Geen categorie

Vergadering zoveel van dit jaar

“Zijn we nu aanbeland bij de post van de afgelopen maand. Weer veel strips binnengekomen.”
“Altijd goed. Zitten er ook langere verhalen bij van een paginaatje of vier, vijf, zes?”
“Nee, dat niet. Alleen maar cartoons.”
“Alleen maar?”
“Ja, het is niet anders. Langer dan vier minuten onafgebroken tekenen zit er tegenwoordig niet meer in.”
“Het monnikenbloed is de stripbroeder uit de aderen gevloeid.” (Dit was mijn opmerking)
“Oké, maar als de cartoons goed zijn, dan hebben we alsnog niet te klagen. Halen we de langere verhalen gewoon uit het buitenland.”
“Verwacht er niet teveel van.”
“Hoezo? Zijn de cartoons niet goed?”
“Dat is mild uitgedrukt. Hier.”
De eerste cartoon die op tafel komt toont een mongooltje dat op een gammele kruk zit. Bloot. Met de beentjes van een kabouter zichbaar uit haar poepgaatje stekend. (haha) Zonder uitdrukking op haar gezicht maar met gebalde vuist zegt ze tegen een hond die aan zijn ballen likt: ‘vertel me nu meteen waar meneer Van Putten is, dan zal ik die kankerdwerg eens een klap voor zijn rotkop geven!’ (haha) De hond zegt waf, maar je ziet hem denken: je bent net op Van Putten gaan zitten. Onder het tafereeltje staat: Hoe Marie-Antoinette meneer Van Putten onbedoeld een hak zette.
“Gaat dit nog verder?”
“Nee, dit is het grapje. En zo heeft deze gast nog ongeveer tien andere rariteiten opgestuurd.”
“Godsallemachtig.”
“En deze is van een andere tekenaar.”
Voor ons ligt een tekening van een Marokkaan die een T-shirt draagt met het woordje Kut op de borst. (haha) In zijn ene hand heeft hij een overlevingsmes en met zijn andere hand houdt hij de grijze haardos van een bejaarde dame vast, terwijl hij haar dreigend in de oren schreeuwt: ‘ik zal u voor de laatste maal kond doen van mijn snode bedoelingen met betrekking tot deze handhandige ontmoeting. Ik richt mij met klem tot u, mededelend mij de inhoud van uw portemonnaie te doen toekomen’. Onder de brute illustratie staat: ‘Zijn archaïsche taalgebruik zorgde voor hilarische taferelen in het winkelcentrum’.
“Tsja.”
“Heeft deze jongen meer opgestuurd?”
“Nee, alleen deze. Hij vond het zijn meest representatieve cartoon.”
“Dat kan ik me voorstellen.” Er wordt gezucht en daar wordt vervolgens om gegniffeld.
“Ik durf het bijna niet te zeggen, maar we hebben ook nog deze inzending.”
“Dat lijkt wel een dildo met een snavel.”
“Sterker nog, het is de uitgestorven dildodo.”
“Christus! Die grap sla ik altijd over!” (Dit was weer een opmerking van mij)
“Ik moet zeggen dat ik nog niet gelachen heb. Het is allemaal van dat gemakzuchtige absurdistische gedoe.”
“Precies. Geen touw aan vast te knopen van de stommiteit, maar wel met een air van heb-ik-jou-daar.”
“Weet je, volgens mij komt dat door de wereld van tegenwoordig. Alles gaat razendsnel en heeft de inhoud van een leeg emmertje. We hóeven niet eens meer na te denken, want de dingen gebeuren toch wel.”
“Goh, wat een wijsheid.”
“Ja maar even serieus, niemand wordt nog uitgedaagd tegenwoordig. Als je drie leuke dingen hebt gezegd, dan ben je al een hit. Waarom zou je het toeval dan niet een veel grotere rol laten spelen? Doe maar wat doms, als je mazzel hebt…”
“Oké oké, laten we even kijken naar de laatste inzending.”
Op tafel ligt een plaatje van twee mannetjes die tot hun middel in een vrouwelijk geslachtsdeel zitten. De ene heeft een telefoon aan zijn oor en zegt: ‘dan zet je het toch in de koelkast? Warm ik het wel op als ik thuiskom. Ik heb geen idee hoe lang dit nog gaat duren.’
We weten allemaal even niet wat we moeten zeggen. Gelukkig breek ik het ijs: “Ik vind ‘m goed. Wat mij betreft komt die in het volgende nummer.”

Plaats een reactie