Strips & comics

Gelezen: Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros

Zoals zoveel stripseries heeft ook Lucky Luke een nevenreeks waarin tekenaars eenmalig wordt gevraagd de honneurs waar te nemen en een album te maken rond de stoere cowboy. Matthieu Bonhomme beet in 2016 het spits af met De moordenaar van Lucky Luke, een geweldig album dat de reeks meteen een vliegende start bezorgde.

Daarna volgde de totale zeperd van Guillaume Bouzard, die twee jaar geleden een broddelwerk afleverde met Jolly Jumper antwoordt niet meer. Nu is het de beurt aan Mawil, de Duitse stripmaker met een vriendelijk, herkenbaar oeuvre, van wie een jaar geleden het fraaie Oost-Duitse getuigenisverhaal Kinderland verscheen in het Nederlands.

In Mawils verhaal komt Lucky Luke in aanraking met een ene Albert Overman, de uitvinder van een slimme fiets. Waar men eerst op een hoge bi rondeed, van die klassiekers met een groot voorwiel, heeft deze Overman een veel sneller en wendbaarder fietsje uitgedokterd. Zijn tegenstanders, die van de klassieke fietsen, willen de nieuwe fiets stelen en daar komt Lucky Luke om de hoek: hij komt tussen beiden en raakt zo ongewild betrokken bij de toestand. Tot zover een vrij klassiek gegeven.

Unknown subject

De fiets moet naar San Francisco voor een wedstrijd en Lucky Luke besluit er naartoe te fietsen: alleen zo is hij er zeker van dat er niets met het karretje gebeurt. IJdele hoop natuurlijk want onderweg is er van alles aan de hand. Mawil stopt er genoeg slapstick in en een aantal subtiele verwijzingen naar het rijke oeuvre van Morris.

Bijzonder is dat in alle bewerkingen die er tot op heden verschenen Jolly Jumper altijd een sterke rol krijgt toebedeeld, waar je misschien eerder de Daltons zou verwachten: die komen in Mawils bewerking helemaal niet voor. En zo zijn er meer opvallende zaken. De Lucky Luke van Morris, met name de oude Dupuis-reeks, blinkt uit in sequenties die zo uit een tekenfilm lijken te komen: schietpartijen die worden uitgesmeerd over twee pagina’s en waarin subtiel iedere seconde wordt uitgebeeld. Dat soort scenes missen in alle bewerkingen. De steeds terugkerende grap van de schaduw van Lucky Luke blijkt onvermoeibaar. Ook Mawil heeft een leuke aanhaker op het achterplat van het album: Lucky Luke pompt de band op terwijl de schaduw vertwijfeld naar een lekke band kijkt.

In Het stalen ros vindt Jolly Jumper het maar niks dat zijn comfortabele rug wordt ingeruild voor een smal leren zadeltje. Net als in Bouzards Jolly Jumper antwoordt niet meer is Jolly hier een sikkeneurige en gekwelde viervoeter die zijn ongenoegen niet onder stoelen en banken steekt.

Er zit een geestige paradox in dit album: Mawils Lucky Luke lijkt helemaal niet. Ook Jolly Jumper is onherkenbaar, het is heel goed mogelijk dat Mawil voor het eerst paarden tekent. Mawils boeven zijn eerder lieden uit de Engelse achterbuurten uit de tijd van Sherlock Holmes dan de outlaws van de prairie. Het nachtpaars en het lichte groen van overdag heeft niets met het wilde westen van doen.

Maar Mawil schuift al deze zaken met gemak terzijde door de lezer een moordend tempo op te leggen: die suist met Lucky Luke over de prairie, in de hoogste versnelling – ook al ontbreekt die nog in het vooruitstrevende fietsontwerp van Overman. Het slotstuk is er eentje van de buitencategorie: Mawil tekent de fietswedstrijd als een waanzinnig spektakel, die op een haarlengte wordt beslist.

Het verhaal wordt er niet meteen sterker van, maar ach: wie op iedere pagina een paar grapjes, actiemomentjes en frivoliteitjes aantreft, mag niet klagen. Lezers die per se een echte Lucky Luke willen lezen, zullen zich toch eerder vermaken met de basisreeks, die veel meer leunt op het onovertroffen werk van Morris. Het stalen ros is grappig, maar staat toch iets te ver af van het origineel.

Lucky Luke door… Mawil – Het stalen ros. Lucky Comics. 64 pagina’s. € 8,20.

Strips & comics

Gelezen: Gazzotti & Vehlmann – Alleen, integrale van de eerste cyclus

De stripreeks Alleen van het duo Bruno Gazzotti (Kleine Robbe, Soda) en Fabien Vehlmann (Ian, Mooi Duister, Robbedoes en Kwabbernoot) gaat al wat jaren mee. Het eerste deel verscheen in 2005. Intussen zijn er elf albums verschenen van de reeks die mateloos populair is onder jongeren, met name in Frankrijk. Terecht, de verhaallijnen van Alleen zijn perfect toegesneden op lezers vanaf elf jaar. Voor wie de boot gemist heeft, is er nu een prima herkansing met de integrale van de eerste cyclus: een instapbundel van 264 pagina’s met daarin opgenomen de eerste vijf delen van de reeks.

Om eens met de afwerking te beginnen: het heeft de uitgever behaagd de integrale zo sober mogelijk op de markt te brengen, zonder Franse pagina of iets van een entrée. Wie de integrale openslaat, nota bene in een slappe kaft voor de hardcover prijs van meer dan dertig euro, begint meteen op de eerste pagina van deel 1, Spoorloos. Dat is even wennen. De rest van de albums worden onderbroken door zwarte pagina’s met een enkele illustratie.

Maar dan begint het verhaal tenminste meteen: op een dag ontdekt een groep kinderen dat iedereen uit de stad is verdwenen. Alleen zij lijken overgebleven. Nergens een spoor van volwassenen. Ouders? Foetsie. Eén van de kinderen, de tuttige Camille, gaat tevergeefs naar school. Ook daar is geen kip te bekennen. Het lijkt op Papergirls van Brian K. Vaughan en Cliff Chiang, al waren scenarist Vehlmann en tekenaar Gazzotti flink wat jaartjes eerder op het idee gekomen: een groep kinderen moet zich zien te redden in een wereld die de hunne is, maar tegelijk niet meer.

In Alleen lopen bijvoorbeeld circusdieren in het wild rond, die vreemd gedrag vertonen. En aan het einde van de eerste cyclus ontdekken de kinderen een grote zwarte toren die surrealistisch afsteekt, alsof Schuiten en Andreas even in de stad zijn langsgekomen. Er zijn allerlei mysterieuze zaken die vreemd aandoen en die voor de kinderen antwoord kunnen zijn op de belangrijke vraag: waar is iedereen in Godsnaam? En waarom zijn wij er nog wel?

De vijf kinderen die de lezer vanaf het begin volgt, ontmoeten gaandeweg steeds meer groepjes kinderen die zich meester hebben gemaakt van wijken, buurten en een verlaten pretpark. Ze wonen er in hotels en rijden rond in auto’s die zijn achtergelaten. Eigenlijk proberen al die groepjes het hoofd boven water te houden, als kleine gemeenschapjes die net als in het echt te maken krijgen met machtsprobleempjes, bazigheid en afvalligen. En dan zijn er nog een broer en zus, scary as hell omdat ze zo gewoon lijken, die nergens bij horen en hun eigen plan trekken, met pijl en boog in de aanslag.

De combinatie van het avontuurlijke – kinderen die alles zelf moeten rooien – en het mysterieuze is heel aantrekkelijk: het verhaal is zo opgebouwd dat er steeds nieuwe zaken aan het licht komen die de lezer een stapje verder brengen, een systeem waarop veel games leunen. Dit alles is gegoten in een prettige, uitgebalanceerde tekenstijl die even spannend als vriendelijk oogt. Het is als Soda, maar dan met kinderen, en voor kinderen.

Alleen is nog lang niet af. Komend jaar verschijnt deel 12, en hopelijk de integrale van de tweede cyclus: vanwege de flinke vaart van de verhalen is Alleen goed geschikt om als bundeling uitgegeven te worden. In een knappe twee uur heb je de hele cyclus gelezen, voortgestuwd door dat lekker spannende van een goede kinderserie. En voor de groten onder ons, ook nog een keertje heel prima vanwege de interessante personages, het ontrafelen van de mysteries en de look en feel van de reeks.

Gazzotti & Vehlmann – Alleen, Integrale van de 1e cyclus. Dupuis, 264 pagina’s. € 30,80.
Bevat de verhalen 1 tot en met 5: Spoorloos, De meester van de messen, De stam van de haai, De rode cairns en In het oog van de maalstroom.

Strips & comics

De beste strips van 2019

Het bijna afgelopen 2019 voelt aan als een constant stripjaar. Het stak niet onverdeeld gunstig af tegen voorgaande jaren (zie mijn eerdere jaaroverzichten, van 2014, 2015 en 2016 en 2017 en 2018), maar het waren zeker geen zwakke twaalf maanden.
Wat vooral opviel was de overtrokken aandacht voor allerlei verjaardagen die worden gevierd, alsof de stripwereld graag achterom kijkt en het niet zo op heeft met de toekomst. De overdaad aan striphelden die veertig, vijftig, zestig, zeventig en 75 jaar zijn geworden is immens – en dat zal ook in 2020 nog even doorgaan.
We vieren het met een commerciële gretigheid die verraadt dat nostalgie een steeds grotere rol vervult binnen ons striplandschap. Wat je eruit kunt afleiden is dat de strip in de tweede helft van de vorige eeuw een ongekende bloeitijd heeft beleefd (wat zo is) en dat we daar nu nog de handen voor op elkaar krijgen. Er worden maar weinig tienjarige feestjes gevierd, zogezegd. Laat staan dat we nieuwe strips van jonge stripmakers met dezelfde aandacht en toewijding tegemoet treden.

Een paar bijzonderheden waren er te noemen en te vieren: er wordt heel zachtjes een begin gemaakt met strips en graphic novels voor kinderen vanaf tien jaar. Eindelijk is er aandacht voor de leeftijdscategorie die te oud is voor Pol, Pel en Pingo, iets anders wil dan Donald Duck en verder kijkt dan het eindeloze zwaktebod van magere lachertjes als Game Over, Kid Paddle, Minions en Minecraft-baksels.
Hilda was er al even, maar speelde zich in 2019 handig in de kijker door de perfecte Netflix-adaptatie, net als Het dagboek van Cérise, dat eindelijk de oversteek heeft gemaakt van Frankrijk naar Nederland. Dan is er nota bene de ‘serieuze’ uitgeverij Querido die voorzichtige stappen zet in de markt voor jeugdige graphic novels, met de uitgave van het prachtige Jane, de vos en ik. Alles uiteraard in gang gezet vanwege het rapport van de Raad voor Cultuur over de ontlezing en wat eraan gedaan kan worden. Voor wie het heeft gemist: het lezen van strips behoort tot de aanbevelingen.

Nog een opvallend dingetje in 2019 was de tekstloze strip – even afgezien van de Game Overs en dergelijke. Ineens kwam er krachtige, woordloze statements van nota bene drie debutanten: Tremen van Pim Bos, Zwerveling van Peter van den Ende en Beatrice van Joris Mertens, met een hoofdrol voor het filmische en stuwende Beatrice, waarmee Mertens gelijk een homerun sloeg. Het is ongelofelijk hoe een tekstloos verhaal zo helder en precies verteld kan worden: het leestempo neemt af ten gunste van het kijken en het verhaal ontrolt zich voor je ogen. Zó subtiel en sterk.

In 2019 vielen sommige series op (Libertalia, Kinderen in het verzet, Zibeline, Aristophania, 40 Olifanten en Tango), vielen anderen een beetje tegen (spin off van Oorlog van de Lulu’s, Jeremiah, Arthus Trivium, Amorostasia en de uitgeklede integrale van Ragebol) en deed een derde greep precies wat er van ze verwacht werd (Rode Ridder, Undertaker, Broceliande en De vijf van Baker Street).
De integrale-aanwas bleef gestaag doorgaan, met vooral enkele grote reeksen in het verschiet. Speciale aandacht voor de twee uitgaven van Bernard Prince op groot formaat die precies de juiste emoties wisten te beroeren: mooi gerestaureerd, fors en met een goede weergave van de kleuren.

Dan naar de lijstjes, die ik zoals gebruikelijk heb opgesplitst in Nederlandstalig en Engelstalig. Twee woorden vatten het stripjaar 2019 samen: Canada first. In beide lijsten zijn het Canadezen die met de hoofdprijzen naar huis gaan. Fanny Britt en Isabelle Arsenault verrasten het afgelopen jaar met een wonderschoon verhaal over hoop en liefde, bedoeld voor kinderen vanaf tien jaar, maar even goed voor volwassenen. Alleen ongevoelige figuren haken af bij het schitterende Jane, de vos en ik: een parel die kinderen niet alleen aan het lezen en denken zet, maar ook de deuren opent naar de rijkdom aan graphic novels die voor ze in het verschiet ligt. Wat een geluk, wat een schoonheid!

Na twintig jaar rondde de Canadees Seth in 2018 zijn magnum opus Clyde Fans af. Dit jaar verscheen het bekoorlijke werk (vuistdik volgens sommige recensenten, die daarmee Trump naar de kroon te steken voor wat betreft de grootte van hun handen) waarmee alle losse delen van Palookaville eindelijk gebundeld zijn. Het werk is ronduit schitterend, met een melancholische ondertoon die perfect wordt verwoord en verbeeld. Het verhaal over twee broers die terugkijken op hun leven en de onvermijdelijke teloorgang van het ventilatorenbedrijf van hun vader zit heel knap in elkaar: het zijn elkaars tegenpolen wat een prachtig uitgebalanceerd narratief oplevert.

Terug naar de Nederlandstalige lijst die een paar mooie verrassingen kent. Keizerin Charlotte en Een godverdomse klootzak zijn twee series die veelbelovend van start gingen in 2019, terwijl de verstripte werken van Marcel Pagnol altijd van een hoog niveau zijn: Jean van Florette is een verhaal uit twee delen dat de lezer niet snel zal vergeten. Het is hoopvol, hemeltergend en ongelooflijk triest tegelijk.

Bijzonder is het tekstloze Beatrice van debutant Joris Mertens: met tekeningen waar je stil van wordt, vertelt hij een verhaal dat zich zo dwingend en fraai ontwikkelt dat het moeilijk voorstelbaar is dat er geen woord aan te pas komt, én bovendien een echte strip is.

Het achtste deel van de Kat van de Rabbijn is het beste van de hele serie. Vorig jaar was deel 7 al een feest, deze keer is Sfar nog beter op dreef. Alle hulde ook voor de vertaler, die blijk geeft het fijne taalspelletje van Sfar goed aan te voelen en dat perfect weet om te zetten in wervelend Nederlands. Waarlijke taalkunst!

Kleine overwinningen van Yvon Roy is een zeldzaam invoelende graphic novel over een jonge vader die wordt geconfronteerd met een zwaar autistisch kind en op zoek gaat naar een opvoeding die niet aanhaakt bij de reguliere medische zorgmodellen. Dus geen ingekaderde hulpverlening, volgens protocollen en stappenplannen, maar eindeloos geduld en zachte handen. Een boek over liefde, rust en soms heel kleine stapjes vooruit.

Net zo interessant als de albums die de lijst hebben gehaald, zijn de titels die er net naast grepen. Dat zijn in willekeurige volgorde (Klik op de links voor de besprekingen): Buck (Oogachtend), Dagboek van Cerise (Silvester), Puinhopen van Sari 1 (Syndikaat), Wachten op Bojangles (Dark Dragon Books), Darwin (Soul Food Comics), Sprietje (Dark Dragon Books), De Balling (Scratch), Sangre 2 (L), Libertalia (Casterman), Dino (Oogachtend), De onzichtbare man uit de HG Wells collectie (Glénat), Alac Sinner (Sherpa), Cigalon (Saga), Niet nog eens Laura (Vrijdag) en Marcel Grob (Daedalus).
En dan heb je nog de onvermijdelijke stapel van nog te lezen boeken, waar veel potentie tussen zit: De dolende God, Extases, In Hollandia Suburbia, Rusty Brown en De smokkelaar, om er een paar te noemen.

Top 10 2019 Nederlandstalig

1 Fanny Britt & Isabelle Arsenault – Jane, de vos en ik (Querido)
2 Yvon Roy – Kleine overwinningen (Daedalus)
3 Joann Sfar – Kat van de rabbijn: Amandelmandje (Dargaud)
4 Joris Mertens – Beatrice (Oogachtend)
5 Alexandre Tefenkgi, Serge Scotto & Eric Stoffel, naar Marcel Pagnol – Jean van Florette (Saga)
6 Aimée de Jongh – Taxi (Scratch)
7 Posy Simmonds – Cassandra Darke (Harmonie)
8 Fabien Nury & Matthieu Bonhomme – Keizerin Charlotte (Blloan)
9 Vittorio Giardino – Jonas Fink (Saga)
10 Régis Loisel & Oliver Pont – Een Godverdomse Klootzak 1 (Blloan)

Zoals gezegd, ook de Engelstalige top 10 heeft een Canadese nummer 1. Clyde Fans van Seth is een totaalbelevenis, een feest van beeld, tekst en thematiek. Alle losse Palookavilles achter elkaar is nog niet helf het effect van het forse leeswerk dat Seth in een kunstig foedraal bezorgde.

De nummer 1 van vorig jaar, Carole Maurel, staat nu op de tweede plaats, met het trieste maar o zo mooie Waves, over een lesbisch stel dat een kind verliest voor het geboren wordt.

Ghost Tree is een grote verrassing: de mini-serie van vier comics was een voltreffer, net als het poëtische Pope Hats van Hartley Lin, die met het zesde deel een nieuwe weg inslaat. Let op die naam: Pope Hats is een van de echte schatten van de hedendaagse stripwereld.
Op de valreep van het jaar knalde Kevin Huizenga’s River by Night nog de top 10 binnen, net als Manor Black van Colin Bunn en Tyler Crook.

Without further ado:

Top 10 2019 Engelstalig

1 Seth – Clyde Fans (D+Q)*
2 Carole Maurel & Ingrid Chabbert – Waves (Archaia)
3 Bobby Curnow & Simon Gane – Ghost Tree (IDW)
4 Hartley Lin – Pope Hats #6 (Adhouse Books)
5 Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a book thief (SelfMadeHero)
6 Kevin Huizenga – The river at night (D+Q)
7 James Sturm – Off season (D+Q)
8 Mariko Tamaki & Rosemary Valero-O’Connell – Laura Dean keeps breaking up with me (First second)
9 Lorena Alvarez – Hicotea (Nobrow)
10 Colin Bunn & Tyler Crook – Manor Black (Dark Horse)

* voor een uitgebreide beschouwing verwijs ik naar mijn interview met Seth in Stripgids #5.

Tot slot het allegaartje dat het jaaroverzicht volgens traditie afsluit:

Ook mooi in 2019

1. De geweldige ontvangst van de 9e Kunst, die in een vrolijke vaart en met een grote groep mensen in gang is gezet (en dit is pas het begin!)
2. Het fraaie Wilbert Plijnaar, Rotterdammer in Hollywood, een fijn lees- en bladerboek voor de fijnproever die er op tijd bij was, vanwege de heel beperkte oplage
3. De geestige verhaaltjes van Mamette en dan vooral dat ik niemand ken die er ook maar iets aan vindt (en hierbij alvast gezegd: wacht maar tot De souvenirs van Mamette wordt vertaald, dat is nóg veel leuker)
4. De expositie van Moebius in het Duitse Brühl was zeer de moeite waard, terwijl de exposities in Angouleme van Alex en Futuropolis tegenvielen
5. Alone van Chabouté, een leeservaring om stil van te worden

Strips & comics

Gelezen: Aline 1 – De beschaving voorbij

De Nederlandse stripbladenmarkt heeft er een nieuwe titel bij. Eentje die zich flink zal roeren als we de intenties mogen geloven die op de openingspagina van eerste nummer van Aline staan vermeld: strips maken om dromen te laten uitkomen, om de wereld om ons heen te verbeteren. Een wereld die nu nog is om moedeloos van te worden. En voorop staat groot het thema vermeld: de beschaving voorbij. We kunnen gevoeglijk aannemen dat Aline kiest voor maatschappelijke betrokkenheid als het vertrekpunt.

Mooi die activistische inslag, maar er is meer: de auteurs van het eerste nummer, een frisse mix van jong en oud, nieuw en gevestigd, hebben hun bijdragen in elkaars aanwezigheid geschreven en getekend. Daartoe zaten ze een aantal dagen in het Amsterdamse cultuurcentrum WG Kunst. Die directe aanwezigheid heeft gezorgd voor een interessante scheppende dynamiek, al betekent dat niet dat de stripmakers aan elkaars werk hebben zitten schaven of dat er allerlei crossovers in gang zijn gezet. Gelukkig maar, de Aline-makers zijn goed van zichzelf. Daarom verschillen de bijdragen enorm, van vrij tot dwingend, van uitleggen tot suggereren.

Neem Wasco, stiekem de drijvende kracht zonder titel van hoofdredacteur: in zijn bijdrage zien we Philip de Pinguin, een van zijn terugkerende figuren, in een bizar verhaal vol ontmoetingen en vragen. Hier en daar worden eens wat zaken aangestipt, maar een werkelijk verband met de wereld om ons heen of onze beschaving heeft het niet. Desondanks is het vermakelijk.

Het engagement is veel directer zichtbaar bij de jonge garde. Bij Anne Staal gaat het nadrukkelijk over hoe onze aarde naar de gallemiezen gaat (“plastic is stom!”), de grafisch interessante bijdrage van Shamisa Debroey verhaalt over de angst om alleen te zijn als de wereld vergaat en Sanne Boekel grijpt de negatieve aspecten van de toerisme-industrie bij de kladden. Bij geen van deze bijdragen valt er iets af te leiden of zelf te ontdekken: de lezer krijgt het verhaal van A tot Z verteld en verklaard. Als dat souffleren iets is van de jonge generatie, dan mag het wat scherper allemaal. Het maakt de lezer lui en dat past niet bij geëngageerde stripkunst. Geef de lezer een gevoel van betrokkenheid: iets met een prikkelende gedachte of het gevoel dat je tegen de haren in wordt gestreken.

Wie zich daaraan onttrekt is Ludwig Volbeda die met zijn vrije werk meer richting illustratie gaat dan naar de klassieke strip. Toch is zijn bijdrage, 99 voortekens, met recht een beeldverhaal. Volbeda vertelt aan de hand van fragmentarische, poëtische zinnen een verhaal dat hij met beelden ondersteunt. Zijn superfijne pentekeningen, die bijna microscopisch zijn, sturen de lezer in een bepaalde gevoelswereld die niet meteen negatief is, maar waar wel een zekere dreiging voelbaar is. Voor wie zich ervoor openstelt, zou je kunnen zeggen. De zinnen zijn ronduit fraai en laten de lezer even bezig zijn: Het water steeg op / we verstonden elkaar niet meer / de kinderen tekenden de zon steeds groter. Die boodschap schuurt en geeft de lezer gelegenheid om zelf na te denken. Wie een bijdrage wil leveren aan het bijsturen van een wereldbeeld, moet de ander ook de gelegenheid bieden iets van zichzelf erin terug te zien.

Zeker geen verloren zaak, want de thema’s van de volgende twee nummers zijn al bekend: vlees en plastic. Ook van die hangijzers waar je je engagement op los kan laten. Wanneer het tweede nummer verschijnt is nog niet bekend. Veiligheidshalve noemt de redactie de verschijningsfrequentie ‘onregelmatig’. Het doemnummer van het forse Aline ligt nu in de betere boekhandel en alle stripwinkels van Nederland voor de sympathieke prijs van 10 euro.

Typex, Ludwig Volbeda, Wasco, Jeroen Funke, Anne Staal, Charlotte Dumortier, Shamisa Debroey en Sanne Boekel – Aline 1, de beschaving voorbij. The Blue Orange, 68 pagina’s. 10,00.

Strips & comics

Gelezen: Cullen Bunn, Brian Hurt & Tyler Crook – Manor Black

From the authors who gave us…. zeggen ze in de Verenigde Staten: Bunn en Crook hebben de eerste verhaallijn afgeleverd van een nieuwe horror fantasy reeks, Manor Black, nadat ze de stripwereld zeker drie jaar in hun greep hielden met het fabelachtig mooie Harrow County. Die reeks is intussen gebombardeerd als moderne horrorklassieker, een blauwdruk voor het genre voor zover het niet uitsluitend bloederig, beestachtig en buitensporig hoeft te zijn. Bunn en Crook hebben goed in de gaten dat de horrorstriplezer van tegenwoordig meer wil dan een dun verhaaltje met veel gore en guts. Ook Manor Black zit, hoewel net begonnen, nu al tjokvol met verhaallijnen, intrigerende personages en vooral: veel vragen.

Manor Black is het landhuis van Roman Black, de pater familias van een gezin dat zich vooral onledig houdt met de zwarte kunsten. In de crypte van het statige huis, waar de voorvaderen voortleven, staat een enorme erlenmeyer gevuld met bloed. Alles is voor de lezer uiteraard nog in nevelen gehuld. Wat wel duidelijk wordt is dat de zwarte kracht van de familie er deels van afhangt. En daar zit de crux: de oude Roman moet eigenlijk plaatsmaken voor de volgende generatie maar over wie dat zal zijn, twijfelt hij nog. Hij vermoedt dat zijn kinderen de boel zullen verkwanselen zodra hij zijn hielen heeft gelicht. En daar zijn aanwijzingen voor.

Een mogelijke oplossing dient zich aan als er in de buurt van het landhuis en ernstig ongeluk plaatsvindt, met een enkele overlevende. Deze jongedame, Ari, wordt achterna gezeten door een horde kwaadwillenden. Roman Black ontfermt zich over haar en ontdekt de krachten die zij bezit. Hij ziet in haar een intelligente opvolger van zijn levenswerk, en dat is tegen het zere been van zijn nageslacht.

Het verhaal ontwikkelt zich vanaf dan als een opmaat naar een heerlijke gothic horror strip. De eerste vier delen van Manor Black zijn in dat opzicht niet een afgerond verhaal, hoewel het een miniserie wordt genoemd. Iedere lezer voelt aan dat het nog niet voorbij is. Sterker: het allerlaatste plaatje zet alles zo perfect op scherp dat niemand die onverschillig weg kan leggen.

Tyler Crook lijkt geboren voor het genre: zijn tekeningen zijn zo verfijnd dat geen detail de lezer ontgaat. Hij voelt perfect aan hoe horror moet ‘klinken’. Bij het omslaan van de pagina’s schreeuwt het onheil de lezer niet tegemoet. De angst en spanning zit in details verstopt die zich pas openbaren als de lezer er is aanbeland. Bij Crook geen grotesk effectbejag, het is subtiel maar o zo krachtig uitgebeeld. Soms lijkt er zelfs sprake van ontspanning. Als de lokale politie poolshoogte neemt bij het noodlottige ongeval wordt er door de een boompje opgezet over wat voorrang krijgt: een goede maaltijd, koffie of toch iets sterkers. Maar intussen…

Uiterlijk hebben de figuren en de omgeving veel weg van Harrow County, hoewel dat verhaal een kleine eeuw eerder plaatsvond. Manor Black speelt in de jaren zeventig, maar vanwege de gothic-setting lijkt het allemaal verder weg van de gewone mensenwereld. In vergelijking met Harrow County is opvallend dat Crook voor een andere kleurstelling heeft gekozen: hij kleurt met de hand in, met waterverf, en gebruikt naast zijn kenmerkende gedempte palet veel felle kleuren, met name geel en rood.

Manor Black zal zich verder ontwikkelen als een donker familieverhaal waarin figuren vechten om de nalatenschap van een wijze oude man. Wie krijgt de beschikking over krachten die oneindig veel sterker zijn dan een mens aan kan? En welke strijd ontbrandt straks als de goeden tegen over de slechten komen te staan? Zelden zo’n sterke aanzet gezien van een verhaal: hier is zonder twijfel een nieuwe klassieker in aantocht.

Cullen Bunn, Brian Hurt & Tyler Crook – Manor Black. Dark Horse. Vier delen, 32 pagina’s per deel, $ 3,99. TPB verschijnt in het eerste kwartaal van 2020.

Strips & comics

Gelezen: Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 3 en 4

Bernard Prince is een perfect voorbeeld van een klassieke stripheld, die je met wat durf kunt vergelijken met Kuifje. Minder braaf, minder rechtlijnig, maar qua opzet van de verhalen toch te vergelijken, vooral vanwege de aanwezigheid van zijn sidekick Barney Jordan, die de rol van kapitein Haddock met verve speelt, en scheepsmaat Djinn.

Bernard Prince bevaart de wereldzeeën om het onrecht te bestrijden, om in klassieke termen te blijven. De verhalen verschenen sinds 1969 in stripblad Kuifje en zijn getekend door een jonge Hermann die later successen zou kennen als tekenaar van Jeremiah. De scenario’s zijn van de hand van Greg, een mastodont met een palmares om u tegen te zeggen: van zijn hand verschenen onder meer Comanche, Luc Orient, Bruno Brazil en van een heel andere orde: Olivier Blunder.

De albums van Bernard Prince zijn al jaren niet meer eenvoudig verkrijgbaar en dus hoog tijd voor de integrale aanpak: perfecte uitgaven, met alle zorgen omgeven en met liefde voor het beeldverhaal bezorgd in prachtige, forse albums in harde kaft. Onlangs verschenen de eerste twee delen, die niet in de maat lopen met de chronologie: uitgeverij Sherpa permitteert zich een slimmigheidje. Ze begint niet bij het begin, maar brengen eerst de integralen deel 3 en 4 uit, met daarin opgenomen de reguliere albums 5 tot en met 8.

De reden is slim en doeltreffend. De latere verhalen zijn beter dan de eerste paar. In de eerste albums zijn Hermann en met name scenarist Greg nog op zoek naar een stevige basis voor de verhalen en komen de personages nog niet volledig uit de verf, al klinkt het strenger dan het is: beroerd zijn die vroege verhalen beslist niet. Maar toch, wie eenmaal is gevallen voor de sterke titels als Brand in de oase en Verschroeide aarde zal mettertijd toch ook de integrale albums met strips uit de beginjaren van Bernard Prince aanschaffen.

Dit lijkt ingegeven door de eerdere integrales van reeksen als Luc Orient en Jonathan Cartland. Met name bij Cartland zijn de titels vanaf deel 3 echt stukken sterker dan de eerste twee. Wellicht dat dat meespeelt bij de potentiële kopers, die zich negen van de tien keer de oude verhalen nog wel herinneren en op basis daarvan besluiten de integrales in huis te halen, of niet. Want zo werkt het op de markt van de integrale: kopers zijn doorgaans niet de nieuwe, jonge lezers die eindelijk eens de klassiekers kunnen en willen lezen. Het zijn de vijftigplussers die alles al hebben en vanuit nostalgische overwegingen tot de aanschaf overgaan – met het excuus dat er zoveel mooie extra’s aan de integrales zijn toegevoegd.

Om met dat excuus te beginnen: in deel 3 wordt de lezer verwend met een aantal (aankondigings)platen en illustraties uit weekblad Kuifje, samen met een voorwoord van vertaler Tonio van Vugt, tevens hoofdredacteur van stripblad Zone 5300 en artistiek directeur van de Stripdagen Haarlem. In dat voorwoord zet Van Vugt nog eens uiteen voor wie deze integrales bedoeld zijn: de completisten die de extraatjes consumeren en de boeken verder ongelezen in de kast zetten en een heel kleine groep lezers die voor het eerst kennis maakt met de verhalen, die bovendien voor alle doelgroepen in perfecte staat zijn uitgegeven: opnieuw ingekleurd, geletterd en vertaald. Het extraatje in deel 4 is een onderhoudend interview van veertien pagina’s met Hermann door Thierry Groensteen.

De grote plus van de beide integrale delen is het formaat: de pagina’s hebben niet meer het ingedrukte effect van de oorspronkelijke uitgaven, waaronder het lijnwerk danig te lijden had. De forse pagina’s hebben meer lucht en dat zorgt voor een prettige en uitbundige leeservaring. Wie zich de grote zwart-witte Blueberry’s van Giraud voor de geest haalt, weet dat het formaat nog meer wonderen kan doen, maar eerlijk is eerlijk: het tekenwerk van de jonge Hermann was eind jaren zestig nog niet zo meeslepend dat we nu ineens ontdekken wat een vakman hij toen al was.

Wat weer wel de extra aandacht verdient is het inkleurwerk van met name de grotere vlakken, zoals graslanden, rotspartijen en woestijnvlakten. Die lijken ingekleurd met viltstift, opgezet uit kleine verticale strepen. In eerste instantie doet het wat vreemd en gekunsteld aan, maar juist die vlakken stralen enorme kracht uit. Het zijn dit soort ontdekkingen die op het conto van het formaat, het papier en de zorg van de uitgave komen.

Het aanbevelen van een integrale is een hachelijke onderneming. De completist met een nostalgische hang beslist op heel ander gronden dan de inhoudelijke en voor de striplezer die al genoeg keuze heeft, zal de flinke prijs van de integrales een obstakel zijn. Zij die zich willen laten verleiden door de mooie verhalen, kunnen met deze beide delen hun hart ophalen. Wie er eerst eentje wil proberen, kiest meteen voor het derde deel, vooral vanwege het schitterende korte verhaal De rode zon uit 1969, een pareltje dat doet denken aan het fenomenale Corpse on the Imjin van Harvey Kurtzman. In beide oorlogsverhalen staat een onvrijwillige ontmoeting tussen twee gezworen vijanden centraal, die de zinloosheid van oorlogvoering blootlegt.

Daarbij komt dat Brand in de oase een prima verhaal is, dat het wezen van de serie goed aanvoelt: Prince en consorten ontmoeten iemand in nood die hun hulp nodig heeft. Het trio gaat de uitdaging aan en raakt verzeild in een veel groter probleem dan ze had voorzien. De slimme drie-eenheid van Prince, Djinn en Jordan lost het uiteindelijk op, langs lijnen van goed en kwaad. De kracht van de verhalen schuilt erin dat ze nergens gedateerd of oubollig zijn. Van de eerdergenoemde reeksen van Greg is Bernard Prince het vlaggenschip, om precies die reden. Het maakt dat de integrale aanpak gerechtvaardigd is. Bernard Prince is het zeker waard.

Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 3 – Brand in de oase / De wet van de orkaan. Sherpa. 128 pagina’s hardcover. € 49,95.

Hermann & Greg – Bernard Prince integraal 4 – Verschroeide aarde / groene vlam van de conquistador. Sherpa. 128 pagina’s. € 49,95.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Krings, Zidrou & Willy Vandersteen – Suske en Wiske hommage 3: De kwakkelende kwakzalver

Naast alle reguliere nieuwe albums van Suske en Wiske verschijnt er sinds 2017 jaarlijks een zogenaamd hommage-album dat wordt geschreven en getekend door een duo van buitenstaanders, dat voor de gelegenheid wordt uitgenodigd. De Nederlandse striptekenaar Gerben Valkema (Elsje) beet het spits af, samen met scenarist Yann. Hun Cromimi was een razende waterval van grappen, gebeurtenissen en gedoe. Ze wonnen er prompt de Stripschapspenning voor het beste jeugdalbum mee. Een jaar later, de hommage-albums liggen altijd slim in aanloop naar Sinterklaas in de winkel, was het de beurt aan de Vlamingen Steven Dupré en Conz, die met Boemerang een veel klassiekere versie van Sus en Wis afleverden: hun verhaal zat kundiger in elkaar, omdat het dichter bij het oorspronkelijke verhaal bleef. Cromimi was van God los, bij Boemerang zaten de makers op schoot bij meneer Vandersteen.

Het derde deel van de hommagereeks heeft een vanouds allitererende Vandersteentitel: De kwakkelende kwakzalver is getekend door Jean-Marc Krings, op scenario van Zidrou. In het verhaal is een belangrijke rol weggelegd voor meneer Willy, die zich ontpopt als een filmproducent in de Belgische hoofdstad. Maar o malheur, hij krijgt te maken met een tegenslag. Wiske heeft zoveel geknipoogd dat ze last heeft van een zeldzame ziekte die haar aangezicht heeft aangetast: ze heeft niets anders dan paralytische degeneratieve hemifaciale cnipogitis. En alsof dat nog niet genoeg is, verhaspelt Lambiek dit onmiddellijk tot pacifistische decoratieve doremifiscale cryptohippies. Dat we weten hoe de vork in de steel zit wat de grappen betreft.

Wiske moet dus worden geholpen, al is dat niet zo gemakkelijk als het lijkt: alleen in het Parijs van 1919 loopt een geneesheer rond die dit kan verhelpen. Gelukkig is er de teletijdmachine van professor Barabas, maar er blijkt meer aan de hand. Ergens in een Franse stad vindt namelijk een geheime, zeer grimmige bijeenkomst plaats. Dit is niet toevallig in Angoulême – de striphoofdstad van de wereld, waar ieder jaar het grote Franse stripfestival plaatsvindt. Aanwezig zijn alle belangrijke Franse stripfiguren die met lede ogen aanzien hoe de Belgische strip ‘hun’ markt overspoelt, “met van die lelijke boeken met slappe kaften en al die vergezochte verhalen.” Suske en Wiske zijn de boegbeelden en dus moeten die afgestopt worden. Genoeg is genoeg. Eigen helden eerst!

Eén en één is twee en zo ontspoort dit verhaal op een geestige manier: de Vlaamse kliek is onderweg naar Parijs, terwijl de strijd verhardt tegen alles wat niet zuiver Frans is. Totale kolder, allerlei Franse stripfiguren blokkeren grensovergangen en maken het figuren die niet van vreemde smetten vrij zijn onmogelijk het land binnen te komen. Yakari en Titeuf staan respectievelijk zonder tooiveer en kuif klem aan de Zwitserse grens en Corto Maltese mag de Italiaanse grens niet over. Er staan ook Fransen te posten bij de Duitse grens maar bij gebrek aan Duitse stripfiguren gebeurt daar niks.

Zo danst het verhaal alle kanten op en leven Zidrou en Krings zich kostelijk uit in nevenlijntjes, rare bijverhaaltjes en situaties die in het geheel niet passen in een klassieke Suske en Wiske. Maar juist dát is de bedoeling van de hommages, of althans: het mag.

Die vrijheid neemt Krings ook volop als het gaat om de figuren: Lambiek lijkt voor geen meter, zeker niet als hij zich in een driedelig kostuum hijst; Jerom is weer de ouderwetse holbewoner met blote bast zoals in de beginjaren en Suske herkennen we vooral aan het feit dat hij het enige jongetje is. Maar het maakt allemaal niet veel uit: wie aan het album begint is het idee van een ‘echte’ Suske en Wiske toch al snel vergeten. De lezer vermaakt zich dan volop met het curieuze van deze hele onderneming.

De kwakkelende kwakzalver is een fijn en leuk tussendoortje, in de beste zin van het woord: vanwege alle verwijzingen naar de actualiteit, de optocht van bozige Franse stripfiguren en de geestige ontwikkelingen die in een rabiate vaart voorbij trekken, is het een uurtje driest leesplezier. En zeg nu zelf, ooit willen zien hoe een kleine Galliër met zijn kop door het plafond wordt geslagen, door een gracieuze uppercut die hem zelf al zestig jaar uit alle benarde situaties redt? Jerom doet het gewoon. Ge gaat best niet lachen met het Vlaamse erfgoed hé!

Jean-Marc Krings, Zidrou & Willy Vandersteen – Suske en Wiske hommage 3: De kwakkelende kwakzalver. Standaard Uitgeverij. 48 pagina’s. € 7,99.

Strips & comics

Gelezen: Rob Guillory – Farmhand

Wie Farmhand probeert uit te leggen, verliest zich al snel in details om het niet al te vreemd te maken. De Amerikaanse comicserie, van schrijver-tekenaar Rob Guillory die bekendheid verwierf met het groteske en hilarische Chew, is een kruising tussen horror en humor, met iets van de actualiteit, interplanetaire business en subversieve Artificial Intelligence. Dan is het ook nog een familiekroniek, een misdaadverhaal en is de suspense nooit ver weg. Voila, Farmhand is het allemaal.

Het verhaal speelt zich af in Freetown, Louisiana, op de geavanceerde boerderij van Jedidiah Jenkins, een gesoigneerde redneck op leeftijd met Hulk Hogan-snor die er een bijzonder werkveld op nahoudt. In plaats van gewassen of dieren, houdt hij zich bezig met de kweek van ledematen en organen. Dat gebeurt met alle vanzelfsprekendheid en dat ziet ook zijn zoon Ezechiël, die na een afwezigheid van een lange tijd met zijn jonge gezin naar het boerenbedrijf terugkeert. Wat hij tegelijk merkt, is dat ongeveer iedereen achter het geheim van Jedidiah aan zit. Zo ook Thorn, Jedidiahs voormalige zakenpartner, die het veredelde zaad voor zijn eigen zaak heeft ingezet. Gevaar ligt op de loer, al gebeurt (nog) niets in het openbaar.

Het leuke van de serie is dat het ondanks de thematiek een heel lichtvoetig verhaal is. Dat heeft voor een deel te maken met de rustige figuur van Jedidiah die geen blijk geeft van stress of malheur. Het tempo is precies goed, vooral in de tweede trade paper back, die de losse deeltjes van 6 tot en met 10 verzamelt. De spanning- en horrorelementen zijn goed gedoseerd: er hangt een prettige dreiging boven het verhaal, die de lezer er goed bij houdt.

De tekeningen van Guillory zijn lekker grillig en hebben het hoekige van street art, gecombineerd met een vleugje fifties atoomstijl. Maar vooral zijn ze cartoonesk wat zeker bijdraagt aan de fijne balans tussen humor en spanning. De futuristische boerderij is geestig verbeeld. Ondanks de serieuze zaken die er plaatsvinden, is het geen gesloten bolwerk met hoge hekken en schrikdraad. Sowieso hangt er geen onverdraaglijke agressieve sfeer in het verhaal, ondanks dat er genoeg gebeurt dat het daglicht niet werkelijk kan verdragen. Het is er een beetje, in een fijne balans met de rest.

De cliffhanger waarmee de tweede trade paper back wordt afgesloten, maakt nieuwsgierig naar het vervolg dat inmiddels is opgestart. Echte fanaten volgen de serie in de losse deeltjes: Farmhand 11 verschijnt op 20 november en is het eerste nummer van de derde story arch (iedere trade paper back, kortweg TPB, heeft en min of meer afgeronde verhaallijn).

Farmhand is een succesverhaal: de reeks verkoopt goed in de Verenigde Staten en daarbuiten, de lezers en critici zijn enthousiast en er zijn plannen voor een Farmhand-televisieserie. Guillory, die al een immense fanbase heeft vanwege Farmhand’s voorganger Chew, heeft weer raakgeschoten: Farmhand is veel van alles en ook nog eens in een perfecte combinatie. Dat is knap.

Rob Guillory – Farmhand, Image, twee TPB’s verschenen: deel 1 Reap what was sown (15,99) en deel 2 Thorne in the Flesh (18,99), 144 pagina’s per deel.

Strips & comics

Gelezen: Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel

Dit zong al een tijdje rond in de wereld van stripliefhebbers. Als scenarist Régis Loisel, van Magasin Général, Peter Pan en Op zoek naar de tijdvogel, zich ergens in stort, is het nooit halfslachtig. En als de kompaan met wie hij aan de slag gaat Olivier Pont is, die zich onlangs nog van zijn experimentele kant liet zien in het kolderieke Losse eindjes, maar zijn naam vooral vestigde met het wonderschone Over de grenzen van de tijd, dan weet de liefhebber genoeg: dit gaat vuurwerk opleveren.

Isabel is het eerste deel van de reeks Een godverdomse klootzak, een serietitel die nooit werkelijk went (los van het feit dat godverdoms geen Nederlands is). De klootzak in kwestie is een man van wie slechts een foto bewaard is gebleven. Die foto is in het bezit van Max, een viriele jongeman die net zijn moeder heeft verloren en op onderzoek gaat naar zijn vader in de jungle van Brazilië. Max heeft twee foto’s bij zich waarop zijn moeder staat, steeds met een ander heerschap. Als een lichtzinnige detective stort hij zich in een zoektocht naar de beide mannen, in de hoop zijn pa terug te vinden.

Die Braziliaanse bush is niet bepaald een frisse plek om op zoek te gaan naar medestanders. Max komt al snel in de problemen en moet vluchten met de stomme dochter van een eenvoudige fixer die bij een hinderlaag om het leven komt. Tegelijkertijd raken twee jonge verpleegsters, die Max onderweg tegenkomt, verzeild in een smerig zaakje: dat van vrouwenuitbuiting en moord. En dan zijn we pas in het eerste deel van het verhaal.

Daar zit een angeltje. Loisel kennen we van het recente negenluik Magasin Général dat oorspronkelijk was ingezet als een trilogie. Steeds kwamen er lijntjes en personages bij, en daarmee album na album. Van Een godverdomse klootzak is nog niet bekend hoever de ambitie reikt. Mocht het diezelfde kant uitgaan, dan heeft de lezer nog veel te verwachten. De tomeloze vaart en onmiddellijke actie belooft in ieder geval veel goeds.

In dit verband is het heerlijk om de verhaalhaakjes te ontdekken: de subtiele vooruitwijzingen, waar Loisel een handje van heeft. Als de twee verpleegsters hun werk hebben gedaan op de bouwplaats van een onbehouwen voorman en ze hem op de hoogte brengen van Max en zijn zoektocht naar zijn vader, zien we diezelfde figuur even later uit het raam staren, met naast hem een paar fotolijstjes die er duidelijk niet voor niets staan.

Het tekenwerk van Olivier Pont is prachtig. Hij kan prima uit de voeten met de situering van het verhaal. De pagina’s van het forse album zijn heerlijk onstuimig en panoramisch van opzet. Het ongerepte van de natuur en het ruige van de bush zijn duidelijk aan hem besteed. Ook inkleurder Francois Lapièrre voelt er zich met zijn accentrijke maar donkere kleurpalet als een vis in het water. Slechts winnaars, en daar kunnen we de lezer ook gerust toe rekenen. Een godverdomse klootzak kan met zo’n openingsalbum tot grote hoogte stijgen. Het is vast te veel gevraagd om nu al meteen een tweede deel te eisen. Aan de andere kant: wie de smulpaap een zalige entrée voorzet, moet niet te lang met het hoofdgerecht treuzelen.

Olivier Pont & Régis Loisel – Een godverdomse klootzak 1 – Isabel. Blloan. 88 pagina’s, € 9,95. Ook in hardcover: € 17,95.

Strips & comics

Gelezen: Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven

Philippe Berthet is een vakman die vele kunsten verstaat. Zijn tekenwerk is al jaren consistent en herkenbaar; het is strak en feilloos, met een voorliefde voor de jaren zestig en zeventig. Genoeg lezers zullen vooral zijn latere werk klinisch vinden. Dat komt vooral door zijn vrij emotieloze lijnvoering, die evenwel goed past bij het soort verhalen dat hij vertelt. Zo ook bij De kunst van het sterven, dat onlangs verscheen als derde deel van de nieuwe reeks ‘kwalitatief hoogstaande oneshots’ die uitgeverij Arboris op de markt brengt onder zijn imprint XL. Deze albums zijn forser van omvang en grootte en zijn even verrassend als onvoorspelbaar. Kwaliteit is immers een moeilijk te definiëren keuzemechaniek: de drie titels die nu zijn verschenen zijn totaal verschillend. Overeenkomstig is dat ze het alle drie goed doen op groot formaat.

Maar toch, De kunst van het sterven heeft beslist kwaliteit. Om te beginnen is het centrale plot kraakhelder: er is iemand overleden, men vermoedt zelfmoord, maar dat is nog maar de vraag. Als dan ook nog een aantal rare figuren opduiken die zich onhandig ophouden in de nabije omgeving van het slachtoffer, dan weet je wel hoe laat het is. En laat de Parijse politieman Phillipe Martin nu precies hetzelfde vermoeden hebben. Het draait namelijk allemaal om een zwendel waarbij kunst in het geding is. Vandaar de titel, die aanvankelijk veel mysterieuzer klonk dan uiteindelijk blijkt. Wie graag een lekkere whodunnit leest, en daarbij ook op zoek wil naar de waaromvraag, heeft hier een fijne kluif aan.

Twee zaken vallen onmiddellijk op, te beginnen met de positieve: het kleurgebruik is ronduit spectaculair. Er zit een gewassen structuur in de kleuren die ze heel dreigend maken, perfect passend bij de venijnige pen van Berthet. Het maakt de grote pagina’s van de XL-reeks extra de moeite waard, ook al zit er een geweldige vaart in het verhaal waardoor de lezer het misschien bij eerste lezing niet direct waarneemt. Ook dat tempo is een kwaliteit, de actie verslapt nergens.

Wat daarentegen in negatieve zin opvalt is dat Berthet moeite heeft om emoties over te brengen. In De kunst van het sterven zijn sommige scenes zo onbeholpen dat het storend is. In de eerste van drie plaatjes: waarom wilde je me spreken? Ik moet je iets vertellen over de dood van Emma. Hop, tranen in plaatje twee. Daar krijgen we Emma niet mee terug. Stilte op plaatje drie: dan weet meneer Martin het ook even niet meer. Zo zijn er meer gesprekken die wat vreemd aandoen, en dat ligt vooral aan de verstilde mimiek van de personages. Ze communiceren niet maar praten monotoon voor zich uit. Het had allemaal wat echter, menselijker gemogen.

Aan de andere kant: gedraag je maar eens welwillend naar de lezer als je achterna wordt gezeten door een bende vol getatoeëerde latino’s die je op het spoor zijn. Dan kun je maar beter net doen alsof het je allemaal niets doet. (Tipje van de sluier: dat laat Phillipe Martin inderdaad volledig koud). De slotscène in de stadse omgeving van Barcelona heeft genoeg spanning om de aandacht erbij te houden, ook al is dan lang en breed duidelijk hoe de vork in de steel zit. Dat de kwade genius in zijn laatste moment als vrij mens nog snel even alles opbiecht en paginabreed uit de doeken doet, is niet werkelijk nodig. Maar het past wel in het geheel: dat van een lekkere B-film met de goeie en de slechterik en een heleboel momentjes die misschien wat meer diepgang hadden mogen hebben.

Philippe Berthet & Sandro Raule – De kunst van het sterven. Arboris. 72 pagina’s. € 8,95. Ook verkrijgbaar als hardcover: € 18,95.

Strips & comics

Gelezen: Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a Book Thief

In de zwarte komedie Memoirs of a book thief worden de literaire pretenties van een dolle horde Parijse artistiekelingen op een genadeloze manier gefileerd. Als de matte en gesjeesde rechtenstudent Daniel Brodin op een keerpunt in zijn leven is aanbeland, flikt hij een waar kunststukje op een rumoerige dichtersbijeenkomst: hij draagt een gedicht voor dat niet van hem is, maar van een of andere onbekende Italiaanse poet maudit. Zijn vertaling, uit het hoofd – dat dan weer wel – zorgt voor de onmiddellijke acceptatie van Brodin in de gemeenschap. Wat volgt is een periode van omhoogvallen en drankgelag, maar ook van twijfel en gevaar: een van de aanwezigen herkende het existentialistische gedicht La Cagna del pastore toevallig wél en laat Brodin bungelen “omdat hem die aanblik zo bevalt”.

Niet bekend met de mores van de literaire scene bluft Brodin zich een slag in de rondte. Zijn entourage is zeer te spreken over zijn inbreng, Brodin is de frisse wind die het literaire Parijs in de jaren vijftig zo node miste. Als hij in complete dronkenschap murmelt dat ze de Eiffeltoren moeten uitzetten omdat het licht hem pijn aan de ogen doet, zien zijn medestanders daarin een groter doel: het omverwerpen van de heersende mening, op weg naar een avantgardistische toekomst.

Zo buitelen de scenes over elkaar: Brodin trekt in bij een groep revolutionaire bohémiens die inbreken vanuit levenskunstige motieven. Een baan is nu eenmaal onverenigbaar met het artistieke bestaan dat ze ambiëren (maar dat verder nergens uit blijkt). Brodin, die altijd al boeken stal voor de kick ervan, kan zich prima vinden in die kliek.

Hij ontmoet er een rijk meisje dat de thuissituatie ontvlucht omdat haar vader een rechtse conservatief is die niets moet hebben van luie kunstenaars en poseurs als Sartre. Zij trekt bij Brodin in, maar raakt gaandeweg verveeld omdat ook Brodin zich steeds verder van zijn omgeving vervreemdt.

Het scenario van de Italiaan Allesandro Tota waaiert gaandeweg alle kanten op. Het is een opeenvolging van anekdotes die met dunne draadjes aan elkaar zijn verbonden. Dat maakt het vermakelijk op de korte termijn, maar zorgt er ook voor dat het verhaal ons uiteindelijk nergens naartoe brengt. Brodin raakt niet bekeerd of begeesterd, keert niet op zijn schreden terug. Hij wil nog steeds een literair auteur worden, maar dat was al zijn idee aan het begin van de geschiedenis.

Toch is Memoirs of a book thief een geweldige leeservaring. De personages, die Fransman Pierre van Hove met veel gevoel voor emotie neerzet, passen perfect in het tijdsgewricht. De cafés zijn echte Parijzer uitspanningen uit de jaren vijftig, aan alles is te zien dat Van Hove zich goed heeft gedocumenteerd. Tegelijk is zijn tekenwerk gedienstig aan het verhaal. Van Hove kiest niet voor bijzondere perspectieven en uitgewerkte panorama’s, maar houdt het zelfs opvallen rustig: de pagina-opmaak is eenvoudig en klassiek.

Memoirs of a book thief is een aanrader omdat het literaire wereldje er zo zalig op de hak wordt genomen. Alle zelfingenomenheid, pretenties en opdringerige ismen met hun dweperige gevolg, het wordt genadeloos gefileerd door een buitenstaander die met open armen wordt binnengehaald als de… ja, wat eigenlijk? Brodin weet het zelf niet eens.

In die dwaasheid zit het plezier van deze graphic novel. Dat het een anekdotisch sfeerverslag is, zonder al te veel verhalende diepgang, is nergens een bezwaar. In dat opzicht sluit het perfect aan bij de verhalen die Brodin hoort in het café: die gaan ook nergens heen, maar klinken voor het moment zelf machtig interessant.

Alessandro Tota & Pierre van Hove – Memoirs of a Book Thief. SelfMadeHero. 176 pagina’s hardcover. € 18,99.

Strips & comics

Gelezen: Maarten Vande Wiele – Zeep 2

Exact twee jaar na deel 1 verscheen onlangs de afsluitende, tweede episode van Zeep, de graphic soap novel van Maarten vande Wiele. Eindelijk komen de lezers te weten hoe het afloopt met Kenneth, Barbra en het wankele Castelson Imperium, waar haviken en profiteurs omheen zwermen als wespen bij een picknicktafel. Want wat is nu de rol van Todd? Hoe gevaarlijk is Rachella Kabuki nog na al die jaren? En hoe staat het met de gezondheid van moeder?

Zoals dat hoort hangt Zeep aan elkaar van cliffhangers en intriges. Om één tipje van de sluier op te lichten: het gaat niet goed met moeder. Het gaat zelfs zo slecht dat Ken, die veel brozer is dan hij zich voordoet, het imperium tijdelijk aan Barbra overdraagt: “Ik weet dat ik veel van je vraag, maar moeder heeft me nodig en jij bent de enige aan wie ik mijn levenswerk toevertrouw”. Maar o wee, nu Barbra de touwtjes in handen heeft ruiken haar tegenstanders bloed. Lukt het ze om via Barbra het hele Castelson-merk te gronde te richten? En kan zij niet in de val worden meegesleurd?

Vlaming Maarten vande Wiele werkt al bijna twintig jaar aan een eigenzinnig oeuvre dat herkenbaar is uit duizenden. Zijn tekenwerk is joyeus en is geïnspireerd op design, pop-art en lagere kunsten. Hij gebruikt grote kleurvlakken, een heel swingende lijnvoering en oud-modieuze figuren en voorwerpen. Kijk alleen al naar het omslag van deel 2 en geniet van de mobiele bloktelefoon van lang geleden. Zijn glamoureuze Paris-albums zijn net als Zeep vol bling en schijn. De verhalen zijn lichtvoetig, maar niet plat: daarvoor zijn de figuren te geraffineerd en duister. Dat hij zijn groteske pagina’s heeft opgezet met een roze steunkleur is hooguit een afleidingsmanoeuvre.

Een sterk punt van Vande Wiele zijn diens zalige dialogen. Wie er het plezier van inziet, moet enkele scenes zeker eens hardop voorlezen. De personages schmieren, zuigen, drammen en dreinen dat het een aard heeft. Er is geen middelmatig figuur te vinden, iedereen moet het hebben van valse beloften, grote gebaren en leugens om bestwil. Het klinkt als amateurtoneel met te dik aangezette stemverheffingen voor het dramatische effect. Show, don’t tell? Ben je gek, je showt het én je laat het vooral horen!

Eigenlijk is Barbra nog de gewoonste van het stel: soms ziet de lezer haar kijken en peinzen, alsof ze nog niet gewend is aan hoe het eraan toegaat in de wereld van multinationals, familiebedrijven en de zeepbusiness. Dat klopt voor een deel, al zal ze nooit van haar plaatsje opstaan. Er is genoeg wat haar hongerig, geduldig en bij de les houdt.

De personages zijn stuk voor stuk gemodelleerd naar de Amerikaanse soaps uit de jaren tachtig en negentig, zoals Dallas en vooral Dynasty. Achter in het boek, bij de bedankjes, is Vande Wiele openhartig en lief: “[Ik wil] vooral mijn moeder [bedanken], die in 1986 een 9-jarig jongetje liet kijken naar Dynasty en hem Barbie poppen cadeau gaf. Daarmee is iets in gang gezet dat nooit meer stopt. Dynasty is het geschenk dat blijft geven.”

De tijdgeest van de eindjaren tachtig zien we terug in de kleding, in de interieurs maar evengoed in de verhaallijnen: er zit veel oude romantiek bij, voor de gevoeliger ziel zelfs genoeg om nostalgisch van te worden. Het dweepzieke gedrag van Rachella Kabuki bijvoorbeeld sleept zich voort: de stuurse trut met haar vileine babbels blijft maar door-emmeren. Een moderne mens zou haar een schop onder de bips geven: kind, ga een ander vervelen! Maar wie zich de tv-soaps van vroeger voor de geest haalt weet hoe lang alles uitgemolken werd. Hoeveel maanden was Sue Ellen niet de risee op de ranch in Dallas? En hoe lang kon JR zijn gang niet gaan? Dat specifieke tempo zit heerlijk in Zeep verwerkt. Een kunst, die heel gemakkelijk genegeerd kan worden maar die essentieel is voor een goede pastiche. Vande Wiele is duidelijk niet over één nacht ijs gegaan, Zeep is grondig op alle vlakken.

Je zou willen dat er een studio Vande Wiele bestaat, waardoor Zeep met het tempo van een Kiekeboe of Urbanus kan verschijnen. Dat zou het genre geweldig goed doen; Zeep hoort de lezer om de haverklap te bereiken. De zalige intriges en de nukkige personages met hun streken zijn het ideale leesvoer voor veel meer dan deze twee geweldige albums. Wie weet, voor nu kan iedereen zonder meer naar de winkel om snel deze twee Zepen aan te schaffen.

Maarten Vande Wiele – Zeep 2. Oogachtend. 168 pagina’s, €17,50.

Strips & comics

Gelezen: Tatána Rubásová & Jindrich Janícek – Een wonderlijke expeditie van robots

Sommige strips raken helaas niet in het zicht van de liefhebber. Het kan zijn dat de uitgever ze geruisloos in de markt zet of dat de albums niet opvallen in het geweld van de enorme aantallen strips die er wekelijks verschijnen – helemaal nu, met veertig tot zeventig titels per week.

In het geval van Een wonderlijke expeditie van robots, van het Tsjechische duo Taťána Rubášová en Jindřich Janíček, is het een combinatie van factoren. De strippurist zal ten eerste zeggen dat het geen echte strip is, omdat er per pagina slechts een grote illustratie is, met daaronder de tekst zoals we gewend zijn van de Bommelstripverhalen. Geen kaders, geen balloons en dan ook nog eens opgezet in een bijzondere kleurstelling, met vreemde robots die uiterlijk weinig sprankelen. Al die zaken bij elkaar opgeteld zal de toevallige passant in de (strip)boekhandel niet meteen over de streep trekken.

Jammer? Jazeker, want Een wonderlijke expeditie van robots is het geestige verhaal van Jacob en Willem, twee robots die op expeditie gaan om de raadselen van hun bestaan te ontdekken. Iets wat zij overigens denken te vinden bovenop de overblijfselen van óns bestaan, dat van de mens. Niet dat zij dat weten of zelfs maar bevroeden: de lezer ziet veel meer in de inventieve tekeningen dan de beide robotjes. Dat maakt hun zoektocht en eindeloze discussie klunzig en humoristisch.

Het geestige zit vooral in de menselijke trekjes van beide expeditieleden: hoewel ze machinaal zijn, denken ze tot op zekere hoogte als mensen. In het geval van Jacob zit zijn denkvermogen in een Pede-ef, Willem zweert bij een Doc. De beide figuren houden er daardoor zo hun eigen ideeën op na en dat uit zich in eindeloze gesprekken over de te volgen koers. Ze blijken onverbeterlijke zemelaars.

Er wordt geen reden gegeven waarom uitgerekend deze twee figuren aan elkaar gekoppeld zijn, want een echt team is het niet. Om het minste of geringste (al valt dat te bezien in het licht van het geheel) raken de robots uit hun evenwicht: zo komen alle essentiële levensvragen één voor één langs. Taťána Rubášová verpakt dat opvallend lichtvoetig: nergens lijkt de theorie er aan de haren bijgesleept of wordt het zware kost.

Het boek wordt gebracht als een strip voor 10+. Dat is een keuze, al geeft het de geïnteresseerde lezer misschien nog een reden om het te laten liggen. Het is namelijk evengoed voor volwassenen. Uiteindelijk is het vooral een keuze voor het tekenwerk van Jindřich Janíček dat je aanspreekt of niet: het lijkt gesteendrukt of gezeefd (in ieder geval ruikt het boek exact naar dergelijk handwerk), met overlappende kleuren die tezamen een mooie waaier opleveren. Het zijn de kleuren die je aantreft in de alternatieve concertposter- en zinecultuur. Een wonderlijke expeditie van robots zou niet opvallen op een smallpress beurs of zinefest.

En zo is de cirkel rond: het valt niet op omdat het enerzijds te opvallend en anders is, anderzijds is het feitelijk een veel traditioneler (strip)boek dan je zou verwachten. Wat Willem en Jacob nodig hebben, is een wonderlijke marketing van robots.

Taťána Rubášová & Jindřich Janíček – Een wonderlijke expeditie van robots. Uitgeverij Boycott. 96 pagina’s. € 17,50.

Strips & comics

Gelezen: Aurélie Neyret & Joris Chamblain – Het dagboek van Cerise 1: De stenen dierentuin

In de week waarin Raina Telgemeiers graphic novel Guts het best verkochte boek in de Verenigde Staten werd (ruim boven de nieuwste Stephen King, om maar iets te noemen), verschenen in Nederland de eerste twee delen van Het dagboek van Cerise, een prima strip voor dezelfde doelgroep: lezers vanaf negen jaar. Dat is bemoedigend, omdat er de laatste tijd nogal dramatisch wordt gedaan over het lezen van strips. Kinderen zouden beter “gewone” boeken lezen, klonk het na de aanbevelingen van de Raad voor Cultuur onlangs om ook strips toe te laten binnen schoolprogramma’s. Nog steeds zijn er grote mensen die denken dat strips je niet kunnen geven wat Thomas Rosenboom en Stijn Streuvels je wel bezorgen (behalve een afkeer van lezen als je dertien bent).

De Raad formuleerde het slim: als kinderen strips willen lezen, laat ze dat vooral doen. Anders gezegd, waarom zouden we lezen beperken tot literatuur? Neil Cohn, cognitiewetenschapper en striptheoreticus verbonden aan de universiteit van Tilburg, meldde zich onlangs op Twitter met een interessant en wetenschappelijk onderbouwd draadje over dit fenomeen. Zijn conclusie ging viraal: strips lezen is lezen.

Terug naar Cerise. Kinderen van 9 tot 13 hebben geluk, want wat de Franse jeugd al meer dan vijf jaar weet, is nu eindelijk in Nederland doorgedrongen: Het dagboek van Cerise is een ontzettend leuke, mooie, lieve, grappige en ontroerende stripreeks. Cerise is een meisje van tien dat een dagboek bijhoudt omdat ze later schrijver wil worden. Alles wat ze met haar vriendinnen Lindsey en Erica meemaakt, schrijft ze op. In de strip wordt dit afgewisseld met het verslag van de belevenissen zelf.

In De stenen dierentuin, dat tegelijk verschijnt met deel 2, Het boek van Hector, ontdekken Cerise en haar vriendinnen een zonderlinge figuur in het bos, die ze meneer Vraagteken noemen. Het is een oude man die met potten verf loopt te zeulen en die steeds op onverklaarbare wijze verdwijnt. Na een tijdje ontdekken de drie een hoge muur in het bos, precies op de plaats waar ooit een dierentuin was. De meisjes weten daar uiteraard niets van maar hun ouders wel. Dan wordt ook duidelijk wie de oude man is en wat hij daar doet. Met hulp van de drie – en een heleboel andere kinderen – helpen ze hem zijn droom te verwezenlijken. Het is poëtisch, een tikje naïef en tegelijk bijzonder sfeervol gebracht.

Het fraaie tekenwerk van Aurélie Neyret past precies bij de hybridevorm van de dagboekstrip. Ze gebruikt geen kaders, waardoor Cerises dagboekaantekeningen op een vloeiende manier in de paginaopmaak passen. Het zorgt er meteen voor dat het verhaal heerlijk soepel leest, niet in de laatste plaats doordat de vertaling heel goed in elkaar steekt: we lezen echt een tienjarige, al is het wel een wijsneus. Als Cerise het heeft over haar vriendinnetje Lindsey, dan roemt ze haar eenvoud en oprechtheid. Dat klinkt wat fors voor een tienjarige.

Mooi van deze Lindsey is dat ze fotograaf wil worden. Haar foto’s komen ook terug in het boek, waardoor er een interessant vertelperspectief aan het geheel wordt toegevoegd. Dit alles maken de avonturen van Cerise, waarvan er in het Frans al vijf albums verschenen, slim en doordacht.

De stenen dierentuin lijkt in meerdere opzichten op het werk van Frank Pé, met name zijn Ragebol-albums vanwege de thematiek en de fraaie dieren. Ook heeft het iets weg van het werk van Lorena Alvarez, toevallig ook een illustratrice die de overstap van kinderboeken naar kinderstrips maakte. Neyret heeft een aansprekende stijl, die nog eens wordt ondersteund door een passende, zonnige inkleuring.

Je zou wensen dat veel kinderen kennis maken met Het dagboek van Cerise, vanwege het verhaal, de mooie mengvorm van strip en dagboek en omdat het een vriendelijke en spannende leeservaring is. Om al die redenen zou het ‘gewoon’ in de kinderboekwinkel verkrijgbaar moeten zijn en in de boekhandel – en dan vooral niet bij de strips maar bij de jeugdboeken. Alleen zo krijgt het een kans van slagen: de in zichzelf gekeerde stripwereld met zijn hoogdrempelige stripspeciaalzaken weet Cerises doelgroep niet te bereiken. Als we iets hebben geleerd van de successen van Raina Telgemeier dan is het wel om vooral te kiezen voor de reguliere kanalen, waar jonge lezers hun ontdekkingen doen. Cerise verdient hetzelfde succes.

Aurélie Neyret & Joris Chamblain – Het dagboek van Cerise 1: De stenen dierentuin. Silvester. 80 pagina’s. € 9,95. Ook in hardcover: € 19,95. De twee hardcovers zijn ook in een kennismakingspakket beschikbaar voor € 29,95.

Strips & comics

Gelezen: BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop de bus zonder haar vertrok

Een verder lege omslagillustratie toont een schuchtere jonge vrouw, die naar de titel van het album lijkt te kijken: de dag waarop de bus zonder haar vertrok. De dame die alleen achterblijft heet Clementien, een vroege dertiger die op zoek is naar het Geluk. Ze is een exponent van de Happinez-generatie, die haar heil zoekt in yoga, meditatie en hogere doelen nastreeft als antwoord op ongeveer alle existentiële vragen van het Leven.

Eigenlijk is Clementien een beetje een oenige lieverd, die met haar goede bedoelingen al snel de sympathie van de lezer verovert. Als ze besluit om een weekendje met een groep op yoga-retraite te gaan, hebben we haar al vergeefs zien mediteren. Terwijl ze uit alle macht haar gedachten probeert weg te drukken door aan een vorm te denken, eindigt ze met het levendige beeld van een amandelcroissant in haar hoofd. Daarna verslaapt ze zich en is ze te laat voor de zonnegroet. Zo iemand.

Als de bus op vrijdagmiddag vertrekt heeft ze zich moeten haasten en is ze vergeten om naar de wc te gaan. Bij de eerste tussenstop gaat ze alsnog, maar als ze eenmaal op de parkeerplaats terugkomt, is de bus zonder haar verder gegaan. Clementien is gestrand bij Antoine, een zachtaardige man met een zalvende oogopslag. Deze Antoine stelt Clementien op haar gemak met een aantal zen-geïnspireerde verhaaltjes. Clementien blijft het weekend logeren en samen hebben ze inspirerende gesprekken over het leven, zingeving en antwoorden. Alles is in harmonie en gebeurt met aandacht.

Dit kan eenvoudig ontsporen in oeverloos geouwehoer, maar gelukkig blijft het daar precies ver genoeg vandaan. Het is net geen zijige leuterpraat, net niet quasi-filosofisch of obscuur. Dat mag worden bijgeschreven op het conto van scenarist BeKa die een knappe balans heeft gevonden tussen spiritualiteit en een innemend verhaal dat ook leuk is voor mensen die niet iedere donderdagavond in een bikram iglo zitten te zweten. De verhalen die Antoine vertelt en die Clementien inzicht in haar levenswandel verschaffen zijn bovendien heel goed gekozen. En het leuke vooral: ze zijn makkelijk te onthouden en na te vertellen. Het zijn waarheden waar je wat mee kunt.

De tekeningen van MARKO – met allemaal hoofdletters, hoe on-zen is dat? – zijn vriendelijk en passen goed bij de rust van de vertelling. Hetzelfde geldt voor de inkleuringen van Maëla Cosson. Hoewel het geen genre op zich is, zou dit gemakkelijk de blauwdruk van een hedendaagse, Westerse spirituele strip kunnen zijn.

De flaptekst kan je gemakkelijk huiverig maken, maar toch is De dag waarop de bus zonder haar vertrok stiekem een heel aardig album. Het is in ieder geval tien keer beter dan het vervolg dat tegelijkertijd verscheen: aan deel 2, De dag waarop ze haar vlucht nam, is namelijk echt van alles mis.

De eerder sympathieke figuren zijn vervelende betweters geworden, inclusief Clementien. Ze zijn stuk voor stuk types die zich buiten de maatschappij bevinden en die alleen maar zogenaamde harmonie en medestand treffen. De lezer krijgt een optocht van blije kwezels voor zijn kiezen met wie het eenvoudig niet identificeren is. Gaandeweg roept het verhaal zoveel weerstand op dat de lol van het lezen je vergaat. Het gaat ineens over Light Warriors, succesvolle figuren die het ideale leven hebben ontdekt. Clementien hoeft alleen nog maar te bedenken wat voor haar het ideaal is: “ik moet in mijn hoofd een beeld prenten van het leven dat ik wil leiden en dat beeld mag ik dan niet meer loslaten, wat er ook gebeurt. Mijn geluk hangt ervan af.” Nou, succes meid. Ik vond je leuker toen de bus zonder je vertrok.

Het verschil tussen beide albums vinden we vooral terug in de ontwikkeling van Clementien. Zij begon als innemend en onbeholpen, en eindigde een paar essentiële antwoorden rijker. Het was een mooi proces, dat de lezer gemakkelijk kon meevoelen. De succesverhalen van al die zogenaamde verlichte zielen uit deel 2 staan mijlenver van de lezer af. Ze raken nergens aan een gevoel van herkenning. Het zou gemakkelijk een soort sciencefiction kunnen zijn.

Overigens is het geen enkel probleem om alleen deel 1 te lezen. Dat verhaal is afgerond en interessant van zichzelf. Completisten en mensen die niet gewaarschuwd zijn kopen deel 2 erbij en zullen vast tot dezelfde conclusie komen. Het zij zo. Toch kunnen we eerlijk zijn: zó existentieel is het allemaal nu ook weer niet.

BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop de bus zonder haar vertrok. Daedalus. 72 pagina’s hardcover. € 20,50.

BeKa, MARKO & Cosson – De dag waarop ze haar vlucht nam. Daedalus. 72 pagina’s hardcover. € 20,50.