereen achter het geheim van Jedidiah aan zit. Zo ook Thorn, Jedidiahs voormalige zakenpartner, die het veredelde zaad voor zijn eigen zaak heeft ingezet. Gevaar ligt op de loer, al gebeurt (nog) niets in het openbaar.

Het leuke van de serie is dat het ondanks de thematiek een heel lichtvoetig verhaal is. Dat heeft voor een deel te maken met de rustige figuur van Jedidiah die geen blijk geeft van stress of malheur. Het tempo is precies goed, vooral in de tweede trade paper back, die de losse deeltjes van 6 tot en met 10 verzamelt. De spanning- en horrorelementen zijn goed gedoseerd: er hangt een prettige dreiging boven het verhaal, die de lezer er goed bij houdt.

De tekeningen van Guillory zijn lekker grillig en hebben het hoekige van street art, gecombineerd met een vleugje fifties atoomstijl. Maar vooral zijn ze cartoonesk wat zeker bijdraagt aan de fijne balans tussen humor en spanning. De futuristische boerderij is geestig verbeeld. Ondanks de serieuze zaken die er plaatsvinden, is het geen gesloten bolwerk met hoge hekken en schrikdraad. Sowieso hangt er geen onverdraaglijke agressieve sfeer in het verhaal, ondanks dat er genoeg gebeurt dat het daglicht niet werkelijk kan verdragen. Het is er een beetje, in een fijne balans met de rest.

De cliffhanger waarmee de tweede trade paper back wordt afgesloten, maakt nieuwsgierig naar het vervolg dat inmiddels is opgestart. Echte fanaten volgen de serie in de losse deeltjes: Farmhand 11 verschijnt op 20 november en is het eerste nummer van de derde story arch (iedere trade paper back, kortweg TPB, heeft en min of meer afgeronde verhaallijn).

Farmhand is een succesverhaal: de reeks verkoopt goed in de Verenigde Staten en daarbuiten, de lezers en critici zijn enthousiast en er zijn plannen voor een Farmhand-televisieserie. Guillory, die al een immense fanbase heeft vanwege Farmhand’s voorganger Chew, heeft weer raakgeschoten: Farmhand is veel van alles en ook nog eens in een perfecte combinatie. Dat is knap.

Rob Guillory – Farmhand, Image, twee TPB’s verschenen: deel 1 Reap what was sown (15,99) en deel 2 Thorne in the Flesh (18,99), 144 pagina’s per deel.

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel

Dit zong al een tijdje rond in de wereld van stripliefhebbers. Als scenarist Régis Loisel, van Magasin Général, Peter Pan en Op zoek naar de tijdvogel, zich ergens in stort, is het nooit halfslachtig. En als de kompaan met wie hij aan de slag gaat Olivier Pont is, die zich onlangs nog van zijn experimentele kant liet zien in het kolderieke Losse eindjes, maar zijn naam vooral vestigde met het wonderschone Over de grenzen van de tijd, dan weet de liefhebber genoeg: dit gaat vuurwerk opleveren.

Isabel is het eerste deel van de reeks Een godverdomse klootzak, een serietitel die nooit werkelijk went (los van het feit dat godverdoms geen Nederlands is). De klootzak in kwestie is een man van wie slechts een foto bewaard is gebleven. Die foto is in het bezit van Max, een viriele jongeman die net zijn moeder heeft verloren en op onderzoek gaat naar zijn vader in de jungle van Brazilië. Max heeft twee foto’s bij zich waarop zijn moeder staat, steeds met een ander heerschap. Als een lichtzinnige detective stort hij zich in een zoektocht naar de beide mannen, in de hoop zijn pa terug te vinden.

Die Braziliaanse bush is niet bepaald een frisse plek om op zoek te gaan naar medestanders. Max komt al snel in de problemen en moet vluchten met de stomme dochter van een eenvoudige fixer die bij een hinderlaag om het leven komt. Tegelijkertijd raken twee jonge verpleegsters, die Max onderweg tegenkomt, verzeild in een smerig zaakje: dat van vrouwenuitbuiting en moord. En dan zijn we pas in het eerste deel van het verhaal.

Daar zit een angeltje. Loisel kennen we van het recente negenluik Magasin Général dat oorspronkelijk was ingezet als een trilogie. Steeds kwamen er lijntjes en personages bij, en daarmee album na album. Van Een godverdomse klootzak is nog niet bekend hoever de ambitie reikt. Mocht het diezelfde kant uitgaan, dan heeft de lezer nog veel te verwachten. De tomeloze vaart en onmiddellijke actie belooft in ieder geval veel goeds.

In dit verband is het heerlijk om de verhaalhaakjes te ontdekken: de subtiele vooruitwijzingen, waar Loisel een handje van heeft. Als de twee verpleegsters hun werk hebben gedaan op de bouwplaats van een onbehouwen voorman en ze hem op de hoogte brengen van Max en zijn zoektocht naar zijn vader, zien we diezelfde figuur even later uit het raam staren, met naast hem een paar fotolijstjes die er duidelijk niet voor niets staan.

Het tekenwerk van Olivier Pont is prachtig. Hij kan prima uit de voeten met de situering van het verhaal. De pagina’s van het forse album zijn heerlijk onstuimig en panoramisch van opzet. Het ongerepte van de natuur en het ruige van de bush zijn duidelijk aan hem besteed. Ook inkleurder Francois Lapièrre voelt er zich met zijn accentrijke maar donkere kleurpalet als een vis in het water. Slechts winnaars, en daar kunnen we de lezer ook gerust toe rekenen. Een godverdomse klootzak kan met zo’n openingsalbum tot grote hoogte stijgen. Het is vast te veel gevraagd om nu al meteen een tweede deel te eisen. Aan de andere kant: wie de smulpaap een zalige entrée voorzet, moet niet te lang met het hoofdgerecht treuzelen.

Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel. Blloan. 88 pagina’s, € 9,95. Ook in hardcover: € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven

Philippe Berthet is een vakman die vele kunsten verstaat. Zijn tekenwerk is al jaren consistent en herkenbaar; het is strak en feilloos, met een voorliefde voor de jaren zestig en zeventig. Genoeg lezers zullen vooral zijn latere werk klinisch vinden. Dat komt vooral door zijn vrij emotieloze lijnvoering, die evenwel goed past bij het soort verhalen dat hij vertelt. Zo ook bij De kunst van het sterven, dat onlangs verscheen als derde deel van de nieuwe reeks ‘kwalitatief hoogstaande oneshots’ die uitgeverij Arboris op de markt brengt onder zijn imprint XL. Deze albums zijn forser van omvang en grootte en zijn even verrassend als onvoorspelbaar. Kwaliteit is immers een moeilijk te definiëren keuzemechaniek: de drie titels die nu zijn verschenen zijn totaal verschillend. Overeenkomstig is dat ze het alle drie goed doen op groot formaat.

Maar toch, De kunst van het sterven heeft beslist kwaliteit. Om te beginnen is het centrale plot kraakhelder: er is iemand overleden, men vermoedt zelfmoord, maar dat is nog maar de vraag. Als dan ook nog een aantal rare figuren opduiken die zich onhandig ophouden in de nabije omgeving van het slachtoffer, dan weet je wel hoe laat het is. En laat de Parijse politieman Phillipe Martin nu precies hetzelfde vermoeden hebben. Het draait namelijk allemaal om een zwendel waarbij kunst in het geding is. Vandaar de titel, die aanvankelijk veel mysterieuzer klonk dan uiteindelijk blijkt. Wie graag een lekkere whodunnit leest, en daarbij ook op zoek wil naar de waaromvraag, heeft hier een fijne kluif aan.

Twee zaken vallen onmiddellijk op, te beginnen met de positieve: het kleurgebruik is ronduit spectaculair. Er zit een gewassen structuur in de kleuren die ze heel dreigend maken, perfect passend bij de venijnige pen van Berthet. Het maakt de grote pagina’s van de XL-reeks extra de moeite waard, ook al zit er een geweldige vaart in het verhaal waardoor de lezer het misschien bij eerste lezing niet direct waarneemt. Ook dat tempo is een kwaliteit, de actie verslapt nergens.

Wat daarentegen in negatieve zin opvalt is dat Berthet moeite heeft om emoties over te brengen. In De kunst van het sterven zijn sommige scenes zo onbeholpen dat het storend is. In de eerste van drie plaatjes: waarom wilde je me spreken? Ik moet je iets vertellen over de dood van Emma. Hop, tranen in plaatje twee. Daar krijgen we Emma niet mee terug. Stilte op plaatje drie: dan weet meneer Martin het ook even niet meer. Zo zijn er meer gesprekken die wat vreemd aandoen, en dat ligt vooral aan de verstilde mimiek van de personages. Ze communiceren niet maar praten monotoon voor zich uit. Het had allemaal wat echter, menselijker gemogen.

Aan de andere kant: gedraag je maar eens welwillend naar de lezer als je achterna wordt gezeten door een bende vol getatoeëerde latino’s die je op het spoor zijn. Dan kun je maar beter net doen alsof het je allemaal niets doet. (Tipje van de sluier: dat laat Phillipe Martin inderdaad volledig koud). De slotscène in de stadse omgeving van Barcelona heeft genoeg spanning om de aandacht erbij te houden, ook al is dan lang en breed duidelijk hoe de vork in de steel zit. Dat de kwade genius in zijn laatste moment als vrij mens nog snel even alles opbiecht en paginabreed uit de doeken doet, is niet werkelijk nodig. Maar het past wel in het geheel: dat van een lekkere B-film met de goeie en de slechterik en een heleboel momentjes die misschien wat meer diepgang hadden mogen hebben.

Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven. Arboris. 72 pagina’s. € 8,95. Ook verkrijgbaar als hardcover: € 18,95.