Strips & comics

Gelezen: Manu Larcenet – Ravian door… – Het pantser van de Jakolass

Ravian en Laureline hebben een trouwe aanhang, die door de jaren heen niet minder of milder is geworden – hooguit ietsje ouder. Fans van het eerste uur zijn nog altijd te spreken over de sf-reeks die als sinds de eindjaren zestig mee gaat. Terecht wellicht, want er zit geen sleet op. Wie de eerste delen herleest – bijvoorbeeld in de luxe uitgave van uitgeverij Sherpa – ziet dat de verhalen nog okselfris en sterk zijn, behalve misschien een enkele seksistische opmerking, die de toorn van de hedendaagse jonge mens niet zou overleven. Maar toch, Ravian heeft niet het euvel dat andere stripseries uit de Pepjaren zestig wel hebben: dat de ouderdom het schattig maakt en dat de albums vooral leunen op nostalgie en sentiment.

Wie Het pantser van Jakolass leest zal toch af en toe denken aan die trouwe fan. Het hommageverhaal van Manu Larcenet (Blast, De dagelijkse worsteling, Donjon) neemt weliswaar een heerlijk loopje met Ravian, maar permitteert zich wel heel veel vrijheden. Ravian bijvoorbeeld, of hij die voor Ravian door gaat, is niet de stoere ruimtereiziger met de brede kaak en het geboetseerde lijf. Het is een liederlijke drinkebroer met een rode gok en een voorliefde voor poëzie waarin hij zijn alternatieve wereldbeeld uiteenzet. De complottheorietjes vliegen je bij aanvang om de oren.

Deze alcoholist heet René, lasser van beroep, en is maatschappelijk nietsnuttig. Op een avond loopt hij een vreemd gezelschap tegen het lijf dat Ravian in hem herkent. René laat zich eenvoudig overtuigen (“Ik wist het, mijn leven is al die jaren een leugen geweest!”) en vanwege een desastreus akkefietje moet het buitenaardse clubje halsoverkop vertrekken, in een vliegende Afrikaanse nachtwinkel, uiteraard mét René aan boord.

Wat zich ontwikkelt is een verhaal op twee sporen: René wordt onthaald als degene die de problemen kan oplossen, terwijl hij zelf vooral druk is om zijn nadorst te voorkomen. Uiteraard vallen de oplossingen precies goed uit.

Het pantser van de Jakolass leest als een trein, Larcenet voelt zich als een vis in het water in het universum van tekenaar Jean-Claude Mézières en scenarist Pierre Christin. Zijn uitbeelding van buitenaards werelden met gekke wezens is top en doen niet onder voor die van Mézières. Het verhaal is hilarisch(er), hier is Larcenet op z’n best. De gesprekken die René voert met de buitenaardse lieden hebben steeds een knappe dubbele laag.

Als hij zich weer druk maakt over het gemis aan alcohol en daar luid aandacht voor vraagt, denkt zijn omgeving dat hij ze beledigt of uitdaagt. Eén keer leidt dat tot een geweldige scene: als het wijntje van René per ongeluk wordt omgestoten door een enorm gedrocht, breekt de pleuris uit. De woeste René wordt op zijn plaats gezet, maar haalt onverwacht uit. Dat de interstellaire politie hem vanwege de knokpartij oppakt en op de strafplaneet Walawalla dropt, is het volgende probleem voor de dorstige René.

De traditionele fan van Ravian zal zich dan al tien keer achter de oren hebben gekrabd. Niet elk hommage-album voegt zich exact naar het origineel, zoveel is dan wel duidelijk. Maar wie zich daar niet druk over maakt – en waarom zou je? – is Het pantser van de Jakolass een heel geestig Ravian-verhaal, dat bovendien ook nog eens heel lekker getekend is, met veel subtiele verwijzingen naar andere strips.

Manu Larcenet – Ravian door… – Het pantser van de Jakolass. Dargaud. 48 pagina’s. € 8,50

Strips & comics

Gelezen: Jordi Bernet & Antonio Segura – Kraken integraal

Een bebloede gast met een wapen op de lezer gericht. Naast hem, van boven naar beneden in bloedrood: KRAKEN. Wie dan nog verwacht dat het hier om een subtiel sprookje gaat, heeft zijn dekking niet op orde. Kraken van het Spaanse duo Bernet en Segura, respectievelijk tekenaar en scenarist, is een niets ontziende pulpstrip uit de jaren tachtig die speelt in de krochten van het dystopische oord Metropol.

In het openingsverhaal zien we een aantal misdadigers een putdeksel openwrikken en afdalen, op de vlucht voor de politie. Na ettelijke schotenwisselingen en bloederige achtervolgingen doemt er een volgend gevaar op. Het is een dier, daar is men het snel over eens, maar: wat voor dier? Luitenant Joe Dante, de onverschrokken held van het voorplat, mag met zijn afdeling van de Rioolpolitie gaan uitzoeken wat er gaande is. Hun tegenstander is het Kraken, een blob die zich razendsnel door de riolen beweegt en altijd achter je rug opduikt. Hoe pulpy wil je het hebben?

Een aantal van de verhalen die in deze integrale zijn opgenomen, verschenen al in de eindjaren tachtig bij een toen nog jonge uitgeverij Sherpa. De witte dood was in 1989 het eerste deel, waarin vijf verhalen werden opgenomen. Een jaar later verscheen Ratten met nog eens vier verhalen. De integrale bundelt nog eens tien extra verhalen: negentien in totaal. Daar blijft het bij: deze bundeling bevat geen dossier, wel een extraatje van twee pagina’s, waarin volgens de uitgeleide de onomatopee centraal staat: het chop-chop-chop van de Kraken.

Het omslagillustratie van De witte dood en van de integrale is dezelfde, verder verschillen de uitgaven bijna niet, behalve de computerlettering van nu tegenover de -dat moet gezegd- fraaiere handlettering van destijds. Wat in beide gevallen perfect werkt, is de manier waarop de verhalen elkaar opvolgen: geen nieuwe pagina met een header of een titelillustratie, maar een zwart kader met de titel die letterlijk volgt op het laatste plaatje van het voorgaande verhaal. Die snelheid hoort bij Kraken; de lezer krijgt geen rust, evenmin Dante en zijn gevolg.

HUM! kan overigens een potje breken bij de stripliefhebber die houdt van fraaie ruggetjes in de kast, getuige de Philemon-reeks met de rugletters die samen Atlantische Oceaan vormen. In dit geval heeft HUM! de uitgave van Kraken even hoog gemaakt als de vijfdelige Torpedo-serie, in dezelfde kleurstelling en opmaak. Logisch, die hardboiled politieverhalen zijn ook van de hand van Jordi Bernet.

De Spanjaard Bernet weet hoe je vet en vuig verhaal vormgeeft. Zijn zwartwitte tekeningen zijn onstuimig en tegelijk heel fijn gearceerd, met af en toe gewassen inktvlakken die eruit zien alsof ze met een bijna lege viltstift zijn opgezet. Dat werkt perfect in de ondergrondse entourage, van riolen en catacomben.

De samenwerking tussen de tekenaar en de schrijver staat als een huis. Ze vullen elkaar perfect aan. De verhalen van Segura zijn even vet aangezet: juist omdat ieders tegenstander een buitensporig wezen is, blijven de verhalen lekker onvoorspelbaar. De penoze is grotesk en bizar in beeld gebracht, hun ruzies verbleken bij wat er onder het oppervlak afspeelt, daar waar de Kraken heerst en vooral verwarring en verderf zaait.

Pulp verdraagt geen gepsychologiseer. Deze lekker integrale heeft vooral een aantal goede episodes en een fijne onderliggende verhaalstructuur. Geen hogere wiskunde, geen ingewikkelde plotstructuren. Goed voor een paar fijne uurtjes ondergronds genoegen. En naderhand gewoon even extra de handen wassen. Dat moet intussen geen punt meer zijn.

Jordi Bernet & Antonio Segura – Kraken integraal. Uitgeverij HUM! 168 pagina’s hardcover. € 18,95.

Strips & comics

Gelezen: Inio Asano – Downfall

Afgelopen januari gaf de Japanse mangaka Inio Asano een interessante, drukbezochte masterclass op het stripfestival van Angoulême. In de grote zaal van de schouwburg vertelde hij over zijn kunstenaarschap, zijn werkwijze en onder meer zijn baanbrekende strip Goodnight Punpun – die een hit is in Frankrijk en ook in Nederland op veel bijval kan rekenen, vanwege de Engelse uitgave die afgelopen jaar compleet verscheen.

Ook sprak Asano in zijn typische, onderkoelde manier over zijn laatste werk, Downfall, dat in maart in het Engels uitkwam. De interviewers stuurde er meteen op aan: de hoofdpersoon in Downfall leek wel verdacht veel op Asano zelf. Deze Fukazawa is net als Asano een mangaka, beiden hebben een succesvolle mangareeks afgerond en beiden moeten aan de slag – Fukazawa voelt een enorme leegte en druk van zijn omgeving. Hij wordt geacht het vorige succes minstens te evenaren, maar liever nog te overtreffen.

Fukazawa denkt daar anders over. Hij heeft het zelfs volkomen gehad met de hele nepwereld van uitgevers, vertegenwoordigers, redacteuren én lezers die met hem dwepen of hem op social media kanalen voor stront uitmaken. Het liefst zet hij er een punt achter. Niet dat hij weet wat hij aan moet met zijn leven, maar toch: weg uit deze toestand. Weg uit de industrie die zijn aanvankelijke voorliefde voor manga compleet heeft verwoest.

Dat gaat bepaald niet zachtzinnig. Hij koeioneert zijn studiocollega’s die van hem afhankelijk zijn en zet zijn relatie op het spel. Dat laatste kost hem weinig moeite: zijn vriendin is vertegenwoordiger van een uitgeverij en daarmee zijn vleesgeworden afkeer. Fukazawa zoekt zijn heil bij een jonge en mysterieuze sekswerker met wie hij een soort verhouding krijgt. Intussen doolt hij en onttrekt hij zich zoveel mogelijk aan zijn verplichtingen.

Asano heeft een voorliefde voor jonge mensen die de weg kwijt zijn. In zijn tweedelige verhalenbundel What a wonderful world portretteert hij een aantal van hen, terwijl ze op zoek zijn naar de zin van het leven, hun plaats in de maatschappij. Het zijn geen succesvolle mensen, eerder tobbende tieners en twens die nog een lange weg te gaan hebben: zij die het gevoel hebben te moeten kiezen. Een burgerbestaan of toch het roekeloze avontuur van de punkband.

Downfall heeft iets soortgelijks: Fukazawa heeft zijn mangareeks afgerond, er moet iets nieuws komen. Het benauwt hem, hij komt tot niets. Bovendien heeft de uitgeverswereld, die hij beschrijft als een gewetenloze en oppervlakkige industrie, afgedaan. Kiest hij voor een nieuwe mangareeks en haakt hij toch weer aan, of laat hij de hele boel barsten?

Asano’s figuren zijn herkenbaar uit duizenden. Zijn kracht is dat hij personages normaal kan laten lijken. Precies tot het moment dat zij acteren: dan ziet de lezer hun ware aard, de angst, de gekte en het verwijt naar de wereld. Fukuzawa is een goed voorbeeld: ogenschijnlijk onaangedaan, maar in staat om mensen pijn te doen. De lezer begrijpt hem, maar kan geen sympathie opbrengen.

De wereld waarin ze leven is ook al onverzoenlijk: Asano werkt fotorealistisch, vanuit bijzondere standpunten en hoeken. Tijdens zijn masterclass vertelde hij dat zijn studiomedewerkers 3d modellen maken van kamers, straten en huizenblokken (hij werkt niet alleen aan zijn verhalen en laat de achtergronden en decors door anderen tekenen). Zo kan hij met vervreemdende, knellende perspectieven werken. Aan de hand van zijn outer space sciencefiction verhaal Dead Dead Demons Dededede Destruction liet hij zien hoe computers het tekenwerk voorbereiden. Ook in Downfall pakt dat heel beklemmend uit: met name Fukazawa’s appartement is benauwend en daardoor dreigend. Asano weet de omgeving zo te laten meevoelen met het personage.

Het hele interview voorafgaand aan de masterclass bleef Asano om de hete brij draaien. Was Fukuzawa op hem gebaseerd of niet? Zijn antwoorden waren vermakelijk: als iedereen gewoon zijn werk bleef kopen, dan hoefde hij niet na te denken over een nieuwe mangareeks, dus in dat geval: nee, dan was het niet op hem gebaseerd. Toen de interviewer zijn zoveelste poging zag stranden, zei Asano toch dat het mogelijk is, dat het kan, maar niet hoeft.

Autobiografisch of niet, Downfall is van zichzelf een krachtig statement. Eén die bijna onjapans stevig is, als het gaat om de kritiek die eruit spreekt. De mangaindustrie is verdorven en holt zichzelf uit, ze is alleen nog gericht op verkoopsuccessen. Alles lijkt op elkaar, iedereen wil de volgende hit. Artistieke kwaliteiten doen er niet meer toe. Dat vindt Fukazawa, maar Asano evenzeer. Dáár was hij dat weer wel heel helder over.

Inio Asano – Downfall. VIZ Media. 240 pagina’s. € 12,99.

Strips & comics

Gelezen: Reinhard Kleist – Knock-Out!

Als het aan Emile Griffith had gelegen, was hij de geschiedenis ingegaan als een succesvolle en gepassioneerde ontwerper van dameshoeden. Het liep helaas anders. Griffith (1938-2013) liet zich op jonge leeftijd overhalen door zijn baas om te gaan boksen en werd zelfs wereldkampioen. Toch zal hij voornamelijk worden herinnerd als de bokser die in 1962 zijn tegenstander Benny Paret in de ring dood sloeg.

In Knock-Out! tekent de Duitse stripbiograaf Reinhard Kleist (die eerder de levens van Johnny Cash, Fidel Castro en Nick Cave verstripte) het leven van de markante Griffith, de succesvolle zwarte bokser die homoseksueel was. Dat laatste was een geheim, hoewel Griffith niet voorzichtig was – hij liet zich in het uitgaansleven niet onbetuigd. In aanloop naar hun derde onderlinge partij lopen de gemoederen hoog op. De Cubaan Paret beschimpt Griffith vanwege zijn voorkeur voor mannen en dan gaan ze de ring in.

Tijdens het gevecht dat is te zien op Youtube gaat Griffith nota bene voor het eerst neer, aan het eind van de zesde ronde. Hij herstelt zich en drijft Paret in ronde twaalf in de hoek. Na zestien opeenvolgende uppercuts met rechts en een barrage aan stoten op het hoofd, zakt Paret via de touwen ineen. Kleist geeft deze laatste tellen van de bokswedstrijd prachtig weer, hoewel Paret nooit meer hersteld. De grote schande is dat scheidsrechter Ruby Goldstein niet eerder ingreep; naderhand wordt hij uit de wind gehouden. Griffith daarentegen wordt constant op de fatale laatste ronde aangesproken, tot bedreigingen aan toe.

Kleist geeft de twijfel en het verdriet van Griffith krachtig weer door hem op latere leeftijd te laten praten met Paret. Op deze manier beleeft de lezer alles opnieuw, maar dan met commentaar van zowel Griffith als Paret. Tekenend en schrijnend tegelijk is het citaat van Griffith: ‘Hoe vreemd is dat … Ik dood een man en de meeste mensen begrijpen dat en vergeven me dat. Hou ik daarentegen van een man, dan is dat in de ogen van velen een doodzonde en word ik tot een slecht mens gebombardeerd. Ik ben dan niet in de gevangenis beland, maar ik heb wel bijna mijn hele leven opgesloten gezeten.’

Griffith wordt geportretteerd als een eenvoudige, naïeve jongeman, die niet opgewassen is tegen de druk van buitenaf. Hij wil hoeden ontwerpen, tafeltennissen en bij zijn moeder zijn, maar wordt opgejut om te gaan boksen. Na de fatale partij blijft hij -als kampioen- doorvechten, maar de vreugde is voorgoed uit het spel verdwenen. Als publieke figuur probeert Griffith zich staande te houden, hij wil vooral aardig en sympathiek gevonden worden. Dat breekt hem gaandeweg op: hij is een geraakte ziel in een entourage die hem niet met rust wil laten.

Anders dan de eerdergenoemde Castro, Cave en Cash is Griffith niet meteen een naam die bij iedereen een belletje laat rinkelen. Het is dan ook de vraag of de lezer van tevoren niet wat meer informatie moet hebben over wie hij was en waarom zijn leven wordt verteld. Het lijkt alsof Kleist zich dit ook heeft afgevraagd, want de opzet van de graphic novel is anders dan we van hem gewend zijn: Griffith kijkt terug op zijn eigen leven wat het voor Kleist mogelijk maakt om de gebeurtenissen van context te voorzien. In die opzet slaagt hij.

Opvallend is dat de lijnvoering van Kleist vrijer en zwieriger is dan anders. In combinatie met de contrastrijke pagina-opzet in zwart wit wint het verhaal enorm aan kracht. De jaren vijftig en zestig komen zo perfect tot hun recht. Hier laat Kleist zien de tijdgeest en de tragiek van het verhaal perfect aan te voelen: de eerste pagina’s, die spelen in het donker en in de regen, zetten het verhaal meteen op scherp.

Achterin het boek is een uitvoerig dossier opgenomen over boksende homo’s en lesbo’s, met een lijstje klinkende namen van vechters van toen en nu. Grote omissie: de Braziliaanse MMA-vechter Amanda Nunes, die in 2016 UFC-wereldkampioen werd in het bantamgewicht en dat kunststukje twee jaar later met overmacht herhaalde in het vedergewicht. Geen andere vrouwelijke bokser heeft twee UFC-titels in twee gewichtsklassen.

Reinhard Kleist – Knock-Out! Scratch Books. 160 pagina’s hardcover. € 24,95

Strips & comics

Gelezen: Hanco Kolk en Peter de Wit – Gilles de Geus, de eerste integrale

Gilles de Geus zou je een moderne klassieker kunnen noemen. Het eerste optreden van de geestige geus in stripblad Eppo dateert uit 1983. In de twintig jaren dat de stripreeks bestond verschenen er tien albums, waarvan eentje een nulnummer is. Dat album, De Struikrover, kwam pas in 2001, toen stripmakers Hanco Kolk en Peter de Wit al aan hun laatste geuzenverhaal waren begonnen.

Integrales respecteren doorgaans de publicatiechronologie en dus begint de eerste bundeling van de complete Gilles met De Struikrover: korte verhalen van twee tot vijf pagina’s met een hoog slapstickgehalte. De eerste van drie integrales bevat verder de reguliere albums 1 en 2, De Spaanse Furie en Storm over Dubbeldam.

Geen integrale zonder dossier, waarmee het feest doorgaans begint. In de stortvloed aan integrales valt daar de eerste schifting. Sommige reeksen hebben nauwelijks of geen dossiers, anderen pakken uit en geven de integrale zo onmiddellijke meerwaarde. Gilles hoort zonder twijfel in de laatste categorie thuis. Een zalige veertig pagina’s tjokvol schetsen, studies, opzetjes en foto’s larderen een lekker leesbaar verslag van de prille dagen van Gilles de Geus, maar evengoed die van Arnhemmer Hanco Kolk die de reeks begin jaren tachtig opzette voor stripblad Eppo, met een beetje hulp van Wilbert Plijnaar.

Het dossier, geschreven door Ronald Grossey, is uitvoerig en geeft een goed beeld van hoe het eraan toeging op de redactie van Eppo. Nu is dat al uitentreuren gedocumenteerd in De Jaren Eppo van Ger Apeldoorn en het nodige kwam ook al aan bod in de vorig jaar verschenen biografie van Wilbert Plijnaar, Een Rotterdammer in Hollywood, maar toch: Grossey heeft veel nieuwe feiten en smeuïge anekdotes boven tafel gekregen. Vooral het plezier spat van de pagina’s, waar geen hoekje onbenut is gelaten: er is genoeg te zien en te genieten, in ieder geval voor de Eppolezers van toen.

Het portret van de jonge Hanco dat uit het dossier naar voren komt, is sympathiek: dat van een zachte rebel, die zijn heil zoekt in bandjes (en er weer uitvliegt als hij verliefd wordt op de zangeres) en bij stripbladen als de Omelet, waarover hij het volgende zegt: het waren onleesbare, onbegrijpelijke strips. “De onleesbaarheid kwalificeerde je als Eigen Stijl, de onbegrijpelijkheid als Persoonlijke Visie.” Voordat hij zich aan Gilles de Geus zette -en alles wat erop volgde- heeft hij volop geëxperimenteerd en gezocht naar zijn eigen vorm en plek.

Wie vluchtig door het album bladert ziet waarmee de opmaker heeft geworsteld: de vroege verhalen van Gilles de Geus waren dan eens vierkant, dan in een formaat waarbij de hoogte niet in overeenstemming is met de breedte. Een charmant ratjetoe, kortom. Het is fraai opgelost met ornamenten die boven en onder de strips geplaatst zijn: alles om ervoor te zorgen dat de strips maximaal leesbaar zijn en in een groter geheel passen.

De verhalen uit De Struikrover zijn op zich leuk, die van De Spaanse Furie zijn met sprongen grappiger. Gilles krijgt gaandeweg wat meer status en diepgang – al klinkt dat laatste wat raar. De verhalen staan minder op zichzelf, maar maken meer deel uit van een wereld, zoals Kolk het zelf verklaart.

In De Struikrover, als hij nog een brede kin met een kuiltje heeft, is Gilles ronduit stuntelig en trekt hij vaak aan het kortste eind. Later, in De Spaanse Furie, kan hij schijnen vanwege de aanwezigheid van de drollige Spanjolen, die hem in knulligheid met gemak overtreffen. Het zorgt voor de perfecte balans in de verhaaltjes, die vooral leunen op spitsvondige dialogen. Met titels als De schrik van het moeras, Een genie, Drijfzand en Struikroven in de herfst krijgen we een goed beeld van de grappen die ons worden voorgeschoteld.

Bij het laatste album van deze integrale komt Peter de Wit de gelederen versterken: in Storm over Dubbeldam staan twee langere verhalen, waarvan het titelverhaal de uitmuntende, legendarische scene bevat waarin Gilles ’s nachts naar de poort van het slot moet zwemmen en steeds wordt teruggeroepen. Onmiskenbare slapstick, maar ingekaderd in een groter geheel. Het tweede verhaal, De zustertorens, bevat evenveel explosies als pagina’s en is gebaseerd op historische feiten, zoals we in de meeste verhalen terugzien: misschien niet volledig accuraat, maar wel voldoende om de suggestie van de zeventiende eeuw te wekken. In de hiernavolgende albums worden de historische feiten veel nauwgezetter gevolgd en uitgewerkt.

Met de historische achtergrond en het feit dat afstand wordt genomen van de korte gagstips, komt Gilles in een nieuwe fase terecht: hij is minder de koddige fratsenmaker die moet struikroven over aan zijn geld te komen, maar wordt een echte geus die zich aansluit bij de admiraal, Leo en de rest om het Alva en de Spanjolen moeilijk te maken. Vanaf integrale twee zal dat de hoofdmoot zijn.

Deze eerste integrale is precies wat je ervan kunt verwachten: vertier, nostalgie en een dossier dat je met gemak in de goede stemming brengt. Niets op aan te merken, dit is zoals de Eppogeneratie Gilles het liefst heeft. Vanaf nu worden de verhalen scherper en knapper, maar de kiem van alle plezier is in deze eerste paar albums gelegd. Dat maakt deze integrale onmisbaar.

Hanco Kolk en Peter de Wit – Gilles de Geus, de eerste integrale. Matsuoka. 256 pagina’s hardcover. € 34,99.

Strips & comics

Gelezen: Mita Ori – Our Dining Table

In de zoete manga Our Dining Table volgt de jonge lezer de 23-jarige Yutaka, een kantoorbediende met een eenzaam verleden en een twijfelende oogopslag. Als hij in een park een knulletje ontmoet dat hem brutaal tegemoet treedt, verschijnt er voor het eerst een glimlach op zijn gezicht. Samen eten ze onigiri, de traditionele hartige kleefrijstballetjes die Yutaka zelf heeft gemaakt. Dit jongetje heet Tane en is aan de aandacht van zijn grotere broer Minoru ontsnapt. Die is niet te spreken als hij de twee op het parkbankje aantreft. Maar toch, in die eerste ontmoeting tussen Yutaka en Minoru gebeurt er iets…

In de dagen die erop volgen, kan Yutaka zijn aandacht maar moeilijk bij zijn werk houden. Hij komt Tane en Minoru bij toeval weer tegen en vooral het ventje wil niets liever dat Yutaka hem leert zulke lekkere onigiri te maken. Het is Tane die de beide jongemannen bij elkaar brengt, door zijn kinderlijke enthousiasme ondubbelzinnig uit te spelen. Yutaka gaat op het aanbod in en leert ze de perfecte onigiri maken. Vanaf dan eten ze steeds vaker samen. Langzaam ziet de lezer iets ontstaan.

Manga is het Japanse equivalent van wat wij strip noemen. Het is daarom logisch dat manga niet één soort verhalen betreft. Voor letterlijk iedere niche is er intussen een variant: van culinaire manga tot de zogenaamde mecha (over robotachtigen zoals Transformers) en manga over economie, elke denkbare sport of hobby en natuurlijk over puberale liefdesperikelen – de bekende manga van meisjes met grote ogen. Our Dining Table valt binnen het BL-genre, waarbij BL staat voor Boys’ Love: homoseksuele strips over twee mannen die zijn geschreven door vrouwen en nadrukkelijk bedoeld voor een vrouwelijke leespopulatie.

Dat klinkt in eerste instantie vreemd: Boys’ Love is beslist geen reguliere homo-manga, die Bara wordt genoemd. Het lijkt er meer op dat de man in het Boys’ Love genre als zacht lustobject wordt gebruikt: in Our Dining Table zijn de twee hoofdpersonen rustige, bedeesde en gewone jongemannen, van wie de ene nota bene een altijd aanwezig klein broertje heeft. Het is schattig, innemend en romantisch. Het wordt nergens plat of erotisch.

Ook opvallend is bijvoorbeeld dat er nauwelijks vrouwen in Our Dining Table voorkomen. Geen moeders, geen vriendinnen en de ene vrouwelijke collega wordt zoveel mogelijk met rust gelaten. Niet de moeite waard. De moeder van Tane en Minoru is overleden, hun vader is een onmachtige volwassene wiens rol steeds uitgesprokener wordt. Alle verhoudingen passen naadloos: Mita Ori brengt de zwijmelende lezer op een heerlijk tempo naar een perfect en zalig emotioneel einde.

Our Dining Table is een one-shot: met 240 pagina’s is het verhaal over en uit. Dat is ongebruikelijk. Niet zelden gaan mangaseries eindeloos door en blijven de verhaallijnen zich opstapelen. Alleen al daarom is deze BL manga een aanrader. De karakters zijn sterk uitgewerkt en hoewel het over twee mannen gaat, is de echte verhaallijn veel meer gericht op -excusez le mot- de universele liefde. Zoet ja, maar op een fijne manier. Meer zoals een halveliterpot Häagen-Dazs Macadamia Nut Brittle comfort food is.

Mita Ori – Our Dining Table. Seven Seas Entertainment. 240 pagina’s. 13,95.

Strips & comics

Gelezen: Leo, Rodolphe & Janjetov – Centaurus

Over beproefde recepten gesproken: met het verschijnen van Het dode land, het afsluitende vijfde deel van de sf-cyclus Centaurus heeft het trio Leo, Rodolphe en Janjetov weer een verhaal afgerond over de ontdekking van een bijzondere planeet. En net als bij de vorige cycli is het opnieuw indrukwekkend en een tikje spijtig: mooi omdat het verhaal zo groots en meeslepend is, jammer omdat de zoveelste episode is in een groter geheel waar maar geen einde aan komt.

De Braziliaanse stripmaker Leo is al sinds 1994 bezig met een even bijzonder als omvangrijk sciencefiction oeuvre, waarin het voornamelijk draait om het exploreren van nieuwe werelden. Hij doet dat in wisselende samenstelling: tekende hij aanvankelijk de strips zelf, tegenwoordig schrijft de 76-jarige auteur vooral de verhalen die hij door anderen laat tekenen. In het geval van Centaurus is dat de Serviër Goran Janjetov.

Voor wie het werk van Leo niet kent, is Centaurus een perfecte cyclus om in te stappen, om meerdere redenen. Ten eerste is het verhaal keurig afgerond en geeft het bovendien een goed beeld van hoe het er in andere verhalen aan toe gaat, want dat is in wezen altijd hetzelfde. Om kort te gaan: in alle cycli, die spelen in de verre toekomst, draait het om de ontdekking van andere planeten om een nieuwe beschaving te kunnen opbouwen. Op die planeten blijken altijd uitdagende entiteiten of beestachtige monsters te zitten, die het de voormalige aardbewoners moeilijk maken. Ook belangrijk: de personages zijn afstammelingen van gewone aardbewoners van vroeger, zoals wij, maar een aantal van hen heeft bijzondere gaven ontwikkeld. Het gaat dus nadrukkelijk om gewone mensen, het is geen biedie-biedie-space-fantasie.

Ook in Centaurus is dat het geval, al is er meer aan de hand. De expeditie is ontregeld en vanwege een gebrek aan zuurstof is het ruimteschip genoodzaakt hoe dan ook een landing te maken op de planeet, die dan nog wordt onderzocht op levensvormen en wat al niet meer. Niet zoals het hoort, maar nood breekt wet. Deze snelle samenvatting doet het verhaal geen recht, maar het is vooral gedaan om niet te veel weg te geven: daarvoor haakt alles te slim en ingenieus in elkaar. Spoilers zijn dodelijk.

De lezer beleeft de ontdekkingstochten op de voet en wordt geconfronteerd met een hoop intrige. Stiekem gaat het om macht. Er zijn altijd krachten die de boel willen saboteren, in Centaurus zelfs vanuit een heel onverwachte hoek. Een ander vast gegeven in de cycli is de samenstelling van de expedities: die lijkt nooit van harte, of is ingegeven door belangen die de expeditie overstijgen.

In Centaurus is dat niet anders: het verhaal begint als de tweelingzusjes Joy en de blinde June en hun vriend Bram worden verzocht mee te gaan naar de planeet Vera. June is bovenbegaafd, ze kan indrukken van elders opvangen. Waarom uitgerekend deze drie mee worden genomen is niet meteen duidelijk, maar de toon is onmiddellijk gezet als er door hun aanwezigheid wrijving ontstaat bij de andere expeditieleden.

De wereld waarin zij leven heeft de vorm van een reuzencilinder die al meer dan 400 jaar door de kosmos glijdt, op weg naar Vera waar de bewoners zich uiteindelijk zullen vestigen. De expeditie met onder anderen June, Joy en Bram gaat naar die planeet, bij wijze van verkenningstocht. Maar niets is wat het lijkt en daar komt de groep op een niet onzachte manier achter.

Voor wie het idee heeft dat sciencefiction de boventoon voert, heeft het mis. Jazeker, er wordt met ruimteschepen gekoerst, er zijn laserwapens in omloop en veel heeft een tikje ouderwetse sf-feel, maar het gaat om gewone mensen die nog opvallend gewone wensen hebben: een nieuw leven beginnen. Het is vooral het ontdekken, het speuren wat het spannend maakt. Alles is onbekend, de flora en fauna zijn grotesk en angstaanjagend. Ergens lijkt het op een computerspel, waarin steeds opnieuw keuzes gemaakt moeten worden. Het ongewisse maakt het razend spannend.

Uiteindelijk duurde het vijf jaar voordat deze cyclus compleet in albumvorm verscheen. Dat is behoorlijk lang. Niet alleen voor de moderne mens, die alles volledig en meteen wil bingen, maar ook voor een stripliefhebber die nog de ouderwetse rust kan opbrengen en netjes wacht tot het hele verhaal verteld is. Juist omdat Centaurus leest als een trein en een onderbreking voelt alsof ze iets van je afpakken, valt er iets voor te zeggen om het tempo minstens te verdubbelen.

Centaurus en alle verhalen uit deze reeks zijn gemaakt om dóór te lezen. Ze hebben iets gehaast, je wil bij blijven in de zoektocht naar bewoonbare planeten en andere leefvormen. Letterlijk vanaf pagina 1 word je in het verhaal gezogen. Al die onderbrekingen zijn storend, laat staan het vooruitzicht om weer een jaar te moeten wachten op de volgende twintig procent van het verhaal. En eerlijk gezegd: 48 pagina’s per jaar, dat is nog geen een per week. Los van de agenda van Janjetov, beter verkopende strips zitten er in ieder geval niet in zijn portefeuille.

Misschien is het zelfs beter om helemaal geen seriële afleveringen meer uit te geven: gewoon meteen integraal. Het is niet raar om een dikke pil van 240 pagina’s te kopen en in één ruk uit te lezen. Dat is zoals het bedoeld is.

Zij die keurig wachten met lezen tot het verhaal volledig is verschenen, kunnen hun hart ophalen. Centaurus is, zeker in vergelijking met de losse cycli uit de Aldebaran-reeks van Leo, mooi compact en afgerond. Het verhaal heeft talloze spanningsbogen die perfect over de vijf delen zijn verdeeld; alleen al daarom is het aan te bevelen de hele cyclus in één keer te lezen.

En als dan alles achter de rug is en er heel bescheiden het woordje ‘einde’ onder aan de pagina staat, is het even net zo stil als in het heelal. Maar niet lang. Op het felblauwe schutblad staat in forse letters: Volgende bestemming Europa. Instappen vanaf najaar 2020 voor een nieuwe cyclus van vijf delen door Leo, Rodolphe en Janjetov.
Zeker iets om naar uit te zien. Hoe het bevallen is, leest u over vijf jaar.

Leo, Rodolphe & Janjetov – Centaurus, cyclus van 5 delen. Silvester. 48 pagina’s per deel, 8,95 per deel. 1. Het beloofde land, 2. Het vreemde land, 3. Het waanzinnige land, 4. Het angstaanjagende land en 5. Het dode land.

Strips & comics

Gelezen: Talk Bernie to Me: The Bernie Sanders Special and AOC Surprise

Het is moeilijk voor te stellen dat tijdens de komende verkiezingen in Nederland de partijstandpunten worden verkondigd door stripversies van Rutte, Jetten, Baudet of Klaver. Los of ze het zouden willen, zit niemand erop te wachten. In de Verenigde Staten is dat anders, al is dat nog niet zo lang het geval.

Behalve enkele gastrolletjes in superheldenstrips van bijvoorbeeld Ronald Reagan (in Superman) begon het echt bij George W. Bush, die een eigen stripserie had waarin zijn aapachtige alter ego met grote oren de ene na de andere stommiteit etaleerde. Heel grappig allemaal, van het niveau Saturday Night Live: de belevenissen van een domme president tegen wil en dank.

Obama was de eerste president die zijn eigen comic had waarin juist zijn heldendaden werden verteld. Die comic werd destijds een succesje en dat heeft met name de Democratisch gezinde stripmakers op scherp gezet. Met de verkiezingen voor de deur zijn het vooral de Democraten die worden geportretteerd in stripformaat: al snel werd het activistische Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez op het schild gehesen. Samen met haar zogenaamde Freshman Force gaat zij de corrupte bende in Washington te lijf.

Ocasio-Cortez wordt neergezet als de sociale redder in nood, degene die corporate America op de knieën zal dwingen. Voorlopig zal ze dat vanuit haar Congreszetel moeten doen, want de mensen die nu in staat worden geacht om de boel te redden zijn de presidentskandidaten, zij die het tegen Trump opnemen.

Een klein rondje langs de politieke hoofdrolspelers leert dat de comics over Trump meestal tegen hem zijn gericht, behalve het hilarische Trump’s Space Force waarin Trump korte metten maakt met zijn tegenstanders. Als hij met een ruimtewapen de genadeklap uitdeelt, zien we groot BARACKABOOM! over de pagina. Niveau heeft het onder alle omstandigheden, dat is evident.

Dat er (nog) geen comic is van de saaie Biden lijkt niet verrassend, dat Bernie Sanders zijn eigen comic heeft des te minder: Talk Bernie to me is een one-shot met korte bijdragen van – laten we het maar eerlijk benoemen: fan van de beste man. Hij wordt bewierookt, neergezet als de redder van ongeveer onze hele planeet en de vaandeldrager van de nieuwe tijd.

In de comic van 48 pagina’s staat een flinke lijst bijdragen. Bepaald geen grote namen en dat zie je af aan het tekenwerk, dat gaat van belabberd tot redelijk. Belangrijker lijkt de boodschap. Een aantal strips is vooral educatief, op het saaie af. Met grote lappen tekst en veel citaten wordt verteld wat Bernie zoal heeft bereikt als senator en als politiek dier met een ongekende staat van dienst – The conscience of the Congres. Natuurlijk is er een zwakzinnige worstelversie van het debat met presidentskandidaten. Als Pete Buttegieg in de touwen wordt geslingerd hoort hij onomwonden: “Well y’know its hard to stay upright when you don’t stand for much.” Helder.

Talk Bernie to me is hooguit een interessant inkijkje in de Amerikaanse verkiezingen. Als verzameling stripverhalen schiet het tekort. In dat opzicht was het verhaal van Ocasio-Cortez vermakelijker, en het zag er vooral beter uit. Het idee dat een stelletje ideële stripmakers een steentje hebben willen bijdragen is nobel maar niet werkelijk interessant.

Talk Bernie to Me: The Bernie Sanders Special and AOC Surprise. Devils Due Comics, 48 pagina’s, $2,99.

Strips & comics

Gelezen: Oriol Hernández & Zidrou – Het vel van de beer 2

Eerst wat zaken rechtzetten voor we verder gaan: dat dit album Het vel van de beer 2 heet is misleidend. Die 2 suggereert een vervolg, maar dat is niet werkelijk het geval. Immers, het eerste deel uit 2012 dat gewoon Het vel van de beer heette, was een afgerond verhaal, waarin bovendien het vel van een beer een belangrijke rol speelde. Daarnaast is dit tweede deel een compleet album, dat prima los te lezen is. Dus waarom die 2 op het omslag?

Het meest voor de hand liggende antwoord is deze: omdat beide verhalen in grote lijnen identiek zijn. Iedereen die het eerste deel destijds las, weet het verhaal nog exact na te vertellen. Het is een indrukwekkende geschiedenis over loyaliteit, liefde, twijfel en geweld, die zich afspeelt in het klassieke, Italiaanse maffiamilieu.

Ook in dit tweede deel staan deze thema’s centraal, al wordt er nu een amoureuze situatie van twee jongemannen aan toegevoegd. Het maakt Het vel van de beer 2 complexer maar ook op een fijne manier geniepig. Sluimerende homoseksualiteit binnen een katholieke maffiasetting, nota bene in de jaren vijftig, is niet bepaald iets waar men destijds makkelijk overheen stapte.

De zestienjarige Andrea is er op een zonnige nazomerdag getuige van hoe zijn vader in koelen bloede wordt vermoord door twee maffiagasten. Zijn moeder wordt misbruikt en loopt daarna van schaamte de klif af. Andrea wordt opgesloten in de achterbak van een auto, waar hij even later door een grote kerel weer uit wordt bevrijd. Die vent, Orso (Italiaans voor beer) heeft de twee moordenaars omgelegd en neemt de bange Andrea in bescherming.

De lezer haalt dan even een paar keer extra adem, niet in de laatste plaats doordat deze gebeurtenissen zonder omhaal en heel direct worden uitgebeeld. Andrea wordt opgenomen in de familie van deze Orso Damiani, die de maffiabaas van de streek blijkt te zijn. Hij ziet het als een plicht om Andrea te helpen, die op zijn beurt erg gecharmeerd is van de zoon des huizes.

Andrea wordt ouder en intussen in de maffiapraktijken van Orso ingewijd. We zien hem verharden, maar tegelijkertijd worstelt hij met zijn verleden en zijn liefde voor Aurelio. De vriendelijkheid van Orso jegens Andrea en de gelijktijdige wreedheden van het maffiamilieu beginnen te knellen. Hier komt de titel pas naar voren: het vel van de beer kan wel eens het leven van Orso betekenen.

Oriol Hernández tekent spannend. Soms laat hij gezichten bewust vaag of bijna oningevuld, zoals Bastien Vives dat doet. Zijn kleurgebruik is spectaculair, het is vreemd en logisch tegelijk omdat de hele setting zo bizar is: ongekende wreedheden bestaan binnen een enkele pagina naast een gewoon, bijna liefdevol gezinsleven. Hernández negeert deze discrepantie, de tweedeling blijkt niet uit zijn tekenstijl of kleurgebruik. Slim, zo wordt de liefde niet werkelijk gevoeld en worden de wrede uitspattingen bijna uitstapjes. De lezer die met Andrea meevoelt, blijft in een roes van ongemak gevangen zitten.

In vergelijking met deel 1 is dit tweede deel iets beter, als los verhaal. Wie deel 1 al kende, zal zich misschien even achter de oren krabben: een vrijwel identiek verhaal met andere personages en enkele accentverschuivingen is een tikje vreemd. Tegelijk zullen lezers bij een tweede deel vermoeden dat die niet los te zien is van het eerste. Dat is allemaal onnodig verwarrend. Wie evenwel een goed verhaal wil lezen, koopt vooral dit tweede deel, vooral omdat het slotstuk sterker is uitgewerkt. Bovendien is Orso als maffiabaas geloofwaardiger dan de karikaturale Pomodoro, met zijn witte pakken en borsalino hoeden uit deel 1.

Oriol Hernández & Zidrou – Het vel van de beer 2. Blloan. 64 pagina’s hardcover. €16,95.

Strips & comics

Gelezen: Yoann & Fabien Vehlmann – Supergroom 1: Superheld tegen wil en dank

Is het een Robbedoes-verhaal? Valt er veel te genieten? Is het een superheld waar we meer van gaan horen? Nee, het is Supergroom!

Superheld tegen wil en dank, zo heet het eerste deel van Supergroom, de zoveelste afgeleide van de verhalen van Robbedoes en Kwabbernoot. Deze keer kruipt Robbedoes in de huid van een superheld, met alle eigenaardigheden die bij dat genre horen. Het is snel, flitsend, druk en bij tijd en wijle onzinnig.

De toon wordt meteen gezet: Spip, de eekhoorn van Robbedoes, doorbreekt de vierde wand en spreekt meewarig over zijn baasje tegen het jonge publiek. Het doel is ons laten weten dat Robbedoes er werkelijk niet meer toe doet en dat niemand hem nog kent. De oplossing dient zich aan: hij wordt een superheld, wat dat verkoopt. En zo fladdert het verhaal van het ene metaniveau naar het andere.

Dat is niet het enige wat buitelt. Robbedoes is een besluiteloos heerschap dat loopt te jammeren over zijn ecologische voetafdruk, de drukte aan zijn hoofd en geen zin heeft in een filmrol die zich zomaar aandient. Dat hij het eventjes heeft geprobeerd als superheld en daarvan terug is gekomen, zegt genoeg. Die toestand was ook niks voor hem.

Maar dan gebeurt het. Iemand anders verkleedt zich als Supergroom en begint een kruistocht tegen een projectontwikkelaar. En dan krijgt Robbedoes het ineens benauwd: wat als hij daarvan de schuld krijgt? (Niet dat dat kan, want niemand weet dat hij de oorspronkelijke Supergroom was, maar ach.)

Afijn, hier hebben we het lijntje te pakken, want natuurlijk laat die projectontwikkelaar het er niet bij zitten. Robbedoes gaat naar de graaf van Rommelgem die voor hem een pak maakt, met een gele en een rode knop – die je niet tegelijk mag indrukken. Zelfs als je klompen over je klompen draagt voel je aan dat dat een keertje misgaat. En zo kleunt het rommelige verhaal maar door, met twee Supergrooms die achter elkaar aan zitten en een lijfwacht die met een grote hamer een flatgebouw kan laten instorten.

Het eindigt in comic-stijl, met een cliffhanger. In dit geval wordt er nog even snel een kwade mevrouw in de verhaallijn gefietst, van wie de lezer nog niet veel meer weet dan dat ze niet gelukkig is met de ontwikkelingen. Die lezer, afgemat van alle onzin die er aan hem voorbij is getrokken, kan er niks mee.

Vraag is vooral waarom deze reeks er is. De uitgever is daar heel open en eerlijk over geweest: om jeugdige lezertjes te trekken. Spip vertelde dus geen larie. Scanarist Vehlmann en tekenaar Yoann zijn gaan in hun openhartigheid nog een stapje verder. Het duo was tot 2016 verantwoordelijk voor de reguliere Robbedoes-reeks, van nummer 50 tot 55. Omdat er sindsdien geen nieuwe titel van de basisreeks is verschenen, zou je kunnen zeggen dat ze nog steeds de auteurs zijn. Is Supergroom een tussendoortje? Dat is niet zeker: als dit idee aanslaat, blijven ze Supergroom maken en gaat de klassieke Robbedoes naar een ander, aldus de heren. Als het hele marketingconcept flopt, dan pakt het duo de draad weer op bij album 56, en wordt Supergroom bij de kraak gezet. Zo gemakkelijk wordt er tegenwoordig gecommuniceerd.

Eerder verschenen al drie delen van Robbedoes special, door de Belgen Marc Legendre en Charel Cambré, die ook waren bedoeld voor de jongere lezer. Daar werd de stekker uitgetrokken vanwege tegenvallende verkoopcijfers. Onterecht, want het waren leuke verhalen die perfect waren toegesneden op de doelgroep. Rommelgem, de serie rond de uitvindende graaf die vorig jaar verscheen en de handen van veel stripfans op elkaar kreeg, heeft potentie. Het hoogtepunt van alle nevenreeksen blijft Robbedoes door… en dan met name het vierluik van Emile Bravo, dat intussen op de helft is. In de lezers-jaarlijst over 2019 van stripspeciaalzaak.be stonden de eerste twee delen in de top 5. Terecht.

Bijzonder aan Supergroom is de lompe pagina-opmaak van drie stroken en met weinig tekst. Het leest soms alsof je een bladerboek zit door te nemen. De reden heeft te maken met de verschijningsvorm in Frankrijk. Om ‘nog beter bij de doelgroep aan te sluiten’ is het daar uitgegeven op comic-formaat. Immers, jongeren lezen wel comics, is de gedachte.

Op de Nederlandse markt werkt dat nieuwerwetse formaat niet. Hier wordt het toch uiteindelijk door volwassenen gekocht die niet willen dat de kastplank met strakke ruggetjes wordt onderbroken door een afwijkend boekje, dat de hele aanblik verpest. Supergroom is bij ons even hoog als de rest. Er zijn genoeg voorbeelden van reeksen die met de jaren van formaat veranderden en de stripfanaten met toortsen de straat op joegen. Zoiets doe je niet, dat weet men intussen. Verzamelaars zijn precieze mensen, om het netjes te zeggen.

Wat je ook niet doet, is het onvertaald laten van teksten. Als Spip zich tot de lezertjes wendt om ze te wijzen op het verleden van Robbedoes, dan zien we allemaal Franse boekomslagen, tot en met het stripblad Spirou aan toe. Een uurtje Photoshoppen en het ziet er keurig uit, maar dat is blijkbaar bij niemand opgekomen. Het past in het geheel: het is een zeperd. Tegen wil en dank slaat op meer dan de titel alleen.

Yoann & Fabien Vehlmann – Supergroom 1: Superheld tegen wil en dank. Dupuis. 88 pagina’s. € 9,95.

Strips & comics

Gelezen: P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar

Een steeds weer onverwacht genoegen, dat is de Poezenkrant. Het “onregelmatig” verschijnende periodiek van grafisch vormgever, chroniqueur en “directeur” Piet Schreuders verschijnt sinds 1974 en is derhalve toe aan haar 45ste “jaargang”. De aanhalingtekens zijn niet zelfgekozen: zo staat de informatie vermeld op het omslag van de nieuwe PoKra, een dubbelnummer met twee omslagen. Aan de ene kant een reguliere Poezenkrant, op de andere kant staat een van de bekendste strippoezen ter wereld. Felix the Cat, de klassieke creatie van Pat Sullivan, heeft in 2019 namelijk de respectabele leeftijd van honderd jaar bereikt. Reden voor een flinke Poezenkrant-bijlage.

In Nederland zijn er twee vooraanstaande strippoezen. Behalve Tom Poes is dat Heinz, de nukkige kat van het duo Eddie de Jong en René Windig. Die laatste is een groot fan van Felix the Cat en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de 80 pagina’s forse bijlage van de Poezenkrant. Als extraatje bij het nummer is een inlegvel met een reproductie op ware grootte van een originele Felix-strip uit 1927 bijgevoegd. Vandaar dat de PoKra deze keer is verpakt in een krokant plasticje.

Wie de Poezenkrant niet kent, heeft weinig aan de volgende uitleg, al ligt die toch vlak bij de waarheid: het gaat in de PoKra maar zijdelings over poezen zelf. Het is geen vakblad of hobbytijdschrift. Je zoekt er vergeefs naar borstelinstructies, radiatormandjes of informatie over wormkuren en niesziekte. Eerder zoekt de redactie naar bijdragen waarin de poes een rol speelt. Een oude reclame met een poes of serviesgoed, filmbeelden, uithangborden; zodra er een poes op staat is het geschikt. Het plezier van de PoKra is dat al deze bijdragen en worden voorzien van een gedetailleerd, uiterst serieus en daardoor hilarisch commentaar. En vergeet vooral de geestige bijdragen van literaire poezenbezitters niet. In dubbelnummer 65-66 staan er twee: van Lodewijk Wiener en Jean Pierre Rawie. De laatste vertelt in een smakelijk stuk over zijn viervoeter die er op een dag tussenuit piept.

Leuk is dat ook de lezers actief zijn: zij sturen foto’s in, voorzien van geestige onderschriften. Dat zij de PoKra serieus nemen, blijkt uit de vele necrologieën die in het blad staan. Het heeft wat weg van Achterwerk in de Kast, maar dan voor volwassenen met een bepaald huisdier: een zeker slag mensen, met een specifiek soort humor, die allemaal in een fraai vormgegeven bubbel samen komen. De PoKra heeft cachet. Als je de naam op een feestje laat vallen en iemand kent het, dan is dat altijd voluit. Het is een vriendenmaker, als je daar op uit bent.

Terug naar Felix the Cat en René Windig. In de flinke bijlage wordt begonnen met ‘een stukje geschiedenis’: het ontstaan van het figuurtje, zijn kenmerkende loopje, de studio waarin alles plaatsvond, met prachtig historisch beeldmateriaal, en een uitgebreid overzicht van alle Felix-filmpjes, voorzien van verschijningsdata. Uiteraard wordt er stilgestaan bij de fraai aankondigingsposters die destijds verschenen, maar ook bij de muziek van de cartoons, waarvan een aantal pagina’s bladmuziek is opgenomen. De artikelen van Windig zijn lekker geschreven, met veel kennis van zaken en een beetje branie: de perfecte mix die past bij de Poezenkrant én bij Felix.

Met recht uiteraard, want waar Schreuders en de zijnen in excelleren is het vermogen om overal perfect gereproduceerd beeldmateriaal bij te vinden. Het lijkt alsof ze toegang hebben tot de schatkamers die voor gewone stervelingen gesloten blijven. De Felix-bijlage is een sieraad: ook voor de lezer die niet direct alles hoeft te weten over Felix the Cat – en wie is dat niet – is er zoveel fraais te zien en te lezen dat hij uiteindelijk meer zal weten over Felix dan over bijvoorbeeld de Deltawerken, Philips, prinses Beatrix of de provincie Utrecht. En dan hebben we het over een figuurtje uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Hoogtepunten zijn de pagina’s met relletjes en controverse: over gemanipuleerde foto’s, vervalste onderschriften, leugens en stereotyperingen, én de pagina’s met reclames waarin Felix in voorkomt – al dan niet geautoriseerd. Het is eye candy uit de grootste pot.

De nieuwe Poezenkrant is er eentje voor de stripliefhebber: de liefde en zorgvuldigheid waarmee Felix the Cat wordt gefeliciteerd is ronduit fantastisch. Alvast, voor wie het de eerste kennismaking met PoKra is: smaakt dit naar meer, dan is er nog een wereld te ontdekken. Piet Schreuders maakt ook al jaren het liefhebbersblad Furore, met misschien wat minder poezen, maar met evenveel vrolijkheid en panache.

P. Schreuders et al – De Poezenkrant 65 – 66: Felix the Cat is 100 jaar. Uitgever P. Schreuders. 100 pagina’s. 10,00.

Strips & comics

Gelezen: Willem – De nieuwe avonturen van de kunst

Als het in de Boekenweek over dwarsdenkers gaat, dan is het verleidelijk om ook eens in de stripwereld te kijken naar auteurs die dat predikaat verdienen. Het blijkt een hachelijke onderneming omdat dwarsdenken een zekere mate van persoonlijk engagement veronderstelt. Stripauteurs spreken zelden anders dan via hun personages, en daarin verschillen ze niet eens zo veel met literaire auteurs. Als er dan toch een naam moet komen, dan is Willem een geschikte kandidaat.

Cartoonist en stripmaker Willem (pseudoniem van Bernhard Holtrop, 1941) is eerder een dwarsdoener dan een dwarsdenker. Zijn indrukwekkende biografie die intussen een halve eeuw beslaat, ronkt van de heftige gebeurtenissen. Vanaf halverwege de jaren zestig roerde hij zich al flink in het linkse, anarchistische milieu. Hij tekende voor Provo, Hitweek, Aloha en liet zich niet onbetuigd. Bedenkelijke faam verwierf hij door koningin Juliana als dame van lichte zeden af te beelden. Het zorgde subiet voor een rechtzaak en zijn ‘doorbraak’ bij het grote publiek. Ineens wist iedereen wie deze Willem was. Hij werd niet veroordeeld, maar vertrok desalniettemin naar Frankrijk, waar hij sinds 1968 woont en succes viert als cartoonist. Zijn statuur is die van vileine, tegendraadse auteur met uitgesproken, zwartgallige meningen die vrijwel altijd het establishment slachtofferen.

Willem stond in 2015 op een vreemde manier in de schijnwerpers doordat hij aan de aanslag bij Charlie Hebdo ontsnapte: hij was onderweg naar de redactievergadering maar kwam te laat. Wie een jaar later Willems oeuvre-expositie in het Nederlands Stripmuseum bezocht, herinnert zich vast de waarschuwingen bij de entree: niet geschikt voor kinderen en mensen met een zwakke maag. Wat de bezoeker zag, was een doorsnee van zijn werk; bepaald niet mainstream of aansprekend voor de gemiddelde (strip)lezer. Willem duwt zijn lezer bij voorkeur over de rand, recht in het ongemak, de vuiligheid, de drek. Iedereen moet eraan geloven: wie boos wordt, is hypocriet. En daarbij geldt het adagium van Charlie Hebdo als vertrekpunt: fuck you.

Het is daarom des te plezierig om te ontdekken dat het nieuwe boek van Willem er eentje is dat uit een heel ander vaatje tapt. Wie met enig voorbehoud begint te lezen is na een paar pagina’s al om, vast blij verrast: in De nieuwe avonturen van de kunst zet Willem zich aan honderd levensverhalen van kunstenaars en kunststromingen. Hoewel de geportretteerden en hun entourage nog steeds onheus worden neergezet, is het minder om te schokken. Alles staat in het kader van de vertellingen, van het grotere geheel. Op die manier herschept hij anderhalve eeuw kunstgeschiedenis: alles wordt net even anders bekeken en beschreven. Wie denkt te weten hoe de vork in de steel zit, doet er goed aan even te zien hoe Willem het beschrijft. Het kán maar zet anders zijn…

Willems tekeningen zijn nog steeds op een charmante manier onbeholpen: zijn tekstballonnen zijn in verhouding veel te groot, de figuurtjes zijn onaf en handen tekenen doet hij liever niet. Maar toch zijn de verhaaltjes, steeds een of twee pagina’s lang, innemend en vooral erg geestig.

Willem kiest zijn kunstenaars zorgvuldig: van iconen, ook uit de popmuziek en filmwereld (Yoko Ono, Keith Moon, Marilyn Monroe en Colonel Tom Parker), tot minder bekende kunstenaars. Van die laatste categorie zijn het voornamelijk dwarse types van de laatste vijftig jaar, van wie de goegemeente stelde dat hun werk geen kunst was. Die frase komt dan ook meer dan eens in de verhaaltjes terug. Het zijn de tegendraadse kunstenaars met wie Willem zich verwant voelt: Tracy Emin, Pjotr Pawlenski, Arnaud Labelle-Rojoux, Günter Brus en Jean Dubuffet.

De nieuwe avonturen van de kunst is bijna een onwillems boek geworden. Het is mild, spitsvondig en op een aardige manier scherp. Dat moet hij zelf ook hebben gedacht, daarom koos hij voor een omslag met Adolf Hitler – en Jezus Christus op de achterflap. Dat toch een heleboel mensen zich ongemakkelijk voelen om een boek met diens tronie te moeten afrekenen. Het zal ze leren. Een klassieke dwarsdoener verliest nooit zijn streken.

Willem – De nieuwe avonturen van de kunst. Concerto Books. 160 pagina’s hardcover. 26,99.

Strips & comics

Gelezen: Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub

De Gevoelige Mannenclub is het album van Michiel van de Pol waarvan je wist dat die er ooit zou komen. Door de jaren heen waren de heren al een paar keer in allerlei smallpress boekjes verschenen. Nu zijn ze er echt, in een flinke graphic novel die twee belangrijke peilers van het werk van Van de Pol verenigt: zijn grafische gekte en vooral de heerlijke, mateloze kletsverhalen van zijn personages.

Het verhaal begint op z’n Van de Pols. Een lullige scene ontaard in een premisse die niet verklaard wordt: van het ene op het andere moment besluit Vera zich uit te kleden en voortaan naakt door het leven te gaan. Haar verbouwereerde echtgenoot Harry ziet het aan en weet even niet wat hij moet zeggen. In ieder geval blijft het verwarde bezoek niet lang en gaat Vera daarna in haar niksie de straat op. En daar zit Harry.

Laat het aan Van de Pol over om met een vergezochte maar passende oplossing te komen: Harry neemt contact op met de Gevoelige Mannenclub, een gezelschapje van drie heren dat bestaat bij de gratie van God-mag-weten-wat. Aldus is hun introductie: De Gevoelige Mannenclub kent sinds haar oprichting belangrijke regels en tradities, zoals het begroetingsritueel waarbij de heren lekker met de blote basten tegen elkaar aan butsen, waarna ze elkaar de ruimte geven om hun gevoelens van dat moment te etaleren. Daarbij is een stukje dansexpressie bijvoorbeeld heel goed mogelijk. Vervolgens worden elkaars prostaten betast bij wijze van controle; een ‘verre van fris karweitje’ dat niet zelden ontaard in een gebroederlijke stoeipartij, zoals alleen mannen dat kunnen.

Vera is intussen de vreemde dokter Cagliari tegen het blote lijf gelopen. Hij ziet potentie in haar. Cagliari houdt Vera voor dat ze midden in haar seksuele opleving zit en dat haar assertieve grondhouding hem enorm aanspreekt. En of ze even met hem mee wil naar zijn laboratorium, waar hij mannen houdt en allerlei experimenten voorbereid. Voor een kopje koffie, uiteraard.

Wie bij voorgaande alinea de wenkbrauwen fronst, moet erop beducht zijn dat die frons het voorhoofd niet meer verlaat tijdens het lezen van De Gevoelige Mannenclub. De gekte houdt aan. Knap aan het verhaal is hoe logisch al die nonsens lijkt. Van de Pol brengt het met een gemak en vanzelfsprekendheid die weinig vertellers gegeven is.

Wat iedere graphic novel van Van De Pol genietbaar maakt zijn de monologen en gesprekken die zo oeverloos en banaal zijn dat ze lachwekkend worden. Dat heeft alles te maken met zijn perfecte timing. Van de Pol gebruikt zogenaamde stilteplaatjes, waarin men even lijkt te pauzeren, te reflecteren desnoods. De combinatie van een serieuze benadering van complete onzin is subliem uitgewerkt. De manier waarop Harry wordt opgenomen in de club en de plannen die gesmeed worden zijn zo aandoenlijk dat je ergens hoopt dat ze slagen: om te zien hoe verrast de heren zelf zijn door hun onvermoede daadkracht.

Er zit vaak een grafisch kantelpunt in het werk van Van de Pol. Het lijkt alsof hij na verloop van tijd per se uit de band wil springen, alsof hij het nodig vindt om het klassieke stripidioom vaarwel te zeggen en zich over te geven aan een onbedwingbare zin in dwaze experimenteerdrift. Dan veranderen de pagina’s in kijkplaten vol grillige vormen. In De Gevoelige Mannenclub komen die pagina’s regelmatig terug: ze laten een reusachtige Vera zien, die zich als het ware achter het kadergrid bevindt.

In het geval van De Gevoelige Mannenclub pakt dat goed uit: deze grafische afwisseling past prima in het verhaal. Sterker, het zet de verschillen tussen Vera en dokter Cagliari enerzijds en Harry met de gevoelige mannen anderzijds krachtiger neer. Harry en de zijnen dwalen maar wat, zijn niet werkelijk in staat iets te bereiken en houden elkaar vooral gezelschap. Ze beplakken elkaar met complimenteuze post-it papiertjes, gaan sjoelen en doen een stilte-retraite (“Noem het een stukje zijns-oriëntatie. Harry moet afdalen in zijn eigen ik om zo te ontdekken wat essentieel voor hem is”). Daar past een rustige bladspiegel bij, met gewone stripkadertjes. Hier zijn de vier klungels de stellende trap.

Bij Vera en Cagliari gebeurt alles in de vergrotende trap. Vera is om te beginnen reusachtig, met aderen als kabels en handen die meerdere mannen kunnen fijnknijpen. Zie ook het doel van dokter Cagliari: hij wil van de emotionele en kwetsbare Vera de meanest modderfokking bad-ass bitch maken. De dokter is verdwaasd, zijn denkbeelden zijn ronduit onbenullig. Zijn enige doel lijkt alles en iedereen te willen overtreffen.

In Spotters, Van de Pols vorige graphic novel uit 2016, was er al sprake van zo’n kantelpunt: ook daar experimenteerde hij met paginagrote illustraties, droomachtige sequenties en vreemde toestanden. In dat verhaal wordt een geliefde getroffen door kanker en zet Van de Pol de grillige afwisseling in om emoties uit te beelden. Dat werkte prachtig. In De Gevoelige Mannenclub is het minder dwingend; het is vooral een manier om de kolder van dokter Cagliari uit te beelden en die af te zetten tegenover de lulligheid van de mannenclub.

Wie een helder plot verwacht komt bedrogen uit. Het verhaal komt abrupt ten einde, met een gelukkige Cagliari (nemen we aan) en een paar montere mannen die uiteindelijk in alles wel iets positiefs ontdekken. Wie wil, ziet er een metafoor in voor de onmacht die de gewone man ervaart als die zich geconfronteerd ziet met zaken waar hij niet tegenop kan, maar dat is vast te ver gezocht. Van de Pol wil vooral zijn enthousiasme voor gewone figuren overbrengen. En daarbij: misschien dat de gekte van Cagliari helemaal niet zo ver van ons af staat. Wie de kans krijgt streeft zijn idealen na. Zo werkt het nu eenmaal, Harry.

Michiel van de Pol – De Gevoelige Mannenclub. Scratch. 112 pagina’s, 24,90.

Strips & comics

Gelezen: Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1 – Vliegtuigtaxi

Eind jaren zestig van de vorige eeuw zag het Nederlandstalige stripbladenlandschap er overzichtelijk uit. Er waren vier spelers. In Nederland had je Pep en Sjors, en vanuit België werd het kwartet gecompleteerd door Robbedoes en Kuifje. In 1975 werden Pep en Sjors samengevoegd en ontstond Eppo. Striplezers werden langs die lijnen herkend. In Eppo was er een goede mix van realistische actiestrips, zoals Storm, Stef Ardoba en Steven Severijn, en humorstips, voornamelijk van eigen bodem én van een aanstormende, jonge garde: Peter de Wit, Hanco Kolk, Evert Geradts, Wilbert Plijnaar. In Nederland was Eppo het populairst.

In de van oorsprong Belgische Robbedoes stonden vooral strips uit het fonds van Dupuis, die meestal vertaald werden uit de Franse evenknie Spirou: De Blauwbloezen, Natasja, Jojo, Robbedoes, strips voor een voornamelijk jonger publiek. En dan was er weekblad Kuifje, het “superblad voor de jeugd van 7 tot 77 jaar”, dat zich ondanks die bekende slogan meer richtte op de wat oudere lezer: de strips waren realistisch, actiegericht en flink gewelddadiger. Toch zaten er in weekblad Kuifje, dat bestond van 1946 tot 1993, ook een paar komische strips tussen, waaronder Chlorophyl, Brammetje Bram en Maarten Milaan. En van die laatste titel verscheen onlangs de eerste van vier integrales: Vliegtuigtaxi.

De integrale bundelt het flinke aantal van elf korte verhalen, sommige stonden alleen in weekblad Kuifje en andere verschenen in de Jong Europa-reeks, Kuifjepocket of een Pep Parade-pocket. Deze integrale is een plus voor de echte liefhebber, voor het eerst zullen alle verhalen van de vriendelijke, bij tijd en wijle stuurse vliegenier compleet worden uitgegeven.

Zoals gebruikelijk bij de eerste integrale is het met het dossier dik in orde: de hele voorgeschiedenis, met schetsen en eerste aanzetjes, is aanwezig. Bovendien is het dossier lekker opgemaakt, in een klassieke stijl en kleurstelling die goed past bij de eerste verhalen, die verschenen vanaf 1967. Over kleuren gesproken: een aantal strips was oorspronkelijk voor de helft gekleurd, twee pagina’s in kleur en twee pagina’s zwart wit, om en om. Voor deze gelegenheid zijn de ongekleurde pagina’s ook van kleur voorzien, samen met een frisse letter.

Zoals dat hoort bij flapteksten meldt de uitgever vrolijk dat de verhalen nog net zo actueel zijn als toen. Over die actualiteit valt het een en ander af te dingen, maar wat zeker overeind is gebleven is het sympathieke karakter. Maarten Milaan is een vriendelijke strip, met leuke plotjes, geestige situaties en figuren, en een prettige dosis spanning. De gunfactor van de strip is groot, net als bijvoorbeeld bij Brammetje Bram – van wie al eerder twee prima integrales verschenen.

In de eerste paar verhalen komt de hoofdfiguur nog niet zo goed uit de verf. Maarten is een beetje de onnozelaar die met zijn aftandse vliegtuigje De Oude Pelikaan vracht- en zakenvluchtjes probeert te regelen, tot hilariteit van zijn spotgrage collega’s. Hij laat zich overhalen door kleine Pukkie om vooral door te zetten: deze Maarten staat nog mijlenver af van de stoere vliegenier op het omslag. Maar juist die ontwikkeling hoort bij de geneugten van een integrale bezorging.

Wie de aanzetjes uit 1967 vergelijkt met het dertig pagina’s lange verhaal De Betastraal uit 1969 ziet al een wereld van verschil: in het complete verhaal swingen de tekeningen, Godard laat zien over een levendige tekenpen te beschikken. Bovendien is het verhaal een stuk volwassener, Maarten Milaan reist dan al de wereld over. En geen smalende collega’s meer, hij is de held geworden. Eentje die bovendien zijn eigen boontjes dopt.

Dat blijkt helemaal uit het twintig pagina’s lange verhaal waarmee de eerste integrale afsluit: in Rozalientje uit mijn kinderjaren, dat in 1970 in weekblad Kuifje verscheen, is Maarten de wijze avonturier die zelfs bijzonder stuurs en uitgesproken is (“Is hij altijd zo opvliegend?” – “Meestal is het nog erger”). De solistische held lijkt hier uitontwikkeld en klaar voor het echte avontuur. Om naar uit te zien.

Christian Godard – Maarten Milaan Integraal 1: Vliegtuigtaxi. Arboris. 200 pagina’s, hardcover. €29,95.

Strips & comics

Gelezen: Moebius – Shortcuts & De klauwen van de engel

Het klinkt vreemd om te zeggen dat de ster van Moebius nog altijd rijzende is, maar niets is minder waar. Jean Giraud (1938), die zijn werk afwisselend ondertekende met Gir (voor bijvoorbeeld zijn westernreeksen, waaronder Blueberry) en Moebius (voor zijn meer experimentele werk), overleed immers in 2012. Sindsdien is er veel aandacht voor zijn oeuvre, dat even omvangrijk als groots is. De invloed van Giraud strekt zich uit over de hele stripwereld, sinds de vroege jaren zeventig tot ver na zijn dood.

Hij zette de standaard voor de hedendaagse westernstrip. Zijn epigonen, onder wie vaandeldrager Ralph Meyer (Undertaker), laten er geen misverstand over bestaan: zij zijn schatplichtig aan Gir. Van lijnvoering tot verhaalgegeven, alle tekenaars hebben ooit met bewondering het werk van Giraud bestudeerd. En niet alleen aan makerszijde: ook stripliefhebbers waarderen zijn westerns meer dan gewoon, getuige het succes van de luxe heruitgaven van oude Blueberry-titels in zwart-wit en op groot formaat. Uitgeverij Sherpa, verantwoordelijk voor de perfecte bezorging van deze albums, heeft goed in de smiezen dat de tekeningen van Gir op zichzelf al adembenemend zijn, met alle details, arceringen en rake lijnen. Sieraden, niets minder.

Onder zijn alias Moebius werkte Giraud aan een heel ander oeuvre, één dat beduidend minder toegankelijk is: het zijn vreemde verhalen vol curieuze plotwendingen en situaties. Het zijn stonede toestanden, vaak zonder begin en eind, waarbij de lezer zichzelf moet redden. Dat klinkt bestraffend, maar het zijn Girauds eigen woorden. Wie het in het Engels vertaalde drieluik Inside Moebius heeft gelezen, weet dat Giraud het merendeel van zijn met Moebius ondertekende werk onder invloed van hasj tekende. Hoewel hij dat gaandeweg helemaal beu werd en de hasjpijp uiteindelijk voorgoed opborg, heeft zijn middelengebruik wel gezorgd voor de bevrijding van de moderne strip. Ineens kon alles en waren er geen remmingen meer; het paste naadloos in het tijdsbeeld dat Franse stripbladen als Pilote en Metal Hurlant uitdroegen.

Over die bevrijding vertelt Dick Matena in het voorwoord van het zesde deel van Moebius Collectie, getiteld Shortcuts. Hij viel voor het onnavolgbare werk van Moebius: “(…) Dat onderdeel van zijn werk, dat schijnbaar negeren van alle wetten waaraan een goed verteld verhaal moet voldoen, heeft mij gedurende enige tijd in de jaren tachtig diepgaand beïnvloed, met als belangrijkste resultaat mijn verhalenbundel Mythen. Het was de totale vrijheid van vertellen, wars van iedere concventie toch een soort van coherent geheel te scheppen (…)”.

Het zesde deel van de intussen vermaarde Moebius Collectie spreekt in dit opzicht het meeste aan: in 128 forse pagina’s passeren 21 korte verhalen de revue, die Moebius tekende van 1971 tot 1990, met de nadruk op de jaren zeventig. Juist omdat het korte verhalen betreft, van soms een of twee pagina’s, kan de lezer in redelijke vaart kennis maken met de surrealistische wereld van de grootmeester. Na de overgave, de acceptatie van de door Matena genoemde totale vrijheid van vertellen, rest er voor de aandachtige lezer een bijzondere leeservaring, die extra impact krijgt door de haarscherpe weergave van de strips en de forse pagina’s van de Moebius Collectie.

De verhalen zijn niet chronologisch, evenmin opgehangen aan een logische onderwerpskeuze, waardoor de lezer als het ware door het brein van Moebius dwaalt: van sterk, precies arceerwerk in Absoluten isolamenta uit 1977 naar Jullie maken deel uit van het een en ander, dat in hetzelfde jaar verscheen maar compleet anders is: ruig, slordig en desalniettemin trefzeker. In het album staan een paar langere verhalen, waaronder Verlof op Pharagonescia, die het geheel van de nodige body voorzien: de korte verhalen zijn dwarrelig van inhoud, in de langere verhalen zien we ook iets van de surreële vertellende kracht van Moebius terug, evenals de ingetogen genialiteit waarmee hij later de Edena-cyclus schiep.

Tegelijk met dit zesde deel verscheen ook het vijfde uit de Moebius Collectie: De klauwen van de engel, een geïllustreerd verhaal van 72 pagina’s, ook in zwart-wit, dat hij samen met Alejandro Jodorovsky maakte. De sticker om het omslag noemt het onomwonden Sensueel Bizar Erotisch: drie kwalificaties die de lading dekken, en die het daarmee interessant maken voor een selecter gezelschap liefhebbers.

Moebius expo BruhlDe aandacht voor het werk van Moebius gaat verder dan de fraaie boekpublicaties van de Moebius Collectie. Sinds september vorig jaar is er in het Max Ernst Museum in Brühl, bij Keulen, een grote expositie gewijd aan het werk van Moebius. Aanvankelijk tot begin februari, maar de uitmuntende tentoonstelling wordt terecht met anderhalve maand verlengd. Tot 29 maart heeft iedereen nog de tijd om af te reizen. Voor wie het alsnog niet redt, biedt de flinke catalogus uitkomst: het tweetalige boek omvat al het tentoongestelde werk (én meer), voorziet het van een context, nota bene die op de expositie zelf hier en daar node gemist wordt. De catalogus (272 pagina, harde kaft voor € 49,90, ex. verzendkosten) is via de website van het museum te bestellen.

Moebius – Shortcuts. Sherpa. 128 pagina’s, hardcover. € 49,95.
Moebius – De klauwen van de engel. Sherpa. 72 pagina’s, hardcover. € 39,95.