Strips & comics

Gelezen: Leo, Rodolphe & Janjetov – Centaurus

Over beproefde recepten gesproken: met het verschijnen van Het dode land, het afsluitende vijfde deel van de sf-cyclus Centaurus heeft het trio Leo, Rodolphe en Janjetov weer een verhaal afgerond over de ontdekking van een bijzondere planeet. En net als bij de vorige cycli is het opnieuw indrukwekkend en een tikje spijtig: mooi omdat het verhaal zo groots en meeslepend is, jammer omdat de zoveelste episode is in een groter geheel waar maar geen einde aan komt.

De Braziliaanse stripmaker Leo is al sinds 1994 bezig met een even bijzonder als omvangrijk sciencefiction oeuvre, waarin het voornamelijk draait om het exploreren van nieuwe werelden. Hij doet dat in wisselende samenstelling: tekende hij aanvankelijk de strips zelf, tegenwoordig schrijft de 76-jarige auteur vooral de verhalen die hij door anderen laat tekenen. In het geval van Centaurus is dat de Serviër Goran Janjetov.

Voor wie het werk van Leo niet kent, is Centaurus een perfecte cyclus om in te stappen, om meerdere redenen. Ten eerste is het verhaal keurig afgerond en geeft het bovendien een goed beeld van hoe het er in andere verhalen aan toe gaat, want dat is in wezen altijd hetzelfde. Om kort te gaan: in alle cycli, die spelen in de verre toekomst, draait het om de ontdekking van andere planeten om een nieuwe beschaving te kunnen opbouwen. Op die planeten blijken altijd uitdagende entiteiten of beestachtige monsters te zitten, die het de voormalige aardbewoners moeilijk maken. Ook belangrijk: de personages zijn afstammelingen van gewone aardbewoners van vroeger, zoals wij, maar een aantal van hen heeft bijzondere gaven ontwikkeld. Het gaat dus nadrukkelijk om gewone mensen, het is geen biedie-biedie-space-fantasie.

Ook in Centaurus is dat het geval, al is er meer aan de hand. De expeditie is ontregeld en vanwege een gebrek aan zuurstof is het ruimteschip genoodzaakt hoe dan ook een landing te maken op de planeet, die dan nog wordt onderzocht op levensvormen en wat al niet meer. Niet zoals het hoort, maar nood breekt wet. Deze snelle samenvatting doet het verhaal geen recht, maar het is vooral gedaan om niet te veel weg te geven: daarvoor haakt alles te slim en ingenieus in elkaar. Spoilers zijn dodelijk.

De lezer beleeft de ontdekkingstochten op de voet en wordt geconfronteerd met een hoop intrige. Stiekem gaat het om macht. Er zijn altijd krachten die de boel willen saboteren, in Centaurus zelfs vanuit een heel onverwachte hoek. Een ander vast gegeven in de cycli is de samenstelling van de expedities: die lijkt nooit van harte, of is ingegeven door belangen die de expeditie overstijgen.

In Centaurus is dat niet anders: het verhaal begint als de tweelingzusjes Joy en de blinde June en hun vriend Bram worden verzocht mee te gaan naar de planeet Vera. June is bovenbegaafd, ze kan indrukken van elders opvangen. Waarom uitgerekend deze drie mee worden genomen is niet meteen duidelijk, maar de toon is onmiddellijk gezet als er door hun aanwezigheid wrijving ontstaat bij de andere expeditieleden.

De wereld waarin zij leven heeft de vorm van een reuzencilinder die al meer dan 400 jaar door de kosmos glijdt, op weg naar Vera waar de bewoners zich uiteindelijk zullen vestigen. De expeditie met onder anderen June, Joy en Bram gaat naar die planeet, bij wijze van verkenningstocht. Maar niets is wat het lijkt en daar komt de groep op een niet onzachte manier achter.

Voor wie het idee heeft dat sciencefiction de boventoon voert, heeft het mis. Jazeker, er wordt met ruimteschepen gekoerst, er zijn laserwapens in omloop en veel heeft een tikje ouderwetse sf-feel, maar het gaat om gewone mensen die nog opvallend gewone wensen hebben: een nieuw leven beginnen. Het is vooral het ontdekken, het speuren wat het spannend maakt. Alles is onbekend, de flora en fauna zijn grotesk en angstaanjagend. Ergens lijkt het op een computerspel, waarin steeds opnieuw keuzes gemaakt moeten worden. Het ongewisse maakt het razend spannend.

Uiteindelijk duurde het vijf jaar voordat deze cyclus compleet in albumvorm verscheen. Dat is behoorlijk lang. Niet alleen voor de moderne mens, die alles volledig en meteen wil bingen, maar ook voor een stripliefhebber die nog de ouderwetse rust kan opbrengen en netjes wacht tot het hele verhaal verteld is. Juist omdat Centaurus leest als een trein en een onderbreking voelt alsof ze iets van je afpakken, valt er iets voor te zeggen om het tempo minstens te verdubbelen.

Centaurus en alle verhalen uit deze reeks zijn gemaakt om dóór te lezen. Ze hebben iets gehaast, je wil bij blijven in de zoektocht naar bewoonbare planeten en andere leefvormen. Letterlijk vanaf pagina 1 word je in het verhaal gezogen. Al die onderbrekingen zijn storend, laat staan het vooruitzicht om weer een jaar te moeten wachten op de volgende twintig procent van het verhaal. En eerlijk gezegd: 48 pagina’s per jaar, dat is nog geen een per week. Los van de agenda van Janjetov, beter verkopende strips zitten er in ieder geval niet in zijn portefeuille.

Misschien is het zelfs beter om helemaal geen seriële afleveringen meer uit te geven: gewoon meteen integraal. Het is niet raar om een dikke pil van 240 pagina’s te kopen en in één ruk uit te lezen. Dat is zoals het bedoeld is.

Zij die keurig wachten met lezen tot het verhaal volledig is verschenen, kunnen hun hart ophalen. Centaurus is, zeker in vergelijking met de losse cycli uit de Aldebaran-reeks van Leo, mooi compact en afgerond. Het verhaal heeft talloze spanningsbogen die perfect over de vijf delen zijn verdeeld; alleen al daarom is het aan te bevelen de hele cyclus in één keer te lezen.

En als dan alles achter de rug is en er heel bescheiden het woordje ‘einde’ onder aan de pagina staat, is het even net zo stil als in het heelal. Maar niet lang. Op het felblauwe schutblad staat in forse letters: Volgende bestemming Europa. Instappen vanaf najaar 2020 voor een nieuwe cyclus van vijf delen door Leo, Rodolphe en Janjetov.
Zeker iets om naar uit te zien. Hoe het bevallen is, leest u over vijf jaar.

Leo, Rodolphe & Janjetov – Centaurus, cyclus van 5 delen. Silvester. 48 pagina’s per deel, 8,95 per deel. 1. Het beloofde land, 2. Het vreemde land, 3. Het waanzinnige land, 4. Het angstaanjagende land en 5. Het dode land.

Strips & comics

Gelezen: Talk Bernie to Me: The Bernie Sanders Special and AOC Surprise

Het is moeilijk voor te stellen dat tijdens de komende verkiezingen in Nederland de partijstandpunten worden verkondigd door stripversies van Rutte, Jetten, Baudet of Klaver. Los of ze het zouden willen, zit niemand erop te wachten. In de Verenigde Staten is dat anders, al is dat nog niet zo lang het geval.

Behalve enkele gastrolletjes in superheldenstrips van bijvoorbeeld Ronald Reagan (in Superman) begon het echt bij George W. Bush, die een eigen stripserie had waarin zijn aapachtige alter ego met grote oren de ene na de andere stommiteit etaleerde. Heel grappig allemaal, van het niveau Saturday Night Live: de belevenissen van een domme president tegen wil en dank.

Obama was de eerste president die zijn eigen comic had waarin juist zijn heldendaden werden verteld. Die comic werd destijds een succesje en dat heeft met name de Democratisch gezinde stripmakers op scherp gezet. Met de verkiezingen voor de deur zijn het vooral de Democraten die worden geportretteerd in stripformaat: al snel werd het activistische Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez op het schild gehesen. Samen met haar zogenaamde Freshman Force gaat zij de corrupte bende in Washington te lijf.

Ocasio-Cortez wordt neergezet als de sociale redder in nood, degene die corporate America op de knieën zal dwingen. Voorlopig zal ze dat vanuit haar Congreszetel moeten doen, want de mensen die nu in staat worden geacht om de boel te redden zijn de presidentskandidaten, zij die het tegen Trump opnemen.

Een klein rondje langs de politieke hoofdrolspelers leert dat de comics over Trump meestal tegen hem zijn gericht, behalve het hilarische Trump’s Space Force waarin Trump korte metten maakt met zijn tegenstanders. Als hij met een ruimtewapen de genadeklap uitdeelt, zien we groot BARACKABOOM! over de pagina. Niveau heeft het onder alle omstandigheden, dat is evident.

Dat er (nog) geen comic is van de saaie Biden lijkt niet verrassend, dat Bernie Sanders zijn eigen comic heeft des te minder: Talk Bernie to me is een one-shot met korte bijdragen van – laten we het maar eerlijk benoemen: fan van de beste man. Hij wordt bewierookt, neergezet als de redder van ongeveer onze hele planeet en de vaandeldrager van de nieuwe tijd.

In de comic van 48 pagina’s staat een flinke lijst bijdragen. Bepaald geen grote namen en dat zie je af aan het tekenwerk, dat gaat van belabberd tot redelijk. Belangrijker lijkt de boodschap. Een aantal strips is vooral educatief, op het saaie af. Met grote lappen tekst en veel citaten wordt verteld wat Bernie zoal heeft bereikt als senator en als politiek dier met een ongekende staat van dienst – The conscience of the Congres. Natuurlijk is er een zwakzinnige worstelversie van het debat met presidentskandidaten. Als Pete Buttegieg in de touwen wordt geslingerd hoort hij onomwonden: “Well y’know its hard to stay upright when you don’t stand for much.” Helder.

Talk Bernie to me is hooguit een interessant inkijkje in de Amerikaanse verkiezingen. Als verzameling stripverhalen schiet het tekort. In dat opzicht was het verhaal van Ocasio-Cortez vermakelijker, en het zag er vooral beter uit. Het idee dat een stelletje ideële stripmakers een steentje hebben willen bijdragen is nobel maar niet werkelijk interessant.

Talk Bernie to Me: The Bernie Sanders Special and AOC Surprise. Devils Due Comics, 48 pagina’s, $2,99.

Strips & comics

Gelezen: Oriol Hernández & Zidrou – Het vel van de beer 2

Eerst wat zaken rechtzetten voor we verder gaan: dat dit album Het vel van de beer 2 heet is misleidend. Die 2 suggereert een vervolg, maar dat is niet werkelijk het geval. Immers, het eerste deel uit 2012 dat gewoon Het vel van de beer heette, was een afgerond verhaal, waarin bovendien het vel van een beer een belangrijke rol speelde. Daarnaast is dit tweede deel een compleet album, dat prima los te lezen is. Dus waarom die 2 op het omslag?

Het meest voor de hand liggende antwoord is deze: omdat beide verhalen in grote lijnen identiek zijn. Iedereen die het eerste deel destijds las, weet het verhaal nog exact na te vertellen. Het is een indrukwekkende geschiedenis over loyaliteit, liefde, twijfel en geweld, die zich afspeelt in het klassieke, Italiaanse maffiamilieu.

Ook in dit tweede deel staan deze thema’s centraal, al wordt er nu een amoureuze situatie van twee jongemannen aan toegevoegd. Het maakt Het vel van de beer 2 complexer maar ook op een fijne manier geniepig. Sluimerende homoseksualiteit binnen een katholieke maffiasetting, nota bene in de jaren vijftig, is niet bepaald iets waar men destijds makkelijk overheen stapte.

De zestienjarige Andrea is er op een zonnige nazomerdag getuige van hoe zijn vader in koelen bloede wordt vermoord door twee maffiagasten. Zijn moeder wordt misbruikt en loopt daarna van schaamte de klif af. Andrea wordt opgesloten in de achterbak van een auto, waar hij even later door een grote kerel weer uit wordt bevrijd. Die vent, Orso (Italiaans voor beer) heeft de twee moordenaars omgelegd en neemt de bange Andrea in bescherming.

De lezer haalt dan even een paar keer extra adem, niet in de laatste plaats doordat deze gebeurtenissen zonder omhaal en heel direct worden uitgebeeld. Andrea wordt opgenomen in de familie van deze Orso Damiani, die de maffiabaas van de streek blijkt te zijn. Hij ziet het als een plicht om Andrea te helpen, die op zijn beurt erg gecharmeerd is van de zoon des huizes.

Andrea wordt ouder en intussen in de maffiapraktijken van Orso ingewijd. We zien hem verharden, maar tegelijkertijd worstelt hij met zijn verleden en zijn liefde voor Aurelio. De vriendelijkheid van Orso jegens Andrea en de gelijktijdige wreedheden van het maffiamilieu beginnen te knellen. Hier komt de titel pas naar voren: het vel van de beer kan wel eens het leven van Orso betekenen.

Oriol Hernández tekent spannend. Soms laat hij gezichten bewust vaag of bijna oningevuld, zoals Bastien Vives dat doet. Zijn kleurgebruik is spectaculair, het is vreemd en logisch tegelijk omdat de hele setting zo bizar is: ongekende wreedheden bestaan binnen een enkele pagina naast een gewoon, bijna liefdevol gezinsleven. Hernández negeert deze discrepantie, de tweedeling blijkt niet uit zijn tekenstijl of kleurgebruik. Slim, zo wordt de liefde niet werkelijk gevoeld en worden de wrede uitspattingen bijna uitstapjes. De lezer die met Andrea meevoelt, blijft in een roes van ongemak gevangen zitten.

In vergelijking met deel 1 is dit tweede deel iets beter, als los verhaal. Wie deel 1 al kende, zal zich misschien even achter de oren krabben: een vrijwel identiek verhaal met andere personages en enkele accentverschuivingen is een tikje vreemd. Tegelijk zullen lezers bij een tweede deel vermoeden dat die niet los te zien is van het eerste. Dat is allemaal onnodig verwarrend. Wie evenwel een goed verhaal wil lezen, koopt vooral dit tweede deel, vooral omdat het slotstuk sterker is uitgewerkt. Bovendien is Orso als maffiabaas geloofwaardiger dan de karikaturale Pomodoro, met zijn witte pakken en borsalino hoeden uit deel 1.

Oriol Hernández & Zidrou – Het vel van de beer 2. Blloan. 64 pagina’s hardcover. €16,95.

Strips & comics

Gelezen: Yoann & Fabien Vehlmann – Supergroom 1: Superheld tegen wil en dank

Is het een Robbedoes-verhaal? Valt er veel te genieten? Is het een superheld waar we meer van gaan horen? Nee, het is Supergroom!

Superheld tegen wil en dank, zo heet het eerste deel van Supergroom, de zoveelste afgeleide van de verhalen van Robbedoes en Kwabbernoot. Deze keer kruipt Robbedoes in de huid van een superheld, met alle eigenaardigheden die bij dat genre horen. Het is snel, flitsend, druk en bij tijd en wijle onzinnig.

De toon wordt meteen gezet: Spip, de eekhoorn van Robbedoes, doorbreekt de vierde wand en spreekt meewarig over zijn baasje tegen het jonge publiek. Het doel is ons laten weten dat Robbedoes er werkelijk niet meer toe doet en dat niemand hem nog kent. De oplossing dient zich aan: hij wordt een superheld, wat dat verkoopt. En zo fladdert het verhaal van het ene metaniveau naar het andere.

Dat is niet het enige wat buitelt. Robbedoes is een besluiteloos heerschap dat loopt te jammeren over zijn ecologische voetafdruk, de drukte aan zijn hoofd en geen zin heeft in een filmrol die zich zomaar aandient. Dat hij het eventjes heeft geprobeerd als superheld en daarvan terug is gekomen, zegt genoeg. Die toestand was ook niks voor hem.

Maar dan gebeurt het. Iemand anders verkleedt zich als Supergroom en begint een kruistocht tegen een projectontwikkelaar. En dan krijgt Robbedoes het ineens benauwd: wat als hij daarvan de schuld krijgt? (Niet dat dat kan, want niemand weet dat hij de oorspronkelijke Supergroom was, maar ach.)

Afijn, hier hebben we het lijntje te pakken, want natuurlijk laat die projectontwikkelaar het er niet bij zitten. Robbedoes gaat naar de graaf van Rommelgem die voor hem een pak maakt, met een gele en een rode knop – die je niet tegelijk mag indrukken. Zelfs als je klompen over je klompen draagt voel je aan dat dat een keertje misgaat. En zo kleunt het rommelige verhaal maar door, met twee Supergrooms die achter elkaar aan zitten en een lijfwacht die met een grote hamer een flatgebouw kan laten instorten.

Het eindigt in comic-stijl, met een cliffhanger. In dit geval wordt er nog even snel een kwade mevrouw in de verhaallijn gefietst, van wie de lezer nog niet veel meer weet dan dat ze niet gelukkig is met de ontwikkelingen. Die lezer, afgemat van alle onzin die er aan hem voorbij is getrokken, kan er niks mee.

Vraag is vooral waarom deze reeks er is. De uitgever is daar heel open en eerlijk over geweest: om jeugdige lezertjes te trekken. Spip vertelde dus geen larie. Scanarist Vehlmann en tekenaar Yoann zijn gaan in hun openhartigheid nog een stapje verder. Het duo was tot 2016 verantwoordelijk voor de reguliere Robbedoes-reeks, van nummer 50 tot 55. Omdat er sindsdien geen nieuwe titel van de basisreeks is verschenen, zou je kunnen zeggen dat ze nog steeds de auteurs zijn. Is Supergroom een tussendoortje? Dat is niet zeker: als dit idee aanslaat, blijven ze Supergroom maken en gaat de klassieke Robbedoes naar een ander, aldus de heren. Als het hele marketingconcept flopt, dan pakt het duo de draad weer op bij album 56, en wordt Supergroom bij de kraak gezet. Zo gemakkelijk wordt er tegenwoordig gecommuniceerd.

Eerder verschenen al drie delen van Robbedoes special, door de Belgen Marc Legendre en Charel Cambré, die ook waren bedoeld voor de jongere lezer. Daar werd de stekker uitgetrokken vanwege tegenvallende verkoopcijfers. Onterecht, want het waren leuke verhalen die perfect waren toegesneden op de doelgroep. Rommelgem, de serie rond de uitvindende graaf die vorig jaar verscheen en de handen van veel stripfans op elkaar kreeg, heeft potentie. Het hoogtepunt van alle nevenreeksen blijft Robbedoes door… en dan met name het vierluik van Emile Bravo, dat intussen op de helft is. In de lezers-jaarlijst over 2019 van stripspeciaalzaak.be stonden de eerste twee delen in de top 5. Terecht.

Bijzonder aan Supergroom is de lompe pagina-opmaak van drie stroken en met weinig tekst. Het leest soms alsof je een bladerboek zit door te nemen. De reden heeft te maken met de verschijningsvorm in Frankrijk. Om ‘nog beter bij de doelgroep aan te sluiten’ is het daar uitgegeven op comic-formaat. Immers, jongeren lezen wel comics, is de gedachte.

Op de Nederlandse markt werkt dat nieuwerwetse formaat niet. Hier wordt het toch uiteindelijk door volwassenen gekocht die niet willen dat de kastplank met strakke ruggetjes wordt onderbroken door een afwijkend boekje, dat de hele aanblik verpest. Supergroom is bij ons even hoog als de rest. Er zijn genoeg voorbeelden van reeksen die met de jaren van formaat veranderden en de stripfanaten met toortsen de straat op joegen. Zoiets doe je niet, dat weet men intussen. Verzamelaars zijn precieze mensen, om het netjes te zeggen.

Wat je ook niet doet, is het onvertaald laten van teksten. Als Spip zich tot de lezertjes wendt om ze te wijzen op het verleden van Robbedoes, dan zien we allemaal Franse boekomslagen, tot en met het stripblad Spirou aan toe. Een uurtje Photoshoppen en het ziet er keurig uit, maar dat is blijkbaar bij niemand opgekomen. Het past in het geheel: het is een zeperd. Tegen wil en dank slaat op meer dan de titel alleen.

Yoann & Fabien Vehlmann – Supergroom 1: Superheld tegen wil en dank. Dupuis. 88 pagina’s. € 9,95.

Strips & comics

Gelezen: P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar

Een steeds weer onverwacht genoegen, dat is de Poezenkrant. Het “onregelmatig” verschijnende periodiek van grafisch vormgever, chroniqueur en “directeur” Piet Schreuders verschijnt sinds 1974 en is derhalve toe aan haar 45ste “jaargang”. De aanhalingtekens zijn niet zelfgekozen: zo staat de informatie vermeld op het omslag van de nieuwe PoKra, een dubbelnummer met twee omslagen. Aan de ene kant een reguliere Poezenkrant, op de andere kant staat een van de bekendste strippoezen ter wereld. Felix the Cat, de klassieke creatie van Pat Sullivan, heeft in 2019 namelijk de respectabele leeftijd van honderd jaar bereikt. Reden voor een flinke Poezenkrant-bijlage.

In Nederland zijn er twee vooraanstaande strippoezen. Behalve Tom Poes is dat Heinz, de nukkige kat van het duo Eddie de Jong en René Windig. Die laatste is een groot fan van Felix the Cat en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de 80 pagina’s forse bijlage van de Poezenkrant. Als extraatje bij het nummer is een inlegvel met een reproductie op ware grootte van een originele Felix-strip uit 1927 bijgevoegd. Vandaar dat de PoKra deze keer is verpakt in een krokant plasticje.

Wie de Poezenkrant niet kent, heeft weinig aan de volgende uitleg, al ligt die toch vlak bij de waarheid: het gaat in de PoKra maar zijdelings over poezen zelf. Het is geen vakblad of hobbytijdschrift. Je zoekt er vergeefs naar borstelinstructies, radiatormandjes of informatie over wormkuren en niesziekte. Eerder zoekt de redactie naar bijdragen waarin de poes een rol speelt. Een oude reclame met een poes of serviesgoed, filmbeelden, uithangborden; zodra er een poes op staat is het geschikt. Het plezier van de PoKra is dat al deze bijdragen en worden voorzien van een gedetailleerd, uiterst serieus en daardoor hilarisch commentaar. En vergeet vooral de geestige bijdragen van literaire poezenbezitters niet. In dubbelnummer 65-66 staan er twee: van Lodewijk Wiener en Jean Pierre Rawie. De laatste vertelt in een smakelijk stuk over zijn viervoeter die er op een dag tussenuit piept.

Leuk is dat ook de lezers actief zijn: zij sturen foto’s in, voorzien van geestige onderschriften. Dat zij de PoKra serieus nemen, blijkt uit de vele necrologieën die in het blad staan. Het heeft wat weg van Achterwerk in de Kast, maar dan voor volwassenen met een bepaald huisdier: een zeker slag mensen, met een specifiek soort humor, die allemaal in een fraai vormgegeven bubbel samen komen. De PoKra heeft cachet. Als je de naam op een feestje laat vallen en iemand kent het, dan is dat altijd voluit. Het is een vriendenmaker, als je daar op uit bent.

Terug naar Felix the Cat en René Windig. In de flinke bijlage wordt begonnen met ‘een stukje geschiedenis’: het ontstaan van het figuurtje, zijn kenmerkende loopje, de studio waarin alles plaatsvond, met prachtig historisch beeldmateriaal, en een uitgebreid overzicht van alle Felix-filmpjes, voorzien van verschijningsdata. Uiteraard wordt er stilgestaan bij de fraai aankondigingsposters die destijds verschenen, maar ook bij de muziek van de cartoons, waarvan een aantal pagina’s bladmuziek is opgenomen. De artikelen van Windig zijn lekker geschreven, met veel kennis van zaken en een beetje branie: de perfecte mix die past bij de Poezenkrant én bij Felix.

Met recht uiteraard, want waar Schreuders en de zijnen in excelleren is het vermogen om overal perfect gereproduceerd beeldmateriaal bij te vinden. Het lijkt alsof ze toegang hebben tot de schatkamers die voor gewone stervelingen gesloten blijven. De Felix-bijlage is een sieraad: ook voor de lezer die niet direct alles hoeft te weten over Felix the Cat – en wie is dat niet – is er zoveel fraais te zien en te lezen dat hij uiteindelijk meer zal weten over Felix dan over bijvoorbeeld de Deltawerken, Philips, prinses Beatrix of de provincie Utrecht. En dan hebben we het over een figuurtje uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Hoogtepunten zijn de pagina’s met relletjes en controverse: over gemanipuleerde foto’s, vervalste onderschriften, leugens en stereotyperingen, én de pagina’s met reclames waarin Felix in voorkomt – al dan niet geautoriseerd. Het is eye candy uit de grootste pot.

De nieuwe Poezenkrant is er eentje voor de stripliefhebber: de liefde en zorgvuldigheid waarmee Felix the Cat wordt gefeliciteerd is ronduit fantastisch. Alvast, voor wie het de eerste kennismaking met PoKra is: smaakt dit naar meer, dan is er nog een wereld te ontdekken. Piet Schreuders maakt ook al jaren het liefhebbersblad Furore, met misschien wat minder poezen, maar met evenveel vrolijkheid en panache.

P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar. Uitgever P. Schreuders. 100 pagina’s. 10,00.

Strips & comics

Gelezen: Willem – De nieuwe avonturen van de kunst

Als het in de Boekenweek over dwarsdenkers gaat, dan is het verleidelijk om ook eens in de stripwereld te kijken naar auteurs die dat predikaat verdienen. Het blijkt een hachelijke onderneming omdat dwarsdenken een zekere mate van persoonlijk engagement veronderstelt. Stripauteurs spreken zelden anders dan via hun personages, en daarin verschillen ze niet eens zo veel met literaire auteurs. Als er dan toch een naam moet komen, dan is Willem een geschikte kandidaat.

Cartoonist en stripmaker Willem (pseudoniem van Bernhard Holtrop, 1941) is eerder een dwarsdoener dan een dwarsdenker. Zijn indrukwekkende biografie die intussen een halve eeuw beslaat, ronkt van de heftige gebeurtenissen. Vanaf halverwege de jaren zestig roerde hij zich al flink in het linkse, anarchistische milieu. Hij tekende voor Provo, Hitweek, Aloha en liet zich niet onbetuigd. Bedenkelijke faam verwierf hij door koningin Juliana als dame van lichte zeden af te beelden. Het zorgde subiet voor een rechtzaak en zijn ‘doorbraak’ bij het grote publiek. Ineens wist iedereen wie deze Willem was. Hij werd niet veroordeeld, maar vertrok desalniettemin naar Frankrijk, waar hij sinds 1968 woont en succes viert als cartoonist. Zijn statuur is die van vileine, tegendraadse auteur met uitgesproken, zwartgallige meningen die vrijwel altijd het establishment slachtofferen.

Willem stond in 2015 op een vreemde manier in de schijnwerpers doordat hij aan de aanslag bij Charlie Hebdo ontsnapte: hij was onderweg naar de redactievergadering maar kwam te laat. Wie een jaar later Willems oeuvre-expositie in het Nederlands Stripmuseum bezocht, herinnert zich vast de waarschuwingen bij de entree: niet geschikt voor kinderen en mensen met een zwakke maag. Wat de bezoeker zag, was een doorsnee van zijn werk; bepaald niet mainstream of aansprekend voor de gemiddelde (strip)lezer. Willem duwt zijn lezer bij voorkeur over de rand, recht in het ongemak, de vuiligheid, de drek. Iedereen moet eraan geloven: wie boos wordt, is hypocriet. En daarbij geldt het adagium van Charlie Hebdo als vertrekpunt: fuck you.

Het is daarom des te plezierig om te ontdekken dat het nieuwe boek van Willem er eentje is dat uit een heel ander vaatje tapt. Wie met enig voorbehoud begint te lezen is na een paar pagina’s al om, vast blij verrast: in De nieuwe avonturen van de kunst zet Willem zich aan honderd levensverhalen van kunstenaars en kunststromingen. Hoewel de geportretteerden en hun entourage nog steeds onheus worden neergezet, is het minder om te schokken. Alles staat in het kader van de vertellingen, van het grotere geheel. Op die manier herschept hij anderhalve eeuw kunstgeschiedenis: alles wordt net even anders bekeken en beschreven. Wie denkt te weten hoe de vork in de steel zit, doet er goed aan even te zien hoe Willem het beschrijft. Het kán maar zet anders zijn…

Willems tekeningen zijn nog steeds op een charmante manier onbeholpen: zijn tekstballonnen zijn in verhouding veel te groot, de figuurtjes zijn onaf en handen tekenen doet hij liever niet. Maar toch zijn de verhaaltjes, steeds een of twee pagina’s lang, innemend en vooral erg geestig.

Willem kiest zijn kunstenaars zorgvuldig: van iconen, ook uit de popmuziek en filmwereld (Yoko Ono, Keith Moon, Marilyn Monroe en Colonel Tom Parker), tot minder bekende kunstenaars. Van die laatste categorie zijn het voornamelijk dwarse types van de laatste vijftig jaar, van wie de goegemeente stelde dat hun werk geen kunst was. Die frase komt dan ook meer dan eens in de verhaaltjes terug. Het zijn de tegendraadse kunstenaars met wie Willem zich verwant voelt: Tracy Emin, Pjotr Pawlenski, Arnaud Labelle-Rojoux, Günter Brus en Jean Dubuffet.

De nieuwe avonturen van de kunst is bijna een onwillems boek geworden. Het is mild, spitsvondig en op een aardige manier scherp. Dat moet hij zelf ook hebben gedacht, daarom koos hij voor een omslag met Adolf Hitler – en Jezus Christus op de achterflap. Dat toch een heleboel mensen zich ongemakkelijk voelen om een boek met diens tronie te moeten afrekenen. Het zal ze leren. Een klassieke dwarsdoener verliest nooit zijn streken.

Willem – De nieuwe avonturen van de kunst. Concerto Books. 160 pagina’s hardcover. 26,99.

Strips & comics

Gelezen: Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub

De Gevoelige Mannenclub is het album van Michiel van de Pol waarvan je wist dat die er ooit zou komen. Door de jaren heen waren de heren al een paar keer in allerlei smallpress boekjes verschenen. Nu zijn ze er echt, in een flinke graphic novel die twee belangrijke peilers van het werk van Van de Pol verenigt: zijn grafische gekte en vooral de heerlijke, mateloze kletsverhalen van zijn personages.

Het verhaal begint op z’n Van de Pols. Een lullige scene ontaard in een premisse die niet verklaard wordt: van het ene op het andere moment besluit Vera zich uit te kleden en voortaan naakt door het leven te gaan. Haar verbouwereerde echtgenoot Harry ziet het aan en weet even niet wat hij moet zeggen. In ieder geval blijft het verwarde bezoek niet lang en gaat Vera daarna in haar niksie de straat op. En daar zit Harry.

Laat het aan Van de Pol over om met een vergezochte maar passende oplossing te komen: Harry neemt contact op met de Gevoelige Mannenclub, een gezelschapje van drie heren dat bestaat bij de gratie van God-mag-weten-wat. Aldus is hun introductie: De Gevoelige Mannenclub kent sinds haar oprichting belangrijke regels en tradities, zoals het begroetingsritueel waarbij de heren lekker met de blote basten tegen elkaar aan butsen, waarna ze elkaar de ruimte geven om hun gevoelens van dat moment te etaleren. Daarbij is een stukje dansexpressie bijvoorbeeld heel goed mogelijk. Vervolgens worden elkaars prostaten betast bij wijze van controle; een ‘verre van fris karweitje’ dat niet zelden ontaard in een gebroederlijke stoeipartij, zoals alleen mannen dat kunnen.

Vera is intussen de vreemde dokter Cagliari tegen het blote lijf gelopen. Hij ziet potentie in haar. Cagliari houdt Vera voor dat ze midden in haar seksuele opleving zit en dat haar assertieve grondhouding hem enorm aanspreekt. En of ze even met hem mee wil naar zijn laboratorium, waar hij mannen houdt en allerlei experimenten voorbereid. Voor een kopje koffie, uiteraard.

Wie bij voorgaande alinea de wenkbrauwen fronst, moet erop beducht zijn dat die frons het voorhoofd niet meer verlaat tijdens het lezen van De Gevoelige Mannenclub. De gekte houdt aan. Knap aan het verhaal is hoe logisch al die nonsens lijkt. Van de Pol brengt het met een gemak en vanzelfsprekendheid die weinig vertellers gegeven is.

Wat iedere graphic novel van Van De Pol genietbaar maakt zijn de monologen en gesprekken die zo oeverloos en banaal zijn dat ze lachwekkend worden. Dat heeft alles te maken met zijn perfecte timing. Van de Pol gebruikt zogenaamde stilteplaatjes, waarin men even lijkt te pauzeren, te reflecteren desnoods. De combinatie van een serieuze benadering van complete onzin is subliem uitgewerkt. De manier waarop Harry wordt opgenomen in de club en de plannen die gesmeed worden zijn zo aandoenlijk dat je ergens hoopt dat ze slagen: om te zien hoe verrast de heren zelf zijn door hun onvermoede daadkracht.

Er zit vaak een grafisch kantelpunt in het werk van Van de Pol. Het lijkt alsof hij na verloop van tijd per se uit de band wil springen, alsof hij het nodig vindt om het klassieke stripidioom vaarwel te zeggen en zich over te geven aan een onbedwingbare zin in dwaze experimenteerdrift. Dan veranderen de pagina’s in kijkplaten vol grillige vormen. In De Gevoelige Mannenclub komen die pagina’s regelmatig terug: ze laten een reusachtige Vera zien, die zich als het ware achter het kadergrid bevindt.

In het geval van De Gevoelige Mannenclub pakt dat goed uit: deze grafische afwisseling past prima in het verhaal. Sterker, het zet de verschillen tussen Vera en dokter Cagliari enerzijds en Harry met de gevoelige mannen anderzijds krachtiger neer. Harry en de zijnen dwalen maar wat, zijn niet werkelijk in staat iets te bereiken en houden elkaar vooral gezelschap. Ze beplakken elkaar met complimenteuze post-it papiertjes, gaan sjoelen en doen een stilte-retraite (“Noem het een stukje zijns-oriëntatie. Harry moet afdalen in zijn eigen ik om zo te ontdekken wat essentieel voor hem is”). Daar past een rustige bladspiegel bij, met gewone stripkadertjes. Hier zijn de vier klungels de stellende trap.

Bij Vera en Cagliari gebeurt alles in de vergrotende trap. Vera is om te beginnen reusachtig, met aderen als kabels en handen die meerdere mannen kunnen fijnknijpen. Zie ook het doel van dokter Cagliari: hij wil van de emotionele en kwetsbare Vera de meanest modderfokking bad-ass bitch maken. De dokter is verdwaasd, zijn denkbeelden zijn ronduit onbenullig. Zijn enige doel lijkt alles en iedereen te willen overtreffen.

In Spotters, Van de Pols vorige graphic novel uit 2016, was er al sprake van zo’n kantelpunt: ook daar experimenteerde hij met paginagrote illustraties, droomachtige sequenties en vreemde toestanden. In dat verhaal wordt een geliefde getroffen door kanker en zet Van de Pol de grillige afwisseling in om emoties uit te beelden. Dat werkte prachtig. In De Gevoelige Mannenclub is het minder dwingend; het is vooral een manier om de kolder van dokter Cagliari uit te beelden en die af te zetten tegenover de lulligheid van de mannenclub.

Wie een helder plot verwacht komt bedrogen uit. Het verhaal komt abrupt ten einde, met een gelukkige Cagliari (nemen we aan) en een paar montere mannen die uiteindelijk in alles wel iets positiefs ontdekken. Wie wil, ziet er een metafoor in voor de onmacht die de gewone man ervaart als die zich geconfronteerd ziet met zaken waar hij niet tegenop kan, maar dat is vast te ver gezocht. Van de Pol wil vooral zijn enthousiasme voor gewone figuren overbrengen. En daarbij: misschien dat de gekte van Cagliari helemaal niet zo ver van ons af staat. Wie de kans krijgt streeft zijn idealen na. Zo werkt het nu eenmaal, Harry.

Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub. Scratch. 112 pagina’s, 24,90.

Strips & comics

Gelezen: Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1 – Vliegtuigtaxi

Eind jaren zestig van de vorige eeuw zag het Nederlandstalige stripbladenlandschap er overzichtelijk uit. Er waren vier spelers. In Nederland had je Pep en Sjors, en vanuit België werd het kwartet gecompleteerd door Robbedoes en Kuifje. In 1975 werden Pep en Sjors samengevoegd en ontstond Eppo. Striplezers werden langs die lijnen herkend. In Eppo was er een goede mix van realistische actiestrips, zoals Storm, Stef Ardoba en Steven Severijn, en humorstips, voornamelijk van eigen bodem én van een aanstormende, jonge garde: Peter de Wit, Hanco Kolk, Evert Geradts, Wilbert Plijnaar. In Nederland was Eppo het populairst.

In de van oorsprong Belgische Robbedoes stonden vooral strips uit het fonds van Dupuis, die meestal vertaald werden uit de Franse evenknie Spirou: De Blauwbloezen, Natasja, Jojo, Robbedoes, strips voor een voornamelijk jonger publiek. En dan was er weekblad Kuifje, het “superblad voor de jeugd van 7 tot 77 jaar”, dat zich ondanks die bekende slogan meer richtte op de wat oudere lezer: de strips waren realistisch, actiegericht en flink gewelddadiger. Toch zaten er in weekblad Kuifje, dat bestond van 1946 tot 1993, ook een paar komische strips tussen, waaronder Chlorophyl, Brammetje Bram en Maarten Milaan. En van die laatste titel verscheen onlangs de eerste van vier integrales: Vliegtuigtaxi.

De integrale bundelt het flinke aantal van elf korte verhalen, sommige stonden alleen in weekblad Kuifje en andere verschenen in de Jong Europa-reeks, Kuifjepocket of een Pep Parade-pocket. Deze integrale is een plus voor de echte liefhebber, voor het eerst zullen alle verhalen van de vriendelijke, bij tijd en wijle stuurse vliegenier compleet worden uitgegeven.

Zoals gebruikelijk bij de eerste integrale is het met het dossier dik in orde: de hele voorgeschiedenis, met schetsen en eerste aanzetjes, is aanwezig. Bovendien is het dossier lekker opgemaakt, in een klassieke stijl en kleurstelling die goed past bij de eerste verhalen, die verschenen vanaf 1967. Over kleuren gesproken: een aantal strips was oorspronkelijk voor de helft gekleurd, twee pagina’s in kleur en twee pagina’s zwart wit, om en om. Voor deze gelegenheid zijn de ongekleurde pagina’s ook van kleur voorzien, samen met een frisse letter.

Zoals dat hoort bij flapteksten meldt de uitgever vrolijk dat de verhalen nog net zo actueel zijn als toen. Over die actualiteit valt het een en ander af te dingen, maar wat zeker overeind is gebleven is het sympathieke karakter. Maarten Milaan is een vriendelijke strip, met leuke plotjes, geestige situaties en figuren, en een prettige dosis spanning. De gunfactor van de strip is groot, net als bijvoorbeeld bij Brammetje Bram – van wie al eerder twee prima integrales verschenen.

In de eerste paar verhalen komt de hoofdfiguur nog niet zo goed uit de verf. Maarten is een beetje de onnozelaar die met zijn aftandse vliegtuigje De Oude Pelikaan vracht- en zakenvluchtjes probeert te regelen, tot hilariteit van zijn spotgrage collega’s. Hij laat zich overhalen door kleine Pukkie om vooral door te zetten: deze Maarten staat nog mijlenver af van de stoere vliegenier op het omslag. Maar juist die ontwikkeling hoort bij de geneugten van een integrale bezorging.

Wie de aanzetjes uit 1967 vergelijkt met het dertig pagina’s lange verhaal De Betastraal uit 1969 ziet al een wereld van verschil: in het complete verhaal swingen de tekeningen, Godard laat zien over een levendige tekenpen te beschikken. Bovendien is het verhaal een stuk volwassener, Maarten Milaan reist dan al de wereld over. En geen smalende collega’s meer, hij is de held geworden. Eentje die bovendien zijn eigen boontjes dopt.

Dat blijkt helemaal uit het twintig pagina’s lange verhaal waarmee de eerste integrale afsluit: in Rozalientje uit mijn kinderjaren, dat in 1970 in weekblad Kuifje verscheen, is Maarten de wijze avonturier die zelfs bijzonder stuurs en uitgesproken is (“Is hij altijd zo opvliegend?” – “Meestal is het nog erger”). De solistische held lijkt hier uitontwikkeld en klaar voor het echte avontuur. Om naar uit te zien.

Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1: Vliegtuigtaxi. Arboris. 200 pagina’s, hardcover. €29,95.

Strips & comics

Gelezen: Moebius – Shortcuts & De klauwen van de engel

Het klinkt vreemd om te zeggen dat de ster van Moebius nog altijd rijzende is, maar niets is minder waar. Jean Giraud (1938), die zijn werk afwisselend ondertekende met Gir (voor bijvoorbeeld zijn westernreeksen, waaronder Blueberry) en Moebius (voor zijn meer experimentele werk), overleed immers in 2012. Sindsdien is er veel aandacht voor zijn oeuvre, dat even omvangrijk als groots is. De invloed van Giraud strekt zich uit over de hele stripwereld, sinds de vroege jaren zeventig tot ver na zijn dood.

Hij zette de standaard voor de hedendaagse westernstrip. Zijn epigonen, onder wie vaandeldrager Ralph Meyer (Undertaker), laten er geen misverstand over bestaan: zij zijn schatplichtig aan Gir. Van lijnvoering tot verhaalgegeven, alle tekenaars hebben ooit met bewondering het werk van Giraud bestudeerd. En niet alleen aan makerszijde: ook stripliefhebbers waarderen zijn westerns meer dan gewoon, getuige het succes van de luxe heruitgaven van oude Blueberry-titels in zwart-wit en op groot formaat. Uitgeverij Sherpa, verantwoordelijk voor de perfecte bezorging van deze albums, heeft goed in de smiezen dat de tekeningen van Gir op zichzelf al adembenemend zijn, met alle details, arceringen en rake lijnen. Sieraden, niets minder.

Onder zijn alias Moebius werkte Giraud aan een heel ander oeuvre, één dat beduidend minder toegankelijk is: het zijn vreemde verhalen vol curieuze plotwendingen en situaties. Het zijn stonede toestanden, vaak zonder begin en eind, waarbij de lezer zichzelf moet redden. Dat klinkt bestraffend, maar het zijn Girauds eigen woorden. Wie het in het Engels vertaalde drieluik Inside Moebius heeft gelezen, weet dat Giraud het merendeel van zijn met Moebius ondertekende werk onder invloed van hasj tekende. Hoewel hij dat gaandeweg helemaal beu werd en de hasjpijp uiteindelijk voorgoed opborg, heeft zijn middelengebruik wel gezorgd voor de bevrijding van de moderne strip. Ineens kon alles en waren er geen remmingen meer; het paste naadloos in het tijdsbeeld dat Franse stripbladen als Pilote en Metal Hurlant uitdroegen.

Over die bevrijding vertelt Dick Matena in het voorwoord van het zesde deel van Moebius Collectie, getiteld Shortcuts. Hij viel voor het onnavolgbare werk van Moebius: “(…) Dat onderdeel van zijn werk, dat schijnbaar negeren van alle wetten waaraan een goed verteld verhaal moet voldoen, heeft mij gedurende enige tijd in de jaren tachtig diepgaand beïnvloed, met als belangrijkste resultaat mijn verhalenbundel Mythen. Het was de totale vrijheid van vertellen, wars van iedere concventie toch een soort van coherent geheel te scheppen (…)”.

Het zesde deel van de intussen vermaarde Moebius Collectie spreekt in dit opzicht het meeste aan: in 128 forse pagina’s passeren 21 korte verhalen de revue, die Moebius tekende van 1971 tot 1990, met de nadruk op de jaren zeventig. Juist omdat het korte verhalen betreft, van soms een of twee pagina’s, kan de lezer in redelijke vaart kennis maken met de surrealistische wereld van de grootmeester. Na de overgave, de acceptatie van de door Matena genoemde totale vrijheid van vertellen, rest er voor de aandachtige lezer een bijzondere leeservaring, die extra impact krijgt door de haarscherpe weergave van de strips en de forse pagina’s van de Moebius Collectie.

De verhalen zijn niet chronologisch, evenmin opgehangen aan een logische onderwerpskeuze, waardoor de lezer als het ware door het brein van Moebius dwaalt: van sterk, precies arceerwerk in Absoluten isolamenta uit 1977 naar Jullie maken deel uit van het een en ander, dat in hetzelfde jaar verscheen maar compleet anders is: ruig, slordig en desalniettemin trefzeker. In het album staan een paar langere verhalen, waaronder Verlof op Pharagonescia, die het geheel van de nodige body voorzien: de korte verhalen zijn dwarrelig van inhoud, in de langere verhalen zien we ook iets van de surreële vertellende kracht van Moebius terug, evenals de ingetogen genialiteit waarmee hij later de Edena-cyclus schiep.

Tegelijk met dit zesde deel verscheen ook het vijfde uit de Moebius Collectie: De klauwen van de engel, een geïllustreerd verhaal van 72 pagina’s, ook in zwart-wit, dat hij samen met Alejandro Jodorovsky maakte. De sticker om het omslag noemt het onomwonden Sensueel Bizar Erotisch: drie kwalificaties die de lading dekken, en die het daarmee interessant maken voor een selecter gezelschap liefhebbers.

Moebius expo BruhlDe aandacht voor het werk van Moebius gaat verder dan de fraaie boekpublicaties van de Moebius Collectie. Sinds september vorig jaar is er in het Max Ernst Museum in Brühl, bij Keulen, een grote expositie gewijd aan het werk van Moebius. Aanvankelijk tot begin februari, maar de uitmuntende tentoonstelling wordt terecht met anderhalve maand verlengd. Tot 29 maart heeft iedereen nog de tijd om af te reizen. Voor wie het alsnog niet redt, biedt de flinke catalogus uitkomst: het tweetalige boek omvat al het tentoongestelde werk (én meer), voorziet het van een context, nota bene die op de expositie zelf hier en daar node gemist wordt. De catalogus (272 pagina, harde kaft voor € 49,90, ex. verzendkosten) is via de website van het museum te bestellen.

Moebius – Shortcuts. Sherpa. 128 pagina’s, hardcover. € 49,95.
Moebius – De klauwen van de engel. Sherpa. 72 pagina’s, hardcover. € 39,95.

Strips & comics

Gelezen: Jacques Lamontagne & Thierry Gloris – Wild west 1 – Calamity Jane

Er lijkt geen rem te zitten op de stortvloed aan westernstrips die er de laatste jaren over de argeloze stripliefhebber wordt uitgestort. De hernieuwde belangstelling voor het klassieke genre, dat vijf jaar geleden stilletjes werd ingezet met de succesvolle lancering van series als Undertaker, is prettig – zeker voor de fan – maar het punt van verzadiging en overdaad is aanstaande. Het eerste deel van het tweeluik met de alles zeggende titel Wild West laat zien waar de westernstrips uiteindelijk in tekort schieten: het genre heeft een heel beperkte actieradius. Herhaling ligt op de loer. Een stripliefhebber die alle westerns keurig bijhoudt, heeft alles al tig keer zien langskomen.

Het is een bekende reflex in de stripwereld: als er succes wordt geboekt met een bepaalde reeks, duiken de kopieerders zich als monniken op de formule. Twaalf jaar geleden omarmde de stripliefhebber de futuristische samenleving Aldebaran van de Braziliaanse stripmaker Leo (Antares, Betelgeuze) en werd de markt overspoeld met vooral veel matige stripseries die ongeveer hetzelfde nastreven: een toekomst met andere volkeren die maar moeilijk samenleven met de onze.

Maar waar sciencefiction en toekomstmuziek nog alle kanten op kan, is het western-gebeuren toch vrij beperkt. Er zijn maar een beperkte club helden en heldinnen, alle markante gebeurtenissen zijn intussen al genoeg keren afgestoft en opgevoerd en ook de thema’s van rechtvaardigheid, macht en liefde kennen allemaal hun wildwest-variatie. De afgelopen twee maanden verschenen onder andere Het Venijn, Lonesome, Duke en de spinoffs van Lucky Luke en Blueberry. En het eerste deel van Wild West, een tweedelige strip van Jacques Lamontagne, op scenario van Thierry Gloris.

In het verhaal staat Calamity Jane centraal. Zij is de strenge dame op het omslag. De lezer wordt bijna traditiegetrouw en onmiddellijk getrakteerd op een vreselijke moordpartij, bij wijze van proloog. Daarna verplaatst het verhaal zich naar een saloon waar de dames van plezier – die allemaal Jane heten – hun erbarmelijke werk doen. Martha Cannary werkt er als schoonmaakster. Met veel gevoel voor pathos stelt ze dat integriteit als haar enige rijkdom is. De toon is gezet, want deze Martha krijgt nogal wat voor de kiezen. Het eerste deel eindigt als deze dame zich meldt bij het leger, geraakt maar niet gebroken door de gebeurtenissen die haar hebben gevormd: kracht is ondergeschikt, wilskracht is alles. Accuraat wie de geschiedenis van Calamity Jane kent.

Er wordt van dik hout planken gezaagd. Nergens wordt de vertelling subtiel, alles wordt door een megafoon in het gezicht van de lezer getetterd. Logisch wellicht, want het waren barre tijden, maar toch. Wild West is een actiegedreven strip en daar past geen gefluister bij. Geen diskwalificatie op zich, maar ook hier wreekt zich het genre – om het maar eens in westerntermen te stellen.

Het gaat te ver om alles wat mis is aan Wild West op te hangen; het is de optelsom van de afgelopen jaren, van de karavaan aan titels die intussen voorbij is getrokken. Het tekenwerk van Lamontagne voldoet prima. Het is realistisch op een plastische manier, vooral de inkleurigen zijn dik in orde, waarmee het zeker meer dan gemiddeld scoort. Het blijft alleen qua verhaal steken: we weten het al, we hebben het al gezien, het is gesneden koek.

Jacques Lamontagne & Thierry Gloris – Wild west 1 – Calamity Jane. Dupuis. 56 pagina’s. € 8,50.

Strips & comics

Gelezen: Molly Mendoza – Skip

Skip staat voor overslaan, maar ook voor keilen, het over het water laten dansen van een platte steen tot die zinkt. Bloom, de jonge hoofdpersoon uit Molly Mendoza’s graphic novel, keilt steentjes over het meer waar hij met zijn moeder woont. Het verhaal speelt in de toekomst, ver genoeg om de entourage post-apocalyptisch te noemen. Er zijn geen anderen, alleen aan de overzijde van het meer: daar is de stad met God mag weten wat voor figuren. De moeder van Bloom vertrekt op een dag: er moeten zaken worden geregeld. Bloom blijft achter en belooft haar op de nering te passen. Dat gaat vrijwel direct mis: tijdens het keilen gooit hij per ongeluk met medaillon van zijn moeder in het meer.

Bloom gaat onder water en komt daar terecht in een fantasiewerkelijkheid: een laag in een laag in een laag. Bloom weet het niet meer, net zo min als de lezer nog enig idee heeft. Die wordt danig heen en weer geschud door de kleurrijke en uitbundige grafische hoogstandjes van de Amerikaanse Mendoza. Haar werk is flamboyant, grotesk en wordt toch nergens eng: ook als Bloom geen idee heeft waar hij is en wat hem overkomt, voelen we niet zijn angst voor het onbekende. Waarin we Bloom wel leren kennen is zijn angst om niet te doen wat van hem wordt verlangd. Hij kan maar beter snel weer teruggaan naar het meer, zodat hij kan doen wat zijn moeder hem opdroeg: zorgen dat alles op rolletjes blijft lopen in haar afwezigheid.

Bloom ontmoet een figuur met een baseball-cap, die eruit ziet als het langharige broertje van Inio Asano’s Punpun. Deze Gloopy deugt ook niet werkelijk: zijn vrienden werken en hij kan maar niet voldoen aan hun wensen en eisen. Gloopy zegt dat hij graag zelf iets wil betekenen, zelf iets wil doen, en niet alleen maar wat ze hem opdragen. In ieder geval kan Gloopy Bloom wel helpen terug te keren naar het meer. Tenminste, dat belooft hij hem.

In feite schiet het verhaal dan pas echt uit de startblokken, want pagina’s lang wordt de lezer meegevoerd in fantasiewerelden waarin het even makkelijk te raken is als uit weg te gaan. Het is bij vlagen hallucinant, absurd en fantasievol. Het knappe is dat Mendoza gaandeweg steeds meer van een verhaal in de pagina’s verwerkt: aan de hand van de gesprekken tussen Gloopy en Bloom, en met figuren die ze in de verschillende dimensies ontmoeten. Terwijl je het grilliger en gekker verwacht, wordt de vertelling steeds menselijker en tastbaarder.

Het verhaal van Skip is dat van een toegankelijke Bildungsroman, over vriendschap en verwachtingen. Gloopy en Bloom praten over hun angsten, hun zwaktes en wat ze hopen dat gaat gebeuren. Ze ontdekken elkaars sterke punten, geven complimenten en dan gebeurt iets moois: wij zien twee personages die ontdekken wie ze echt zijn. Twee adolescenten met vragen en twijfels. Dat is het moment dat Skip hartverwarmend wordt, dat de lezer in alle buitendimensionele gekte ontdekt wat er al die tijd al in gang in gezet: twee jongens willen thuiskomen en ontdekken dat ze niet hoeven terug te keren naar waar ze vandaan kwamen.

Skip is een graphic novel die even moet indalen. De overdadige pagina’s dansen en hebben weinig van een klassieke strip. Het tempo is hoog. Tenminste, als je de tekst volgt en aan de pagina’s zonder tekst voorbij gaat. Mendoza geeft van tevoren weinig houvast, het duurt een poos voordat de lezer accepteert dat er veel onuitgesproken blijft. En dan is er nog een groep lezers die het vanzelf benauwd krijgt van boeken uit de Nobrow-stal: een uitgever die nog nooit concessies heeft gedaan aan wie of wat dan ook. Nobrow is avontuur en wie dat niet aandurft, zoekt zijn heil beter elders.

Voor wie durft is Skip een prachtige ontdekkingstocht, een perfect verhaal dat je met een glimlach weglegt. Misschien zit daar de winst: het kost een hoop overredingskracht en lef om het album te omarmen, maar eenmaal over de helft en het openbaart zich aan je als een vertelling van hoop en liefde. Van het mooie zoeken en het mooiere vinden. Skip is intrigerend, fascinerend en overdadig. Lees het vooral en ga dan nog eens over de pagina’s: het is veel zo niet alles wat een (s)trip de moeite waard maakt.

Molly Mendoza – Skip. Nobrow. 168 pagina’s hardcover. €20.00.

Strips & comics

Gelezen: Christian Lax – Moeder met kind

Ze slaan opnieuw toe, Christian Lax én het Louvre. De Fransman Lax tekende een album in de reeks die het Parijse museum in 2002 in gang zette en sindsdien een aantal fraaie titels heeft voortgebracht. Het idee is dat vooraanstaande stripmakers worden uitgenodigd een verhaal te maken dat op een of andere manier gekoppeld is aan het Parijse museum. Het Louvre werkt samen met de Franse kwaliteitsuitgeverij Futuropolis en dat levert mooie albums op: Jiro Taniguchi’s Wachters van het Louvre, Cats of the Louvre van Taiyo Matsumoto en Yslaire’s De hemel boven het Louvre. Ook het pas onlangs in het Nederlands verschenen De krochten van het Vourlé van Marc-Antoine Mathieu hoort in de reeks, die nadrukkelijk eens niet educatief is opgezet om kinderen op een speelse manier te interesseren voor kunst. Het Louvre koos voor mooie verhalen, voor diepgang en klasse, gericht op volwassen striplezers. Typisch Frans, dus.

Moeder met kind van de Fransman Christian Lax, die ook het scenario voor zijn rekening nam, is een bijzonder verhaal dat het museum verbindt met Afrika, het koloniale Franse verleden, de roof van kunstschatten en een persoonlijk verhaal van een Malinese jongeman die de opdracht krijgt een uniek, eeuwenoud beeldje in veiligheid te brengen.

Alou, een twintiger die in zijn geboortestreek een zongenaamde honingjager is, wordt op een dag gemolesteerd door een groep moslimextremisten, die uit zijn op totale heerschappij in de streek. Zij zien kunst als afgoderij, zolang het niet in het teken staat van de verering van Mohammed. Alou krijgt daarom een opdracht van een oude wijze: breng een beeldje van een zwangere vrouw, Moeder met kind genaamd, naar Parijs en verenig het daar met het enig andere vergelijkbare beeld uit de Dogon-traditie. Het is de enige manier om het beeldje te beschermen, hoe curieus ook gezien het feit dat het uitgerekend de Fransen waren die ooit alle kunstschatten in Mali ontvreemdden en naar Frankrijk – het Louvre – brachten.

Alou gaat op weg, door het wetteloze Libië en komt terecht op een gammele schuit: iedereen kent de beelden van de overvolle migrantenbootjes op de Middellandse Zee. Alou redt het tot Lampedusa, weet daar te ontkomen en komt uiteindelijk als vluchteling in een provisorisch tentenkamp in Parijs terecht. Daar gaat hij op zoek naar iemand die in het Louvre werkt.

Het verhaal dat Lax vertelt is er een dat we grotendeels kennen. De vluchtelingenstromen van Afrika naar Europa zijn vaker onderwerp van strips, ook al volgen we nu meer dan alleen een jongeman: hij heeft een beeldje bij zich waarvan onomstotelijk vaststaat dat het grote culturele waarde heeft. Alleen: Alou is maar een vluchteling, wie zal hem geloven?

Het Louvre wordt er op een kunstige manier in het verhaal verweven. We volgen een gepassioneerde conservator met een voorliefde voor tribale kunst – uitgerekend. Interessant zijn de gesprekken die hij met een collega heeft over de Afrikaanse kunstvoorwerpen. Die worden immers met alle zorg en toewijding geconserveerd, terwijl we niet omkijken naar de mensen van daar, ook niet zij die in nood zijn. Het is slechts een maatschappijkritisch zijsprongetje, want even later geeft de conservator hoog op van de technieken die het Louvre in huis heeft om de authenticiteit van kunstobjecten te kunnen beoordelen: polychromie-analyse, stratigrafie van de patina-lagen en micromulitatie om houtsoorten te kunnen vaststellen. Overigens allemaal klein bier vergeleken met de zevenentwintig meter lange deeltjesversneller die met een snelheid van dertigduizend kilometer per seconde protonenbundeltjes in het onderzoeksobject kan schieten, om zo vast te stellen uit welke chemische elementen het bestaat.

Dat klinkt klinisch en onbeholpen, maar het geeft het verhaal een mooie extra laag. Lax lijkt te willen laten zien aan de mensen in Mali dat er goed met hun verleden wordt omgesprongen in Frankrijk, ver weg van de moslimextremisten die het Afrikaanse vasteland teisteren met hun culturele vernielzucht. Alles krijgt zo keurig een reden en een motief. Behalve Alou: hij wordt alleen gezien als de figuur die alles achter zich heeft gelaten om een beeldje te redden. Zelf lijkt hij dit ook te beseffen, hij vervult alleen de taak die de oude wijze hem omdroeg. Maar toch, eenmaal in Frankrijk had hij misschien ook gehoopt op iets van medemenselijkheid.

Moeder met kind zit knap in elkaar en belicht een actueel thema vanuit meerdere perspectieven. Misschien dat de lezer moet wennen aan de treurige boodschap, fraai is het verhaal zeker. Lax laat de hoofdpersoon niet veel zeggen, des te meer laat hij zien: de gelatenheid, de uitzichtloosheid en het heroische tegen wil en dank. Alou is geen held, hij heeft een opdracht gekregen. Dat is alles.

Lax heeft opnieuw voor een zwartwitte opzet gekozen, net als in zijn vorige album Een zekere Cervantes uit 2018, met gewassen inkt en verschillende technieken. De panoramische pagina’s zijn deels uitgewerkt met houten pennetjes wat een krasserig effect oplevert: een grilligheid die past bij het onbarmhartige, ruige landschap waardoor Alou trekt. De verweerde koppen en de troosteloze blikken zijn intussen bijna een handelsmerk van Lax, die zelden vrolijke en ongedwongen figuren en thema’s kiest voor zijn verhalen.

Moeder met kind is een intrigerend verhaal dat een aandachtige lezer verdient. De chronologie en de rustige opzet, zonder veel zijpaden en afleiding, zorgen voor een ongedwongen leeservaring die de lezer daardoor in staat stelt om alles rustig tot zich te nemen. Het komt de intensiteit van de vertelling ten goede. Lax én het Louvre hebben een mooi album toegevoegd aan hun palmares.

Christian Lax – Moeder met kind. Daedalus. 144 pagina’s, hardcover. € 25,50.

Strips & comics

Internationaal poëtisch stripproject Duplex krijgt Spaanse editie

Duplex, het internationale project waarbij striptekenaars en dichters samen een grafisch gedicht maken, krijgt een Spaanstalige editie. In navolging van een Nederlands-Vlaamse editie in 2016 en een Britse in 2018 verschijnt deze zomer een album bij Ediciones Marmotilla en Alas Ediciones, met gezamenlijk werk van tien Spaanse duo’s.

Wat Duplex uniek maakt is dat het geen verstrippingen van gedichten betreft. De stripmaker werkt geen kant-en-klaar gedicht uit tot een beeldverhaal. Bij Duplex beginnen dichter en stripmaker gezamenlijk aan het proces van woord en beeld, gunnen en eisen, duwen en trekken, volgens de centrale vraag: hoe verhouden beide kunstvormen zich als ze tot elkaar veroordeeld zijn? De resultaten verrassen en laten het beste van beide werelden zien.

Dat ontstaansproces wordt uitvoerig gedocumenteerd en is een wezenlijk onderdeel van het project. Net als bij de twee eerdere edities zal ook in Spanje een expositie komen waar de toeschouwer kan zien hoe de grafische gedichten tot stand zijn gekomen: welke stappen zijn gezet, welke werkwijze is gehanteerd en op basis van welke onderlinge keuzes.

Het laatste nummer van het Spaanstalige tijdschrift Tebeosfera is in zijn geheel gewijd aan grafische poëzie, met een artikel over het Duplex-project en de plannen voor de Spaanse editie.

Aan de Spaanse Duplex werken de volgende duo’s mee (waarvan de eerste naam steeds de dichter is en de twee de stripmaker): Ana Merino en Sergio García Sánchez; Félix Castañar Pérez en Maribel Conejero; Óscar Rodríguez Martín en Marta Cartú; Fernando Llorente de la Peña en Pablo García Moral; Diego Emiliano Garrido Stratta en Lucas Miguel Carrillo Broeder; Alicia Villares Frías en Rubén Comino Zamora; Juan Luis Mora Aguilar en Sergio Arredondo Garrido; Andrea Mazas García en Gemma Pérez Herrero; Fernando Llorente Haya en Coralí Espuña Ribas; Jorge García Torrego en María Abellán Hernández.

Duplex is een project van Stefan Nieuwenhuis. Voor de Spaanse editie werkt hij samen met Enrique Del Rey Cabero van de Universiteit van Oxford en Kiko Sáez de Adana Herrero van de Universidad de Alcalá.

Meer informatie over Duplex vind je hier. Artikelen over Duplex zijn hier verzameld.

Strips & comics

Gelezen: Piero Macola – Ongedierte

Ongedierte is een strenge titel. De lezer die zich van tevoren een beeld vormt van de geschiedenis die gaat volgen, snapt dat het niet werkelijk over kruiperige beesten gaat. Het verhaal van de Italiaan Piero Macola wordt bevolkt door kleine luiden; mensen die niet veel bezitten, niet veel uitstralen en die met de dag voortgaan. De titel slaat op een scene uit het verleden van Bruno, die bij wijze van proloog wordt verteld. En toch, ergens blijft het beeld van ongedierte ook tussen de personages en de lezer in staan. Macola heeft met het droefgeestige Ongedierte een graphic novel gemaakt die niet meteen alle vragen beantwoord: veel blijft onuitgesproken, onopgelost. Het is aan de lezer om de punten te verbinden.

Sluiswachter Bruno is geen grootse figuur. Hij dagdroomt over onzichtbaarheid, om zo veilig te zijn voor mensen en zaken die hem kunnen kwetsen. Bruno is van jongsaf geraakt en in zichzelf gekeerd: een combinatie die hem een kleurloze, maar interessante figuur maakt. Met Bruno is de toon voor het verhaal gezet: het is melancholisch, verstild en bij tijd en wijle hard en meedogenloos. Angst is het motief, verpakt in teruggetrokkenheid, afstand en in het negeren van gebeurtenissen.

In een andere verhaallijn volgt de lezer ene Anton, een illegale en daarmee rechtenloze bouwvakker die het zwaar te verduren heeft en stelselmatig wordt vernederd en onder druk wordt gezet. Dan is er nog de oude dame Maria, die door haar dochter wordt geadviseerd om naar de grote stad te verhuizen na het overlijden van haar man. Maria twijfelt, de stad is haar te overweldigend, en ook Bruno ziet niets in de verhuizing, deels uit eigenbelang. Het zijn deze kleinmenselijke zaken die het verhaal op gang houden. Het maakt Ongedierte een sociale kroniek over het moderne leven, een vertelling over mensen die niet meekomen in de hedendaagse maatschappij die is gericht op snelheid en succes.

De betrekkelijke rust verandert als Anton een bedrijfsongeval krijgt en besluit te vluchten voor zijn malafide werkgevers. Hij duikt onder en wordt verzorgd door Bruno, die een vriendschapsband met de Moldaviër ontwikkelt. Het verhaal wordt zelfs nog spannend als de koppelbazen achter Anton aan gaan en hem bijna te pakken krijgen. Hier dringt de albumtitel zich alsnog op.

Macola gunt de lezer met Ongedierte een bijzondere ervaring. De rustige, in kleurpotlood opgezette pagina’s, in een weinig spectaculaire mise-en-scène, wiegen de lezer bijna in slaap. Het tempo is soms tergend, de dialogen traag, maar juist daarin schuilt de kracht van het verhaal: de wereld van Bruno is geen snelle, dynamische en overprikkelde toestand. Het zorgt ervoor dat de lezer zich gemakkelijk verbindt met de personages; hun gedrag is leidend in het verhaal. We zien hoe levens voortgaan in een traag landschap, hoe gebeurtenissen plaatsvinden en nauwelijks iets achterlaten. Door het desolate van de entourage komt die boodschap goed binnen. Macola heeft niet meteen een hoogtepunt afgeleverd, maar zijn vertelstem is toch zo uniek dat Ongedierte boven het maaiveld uitsteekt.

Piero Macola – Ongedierte. Concertobooks. 120 pagina’s hardcover. 24,99.

Strips & comics

Gelezen: Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado

Marcello is een staalarbeider met flair en poëtische trekjes. Overdag is hij een stoere kerel met pet en praatjes, maar eenmaal van zijn taken ontlast, schrijft hij gedichten en lange brieven voor zijn lief, Louisa. Samen willen ze aan de rauwe realiteit van het Engeland van begin 1900 ontsnappen door naar elders te vluchten. Omdat Marcello met een paar drankjes op zijn waffel niet kan houden in het café, komt het verrassende plannetje via via bij de familie van Louisa terecht. Zij zien natuurlijk niets in het malle idee van de twee verliefden en steken er een stokje voor, door iets in het drankje van Marcello te doen. Lang verhaal kort, onze drinkebroer wordt wakker op een boot die op weg is naar een ver oord waar aan een kanaal wordt gewerkt.

De geschiedenis van Marcello ontwikkelt zich aanvankelijk logisch maar snel. Als hij eenmaal is aangekomen in het van muggen vergeven oord, krijgt hij te horen dat hij de terugtocht zelf moet bekostigen, plus natuurlijk kost en inwoning. Vanaf dan gaat de tempo van het verhaal een paar tandjes lager. Met andere woorden: het zal nog wel even duren voor hij zijn lief weer in de armen kan sluiten. Om zijn eenzaamheid te ontvluchten, schrijft hij haar dagelijks brieven. Pech voor Marcello dat die nooit bij Louisa aankomen, maar steeds uit de postzakken worden gevist door de vrouw van een ingenieur ter plaatse.

Het gegeven met de brieven lijkt op dat van Mikael’s Giant en ook op De Post- en Liefdebezorger van Didier Quella-Guyot en Sébastien Morice, twee titels waarbij iedere graphic novel genoemd wil worden. In Eldorado voegt tekenaar Cuvillier, die het verhaal samen schreef met Ferrarini, er een mooie laag bij: niet alleen de ontmaskering van de ingenieursvrouw is er eentje waar de lezer naartoe leeft, ook de morele kracht van Marcello wordt danig op de proef gesteld. Wat komt eerst? Zo rolt het verhaal mooi naar het einde toe.

De tekeningen van Cuvillier zijn fraai in hun lichtheid: hij gebruikt een bijna etherisch kleurpalet, dat zowel exotisch als dreigend is. Dat gevoel wordt versterkt doordat de personages, die zijn uitgewerkt in zacht potlood, acteren in een vrij lege entourage. Het lijkt alsof de emotie wordt uitgelicht, de lezer wordt steeds naar de gezichten getrokken. De klassieke kadrering is uit de losse hand getrokken met bruin potlood, waardoor de gitzwarte lettering iets te nadrukkelijk op de pagina’s ligt. Misschien dat de letter ook een tint bruiner had gekund: iets wat overigens vaker voorkomt en waar best eens over nagedacht kan worden door de dames en heren opmakers. Los daarvan is Eldorado grafisch zeer overtuigend.

Eenmaal uitgelezen, sluit de lezer het album. Misschien dat hij dan pas de tekst op het achterplat leest. Dat is te hopen: zelden zo’n exacte samenvatting van ongeveer het hele boek als flaptekst gezien. Niets van spannende vragen (Zal het hem lukken? Krijgt hij de schat in handen? Kiest ze voor hem?) of lekkere aansporingen, maar een accurate verslaglegging van wat we zo-even gelezen hebben. Bijzonder, tegelijk een waarschuwing voor iedereen die met het album in de handen staat: blader gerust van tevoren, maar lees vooral de samenvatting achterop niet. Dat zou echt zonde zijn: Eldorado van Cuvillier en Ferrarini is een zinderend en koortsachtig verhaal dat een aandachtige lezer verdient.

Damien Cuvillier & Hélène Ferrarini – Eldorado. Daedalus. 176 pagina’s hardcover. € 29,95.