Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman ligt nu in de boekhandel: Zo vergeefs is het niet

Mijn nieuwe roman is verschenen: Zo vergeefs is het niet ligt nu in de boekhandel. Vraag er vooral naar bij je lokale boekhandelaar, hij/zij kan het je binnen één dag leveren en vaak is er ook nog iets van een bezorgservice of zo. Woon je erg afgelegen, of ga je gewoon niet graag de deur uit met dit weer, dan kun je het ook bij de dikke blauwe meneer bestellen. Ook Bol levert het boek in een dag. Of zoals zij het dan zeggen: voor 23:00 besteld, morgen in huis. BESTEL METEEN.

Hier de flaptekst als teaser en daaronder een korte beschrijving van de inhoud – geschreven door mijn uitgever die het goed met me voorheeft:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.

Binnenkort volgen de eerste recensies en reacties. En niet te vergeten: het omslag, met spannende binnenflappen, is ook op meesterlijke wijze gemaakt, en wel door Typex. Wil je een grote jpg van het omslag voor je blog of site, dan vind je die hier. Je mag ‘m gebruiken onder voorwaarde van naamsvermelding © Typex. Oké?

Stefan Nieuwenhuis – Zo vergeefs is het niet.
Uitgeverij Douane. 308 pagina’s. € 19,50.
ISBN 978 949 302 0153.

Strips & comics

Gelezen: Dirk Ridder – Het allerkleinste

Ga er maar aanstaan: een reis langs de bouwstenen van alles. Stripmaker Dirk Ridder kiest niet meteen de makkelijkste weg in zijn debuutstrip Het allerkleinste. Gelukkig weet hij zich geflankeerd door Robbert Dijkgraaf, de wetenschapper die zijn bekendheid verwierf bij De Wereld Draait Door. Hun samenwerking resulteerde in een informatief beeldverhaal, waarin Dirk de aangever is en Robbert de afmaker.

De stripfiguren Dirk en Robbert gaan in Het allerkleinste op zoek naar kleine deeltjes: Dijkgraaf gaf voor DWDD University college over minuscule deeltjes zoals cellen, moleculen, atomen en zelfs nog kleiner. In de strip, gebaseerd op dat college, wandelen de twee door de wereld van kleine deeltjes: een tocht langs een aantal van de bizarste fenomenen uit de wetenschap.

Op het omslag staat dat de tocht bedoeld is voor mensen van 9 tot 99 jaar. Het taalgebruik is inderdaad geschikt voor negenjarigen, al is het voor die leeftijd nog wel een tikje hooggegrepen. Twaalfjarigen met een beetje middelbareschoolkennis kunnen de informatie prima bolwerken. Of zij het hele album met gemak uitzitten is een ander verhaal: het informatieve is zo overdadig dat de jonge lezer snakt naar een rustmomentje.

Omdat de strip is gebaseerd op een college en het dus niet moet hebben van een avontuur of plot, leest het niet als een klassiek stripalbum. En welbeschouwd is het dat ook niet: het zijn de vragen van de nieuwsgierige Dirk die de vertelling voortduwen. Af en toe zal met name de jonge lezer zich even achter de oren krabben, als Dirk het zojuist geleerde samenvat alsof daarmee alles is verklaard, bijvoorbeeld als we via het biljardste deel van een atoom en het gegeven van de lege ruimte uitkomen bij de volgende conclusie: dus ik gebruik atomen om moleculen te maken en moleculen om dingen als cellen, pizza’s en stiften te maken? Robbert: correct!

De tekeningen van Ridder zijn gedienstig: ze zijn helder en eenvoudig. De illustratieve aanpak zorgt voor een rustige paginaopmaak, die past bij het verhaal. De figuren Dirk en Robbert zitten qua uitstraling tussen die van Barbara Stok en Tom Gauld in: dunne mannetjes met bolvoetjes en vier vingers. Omdat Robbert brildragend is, zien we geen emotie of enthousiasme in zijn gezicht. Terwijl hij juist een sprekend gezicht heeft waarmee veel te doen is. Het zijn keuzes.

Met een eerdere versie van deze strip studeerde in 2018 Dirk af aan de opleiding Comic Design van de ArtEZ hogeschool in Zwolle. Het allerkleinste leverde hem de Debutanten Award 2019 van het Debutantenfonds Beeldverhaal op. Die prijs maakte het Ridder mogelijk om zijn album te perfectioneren en uit te geven. Dat het niet verschijnt bij een van de traditionele stripuitgevers maar bij New Scientist, uitgever van het gelijknamige tijdschrift, is een slimme zet. In die hoek zal het album op meer bijval kunnen rekenen – net als bij lezers van Kijk en Quest Junior. Daar waar de slimme nichtjes en neefjes rondhangen, zeg maar.

Dirk Ridder – Het allerkleinste. New Scientist. 72 pagina’s. € 14,99.

Strips & comics

Gelezen: Katie Skelly – Maids

De Amerikaanse Katie Skelly (1985) heeft met Maids een indrukwekkende horrorgeschiedenis naverteld, die je niet snel vergeet. Skelly koos het waargebeurde verhaal van de gruwelijke moordpartij die de zussen Christine en Lea Papin in 1933 pleegden en werkte dat uit in een grillige en obsessieve strip. Over het primitieve tekenwerk van Skelly is van alles te zeggen, maar wie aan de strip begint, krijgt een leeservaring voor de kiezen die nog dagenlang nazindert. Het is eigenlijk gewoon verplichte kost.

Voor het perspectief: Op 2 februari 1933 vermoordden de dienstmeisjes Christine en Lea Papin de gefortuneerde Leonie Lancelin en haar dochter Genevieve. Tijdens de moordpartij in het Franse Le Mans krabben de zussen met hun blote handen de ogen van hun slachtoffers uit. De politie vindt de toegetakelde lichamen en even later de zussen, die in elkaar verstrengeld op hun zolderkamer zitten. Christine en Lea hebben nooit een verklaring gegeven voor de moorden. De zaak heeft altijd tot de verbeelding gesproken; over de zussen werden vier toneelstukken gemaakt, zeven films, negen boeken en zelfs een hele opera. Nu is er voor het eerst een strip, en wat voor één.

Het is een verhaal om van te gruwen. Het is daarom bijzonder dat Skelly het zo ingetogen weet te vertellen: die ogenschijnlijke rust is vanaf de eerste pagina angstaanjagend. En dat is knap wat een begenadigd tekenaar is ze niet: haar figuren zijn houterig, de perspectieven op een kinderlijke manier vreemd en haar schrijfletter is zelfs onbeholpen.

En toch zijn het juist al deze primitieve, illustratieve elementen die het verhaal zo perfect aanvoelen: ook dat is onaangepast en vreemd. Het is 1931 en Christine Papin werkt bij de gegoede Franse familie Lancelin waar de moeder en dochter zich wentelen in dagelijkse ruzies. Christine heet het voor elkaar gekregen dat haar zusje Lea ook voor het gezin mag werken. Lea is even daarvoor uit een klooster ontslagen vanwege laakbaar gedrag – de terugblikken vol ingetogen sadisme zijn kalm en huiveringwekkend tegelijk.

Beide zussen laten zich gaandeweg de pesterijen van met name mevrouw Lancelin steeds minder vaak welgevallen: aanvankelijk in het geniep, later steeds opener. Het zorgt voor een verwijdering van de familie Lancelin, maar tegelijk komen de zussen steeds dichter bij elkaar. Zachtjes ziet de lezer ontstaan dat de zussen dezelfde genen delen. Het is de combinatie van afkomst, zussenliefde en uitbuiting die de situatie laat escaleren.

Het knappe van Maids is dat Skelly een complete laag aan het verhaal van de Papin zussen heeft toegevoegd: haar verteltrant is zo dwingend en stuwend, dat de lezer halverwege in ademnood raakt. Uit alle poriën van de strip gutst het klamme zweet van een naderende escalatie. Het is werkelijk ongewoon wat ze flikt. Hoe? Door de dagelijkse dingetjes te laten zien: het ontbijt, het strijken van de was, boodschappen en het dweilen van de gang. Niet even, maar pagina’s lang zien we de zussen vooral werken. Terwijl je voélt dat er iets te gebeuren staat.

Skelly geeft de lezer een ongezonde dosis sympathie voor de zussen, terwijl het niet mals is wat deze twee op hun kerfstok hebben. Het gemak waarmee de lezer bijvoorbeeld de herinnering aan Lea’s gruwelijke marteling van een kanarie voor lief neemt, omdat het nu eenmaal het huisdiertje van die gemene moeder overste is, is bijzonder. Het is de stilte die geruststelt, de onaangedane blik van Lea die daarna weer gewoon de schalen met het diner opdient. Altijd is er een figuur in de buurt die erger is, gemener. Het is het idee van onderdrukking en uitbuiting dat de lezer richting de zussen duwt.

De titel Maids suggereert nog een verhaalgegeven: Maids kan slaan op huishoudsters, maar evengoed op maagden. Het omslag hint al richting die seksuele, incestueuze connotatie doordat de zussen elkaars hand achter hun rug vasthouden. Het is interessant om te zien hoe Skelly niet kiest voor een stellingname: na de moorden was er veel te doen over de zaak, met name vanwege de vrouwelijke agressie en seksuele lading. Alle speculatie en dramatiek over deze zaak ten spijt: de zussen hebben zich altijd in stilzwijgen gehuld, gezamenlijk. Skelly eindigt heel opgeruimd met een feitelijk nawoord: de ene zus sterft in gevangenschap, de ander komt na acht jaar vrij en werkt daarna onder een valse naam jarenlang in een hotel.

Katie Skelly – Maids. Fantagraphics. 112 pagina’s hardcover. $ 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Marc Weikamp – Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen

Hoe doelgroepmarketing een mooie u-bocht kan maken: het lezersbereik van strips, beeldverhalen en graphic novels is aanzienlijk maar in het grotere geheel toch bescheiden. Wel flink groter dan dat van poëzie, dat het met een handjevol liefhebbers moet rooien. Poëtische strips, dat is dan de verkleinende trap van bereik. En als er nóg verder wordt genuanceerd, met een specifieke periode of antieke stroming, dan verzoekt men de goden om een lezerspubliek.

Marc Weikamp legde het boek Marketing voor dummies terzijde en deed exact het laatste: hij maakte Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen, een collectie van zes verstripte gedichten die gemeen hebben dat de makers ervan uit de Achterhoek komen. En dan blijkt frappant: juist door de strenge criteria is het een heel fijne en interessante collectie met grafische poëzie geworden.

Ten eerste ademt het album de Achterhoek, dat gebied dat globaal grenst aan de Overijsselse streken Salland en Twente in het noorden, de Duitse grens in het oosten en zuidoosten, de Oude IJssel in het zuidwesten en de IJssel in het westen; daar waar vroeger de veldtochten van Normaal plaatsvonden, in boerenschuren en op gerooide maisvelden in het najaar. De Achterhoek heeft iets magisch, iets boers en wijds. En het gekke: dat zit allemaal in Dichter in de Achterhoek.

Er is geen ontkomen aan de boerenrockers van Normaal en ook Weikamp laat hun voorman, Bennie Jolink, aan het woord: zijn ‘gedicht’ Oerend hard (‘Langzaam rijden dat deeien zie nooit, dat vonden zie toch maar tied verknooid’) staat keurig ingeklemd tussen Eensklaps roeken van H.C. ten Berge en Hoonte van Gerrit Achterberg.

De werkwijze van Weikamp is bijzonder: hij koos zes gedichten, teksten zo je wil, die op een of andere manier de sfeer en het gevoel van de Achterhoek verbeelden en maakte er een verstripping van in verschillende grafische stijlen. Soms levert dat een mooie spanning op, zoals bij A.C.W. Starings Herdenking, een gedicht uit 1820 over liefde, die Weikamp in het nu laat plaatsvinden, waarbij de zoete herinnering zichtbaar blijft op het scherm van een mobiele telefoon.

Bij Hoonte van Achterberg mist de toegevoegde waarde van de illustratie: wat we lezen is ongeveer wat we zien. De subtekst van Achterberg wordt verstopt in de kadrering, maar omdat de tekst integraal op de pagina’s staat, kan de lezer volstaan die te volgen. De plaatjes worden zo decor.

Als we lezen Vlak voor de ramen staat het boomtheater / insecten trekken strepen langs de ruit, dan ziet de lezer deze strepen – nota bene de beweeglijnen uit het klassieke stripidioom.

Bijzonder is dan weer de aanpak van het openingsgedicht van Willem Sluiter, een lokale dichter uit de zeventiende eeuw die de term Achterhoek als eerste muntte. Hij schreef in 1668: Waar iemand duisent vreugden soek, Mijn vreugt is in dees’ achter-hoek. De oude woorden kaatsen op illustraties van een caravan, een campingplaats, een zwembadje en een route-app op – weer – een mobiele telefoon.

De tekeningen van Weikamp zijn gestileerd. Hij laat zien meerdere technieken te beheersen, al blijft zijn hand zichtbaar. Met name de kleurstellingen van de gedichten zijn mooi en verrassend: Weikamp kiest steeds voor rustige kleuren, maximaal drie. Dat pakt sterk uit. Het zorgt ervoor dat er in de opeenvolging van de gedichten genoeg variatie zit én tegelijk een onderlinge eenheid.

Het idee van het verstrippen van gedichten, die als tekst een integraal onderdeel van het geheel zijn, pakt niet altijd goed uit. Het levert vaak doublures op: wat je leest is wat je ziet, behalve de beeldspraak die – als het goed is – ergens te ontdekken valt, zoals dat in de oorspronkelijke tekst ook gebeurt. Een simpel, illustratief voorbeeld, niet uit Weikamps werk: als een dichter zegt dat het herfst is in zijn hoofd omdat zijn geliefde vertrok, dan zien we dwarrelende blaadjes en kale bomen op de achtergrond. Terwijl hij de herfst in zijn hoofd gerust in het voorjaar kan voelen: de geliefde wacht niet tot oktober voor ze vertrekt. Dat is een valkuil die nauwelijks te ontwijken is. Ook Weikamp ontkomt er niet aan, zoals we zien bij Achterbergs strepen op de ruit.

En toch slaagt Weikamp met zijn serie verstripte gedichten op een onvermoed punt: door te kiezen voor gedichten die thematisch verwant zijn, wordt de lezer er steeds dichtbij gehouden.Wie Dichter in de Achterhoek leest vermoedt dat de gedichten in elkaar haken: de eerste zet de toon voor de tweede, enzovoort. Dat is een interessante ontdekking. Logisch misschien, omdat Weikamp op het omslag ook nog eens expliciet maakt dat het gedichten zijn die geschreven zijn in de Achterhoek, over de Achterhoek. Dan móet het wel kloppen.

Marc Weikamp – Dichter in de Achterhoek in zes beeldverhalen. Syndikaat. 64 pagina’s hardcover. € 17,95.

Literatuur & Poëzie

Mijn nieuwe roman komt eraan: Zo vergeefs is het niet vanaf 4 november in de winkel

Het heeft even geduurd, maar begin november ligt mijn nieuwe roman in de winkel: Zo vergeefs is het niet.  De achterflap kondigt het aldus aan:

Je wordt geen dichter, dat bén je. Het is een manier van leven, een noodzaak. Hein Heusz heeft de keuze gemaakt. Hij leidt uit alle macht een dichterlijk bestaan. Dat valt vies tegen, maar nutteloos? Nee. Zo vergeefs is het niet.

De uitgever, niet vies van een pakkend citaat, een curieuze nuancering en een zorgvuldige overdrijving, meldt:

In Zo vergeefs is het niet portretteert Stefan Nieuwenhuis (1972) op meesterlijke wijze het bedompte wereldje van de poëzie. Inzet is de strijd om het stadsdichterschap, waar Hein Heusz, de hoofdpersoon van deze roman, als winnaar uit tevoorschijn hoopt te komen. Om dit einddoel te bereiken verkondigt hij onvermoeibaar dat andere dichters er niks van kunnen en hijzelf zo’n beetje de enige redding is van de dichtkunst. Zelfs het via aanpassingen salonfähig maken van zijn poëzie is voor Hein geen probleem – als hij maar de nieuwe Stadsdichter wordt. En eindelijk een beetje erkenning krijgt.
Na het succes van zijn debuutroman Ik ben omringd door debielen en ik voel me goed (2005) komt Nieuwenhuis vijftien jaar later met een minstens zo sarcastische opvolger. Ga dat lezen!

Binnenkort lees je hier (en elders) meer over het verhaal. Voor nu volsta ik met het voorplat van de roman, dat is getekend door Typex – ongeveer de beste stripmaker van Nederland en auteur van de biografie van Andy Warhol en de Volkskrant-strip Je moeder! Op de illustratie zien we de figuren die een rol spelen in het boek: de twee heren die leunen op het woord ‘vergeefs’ zijn Leon van der Wieken (links) en Hein Heusz (rechts).

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Rochette – Altitude

Ineens is de Franse stripmaker Jean-Marc Rochette overal. Begin dit jaar verscheen zijn bekendste werk Snowpiercer opnieuw en in integrale uitvoering, vanwege de televisie-adaptatie die op Netflix te zien is. Vorige maand verraste hij met zijn schitterende graphic novel De wolf, over een schapenhoeder die de strijd aangaat met een welp (zie de recensie hier) en tegelijkertijd verscheen in het Engels Altitude, nog een graphic novel die zich in de bergen afspeelt.

Altitude is een autobiografisch klimmersrelaas dat speelt in de jaren zeventig. We volgen Jean-Marc die als rebelse tiener de schoolregels aan zijn laars lapt, zich weinig aantrekt van goed fatsoen en het liefst met een vriend gaat klimmen in het nabijgelegen berggebied. Dat geluk heeft hij: Rochette groeit op vlakbij het Massif des Écrins, het berggebied waar ook De wolf is gesitueerd.

In de vorm van een logboek worden de beklimmingen opgetekend: steeds als Jean-Marc aan een beklimming begint, staat de naam van de berg, de moeilijkheidsgraad en de hoogte bovenaan de pagina vermeld. Dat is vast interessant voor kenners, voor de striplezer vooral leuk als wetenswaardigheid: de routes worden steeds ingewikkelder en vooral gevaarlijker.

Deze manier van vertellen is niet meteen spannend en er zijn passages in het verhaal dat er niet veel meer gebeurt dan klimmen. Maar als er zich iets voordoet dat niet per se met klimmen te maken heeft (verliefdheid, ruzie of pubergedrag) worden ook de beklimmingen interessanter. Dan ziet de lezer dat bergbeklimmen zich slecht verhoudt met alledaagse fratsen. Logisch, een moment van onachtzaamheid kan fataal zijn en gaandeweg verongelukken er klimmers of keren ze niet meer terug. Het vergt veel van de jonge klimmers om gemotiveerd te blijven en door te gaan.

Anders dan de ultieme alpinisme-strip Summit of the Gods van de Japanse manga-grootmeester Jiro Taniguchi, die meer dan 1500 pagina’s wijdde aan de voorbereiding en beklimming van de Mount Everest, zijn de beklimmingen in Altitude doelen die afgevinkt moeten worden, op weg naar moeilijkere en steilere bergen. In Summit of the Gods werd alles uiterst minutieus en bijna per seconde uitgebeeld, in Altitude nemen we hooguit kennis van de zoveelste bedwinging.

Altitude is daarmee veel minder een klimstrip dan die lijkt: halverwege het verhaal, als Jean-Marc van school is en het burgerbestaan hem wacht, zien we dat hij nog niet klaar is: niet voor het echte leven en niet voor de grote bergen. Hij gaat nog naar Amerika om daar El Capitan te zien, de natte droom van iedere durfal, maar twijfelt steeds meer of de gevaren van het bergbeklimmen wel afwegen tegen een toekomst – bijvoorbeeld de toekomst als stripmaker, zijn andere passie.

Nu klinkt het als een spoiler, maar het is geen geheim dat Rochette strips is gaan maken, en niet eens onverdienstelijk. Ook zijn klimmersautobiografie is mooi van opzet en verhaal. Hij weet met enkele rake streken een complete bergpartij neer te zetten en geeft de sfeer op de hoger gelegen delen van onze aarde prachtig weer. Werkelijk talent voor koppen en anatomie heeft hij niet: het ziet er soms onbeholpen uit en dat valt vooral op als hij ineens een perfect angstig gezicht tekent. Het zit er wel in, maar lijkt er niet uit te komen. Ook daarover is hij in zijn verhaal eerlijk: hij is lui, heeft niet altijd zin om hard te werken of zijn best te doen.

Altitude is anders dan De wolf, ondanks de overenkomsten in vooral kleur en entourage. De wolf is meeslepend, Altitude is onderhoudend. Het verhaal ontwikkelt zich mooi van de jeugdige klimmer naar de laattwintiger die zich gaat toeleggen op striptekenen: die twee sporen zijn door het hele verhaal aanwezig en komen mooi samen in het eind. Vanwege het strikt autobiografische is het sluitstuk ingetogen en berustend. Het is bemoedigend om achter in het dossier een actuele foto te zien van Rochette, een zestiger met een korte witte baard en een klimmershelm.

Jean-Marc Rochette – Altitude. Self made hero. 296 pagina’s hardcover. £16.99.

Strips & comics

Gelezen: Wasco – Alles leeft

Dit mogen we gerust liefde noemen: begin dit jaar ontving Wasco, de Amsterdamse stripmaker met Groningse roots, de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn uitgever, Scratch Books, greep deze heugelijke gelegenheid aan om een kloek overzichtswerk uit te geven. Alles leeft is een prachtig vormgegeven boek van meer dan 300 pagina’s vol strips en beeldexperimenten, waarmee Wasco (pseudoniem van Henk van der Spoel, 1957) zijn underground faam verwierf.

Al vijfendertig jaar werkt Wasco onvermoeibaar aan een even indrukwekkend als buitenissig oeuvre. De jury noemde hem ‘één van de vaandeldragers van het moderne striptekenen’ en dat is terug te zien in Alles leeft. Toch is Wasco geen grote naam in de vaderlandse stripwereld. Hij heeft nagenoeg zijn hele carrière in de underground vertoeft en publiceerde een niet aflatende stroom boekjes in eigen beheer, met avonturen van Tuitel en Phiwi, Philip & George, Wanda Scott en Dotty Wervelwind. Voor stripblad Zone 5300 tekende hij jarenlang zijn Apenootjes, een Nederlandse variant op Peanuts. Pas in 2015 verscheen zijn eerste volwaardige album, Het Tuitel Complex, waarin hij een selectie uit zijn small press-uitgaven opnam.

Anders dan Het Tuitel Complex bevat Alles leeft meer afgeronde verhalen: het zijn onder meer elf complete verhalen die Wasco tekende in het kader van de zogenaamde 24 Hour Comics, een evenement dat eens per jaar plaatsvindt en waar stripmakers in 24 uur een complete strip maken. Hier is Wasco meer de verteller dan de experimentalist, meer de klassieke stripmaker dan de kunstenaar. Toch zijn er naast het elftal 24 hour comics ook genoeg pagina’s waarin Wasco naar hartenlust uitprobeert, goochelt met kaders en woorden.

Wasco wordt een tekenaarstekenaar genoemd, een stripmaker die vooral onder zijn collega’s wordt gewaardeerd. Zelf is hij niet gelukkig met die benaming, vertelde hij in een interview met NRC uit 2015. Volgens Wasco suggereert het dat hij moeilijke strips maakt, al gelooft hij wel dat ze “misschien voor fijnproevers” zijn bedoeld. Zo werkt hij zijn strips bijvoorbeeld uit op kleur of kiest hij voor een leesrichting vanuit het midden. Vaak zijn de strips en korte verhalen tekstloos en lijken ze midden in de vertelling te beginnen. Hij laat personages over de kaders van de strips lopen en negeert daarbij de zwaartekracht. Tenminste, voor wie het boek niet met de figuren laat meebewegen.

In Alles leeft vindt de lezer minder van die uitgesproken visuele experimenten; de aandacht is verschoven naar de vertelkunst van Wasco, die even grillig en romantisch als onaangepast is. Wolken uit 2009 is een dichterlijke vertelling over de elementen, gevolgd door de strip Marie Antoinette (van een jaar later) die een pastiche op jeugdstrips uit de jaren vijftig is, inclusief verhalende reuzensprongen en onwaarschijnlijke plotwendingen. Ronduit mooi is Sneeuw uit 2014 waarin Wasco op zijn sterkst is. Daar treft de lezer interessante sequenties aan die bij elkaar worden gehouden door een prikkelende, absurdistische vertelstem: “Op een keer moest ik zo vreselijk huilen (…) dat mijn zoute tranen de wolken begonnen op te lossen en het begon te regenen. En ik, ik stortte uit de hemel, maar herinnerde mij op tijd dat ik een eend ben! En zo landde ik op de oceaan alwaar ik een nieuw leven van dobberen begon”.

Achter in het album schreef Wasco – of is hij daar gewoon Henk geworden? – het essay Wat het is, een chronologisch verhaal dat hij ophakte in kleine hoofdstukjes. Het begint als een aanklacht tegen het vervelende conservatisme van het medium strip, dat maar niet loskomt van sleetse dinosaurussen als Kuifje, Suske & Wiske en Spider-Man. Gaandeweg wordt het persoonlijker en leren we over de poëtica van Wasco en gebeurtenissen uit zijn leven die veel indruk hebben gemaakt, zoals het overlijden van zijn zus in 2008. De zorgvuldige lezer ziet dit terug in zijn werk.

Alles leeft is een compleet overzichtswerk dat samen met Het Tuitel Complex een fraaie doorsnee is van het werk dat Wasco tot op heden maakte. Het is te hopen dat de ambitie en honger van Wasco niet is gestild met deze uitgave. Gelukkig belooft hij in Wat het is dat hij nog tot in den eeuwigheid 24 hour comics zal blijven maken. Verder ziet het er niet naar uit dat hij is uit-geëxperimenteerd en klaar is met vertellen.

Zelf sluit hij af met de constatering dat alles een ziel heeft en dat we er daarom zorgvuldig en netjes mee om moeten springen. Hij noemt strips en grammofoonplaten als zaken waar je zuinig op moet zijn. Met instemming zet de lezer Alles leeft in zijn boekenkast.

Wasco – Alles leeft. Scratch Books. 332 pagina’s hardcover. € 24,90

Strips & comics

Gelezen: Owen D. Pomery – Victory Point

Bij de combinatie strips en architectuur hoort de naam van Francois Schuiten, tekenaar van De duistere steden, die hij samen met scenarist Benoit Peeters maakt. In die cyclus leunen de verhalen sterk op architectonische hoogstandjes en fraaie stedelijke entourages. Maar zij zijn niet de enigen. Het afgelopen jaar verschenen twee beeldverhalen waarin ook een wezenlijke rol is weggelegd voor architectuur, met een toevallige overeenkomst als uitgangspunt.

Eind 2019 publiceerde Nobrow het bijzondere Eileen Gray, a house under the sun, van scenarist Charlotte Malterre-Barthes en stripmaker Zosia Dzierzawska. Eileen Gray (1878-1976) was een Ierse meubelontwerper en pionier binnen het architectonisch modernisme. Haar grote faam verwerft ze in 1924, als ze samen met haar partner Jean Badovici begint aan het ontwerp voor de villa E-1027 in de Zuid-Franse plaats Roquebrune-Cap-Martin. Dat huis wordt een icoon, een voorbeeld van de ware modernistische architectuur: strak en gericht op het comfort van de bewoners – geen onhandige poespas en mooidoenerij.

In Eileen Gray, a house under the sun wordt haar levensverhaal verteld in een stijl die doet denken aan Dupuy Berberian (Meneer Jean) en Carole Maurel (Luisa, Wachten op Bojangles). Er is speciale aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van villa E-1027: aan de hand daarvan wordt de esthetica van Gray verklaard en getoond. Het levert een specialistisch maar evengoed lezenswaardig verhaal op, dat vooral interessant is voor ingewijden, maar genoeg verklarend voor de geïnteresseerde leek.

Iets gelijks vinden we in het onlangs verschenen kleinood Victory Point, de tweede graphic novel van de Britse illustrator Owen D. Pomery. De titel van het boek verwijst naar een kleine Engelse kustplaats waar in 1933 een architectuur-experiment plaatsvindt. Onder leiding van de modernistische architect M.L. Schreiber wordt een begin gemaakt met het ‘hermodelleren’ van het plaatsje, met de bedoeling er een modeldorp van te maken; een voorbeeld van hoe men het nieuwe leven zag.

Vanwege de oorlog strandt dit plan in een vroege fase, er waren andere prioriteiten, en sindsdien is het onaffe dorp met haar bijzondere gebouwen een trekpleister voor architectuurstudenten. Het zogenaamde nieuwe leven is er alledaags geworden.

In het verhaal volgt de lezer de jonge boekhandelaar Ellen, die een bezoek brengt aan haar vader die in het dorp woont. Zij ontmoet oude klasgenoten die zijn achtergebleven, en haalt herinneringen op. Ze voelt zich losgezogen van haar eigen verleden en beziet alles met een zekere opluchting en melancholie. Met haar vader heeft ze gesprekken over vroeger, over haar moeder die is overleden en over het hoe het grote in het kleine schuilt. Na één dag gaat ze weer naar huis, terug naar de stad.

Pomery is een verteller die het vooral moet hebben van wat er buiten het verhaal plaatsvindt. Een blik, een gebouw, een uitzicht, blijkt veel meer te zeggen dan wat er daadwerkelijk wordt uitgesproken. Victory Point is eigenlijk een heel stil en ingetogen boekje, waarin meevoelen een belangrijk element is. Wie zich beperkt tot ballonlezen is zo klaar, maar heeft dan zeker 75% van alles gemist. Pas als je de rust neemt die de tekeningen uitademen ervaar je de sereniteit van de omgeving en daarbij komt Pomery’s architectuurachtergrond goed van pas. Zijn strak uitgewerkte gebouwen zien er schitterend uit.

Victory Point is mooi uitgegeven, maar is aan de kleine kant. Beter gezegd: het is iets breder dan A5 en dat is niet ideaal. De lettering is in een petiterig, cursief lettertype gezet en de vreemde bladspiegel is opgezet in vierkanten met grote vlakken boven en onder. Als het boek zo nadrukkelijk om een vierkante vorm vraagt, waarom is dan voor deze onhandige oplossing gekozen?

Het kleurpalet van Pomery is fraai en past bij de ingetogen vertelling. Zijn landschappen zijn prachtig, zijn figuren daarentegen af en toe anatomisch onbehouwen. Dat het niet stoort komt door zijn perfecte vertelstem, die op de goede momenten de juiste emotie zichtbaar maakt. Victory Point is geen groots en meeslepend werk, eerder het omgekeerde – strikt in positieve zin. Het is een klein momentje, een dagje, een treinreis en een paar gesprekken. En het regent een paar keer, op en top Brits.

Owen D. Pomery – Victory Point. Avery Hill. 80 pagina’s hardcover. € 19,99.

Strips & comics

Gelezen: Klaas Driebergen en Hugo Klooster – Bommel Literatuurgids

Geen enkel aspect van de vaderlandse strip is zo nauwkeurig, grondig en vooral compleet gedocumenteerd als het werk van Marten Toonder en dan vooral dat rond de avonturen van Bommel en Tom Poes. De Bommelsaga, zoals de complete verzameling verhalen wordt genoemd die onder supervisie van Marten Toonder tussen 1941 en ’86 verscheen, bestaat uit 177 tekststrips. Wie de witte reeks met daarin alle verhalen naast elkaar zet, komt op een mooi aantal decimeters uit.

Maar daar is het in die jaren niet bij gebleven: naast het werk zelf verscheen er een niet aflatende stroom boeken over de strip, in al zijn facetten. Deze stapel secundaire werken steekt qua centimeters de strip zelf naar de kroon: nog ieder jaar publiceren onderzoekers, journalisten, verzamelaars, vertalers en afficionado’s boeken en artikelen over Toonder, Tom Poes en Bommel.

Onlangs werden er weer drie centimeters noest onderzoekswerk aan de secundaire bibliotheek toegevoegd: van Toonder-kenners Klaas Driebergen en Hugo Klooster verscheen de Bommel Literatuurgids. Dit fraai bezorgde werk biedt een overzicht van de grote hoeveelheid boeken en artikelen die er in een periode van tachtig jaar zijn verschenen over het Bommel-oeuvre van Marten Toonder. Het onderschrift op het voorplat, in de kleuren van Bommels jasje, luidt ‘een overzicht van tachtig jaar Bommelstudie’.

De auteurs spreken zelf van de eerste secundaire Toonderbibliografie. Zij rangschikten in het boek meer dan 3500 publicaties over de Bommelstrip, die verschenen van 1941 tot nu. Vijf uitgebreide indexen wijzen de lezer de weg in al deze literatuur. Indrukwekkend, maar tegelijkertijd nadrukkelijk geen leesboek: alle publicaties worden genoemd en per jaar gerangschikt, maar staan er zelf niet in. Logisch misschien, maar toch gemeld: wie zoveel artikelen wil publiceren heeft meer nodig dan de toch al forse 320 pagina’s*.

Een echt naslagwerk dus, en dat beseften de beide samenstellers ook. Daarom is er het een en ander aan het boek toegevoegd: een uitgebreid voorwoord van voormalig Bommel-uitgever en stripcollectionneur Hans Matla, die zijn zinnen breidt in de stijl van Toonder, en een inleiding van de samenstellers zelf. De pagina’s van het literatuuroverzicht worden verluchtigd met Bommelillustraties en citaten van Marten Toonder.

Hoewel de makers er alles aan hebben gedaan om het zo lezenswaardig mogelijk te maken, is het geen boek dat de lezer van A tot Z gaat zitten doorvlooien. Daar is de chronologische literatuurlijst uiteindelijk te droog voor – en niet als zodanig bedoeld, vooral. Toch zit er een onvermoed vrolijk overzicht in: de index van figuren. Daarin staan alle ooit vermelde figuren uit de Bommelstrip op alfabetische volgorde gezet, van Argus tot Zwarte Zwadderneel.

Voor de gemiddelde lezer, of zelfs de Bommelfan van weleer, is dit misschien een stap te ver. De Bommel Literatuurgids lijkt vooral een uitkomst voor onderzoekers, verzamelaars en de echte die-hard fanaat. Dat kan goed, maar vergis je niet in de omvang van deze fanatieke club. De Marten Toonder Verzamelaars Club, uitgever van het driemaandelijkse Toondertijd, heeft meer dan 4000 leden. Er verschijnen nog steeds – en aan de lopende band – luxe verzamelaarsedities, losse albums en overzichtswerken van en rond het werk van Toonder én er zijn vergevorderde plannen om in Groenlo een heuse Bommelwereld te bouwen: een museum annex pretpark in de beste Toonder-traditie, compleet met kasteel Bommelstein.

Reken er maar op dat er over tien jaar een addendum bij de Bommel Literatuurgids verschijnt. Het is zeker niet zo dat er met deze complete publicatie iets is afgesloten: Bommel blijft nog wel een tijdje – vooral omdat hij nooit is weggeweest.

Klaas Driebergen en Hugo Klooster – Bommel Literatuurgids. Uitgeverij Klaas Driebergen. 320 pagina’s, hardcover. € 19,99.


* Makkelijk praten: nu alle publicaties zo handig bij elkaar staan, is het wellicht een idee om deze online beschikbaar te maken, voor iedereen om te lezen. Dat zou een geweldig project zijn, in omvang én relevantie.

Strips & comics

Gelezen: Jesse Lonergan – Hedra

De lezer die aan de woordloze sci-fi comic Hedra van de Amerikaan Jesse Lonergan begint, doet dat beter niet op een onbewaakt moment. Het verhaal zet de zintuigen meteen op scherp, associaties dringen zich op. Het geheel is zo knap uitgebeeld en dwingt het lezersoog zo nauwkeurig over de pagina’s dat de leeservaring heel intens is. Hedra is grafisch gezien een hoogtepunt van dit jaar.

Bij het lezen gebeurt iets bijzonders. Vanwege, of dankzij, het gebrek aan tekst en tekstuele duiding gaat de lezer op zoek naar aanknopingspunten, naar referenties en vergelijkingen. Dat maakt de beleving persoonlijk en spannend. De verwijzing naar sciencefiction ligt voor de hand: al op het voorplat zien we immers een futuristische raket door de kadrering vliegen. 2001 A Space Odyssee is een inkopper, maar evengoed zijn er sporen van Moebius en Ravian zichtbaar, zelfs overeenkomsten met Arman en Ilva en Het raadsel van Atlantis van E.P. Jacobs zijn te ontdekken. Wie met een open blik kijkt ziet zelfs dat Lonergan gebruik maakt van zogenaamde Onklopbaar-elementen: zaken die door kaders heen over de bladzijde gaan in een volgorde die vanuit het tijdsperspectief niet kloppen.

De proloog van het verhaal lijkt in opbouw en thematiek een stripbewerking van Kooyanisqatsi, het Hopi-epos van Godfrey Reggio en Philip Glass uit 1982: in een rabiate vaart verandert de lege ruimte in een zee van ontploffingen die het ellendige einde van de beschaving inluiden. Wie het kent, hoort het repetitieve van de begeleidende muziek van Glass. Hedra begint waar Kooyanisqatsi eindigt: in het niets, op een aarde die uitgeput en leeg is. En net als de film – waarin ook niet gesproken wordt – speelt Lonergan in Hedra met vertragen en versnellen.

Hedra vertelt het verhaal van een ruimtereiziger die planeten afreist om bloemen en planten mee te nemen, om ‘thuis’ weer een ecologische structuur op te bouwen. Onderweg komt zij een mensfiguur tegen die haar intrigeert. Ze volgt hem en belandt zo in een ondergrondse wereld vol portalen, stelsels en firmamenten. Haar missie verandert in een ontdekkingsreis en toch weet ze haar aanvankelijk doel op een bepaalde manier te bereiken. Hedra is een kosmisch en hoopvol sprookje dat inzet op een beter leven op aarde.

De lezer die de tijd neemt ontdekt dat Lonergan heel inventief gebruik maakt van grafische narratieve elementen. Zo speelt hij op een interessante manier met de kaders, die hij aanvankelijk als een grid neerzet. Af en toe gebruikt hij uitsparingen en afwijkende kaderformaten om een nevenverhaal te vertellen, zoals Chris Ware (Rusty Brown, Jimmy Corrigan) dat in extremis doorvoert. Mooier wordt het bij Hedra als de kaders de achtergrond verlaten en alleen gebouwen en rotspartijen nog worden opgedeeld in keurige vierkante blokken.

Ook kleur heeft een functie. Een manier waarop Lonergan nevenverhalen toestaat, of de eenheid van tijd en plaats verandert, is met kleurgebruik. Op sommige pagina’s blijft het stramme grid van vierkante plaatjes overeind en lost hij tijdsprongen op door verschillende tinten te gebruiken, steeds vanuit paarsblauw en oranjebruin.

Hedra is een zeldzaam genoegen. Het is een strip die op zoveel punten afwijkt van wat gangbaar is, dat het des te opmerkelijker is dat het toch nog zo soepel ‘leest’. Lonergan weet dit te bereiken doordat hij een perfecte balans vindt tussen gangbare verhaalgegevens – een zoektocht, een ontmoeting, een vondst – en buitenissige sciencefiction en ondoordringbare grafische elementen. De lezer puzzelt, ontdekt en vormt zich een idee. De maker geeft precies genoeg weg – of beter: houdt het exact spannend.

Is het een apocalyptisch sprookje over hoop? Wijst het verhaal ons op onze morele aansprakelijkheid zorg te dragen voor onze aarde? Het verhaal houdt de lezer een spiegel voor en toont wat een enkeling kan bereiken. Dat is Hedra voor wie het lezen wil.

Jesse Lonergan – Hedra. Image. 48 pagina’s. $ 5,99.

Strips & comics

Gelezen: Jean-Marc Rochette – De wolf

De mens en de natuur is zo’n thema dat het vooral moet hebben van de grote gebaren. Het grootste alomtegenwoordige tegen het nietige individu, de kracht tegen het vernuft. Christophe Chabouté’s To build a fire is hier een mooi voorbeeld van: een man gaat met zijn hond van A naar B en raakt onderweg ingesneeuwd. Wat de man ook probeert om te overleven, de natuur is onbarmhartig. Ook in Taniguchi’s alpinisme-epos Summit of the Gods is het de ongelijke strijd tussen mens en natuur die te vaak wordt beslist in het nadeel van de onderliggende partij. Bergbeklimmers willen bedwingen, de ongelijke strijd in hun voordeel slechten.

Iets soortgelijks is aan de hand in De wolf van de Franse stripmaker Jean-Marc Rochette, die onlangs nog hoge ogen gooide met zijn Snowpiercer-trilogie. In De wolf gaat de norse schaapherder Gaspard de strijd aan met een wolvenjong, dat alleen overblijft nadat de herder zijn moeder heeft doodgeschoten. Het wekt de argwaan van een groep natuurwachters die hem verdenken van ongeoorloofde praktijken.

Tegenover een dorpeling biecht Gaspard zijn daad op: “Ik heb ‘m gedood, midden in het nationaal park. Het was een wolvin. Vorig seizoen heeft dat beest me 150 schapen gekocht. Het was zij of mijn kudde. Ik moest kiezen. Een prachtbeest, imposant als een koningin. Echt waar, zo’n mooi dier heb ik nog nooit gezien.”

Hier klinkt het mooie gegeven van dit verhaal. Gaspard is geen bruut, maar een man die met en in de natuur leeft. Hij wordt geportretteerd als een eenling, die winters overleeft met alleen zijn hond. Zijn strijd tegen de wolvin is ingegeven door overlevingsdrang, met de schaapskudde als zijn nering. Rochette zet dit gegeven heel krachtig neer: hij laat de lezer meewandelen met Gaspard. Zo zien we hoe het leven in de bergen is, ne leren we de krachten kennen waarmee Gaspard te maken heeft.

Die bergen zijn het Massif des Écrins. Het verhaal speelt in de vallei van de Vénéon, een bergketen vlakbij de Franse plaats Gap. Dat Rochette zelf een bergbeklimmer is, blijkt uit de accuratesse waarmee hij het grootse van de omgeving uitwerkt: in flinke kleurvlakken zet hij de streek neer, met veel grijs en blauw. Voor zijn figuren neemt hij de tijd, achtergronden doet hij in enkele trefzekere lijnen. De houdingen en bewegingen van de beesten verraden dat Rochette een observerend oog heeft: het besluipen en bespringen van de wolf, de paniek onder de schapen, het is perfect uitgebeeld. De welp, die gaande het verhaal groter en sterker wordt, oogt alert en sereen.

De wolf is een stil verhaal dat verder gaat dan mens en natuur. Rochette ontwijkt de ongelijke strijd: het gaat over het leven en over eerbied, niet over winnen of verliezen. In een zinderend slotstuk komt alles zo mooi en precies samen dat het echt emotioneel wordt. Dat hij daarvoor geen trucs nodig heeft, geeft aan hoe bijzonder deze graphic novel in elkaar steekt. Met De wolf heeft Rochette een verhaal afgeleverd dat niet alleen de schoonheid van het hooggebergte laat zien, maar ook dat van de strip.

Jean-Marc Rochette – De wolf. Casterman. 112 pagina’s hardcover. € 22,50.

Strips & comics

Gelezen: Wakame Konbu – Breasts are my favorite things in the world

Ook de allergrootste comic con ter wereld, die van San Diego, is niet aan de gevolgen van het Corona-pandemie ontkomen. Voor het eerst in haar geschiedenis speelde het complete festival zich online af, onder de veelbetekenende titel #ComicsConAtHome. Het gevoel was uiteraard anders, de prijsuitreiking van de Eisner Awards was vreemd en de uitgevers en standhouders zagen hun omzetten tot vrijwel nul gereduceerd. Niet zien is niet kopen. Het is niet anders, maar toch was er hemel en aarde bewogen om er online iets moois van te maken.

Zo konden de debatten en paneldiscussies vrij gemakkelijk naar een online omgeving worden omgezet: de talking heads en de onderwerpen hebben niet per se een live entourage nodig. Op 26 juli vond er een uitgebreide paneldiscussie plaats over manga, met als hoogtepunt de bekendmakingen van de beste mangatitels van het afgelopen jaar, waaronder beste lopende reeks en beste nieuwe serie, in allerlei leeftijdcategorieën. Allemaal leuk en aardig (de prachtige reeksen Silver Spoon en Witch Hat Atelier wonnen in de categorie Beste reeks voor tieners en het sterke The way of the House Husband in de categorie Beste reeks voor volwassenen) maar stiekem keek iedereen toch vooral naar wat er op het einde van de avond in het vat zat: de bekendmaking van de slechtste manga van het afgelopen jaar.

Leedvermaak is leuk en de vijver waaruit gevist kan worden is enorm: er verschijnt immers genoeg rare, onooglijke en wazige manga – dat hoort ongeveer bij de cultuur. Voor iedere subcultuur is er iets in mangavorm te vinden. Populair is de culinaire manga (Oishinbo, Food Wars! en de reeks over wijn, Drops of God) en manga over sport: letterlijk over iedere sport of bezigheid is een manga te vinden. Van tafeltennis en basketbal tot het bijzondere en poëtische folklorespektakel karuta in de overigens geweldige manga Chihayafuru (ook als onweerstaanbare anime te zien).

Er zijn manga over meisjes met kleine voeten, uilen, transformers en badhuizen; en alles met evenveel zorg en toewijding gemaakt. Dat daar af en toe een faliekante misser tussen zit, lijkt logisch.

De eerste drie van vijf slechte mangatitels werden met instemming begroet, al zal een enkeling vast een nóg zwakkere titel hebben gelezen. Slecht waren het zwabberende en onbegrijpelijke Inspector Z, de tergende slakkengang van Acca 13 en een manga waarvan de titel al genoeg prijsgeeft: The Slime Diaries, That time I got reincarnated as a slime.

Bij de vierde titel trokken de aanwezigen meer dan een wenkbrauw op: een panel van wijzen besloot namelijk het perfecte Downfall van Inio Asano (recensie) te bestempelen als slecht, zwak en te vermijden. De argumenten waren weinig overtuigend en leken voornamelijk ingegeven door het onderwerp van het verhaal: de ondergang van de moderne Japanse manga-industrie waar het alleen nog draait om kopieergedrag, snel succes en geld verdienen.

De vijfde titel was dan weer een compleet logische: het wonderlijke en zelden vertoonde Breasts are my favorite things in the world van Wakame Konbu, die en paar jaar geleden al voorzichtig blijk gaf van een curieuze voorkeur met Dreaming Prima Girl – voor een idee google je eenvoudig de titel. Wat Breasts are my favorite things in the world zo gek en uniek maakt is dat de man geen enkele rol speelt in de strip. De liefhebberij is puur feminien, zogezegd: het meisje met de grote borsten wordt bewierookt door een vriendinnetje dat (ocharme) niet vooraan stond bij de verdeling van de grotere cupmaten.

Chiaki is geobsedeerd door de grote borsten van haar vriendin Harumi. In de eerste tankobon (trade paper back, verzameling) wordt niet duidelijk gemaakt waarom dat is. Ze is niet verliefd, alleen op een ongezonde manier gefocust. Raar is dat de fors bedeelde Harumi alles over haar kant laat gaan. Als Chiaki totaal overstuur roept dat Harumi haar borsten op haar hoofd moet leggen (A breast stand) dan doet ze dan maar. Later passen ze elkaars bh en ook daar is de hysterie niet van de lucht. Het gaat nog verder als ze moeder-en-kind spelen, een grote wens van Chiaki. Hier houden we het maar bij. Het is raar, onbeholpen en vooral: het slaat nergens op. Echt nergens op.

Zoals gezegd verschijnen er wel meer dolle en gekke manga’s, maar die worden zelden vertaald in het Engels. Waarom uitgerekend deze totaal absurde titel keurig is uitgebracht – met zicht op een tweede bundeling – is een van de onnavolgbare raadselen van de industrie. In dat opzicht is Asano’s Downfall nog mild: Breasts are my favorite things in the world zal het succes niet worden en bakken geld zal het ook niet opbrengen. Dat maakt ronduit vreemd dat wij er kennis van kunnen nemen.

Maar wat vooral blijft hangen – pun intended – is dat deze frats even ‘slecht’ is gewaardeerd als het prachtige Downfall. Dat is pas echt bijzonder. Misschien heeft de jury iets te lang onder de borsten van Harumi gezeten.

Wakame Konbu – Breasts are my favorite things in the world 1. Little, Brown & Company. 144 pagina’s. 11,99.

Strips & comics

Gelezen: AJ Dungo – In golven

“Toegegeven, ik ben niet de meest aangewezen persoon om je veel over surfen te leren. Ik ben zelf ook maar een overenthousiaste toerist. Ik heb het verhaal van het surfen niet geschreven maar de personages die erin meespelen liggen me wel. Wat we met elkaar gemeen hebben: de obsessie voor de perfecte golf, een diepe eerbied voor de oceaan en een gebroken hart.”

Zo begint de Amerikaanse illustrator AJ Dungo zijn zinderende graphic novel In golven, die over veel meer gaat dan de surfsport. Het gaat evengoed over liefde, over afscheid en over het leven, waarbij het surfen, de zee en de golven nu eens niet als al te clichématige metaforen worden aangewend.

Eigenlijk bestaat In golven uit meerdere verhalen, die op zich niet eens kunstig in elkaar zijn verweven. Dungo is grafisch stellig in het aangeven waar de ene geschiedenis zich ophoudt en waar de andere. Hij doet dat met kleurstellingen: oudbruin voor de geschiedenis, het groenblauw van de omslag voor het heden. In het historische gedeelte vertelt hij het verhaal over het ontstaan van de surfsport op Hawaï, waarbij hij twee belangrijke figuren uitlicht: Duke Kahanamoku, een drievoudig Olympisch zwemkampioen (1890-1968) die zich later toelegde op het surfen, en Tom Blake (1902-1994), een surffanaat pur sang die aan de wieg stond van het holle board – de surfplank zoals wij die nu kennen.

In het groenblauwe deel vertelt Dungo zijn eigen verhaal en dat van zijn vriendin Kristen. Zij is idolaat van sport, vooral basketbal en surfen, maar treft het ongeluk: door een ziekte moet haar been worden afgezet. En dat blijkt het begin van het einde; ze komt er nooit meer bovenop. Overigens uitsluitend in fysiek opzicht, want mentaal is ze sterk, weerbaar en vol levenslust, wat de actuele delen uit In golven heel dramatisch en gevoelig maken.

De combinatie van beide verhalen is bijzonder, omdat de verbinding vrijwel ontbreekt. Dat zal aan de ontstaansgeschiedenis hebben gelegen. Het was aanvankelijk bedoeld als een grafisch afstudeerproject over Blake, waaraan Dungo later nog het levensverhaal van Kahanamoku toevoegde. Het was in dezelfde tijd dat zijn vriendin te horen kreeg dat ze ongeneeslijk ziek was en zo besloot Dungo er nóg een laag aan toe te voegen, naar de uitdrukkelijke laatste wens van zijn vriendin.

Wat het oplevert is een graphic novel die in het gunstigste geval af en toe de focus van het naderende onheil verlegt naar een goed gedocumenteerde geschiedkundige verhandeling. De lezer die op zoek gaat naar gedeelde motieven, thema’s en overeenkomsten raakt hier al snel het spoor bijster. Het verhaal van Kristen staat op zichzelf. Het zorgt ervoor dat de lezer het verhaal – de beeldspraak is onvermijdelijk – in golven aangereikt krijgt en beleeft: de vrij emotieloze verhandelingen over vroeger en de actuele gebeurtenissen haken niet in elkaar, maar lijken toevallig. Ze helpen elkaar bovendien niet. Het is alsof iemand ontdekt dat op twee zenders tegelijk iets over hetzelfde onderwerp te zien is en heen en weer zapt om zo weinig mogelijk te missen.

Is dat vervelend? Nee, want Dungo weet beide werelden goed te doseren. Wat daarbij helpt is dat hij zich bedient van vrij lege pagina’s die grafisch sterk en uitdagend zijn. De lezer temporiseert vanzelf en zo krijgt het vertelde de ruimte om te groeien. Concreet: ook de historische persoonsbeschrijvingen hebben een invoelende laag. De negativiteit waarmee de visionair Blake te maken krijgt als hij zijn lichtgewicht surfplank aan de wereld presenteert is bijvoorbeeld tergend. Anders dan we nu vermoeden werd die noviteit hem aanvankelijk niet in dank afgenomen.

In golven is een bijzonder verhaal dat speelt met de manier van vertellen, van beleven en van voelen. Uiteindelijk weet Dungo alle lijntjes even met elkaar te verbinden als hij stelt dat de zee laat zien hoe de gebeurtenissen van ons bestaan zich aandienen. Wat het leven brengt, van geluk tot het verdriet, van erkenning tot afgunst: alles komt in golven. Fraai.

AJ Dungo – In golven. Casterman. 376 pagina’s. € 29,95

Strips & comics

Gelezen: Bastien Vivès & Martin Quenehen – Nationale feestdag

Het is opvallend en ergens logisch dat stripliefhebbers die nog nooit een album van de Fransman Bastien Vivès lazen, toch een duidelijk mening over zijn werk hebben: het spreekt ze niet aan, vooral als ze het vluchtig doorbladeren. Opvallend omdat de verhalen van Vivès (1984) doorgaans erg goed en gedegen in elkaar steken, logisch omdat zijn uitgeklede tekenstijl en lege pagina’s er op het eerste oog vrij saai en dor uitzien.

Dat laatste is schijn, en onterecht, want juist de uitgepuurde, minimalistische aanpak van Vivès pakt de lezer bij de kladden – als die eenmaal aan het lezen gaat. Zo ook in zijn nieuwe graphic novel, Nationale feestdag – in het Frans getiteld Quatorze Juillet. Het vernuftige van Vivès’ stijl zit in wat hij weglaat, en dat is ongeveer alles wat er niet werkelijk toe doet: alleen de personages en zaken die de sfeer bepalen houdt hij over. Een dialoog tussen twee mensen levert daardoor een vrijwel uitgestorven pagina op met figuren en tekstvelden. Striplezers die gaan voor de mooie plaatjes, kunnen thuisblijven.

En ook daar neemt Vivès de lezers-van-de-eerste-indruk beet, want de lijnen die hij zet zijn zo trefzeker, sturend en stuwend dat hij de lezer opzadelt met een niet vaak vertoonde focus: wie Nationale feestdag heeft gelezen, heeft letterlijk ieder lijntje opgemerkt.

Dat pakt overigens niet altijd goed uit: in verhalen met veel onderhuidse emotie en subtekst moet de lezer vanwege de summiere grafische houvast te veel raden en voor waar aannemen, zoals bij het ingetogen Zie mij het geval was. Te vaak kon de lezer alle kanten op: kijkt ze nu zwoel, bang of onverschillig? Het mooie Mijn zus leunde al meer op de vertelling waardoor het beslist meeslepender was. Met Nationale feestdag heeft Vivès de hulp ingeroepen van scenarist Martin Quenehen. Samen schotelen zij de lezer een boeiende en actuele thriller voor, met genoeg spanning en finesse om door te blijven lezen. Ook al draagt de hoofdpersoon vaak een zonnebril, we hoeven ons niet af te vragen hoe hij zich voelt – het verhaal is leidend, dus mag Vivès volstaan met een enkele gelaatstrek.

Het verhaal speelt in het dorpje Saint-Jean-Le-Monestier waar men in afwachting is van de festiviteiten rond de veertiende juli, de Franse feestdag. We volgen de serieuze, streberige jonge agent Jimmy Girard, die er niet helemaal gerust op is met al die terroristische aanslagen en de hordes buitenlanders die voor onrust zorgen onder de lokale bevolking. Maar bij Girard geen lede ogen, hij raakt er juist kordater en energieker van.

Girard komt tijdens een controle de Parijse schilder Vincent Louyot tegen, die met zijn jonge dochter Lisa de grote stad is ontvlucht om op adem te komen van de gebeurtenissen die zijn leven voorgoed hebben veranderd: zijn vrouw is bij een terroristische aanslag om het leven gekomen. Girard voelt zich verbonden met de man en diens verdriet, omdat hij kortgeleden zijn eigen vader heeft verloren. Hij neemt Louyot – die een frappante gelijkenis vertoont met Michel Houellebecq – onder zijn hoede en zoekt hem af en toe op. Dan blijkt Louyot zich in zaken te steken die bepaald niet in de haak zijn en raakt Girard betrokken in een smerige affaire die hem bijna boven het hoofd groeit – nota bene in zijn vrije tijd, dus zonder uniform en bevoegdheden.

Opvallend is hoe ongefilterd de gesprekken zijn: de flinke meningen over buitenlanders, bootvluchtelingen en criminelen vliegen je om de oren, van zowel bewoners als dienders. In een tijd waarin we regelmatig lezen hoe agenten in besloten groepsapps straffeloos tekeer gaan, is Nationale feestdag bijna té natuurgetrouw. Het zorgt voor een sfeer van dreiging, van een ongemakkelijk gevoel en de hoop dat deze veertiende juli rustig en zonder gedoe kan plaatsvinden. Vivès en Quenehen hebben met de keuze voor een actuele insteek goed gekozen: uiteindelijk is dit een verhaal over gedragingen, goed en fout, van mensen die op zoek zijn naar antwoorden op de vragen van de complexe, huidige samenleving.

Nationale feestdag is meer rechttoe-rechtaan dan de eerdere titels van Vivès. De dochter van Louyot heeft een wat vreemde bijrol, voor wie zich andere verhalen van Vivès voor de geest haalt, waarin jonge meisjes er vaak zijn om de hoofden op hol te brengen. Dat ligt in dit geval aan de onverzettelijkheid van Jimmy Girard – een handige eigenschap voor een agent, maar misschien niet direct voor een personage dat dit verhaal had kunnen gebruiken: iemand met iets meer emotie en diepgang dan de afgemeten realist die Girard is.

Bastien Vivès & Martin Quenehen – Nationale feestdag. Casterman. 256 pagina’s hardcover, € 24,95

Strips & comics

Gelezen: Craig Thompson – Ginseng Roots

Ergens voelt het alsof een auteur, als die eenmaal het succes van een bestseller heeft meegemaakt, daarna altijd schaduwrijke boeken blijft maken. Zijn oeuvre zal immers worden opgehangen aan dat ene grote werk en de rest zal steeds worden vergeleken. De Amerikaanse stripmaker Craig Thompson (1975) overkwam het: in 2003 verraste hij de wereld met het mooie Blankets dat in het Nederlands verscheen als Een deken van sneeuw. Het verhaal over zijn streng-gelovige jeugd bracht lezers wereldwijd in vervoering. Het is een van de weinige strips die bijna standaard in het assortiment van een serieuze boekhandel te vinden is. Amper 28 en dan al zo gevierd, dat is weinig stripmakers gegeven.

Een jaar na zijn succes verscheen het reisverslag Carnet de Voyage en het duurde tot 2011 voor er weer een serieus, omvangrijk werk verscheen. Dat was Habibi, een verhaal dat speelt in het Midden-Oosten en gebaseerd is op oude fabels van daar. Vier jaar later gooide hij het over een andere boeg met het weinig pretentieuze Ruimtekruimels, een kinderstrip dat verhalend en illustratief achterbleef bij waartoe Thompson is staat is. Alles leuk en aardig, maar Craig Thompson bleef die ene van Blankets. Dat verander je niet zomaar.

En ineens was er vorig jaar het eerste deel van Ginseng Roots. Het is net als Blankets een autobiografisch verhaal, deze keer over de streek waar Thompson opgroeide en waar ongeveer de gehele wereldproductie van de ginsengwortel vandaan kwam: Marathon, Wisconsin, waar de samenstelling van de aarde zo gunstig was voor het gewas dat de Chinezen de oogsten op bestelling inkochten. Hoe dat gebeurde doet Thompson uitgebreid uit de doeken, het verhaal kent veel lagen.

In eerste instantie leren we Craig en zijn broertje Phil kennen; twee jongens uit een streng gelovig gezin van born again Christians, dat maatschappelijk gezien onder aan de ladder bungelt. Om geld te verdienen helpen ze de lokale ginsengboeren met het wieden van onkruid. Ze verdienen een dollar per uur, wat als goud aanvoelt voor de jongens want van dat geld kopen ze comics. Veel comics. Als ze later voor drie dollar per uur stenen gaan rapen – die van het land moeten om te voorkomen dat die de machines beschadigen – is het hek helemaal van de dam: de comics komen met dozen tegelijk huize-Thompson binnen. Het broertjesgedeelte van Ginseng Roots is vertederend en maakt inzichtelijk hoe hard hun leven was. Andere kinderen haalden hun neus op voor het zware werk.

Het verhaal is opgehangen aan de herinneringen van Craig en Phil. In de strip gaan ze als volwassen mannen op bezoek bij de boeren die ze als kind leerde kennen. Ze spreken over het werk, de economie en hoe de wortelproductie steeds verder afnam. In deze verhalende laag neemt Thompson de lezer mee in de dynamiek van de streek, en hoe de ginsengteelt sommige landbouwers schatrijk maakten.

Thompson neemt daarnaast ook uitgebreid de tijd en ruimte om een historisch kader te schetsen. Deel 5 uit de comicreeks is bijna in zijn geheel een geschiedkundige verhandeling, net als een flink gedeelte van deel 3. Deze encyclopedische passages zijn wat afstandelijker en hebben een hoge informatiedichtheid: Thompson lijkt geen detail te willen overslaan. Op zich prima, maar omdat Ginseng Roots als losse comics wordt gepubliceerd, waar tussentijd overheen gaat, mis je het jeugdige elan van Craig en Phil in die delen.

Dat Thompson ervoor koos om het verhaal op te delen in een serie van twaalf comics, deed aanvankelijk wat wenkbrauwen fronsen. Het is ongemakkelijk en niet van nu: de lezer moet de hele tijd naar de winkel voor een nieuw deeltje en van bingelezen (of zelfs gewoon lekker doorlezen) is geen sprake. En als we alles bij elkaar optellen kost het de liefhebber meer dan zeventig dollar – om over de onvoordelige dollar-euro-conversie nog maar te zwijgen. Daarbij komt dat de pagina’s zo mooi zijn opgemaakt en uitgevoerd, met zoveel oog voor detail, dat het geringe comicformaat bijna afbreuk doet aan de genietmate.

Anderzijds, de boekjes zijn stuk voor stuk kleine kunstwerkjes, met mooie schutbladen en toffe extraatjes achterin. Plus: twaalf mooie omslagen zijn er meer dan één. Of er een complete versie gaat verschijnen is nog niet duidelijk: al een tijdje circuleert er op Amazon een plaatje van een “deel 1” maar verdere informatie ontbreekt, ook bij de uitgever die zich over een bundeling in stilzwijgen hult. Bovendien zijn de losse delen hier goed verkrijgbaar, bij de stripspeciaalzaak en ontwikkelde boekhandel: geen zorgen dat je iets mist. De uitgever biedt zelfs een abonnementenservice, ook voor overzeese lezers, mét een bewaarbox als extra stimulans.

In de schaduw van het grootse Blankets ontstaat hier stukje bij beetje een verhaal dat een soortgelijke impact kan hebben – moet krijgen, liever nog. Ginseng Roots is meeslepend, machtig interessant en heeft nu al de uitstraling van een nieuw hoogtepunt in het werk van Thompson. Waar het in ieder geval met kop en schouders boven Blankets uitsteekt is in de perfecte, speelse pagina-opmaak en het vloeiende en ingenieuze van de vertelling. Eigenlijk is Ginseng Roots al op veel vlakken verder uitontwikkeld, wat logisch is. Iedere tekenaar leert bij in zeventien jaar tijd.

En nu gebeurt wat er altijd gebeurt: toch die vergelijking, toch op zoek naar het licht van het grote werk. Boeken staan op zichzelf, ook moderne klassiekers als Blankets én Ginseng Roots, al duurt het nog even voordat we die laatste op dat voetstuk kunnen plaatsen.

Craig Thompson – Ginseng Roots. Uncivilized Books. 12 delen à 32 pagina’s. $5.00, vanaf deel 3 $6.00.