Geen categorie

Wa-wa-wa-waanzinnig

Vroeger woonde er op nummer 6 een waanzinnige familie, die compleet anders was dan de rest. Het waren mensen die leefden in, met, door en voor de natuur in alle pracht en welbehagen, maar wel gewoon in een rijtjeshuis. Een rijtjeshuis met buren. Het waren mensen – een vader, een moeder, Victor en zijn zus – die overal bij stil stonden of een punt van maakten.
De Granny Smith was bij die familie bijvoorbeeld geen appel. Een Granny was namelijk veelste groen, rond en glimmend. Dat kon geen appel zijn, want – en daar haakte ik altijd af – die hoort juist een beetje gekneusd en misvormd te zijn, met meerdere kleuren en het liefst met kleine biologische gaatjes die verraden dat er leven in heeft gezeten. Als ik een Granny onder de kraan hield voordat ik ‘m opat, zei Victor altijd: als dat wassen is, dan kun je het net zo goed laten. Die appels zitten vol met landbouwgiffen.
Zelf dacht ik altijd dat gif zoiets als zand was. Soms bruin, soms geel, maar altijd zand. Nooit zanden. Hij wist dat er honderden verschillende giffen waren. Als ik vroeg hoe hij dat allemaal wist, dan keek hij me onnozel aan. Dan zei hij: dat staat echt overal, maar ik geloof niet dat het in de Avrobode staat.
Kift. Onze Avrobode was te gek. In de rechterbenedenhoek van de dagpagina’s stond vroeger een aflevering van een vervolgverhaal met plaatjes. Die kon je uitknippen en sparen. Bij Victor hadden ze de Opzij. Hij las de vervolgverhalen bij mij.
Als ik bij Victor kwam kon ik het niet laten om altijd even in hun krantenbak te rommelen. Ik had er een keer een naturistenblaadje gevonden, met volleyballende vrouwen en jeu de boulende mannen. Maar meestal was het minder boeiend: de Elixer, voor de bewuste biologisch-dynamische macrobioot. Alsof je dat ook onbewust kon zijn. Elixer was gortdroge materie, net als de zanderige koek die je altijd bij de thee kreeg. Thee waarin bladeren dreven, met onderin een klont honing die op een of andere manier nooit oploste, maar als sperma in warm water bleef ronddwarrelen.
In de krantenbak van de ouders van Victor, hij noemde ze Harm en Jojanneke en zei op school dat het zijn ouders niet waren, maar zijn opvoeders, omdat ze niet getrouwd waren maar langdurig samenlevend, daar lag ook altijd het clubbblad van de Dierenbescherming. Het is me als volgt uitgelegd: als je van dieren houdt, dan geef je geld aan de Dierenbescherming want die doen er goede dingen mee. Als dank voor je betrokkenheid krijg je iedere maand een tijdschrift vol gruwelijke foto’s van uitgemergelde honden die verwaarloosd zijn aangetroffen in een schuur, varkens die opgestapeld in vrachtwagens liggen en elkaar van angst onderschijten en eentonige foto’s van vervuild water met honderden dode vissen. Veel plezier d’r mee, lieve gevoelsmensen die jullie daar zijn. En tegen de jonge lezertjes zeiden ze doodleuk: denk maar eens aan dit lieve kalfje als je een weer zonodig een kroket van de snackbar wilt. Die kinderen kwamen onthutst op school aan, hielden verwarrende spreekbeurten over het dierenleed en vielen buurtbewoners lastig met zelfgeschreven liedjes over blije beesten en nare mensen.
Victor had me eens verteld dat hij de kleurplaatwedstrijd uit het Amnesty krantje had gewonnen. Ik heb ’t nooit gevraagd, maar ik vermoed dat Victor de gemartelde negers uit Zuid-Afrika het mooiste had ingekleurd. Bepaald geen kleinigheidje, want ze hadden op nummer 6 geen televisie en alles wat Victor onder ogen kreeg was gestencild, en dus onduidelijk en zwart wit.
Toen ik dertien was, verhuisde het hele gezin naar een plaats waar de harmonie tussen mens en natuur beter geregeld was, zo hoorde ik de moeder van Victor tegen de mijne zeggen. Die avond droomde ik van een harmonieuze straat. Het was de onze, maar dan zonder de metershoge onkruidzee van nummer 6. Twee weken later was het zover. De nieuwe bewoners, die al snel de familie Grindtegel heette, hadden een weekend nodig om de weegbree, vogelkers en het driekleurige viooltje volledig uit te roeien. Daarna was het uitzicht vanuit mijn slaapkamer zoals het nog nooit geweest was. Bloot, wit en glimmend.
Kort daarna wende dat en zo gingen er jaren voorbij zonder dat ik aan Victor en zijn malle familie dacht. Tot kortgeleden, toen ik de zus van Victor ineens op televisie zag bazuinen dat we de dieren niet langer mogen misbruiken, afmaken, vetmesten, per 1000 vervoeren, opsluiten en vergassen. Ze zat parmantig in haar blauwlederen zetel van de Tweede Kamer en keek voldaan rond. En alsof het nog niet erg genoeg was om het geacclematiseerde natuurmens in zo’n steriele omgeving te zien, zonder onkruid en mieren, zo schokkend was het mantelpakje dat ze aanhad. Grannygroen.
Gelijk de televisie uitgezet en mijn handen gewassen.

Plaats een reactie